| Plan: | N18 Zieuwentseweg - Richterslaan Lichtenvoorde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.BPBUI2016-VG01 |
Rijksweg N18 is de verbindingsweg van Varsseveld naar Enschede. In 2013 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna IenM) een Tracébesluit genomen over de N18. Hierbij is de opgave om de verkeersveiligheid op het gehele tracé te vergroten en de leefbaarheid in de kernen en de verkeersafwikkeling te verbeteren. Dat laatste is ook van belang voor de bereikbaarheid van de regio Achterhoek van en naar Arnhem-Nijmegen en Twente.
Voor het trajectdeel langs Lichtenvoorde hebben Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre een bestuursovereenkomst getekend gericht op de doelstelling: het verbeteren van de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N18.
In 2016 is Rijkswaterstaat gestart met de planvorming voor de uitvoering van de maatregelen voor de kruispunten Zieuwentseweg (N312) en Richterslaan (fase 2). Deze omvatten:
De uitwerking van het maatregelpakket is onderdeel van het Meer Veilig 3 programma. Dit programma beoogt het reduceren van het aantal doden en gewonden op het hoofdwegennet, door een gerichte aanpak van risicolocaties.
De voorkeursvariant uit de bestuursovereenkomst is uitgewerkt in het projectplan 'Meer Veilig 3 – Naar een veiliger N18'. Daarin is de wens van het college van B&W van de gemeente Oost Gelre opgenomen om naast het afgesproken maatregelenpakket ook een alternatief plan te onderzoeken en uit te werken. Dit plan is gericht op het openhouden van het kruispunt Zieuwentseweg in Lichtenvoorde. Daarnaast is opgenomen dat de aandachtspunten van belanghebbenden op het maatregelenpakket van de voorkeursvariant uit de bestuursovereenkomst worden meegenomen.
Op 23 november 2016 is dit projectplan door Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland en de gemeente Oost-Gelre onderschreven. Op basis daarvan is het Onderzoek N18 kruispunten Lichtenvoorde (Goudappel Coffeng) uitgevoerd. Dit is een onderzoek naar de huidige en autonome verkeerssituatie in 2030 indien geen verbeteringsmaatregelen worden uitgevoerd en de effecten daarop bij uitvoering van de in de bestuursovereenkomst afgesproken maatregelen en bij uitvoering van een alternatief plan waarbij de aansluiting N312 in zijn huidige vorm blijft bestaan.
In het rapport van Goudappel Coffeng wordt als eindconclusie gegeven dat de voorkeursvariant conform bestuursovereenkomst optimaal bij draagt aan de doorstroming op de N18, de verkeersafwikkeling op de kruispunten en de verkeersveiligheid. De variant zorgt voor verschuivingen van verkeerstromen in de omgeving. Met flankerende maatregelen zijn de effecten voldoende te beperken. Het alternatief plan draagt ook bij aan de doelstelling van het project, maar door het behoud van beide kruispunten in een mindere mate dan de voorkeursvariant conform de bestuursovereenkomst. Er ontstaan vooral verschuivingen van de verkeersstromen binnen de bebouwde kom van Lichtenvoorde. Met flankerende maatregelen zijn die effecten voldoende te beperken.
Voor het project N18 is gebleken dat de verkeerstellingen waarop het rapport van Goudappel Coffeng is gebaseerd niet volledig bleken. Het rapport van Goudappel Coffeng is daarom niet meer actueel als het gaat om de verkeerscijfers. De Memo actualisatie verkeersmodel Achterhoek is toegevoegd aan bijlage 2 van de toelichting van dit bestemmingsplan. In deze notitie is het verkeersmodel Achterhoek geactualiseerd voor lichtenvoorde en de directe omgeving. Ook is er een variant gemaakt op het basisjaar 2020 waarin de afsluiting van de Zieuwentseweg – N18 is verwerkt.
De ontwikkeling van N18 Zieuwentseweg - Richterslaan is in strijd met de geldende bestemmingsplannen. Een herziening van die plannen is daarom noodzakelijk. Daarom is het voorliggende bestemmingsplan N18 Zieuwentseweg - Richterslaan Lichtenvoorde opgesteld.
De bestemmingen en regels uit het voorliggende bestemmingsplan sluiten grotendeels aan op de bestemmingen en regels van het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 met de daarbij behorende reparatieplannen. Daarmee wordt de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van de burgers vergroot.
Rijksweg N18 is de verbindingsweg van Varsseveld naar Enschede. Voor dit project worden maatregelen genomen in het wegvak gelegen tussen de Zieuwentseweg (N312) en de Richterslaan ten noorden van Lichtenvoorde. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing weer van het plangebied. Het middenstuk wordt niet herzien, dus maakt geen onderdeel uit van het plangebied.
Figuur 1.1 Begrenzing van het plangebied
Op het plangebied zijn een drietal bestemmingsplannen van toepassing:
De reparatieplannen herzien het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 slechts op onderdelen. De onderlinge samenhang tussen de plannen ontbrak, omdat de plannen uitsluitend afzonderlijk konden worden geraadpleegd. Om toch een goed raadpleegbaar bestemmingsplan te kunnen publiceren op www.ruimtelijkeplannen.nl, is het Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 gemaakt. Deze geconsolideerde versie is een samenvoeging van de voorgenoemde plannen.
De geconsolideerde versie heeft geen juridische status, maar geeft wel de juridische regeling weer. Voor de vigerende regelgeving wordt verwezen naar de bestemmingsplannen afzonderlijk.
De ontwikkeling van N18 Zieuwentseweg - Richterslaan overschrijdt op enkele punten de huidige begrenzing van de gronden bestemd als 'Verkeer'. Daarnaast voorziet de ontwikkeling ook in de herbestemming van 'Verkeer' naar 'Agrarisch (ter plaatse van de huidige aansluiting van de Europaweg op de Zieuwentseweg) en herbestemming van 'Agrarisch' naar 'Groen'. Derhalve dienen voor de realisatie van het planvoornemen de vastgestelde bestemmingsplannen te worden herzien.
In onderstaande afbeelding is inzichtelijk gemaakt op welke plekken de projectgrens van de N18 de huidige begrenzing van de bestemming verkeer overschrijdt.
Figuur 1.2: Locaties waar de projectgrens N18 de huidige bestemming Verkeer overschrijdt (rood omlijnd)
In Hoofdstuk 1 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.
In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie vanuit ruimtelijk oogpunt en per functie, evenals de ontwikkelingen op basis van het vigerende beleid beschreven. Er wordt flexibiliteit geboden daar waar het kan. Rekening wordt gehouden met de dynamiek in het plangebied en ruimte voor 'reguliere' uitbreidingen en veranderingen.
Rijksweg N18 is de verbindingsweg van Varsseveld naar Enschede. Voor dit project worden maatregelen genomen in het wegvak gelegen tussen de Zieuwentseweg (N312) en de Richterslaan ten noorden van Lichtenvoorde. Voor het trajectdeel langs Lichtenvoorde hebben Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre een bestuursovereenkomst getekend gericht op de doelstelling: het verbeteren van de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N18.
Figuur 2.1: ligging Traject N18
Lichtenvoorde is momenteel voorzien van een 4-tal aansluitingen op de N18 welke voorzien zijn/worden van verkeerslichten. Dit betreffen: de aansluiting Lichtenvoorde Zuid, de aansluiting Zieuwentseweg (N312) en de aansluitingen Richterslaan en de Hamelandweg (N313). Dit betekent dat de doorstroming van het verkeer vier keer wordt onderbroken. De kruispunten van de N18 met de Zieuwentseweg en de Richterslaan liggen bovendien dicht (650 m) bij elkaar. Onderstaande luchtfoto geeft de ligging van deze kruispunten weer. Ieder verkeerslicht betekent oponthoud waardoor de doorstroming op de N18 wordt belemmerd.
Het kruispunt N18 met de Zieuwentseweg is in de huidige situatie een viertaks-kruispunt voorzien van een verkeersregelinstallatie. Met name in de ochtendspits steken hier grote hoeveelheden fietsers (scholieren) over. Aan de noordzijde is een voetgangersoversteek over de N18 aanwezig.
Het kruispunt N18 met de Richterslaan is in de huidige situatie een drietaks-kruispunt voorzien van een VRI. Op deze locatie zijn er geen voorzieningen voor langzaam verkeer aanwezig.
De aanwezigheid van de beide kruispunten zorgt ervoor dat de doorgaande verkeersstroom op de N18 regelmatig wordt onderbroken. Vooral voor het vrachtverkeer heeft dit nadelen. Het duurt enige tijd voor het vrachtverkeer weer op de gewenste snelheid is gekomen. Ook het overige verkeer op de N18 ondervindt hier hinder van, omdat dit verkeer het vrachtverkeer nauwelijks kan inhalen. Gezien de functie van de N18 als regionale stroomweg is het wenselijker als het verkeer zich gelijkmatiger (minder stoppen en optrekken) kan afwikkelen.
Figuur 2.2: ligging kruispunten Zieuwentseweg (N312) - Richterslaan
Om het aantal ongevallen op de N18 ter plaatse van Lichtenvoorde te beperken en de gevolgen van de resterende ongevallen te reduceren, is het maatregelenpakket Meer Veilig 3 opgesteld. In het kader van de verkeersveiligheid wordt de N18 heringericht. Een van de maatregelen op de N18 is het verminderen van het aantal gelijkvloerse kruispunten. Uit onderzoeken en stakeholdersbijeenkomsten is een voorkeursvariant bepaald.
De voorkeursvariant bezit een aantal kenmerkende elementen, zoals een fietstunnel en een parallelstructuur met vrijliggend fietspad om één kruispunt (Zieuwentseweg) af te kunnen sluiten en het verkeer dat normaliter van dat kruispunt gebruik maakt om te leiden naar een ander kruispunt (Richterslaan), zie onderstaande figuur.
De voorkeursvariant houdt het volgende in:
De voorkeursvariant uit de bestuursovereenkomst draagt bij aan een betere doorstroming op de N18, omdat het aantal kruispunten minder wordt en de afwikkeling op het kruispunt Richterslaan goed is. De verkeersveiligheid verbetert door het realiseren van een fietstunnel. De fietsers conflicteren hierdoor niet meer met het gemotoriseerde verkeer op de N18. Door het opheffen van het hele kruispunt Zieuwentseweg is er een conflictpunt minder overgebleven.
Figuur 2.2: Weergave van de voorkeursvariant (bron: onderzoeksrapportage Goudappel)
Figuur 2.3: Wijzigingen N18 en onderliggend wegennet
Het Landschapsplan is toegevoegd aan bijlage 3 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Er is gezocht naar een goede landschappelijke inpassing van de herinrichting en de bijbehorende gevolgen (waaronder lichthinder). De Onderbouwing beplantingskeuze is toegevoegd aan bijlage 4 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Er wordt een struweelsingel toegepast (onderdeel A) om lichthinder door koplanmpen van de weg te beperken. Daarnaast wordt aansluiting gevonden bij de bestaande structuur door het aanleggen van een nieuw bos (onderdeel B). De struweelrand (onderdeel C) fungeert als mantelzone voor het bodeel ten noorden daarvan. Ook wordt een bloeiende en besdragende inheemse struweelhaag aangepland (onderdeel D).
Waar de bomen in de bestaande laanstructuur vervangen worden is gekozen voor quercus robur om deze structuur in stand te houden. De overige bomen worden aangeplant in groepjes om een natuurlijk beeld te creëren. Hier is gekozen voor Tilia in een aantal verschijningsvormen. Op de plekken waar de bodem wordt verlaagd voor de aanleg van wadi's wordt alnus glutinosa geplant.
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.
De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan.
De doelstelling van de KRW is dat uiterlijk in 2027 in heel Europa de kwaliteit van alle wateren zowel chemisch (schoon) als ecologisch (gezond) op orde moet zijn. De richtlijn heeft de volgende uitgangspunten om dit te kunnen bereiken:
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het beleid op internationaal niveau.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk wil ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Het verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten. De N18 is in het SVIR aangewezen als hoofdweg. De SVIR doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan.
De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (uitgezonderd Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone). De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.
De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Omgevingskwaliteit is daarmee het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het rijk.
Nationale belangen
Met de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. Deze nationale belangen zijn:
Dit plan sluit met name aan bij de punten 6, 7 en 8.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.
Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau
:
in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).
Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en landelijke spoorwegen.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
De N18 betreft een hoofdweg als bedoeld onder het Barro. Voor deze wegen kunnen bij ministeriële regeling, zijnde de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), reserveringsgebieden aan een of beide zijden van de hoofdweg worden aangewezen ten behoeve van mogelijke uitbreiding van de weg. Vanuit het Rarro zijn voor de N18 geen reserveringsgebieden aangewezen. De functie van de N18 als hoofdweg blijft met voorgenomen planontwikkeling gewaarborgd.
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het voorgestane Rijksbeleid.
De omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is vastgesteld op 19 december 2018. Het document schetst een toekomstbeeld, en benoemt een aantal waarden en kwaliteiten die van belang zijn voor de ontwikkeling van de provincie Gelderland. Deze waarden en kwaliteiten zijn vervolgens vertaald naar een aantal onderwerpen, zoals volgt:
Bereikbaarheid en mobiliteit zijn belangrijke thema's in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De visie stelt dat naar verwachting de vervoersstromen in Gelderland met 40% toe zullen nemen richting 2040. Dit betreft verschillende vormen van vervoer, zowel door mensen als bij het vervoeren van goederen. Dit zet druk op het Gelderse mobiliteitsnetwerk. De provincie streeft naar efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag. De ambitie is om in 2050 de groei van de mobiliteit op een slimme manier opgevangen te hebben en dat het verplaatsen van mensen in Gelderland veilig, snel, betaalbaar en klimaatneutraal gebeurd.
De aanpak is om een veilig en toegankelijk Gelders netwerk van (water)wegen, spoor, fiets- en voetpaden te verbeteren en de knel- en knooppunten en ontbrekende schakels aan te pakken.
De Omgevingsverordening (december 2018) zorgt voor de juridische borging van de Omgevingsvisie.
De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op provinciale wegen en luchthavenbesluiten, waaronder:
Bij het opstellen van de regels van dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de regels uit de Omgevingsverordening Gelderland. De kaarten van de Omgevingsverordening Gelderland geven gebieden aan waarvoor regels gelden ten aanzien van natuur, landschap, erfgoed, Natura 2000-gebieden en water en milieu. Onderstaande afbeeldingen weergeven uitsnedes van deze kaarten ter plaatse van het projectgebied.
Gelders Natuurnetwerk
Kaart 4 "Regels Natuur" laat zien dat het plangebied niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is gelegen. Het dichtstbijzijnde GNN gebied ligt ten noordoosten van het plangebied.
Figuur 3.1: kaart 4 "Regels Natuur" uit Omgevingsverordening Gelderland (december 2018)
Landschap
Kaart 5 "Regels Landschap" laat zien dat het plangebied niet in een nationaal landschap (buiten Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Nieuw Hollandse Waterlinie) ligt. Ten zuidoosten van Lichtenvoorde ligt het nationaal landschap "Winterswijk".
Figuur 3.2: kaart 5 "Regels Landschap" uit Omgevingsverordening Gelderland (december 2018)
Water en milieu
Kaart 6 "Regels Water en Milieu" laat zien dat het plangebied niet is gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, intrekgebied of boringsvrije zone. De licht blauwe kleur weergeeft de beschermingszones van de waterfuncties. Deze zones liggen ook niet in het plangebied.
Figuur 3.3: Kaart 6 "Regels Water en Milieu" uit Omgevingsverordening Gelderland (december 2018)
Erfgoed
Kaart 7 "Regels Erfgoed" laat de ligging van molenbiotopen zien in de provincie Gelderland. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. In het plangebied liggen geen molenbiotopen. Daarnaast liggen er volgens de huidige bestemmingsplannen geen andere cultuurhistorische bestemmingen in het plandgebied die van invloed zouden kunnen zijn op de ontwikkeling.
Figuur 3.4: Kaart 7 "Regels Erfgoed" uit Omgevingsverordening Gelderland (december 2018)
Natura 2000
Kaart 10 "Natura2000-gebieden" laat zien dat het plangebied niet in een Natura 2000-gebied ligt. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is "Korenburgerveen" op circa 5 km afstand.
Figuur 3.5: Kaart 10 "Natura2000-gebieden" uit Omgevingsverordening Gelderland (december 2018)
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het voorgestane provinciale beleid. Het project zal bijdragen aan een veilig en toegankelijk Gelders netwerk, doordat de aansluitingen op de N18 worden verbeterd.
In de huidige situatie ontstaat oponthoud bij de verkeerslichten. Naar verwachting zullen de verkeersstromen in Gelderland toenemen. De druk op het mobiliteitsnetwerk zal dus ook bij deze knelpunten toenemen. Met het voorgenomen plan zal het verkeer sneller verlopen door het realiseren van een betere doorstroming.
Daarnaast blijkt uit bovenstaande dat het voorgenomen plan niet in strijd is met de regels uit omgevingsverordening die gelden ten aanzien van natuur, landschap, erfgoed, Natura 2000-gebieden en water en milieu.
Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten.
Het doel van de nota is:
Het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit:
Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden.
Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.
Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet.
Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren".
Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven.
Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid,. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Een sterke economie is een van de belangrijkste voorwaarden om te kunnen blijven bouwen aan een gezonde gemeente. Werk is daarbij een van de belangrijkste pijlers. Werk biedt mensen de kans tot ontwikkeling, het bevordert de integratie, biedt sociale contacten en structuur en betrekt de burger bij de samenleving. Participatie, zelfontplooiing en inkomen staan in nauwe relatie tot gezondheid en welzijn.
De gemeentelijke rol ligt in het nemen van verantwoordelijkheid voor het algemene vestigingsklimaat, het faciliteren en stimuleren van ondernemerschap, bijdragen aan netwerken en verbindingen in de regio, bijdragen aan de verbinding onderwijs en arbeidsmarkt, zorgen voor goede woonvoorzieningen en geschikte werklocaties.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Oost Gelre is de Economische visie tot stand gekomen. De ontwikkelingen nu en in de toekomst van onze gemeente zijn aanleiding geweest om te onderzoeken waar de gemeente Oost Gelre op dit moment staat, wat al wordt gedaan en wat er de komende jaren moet worden opgepakt om een aantrekkelijke gemeente te blijven en nog aantrekkelijker te worden voor huidige en nieuwe inwoners en ondernemers.
De opgestelde economische visie bestaat uit een aantal speerpunten waar de focus op gelegd wordt en de hierbij behorende doorvertaling in concrete acties en inspanningen,. De economische uitvoeringsagenda is een zogenoemd 'levend document', dat na vaststelling bijgewerkt en aangevuld kan worden.
Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden.
Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk.
In februari 2020 is het geluidbeleid door de gemeenteraad vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen bij de vergunningverlening milieu. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Bij agrarische bedrijven wordt bij vergunningverlening afgeweken van Afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit en wordt de geluidsbelasting bepaald aan de hand van alle bronnen binnen het bedrijf.
Bij ruimtelijke procedures moet echter breder worden getoetst dan alleen dit geluidbeleid. In dergelijke procedures wordt het volgende getoetst:
Aan de eerste twee punten wordt alleen getoetst als het een geluidgevoelig object betreft.Ten aanzien van het woon- en leefklimaat wordt in eerste instantie getoetst aan de richtafstanden uit de VNG Brochure. Als aan deze brochure wordt voldaan kan worden gesteld dat wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Kan echter niet worden voldaan aan de brochure dan kan dit geluidbeleid een aanvullend toetsingskader bieden.
Uitgangspunt is dat met het van kracht worden van het Omgevingswet de normen van de Bruidsschat bij vergunningverlening in de plaats komen van de normen uit het Activiteitenbesluit.
Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld.
Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst.
De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!'
Het plangebied ligt in het landschapsensemble "Het dorp Lichtenvoorde". Hierbij geldt het motto:
Vang de dynamiek in de dorpsranden op door elke ingreep in het landschap te verevenen met een kwaliteitsverbetering op de plek en de omgeving daarvan: voor wat hoort wat!
Kies daarbij voor de verschillende kanten van Lichtenvoorde voor verschillende thema's:
In het visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan is aangegeven dat met name de verbetering van de N18 kan een nieuwe groei-impuls voor Lichtenvoorde veroorzaken, zowel wat betreft bedrijvigheid als wat betreft wonen. Het is zaak goed na te denken over de consequenties van deze verbetering van de mobiliteit én van de invloed die dat kan hebben voor het landschap.
Op te poetsen parels:
Te behouden en stimuleren landschapselementen:
Deze uitgangspunten zijn de basis geweest voor het opgestelde landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied. De geschiedenis van het landschap heeft hierbij als basis gediend voor de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit.
Volgens de Wet milieubeheer, artikel 4.24, dient elke gemeente te beschikken over en Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Hierin staat aangegeven hoe de gemeente invulling geeft aan de drie zorgplichten (afvalwater, hemelwater en grondwater).
Gemeente Oost Gelre voert het beheer over 217 kilometer vrijverval riolering, 26 rioolgemalen, 12.750 kolken, 724 pompunits, 209 kilometer drukriolering en nog enkele bijzondere voorzieningen. Het hoofddoel van dit omvangrijke systeem is om afvalwater uit de directe leefomgeving te verwijderen ten behoeve van de volksgezondheid.
In dit GRP wordt uiteengezet hoe het beheer in Oost Gelre wordt gevoerd. Voor de gemeentelijke zorgplichten op gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater is in het GRP concreet beleid geformuleerd.
Voor de planperiode 2017 – 2021 zijn projecten benoemd. Het gaat deels om onderzoek om het beheer op orde te houden. Daarnaast worden fysieke ingrepen benoemd, zoals het renoveren of vervangen van riolen. Nieuw is dat wordt uitgegaan van kwaliteit gestuurd beheer.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het voorgestane lokale beleid.
Wettelijk kader
Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten die (uiteindelijk) kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een m.e.r.-procedure staat nooit op zichzelf maar is altijd gekoppeld aan de procedure die moet worden doorlopen voor het betreffende plan of besluit, de zogenoemde 'moederprocedure' of 'hoofdprocedure'. Naast de eisen van de 'moederprocedure' moet ook worden voldaan aan de eisen van de m.e.r.-procedure, bijvoorbeeld bij het opstellen van een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunningaanvraag.
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (artikel 7.1 tot en met artikel 7.42) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk voor een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r.. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als indicatieve richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling, moet plaatsvinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig.
In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor waardoor een plan-m.e.r.-plicht kan gelden. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dan geldt de verplichting tot uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming (art. 2.8, lid 1) en daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een plan-m.e.r.
Toetsing
In de begripsbepaling van het Besluit milieueffectenrapportage staat het volgende beschreven voor het begrip "autoweg":
De N18 voldoet aan de definitie 'autoweg' uit het Besluit milieueffectenrapportage, omdat de weg alleen toegankelijk is via verkeerslichten geregelde kruispunten.
Het wijzigen van de autoweg staat expliciet beschreven in "D 1.1 "De wijziging of uitbreiding van een autosnelweg of autoweg". Dit project voldoet niet aan kolom 2 van de D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectenrapportage. Daarin staat dat een project in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer of meer m.e.r.-beoordelingsplichtig is. De tracélengte van dit project bedraagt niet 5 kilometer of meer.
In gevallen waarin niet wordt voldaan aan dit criteria geldt dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden. De Aanmeldingsnotitie N18 Zieuwentseweg is opgenomen in bijlage 5 bij de toelichting van het voorliggende plan.
Conclusie
In de aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten op de beschouwde milieuaspecten. Uit de effectstudies blijkt dat, met het (eventueel) toepassen van de noodzakelijke (mitigerende) maatregelen, belangrijke nadelige milieugevolgen niet zullen optreden. Het opstellen van een MER ten behoeve van een m.e.r. procedure is derhalve niet noodzakelijk.
Wettelijk kader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied.
Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.
Situatie plangebied
In het kader van Meer Veilig N18 is een Bureauonderzoek archeologie uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij de toelichting van het voorliggende plan.
Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op twee locaties langs de N18. Deze locaties zijn gelegen tussen Groenlo en Lichtenvoorde. Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied kunnen bevinden. Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft deelgebied 1 uit dit onderzoek.
Op basis van dit bureauonderzoek kan worden vastgesteld dat voor het plangebied bij Lichtenvoorde een hoge verwachting is op archeologie. De archeologische waarden kunnen daarbij dateren van het Laat Paleolithicum tot de Nieuwe tijd. Deze sporen zullen zich bevinden onder een plaggendek (circa 50 -70 cm - mv). De sporen uit de Nieuwe tijd kunnen zich direct onder de bouwvoor bevinden. Op basis van de aanwezigheid van het plaggendek zullen de archeologische waarden waarschijnlijk in goede staat verkeren. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat de bodem op sommige locaties in de nabijheid van het plangebied verstoord is. Deze gegevens zijn echter te minimaal om op basis hiervan uitspraken te doen over het gehele plangebied.
Figuur 4.1: Archeologische verwachtings- en beleidskaart van gemeente Oost Gelre (bron Bureauonderzoek archeologie N18, 26 juni 2018, Arcadis)
Geadviseerd wordt om bij bodemingrepen binnen de archeologische aandachtslocaties een vervolgonderzoek uit te voeren voor bodemingrepen dieper dan 50 cm-mv. In onderstaande figuur zijn de aandachtslocaties weergeven.
Figuur 4.2: Archeologische aandachtslocaties (bron: Archeologisch bureau- en booronderzoek kruisingen N18 te Lichtenvoorde)
Uitgangspunten bestemmingsplan
Aangezien vervolgonderzoek ter plaatse van openbare wegen op praktische bezwaren stuit, verdient archeologische begeleiding bij de uitvoering de voorkeur. Binnen de aandachtszones van de historische wegen kan hierbij uit worden gegaan van extensieve begeleiding, waarbij het documenteren van het bodemprofiel haaks op de weg en het verzamelen van vondstmateriaal de voornaamste doelstellingen vormen. Ter plaatse van de aandacht-zones rondom de historische erven wordt geadviseerd een intensieve begeleiding uit te voeren. Voorafgaand aan uitvoering van de archeologische begeleiding dient een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen opgesteld te worden.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Cultuurhistorie
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend:
Het aspect cultuurhistorie/erfgoed is behandeld in paragraaf 3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Binnen het plangebied gelden twee archeologische regimes, waarvoor twee bestemmingen worden gehanteerd ('Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' en Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'):
| Bestemming | Categorie en bijbehorend beleid |
| Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1 | Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en groter dan 100 m² |
| Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2 | Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en groter dan 2.500 m² |
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Situatie plangebied
In opdracht van Rijkswaterstaat heeft Arcadis Nederland B.V. een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de geplande ontwikkelingen ter plaatse van de N18 tussen Groenlo en Lichtenvoorde. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij de toelichting van het voorliggende plan.
Het onderzoek is uitgevoerd op twee locaties in het kader van de “MeerVeilig 3 N18”. Deze locaties zijn gelegen tussen Groenlo en Lichtenvoorde. De geplande ingrepen omvatten:
Het plangebied van dit bestemmingsplan heeft alleen betrekking op de kruising N18-Zieuwentseweg en parallelweg richting de Richterslaan.
Het doel van het onderzoek is het in beeld brengen van de milieuhygiënische (water-)bodemkwaliteit in (water-)bodem waar ingrepen worden gedaan en het zorgen voor een goede inschatting van de daaraan gerelateerde optredende risico's tijdens de voorbereiding en realisatie van de Meerveilig 3 maatregelen aan de N18 ter hoogte van Lichtenvoorde.
Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Op basis van de indicatieve toetsing voldoet de bovengrond van de locatie over het algemeen aan bodemkwaliteitsklasse Industrie en de ondergrond aan bodemkwaliteitsklasse Altijd toepasbaar (Achtergrondwaarde). Echter, afhankelijk van het bodembeleid van de gemeente waarin de grond wordt toegepast en de beoogde plaats van toepassing, dient mogelijk nog een partijkeuring uitgevoerd te worden om dit definitief vast te stellen.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.
De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:
Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang:
Situatie plangebied
Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.
| Thema | Toetsvraag | Rele- vant |
| Veiligheid | 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? | Nee |
| 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? | Nee | |
| Riolering en afvalwaterketen | 3. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? | Nee |
| 4. Ligt in het plangebied een persleiding van het waterschap Rijn en IJssel? | Ja | |
| 5. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? | Nee | |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) | 6. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? | Nee |
| 7. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? | Nee | |
| 8. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? | Nee | |
| 9. Bevinden zich in of nabij het plangebied natte en laaggelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? | Nee | |
| Oppervlaktewaterkwaliteit | 10. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? | Ja |
| Grondwateroverlast | 11. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? | Nee |
| 12. Is in het plangebied sprake van kwel? | Nee | |
| 13. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? | Ja | |
| 14. Beoogt het plan aanleg van drainage? | Nee | |
| Grondwaterkwaliteit | 15. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee |
| Inrichting en beheer |
16. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? | Ja |
| 17. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? | Nee | |
| Volksgezondheid | 18. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? | Ja |
| 19. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? | Nee | |
| Natte natuur | 20. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte ecologische verbindingszone? | Nee |
| 21. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? | Nee | |
| 22. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? | Nee | |
| 23. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? | Nee | |
| Recreatie | 24. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 25. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Tabel 4.1: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's
In de notitie "Watertoets N18 MV3 traject Zieuwentseweg - Richterslaan Lichtenvoorde" van 28 oktober 2019 worden de onderdelen uitgelicht die in de watertoetstabel met "Ja" zijn beantwoord of de onderdelen die een specifieke toelichting behoeven. Hieronder worden alleen de relevante thema's kort toegelicht die met "Ja" zijn beantwoord. De watertoets is opgenomen in bijlage 8 bij de toelichting van het voorliggende plan.
Riolering en afvalwaterketen
In het plangebied zijn een aantal persleidingen van het waterschap aanwezig, namelijk bij de Zieuwentseweg, Boschlaan en Richterslaan. Afstemming met het waterschap (unit Zuiveringstechnische Werken) vindt plaats via het overleg over kabels en leidingen van derden. In deze overlegstructuur staat de bereikbaarheid en het functioneren van de persleidingen centraal.
Op ongeveer 350 meter van het plangebied bevindt zich RWZI Lichtenvoorde. Het waterschap heeft aangegeven dat de milieuzone van de RWZI reikt tot 200 meter vanaf de zuivering. Dit heeft dus geen invloed op de werkzaamheden.
Wateroverlast
In de huidige situatie vindt de afwatering van de wegen plaats door afstroming via de berm, naar zaksloten en uiteindelijk oppervlaktewater. Op basis van het ontwerp is berekend dat er geen netto toename van verhard oppervlak is. De volgende toe- en afname van verhard oppervlak is bepaald:
• Toename verharding: 8.107 m2;
• Afname verharding: 10.142 m2;
• Netto toename verharding: -2.035 m2 (dus een afname)
In dit geval is er dus geen opgave vanuit waterkwantiteit.
Daarnaast ligt op ongeveer 900 meter van de planlocatie het beekdal van de Nieuwe Beek / Baakse Beek. Aangenomen wordt dat de werkzaamheden en de nieuwe inrichting geen invloed hebben op het beekdal of de aanwezige bergingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Vanuit het plangebied worden er op twee manieren (hemel)water op het oppervlaktewater geloosd:
Het hemelwater dat in de fietstunnel terecht komt, wordt met een pomp uit de tunnel gepompt. Vanwege de waterkwaliteit stelt Waterschap Rijn en IJssel dat dit water niet zonder zuivering geloosd mag worden op oppervlaktewater. Daarom zal het water via een bodempassage (wadi) geloosd worden, waarna het vertraagd kan afvoeren richting oppervlaktewater.
De eerste neerslag die op wegen of parkeerterreinen valt, wordt door het waterschap als verontreinigd beschouwd. Daarom moet neerslag op de nieuwe oppervlaktes via een bodempassage of andere voorziening naar het oppervlaktewater afgevoerd worden. Ter voorkoming van verontreiniging van het oppervlaktewater door afstroming van neerslag, wordt de norm gesteld dat nieuw verhard oppervlak een retentie/bodempassage moet hebben van 10 mm/m2.
De toename van verhard oppervlak bedraagt 8.107 m2, dus is de bergingsopgave bedraagt:
In het ontwerp is centraal in het projectgebied een greppel opgenomen. Deze greppel heeft een capaciteit van 90 m3. De greppel ligt tussen de parallelweg en de N18. De capaciteit van 90 m3 is voldoende om de opgave van 82 m3 te bergen.
Om te zorgen dat het water daadwerkelijk in de greppel terecht komt, wordt geadviseerd om het wegprofiel dusdanig te ontwerpen dat het hemelwater afstroomt richting berm, waarbij de bermen langs de weg hol uitgevoerd worden, zodat het uiteindelijk afwatert richting greppel.
Grondwateroverlast
Voor het plan worden diverse perceelsloten gedempt. In overleg met het waterschap zijn per demping de volgende uitgangspunten afgestemd:
Inrichting en beheer
Onderstaande afbeelding toont de waterlopen van op de legger van Waterschap Rijn en IJssel binnen en nabij het plangebied. Het betreft de Rooksbeek en een zijtak van de Rooksbeek. Aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich de Hofbeek.
Figuur 4.3: Waterlopen op de legger binnen en nabij het plangebied
De voorgenomen ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van de Hofbeek.
Bij de Rooksbeek zijn aanpassingen nodig:
Voor alle aanpassingen aan duikers en watergangen moet een watervergunning aangevraagd worden.
Figuur 4.4: Benodigde aanpassingen duikers Rooksbeek
Volksgezondheid
In het Raadsvoorstel Gemeentelijk Rioleringsplan van de Gemeente Oost-Gelre is een kaart opgenomen met daarop de ligging van de externe overstorten. Hieruit blijkt dat er één externe overstort vanuit het gemengde stelsel aanwezig is. Deze komt uit in de waterloop ten zuiden van de N18, juist bovenstrooms van de duiker DR74250170. Het oppervlaktewatersysteem wijzigt hier in principe niet, dus hebben de werkzaamheden geen negatieve gevolgen voor volksgezondheid.
Overige aspecten
Er zijn nog een aantal wateraspecten die van belang zijn voor de realisatie van de werkzaamheden:
Bemaling
Voor de uitvoering van de werkzaamheden is mogelijk een bronbemaling benodigd. Afhankelijk van de omvang van de bemaling, moet een watervergunning aangevraagd worden of een melding gedaan bij Waterschap Rijn en IJssel. Als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden, kan volstaan worden met een melding:
Indien op oppervlaktewater geloosd wordt, is daarvoor ook een watervergunning nodig.
Drempels tunnelbak
De drempels van de fietstunnelbak moeten zo gedimensioneerd zijn, dat er geen ontoelaatbaar risico op overlast ontstaat als gevolg van instromend grondwater. Voor het bepalen van de minimale drempelhoogtes, wordt gebruik gemaakt van de GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand).
In de notitie wordt geconcludeerd dat de GHG ter hoogte van de fietstunnel maximaal +19,25 m NAP zal bedragen. De minimale drempelhoogte wordt gedimensioneerd op deze GHG, met een marge van 10 cm daar bovenop. De drempelhoogte wordt daarmee minimaal +19,35 m NAP.
Aanleg lange duiker
Vanuit de gemeente speelt de wens om een lange duiker aan te leggen nabij de fietstunnel (zie onderstaande figuur), deze toont de ligging van de beoogde duiker ten opzichte van de watergangen op de legger. De functie van de duiker is het overtollig water vanuit de kern van Lichtenvoorde naar het noordwestente transporteren. In de toekomst wil de Gemeente Oost-Gelre een extra woonwijk gaan afkoppelen, en daarvoor is een extra afvoermogelijkheid gewenst. Die mogelijkheid is er nu namelijk niet. De gemeente ziet de werkzaamheden als kans om deze afvoermogelijkheid in de toekomst wel te hebben.
Figuur 4.5: Ligging lange duider (rode lijn)
Voor de aanleg van een duiker die uitkomt op een leggerwaterloop gelden normaal gesproken voor twee zaken een vergunningplicht, waarvoor een watervergunning zal moeten worden aangevraagd; namelijk de uitstroomvoorziening en de lozing van het water. De Gemeente Oost Gelre heeft aangegeven dat de komende jaren geen daadwerkelijke lozing door middel van de duiker zal plaatsvinden, omdat de woonwijken nog niet zijn afgekoppeld en niet zeker is dat dit in de toekomst wel gaat gebeuren. Met het waterschap is afgestemd dat de uitstroomvoorziening wel vergunningplichtig is voor de aanleg, maar dat de lozing pas vergunningplichtig wordt op het moment dat de lozing gaat plaatsvinden.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
In het kader van de bestemmingsplanprocedure moeten de gevolgen van deze wijzigingen op de geluidssituatie met een akoestisch onderzoek worden onderzocht. Het wettelijk kader voor rijkswegen is anders dan voor provinciale en gemeentelijke wegen, daarom bestaat het akoestisch onderzoek uit twee delen:
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige objecten ten gevolge van de wijziging van een weg.
Op grond van afdeling 4 van hoofdstuk VI van de Wgh moet onderzoek worden verricht naar de te wijzigen weg(vakken). Van deze wegen moet de geluidbelasting vóór de wijziging van de bestaande wegen en de toekomstige geluidbelasting na wijziging van deze wegen worden onderzocht.
Het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG2012) stelt de regels voor het bepalen van de geluidbelastingen. Uitgangspunt voor het bepalen van de toekomstige geluidbelasting is volgens het RMG2012 het zogenoemde maatgevende jaar. In beginsel is dit het 10de jaar na realisatie van de wijziging aan de weg. De toekomstige geluidbelasting is bepalend voor het treffen van eventuele geluidmaatregelen. Ten aanzien van de wijzigingen aan de bestaande wegen dient ook de heersende geluidbelasting te worden bepaald. Dit is één jaar vóór de wijziging van de weg.
De Wet geluidhinder is alleen van toepassing voor zover het gaat om geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van de wegen. Binnen deze zones wordt de geluidbelasting getoetst aan de grenswaarden. De grenswaarden zijn opgenomen in de Wgh en Besluit geluidhinder (Bg).
Toetsing
In het Akoestisch onderzoek N18 Wet milieubeheer wordt geconcludeerd dat op referentiepunten is gebleken dat de geluidproductie in 2040, na reconstructie van de N18 ter hoogte van Lichtenvoorde, de geldende geluidproductieplafonds niet zal overschrijden. Op basis van dit onderzoek is er geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de geluidbelastingen in het achterliggende gebied of de geluidproductieplafonds in het onderzoeksgebied aan te passen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9 bij de toelichting van het voorliggende plan.
In het Akoestisch onderzoek onderliggend wegennet Wet geluidhinder wordt geconcludeerd dat door het wijzigen van de aansluiting van de Zieuwentseweg op de N18 bij vier woningen in het onderzoeksgebied de wettelijke toetswaarde wordt overschreden met maximaal 10 dB. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10 bij de toelichting van het voorliggende plan.
Geadviseerde geluidbeperkende maatregelen
De volgende geluidbeperkende maatregelen worden geadviseerd:
In onderstaande afbeelding zijn de voorgestelde maatregelen en de ligging van de betreffende woningen weergegeven. Het huidige scherm ten zuiden van de N18 ter hoogte van de Händelstraat wordt daarnaast vervangen.
Figuur 4.6: Voorgestelde geluidbeperkende maatregelen
Effect maatregelen
Met de geadviseerde maatregelen kan bij twee woningen, aan de Europaweg 3 en 3a, worden voldaan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Bij de andere twee woningen resteert een overschrijding:
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
In artikel 4 Verkeer is een voorwaardelijke verplichting voor stil asfalt en een voorwaardelijke verplichting voor de geluidswerende voorziening opgenomen. Ook voor het bestaande geluidscherm ten zuiden van de N18 ter hoogte van de Händelstraat is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Voor de twee woningen aan de Boschlaan 2 en Zieuwentseweg 20 moet de geluidbelasting wellicht als een hogere waarde worden vastgesteld en na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de gevelisolatie om vast te stellen of het geluidniveau in de woning voldoet aan de wettelijke eisen.
Wettelijk kader
In de Wet milieubeheer (Wm) titel 5.2 ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat een project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit wanneer kan worden aangetoond dat:
Alleen als aannemelijk wordt gemaakt dat een project aan een of meer van bovenstaande grondslagen voldoet, voldoet het project aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit.
Situatie plangebied
Gemotoriseerd wegverkeer stoot onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) uit. De herinrichting van de N18 te Lichtenvoorde, heeft daarom gevolgen voor de concentraties van deze stoffen in de omgeving. Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging is de luchtkwaliteit in beeld gebracht om te onderzoeken of de wijziging voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. In bijlage 11 van dit bestemmingsplan is de Notitie luchtkwaliteit toegevoegd.
Om te beoordelen of de wijziging niet leidt tot een overschrijding van de Wm grenswaarden zijn de concentraties NO2, PM2,5 en PM10 berekend met de NSL-rekentool versie 2018.
In de notitie wordt geconcludeerd dat de herinrichting een beperkt effect heeft op de bijdrage aan de lokale luchtkwaliteit. Gezien dit beperkte effect en door de grote ruimte tussen de heersende concentraties en de grenswaarden uit de Wm, zal de herontwikkeling van N18 ten noorden van Lichtenvoorde niet leiden tot een benadering of overschrijding van de grenswaarden uit de Wm.
Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, eerste lid onder a van de Wet milieubeheer.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Gebiedsbescherming
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking.
Natura 2000
Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.
Figuur 4.7: Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving (bron http://natura2000.eea.europa.eu/ )
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Situatie plangebied
Aan de bijlage 12 van de toelichting van dit bestemmingsplan is een Eindbeoordeling ecologie toegevoegd waarin de ecologische maatregelen beschreven staan ten behoeve van de wegaanpassing N18 Zieuwentseweg MV3 (datum 22 oktober 2019).
In de eindbeoordeling staat beschreven dat uit een quickscan flora en fauna (Boerboom, R., 2017b. Quickscan natuurtoets, Europaweg in Lichtenvoorde. Staring Advies, Hoog-Keppel) en aanvullend onderzoek (Boerboom, R., 2017a. Aanvullend vleermuisonderzoek, Europaweg in Lichtenvoorde. Staring Advies, Hoog-Keppel) is gebleken dat door de werkzaamheden essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen kunnen worden aangetast. Ook ligt het plangebied vlakbij een territorium van steenuil. Daarnaast zullen er houtopstanden worden geveld.
Royal HaskoningDHV heeft een Ecologisch advies uitgebracht, betreft te nemen mitigerende maatregelen ten aanzien van vleermuizen en steenuil. Dit ecologisch advies is toegevoegd aan bijlage 13 van de toelichting van voorliggend bestemmingplan. Deze adviezen zijn in aangepaste vorm opgenomen in het Activiteitenplan in bijlage 14 van de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast zijn ook aanvullende maatregelen getroffen, ten behoeve van extra zekerheid omtrent effectiviteit in relatie tot beschermde soorten.
In de eindbeoordeling is aangegeven of op basis van de overgenomen adviezen verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden en welke vervolgstappen er nodig zijn.
Voorgenomen ingreep en mitigerende maatregelen (ontwerp)
Rijkswaterstaat is voornemens om de verkeerssituatie aan de N18 (Europaweg) ter hoogte van Lichtenvoorde aan te passen. Hiervoor zullen bomen worden gekapt. Om te voorkomen dat vliegroutes van vleermuizen worden aangetast en om de kans op aanrijdingsslachtoffers van steenuil te verminderen worden de volgende mitigerende maatregelen getroffen:
Maatregelen 1 t/m 3 zijn indicatief weergegeven op de ontwerptekening (onderstaande figuur). Maatregel 4 zal over het gehele plangebied worden genomen.
Figuur 4.8: Ontwerptekening met hierin locaties van te nemen mitigerende maatregelen opgenomen.
Beoordeling mitigerende maatregelen
Door het aanbrengen van bosplantsoen/hoog struweel met een uiteindelijke beheerhoogte van minimaal 3 meter wordt de kans op verkeersslachtoffers van steenuil verminderd. Om te voorkomen dat er essentiële vliegroutes van vleermuizen worden aangetast wordt een vleermuisgeleidingsvoorziening over de westelijke rijbaan van de parallelweg op de N18 aangebracht. Daarnaast worden er bomen met een uiteindelijke kruinhoogte van minimaal 10 meter hoog geplant ter plaatse van kruingaten in de resterende enkele bomenrij tussen de N18 en de (nieuwe) parallelweg. Gekapte bomen binnen het projectgebied zullen één-op-één worden herplant. Hierdoor wordt gehouden aan de herplantplicht ten aanzien van houtopstanden in de Wnb.
Activiteitenplan
Voor de ruimtelijke ingreep is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk, omdat vanwege de m.e.r.-beoordelingsplicht niet (ontheffingsvrij) volgens de Gedragscode van RWS gewerkt kan worden. In dit activiteitenplan wordt de ontwikkeling en de effecten hiervan op essentiële vliegroutes van vleermuizen over en langs de N18 beschreven. Er wordt onderbouwd dat door de mitigerende maatregelen die worden getroffen géén sprake is van significant negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende vleermuis-soorten op het niveau van de lokale populatie.
Kap van bomen en bijgevolg toegenomen versnippering en afnemend voedselaanbod leidt (mogelijk) tot overtreding van artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb ten aanzien van voorkomende vleermuissoorten, in dit geval gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Van overige vleermuissoorten zijn geen essentiële leefgebiedsfuncties aangetroffen en worden zodoende geen verbodsbepalingen overtreden.
Voor laatvlieger en gewone dwergvleermuis geldt dat de lokale staat van instandhouding niet in het geding komt door het nemen van een reeks mitigerende maatregelen, waarbij tijdens de uitvoering maximaal rekening wordt gehouden met de meest kwetsbare periodes. Voornoemde vleermuissoorten zullen direct profiteren van de soortgerichte maatregelen, waarbij tevens alternatieve vliegroutes aanwezig zijn in omringend kleinschalig landschap. Zo komt de staat van instandhouding van geen enkele voorkomende vleermuissoort in het geding als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep.
Maatregelen worden, met inachtneming met de voorwaarden van de verleende ontheffingsaanvraag, uitgewerkt in een project-specifiek ecologisch werkprotocol.
Het activiteitenplan is als bijlage gevoegd bij een aanvraag om ontheffing van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming. Op 29 maart 2021 heeft de Rijksdienst voor ondernemend Nederland onder voorwaarden ontheffing verleend voor de periode van 1 augustus 2021 tot en met 30 juni 2023 ontheffing van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.5, lid 4 voor zover dit betreft het voortplantings- of rustplaatsen beschadigen of vernielen van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Deze ontheffing is als bijlage 15 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan gevoegd.
Conclusie
Wanneer bovenstaande mitigerende maatregelen worden uitgevoerd en werkzaamheden tussen november en maart, buiten de kwetsbare periode van vleermuizen (april t/m oktober), zullen plaatsvinden, is er geen sprake van directe overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van vleermuizen. Ook zullen de mitigerende maatregelen voor behoud van bestaande vliegroutes ertoe leiden dat er geen indirecte overtreding van verbodsbepalingen plaatsvindt omtrent doden en beschadigen en vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Bestaande doorgaande structuren en essentiële routes worden immers gefaciliteerd in het nieuwe ontwerp, zodat er geen indirecte effecten optreden op vaste rust- en verblijfplaatsen in het lokale netwerk en geen vleermuizen onnodig aangereden worden. Bovendien kan een lokaal, deels tijdelijk verlies van essentieel foerageergebied opgevangen worden door geschikte groenstructuren in de omgeving. Zo kan overtreding van verbodsbepalingen van artikel 3.5, eerste lid (opzettelijk doden) en vierde lid (beschadigen en vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen), in voldoende mate voorkomen worden, onder voorbehoud van zorgvuldig werken geredeneerd vanuit de soorten.
Tot slot voorkomt afscherming van een deel van de rijbaan met beplanting dat er onnodige verkeerslachtoffers van de steenuil vallen. Daarnaast voorkomt werken in de periode tussen november en maart dat er broedgevallen van vogels worden verstoord of aangetast. Daarmee wordt overtreding van verbodsbepalingen uit artikel 3.1, eerste lid (opzettelijk doden), de Wnb ten aanzien van vogels voorkomen.
Ten aanzien van het vellen van houtopstanden dient een melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag en moet in het kader van werken volgens de gedragscode van Rijkswaterstaat een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. Voor alle in het wild levende soorten geldt de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming), welke ook moet worden uitgewerkt in dit ecologisch werkprotocol.
Voor de ruimtelijke ingreep is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk, omdat vanwege de m.e.r.-beoordelingsplicht niet (ontheffingsvrij) volgens de Gedragscode van RWS gewerkt kan worden. Op verzoek van RWS heeft RHDHV een activiteitenplan opgesteld, welke dient ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag voor het overtreden van de verbodsbepalingen in relatie tot beschermde soorten. Reeds is de aanvraag voor de ontheffing ingediend bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft op 29 maart 2021 de gevraagde ontheffing verleend.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect flora en fauna vormt, nu de benodigde ontheffing verkregen is, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dienen activiteiten getoetst te worden om na te gaan of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden.
In de beslisboom van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn de stappen om vergunningsplicht vast te stellen beschreven:
Figuur 4.9: Beslisboom vergunningplicht
Situatie plangebied
Gedurende de aanleg worden mobiele werktuigen en bouwverkeer ingezet en na de realisatie leidt de herinrichting tot een gewijzigde verkeerssituatie. Zowel de aanleg als het gebruik van de gewijzigde N18 draagt bij aan (gewijzigde) stikstofdepositie in de omgeving als gevolg van het neerslaan van de emissies van NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak) die vrijkomen door de verbrandingsmotoren van wegverkeer en mobiele werktuigen. Dit kan mogelijk leiden tot negatieve ecologische effecten in omliggende Natura 2000-gebieden.
Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging is de projectbijdrage aan de stikstofdepositie in de aanlegfase en in de gebruiksfase in beeld gebracht. De gehanteerde uitgangspunten en resultaten staan beschreven in de Notitie stikstofdepositie in bijlage 16 van de toelichting van dit bestemmingsplan.
In de notitie wordt geconcludeerd dat de gewijzigde verkeerssituatie in de permanente gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied leidt tot een significante projectbijdrage (>0,00 mol N/ha/j).
De maximale bijdrage van de activiteiten in de tijdelijke aanlegfase bedraagt 0,02 mol N/ha/j in het Natura 2000-gebied Korenburgerveen. Deze projectbijdrage kan worden voorkomen door het opnemen van emissie eisen (STAGE IV of schoner) aan het in te zetten materieel.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:
In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.
Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid
De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.
Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Het externe veiligheidsbeleid is samengevat in onderstaande tabel.
Tabel 4.2: Samenvatting externe veiligheidsbeleid gemeente Oost Gelre
Situatie plangebied
Externe veiligheid
Rijkswaterstaat heeft een memo opgesteld waarbij ingegaan wordt op de effecten van de externe veiligheid bij het project N18 Zieuwentseweg/Richterslaan fase 2 ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure. De Memo externe veiligheid (Rijkswaterstaat) is opgenomen in bijlage 17 van de toelichting.
De functie van de N18 (80 km/uur) met een profiel van 1x2 rijstroken en gelijkvloerse kruispunten blijft behouden. Eveneens blijft de weg onderdeel uitmaken van het Basisnet Weg, te weten wegvak G20. Er zijn geen wijzigingen in de vervoershoeveelheden van het transport van gevaarlijke stoffen als gevolg van het project.
De overige wegen in het project maken geen deel uit van het Basisnet en de omvang van het transport van gevaarlijke stoffen op die wegen is zo laag dat het risico voor de omwonenden ruim onder de grens- en richtwaarde voor externe veiligheid ligt.
Op basis van deze memo kan gesteld worden dat er geen aanvullend externe veiligheidsonderzoek noodzakelijk is. Er is aangetoond dat, ondanks de verschuiving van de referentiepunten (en dus de risicoplafonds) op de N18 en het transport van gevaarlijke stoffen op de nieuwe parallelweg en de Richterslaan, de externe veiligheidsrisico's nergens overschreden zullen worden. Het PR-plafond van de N18 en de PR 10-6 contour langs de niet-basisnetwegen bedraagt 0 m. Tevens is het groepsrisico nergens hoger dan 10% van de oriëntatiewaarde.
De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft de memo van Rijkswaterstaat van 2 april 2020 beoordeeld voor het onderwerp externe veiligheid. De Beoordeling externe veiligheid (Omgevingsdienst Achterhoek) is opgenomen in bijlage 18 van de toelichting dit bestemmingsplan. Hierin wordt geconcludeerd dat de toetsing aan de regelgeving voor externe veiligheid goed is uitgevoerd. In dit geval is er geen verplichting om de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland om advies te vragen. De Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland is wel geïnformeerd door de ODA.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
De conclusie is dat het project geen invloed heeft op de externe veiligheid.
Deze paragraaf gaat in op de boven- en ondergrondse planologisch relevante technische infrastructuur.
Situatie plangebied
Kabels en leidingen
Er zijn binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
Hoogspanningslijnen
Binnen het plangebied zijn geen tracés van hoogspanningslijnen aanwezig.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
De aspecten hoogspanningslijnen en planologisch relevante kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels zijn de planregels die in de meest recente plannen binnen de gemeente zijn opgenomen, deels aangepast aan de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voorliggende bestemmingsplan is een ontwikkelingsgericht plan (wat betekent dat het plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt). De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.
Het digitale bestemmingsplan 'N18 Zieuwentseweg - Richterslaan Lichtenvoorde' is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1586.BPBUI2016-VG01 met bijbehorende regels.
Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt.
Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.
Regels
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. De omschrijving van de begrippen zijn derhalve overgenomen uit de geldende bestemmingsplannen.
Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven, bij het toepassen van de wijze van meten. Dit betreft het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met bijvoorbeeld luifels, ventilatiekanalen, schoorstenen en kroonlijsten. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de (dubbel) bestemmingen vastgelegd. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen.
Bestemmingsregeling
Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:
Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming.
Bouwregels
In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het is mogelijk dat bestaande, legale gebouwen afwijken. Onder bestaand wordt verstaan de ‘bestaande situatie’ zoals deze is vastgelegd op basis van de veldinventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto’s, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), zoals deze bij de gemeente bekend waren ten tijde van de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan Buitengebied.
Specifieke gebruiksregels
In sommige bestemmingen is het noodzakelijk om het gebruik zoals toegelaten in de bestemmingsomschrijvingen nader te specificeren. Ter nadere toelichting is in sommige bestemmingen aangegeven welke gebruiksvormen in ieder geval vallen onder strijdig gebruik zoals bedoeld in artikel 2.1 Wabo.
Afwijken van de bouw- of gebruiksregels
Afwijkingen bij een omgevingsvergunning worden gebruikt om een bestemmingsplan flexibel te maken. Er is bijvoorbeeld een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om af te kunnen wijken van de opgenomen maatvoeringen, met een maximum van 10%.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
Op grond van de Wro is het mogelijk om ter bescherming van de functies in bestemmingsplan, een omgevingsvergunningstelsel op te nemen waarmee bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden omgevingsvergunningplichtig worden. In het bestemmingsplan geldt bijvoorbeeld voor de gronden met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' een omgevingsvergunningplicht.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen: het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Groen
In het plangebied is aan een beperkt aantal percelen de bestemming 'Groen' toegewezen. Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, paden en toegangswegen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De gronden hebben de functie van een groenstrook om de landschappelijke inpassing te waarborgen bij relatief recent gebouwde woningen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting geluidscherm' is ter hoogte van de Händelstraat een geluidscherm toegestaan dat niet meer mag bedragen dan 4 meter.
Voor de gronden met de aanduiding 'Specifieke vorm van groen - voorwaardelijke verplichting' dient een groenstrook te worden ingericht conform de eisen uit het in de bijlage bij de regels opgenomen landschapsplan en dient deze inrichting duurzaam te worden onderhouden.
Verkeer
In de bestemming 'Verkeer' zijn de wegen uit het plangebied opgenomen. De bestemming 'Verkeer' voorziet in een flexibele regeling. Concreet betekent het voorgaande dat naast de wegen ook fiets- en voetpaden, verblijfsvoorzieningen, bermen en bermsloten, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en landschapselementen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen onderdeel zijn van de bestemming. Ter plaatse van de functieaanduiding 'tunnel' is een tunnel toegestaan.
Het bouwen van gebouwen is op de als 'Verkeer' bestemde gronden niet toegestaan. De bouwregels voorzien wel in de bouw van bouwwerken in de vorm van schuilgelegenheden voor fietsers en wandelaars en de oprichting van verkeerstekens, palen en masten tot 10 m, informatiepalen tot 2,5 m en overige bouwwerken tot 3 m. Opgemerkt dient te worden dat algemeen voorkomende bouwwerken ten behoeve van het openbaar gebied veelal vergunningsvrij opgericht kunnen worden op grond van de Wabo, waardoor hiervoor in de bouwregels geen nadere bepalingen voor zijn opgenomen.
Middels een omgevingsvergunning kan van de bouwregels worden afgeweken voor het oprichten van een geluidswal/-scherm.
Voor de gronden met de bestemming 'verkeer' geldt dat deze pas gebruikt mogen worden wanneer aan de minimale geluidsreductie-eisen door middel van geluidreducerend asfalt overeenkomstig Bijlage 2 Ontwerp totaalsituatie is voldaan.
Het gebruik van wegen binnen de bestemming 'verkeer' is alleen toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting geluidscherm' een geluidscherm is geplaatst en in stand wordt gehouden.
Voor de gronden met de aanduiding 'Specifieke vorm van groen - voorwaardelijke verplichting' dient een groenstrook te worden ingericht conform de eisen uit het in de bijlage 3 bij de regels opgenomen landschapsplan en dient deze inrichting duurzaam te worden onderhouden.
Water
Bestemmingsomschrijving
De hoofdwatergangen binnen het plangebied zijn aangewezen als 'Water'. In deze bestemming is een regeling opgenomen voor watergangen, waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers en taluds met bijbehorende onderhoudsstrook en de instandhouding en ontwikkeling van de voorkomende natuur- en landschapswaarden. Voorts is extensief recreatief gebruik in, op en aan het water toegestaan.
Nieuwe watergangen hebben specifiek de bestemming 'Water' gekregen. Bestaande watergangen passen binnen de overige vigerende bestemmingen en worden geconsolideerd.
Binnen deze bestemming zijn enkel bouwwerken toegestaan in de vorm van bestaande vlonders en steigers toegestaan met een bouwhoogte tot 1 m of overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 3 m.
Middels een omgevingsvergunning kan tot nader gespecificeerde maten worden afgeweken van de bouwregels.
Wonen
In het plangebied is aan één enkel perceel de bestemming 'Wonen' toegewezen. Het gaat om het perceel Boschlaan 2. De bestaande woning is conserverend bestemd. De planologische mogelijkheden zijn zowel rechtstreeks als via afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden overgenomen uit het vigerende Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011.
Planologisch juridisch verandert er niets behoudens dat de bestemming is aangevuld met een specifieke bouwregel. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – voorwaardelijke verplichting geluidsscherm' dient een geluidscherm te worden opgericht van maximaal 2,5 meter.
De overige planologische mogelijkheden, afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden zijn voor zover van toepassing overgenomen uit het vigerende plan.
De aanlegvergunningplicht uit het vigerend bestemmingsplan is niet overgenomen, omdat de noodzakelijke ingrepen op het perceel onderdeel zijn van de gehele ontwikkeling en er heeft reeds in dat kader een belangenafweging plaatsgevonden waardoor een nadere afweging in een vergunningentraject geen toegevoegde waarde heeft.
Leidingen
Rioolpersleiding
Ten behoeve van het behoud en de aanleg van hoofdrioolleidingen is voorzien in een passende dubbelbestemming, te weten ‘Leiding – Riool’. Het is niet toegestaan om bouwwerken te bouwen op deze gronden, met uitzondering van bouwwerken met een maximaal bebouwde oppervlakte van 100 m2 en maximale bouwhoogte van 5 m ten behoeve van het leidingbeheer.
Middels een omgevingsvergunning kunnen overige bouwwerken conform de bouwregels van onderliggende bestemmingen worden gerealiseerd, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de betreffende leiding en daarvoor vooraf advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Grondroerende werkzaamheden of het aanbrengen dan wel vellen van houtopstanden is tevens omgevingsvergunningsplichtig gesteld ter bescherming van de aanwezige leidingen.
Archeologie
Bestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1 en 2'
Deze bestemmingen betreffen de te beschermen verwachtte archeologische waarden. De betrokken gronden zijn op de verbeelding aangegeven. De begrenzing van de dubbelbestemmingen is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.
In het bestemmingsplan komen twee categorieën voor:
| Bestemming | Categorie en bijbehorend beleid |
| Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1 |
Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en groter dan 100 m² |
| Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2 | Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en groter dan 2.500 m² |
Bij het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden of het oprichten van bouwwerken geldt een omgevingsvergunningsplicht indien de omvang van de werken of werkzaamheden omvangrijker is dan de in bovenstaande tabel gespecificeerde diepte en oppervlakte. Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden dient bij de vergunningsaanvraag een rapport te worden overlegd, waarin naar oordeel van de gemeente de archeologische waarde in voldoende mate is vastgesteld. Ter bescherming van de vastgestelde waarden kan het bevoegd gezag nadere voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden. Ingrepen op plaatsen waar de bodem dermate is verstoord dat archeologische waarden niet (meer) aanwezig zijn, zijn van de vergunnings- en onderzoeksplicht uitgezonderd.
Middels een wijzigingsbevoegdheid kunnen Burgemeester en wethouders de dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk laten vervallen of wijzigen naar een andere verwachtingswaarde categorie.
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat bij opeenvolgende bouwaanvragen waarbij een bepaalde oppervlakte aan grond als voorwaarde is geformuleerd, dezelfde grond opnieuw bij de afweging omtrent vergunningverlening wordt betrokken. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) overgenomen in het bestemmingsplan.
Algemene bouwregels
In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen ten behoeve van overschrijdingen van de bouwgrenzen en voor het bouwen van terreinafscheidingen en bouwwerken van verkeers- of waterschapsbelang. Tevens is een vervangende bouwregel opgenomen ten behoeve van bestaande bebouwing die afwijkt van de in de regels en op de verbeelding opgenomen maatvoering.
De aanlegvergunningplicht uit het vigerend bestemmingsplan is niet overgenomen, omdat de noodzakelijke ingrepen op het perceel onderdeel zijn van de gehele ontwikkeling en er heeft reeds in dat kader een belangenafweging plaatsgevonden waardoor een nadere afweging in een vergunningentraject geen toegevoegde waarde heeft.
Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is aangegeven welke gebruiksvormen in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Het verbod om gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken is geregeld in de Wabo, ex art. 2.1 lid 1 sub c.
Algemene afwijkingsregels
In de algemene afwijkingsregels is onder andere geregeld dat nutsvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd tot een maximum van 25 m2 en bouwhoogte van maximaal 3 m. Tevens zijn regels opgenomen voor geringe afwijkingen van maten en percentages en regels voor het aanbrengen van geringe wijzigen in plaats, richting en/of afmeting van bebouwingsgrenzen, geen bestemmingsgrenzen zijnde.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
In het bestemmingsplan is het overgangsrecht voor bouwwerken en het gebruik conform het Bro opgenomen. De peildata voor bouwen en gebruiken zijn gelijkgetrokken en gelegd op de datum waarop het bestemmingsplan in werking treedt.
Slotregel
In de slotregel is aangegeven onder welke benaming de regels behorende bij het plan N18 Zieuwentseweg - Richterslaan Lichtenvoorde kunnen worden aangehaald.
Overleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverlegpartners.
Inspraak
In het kader van de vaststellingsprocedure heeft het voorontwerpbestemmingsplan “N18 Zieuwentseweg - Richterslaan Lichtenvoorde” voor actualisatie en digitalisering van het bestemmingsplan voor het kruispunt in de N18 ter hoogte van de Zieuwentseweg te Lichtenvoorde gedurende zes weken voor eenieder van 21 februari 2020 tot en met 2 april 2020 ter inzage gelegen.
Het voorontwerpbestemmingsplan was in te zien in het gemeentehuis. Voorts was het bestemmingsplan in te zien via de website www.ruimtelijkeplannen.nl en de gemeentelijke website www.oostgelre.nl. Bekendmaking hiervan heeft plaatsgevonden in de Elna en de Groenlose Gids.
Tijdens voornoemde termijn kon eenieder schriftelijk of mondeling een inspraakreactie indienen. Naar aanleiding van het ter inzage leggen van het voorontwerpbestemmingsplan “N18 Zieuwentseweg - Richterslaan Lichtenvoorde” zijn zeven inspraakreacties binnen gekomen.
Deze inspraakreacties zijn binnen de gestelde termijn (ontvankelijkheidstoets) ingediend. In de Nota zienswijzen en wijzigingen voorontwerpbestemmingsplan in de bijlage 19 van de toelichting van dit bestemmingsplan zijn de inspraakreacties naar aard en inhoud samengevat weergegeven. De gemeentelijke reactie op de inspraakreacties is direct na de desbetreffende inspaakreactie opgenomen.
Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan is op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd van 19 februari 2021 tot en met 1 april 2021. Gedurende de ter inzagelegging zijn er twee zienswijzen ingekomen. In de Nota zienswijzen en wijzigingen ontwerpbestemmingsplan in de bijlage 20 van de toelichting van dit bestemmingsplan zijn de zienswijzen naar aard en inhoud samengevat weergegeven. De gemeentelijke reactie op de zienswijzen is direct na de desbetreffende zienswijzen opgenomen.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De kosten voor het project bestaan uit onder meer kosten voor de herinrichting van de weg en bijbehorende voorzieningen, planschade, kosten voor grondverwerving en planvorming. De ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, wordt aangelegd door het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre en wordt bekostigd uit de begrotingen van de betrokken overheden. In 2015 is er een bestuursovereenkomst gesloten waarin afspraken omtrent de financiering zijn vastgelegd. Ten aanzien van de gemeentelijke kosten, geldt dat die kosten begroot zijn binnen de financiële kaders van de programmabegroting 2021 zoals die op 11-11-2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. In de kadernota (de opmaat voor de programmabegroting met daarin het meerjareninvesteringsplan 2022-2025) is (naar aanleiding van het definitief ontwerp voor de ontwikkeling met de daarbij horende kostenraming) de investering voor dienstjaar 2022 verhoogd, zodanig dat de gemeente haar verplichtingen uit de bestuursovereenkomst na kan komen in financiële zin. Het onderhavig bestemmingsplan is economisch uitvoerbaar.