| Plan: | Buitengebied herziening Zieuwentseweg 69 Zieuwent |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.BPBUI1513-VG01 |
| Bestemmingsplan Buitengebied herziening Zieuwentseweg 69 Zieuwent |
| Vastgesteld |
| Inlichtingen: Nardo Rondeel |
| Afdeling Omgeving |
| Telefoonnummer: 0544 - 393 482 |
Er is een verzoek ingediend tot realisatie van een werkplaats op het perceel Zieuwentseweg 69 te Zieuwent. Op het perceel is een loon- en mechanisatiebedrijf gevestigd. Omdat een deel van de bestaande bebouwing aan vervanging toe is, is het wenselijk een nieuwe werkplaats te realiseren. De gewenste werkplaats komt gedeeltelijk te liggen buiten het aangegeven bouwvlak. Door middel van een herziening van het bestemmingsplan wordt het bouwvlak aangepast en zo de gewenste werkplaats mogelijk gemaakt.
Om te bezien of de gewenste activiteiten mogelijk zijn, zal het verzoek getoetst moeten worden aan het (inter-)nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. In deze toelichting wordt hier verder op ingegaan.
Het plangebied is gelegen aan Zieuwentseweg 69 te Harreveld. Het perceel ligt ten zuiden van de bebouwde kom van Zieuwent en staat kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie L, nummers 130, 631 en 1175. In de directe nabijheid van het perceel zijn hoofdzakelijk burgerwoningen gelegen alsmede een enkel niet-agrarisch bedrijf (Zieuwentseweg 67, 67a).
Omgeving Zieuwentseweg 69 Zieuwent
Woonhuis met bedrijfsbebouwing Zieuwentseweg 69 Zieuwent
In het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' en het 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' zijn de gronden bestemd voor 'Bedrijf', voorzien van een bouwvlak en van de functieaanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten' en 'specifiek vorm van bedrijf - gebiedsgebonden bedrijf'. Door de gewenste aanpassing van het bouwvlak komt een deel van het gewenste bouwvlak te liggen in de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1 en 2'.
In het bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen om een nieuwe bedrijfshal te bouwen buiten het aangegeven bouwvlak. Door middel van een herziening van het bestemmingsplan wordt een nieuw bouwvlak mogelijk gemaakt zodat de nieuwe bebouwing in dit nieuwe bouwvlak kan worden opgericht.
Bestemming 'Bedrijf' (paars), 'Agrarisch' (licht groen) en 'Wonen' (geel) met dubbelbestemmingen (plusjes) uit bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre
Aangegeven bestaande bouwvlak (oranje)
Op het perceel wordt een nieuwe werkplaats opgericht. Twee bestaande bouwwerken worden gesloopt. Omdat de beoogde werkplaats groter wordt uitgevoerd dan de huidige werkplaats en achter de bestaande bebouwing wordt geplaatst, zal deze nieuwe werkplaats buiten het hiervoor aangegeven bouwvlak komen te liggen. Het bouwvlak moet hierdoor worden aangepast.
Het kadastrale perceel met nummer 130 is nog in gebruik voor het bedrijf en ook als zodanig bestemd. Ditzelfde geldt voor het kadastrale perceel 891 welke gronden in eigendom zijn van het huisperceel 69a. De eigendomsrechten worden herzien en kadastraal zal er een lijn worden gelegd tussen beide percelen. De bestemmingen worden hierop aangepast waarbij een deel van de bedrijfsbestemming wordt omgezet naar de bestemming Wonen (voor de kadastrale percelen en nummers zie bovenstaande kaart).
Gewenste situatie
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.
Er is getoetst aan het relevant Internationaal beleid voor dit plangebied. Geconcludeerd wordt dat het Internationaal beleid geen problemen geeft voor de geplande planontwikkeling. Getoetst is aan het nagenoemde beleid:
Er is getoetst aan het relevante Rijksbeleid voor dit plangebied. Geconcludeerd wordt dat het Rijksbeleid geen problemen geeft voor de geplande planontwikkeling. Getoetst is aan het nagenoemde beleid:
Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 11 november 2015 een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsvergunning op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekkening hebben op de fysieke leefomgeving.
In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, et cetera.
Het plangebied is niet gelegen in een maatschappelijke opgave zoals genoemd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel.
Het Waterplan, dat op 11 november 2009 door Provinciale Staten is vastgesteld, is in 2014 overgegaan in de Gelderse Omgevingsvisie. Zonder water zou Gelderland er minder aantrekkelijk uitzien. Maar water is niet alleen mooi, tegen een overvloed ervan willen we beschermd worden. Natuurlijk is er ook voldoende schoon water nodig om te drinken, te recreeren, voor de industrie, de landbouw en de natuur. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie wil zorgen voor voldoende schoon water en droge voeten.
Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011'. Dit plan is voor een deel herzien in het 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre'. Deze laatste herziening heeft in dit geval betrekking op de planregels. Het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijf' en 'Agrarisch', is voorzien van een 'bouwvlak' en de aanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten' en 'specifieke vorm van bedrijf - gebiedsgebonden bedrijf'. Op het perceel ligt ook nog de dubbelbestemming 'Waarde - archeologische verwachtingswaarde 2', wat aangeeft dat bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 2.500 m2 het verplicht is een archeologisch onderzoek uit te voeren. In de regels behorende bij de genoemde bestemming bedrijf is aangegeven dat bouwwerken in het aangegeven bouwvlak moeten worden gebouwd. Nu de nieuw te bouwen bedrijfshal buiten het aangegeven bouwvlak komt te liggen dient er een procedure om herziening van het bestemmingsplan te worden gevolgd.
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.
Het plangebied ligt in het landschapsensemble Zieuwent, het kampenlandschap van Zieuwent en Mariënvelde. De historische karakteristiek bestaat hier vooral uit het kleinschalige cultuurlandschap dat hier ooit was en uit het watersysteem, dat gekenmerkt werd door periodiek stagnerend water in de lagere delen van het landschap, eveneens kleinschalig tussen de zandruggen in. Dit gebied is bij de Ruilverkaveling Harreveld-Zieuwent vrij fors op de schop gegaan ten behoeve van de landbouw, waardoor de kleinschaligheid is verdwenen en het onderscheid met de ontginningslandschappen nauwelijks meer zichtbaar is. Niettemin zijn er toch op veel plaatsen gronden die maar nauwelijks rendabel gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld omdat ze te nat zijn. Zeker als hier een nieuwe wateropgave en een opgave voor de ontwikkeling van natuur bij komt, kan op veel plaatsen een omslagpunt bereikt worden om juist deze moeilijkere gronden af te stoten en de wat hogere, goed ontwaterde gronden te blijven benutten.
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema Watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee Nee |
| Oppervlakte- waterkwaliteit |
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? | Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Vanuit het plangebied wordt hemelwater indirect geloosd op het oppervlaktewater. Via de om het bedrijf liggende gronden vloeit het hemelwater langzaam richting de in de nabijheid gelegen sloten. Het hemelwater heeft dan alle tijd om langzaam in de bodem te worden opgenomen. Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.
Door middel van dit bestemmingsplan wordt een deel van de bestemming 'Bedrijf' omgezet naar de bestemming 'Wonen'. Daarnaast wordt het bestaande bouwvlak aangepast zodat nieuwbouw op het perceel mogelijk is. Vanwege de nieuwbouwplannen en de daarin uit te voeren werkzaamheden is er een bodemonderzoek op het perceel uitgevoerd. Doel van dit onderzoek is om de algemene bodemkwaliteit te bepalen zodat bekeken kan worden in hoeverre deze bodemkwaliteit een belemmering kan vormen voor het beoogde gebruik en/of de voorgenomen ontwikkelingen.
Het onderzoeksrapport is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Achterhoek. Zij geven aan dat het uitgevoerde bodemonderzoek actueel en de rapportage volledig is. Het onderzoek en de rapportage voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Met het onderzoek zijn in de grond lichte verhoogde gehalten en in het grondwater een licht en matig verhoogd gehalte vastgesteld. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is echter niet nodig. Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit op de onderzochte locatie geschikt is voor het beoogde gebruik.
In verband met de aangetoonde gehalten in het grondwater wordt wel geadviseerd om aan de Omgevingsvergunning Bouw de voorwaarde te verbinden, geen grondwater voor besproeiing van gewassen of eigen consumptie te onttrekken. Daarnaast behoren de aanbevelingen zoals hieronder weergegeven in acht te worden gehouden.
Aanbevelingen:
Het bodemonderzoek met rapportnummer MT.16223 van 17 augustus 2016 is als bijlage bijgevoegd.
Vanwege de sloop van enkele gebouwen en de nieuwbouw van het bedrijfspand is er een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren, nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten, die door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten vernield of verstoord worden. In het rapport wordt het onderzoeksgebied beschreven alsmede de onderzoeksopzet, de resultaten van het onderzoek en de wettelijke consequenties.
In het rapport wordt geconcludeerd dat de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Ruimtelijke verordening Gelderland geen belemmering vormen voor uitvoering van de voorgenomen activiteit. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet is niet noodzakelijk.
Het onderzoeksrapport met projectnummer 829, versie 1.0 d.d. 23 juni 2016 is als bijlage bijgevoegd.
De Flora- en Faunawet is per 1 maart 2017 komen te vervallen en opgenomen in de Wet natuurbescherming. Dit heeft echter geen consequenties voor het uitgevoerde rapport en de daarin opgenomen conclusie.
Naast bovengenoemde geldt te allen tijde de zorgplicht, zoals was opgenomen in de Flora- en faunawet en nu dus in de Wet natuurbescherming.
Zorgplicht
Ten aanzien van de ingrepen is nog een algemeen geldende voorwaarde vanuit de Wet natuurbescherming van toepassing: Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.
Het perceel Zieuwentseweg 69 te Zieuwent is niet aangewezen als monument of karakteristiek. Cultuurhistorisch is er geen belemmering om aan het verzoek mee te werken.
Op het perceel zijn volgens het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Archeologische verwachtingswaarde 1 en 2' van toepassing. Dit wil zeggen dat deze gronden mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Ter bescherming van de eventuele waarden in de bodem is in de regels van deze dubbelbestemming opgenomen dat bij het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte van 100 m2 in de gronden met verwachtingswaarde 1 of 2.500 m2 in gronden met verwachtingswaarde 2 een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden is vastgelegd.
In onderhavig geval worden bodemingrepen verricht ten behoeve van de nieuwbouw voor de bedrijfshal. De oppervlakte van 100 m2 of 2.500 m2 bij de daarbij behorende archeologische verwachtingswaarden wordt echter niet overschreden. Een onderzoek naar de archeologische waarden in de bodem is dan ook niet van toepassing.
Door de voorgenomen wijzigingen op het perceel Zieuwentseweg 69 te Zieuwent en de bouw van een nieuwe bedrijfshal is onderzocht of er geen geluidhinder optreedt en of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de omliggende woningen. Hiervoor is door het geluidBuro akoestisch onderzoek verricht en verwoord in het onderzoeksrapport met kenmerk 7136 LB - 69 W001 16-06-2016 V1.0 van 30 juni 2016.
Het onderzoeksrapport is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Achterhoek. Zij geven aan dat het akoestisch rapport goed inzicht geeft in de activiteiten en de te verwachten geluidbelasting. Ook maakt het rapport terecht verschil tussen toetsing o.g.v. ruimtelijke ordening en Activiteitenbesluit. Daarbij geven zij aan dat uit het rapport blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden.
Geadviseerd wordt in de omgevingsvergunning voor het onderdeel bestemmingsplanwijziging en als maatwerk Activiteitenbesluit vast te leggen dat het bedrijf niet werkzaam mag zijn in de nachtperiode. Overwogen moet worden of ter plaatse van 2 woningen waar wel voldaan wordt aan de streefwaarden, lagere normen dan het Activiteitenbesluit bij maatwerk worden opgenomen om zodoende uitvoering te geven aan het geluidbeleid. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning onderdeel bouwen zal dit nader worden beoordeeld.
Het akoestisch rapport van het geluidBuro is als bijlage bijgevoegd.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.
Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit uit kunnen oefenen dan wel toepassen, hetzij:
De hierboven aangegeven grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn voor de luchtverontreinigende stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) en worden in de hieronder staande tabel aangegeven:
| Stof | Grenswaarde |
| SO2 | 350 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 125 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| NO2 | 200 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010 | |
| PM10 | 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie |
| 50 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| Lood | 0,5 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie |
| CO | 10.000 µg/m³ als 8 uursgemiddelde concentratie |
| C6H6 | 10 µg/m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie |
Het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)' legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is vóór en na de vaststelling van het NSL dezelfde en voor het grootste gedeelte geregeld in de 'Regeling NIBM' (luchtkwaliteitseisen).
De 'Regeling NIBM' (luchtkwaliteitseisen) geeft voor een aantal categorieën van projecten een, getalsmatige, invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de, getalsmatige, begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 1% of 3% grens en de grenswaarden nodig en kan het project doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen.
Voor woningbouw is het huidige 1% criterium (interimperiode) 500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 1000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De gevraagde bestemmingsplanherziening maakt geen extra wooneenheid mogelijk, waardoor het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen.
Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging als gevolg van de gevraagde herziening van de bestemming op het perceel Zieuwentseweg 69 te Zieuwent.
Om te bepalen of de activiteiten op het perceel geen verdere overlast veroorzaken ten opzichte van aanwezige woningen is ook nog gekeken naar geur en stof. Hierbij is gebruik gemaakt van de normen zoals gesteld in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering". In deze handreiking is voor een mechanisatiebedrijf een richtafstand van 30 meter opgenomen. Hierbij is echter de factor 'geluid' het meest bepalend.
Een bestaand bedrijfsgebouw staat nu bijna aan de gevel van de dichtstbijzijnde burgerwoning Zieuwentseweg 69a. Dit bedrijfsgebouw wordt gesloopt waardoor er een nieuwe situatie ontstaat en de richtafstand van minimaal 30 m gaat gelden. De dichtstbijnde werkplaats van het bedrijf komt op 24 m van de burgerwoning te liggen. Het nieuw op te richten bedrijfsgebouw op ongeveer 25 m. Van de minimale gewenste richtafstand van 30 m kan gemoitiveerd worden afgeweken.
Om af te wijken heeft er een akoestisch onderzoek plaatsgevonden zoals aangegeven in paragraaf 5.5. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarde zodat de huidige afstand van 24 m en de nieuwe afstand van 25 m afdoende is om overlast van het bedrijf te voorkomen.
De overige milieu-aspecten zoals geur en stof vormen dan ook geen beperking voor een goed woon- en leefklimaat in de omliggende woningen.
Het perceel Zieuwentseweg 69 te Zieuwent is voorzien van de bestemming 'Bedrijf' zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' en het 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre'. Op het perceel is een mechanisatiebedrijf aanwezig welke, na sloop van een tweetal bedrijfsgebouwen, een nieuwe bedrijfshal gaat realiseren. Daarbij wordt een stuk van de bestemming 'Bedrijf' omgezet in de bestemming 'Wonen' en toebedeeld aan het naastliggende perceel Zieuwentseweg 69a. Op het perceel is een bouwvlak gelegen waarbinnen de bebouwing aanwezig moet zijn. De nieuw te bouwen bedrijfshal komt gedeeltelijk buiten dit bouwvlak te liggen. Door middel van een herziening van het bestemmingsplan wordt het bouwvlak aangepast zodat nieuwbouw mogelijk is. Het perceel dient nog landschappelijk te worden ingepast.
Om de kwaliteitsverbetering van het totale perceel en haar directe omgeving te waarborgen dient er landschappelijke inpassing plaats te vinden. Hiervoor wordt in eerste instantie een landschapsplan ingedient. In het landschapsplan wordt aangesloten op de reeds aanwezige landschappelijke en ecologische waarden in het gebied. In het bijzonder wordt rekening gehouden met de uitgangspunten geformuleerd in het Gebiedsplan Natuur en Landschap Gelderland.
Voor het plangebied is door Natuurbank Overijssel een landschapsplan opgesteld met projectnummer 829B, versie 1.0 d.d. 7-11-2016 welke als bijlage is bijgevoegd. De gemeentelijke medewerker Groen heeft het landschapsplan beoordeeld en akkoord bevonden.
Gewijzigde inpassing
Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn zienswijzen ingekomen welke betrekking hebben op de landschappelijke inpassing. Het achterterrein van het bedrijf wordt gebruikt voor de opslag van materiaal en materieel. Vanuit de naastgelegen percelen en vanuit het achterliggende fietspad is zicht op deze opslag. Er werd verzocht om deze opslag te voorzien van een groene rand zodat de opslag uit het zicht komt te liggen. Verzoeker heeft het ingediende landschappelijk inpassingsplan hierop laten aanpassen en bezwaarmakers zijn met de nieuwe inpassing akkoord gegaan.
Het gewijzgde landschapsplan met projectnummer 829B, versie 1.0 d.d 19-6-2017 is nu als bijlage bijgevoegd. De vorige versie van 7-11-2016 komt hiermee te vervallen.
Op 1 juli 2008 zijn de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (en het Besluit ruimtelijke ordening) in werking getreden. Daarnaast heeft het ministerie VROM het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP-2008) gepresenteerd. Deze standaard geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de opzet van bestemmingsplannen. Op aan groot aantal punten wijkt deze standaard af van de tot nu toe gebruikelijke vormgeving van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2008 (IMRO-2008) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2008 (PRBP-2008).De bestemmingen in het voorliggende bestemmingsplan passen binnen die standaard. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit -met inachtneming van het vorenstaande- zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.
Bovengenoemd rapport, model en richtlijn zijn in 2012 gewijzigd in SVBP-2012, IMRO-2012 en PRBP-2012. Dit wijzigingsplan is met deze standaarden tot stand gekomen.
Het digitale bestemmingsplan Buitengebied herziening Zieuwentseweg 69 Zieuwent is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand NL.IMRO.1586.BPBUI1513- de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. De papieren plankaart (nu bekend als de analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan) is getekend op een schaal 1:1.000 en omvat 1 kaartblad. Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard. Indien er verschillen aanwezig mochten zijn tussen de digitale en de analoge verbeelding dan is op grond van artikel 1.2.3 Bro de digitale verbeelding beslissend.
De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn:
De wijziging van het bestemmingsplan en de bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot uitkering van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst inzake grondexploitatie en planschade afgesloten met verzoeker.
Met het voorliggende plan wordt nieuwbouw van een bedrijfshal mogelijk gemaakt. Dit is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening en daarmee in principe exploitatieplanplichtig. De gemeente heeft met verzoeker een zogenaamde anterieure overeenkomst afgesloten. Hierin wordt een eventuele tegemoetkoming in planschade afgewenteld op verzoeker en worden de legeskosten op hem verhaald. Op deze wijze is kostenverhaal anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
In het kader van de herziening van het bestemmingsplan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd (overeenkomstig afdeling 3:4 Algemene Wet bestuursrecht). Binnen deze termijn kan een ieder zijn/haar zienswijze omtrent de herziening indienen. Dan zal ook duidelijk worden hoe omwonenden tegen het plan aankijken. Ingebrachte zienswijzen worden betrokken bij de besluitvorming.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Geldeland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel.
In de ontwerpfase worden de diensten van provincie en het Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast ligt een ontwerp van het bestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken voor een ieder ter inzage. In deze termijn zijn ziensijzen ingebracht. Deze zienswijzen zijn verwoord en beantwoord in een 'Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen' en is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.