| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Maarsbergen Rottegatsteeg 1a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1581.MAATAMRottegst1a-VA01 |
Op het perceel aan de Rottegatsteeg 1a in Maarsbergen bevindt zich momenteel een boerenerf. De Initiatiefnemer is voornemens om het perceel te herontwikkelen tot woonlocatie. Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling wordt bestaande agrarische bebouwing geamoveerd. Met de sloopmeters van de agrarische bebouwing is het mogelijk om één extra woning te realiseren. Daarbij is de wens om de huidige bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning.
Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het omgevingsplan. Om een en ander planologisch-juridisch mogelijk te maken, moet het omgevingsplan van de gemeente Utrechtse Heuvelrug worden gewijzigd. Voorliggend TAM-omgevingsplan zorgt voor de gewenste planologische kaders en toont aan dat het voornemen voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij de ontwikkeling aan de Rottegatsteeg 1a zal ca. 1.600 m² aan agrarische bebouwing worden gesloopt. Volgens artikel 9.11 van de Omgevingsverordening bestaat de mogelijkheid om op basis van de sloopmeters zorgwoningen te realiseren. In verband met de deadline voor de TAM-Imro procedure heeft dit niet verder onderzocht kunnen worden.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Deze vangnetten zorgen ervoor dat deze organisaties de belangrijkste uitvoeringsprocessen kunnen blijven uitvoeren, totdat ze het DSO wel kunnen gebruiken. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-Omgevingsplan.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
Het plangebied is gelegen aan de Rottegatsteeg 1a te Maarsbergen. Het plangebied is gelegen aan de Noordzijde van de A12, ten Noorden van Maarsbergen. De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit weilanden in mozaiekverkaveling. Aan de Zuidoost- en de Zuidwestkant zijn twee woonerven gesitueerd, daarnaast wordt het plangebied voornamelijk omgeven door weilanden.
Het plangebied gelegen aan de Rottegatsteeg 1a te Maarsbergen staat kadastraal bekend als gemeente Maarn, sectie E, perceel 730. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 21.000 m². Het plangebied is op zuidoostelijke gedeelte van het perceel gelegen en heeft een oppervlakte van 13.577 m2. In de onderstaande figuur is de ligging van het plangebied aangegeven.
Luchtfoto met uitsnede kadastrale kaart met ligging plangebied (bron: www.perceelloep.nl)
Het plangebied ligt in het omgevingsplan van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Dit omgevingsplan bestaat op de planlocatie uit de bruidsschatregels en uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan: het bestemmingsplan 'buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Utrechtse heuvelrug op 3 juli 2019.
In het (tijdelijke deel van) het omgevingsplan kent het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor agrarische bedrijvigheid, waarbij uitsluitend op de bestaande locatie de uitoefening van een grondgebonden veehouderijbedrijf is toegestaan. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van de aanwezige landschappelijke- en natuurwaarden. Het plangebied heeft de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - half open landschap', waarbij specifiek de instandhouding van het half open landschap geldt. Tenslotte is het wonen in een bedrijfswoning toegestaan en bijbehorende voorzieningen op het perceel zoals tuinen, paden en parkeerplaatsen.
Het plangebied kent daarnaast de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Hier zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het beschermen en veilig stellen van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Tenslotte heeft het plangebied de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Deze gebiedsaanduiding geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om de grens van een bouwvlak te verschuiven en te vergroten. Bij voorgenomen ontwikkeling is deze gebiedsaanduiding niet van toepassing.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan met globale ligging plangebied (bron: Regels op de kaart)
De plannen zijn strijdig met het omgevingsplan, omdat voorgenomen herontwikkeling tot woninglocatie niet past binnen de regels van de huidige agrarische bestemming.
Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie gegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de gewenste situatie toegelicht. Daarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en op de ruimtelijke en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in hoofdstuk 5 een toetsing aan de milieuaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het TAM omgevingsplan genoemd. In hoofdstuk 6 volgt een toelichting op de werking van het TAM omgevingsplan en de daarin opgenomen juridische regeling. Tenslotte gaat hoofdstuk 7 in op de uitvoerbaarheid van het TAM omgevingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
In de bestaande situatie aan de Rottegatsteeg 1a in Maarsbergen is er een boerenerf gesitueerd op het perceel. De huidige bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning en drie bijgebouwen bestaande uit twee kapschuren en een loopstal met enkele voersilo's. Daarnaast is er op het perceel een klein geitenweitje, een moestuin en bestrating ten behoeve van kuilvoer. De rest van het kavel bestaat voornamelijk uit grasland met houtwallen langs de zijkanten van de kavel. Onderstaande figuren geven een impressie van de bestaande situatie.
Luchtafbeelding van het perceel in de bestaande situatie (bron: initiatiefnemer)
Bestaande bebouwing gezien vanaf de Rottegatsteeg in juni 2022 (bron: google maps)
In de gewenste situatie wordt de agrarische bestemming van het perceel gewijzigd in een functie ten behoeve van twee reguliere woningen. Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het behouden van het gebouw van de bestaande bedrijfswoning en het mogelijk maken om een extra woning te realiseren op het perceel. De twee reguliere woningen delen een oprit en een gezamenlijke schuur. De inhoud van de woningen zal niet meer dan 800 m3 bedragen. De goot- en bouwhoogte zullen respectievelijk maximaal 4,5 m en 10 m bedragen.
Ten behoeve van deze ontwikkeling is de huidige eigenaar voornemens om de agrarische bedrijfsvoering aan de Rottegatsteeg 1a in Maarsbergen volledig te beëindigen. Daarnaast zullen de bestaande bijgebouwen worden geamoveerd. Dit maakt de herontwikkeling naar twee vrijstaande woningen mogelijk.
Voor de landschappelijke herinrichting is rekening gehouden met het behouden en versterken van het open weilandachtige karakter van het kavel en daarnaast de oorspronkelijke geclusterde bebouwing van het boerenerf. Om de historische periode van de ruilverkaveling te blijven representeren wordt de huidige boerderijwoning behouden. Onderstaande figuren geven een impressie van de gewenste situatie.
Situatietekeni ngen plangebied in toekomstige situatie (bron: initiatiefnemer)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:
Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Conclusie
Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en bevat specifieke regels waar lagere overheden zich aan moeten houden. In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen voor het opstellen van een omgevingsplan en het beoordelen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen (afdeling 5.1):
In bijzondere gevallen is het mogelijk dat minister ontheffing verleend van de instructieregels.
In hoofdstuk 5 van deze onderbouwing wordt ingegaan op de onderwerpen die van belang zijn voor deze ontwikkeling, en wordt onder meer getoetst aan de instructieregels uit het Bkl.
Conclusie
Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze toelichting geeft de onderbouwing hiervan.
Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. Sinds 1 januari 2024 is deze in werking getreden onder de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd tot 2050. De provincie Utrecht zet in op een gezonde en veilige leefomgeving, aan de hand van zeven samenhangende beleidsthema's:
1. Stad en land gezond bestemmingsplan
2. Klimaatbestendig & waterrobuust
3. Duurzame energie
4. Vitale steden & dorpen
5. Duurzaam gezond & veilig bereikbaar
6. Levend landschap erfgoed & cultuur
7. Toekomstbestendige natuur & landbouw
Planspecifiek
Beschermingszone drinkwaterwinning
De locatie Rottegatsteeg 1a valt binnen de aanduiding 'beschermingszone drinkwaterwinning'. Drinkwaterbedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening. Dit wordt ook wel de ‘zorgplicht drinkwater’ genoemd.Voor de bescherming van de bestaande drinkwaterwinningen in onze provincie hebben wij een beschermingszone drinkwaterwinning. Vanwege de bevolkingsgroei en de toenemende bedrijvigheid hebben we tot 2050 extra drinkwater nodig, waarvoor oppervlakte- en grondwater wordt onttrokken. Hiervoor ontwikkelen we samen met de drinkwaterbedrijven nieuwe grondwaterwinningen en breiden we bestaande grondwaterwinningen uit.
Het is van belang om daarnaast een deel van het grondwater te beschermen, om ook de groei van de drinkwatervraag op te kunnen vangen op de langere termijn en in extreme situaties (zoals nu nog niet voorziene extra sterke bevolkingsgroei of een veel hoger verbruik per persoon). Daartoe beschermen we het gebied dat we de strategische grondwatervoorraad noemen (in onder andere de landelijke Structuurvisie Ondergrond (STRONG) wordt dit de Aanvullende Strategische Voorraden genoemd). Bij onttrekkingen uit deze grondwatervoorraden geldt als uitgangspunt dat deze voorraden niet worden uitgeput. Het beoogde plan is relatief kleinschalig en zal geen invloed hebben op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater voor drinkwaterwinning. Het aspect water is in paragraaf 5.2 van deze motivering verder onderbouwd.
Groot natuursysteem
De locatie Rottegatsteeg 1a valt binnen de aanduiding 'Groot natuursysteem'. Onze provincie heeft een netwerk met robuuste natuur waarin vier grote diverse systemen liggen: Rivierengebied, Veenweidegebied, Eemvallei en Utrechtse Heuvelrug. Dit netwerk maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland met daarin verschillende Natura 2000-gebieden. De natuur, de biodiversiteit en de functies die het ecosysteem heeft staan onder druk. De toegenomen stikstofdepositie in natuurgebieden verhoogt de voedselrijkdom en draagt bij aan bodemverzuring. Hierdoor neemt de biodiversiteit af en verdwijnen bijzondere planten en dieren. Ook klimaatverandering heeft invloed op planten en dieren. De waarde van oudere houtopstanden voor CO2-reductie wordt steeds duidelijker: jonge aanplant zal pas na tientallen jaren structureel hieraan bijdragen. Beleefbare natuur en een groene omgeving worden belangrijker. In pagargaaf 5.13 van deze onderbouwing is onderbouwd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor het initiaitief.
Houtopstanden
De locatie Rottegatsteeg 1a valt binnen de aanduiding 'Houtopstanden'. Wij hechten bijzondere waarde aan het grote bosareaal dat onze provincie rijk is. We streven er naar om in 2040 houtopstanden te hebben die bijdragen aan schone lucht, landschappelijke kwaliteit, hogere biodiversiteit en CO2-vastlegging. Ons uitgangspunt is daarbij het vergroten van het oppervlak aan bos, behoud en versterking van belangrijke bosverbindingen en verbetering van de natuurkwaliteit van de bossen. Dit betreft zowel de aaneengesloten bossen - zoals op de Utrechtse Heuvelrug - als de grotere en kleinere landschapselementen die uit bosschages bestaan. In pagargaaf 5.13 van deze onderbouwing is onderbouwd dat het aspect houtopstanden geen belemmering vormt voor het initiaitief.
Kernrandzone
De locatie Rottegatsteeg 1a valt binnen de aanduiding 'Kernrandzone'.De kernrandzone is het gedeelte van het landschap en het landelijk gebied dat direct aansluit aan het stedelijk gebied. Deze zone om de Utrechtse kernen is van grote waarde voor de leefbaarheid van de kern als uitloopgebied en door de hier aanwezige stedelijke functies. Met voorliggend initiatief wordt de verrommeling van de kernrandzone tegen gegaan door voormalige agrarische schuren te slopen en het erf een goede landschappelijke inpassing te geven.
Landbouwgebied
De locatie Rottegatsteeg 1a valt binnen de aanduiding 'Landbouwgebied'. Wij gaan in alle landbouwgebieden aan de slag om samen met de landbouwsector en andere partners de omslag te maken naar een circulaire, natuurinclusieve, klimaatneutrale en diervriendelijke landbouw. De economische rendabiliteit van agrarische bedrijven is daarbij een belangrijk uitgangspunt, evenals de verbinding tussen stad en land. We kiezen zoveel mogelijk voor een stimulerende en participerende rol om gewenste ontwikkelingen op gang te krijgen en te houden. Met voorliggend initiatief wordt de verrommeling van het landbouwgebied tegen gegaan door voormalige agrarische schuren te slopen en het erf een goede landschappelijke inpassing te geven.
Nieuwe functies voor stoppende agrarische bedrijven
In paragraaf 4.7.2 van de Omgevingsvisie is opgenomen dat het beleid van de provincie Utrecht in principe gericht is op het duurzaam toekomstperspectief geven aan de agrarische bedrijven. Daar waar de bouwpercelen gunstig liggen ten opzichte van de goede landbouwgrond is in het geval een agrarisch bedrijf stopt, het behoud van een agrarisch bouwperceel voor de landbouw wenselijk. Door het grote aantal bedrijven dat stopt, en de soms ongunstige ligging van bouwperceel ten opzichte van veldpercelen is dit echter vaak niet haalbaar.
Als een agrarisch bouwperceel geheel vrijkomt is het beleid gericht op sloop van overbodig geworden bedrijfsbebouwing. Wij bieden via onze Omgevingsverordening in het landelijk gebied ruimte voor de bouw van één tot drie woningen (ruimte-voor-ruimte). Daarbij is het uitgangspunt dat alle bedrijfsmatige bebouwing moet worden gesloopt. Naar mate er meer wordt gesloopt, is er meer ontwikkelruimte. We hanteren standaard normen. Hiervan kan door gemeenten worden afgeweken, indien een evenredige kwaliteitswinst anders dan sloop van gebouwen wordt bereikt. Zo ontstaat ruimte voor maatwerk: bijvoorbeeld meer dan 1 tot 3 woningen, woningen op een andere plek dan het agrarisch bouwvlak, combineren van sloop van meerdere bouwvlakken of vestiging van een groter niet-agrarisch bedrijf. We monitoren het gebruik van de regels en het daarin geboden maatwerk en passen dit zo nodig aan voor een groter doelbereik.
Bij de beoordeling van evenredige kwaliteitswinst, anders dan door sloop, kunnen onder andere de volgende aspecten een rol spelen: herstel van landschapselementen, versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap), oplossingen voor de wateropgave, realisering van wandel- en recreatievoorzieningen, de verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern en extra, compact gebouwde woningen die aantoonbaar in een plaatselijke woningbehoefte voorzien. De beoordeling of sprake is van meer ruimtelijke kwaliteit is primair een verantwoordelijkheid van de gemeente. Gemeenten kunnen een eigen afweging maken om een andere, evenredige vorm van ruimtelijke kwaliteitswinst mogelijk te maken. Wij faciliteren gemeenten graag bij de invulling van het kwaliteitsbegrip. Wij stimuleren daarbij de samenwerking tussen gemeenten, bijvoorbeeld om tot uitwisseling van sloopmeters te komen. Daarmee voorkomen we verrommeling en dragen we bij aan ontstening.
Als onderdeel van voorliggend plan wordt alle overbodig geworden bedrijfsbebouwing gesloopt. Naast de sloop vind er ruimtelijke kwaliteitswinst plaats, door middel van bijvoorbeeld het herstel en de versterking van landschapselementen, versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap) en oplossingen voor de wateropgave Met het landschappelijk inpassingsplan en het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1 en Bijlage 2) is de ruimtelijke kwaliteitwinst van het plan geborgd.
Landschap Gelderse Vallei
Een aantrekkelijke leefomgeving draagt bij aan het welzijn van mensen. Daarom zet de provincie in op het doorontwikkelen van deze landschappen, het beschermen en benutten van historisch erfgoed en het ondersteunen van een goed cultureel aanbod. Met het landschappelijk inpassingsplan en het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1 en Bijlage 2) is geborgd dat het plan bijdraagt aan de ontwikkeling en bescherming van het landschap.
Recreatiewoning
Wij streven naar voldoende vitale vakantieparken/recreatiiewoningen voor verblijfsrecreatie. Dit is gericht op voldoende kwaliteit van het verblijfsrecreatief aanbod dat aansluit bij de vraag van de bezoeker. Hiermee wordt toegewerkt naar een vitale en duurzame vrijetijdssector. Verpaupering en oneigenlijk gebruik zoals permanente bewoning en ondermijnende criminaliteit is ongewenst. In een aantal gemeenten speelt permanente bewoning van recreatiewoningen al langdurig. Om een effectieve aanpak van bestaande permanente bewoning landelijk, provinciaal en regionaal mogelijk te maken, kiezen wij voor een integrale gezamenlijke aanpak, samen met betrokken gemeenten en andere partners. Bij de integrale aanpak wegen we de economische, sociale, woon-, veiligheids- en natuuraspecten mee. We stimuleren duurzaamheid. Het staat voorop dat vakantieparken gezond en vitaal zijn. Voor parken met een uitzichtloos toekomstperspectief willen wij met pilots zoeken naar oplossingen. Transformatie naar een andere bestemming kan dan een mogelijkheid zijn. Het beoogde plan is relatief kleinschalig en zal geen invloed hebben op recreatiewoningen.
Regio U16
De gemeente Utrechtse Heuvelrug maakt onderdeel uit van de regio U16. De Utrechtse Heuvelrug ligt in alle drie de deelgebieden van de Omgevingsvisie. Voor vrijkomende agrarische bebouwing zegt het beleid dat de ontwikkeling niet mag leiden tot vermindering van de ruimtelijke kwaliteit. Met het landschappelijk inpassingsplan en het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1 en Bijlage 2) is de ruimtelijke kwaliteit van het plan geborgd.
Ruimte voor windenergie en zonnevelden
In de provincie zijn er kansen voor duurzame energiebronnen. Hiervoor zal via maatwerk per gebied en per locatie in beeld moeten worden gebracht of duurzame energieprojecten mogelijk zijn met behoud van deze kwaliteiten. Voor windturbines kunnen ook door wettelijke veiligheidsnormeringen beperkingen van toepassing zijn. Het beoogde plan is relatief kleinschalig en zal geen invloed hebben op het vraagstuk rondom windenergie en zonnevelden.
Transitie naar een duurzame landbouw
De provincie stimuleert de transitie naar een duurzame landbouw die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk is. Voorliggend initiatief heeft geen betrekking op de verduurzaming van de landbouw.
Conclusie
Er vinden geen strijdigheden plaats met de hierboven besproken onderwerpen. Voorliggend initiatief ligt in lijn met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht in werking getreden. Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 september 2024 is deze laatste wijziging in werking getreden. In de Omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn in 2021 samengevoegd in één provinciale (Interim) Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale Omgevingsvisie.
De volgende onderwerpen uit de Omgevingsverordening zijn direct relevant voor onderhavige ontwikkeling.
Planspecifiek
De volgende onderwerpen uit de Omgevingsverordening hebben een werkingsgebied die ter hoogte van het plangebied geldig is: Buffer luchtvaartterrein, Gebied agrarische bedrijven, Gebied detailhandel buiten bestaand winkelgebied, Gebied energie uit biomassa landelijk gebied, Gebied glastuinbouw niet toegestaan, Gebied houtopstand, Gebied klein open bodemenergiesysteem, Gebied kleine windturbine, Gebied kwetsbare strategische grondvoorraad, Gebied landchappelijke waarden, Gebied ligplaatsen, Gebied recreatiewoning, Gebied saneringsregels voor grondwater, Gebied uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk, Gebied uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk, Gebied windenergie, Gebied zonneveld, Grondwaterbeschermingszone, Kernrandzone, Landelijk gebied, Landschap Utrechtse Heuvelrug en Waterschap Vallei en Veluwe buiten de bebouwde kom.
De werkingsgebieden die voor het voorliggende initiatief relevant zijn, zijn hieronder uitgewerkt.
Kernrandzone
De locatie Rottegatsteeg 1a behoort in de Omgevingsverordening provincie Utrecht tot de kernrandzone. De regels hierover zijn bedoeld om de kwaliteit en vitaliteit van de kernrandzone te behouden. In artikel 9.10 van de omgevingsverordening is een instructieregel voor de kernrandzone opgenomen.
Artikel 9.10 Instructieregel kernrandzone
In voorliggend motivering is onderbouwd dat voldaan wordt aan de bovengenoemde voorwaarden. Met het landschappelijk inpassingsplan en het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1 en Bijlage 2) is de ruimtelijke kwaliteit van het plan en de landschappelijke inpassing geborgd. Tevens is in paragraaf 5.14 onderbouwd dat omliggende functies niet onevenredig geschaad worden.
Landelijk gebied
De locatie Rottegatsteeg 1a behoort in de Omgevingsverordening provincie Utrecht tot het landelijk gebied. De regels hierover zijn bedoeld om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden.
Ten eerste bepaalt artikel 9.3 van de Omgevingsverordening dat een omgevingsplan dat betrekking heeftop locaties binnen het landelijk gebied geen verstedelijking toelaat. Om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden, moet een ongebreidelde uitwaaiering van stedelijke functies voorkomen worden. Binnen deze context zijn nieuwe vormen van verstedelijking niet toelaatbaar.
Op dit verbod zijn in de Omgevingsverordening provincie Utrecht uitzonderingen mogelijk. Voor onderhavig initiatief is in hoofdzaak de uitzondering in artikel 9.13 van de Omgevingsverordening van belang.
Artikel 9.13
Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen ('ruimte voor ruimte')
Voorliggend plangebied is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw. Het perceel ligt aan de Rottegatsteeg, een relatief smalle weg zonder directe aansluiting op hoofdwegen of agrarische infrastructuur. De ligging is enigszins geïsoleerd ten opzichte van andere landbouwpercelen. Ook de afmetingen van de kavel zijn beperkt, waardoor het bewerken van het land met moderne machines lastig is. De beperkte omvang en ongunstige vorm maken het perceel minder geschikt voor efficiënte inzet van landbouwmachines, zoals tractoren en oogstmachines, die doorgaans baat hebben bij grotere, rechthoekige percelen met goede bereikbaarheid. Ook wordt er geen historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing gesloopt. Aan de Rottegatsteeg 1a wordt circa 1600 m2 gesloopt en één nieuwe woning teruggebouwd. De huidige bedrijfswoning wordt omgezet tot reguliere woning. Het geheel wordt gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel en landschappelijk goed ingepast. Zie Bijlage 1 en Bijlage 2 voor het landschappelijk inpassingsplan en beeldkwaliteitsplan. Verder worden omliggende agrarisch bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd, zoals in paragraaf 5.14 is onderbouwd. Uit bovenstaande motivering blijkt dat aan de voorwaarden van de provincie is voldaan. Het realiseren van de uitgangspunten uit het landschappelijk inpassingsplan, het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1 en Bijlage 2) en de sloop van de voormalige agrarische bebouwing is middels voorwaardelijke verplichting in de regels van dit omgevingsplan plan opgenomen. Op deze wijze is het provinciale beleid geborgd invoorliggend plan.
Landschap Utrechtse Heuvelrug
De locatie Rottegatsteeg 1a behoort in de Omgevingsverordening provincie Utrecht tot het landschap van de Utrechtse Heuvelrug. De regels hierover zijn bedoeld om de kwaliteit en vitaliteit van het landschap te beschermen. In artikel 7.11a van de omgevingsverordening is een instructieregel voor het landschap van deUtrechtse Heuvelrug opgenomen.
De instructieregel stelt dat een ruimtelijk plan regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten moet bevatten en dat er geen regels zijn toegestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.
Voorliggend initiatief tast de kernkwaliteiten niet onevenredig aan. Dit is onder andere in het landschappelijk inpassingsplan en het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1 en Bijlage 2) uitgewerkt en onderbouwd.
Conclusie
Er vinden geen strijdigheden plaats met de hierboven besproken onderwerpen. Voorliggend initiatief ligt in lijn met de omgevingsverordening van de provincie Utrecht. .
De gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug heeft in juli 2023 de Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. Hierin schetst de gemeente haar visie op de fysieke leefomgeving voor de langere termijn. Daarbij is de context dat er grote opgaven op de gemeente afkomen, zoals de energietransitie, verstedelijking in de regio, woningtekorten en toenemende recreatiebehoefte. Ook binnen de gemeente verandert er van alles: de leefbaarheid in dorpen kan onder druk komen te staan door (onder andere) vergrijzing en toenemende automobiliteit. Verder verandert de verhouding tussen inwoners en overheid. De omgevingsvisie presenteert de strategie voor hoe de gemeente met deze uitdagingen om wil gaan.
De ambities zijn daarbij ingedeeld in de drie kernprincipes: kwalitatief hoogwaardige leefomgeving, vitale dorpen en toekomstgericht. Bij iedere ambitie is in de omgevingsvisie toegelicht wat er onder verstaan wordt en welke keuzes worden gemaakt om de ambitie te kunnen bereiken in de periode tot 2040. Vervolgens is in de omgevingsvisie beschreven hoe de ambities en keuzes per gebied uitpakken. Deze beschrijving omvat in hoofdzaak een toelichting over de bijzondere waarden van en kenmerken van ieder gebied en de keuzes die voor dat gebied gemaakt worden.
Tot slot geeft de gemeente aan verantwoordelijk te zijn voor een zorgvuldige afweging van de verschillende belangen. Wet- en regelgeving geven hiervoor een kader, waarbinnen de gemeente beslissingen neemt en beargumenteert. In het afsluitende hoofdstuk van de omgevingsvisie is kort beschreven welke afwegingen de gemeente maakt en hoe tot beslissingen gekomen wordt.
Het plangebied valt binnen het deelgebied 'Gelderse Vallei'. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het gebied 'Gelderse vallei' met bijbehorende keuzes. Hieruit blijkt dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug zich voor dit gebied inzet voor robuuste natuur, een klimaatbestendige omgeving en prettig wonen voor jong en oud. Daarbij wordt specifiek aangegeven dat locaties met vrijkomende agrarische bebouwing kunnen worden getransformeerd naar kleinschalige woningen en leegstaande bedrijfsbebouwig actief wordt tegengegaan.
Uitsnede kaart Gelderse Vallei met bijbehorende keuzes (bron: Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug)
Planspecifiek
De herontwikkeling van het plangebied is in lijn met de concept-Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het herontwikkelen van vrijgekomen agrarische bebouwing naar woningen. Daarnaast wordt er voor het initiatief een waterbergingsplan opgesteld om het perceel toekomstbestendig in te richten ten aanzien van zowel droogte als overstroming. Hiermee sluit het initiatief ook aan bij de keuzes voor het deelgebied 'Gelderse Vallei'.
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft op 25 april 2024 de Woonzorgvisie 2024-2029: 'Samen leven en zorgen op de Utrechtse Heuvelrug' vastgesteld. In deze visie heeft de gemeente de woningbouwopgaven en -ambities beschreven. De centrale ambitie is: prettig wonen en leven in vitale dorpen op de Heuvelrug. De gemeente wil dat de inwoners hun woonwensen zoveel mogelijk binnen de gemeente kunnen realiseren, zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en mee kunnen doen in de samenleving. Hiertoe heeft de gemeente drie belangrijke thema's geformuleerd:
De gemeente wil niet groeien in de woningvoorraad om de groei, maar om een evenwichtige bevolkingsopbouw en passende huisvesting mogelijk te maken. Hiertoe heeft de gemeente de ambitie om elk jaar 160-180 woningen toe te voegen, verspreid over de zeven dorpen. Dit is nodig om de kwaliteit van de ruimte, het groen, de natuur en de biodiversiteit in stand te houden en te verbeteren. Hieronder is de woningbouwopgave per dorp uiteengezet.
Woningbouwopgave verdeeld over dorpen, 2024 t/m 2030 (bron: Gemeente Utrechtse Heuvelrug)
Planspecifiek
Onderhavig initiatief betreft de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning en de toevoeging van een extra reguliere woning. De nieuwe woning betreft een eengezinswoning, waardoor het past bij de gewenste doelgroep. Daarmee wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave voor Maarsbergen en de gemeente. Het plan levert een bijdrage aan het oplossen van de krapte op de woningmarkt en is het initiatief passend binnen de woonzorgvisie.
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft bepaald dat er te allen tijde geparticipeerd moet worden met de omwonenden bij het bouwen van twee of meer woningen in bestaand stedelijk gebied. Deze participatie kan gebeuren door middel van een goed voorbereid gesprek met de belanghebbenden. Het is belangrijk dat iedereen uiteindelijk tevreden is met het plan. Daarom is het waardevol om de uitkomsten van het gesprek terug te koppelen aan de belanghebbenden. Voor de onderbouwing is het nodig om het formulier in te vullen als opzet voor het participatieverslag. Dit kan dan bijgevoegd worden. Een toelichting op de uiteindelijke participatie zal in paragraaf 7.2.1 gegeven worden.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1 tot en met 5.12 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 5.13 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.
In paragraaf 5.1.2 van het Bkl worden regels gegeven over de toelaatbaarheid van de verschillende categorieën gebouwen en locaties in verband met een veiligheidsrisico dat ontstaat door een activiteit die op grond van het omgevingsplan op die locatie is toegestaan.
Kwetsbare gebouwen en locaties
Het Bkl werkt, net als het voorgaande recht, met de begrippen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI bij het Bkl is aangegeven welke soorten gebouwen en locaties tot de verschillende categorieën behoren. Belangrijk om op te merken is dat ook gebouwen en locaties die nog niet bestaan, maar wel op grond van een omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, tot deze categorieën worden gerekend. De lijst in bijlage VI betreft een limitatieve lijst. Indien een functie niet is genoemd in de bijlage, valt het hier dus niet onder. Het staat het bevoegd gezag vrij om functies onder een strengere categorie te scharen dan vereist. In H4 van het Bal worden de minimale afstanden van verschillende milieubelastende activiteiten tot kwetsbare locaties genoemd.
Plaatsgebonden risico
Artikel 5.7 Bkl bepaalt dat het plaatsgebonden risico voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen niet groter mag zijn dan 1 op de 1.000.000. In artikel 5.8 Bkl, in combinatie met de verschillende onderdelen van bijlagen VII van het Bkl en H4 van het Bal, is aangegeven bij welke afstanden aan het vereiste van artikel 5.7 Bkl wordt voldaan. Artikel 5.9 Bkl bepaalt vervolgens tot waar de afstanden gemeten dienen te worden.
Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat het bevoegd gezag het plaatsgebonden risico van maximaal 1 op de 1.000.000 niet in acht neemt maar er rekening mee houdt. Dit houdt in dat het bevoegd gezag een eventuele afwijking van dit getal moet kunnen verantwoorden, maar dat die afwijking dus eventueel wel toegestaan is.
Aandachtsgebieden
Het plaatsgebonden risico, gekoppeld aan de afstanden die daar krachtens artikel 5.8 Bkl voor gelden, zorgen voor een contour rondom het risico-object waarbinnen geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd mogen worden. De zogenaamde aandachtsgebieden voegen meer lagen aan deze contour toe.
Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Net als bij het plaatsgebonden risico worden ook voor de aandachtsgebieden de begrenzingsregels gegeven in het Bkl.
Het aanwijzen van een aandachtsgebied heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste kan in het geval van een brand- dan wel explosieaandachtsgebied het gebied worden aangewezen als brand- respectievelijk explosievoorschriftengebied. Dit heeft gevolgen voor de bouwvoorschriften waar in het gebied te realiseren gebouwen aan moeten voldoen. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van minstens tien personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de risico-gevende activiteit. Het bevoegd gezag moet, net als bij het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare functies, rekening houden met dit groepsrisico. Het Bkl geeft zelf aan hoe het bevoegd gezag hier in ieder geval aan kan voldoen: er kan voor worden gekozen om geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen te realiseren in dit aandachtsgebied. Indien deze categorieën wel worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag verplichten dat maatregelen worden getroffen voor de mensen in die locaties of door het aantal mensen in die locaties te beperken.
Een woning betreft een kwetsbaar gebouw, zodat getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van beide plangebieden risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaand is een beoordeling hiervan opgesteld met een uitsnede van deze kaart per plangebied.
Onderhavig initiatief bestaat op deze locatie uit het mogelijk maken om de agrarische bestemming te wijzigen in een functie ten behoeve van twee vrijstaande reguliere woningen met een gezamenlijk bijgebouw.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl)
Transport gevaarlijke stoffen
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour.
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich zowel een spoorbaan op een afstand van circa 630 meter, een rijksweg op een afstand van circa 690 meter. Dit zijn transportroutes voor gevaarlijke stoffen, gezien de ruimte afstand zijn er geen gevolgen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Activiteiten
In de directe nabijheid van het plangebied vinden geen omgevingsveiligheid-relevante activiteiten plaats, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van het Bkl, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving.
Er bestaat vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsacitiviteit betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen.
De gemeente heeft de verplichting het waterbelang mee te wegen bij het vaststellen van een omgevingsplan of het verlenen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.37 Bkl). Hierbij moet het waterschap betrokken worden. Dit kan door middel van een watertoets. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.
Rijk
Het Nationaal Waterbeleid is gericht op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het nationale beleid heeft geen directe implicaties voor dit project.
Provincie
Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 (BWP) is een uitwerking van ambities voor de bodem en het water uit de provinciale Omgevingsvisie. Onderdeel van het programma is het wettelijk verplichte Regionaal Waterplan onder de Waterwet. Het programma beschrijft hoe de provincie samen met andere partners wil werken aan ambities uit de Omgevingsvisie, welke beleidskeuzes ze maken en hoe ze hier uitvoering aan willen geven.
Een van de beleidsthema's in de Omgevingsvisie is 'klimaatbestendig en waterrobuust'. Het BWP geeft invulling aan dat thema. De Omgevingsvisie beschrijft het 'wat' (ambities), het BWP het 'hoe' (uitvoering) de provincie in samenwerking met andere overheden uitvoering geeft. Het programma gaat over duurzaam gebruik van de ondergrond, circulariteit, schoon oppervlaktewater, schone bodem en grondwater, voldoende water, waterveiligheid en energie uit bodem en water. Ook actuele vraagstukken zijn onderdeel van het programma. Het gaat dan bijvoorbeeld over omgaan met de toenemende periodes van droogte en wateroverlast, de toenemende drukte in de ondergrond en het vaststellen van doelen en maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Duurzaam gebruik ondergrond is op de gehele provincie Utrecht van toepassing.
Doel: De ondergrond (bodem, grondwater en diepe ondergrond) wordt nu en in de toekomst zorgvuldig, veilig en duurzaam gebruikt, waarbij: De ondergrond optimaal wordt benut voor alle uiteenlopende maatschappelijke opgaven. De kwaliteit van de ondergrond niet achteruitgaat als gevolg van het gebruik ervan en waar mogelijk verbetert.
Waterschap Vallei en Veluwe
Blauwe Omgevingsvisie 2050
Op 20 februari 2019 is door het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI 2050) vastgesteld. Met deze BOVI zet waterschap Vallei en Veluwe op nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. In de BOVI wordt gedacht vanuit drie waterprincipes:
De visiekaart en waterprincipes werken door in de doelen van het nieuwe waterprogramma.
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027
Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 22 november 2021 het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) vastgesteld.
Het BOP is de tactische uitwerking van de Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050). Met als overkoepelend thema ‘een waardevolle leefomgeving’, worden de maatschappelijke thema’s klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit, gekoppeld aan de drie waterprincipes en geïntegreerd in vier gebiedsprogramma’s. Het plangebied valt binnen het gebiedsprogramma Gelderse Vallei. Rondom het plangebied is het volgende doel gesteld:
De ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een primaire waterkering, in het kustfundament, bij grote rivieren of in het IJsselmeergebied. De instructieregels uit het Bkl met betrekking tot deze gebieden zijn daarom niet van toepassing.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er een weging van het waterbelang opgesteld. Het rapport is als Bijlage 3 bijgevoegd. Er dient ter compensatie van de nieuwe verharding 118 m2 aan waterberging te worden gerealiseerd. De benodigde waterberging wordt gerealiseerd door een deel van het maaiveld verlaagd aan te leggen en te benutten als infiltratieveld. De uiteindelijke vormgeving en exacte hoeveelheid waterberging in het verlaagde maaiveld wordt bij de omgevingsvergunning uitgewerkt.
Met inachtneming van het watercompensatieplan vormt het aspect water geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), slagschaduw van windturbines (paragraaf 5.1.4.4a), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6). In de volgende paragrafen komen deze milieuaspecten aan bod.
Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. Dit geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, voor het realiseren van een tunnel van ten minste 100 meter en bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg.
Daarnaast zijn er aandachtsgebieden aangewezen waarbinnen getoetst moet worden aan de luchtkwaliteit. Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof gaat dat om Amsterdam/Haarlem, Arnhem, Eindhoven, Etten-Leur, 's-Gravenhage/Leiden, Rotterdam/Dordrecht en Utrecht. Voor alleen fijnstof gaat het om de gemeenten Asten, Barneveld, Bernheze, Ede, Leudal, Nederweert, Scherpenzeel en Venray.
Het project draagt 'niet in betekende mate' (NIBM) bij, als de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof onder de 1,2 µg/m3 blijft. Dan hoeft niet getoetst te worden aan te rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.
Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit
De ontwikkeling is niet gelegen in een van de aandachtsgebieden uit het Bkl. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden met de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocaties zijn gebaseerd op kaarten uit de atlas leefomgeving.
| Stof | Jaar 2023 | Jaar 2024 | Grenswaarde | Advieswaarde |
| NO2 | 12,6 µg/m3 | 10,6 µg/m3 | 40 µg/m3 | 10 µg/m3 |
| PM10 | 18,2 µg/m3 | 16,0 µg/m3 | 40 µg/m3 | 15 µg/m3 |
| PM2,5 | 9,6 µg/m3 | 8,5 µg/m3 | 20 µg/m3 | 5 µg/m3 |
Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit
In de huidige situatie aan de Rottegatsteeg 1a liggen de concentraties ver beneden de omgevingswaarden. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat.
Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp), respectievelijk de basisgeluidemissie (voor gemeentelijke wegen; BGE).
Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Omdat de gemeente nog geen BGE heeft vastgesteld, gelden hiervoor nog vaste afstanden, gemeten vanaf de wegas.
Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen.
Een woning wordt beschouwd als een geluidsgevoelig gebouw, waardoor is nagegaan of de locatie is gelegen in een geluidsaandachtsgebied of geluidsproductieplafond. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een (spoor)weg of industrieterrein. Wel ligt het plan binnen een geluidsaandachtsgebied van de rijksweg A12 en gemeentelijke (spoor)wegen, waardoor akoestisch onderzoek nodig is. Het onderzoeksrapport is als Bijlage 4 toegevoegd.
Uit het onderzoek blijkt dat het geluid op de nieuwe woning maximaal als volgt is:
Uit het onderzoek blijkt dat alleen het geluid vanwege de geluidbronsoort rijksweg A12 hoger is dan de standaardwaarde. Ook wordt er voldaan aan de inspanningsverplichtingen van de gemeente. De nieuwe woning beschikt over meerdere geluidluwe gevels en buitenruimten aan deze geluidluwe gevels.
Gezien de situatie en het berekende geluid zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om het geluid bij de nieuwe woning te reduceren tot de standaardwaarde zoals deze geldt voor rijkswegen.
Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid is het gecumuleerde geluid bepaald. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen wat aanvaardbaar is. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 53 dB en het gezamenlijke geluid maximaal 53 dB. Het gezamenlijke geluid is vastgelegd in de regels . Rekening houdend met alle geluidbronsoorten, beschikt de nieuwe woning over meerdere geluidluwe gevels en geluidluwe buitenruimten. Op basis hiervan wordt gesteld dat er bij het plan sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie.
Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 54 dB.
Dit betekent dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden minimaal 21 dB moet bedragen. Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoet aan een geluideis van Rq;a = 0 dB) voldaan aan de minimale karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie.
De gemeente moet het gezamenlijke geluid op de gevel(s) vastleggen in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsactiviteit. Om de borgen dat de geluidwerende maatregelen genomen worden, is een voorwaardelijk verplichting opgenomen in de planregels.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen.
In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.
Onderhavig initiatief bestaat op deze locatie uit het mogelijk maken om de agrarische bestemming te wijzigen in een functie ten behoeve van twee vrijstaande reguliere woningen met een gezamenlijk bijgebouw. Een woning betreft een trillinggevoelig gebouw. De planlocatie ligt op meer dan 250 meter van een spoorlijn. Een onderzoek trillinghinder is niet benodigd.
Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat.
De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers:
Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar een woonfunctie op een locatie waar nu agrarische functie is toegestaan. Aangezien er graafwerkzaamheden benodigd zijn, is een verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek dateert uit 2019, echter zijn de gegevens actueel en voldoet het volgens de omgevingsdienst regio Utrecht aan de normen. Het onderzoeksrapport is als Bijlage 5 bijgevoegd.
In het onderzoek zijn licht verhoogde gehalten aan kwik en PAK aangetoond in de vaste bodem, deze gehalten blijven beneden de tussenwaarden. Ter plaatse van de bovengrondse olietank zijn zintuiglijk en analytisch geen oliecomponenten aangetroffen in de grond en in het grondwater. Analytisch zijn in het grondwater licht verhoogde gehalten aan barium, nikkel en chroom en een verhoogd gehalte aan arseen aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden, maar blijven beneden de tussenwaarden. Daarnaast zijn er ter plaatse van de dammen lokaal zwakke bijmengingen met puin waargenomen.
De verhogingen in de bovengrond en in het grondwater vormen geen beperkingen. De lokaal matig en sterk verhoogde gehalten aan nikkel en arseen in het grondwater betreffen naar verwachting van nature verhoogde achtergrondwaarden. Ter plaatse van de bovengrondse olietank is zintuiglijk en analytisch geen verontreiniging aangetroffen. Indien de dammen worden verwijderd wordt geadvisseerd om de vrijkomende grond met puinresten ter verwerking af te voeren. De waterbodem dient bij het opschonen te worden afgevoerd als industriegrond.Verder wordt geadviseerd om bij de ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden.
Er bestaat vanuit het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zal bij uitvoering van de beoogde werkzaamheden rekening worden gehouden met de beschreven adviezen uit het onderzoek.
Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan.
De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan.
Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en bouten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.
Onderhavig initiatief bestaat op deze locatie uit het mogelijk maken om de agrarische bestemming te wijzigen in een functie ten behoeve van twee vrijstaande reguliere woningen met een gezamenlijk bijgebouw. Een woning betreft een geurgevoelig gebouw. Op basis van het Bkl gelden standaardwaarden, grenswaarden en afstanden. De standaarden grenswaarden zijn waarden voor de toelaatbare geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw. De voorgestelde woningen worden beschermd met een vaste afstand van 50 meter, gezien ze buiten de bebouwingscontour gelegen zijn. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen op circa 270 meter naast de Rottegatsteeg 4 in Maarsbergen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen op circa 730 meter naast de Griftdijk 11 in Maarsbergen. Daarmee wordt er ruimschoots voldaan aan de voorgeschreven afstand van minimaal 50 meter tot een agrarisch bedrijf buiten de bebouwde kom.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.
Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met:
Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. De beoogde ontwikkeling betreft in totaal twee reguliere woningen en valt daarmee onder deze grens. De ontwikkeling is klein van aard en omvang, waardoor de laddertoets niet doorlopen hoeft te worden.
Een laddertoets is niet noodzakelijk.
In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over:
Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.
Op grond van het geldende omgevingsplan is op een deel aan de westzijde van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 5' van toepassing. Op basis van deze dubbelbestemming zijn de betreffende gronden, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden. Conform de regels bij de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-5' is archeologisch onderzoek nodig bij het realiseren van bouwwerken met graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm met een oppervlakte van meer dan 100.000 m2. De voorgenomen graafwerkzaamheden blijven onder deze oppervlaktegrens. Archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd.
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter - en goedkoper - gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.
In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.
Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Daarnaast zijn is er in het plangebied geen openbare buitenruimte aanwezig, waardoor er geen rekening hoeft te worden gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking.
Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activeiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.
Gebiedsbescherming
Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.
Stikstofdepositie
Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.
Zorgplicht
Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
Onderhavig initiatief bestaat op deze locatie uit het mogelijk maken om de agrarische bestemming te wijzigen in een functie ten behoeve van twee vrijstaande reguliere woningen met een gezamenlijk bijgebouw. Om voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken worden de bestaande agrarische bijgebouwen gesloopt. De voorgenomen activiteit betreft een flora- en fauna activiteit, waardoor een quickscan flora en fauna benodigd is om na te gaan of de ontwikkeling leidt tot significante negatieve gevolgen op beschermde flora en fauna. Het onderzoeksrapport van de quickscan flora en fauna is als Bijlage 6 bijgevoegd.
Uit de quickscan is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk verblijfplaatsen van beschermde soorten aanwezig zijn. In onderstaand overzicht zijn de resultaten van de destijds uitgevoerde quickscan beknopt weergegeven.
Naar aanleiding van de uitkomsten van de quickscan is er nader onderzoek naar de steenmarter, vleermuizen, huismus, kerkuil en steenuitl uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is Bijlage 7 toegevoegd.
Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen Omgevingswet, aangezien alleen de schuren gesploopt worden en de woning, bomenrij en omliggende tuin behouden blijft. Er is geen vergunning voor Flora- en Fauna activiteit noodzakelijk. Om mogelijke schade te voorkomen is het advies om de sloopwerkzaamheden buiten het algemeen geldende broedseizoen aan te vangen.
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het bevoegd gezag. Zo is voldaan aan de onderzoeksinspanning die vereist is om een eventuele vergunning Flora- en Fauna activiteit te kunnen verkrijgen, of is in afdoende mate aangetoond dat de onderzochte soorten en gebiedsfuncties niet binnen het onderzochte gebied aanwezig zijn.
Een inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnames. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat soorten en functies die niet waargenomen zijn op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de Wet natuurbescherming, thans Omgevingswet, een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs verwacht kan worden.
Met de gekozen onderzoeksmethode en inspanning is voldoende invulling gegeven aan artikel 11.27 Bal) specifieke zorgplicht Flora-Fauna-activiteiten. Met het onderhavige onderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs verwacht kan worden.
Er zal niet worden gekapt op de locatie waardoor er geen effecten plaatsvinden. Buiten de daadwerkelijke planlocatie is wel groen in de vorm van hagen en bomen aanwezig, dit blijft behouden. De diverse hagen en bomen buiten de daadwerkelijke planlocatie zijn gecontroleerd op aanwezigheid van nesten, holtes, spechtgaten, plakoksels, lengte scheuren en loshangend schors, dit is niet aangetroffen.
Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Kolland & Overlangbroek' en ligt op circa 6,75 kilometer afstand van het plangebied. Uit de berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling zowel in de gebruiks- als de bouwfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Het rapport, inclusief bijlagen, is opgenomen in Bijlage 8.
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van stikstof zijn er geen belemmeringen voor het plan. Tijdens de werkzaamheden worden de adviezen van de onderzoeken gebruikt om te voldoen aan de zorgplicht en andere verbodsbepalingen
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen.
Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn.
Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022 worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.
Voor voorgenomen ontwikkeling dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving van beide planlocaties en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.
De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Rottegatsteeg 1a met de afwisseling van de (agrarische) bedrijven en woonfuncties, worden gekarakteriseerd als gemengd gebied.
Externe werking
Bij externe werking gaat het er om of de nieuwe functie in de omgeving past. De vraag dient beantwoord te worden of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling tot een situatie leidt die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beoogde initiatief betreft het realiseren van woningen. Er is derhalve geen sprake van milieubelastende activiteiten op de omgeving. Daarmee mag er vanuit worden gegaan dat er in de beoogde nieuwe situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende milieugevoelige objecten.
Interne werking
Bij interne werking gaat het er om of de omgeving de nieuwe functie toelaat. De vraag dient beantwoord te worden of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en of bestaande functies andersom niet onevenredig worden belemmerd in de bedrijfsvoering.
De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft een agrarische bedrijf dat is gelegen op circa 270 meter naast de Rottegatsteeg 4 in Maarsbergen. Gelet op deze afstand mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Binnen 50 meter van het plangebied zitten geen agrarische functies waarbij gewassen bespoten mogen worden met bestrijdingsmiddelen. Dit zorgt dus ook niet voor een belemmering voor het voorgenomen initiatief.
De bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving van het plangebied leveren geen belemmering op voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling.
Andersom geldt dat er reeds bestaande woningen op kortere afstand van percelen met een milieubelastende functie zijn gelegen. Daarmee leidt het initiatief niet tot een (verdere) beperking van omliggende milieubelastende activiteiten.
Het aspect 'milieubelastende activiteiten' vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
Duurzame leefomgeving
Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.
Klimaatbestendigheid
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Energietransitie
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
Met de beoogde ontwikkeling wordt het toevoegen van een duurzame woning mogelijk gemaakt. Nieuwbouw moet voldoen aan wettelijke duurzaamheidseisen en krijgt naar verwachting geen gasaansluiting. Daarnaast zal de verharding op het perceel fors afnemen, waardoor er meer ruimte is voor een groene inrichting van het erf. Dit is positief ten aanzien van klimaatadaptatie, ten aanzien van de waterbergingscapaciteit van het plangebied is ook een waterbergingsplan opgesteld (Bijlage 3).
Voorliggend plan draagt bij aan het bevorderen van een duurzame toekomstbestendige leefomgeving.
Parkeren auto
Op basis van de Parkeerbeleidsnota GUH en de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024, Basis voor parkeernormering' kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Voor een 'Koop, huis, vrijstaand' geldt een minimale parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Voor de locatie geldt dan een minimale parkeernorm van 4 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden met twee woningen in het buitengebied.
De beoogde twee vrijstaande woningen aan de Rotttegatsteeg 1a krijgen op eigen terrein elk de beschikking over minimaal twee parkeerplaatsen. Hiermee worden er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd.
Het plangebied wordt ontsloten voor auto's, wandelaars en fietsers via de Rottegatsteeg.
Voor een vrijstaande woning in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied wordt uitgegaan van een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van het programma met twee vrijstaande woningen resulteert het aantal verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie in maximaal 17,2 verkeersbewegingen als gevolg van de herontwikkeling. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de bestaande functie in de vorm van een veehouderij en de bestaande bedrijfswoning. Per saldo zal er met de beoogde nieuwe functie geen sprake zijn van een (relevante) toename van het aantal verkeersbewegingen. Door het beëindigen van de veehouderij zal er geen sprake meer zijn van zwaar agrarisch verkeer, hetgeen een positief effect heeft op de verkeerssituatie in de directe omgeving van de locatie Rottegatsteeg 1a.
Daar de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Gezien de ligging en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Uit het geldende Omgevingsplan is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB-richtlijn).
De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect).
Kenmerken van het project
In de gewenste situatie wordt de agrarische bestemming van het perceel gewijzigd in een functie ten behoeve van twee reguliere woningen. Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het behouden van het gebouw van de bestaande bedrijfswoning en het mogelijk maken om een extra woning te realiseren op het perceel.
Locatie van het project
Het plangebied is gelegen aan de Rottegatsteeg 1a in Maarsbergen. Het is gelegen in het buitengebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van Natura 2000-gebied of NNN gebied.
Kenmerken van het potentiële effect
Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd.
In deze motivering worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Voor deze omgevingsplanwijzing is het dan ook niet noodzakelijk een milieueffectrapportage op te stellen.
Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een m.e.r-beoordeling niet noodzakelijk geacht.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Voorliggend plan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.
Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan insamenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels:
Artikel 1 (Toepassingsbereik)
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Rottegatsteeg 1a, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.MAATAMRottegst1a-ON01zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Anti-dubbeltelregel ( Artikel 6)
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
Algemene bouwregels (Artikel 7)
In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven.
Algemene gebruiksregels (Artikel 8)
In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven.
Algemene aanduidingsregels (Artikel 9)
In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven.
Algemene afwijkingsregels (Artikel 10)
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het TAM-omgevingsplan af te wijken.
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Een TAM-Omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Utrechtse Heuvelrug (bestemmingsplan 'buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.
Agrarisch met waarden (Artikel 5)
Het noordwestelijke deel van het plangebied is aangewezen als 'Agrarisch met waarden'. De begrenzing en mogelijkheden zijn overgenomen uit het tijdelijk deel omgevingsplan Utrechtse Heuvelrug 'buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen', waarbij de het bouwvlak en de daarbij behorende mogelijkheden zijn verwijderd. Een voorwaarde voor de realisatie van de woonfunctie is het verwijderen van de agrarische bebouwing. Door het bouwvlak de daarbij behorende bouwmogelijkheden te verwijderen is dit geborgd in het ruimtelijk plan.
Wonen - B1 Vrijstaand (Artikel 6)
Het plangebied bestaande uit twee woonpercelen met bijbehorende voorzieningen,is aangewezen als 'Wonen - B1 Vrijstaand'. Locaties die zijn aangewezen als 'Wonen - B1 Vrijstaand' hebben in hoofdzaak een functie ten behoeve van het wonen. In verband met de gewenste zichtlijnen over de kavels op het landschap heeft een deel van de woonpercelen, door middel van de functieaanduiding 'landschapswaarden', mede een functie ten behoeve van de instandhouding van de aanwezige dan wel daaraan verbonden landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Teneinde de zichtlijnen over de kavels op het landschap te borgen is het bouwen van bijgebouwen en overkappingen ter plaatse van de functieaanduiding 'landschapswaarden' niet toegestaan. Erf- of terreinafscheidingen mogen ter plaatse van deze functieaanduiding maximaal 1 meter hoog zijn.
In artikel 22.36 van de bruidsschat (onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) zijn regels opgenomen die het mogelijk maken om vergunningvrij bouwwerken op te richten die niet aan de andere regels van het omgevingsplan hoeven te voldoen. De gewenste zichtlijnen kunnen niet worden geborgd als er dergelijke mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen bestaan. Om die reden is in de regels van dit TAM-omgevingsplan onder het toepassingsbereik van de functie Wonen bepaald dat, in afwijking van het algemene toepassingsbereik, artikel 22.36 niet van toepassing is ter plaatse van de functieaanduiding 'landschapswaarden'. Daardoor kan ter plaatse alleen vergunningvrij gebouwd worden op grond van de regeling die in artikel 22.27 van de bruidsschat is opgenomen, alsmede de algemene landelijke regeling voor vergunningvrij bouwen uit artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Vergunningvrij bouwen op basis van artikel 22.27 kan alleen als er naast de regels uit dat artikel ook voldaan wordt aan de regels die in het TAM-omgevingsplan zijn opgenomen. Bouwwerken dienen dus zowel te voldoen aan de regels uit artikel 22.27 als aan de regels uit het TAM-omgevingsplan. Aangezien het TAM-omgevingsplan ter plaatse van de functieaanduiding 'landschapswaarden' geen bijgebouwen en overkappingen toestaat, kunnen deze ok niet vergunningvrij via artikel 22.27 worden gerealiseerd.
Waarde - Archeologie 5
De gronden binnen het gebied 'Waarde - Archeologie 5' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, aangewezen voor het beschermen en veilig stellen van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden.
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
De gemeenteraad heeft vastgesteld dat voor woningbouw van 2 of meer woningen in het buitengebied participatie verplicht is. Voorliggend plan betreft de bouw van 1 extra woning, waardoor participatie niet verplicht is. Desondanks heeft er participatie plaatsgevonden.
De initiatiefnemer van de woningbouwontwikkeling aan de Rottegatsteeg 1a is persoonlijk bij de direct omwonenden aan Rottegatsteeg 1 en 2 lang geweest. De bewoners van beide adressen hebben positief gereageerd op de plannen om de bestaande bedrijfswoning te handhaven en één extra woning te realiseren in ruil voor de sloop van de bedrijfsopstallen. Er zijn verder geen wensen of aandachtspunten benoemd in de gevoerde gesprekken. Het participatieverslag is als Bijlage 9 toegevoegd.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken hebben voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen deze zes weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kon een ieder zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling plaatsvinden.
In deze onderbouwing is gemotiveerd dat de wijziging van de agrarische bestemming van het perceel een functie ten behoeve van twee reguliere woningen aan de Rottegatsteeg 1a in Maarsbergen in lijn is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast blijkt uit deze onderbouwing dat voldaan wordt aan de instructieregels van het Rijk en de provincie. Om dit te beoordelen zijn alle aspecten van de fysieke leefomgeving (voor zover relevant) nader onderzocht en afgewogen.
Voorts past het initiatief binnen het beleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug en voorziet het in de realisatie van 2 reguliere eengezinswoningen, waarmee het een bijdrage levert aan de gemeentelijke ambities met betrekking tot wonen.
Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.