direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Kikvors 3 in Leersum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Op het agrarische perceel aan de Kikvors 3 te Leersum heeft de initiatiefnemer een bedrijf gehad. In 2003 heeft de initiatiefnemer de gemeente verzocht om op het perceel een woning te mogen bouwen. Het toenmalige college van B en W van de gemeente Leersum hebben aangegeven in principe bereid te zijn hieraan mee te willen werken.

Daarom heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug op 21 juni 2016 een positief eindadvies principe verzoek afgegeven om medewerking te willen verlenen om de realisatie van een woning mogelijk te maken (Kenmerk WABO_VO-15-1091, dossiernummer U16.04699). voor de locatie De Kikvors 3, 3956 RW te Leersum.

De wijziging is niet mogelijk binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leersum Rijksstraatweg". Om het bouwplan toch te realiseren is dit bestemmingsplan opgesteld en wordt de bestaande bedrijfsruimte verwijderd.

1.2 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "De Kikvors 3 in Leersum" bestaat uit de volgende stukken:

  • de verbeelding (tek.nr.NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01 en een renvooi);
  • regels (en bijbehorende bijlage).

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.

Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan.

1.3 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied ligt in het zuiden van Leersum

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0001.jpg" Luchtfoto (bron google earth)

Het plangebied is gelegen in de driehoek Nieuwe Steeg, Boerenbuurt en De Kikvors.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0002.jpg" Ligging plangebied met globale plangrens

Het perceel is bekend:

Kadastrale gemeente : Leersum

Sectie : D

Perceel : 3390

1.4 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied ligt in het planologische regime van het bestemmingsplan "Leersum Rijksstraatweg". Dit plan is op 12-10-2017 vastgesteld en onherroepelijk geworden op 7 mei 2018. Op de volgende afbeelding is voor het plangebied een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0003.jpg"

Uitsnede bestemmingsplan Leersum Rijksstraatweg

Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de enkelbestemming 'agrarisch met waarden', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en de functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarische waarden - verkavelingspatroon' en 'specifieke vorm van agrarische waarden - half open landschap'.

Hiervoor gelden de volgende regels:

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. bouwvlakken mogen voor 100 % worden bebouwd door één bedrijf;
  • c. het aantal bedrijfswoningen mag per bouwvlak niet meer dan één bedragen, tenzij:
  • d. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer dan 600 m3 (exclusief ondergrondse bouwwerken) bedragen tenzij de bestaande inhoud groter is, in welk geval de bestaande inhoud als maximum geldt;
  • e. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hieronder is aangegeven:
bouwwerken   Maximum goothoogte   Maximum bouwhoogte  
bedrijfsgebouwen   6 meter   10 meter  
bedrijfswoningen   4,5 meter   10 meter  
bijbehorende bouwwerken   3 meter   6 meter  

Op basis van de bijbehorende regels van het bestemmingsplan is de realisatie van de woning niet mogelijk.

1.5 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.

Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.

Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.

In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.

Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de zuidwest rand van Leersum in de driehoek De Kikvors, Nieuwe Steeg en Boerenbuurt. Het bestaat uit een open terrein dat rondom wordt omringd door hekwerk. Centraal op het perceel is een schuur aanwezig. Rondom deze schuur ligt bestrating. Aan de achterzijde van de schuur ligt een onverharde strook. Aan de randen van het perceel en noordoostzijde van de schuur staan enkele bomen en struiken. In het plangebied zijn geen wateren aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0004.jpg"

Overzicht plangebied met de schuur en uiterst rechts de bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0005.jpg"

Vooraanzicht schuur

De schuur is eind jaren zeventig van de vorige eeuw gebouwd ten behoeve van de huisvesting van varkens. Later is de schuur verbouwd voor koeien en jong vee. De laatste jaren wordt de schuur gebruikt voor opslag voor het bestratingsbedrijf.

2.2 Toekomstige situatie

Dit bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 1 vrijstaande woning op het perceel aan de Kikvors in Leersum mogelijk. In de huidige situatie is er sprake van een schuur die voor opslag dient. Het plan gebied heeft een oppervlakte van circa 1.000 m².

De woning die binnen het bouwvlak gerealiseerd kan worden betreft een vrijstaande woning. De woning wordt met een kap uitgevoerd waarbij de dakhelling minimaal 35° bedraagt en maximaal 65°. Bij het toepassen van een mansardekap mag dit maximaal 75° zijn. De voorgevel moet in de aangegeven gevellijn worden gebouwd of maximaal 3 meter daarachter. Bijbehorende bouwwerken mogen binnen de regels van het bestemmingsplan worden opgericht.

Voor de uitvoering dienen de richtlijnen uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit te worden gehanteerd. De exacte uitvoering ervan is op dit moment nog niet bekend. De sloop van de bestaande schuur is geborgd in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de geldende beleidsnota's gedateerd.

De visie is opgesteld met als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het 'decentraal, tenzij.' principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale
  • baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
  • een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Nederland concurrerend

Nederland heeft een goede ruimtelijke economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent onder andere een uitstekende internationale bereikbaarheid van stedelijke regio's en optimale (logistieke) verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, de brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.

Nederland bereikbaar

De groei van mobiliteit over de weg, spoor en vaarwegen zal worden gefaciliteerd. De ambitie is dat gebruikers beschikken over optimale ketenmobiliteit via multimodale knooppunten en door goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.

Nederland leefbaar en veilig

De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater heeft ruimte nodig en stelt eisen aan de stedelijke ontwikkeling. Nederland behoudt haar unieke cultuurhistorische waarden en heeft een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Het aandeel duurzame energiebronnen moet toenemen.

Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 juridisch verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent voor alle ruimtelijke plannen:

  • eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling;
  • vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt;
  • mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.

Planspecifiek

Onderhavig plan betreft de realisatie van 1 woning. Deze ontwikkeling is dermate kleinschalig dat het raakvlak met het Rijksbeleid zeer beperkt is. Derhalve is het plangebied enkel getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking:

  • 1. De locatie ligt binnen de grenzen van bestaand stedelijk gebied.
  • 2. Bij het ontwerp van de woning wordt zo veel mogelijk aansluiting gezocht op de omgeving.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 juli 2017 gewijzigd.

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn, dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van één woning mogelijk. In dit plan is daarom geen sprake van een woningbouwlocatie en een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.

Conclusie

Met het voorliggende plan van 1 woning is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom kan er van worden uitgegaan dat wordt voldaan aan de nieuwe ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken.

In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Na de eerste aanvulling van 1 oktober 2012 worden in het Barro 15 onderwerpen beschreven: project Mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, defensie, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, rijksvaarwegen, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, elektriciteitsvoorziening, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.

Plangebied

Het plan valt niet binnen één van de projecten benoemd in het Barro. Tevens is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028, herijking 2016

Op 4 februari 2013 hebben Provinciale Staten de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 vastgesteld en op 12 december 2016 herijkt. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) beschrijft de provincie Utrecht het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. Daarbij wordt aangegeven welke doelstellingen het provinciaal beleid heeft, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe de provincie dit beleid gaat uitvoeren. Met betrekking tot dit laatste speelt ook de Provinciale Ruimtelijke Verordening (zie hierna) een belangrijke rol.

Vier Pijlers

De PRS heeft als doelstelling om om de provincie aantrekkelijk te houden om te wonen, werken en recreëren. De met vele regiopartijen opgestelde Strategie Utrecht2040 is daarbij de stip aan de horizon. Het ruimtelijk beleidsvizier is daar op gericht. De doelen uit Strategie Utrecht2040 vragen om een integrale aanpak die voor het ruimtelijk beleid resulteert in vier pijlers:

  • duurzame leefomgeving;
  • beschermen kwaliteiten;
  • vitale dorpen en steden;
  • dynamisch landelijk gebied.

De pijlers ‘duurzame leefomgeving’ en ‘beschermen kwaliteiten’ leggen de basis waarbinnen de ontwikkelingen in de ‘vitale dorpen en steden’ en het ‘dynamisch landelijk gebied’ plaats kunnen vinden. Het samenspel tussen deze pijlers leidt tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats:

  • 1. Accent op de binnenstedelijke opgave.

De provincie wil ten minste 2/3 van de woningbouwopgave binnenstedelijk realiseren. Dit sluit aan bij de vraag naar (woningen in) stedelijke woonmilieus, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en winkelpanden en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave.Behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied

  • 2. De provincie Utrecht beschikt over een aantrekkelijk landelijk gebied.

De provincie wil deze kwaliteit behouden en versterken, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De binnenstedelijke opgave vraagt als contramal ook om een aantrekkelijk en bereikbaar landelijk gebied met hoge kwaliteit van landschap, natuur en recreatieve voorzieningen. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. De landbouw is een belangrijke drager van het agrarische cultuurlandschap. Die rol vergt ruimte voor een economisch duurzame landbouw.

Stedelijk gebied en rode contouren

De provincie maakt in het ruimtelijk beleid gebruik van rode contouren als begrenzing van het stedelijk gebied. Dit is een belangrijk instrument: het draagt bij aan het handhaven van de kwaliteit van het landelijk gebied en ondersteunt het realiseren van de binnenstedelijke ambities. Binnen de rode contour hebben gemeenten beleidsvrijheid, met inachtneming van de in de PRV opgenomen algemene regels voor wat betreft detailhandel, bedrijventerreinen, en dergelijke. Met andere woorden, de verstedelijkingsambities moeten plaatsvinden binnen de rode contouren. Efficiënt, intensief, meervoudig en duurzaam gebruik van de ruimte speelt hierbij een belangrijke rol.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0006.png"

Uitsnede rode contouren kaart van de provincie Utrecht

De locatie is gelegen in de CHS- Historische buitenplaatszone en Archeologie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0007.jpg"

Uitsnede CHS-kaart

Het beleid voor CHS - Historische buitenplaatszones is enerzijds veiligstellen en anderzijds ruimte bieden voor ontwikkeling een bijzondere opgave. De historische buitenplaatszones staan onder hoge druk, zowel door ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving, als door ontwikkelingen op de buitenplaatsen zelf. De provincie wil voor zover dit past binnen het overige ruimtelijk beleid, ruimte bieden voor ontwikkeling, gericht op het creëren van economische dragers voor het behoud van de cultuurhistorische waarden van buitenplaatsen. Daarbij is behoud van de specifieke kenmerken van de zone waarin de buitenplaats ligt het uitgangspunt.

Het beleid voor CHS - Archeologie richt zich op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van de archeologische resten in de bodem ('in situ'). Als ruimtelijke ingrepen onvermijdelijk wordt aandacht gevraagd voor het op goede wijze uitvoeren van archeologisch onderzoek. Ten slotte richten het beleid zich op het versterken van de zichtbaarheid en de beleefbaarheid van archeologisch erfgoed, ook als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkeling.

Conclusie

De beoogde planontwikkeling vindt plaats op een locatie binnen de rode bebouwingscontour (i.c. stedelijk gebied) van de kern Leersum. Het voorgenomen plan sluiten daarmee aan op de beleidsaspecten een 'duurzame leefomgeving' en 'vitale dorpen en steden'.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 2015, herijkt 2016

Gelijktijdig met de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie hebben Provinciale Staten de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013 in 2016 herijkt.

Het doel van de verordening (PRV) is om een aantal provinciale belangen uit de PRS te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau . In de PRV worden daarom regels gesteld ten aanzien van deze belangen. In de Provinciale ruimtelijke structuurvisie 2013 – 2028 (PRS) zijn de volgende provinciale belangen vastgelegd:

  • 1. Duurzame leefomgeving
    • a. behouden en bevorderen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
    • b. voldoende ruimte bieden voor realisatie van duurzame energiebronnen
    • c. anticiperen op de ruimtelijke lange termijn gevolgen van klimaatverandering;
    • d. beschermen en realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving waarin ook stilte beleefd kan worden.
  • 2. Beschermen kwaliteiten
    • a. behouden van kwaliteiten van de cultuurhistorische structuur en streven naar een betere beleefbaarheid ervan;
    • b. behouden van de kernkwaliteiten van het landschap en behouden van aardkundige waarden en streven naar een betere beleefbaarheid daarvan;
    • c. beschermen en ontwikkelen van soorten en van een robuust netwerk van natuur.
  • 3. Vitale dorpen en steden
    • a. bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling;
    • b. voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woonvoorzieningen;
    • c. voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale en innovatieve regionale economie;
    • d. voldoende ruimte bieden voor behoud en versterking van een goede retailstructuur;e. zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden voor een goede bereikbaarheid voor woon-, werken vrijetijdslocaties.
  • 4. Dynamisch landelijk gebied
    • a. uitnodigende zones die stad en land verbinden en bijdragen aan kwaliteit van het binnenstedelijk leefmilieu;
    • b. zodanige condities scheppen dat de vitale regionale economie in het landelijk gebied zich kan ontwikkelen;
    • c. zodanige condities scheppen dat een goede recreatieve structuur wordt behouden en versterkt.

Vooral de thema's binnenstedelijke ontwikkeling' en 'goede bereikbaarheid' hebben betrekking op het (binnenstedelijke) plangebied in voorliggend bestemmingsplan.

Wonen (stedelijk gebied)

Als een locatie is aangewezen als 'Wonen' (stedelijk gebied) betekent dit dat de focus ligt op inbreiding boven uitbreiding (zie ook provinciale structuurvisie). Voor dit plan is sprake van een inbreidingslocatie.

Verkeer en vervoer

In de toelichting is in paragraaf 4.3 een beschrijving opgenomen van het aantal verplaatsingen die deze ruimtelijke ontwikkelingen tot gevolg hebben. Er is daarbij aangegeven dat er door het aantal verplaatsingen geen knelpunten op het ontsluitende en omliggende verkeersnetwerk kunnen ontstaan.

Conclusie

De beoogde planontwikkeling van deze woning, past binnen de verschillende relevante uitgangspunten uit de PRV.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'

De gemeenteraad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' vastgesteld. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het (ruimtelijk) beleid voor het hele grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug in de periode tot 2030.

De ambitie van de gemeente komt tot uiting in het gekozen motto: 'Groen dus vitaal'. Natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie zijn samen met de sociale kwaliteit van de dorpen het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van het uitgangspunt gevonden kan worden. Behouden en versterken van de bestaande kwaliteiten is de drager van de vitaliteit van de gemeente. De gekozen ambitie is op twee manieren beleidsmatig uitgewerkt: via zes thema's en via gebiedsgericht beleid. Toekomstige ontwikkelingen worden aan dit beleid getoetst.

De zes thema's die in de structuurvisie worden genoemd zijn:

  • natuur over de heuvels;
  • op de schouders van ons erfgoed;
  • duurzaam bereikbaar;
  • leefbare dorpen;
  • vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
  • maatwerk voor wonen en werken.

De gemeente ziet Leersum als een woon- en 'vakantie' dorp. Door het toeristisch potentieel beter te ontsluiten, kan duurzaam een zo volledig mogelijk voorzieningenpakket worden behouden.

Mogelijkheden voor nieuwbouw van woningen is er maar weinig in Leersum. De gemeente zal met de zoektocht naar mogelijkheden voor herontwikkeling en enige inbreiding door gaan, vooral in de eerste 250 meter vanaf de N225.

Plangebied

De locatie voor de woning is gelegen binnen de rode bebouwingscontour van Leersum. De toevoeging van de woning past dan ook goed het beleid van de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' .

3.3.2 Programma Duurzaam en klimaatneutraal 2017

De Utrechtse Heuvelrug wil een gemeente zijn waar mensen met plezier wonen, werken en recreëren. Niet alleen nu, maar ook over 50 of 100 jaar. De gemeente wil een leidende positie innemen in duurzame ontwikkelingen en steeds op zoek gaan naar de meest waardevolle duurzaamheidsambitie. Daartoe is het programma "Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal" (2017) vastgesteld. Hierin worden de strategische milieubeleidsdoelen van de gemeente beschreven en is tevens een uitvoeringsprogramma 2017 opgenomen dat jaarlijks wordt geactualiseerd.

De Gemeente hanteert de volgende doelen:

  • 1. Klimaat neutrale gemeente in 2035: binnen de gemeentegrenzen evenveel duurzame energie opwekken als gebruiken.
  • 2. Duurzame leefomgeving : hoge milieukwaliteit (water, geluid, lucht, licht, geur, trilling, straling, bodem en externe veiligheid) behouden, een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving voor de huidige en toekomstige inwoners.
  • 3. Duurzame mobiliteit: de negatieve impact van mobiliteit op de leefomgevingskwaliteit (met name op lucht, geluid) van onze gemeente vermindert, in 2035 is alle mobiliteit in de gemeente klimaatneutraal, en in de mobiliteit wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van hernieuwbare duurzame grondstoffen (groene stroom, groen gas, waterstof, etc.).
  • 4. Duurzame economie: een gezonde, duurzame en klimaatvriendelijke lokale economie, waarin het ontwikkelen en aanbieden van duurzame producten rendabel is en waarbij inwoners en gasten kunnen kiezen voor duurzame consumptie.
  • 5. Duurzame en klimaat neutrale organisatie: het realiseren van een duurzame organisatie en van een klimaat neutrale organisatie. Een klimaat neutrale organisatie betekent voor ons een CO2-neutrale organisatie.

In het milieubeleidsplan is aangegeven dat bij ruimtelijke projecten de gemeente samen met initiatiefnemers en gebruikers van het gebied wil werken aan een duurzaam gebied. De gemeente wil onder andere bereiken dat nieuwbouw uitsluitend nog aardgasvrij wordt opgeleverd.

De wettelijke norm GPR Gebouw overall is 7,1 en wettelijke norm GPR Gebouw thema energie is 7,6 (woningbouw). Voor het plangebied geld een overall verscherpte GPR van 25%; (7,5) en een 25% verscherpte GPR thema energie; (8,5).

Plangebied

De woning wordt zonder gasaansluiting gebouwd en er wordt gestreefd om het bouwplan volgens de normen met een EPC en GPR van tenminste 25% scherper dan gesteld in het Bouwbesluit 2015 te realiseren, zoals vastgelegd in het gemeentelijk Programma 2017-2022 ‘Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal’. De toe te passen materialen hebben een duurzaam karakter ten aanzien van onderhoud en hergebruik.

Hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid

4.1 Beeldkwaliteit

Op 30 november 2017 heeft de gemeente de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Deze nota bevat het welstandsbeleid van de gemeente opgesteld in 2008. De nota beschrijft het welstandsbeleid en fungeert als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen (voorheen bouwvergunning). Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Om dat belang op de juiste wijze te kunnen doorvertalen naar welstandscriteria, is de gemeente onderverdeeld in deelgebieden.

Plangebied

Het plangebied valt volgens de kwaliteitskaart in Buitengebied, Overgangsgebied Langbroekerwetering en Nederrijn. Het ontwerp van de woning is nu nog niet bekend, maar zal te zijner tijd worden voorgelegd aan de welstandscommissie.

Conclusie

Het ontwerp van de woning is nu nog niet bekend, maar zal te zijner tijd worden voorgelegd aan de welstandscommissie.

4.2 Wonen

De gemeentelijke woonvisie is op 29 november 2018 vastgesteld door de gemeenteraad en is het vervolg op de eerdere woonvisie ‘Woonbeleid in een nieuwe realiteit: Actualisatie woonvisie Utrechtse Heuvelrug 2013-2020’.

Met de nieuwe woonvisie 2018-2020 wordt door de gemeente voor de komende vier jaar richting gegeven. De gemeente zet in op een veilige en prettige omgeving, in een duurzame woning die past bij hun huishouden, inkomen en zorgvraag. De drie thema’s van de voorgaande woonvisie zijn onverminderd actueel en van toepassing op de huidige woonvisie:

  • 6. Woningmarkt in beweging: Een van de speerpunten van dit thema was het bouwen van voldoende woningen. Op de woningmarkt is nog steeds krapte waardoor mensen geen wooncarrière maken en blijven wonen in een woning die niet langer passend is bij hun huishouden. Nieuwbouw en doorstroming in de bestaande vooraard is nodig.
  • 7. Thuis in de wijk: 'thuis in wijk' staat voor de ambitie om alle inwoners een toereikende woonsituatie te kunnen bieden, waarbij naar passende nieuwe mogelijkheden en woonvormen wordt gezocht.
  • 8. Duurzaam wonen: Grote stappen in de verduurzaming van de gehele woningvoorraad zijn nodig waarbij ook nieuwe woning duurzaam dienen te worden gebouwd.

Plangebied

Onderhavig plan geeft invulling aan maatwerk ten behoeve van de bouw van een woning binnen de bestaande rode contouren van Leersum. De ontwikkeling vormt daarmee geen belemmering voor de uitgangspunten van de woonvisie. Tevens is er voldoende ruimte binnen de huidige plancapaciteit voor de toevoeging van een woning binnen de woonvisie van Utrechtse Heuvelrug.

4.3 Verkeer en parkeren

Provinciale ruimtelijke verordening (PRV mobiliteitstoets)

De provincie vindt het van belang dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) voor alle verkeersvormen sprake is van een goede en tijdige ontsluiting. De provincie wijst er daarbij op dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een verstorend effect kunnen hebben op het functioneren van het verkeersnetwerk in de directe nabijheid. In dat geval zullen er extra maatregelen nodig om deze verstoring niet op te laten treden. Om het bovenstaande te bewerkstelligen stelt de provincie bij elke ruimtelijke ontwikkeling een mobiliteitsscan verplicht. Dit betekent dat in een vroegtijdig stadium (bij voorkeur al in de planvormingsfase) wordt nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een verstoring van het functioneren van het verkeersnetwerk. Indien dit het geval is, is op grond van artikel 3.7 PRV het verplicht de zogenaamde mobiliteitstoets te doen.

Gemeentelijke Verkeers- en Vervoersplan (GVVP)

Op 2 februari 2010 heeft de gemeenteraad het mobiliteitsbeleid van de gemeente vastgelegd in het gemeentelijke verkeers- en vervoerplan (GVVP). In dezelfde vergadering heeft de gemeenteraad een uitvoeringsprogramma GVVP 2010 – 2015 en de structuurvisie vastgesteld. Het GVVP is vastgelegd voor meerdere jaren. In 2017 is het GVVP geavaleerd en voorzien van een uitvoeringsprogramma. Daarbij is gekozen voor voortzetting van het bestaande beleid.

In het GVVP is het gemeentelijke verkeers- en vervoerbeleid opgenomen. Doelstelling van het GVVP is te zorgen voor een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en verkeersveilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economisch gezonde gemeente. Blijkens het GVVP kunnen in principe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang nog maar plaatsvinden op goed bereikbare plaatsen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dan ook getoetst te worden aan het GVVP. De gemeente gebruikt het GVVP bij het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Verkeersgeneratie en Parkeren

In het GVVP zijn de parkeernormen die gehanteerd worden in de gemeente Utrechtse Heuvelrug opgenomen. In het GVVP vallen nieuwe woningen binnen de categorie 'woning duur' binnen 'rest bebouwde kom'. Voor deze categorie worden parkeernormen gehanteerd van 2 parkeerplaatsen per woning. Voor bezoekers geldt een norm van 0,3 p.p. per woning.

Het plan

Op de planlocatie is voldoende ruimte aanwezig voor parkeren op eigen terrein.

De planlocatie is goed bereikbaar per fiets en per auto. Leersum is centraal gelegen en heeft op korte afstand verbindingen naar de A12 (ca. 5 km). Op loopafstand bevinden zich scholen, winkels en sportfaciliteiten. Op 7 minuten lopen is bushalte Halfeiken gelegen. De dichtstbijzijnde NS-stations zijn Maarn, Driebergen en Amersfoort.

Door de toevoeging van 1 woning zal de verkeersdruk op de omliggende wegen niet of nauwellijks niet toenemen.

Conclusie:

Het plan voldoet aan de PRV (mobiliteitstoets) en het GVVP.

4.4 Milieu

4.4.1 Milieu algemeen

Op 12 oktober 2017 heeft de Raad het Programma Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal vastgesteld. In dit programma wordt beschreven hoe de 5 gestelde doelen bereikt moeten worden: deze doelen zijn :

  • 1. Klimaatneutrale gemeente 2035.
  • 2. Duurzame en gezonde leefomgevingskwaliteit.
  • 3. Duurzame mobiliteit.
  • 4. Duurzame economie.
  • 5. Duurzame klimaatneutrale organisatie.

Belangrijkste uit dit programma en het uitvoeringsprogramma voor dit plan is dat het Rijk de ambitie heeft om in 2050 van het aardgas af te zijn. Nieuwe initiatieven voor woningbouw wordt geadviseerd om dit mee te nemen in de planvorming. Er zijn ook nieuwe Milieukwaliteitsprofielen gemaakt.

Milieukwaliteitsprofiel Landelijk gebied, verweving van functies

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0008.jpg"

Plangebied

Bij de bouwaanvraag zal worden aangegeven hoe wordt voldaan aan het milieubeleidsplan.

4.4.2 Bodem

In het kader van een nieuwe ontwikkeling dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Het plan

Door Ecoreest is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen met tuin).

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond overschrijdingen van de achtergrondwaarden uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee formeel verworpen. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige woonbestemming van het terrein.

Toepassing van eventueel vrijkomende grond op het terrein zelf achten wij milieuhygiënisch verantwoord. Toepassing van eventueel vrijkomende grond elders kan eventueel plaats vinden binnen een gemeentelijke bodemkwaliteitskaart of met een aanvullend AP-04 onderzoek. De gemeente waar de grond eventueel wordt toegepast is hierbij het bevoegd gezag.

Conclusie

Uit het bodemonderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn om de realisatie van de woning mogelijk te maken. Het verkennend onderzoek is als Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek toegevoegd aan dit bestemmingsplan.

4.4.3 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt niet indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten.

Aangezien er een woning (geluidgevoelige object) in het plangebied wordt gerealiseerd, dient er akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

De breedte van deze zone is afhankelijk van:

  • de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;
  • het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:

  • wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;
  • wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.

In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:

  • wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;
  • wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;
  • wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter.

De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:

  • wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;
  • wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.

Het plan

Op alle omliggende wegen geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Toetsing aan de Wet geluidhinder is daarom niet aan de orde.

Geluidssituatie

In navolgende figuur is de geluidssituatie geschetst. Er blijkt dat in het plangebied de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Er hoeft daarom niet aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0009.jpg"

Geluidscontouren (indicatief, inclusief aftrek ex. art. 110g Wgh; bron: geluidsmodel ODRU)

Conclusie

In de zone waarin de woning wordt gerealiseerd is het geluidniveau dusdanig dat geen akoestisch onderzoek hoeft te worden uitgevoerd.

4.4.4 Industrielawaai

Door Windmill Milieu en Management is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.(zie Bijlage 2 Akoestisch onderzoek industrielawaai). Om het plan te realiseren wordt een procedure gevolgd in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Bij de besluitvorming in deze procedure dient het bevoegd gezag onder andere de aspecten met betrekking tot geluid, die samenhangen met het plan, in acht te nemen. Omdat binnen het plan gevoelige bestemmingen worden gerealiseerd, dient onderzocht te worden of omliggende bedrijven niet beperkt worden in hun bestaande milieurechten door de realisatie van het plan. Hiertoe is een rekenmodel opgesteld om de geluidemissie en -immissie te berekenen. Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening beschouwd of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai uit 1999.

Activiteitenbesluit milieubeheer

Het conform het Activiteitenbesluit milieubeheer te toetsen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt in het gehele plangebied minder dan 45 dB(A). De geluidrechten van het bedrijf worden gerespecteerd.

Het te toetsen maximale geluidniveau conform het Activiteitenbesluit milieubeheer bedraagt in het grootste deel van het plangebied minder dan 60 dB(A) in de nachtperiode (en minder dan 65 dB(A) in de avondperiode). De geluidrechten van het bedrijf worden hier (groene deel) gerespecteerd. In het gele deel is woningbouw niet zondermeer mogelijk. Daar dit gele deel echter voor de rooilijn van bestaande woningen ligt, is het niet aannemelijk dat hier een woning gebouwd wordt.

Goede ruimtelijke ordening

Voor het loonbedrijf (SBI 016.1 conform lijst 1 uit de VNG publicatie) dient uitgegaan te worden van milieucategorie 3.1, met een richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied. Het plangebied aan de De Kikvors 3 is op kleinere afstand gelegen. Hierom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzocht of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

Ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt de richtwaarde van 45 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering” voor een rustig buitengebied gerespecteerd. Hierom wordt de geluidbelasting toelaatbaar geacht. Het conform de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” te toetsen maximale geluidniveau in deel van het plangebied minder dan de richtwaarde van 55 dB(A) in de nachtperiode (en minder dan 60 dB(A) in de avondperiode) bedraagt. In dit deel (groen gekleurd) wordt voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie. In een deel (geel gekleurd) wordt niet voldaan aan de richtwaarden uit stap 2. Om de maximale geluidniveaus in de avond- en nachtperiode op de eerste verdieping te reduceren, dient een scherm met een minimale hoogte van 5 meter op de erfgrens geplaatst te worden. Dit is uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk.

In het geel gearceerde deel wordt wel voldaan aan de richtwaarde uit stap 3. Omdat maatregelen niet wenselijk zijn en omdat de richtwaarde uit stap 3 van de VNGpublicatie wel gerespecteerd wordt, wordt de geluidbelasting toelaatbaar geacht. In het oranje gearceerde deel wordt niet voldaan aan de richtwaarde uit stap 3. Daar dit oranje deel echter is gelegen binnen het achtererfgebied mag er een bijbehorend bouwwerk worden opgericht en gebruikt voor bewoning. Aangezien dit niet wenselijk is vanuit een goede ruimtelijke ordening is op de verbeelding een aanduiding opgenomen waardoor er geen gebouw voor bewoning mag worden gerealiseerd (wel voor opslag e.d.). Omliggende bedrijven worden dus niet gehinderd in hun bedrijfsvoering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0010.jpg"

Maximaal geluidniveau (Lamax) in de avond- en nachtperiode

Indirecte hinder

Het verkeer van en naar het loonbedrijf maakt gebruikt van de Nieuwe Steeg. Er is vanuit gegaan dat alle verkeer in noordelijke richting (worst-case) rijdt. Daarmee wordt langs het plangebied gereden. De berekende geluidbelasting LAeq ter plaatse van de grens van het plangebied bedraagt ten hoogste 45 dB(A) in de dagperiode. De richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering wordt gerespecteerd.

Conclusie

De richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering wordt gerespecteerd.

4.4.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde.

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.

Daarnaast worden er bestemmingen benoemd die extra gevoelig zijn voor luchtvervuiling, de zogenaamde gevoelige bestemmingen. Uiteraard moet niet alleen bij gevoelige bestemmingen, maar bij alle projecten sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit dit oogpunt moet afgewogen worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM), d.w.z. hoogstens 3%, bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Deze grens wordt concreet gelijk gesteld aan een woonwijk van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Dit plan valt duidelijk onder deze grens.

Het plan

De voorgestelde realisatie van 1 woning leidt niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Stikstofdioxide

De concentratie stikstofdioxide in het plangebied is volgens de luchtkwaliteitskaarten van de omgevingsdienst (OdrU) lager dan 15 µg/m3 (2025).

Fijn stof

De concentratie fijn stof in het plangebied volgens de luchtkwaliteitskaarten van de omgevingsdienst (OdrU) lager dan 23 µg/m3 (2025).

Conclusie:

De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling

4.4.6 Geur

Ten aanzien van de inpasbaarheid van het plan met het oog op de geurbelasting van veehouderijen heeft de gemeente het verzoek voorgelegd aan de Omgevingsdienst Regio Utrecht (Odru). Het advies luidde:

"De gewenste bouwlocatie ligt buiten de geurcirkels van omliggende veehouderijen, zodat het uitgangspunt is dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, tenzij de achtergrondconcentratie vanwege cumulatie van meerdere veehouderijen hoog is. Dit zal moeten worden aangetoond."

Uit het advies van de Odru kan dan ook worden geconcludeerd dat het bouwplan niet ligt binnen de geurcontouren van de omliggende veehouderijen. Voor de beoordeling van de inpasbaarheid van het plan ten aanzien van geur is uitsluitend een beschouwing van het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondconcentratie noodzakelijk.

Onderzoek

In maart 2020 is door Kragten een onderzoek geurhinder uitgevoerd naar de inpasbaarheid van de woning aan De Kikvors te Leersum.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarnaast dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelig object sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- als de voorgrondgeurbelasting.

Door middel van deze quickscan is onderzocht of kan worden uitgesloten dat sprake is van inbreuk op de milieurechten van bestaande veehouderijen en of de planontwikkeling geen inbreuk veroorzaakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen. Indien dit niet middels deze quickscan kan worden uitgesloten is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Tevens is in de quickscan onderzocht of ter plaatse van de planontwikkeling een voldoende aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van de voorgrond- en achtergrondgeurbelasting.

Het plan is gelegen binnen de bebouwde kom. Voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom geld een norm van 3 OUE/m3 voor OU-dieren en een vaste afstand van 100 meter voor VA-dieren.

Op basis van voorliggend onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisatie van het geurgevoelige object aan De Kikvors 3 géén inbreuk maakt op de vergunde en/of planologische geurrechten van omliggende veehouderijen.

Uit het rapport blijkt wel dat er sprake is van meerdere relevante veehouderijen met intensieve diersoorten (OUdieren) die binnen een afstand van 2 kilometer rondom het plangebied zijn gelegen. Derhalve dient op basis van deze QuickScan aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de achtergrondgeurbelasting ter beoordeling van het woon- en leefklimaat voor het aspect geur ter plaatse van de planontwikkeling. Een onderzoek naar het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurconcentratie voor dit plan is echter al uitgevoerd onder de noemer ‘P16.454.03-02.’ Uit dit onderzoek (zie Bijlage 3 Geurhinder veehouderijen) blijkt dat de het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied tussen de 3,5 en 6,5 OUE/m3 bedraagt. Dit komt overeen met een milieukwaliteit ‘redelijk goed’. Derhalve is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het aspect geur

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de realisatie van de woning. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 4 Quikscan agrarische geur toegevoegd aan dit bestemmingsplan.

4.4.7 Bedrijven en milieuzonering

Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt.

De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en rustig buitengebied’;
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;
  • bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0011.png"

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

In de omgeving liggen een loonbedrijf, een agrarisch bedrijf, detailhandel in fruit en woningen. Er is dus sprake van een 'gemengd gebied'.

Loonbedrijf Boerenbuurt 36

Ten zuiden van het plangebied, op de locatie Boerenbuurt 36, is een loonwerkbedrijf gevestigd. Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 heeft een loonwerkbedrijf met een bedrijfsoppervlak van 500 m2 of meer een richtafstand van 30 meter in verband met geluid. De nieuwe woning wordt op een afstand van meer dan 30 meter gerealiseerd.

Agrarisch bedrijf Boerenbuurt 11

Op de locatie Boerenbuurt 11 is een agrarisch bedrijf gevestigd, waar melkvee, vrouwelijk jongvee, fokstieren, vleeskalveren en paarden worden gehouden. Omdat de VNG-publicatie in het geval van agrarische bedrijven algemene normen geeft en er specifieke wet- en regelgeving bestaat voor agrarische bedrijven is het plan aan deze specifieke wetgeving getoetst. Er geldt een richtafstand van 30 meter, hieraan wordt voldaan.

Ook uit 4.4.4 blijkt dat het loonbedrijf geen belemmering is voor de realisatie van de woning.

Nieuwe Steeg 26 en 28

Op deze locatie is een detailhandel in fruit, aardappelen en groente gevestigd. Hiervoor geldt milieucategorie 2. Hiervoor geldt een afstand van 10 meter. De te realiseren woning ligt op ruim 10 meter afstand.

Kikvors 1

Dit perceel van circa 1.165 m2 heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'agrarisch met waarden'. De perceelgrootte is dusdanig klein dat agrarische activiteiten niet levensvatbaar zijn. Er vinden al circa 25 jaar geen activiteiten meer plaats. De feitelijk situatie is dan ook wonen en is dan ook geen belemmering voor de realisatie van de woning.

Conclusie

Dit aspect levert geen belemmeringen op voor de verdere ontwikkeling van deze locatie voor woningbouw.

4.4.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.

Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader tot op heden nog de circulaire risiconormering transport gevaarlijke stoffen. Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is het risico uitgedrukt als de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico zijn de cumulatieve kansen dat per jaar dat een groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting of een transport-as en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Plaatsgebonden risico

Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar. De kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is, mag dus niet groter zijn dan 1 op een miljoen. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen  

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

Het plan

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven en inrichtingen die een mogelijk risico vormen voor de ontwikkeling van kwetsbare objecten in het plangebied. Daarnaast vindt er in de omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen en water plaats en bevinden zich hier ook geen (aardgas)leidingen.

Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een spoorlijn

Op navolgende afbeelding is een fragment van de nationale risico inventarisatie kaart weergegeven. Hierop is te zien dat er in de directe omgeving van het plangebied (zwarte cirkel) geen risicobronnen, aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0012.jpg"

Uitsnede risicokaart

Elektromagnetische straling

De staatssecretaris van het ministerie van VROM heeft geadviseerd dat moet worden voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddeld magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

In de gemeente loopt de hoogspanningslijn Veenendaal1-Driebergen. De specifieke zone voor deze lijn is niet berekend. De indicatieve zone is vastgesteld op twee keer 80 meter. Dit betekent dat nieuwe gevoelige bestemmingen, als woningen, waar kinderen verblijven niet op een afstand van minder dan 80 meter van het hart van de hoogspanningslijn mogen worden gebouwd of gevestigd. Het plangebied is niet gelegen op een afstand van minder dan 80 meter.

Voor zendmasten (omroep/GSM/UMTS) zijn in de EU-publicatie 1999/519/EG blootstellingslimieten aanbevolen voor personen die permanent in de nabijheid van zendmasten verblijven. Nederland heeft deze aanbeveling overgenomen en opgenomen in de Telecommunicatiewet. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat de in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen kunnen veroorzaken van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten.

Conclusie:

Het veiligheidsaspect levert geen belemmeringen op voor de verdere ontwikkeling van deze locatie voor woningbouw.

4.4.9 Duurzaamheid

De wettelijke eisen voor energiezuinigheid en milieu in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de energieprestatie (EPC) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend hebben de provincie Utrecht en gemeente Utrechtse Heuvelrug beleid opgesteld voor duurzaamheid.

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie 2013-2028. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. Hierin staat voor nieuwe ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied dat het ruimtelijk plan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.

Bij zowel het bouwen als renoveren van woningen is het van belang dat nagedacht wordt over het gebruik van alternatieve vormen van energie en energiebesparende technieken. Hiermee dragen ruimtelijke plannen bij aan het doel van 10% duurzame energiegebruik in 2020 zoals verwoord in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft haar beleid rond klimaat, energie en duurzaam bouwen verwoord in het Milieubeleidsplan “Natuurlijk duurzaam”. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn.

Voor nieuwbouwwoningen streeft de gemeente naar een 25% scherpere energieprestatie dan de maximale wettelijk verplichte EPC-score. Daarnaast wordt gestreefd naar een minimale gemiddelde GPR Gebouw score van 7. Bij kansrijke projecten is de ambitie een GPR Gebouw score van 8.

Gratis en vrijblijvende licentie GPR Gebouw

Met GPR Gebouw wordt inzichtelijk gemaakt waarmee de duurzaamheid van het plan kan worden verbeterd. Het instrument GPR Gebouw vertaalt concrete maatregelen in een prestatiescore voor duurzaam bouwen. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug stelt het gebruik van GPR Gebouw gratis beschikbaar. De gemeente verstrekt een gebruikersnaam en wachtwoord, waarmee gratis en vrijblijvend kan worden ingelogd op www.gprgebouw.nl.

Nederland in 2050 vrij van aardgas

Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.

Extra hypotheekruimte voor energiezuinige woningen

De Tijdelijke Regeling Hypothecair Krediet maakt het mogelijk om extra hypotheekruimte te krijgen voor duurzaamheid. Huiseigenaren die energiebesparende maatregelen willen meefinancieren kunnen hiervoor meer hypotheekruimte krijgen. Voor energie neutrale woningen of nul-op-meter woningen is deze extra ruimte vanaf 1 januari 2017 tot € 25.000. Dit gaat buiten de normale inkomenstoets om. Er zijn wel voorwaarden, waaronder een bruto minimum jaarinkomen van € 33.000,- en een maximum totaal hypotheekbedrag van 106 % van de marktwaarde van de woning ná het nemen van de maatregelen.

Het plan

De planontwikkeling levert een bijdrage aan het streven naar efficiënt ruimtegebruik. Bij het ontwerpen van de woning worden de volgende aandachtspunten gehanteerd: gebruik duurzame materialen, c.q. hergebruik van bouwmaterialen, optimale benutting van daken voor zonnecollectoren (zuidoriëntatie), gebruik van moderne isolatietechnieken en duurzame klimaatregeling.

Conclusie:

Bij de uiteindelijke realisatie van de woning zal voldaan worden aan de wettelijke eisen met betrekking tot energie en duurzaam bouwen. Aangezien er sprake is van particuliere kavel en het bouwplan nog ontwikkeld moet worden kan pas bij de planontwikkeling getoetst worden aan deze normen.

4.4.10 Water

Nationaal Waterplan 2016 - 2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan pleit daarom voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk.

Het waterplan werkt door in het provinciale waterbeleid en het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Bodem -, Water- en Milieuplan 2016-2021 Provincie Utrecht

Het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021. Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Vanaf 2016 is al het bodem-, water en milieubeleid in één integraal plan opgenomen. De opgaven vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan.

Waterkoers 2016-2021

Hoogheemraadschap heeft haar ambities en langetermijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016-2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving.

In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water.

Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van ruimtelijke adaptatie (Deltabeslissing, www.ruimtelijkeadaptatie.nl):

  • De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven.
  • Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.

Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is.

Waterbeleid Gemeente Utrechtse Heuvelrug

Doel van het waterbeleid is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.

Het waterplan Heuvelrug richt zich vooral op de stedelijke kernen en de directe omgeving ervan. Belangrijke punten uit het waterplan zijn:

  • afkoppelen en infiltreren van regenwater: de zandige Utrechtse Heuvelrug biedt veel mogelijkheden voor infiltratie van water van nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing in de grond;
  • beleving en cultuur: de landgoederen en Stichtse Lustwarande zijn beeldbepalend, en water vervult daar een eigen functie in;
  • natuur en ecologie: op allerlei plaatsen kan de natuur en ecologie in en om het water verbeterd worden. Eerst moet gekeken worden welk water een belangrijke functie vervult hierin;
  • beheer en onderhoud: het is nodig om het beheer van watergangen en dat van erlangs gelegen wegen goed op elkaar af te stemmen.

Convenant afkoppelen

In januari 2010 is het convenant "Afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug" getekend tussen de provincie Utrecht, 10 gemeenten met grondgebied op de Utrechtse Heuvelrug en de waterschappen Vallei & Eem en HDSR. Dit convenant is recentelijk geactualiseerd en in 2016 opnieuw vastgesteld. Het bevat afspraken over en onder welke voorwaarden dakoppervlakken en andere verharde oppervlakken wel en niet kunnen worden afgekoppeld. Het bevat een beslisschema voor verontreinigde oppervlakken. Voor uitloogbare daken en gevels geldt daarbij; ja ,mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in het Bodem-Water- en milieuplan 2016-2021 van de Provincie.

Er worden in beginsel geen uitlogende materialen toegepast voor de bouw van de woning.

Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2020 (GRP)

Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is opgesteld conform de Leidraad Riolering en betreft de integrale visie van de gemeente op stedelijk afvalwater, grondwater en regenwater. De gemeente wil met het GRP de diverse doelen bereiken, waaronder het beschermen van de volksgezondheid, het herstellen van een natuurlijke waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast. Specifiek voor het stedelijk afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstrand zijn eveneens diverse doelen beschreven:

  • Stedelijk afvalwater
    • 1. Inzameling van stedelijk afvalwater, dat binnen het gebied is geproduceerd;
    • 2. Transport van ingezameld stedelijk afvalwater naar de zuiveringsinstallatie;
  • Voorkomen van ongewenste vuilemissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem.
  • Hemelwater
    • 1. Inzameling van het afvloeiend hemelwater afkomstig van verhard oppervlak in de openbare ruimte, dak- en terreinverharding van bestaande bebouwde percelen en dakoppervlak van nieuwbouw en herbouw, voor zover hemelwater redelijkerwijs niet op eigen terrein kan worden verwerkt;
    • 2. Verwerking van het ingezameld hemelwater;
    • 3. Voorkomen van ongewenste vuilemissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem.
  • Grondwater
    • 1. Streven naar een gemiddeld hoogste grondwaterstand van ten minste 0,7 m onder de as van de weg. Er is sprake van structureel te hoge grondwaterstanden als de gemiddeld hoogste grondwaterstand minimaal drie aaneengesloten jaren hoger is dan de gewenste grondwatersituatie en wanneer dit tot aantoonbare overlast in de woning leidt.

Toetsing waterbelang

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.

Het watertoetsproces is digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Hoogheemraadschap. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseerde positief over het ruimtelijk plan.

Conclusie:

Het aspect water levert geen beperkingen op voor de voorziene planontwikkeling. Volgens de digitale watertoets zijn er geen waterbelangen in het geding.

Uit navolgende afbeelding blijkt dat de locatie is gelegen in een 'nat' gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0013.jpg"

Hemelwater van daken en verhardingen zal (als de grondwaterstand dit toelaat) naar een hemelwatervoorziening stromen zoals een bodempassage, wadi of greppel, met een overloop richting het omliggende oppervlaktewater. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden gaat ook akkoord als het hemelwaterafvoer direct naar het oppervlaktewater afstroomd. Bij de omgevingsaanvraag wordt aangegeven hoe het hemelwater wordt afgevoerd.

De watertoets en de samenvatting watertoets zijn respectievelijk als Bijlage 5 Watertoets en Bijlage 6 Samenvatting watertoets toegevoegd aan dit bestemmingsplan.

4.4.11 Ecologie

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora – en Faunawet. Provincies bepalen voor hun grondgebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is dan alleen nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en gedragscodes. De wet kent twee sporen, namelijk een gebiedsgericht en een soortgericht spoor.

De Wnb richt zich op de bescherming van:

  • Natura 2000-gebieden;
  • Soorten van de Vogelrichtlijn;
  • Soorten van de Habitatrichtlijn;
  • ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’).

Het NatuurNetwerk Nederland is niet verankerd in de Wet natuurbescherming maar is opgenomen in het provinciaal beleid.

Het plan

Door bureau Buitenwaard is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd.

Situering ten opzichte van beschermde gebieden

Het plangebied ligt op bijna één kilometer ten noorden van Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek. Andere Natura 2000-gebieden zoals Rijntakken liggen op groter afstand (1,6 km). De voorgenomen ontwikkeling is door aard en afstand niet van invloed op deze Natura 2000-gebieden, waardoor een aeriusberekening niet noodzakelijk is.

Direct oostelijk van de locatie op ruim 100 meter ten oosten van het plangebied ligt de begrenzing van het NNN. Het plangebied ligt buiten het deze begrenzing waardoor invloed op de plaatselijke waarden en kenmerken van het NNN zijn uitgesloten. Vervolgonderzoek of toetsing in het kader van gebiedsbescherming zijn niet noodzakelijk

Onderzoeksresultaten en effectbeoordeling

  • Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strik beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Voor algemeen grondgebonden zoogdieren is de zorgplicht (§ 5) van toepassing.
  • Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op vleermuizen zijn uitgesloten.
  • Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. In verband met algemene broedvogels dienen bomen of struiken gerooid te worden buiten het broedseizoen. Hiervoor kan de periode 15 maart tot 1 september aangehouden worden.
  • Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strikt beschermde reptielen en amfibieën zijn uitgesloten. Voor algemeen beschermde soorten geld de zorgplicht (§ 5)
  • Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde vaatplanten zijn uitgesloten.
  • Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op overige soortgroepen zijn uitgesloten.

In oktober 2020 heeft de gemeente aangegeven dat de uitgevoerde natuurtoets vanwege de beperkte houdbaarheid van het rapport opnieuw moet worden uitgevoerd. Door Bureau Buitenwaard is dit in december 2020 uitgevoerd.

Tijdens het actualiserende onderzoek zijn geen sporen zoals uitwerpselen of prooiresten van vleermuizen aangetroffen. Gelet op de vele recente waarnemingen van gewone dwergvleermuizen in de afgelopen jaren kan niet uitgesloten worden dat toch dieren in het gebouw verblijven.

Om deze reden heeft op 12 november een aanvullende controle plaatsgevonden. Hierbij is het gebouw, en specifiek de voor vleermuizen toegankelijke openingen nader onderzocht. Om de eerder aangetroffen openingen te kunnen onderzoeken op sporen van vleermuizen is een spouwmuur inspectiecamera gebruikt. Ook is het gebouw aan de binnenzijde nader onderzocht op (sporen van) vleermuizen. Door de betrekkelijk kleine omvang van het plangebied en de beperkte aanwezigheid van voor vleermuizen toegankelijke openingen was het mogelijk op deze wijze te controleren op de aanwezigheid van verblijfplaatsen. Bij de controle zijn geen vleermuizen of sporen van vleermuizen in de vorm van bijvoorbeeld uitwerpselen, prooiresten of zit/hangplaatsen aangetroffen. In de toegankelijke openingen is spinrag en (ongeroerd) stof aangetroffen. Dit vormt een indicatie dat de ruimten niet bezocht worden door vleermuizen. Op grond van de bevindingen uit deze nadere controle kan de aanwezigheid van vaste rustenverblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw, uitgesloten worden.

Ten aanzien van ander beschermde soorten en is er op grond van de resultaten uit dit actualiserende velden literatuuronderzoek geen aanleiding tot nader onderzoek of toetsing. De bevindingen uit het flora en fauna van 2016 zijn nog actueel.

Conclusie

Vanuit het flora/fauna perspectief zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van de woning.

Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 7 Flora- en faunaonderzoek toegevoegd aan dit bestemmingsplan en de notitie als Bijlage 8 Oplegnotitie Natuurtoets.

4.4.12 Archeologie

Wet op de archeologische monumentenzorg

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Deze nationale wet vloeit voort uit het Europese Verdrag van Malta. Het uitgangspunt van de Wet op de archeologische monumentenzorg is het, waar nodig, beschermen van archeologische waarden. Er dient op grond van de wet bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de aanwezige en/of te verwachten monumenten/archeologische waarden. De gemeente is op grond van de wet de verantwoordelijk voor het streven naar behoud 'in situ', dat wil zeggen behoud van de waarde in de bodem. Ook moet de gemeente vroegtijdig het behoud van archeologische waarden afwegen tegen andere maatschappelijke belangen. Gemeenten moeten hun eigen archeologiebeleid opstellen en hieraan uitvoering geven.

Het plan

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0014.jpg"

Uitsnede archeologische beleidskaart van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (ster = plangebied)

Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt de locatie in een gebied waarvoor geldt: Waarde - Archeologie 3. Hiervoor geldt een onderzoeksverplichting bij ingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld onder maaiveld met een oppervlakte groter dan 150 m2.

In augustus 2017 is door Salisbury Archeologie B.V. een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan de archeologische verwachtingswaarde binnen het plangebied naar laag worden bijgesteld. Het booronderzoek heeft geen archeologische indicatoren of andere aanwijzingen voor een archeologische vindplaats opgeleverd. De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een recent ophogingspakket met daaronder een restant van de voormalige bouwvoor. In het plangebied is de top van de C-horizont verploegd en vermengd met de bouwvoor. De resultaten van het booronderzoek laten daarnaast zien dat het plangebied waarschijnlijk in de aan de rand van het plangebied gelegen dekzandvlakte ligt en niet zoals uit het bureauonderzoek naar voren komt op een dekzandgordel. De grondwaterstand staat hoog en er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een (deels) intact podzolprofiel of welvingen in het dekzandlandschap. Ook is in het plangebied geen sprake (meer) van een enkeerdgrond met plaggendek. De kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats in het plangebied, wordt klein ingeschat. Met het oog op het voorgaande wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven ten behoeve van de realisatie van de woning.

Cultuurhistorie

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Het plangebied is voor een groot deel bebouwd en verhard. Specifieke cultuurhistorische waarden zijn dan ook niet aanwezig in het plangebied.

Er vindt geen aantasting plaats van cultuurhistorische waarden.

Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van de woning. Het archeologisch onderzoek is als Bijlage 9 Archeologisch onderzoek toegevoegd aan dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2 Methodiek

5.2.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.2.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • 1. Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • 2. Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 5) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.
  • 3. Hoofdstuk III (artikelen 6 tot en met10 bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • 4. Hoofdstuk IV (artikelen11 en 12 )bevat de overgangs- en slotregel.

Regels in verband met de bestemmingen

De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • afwijken van de bouwregels (indien aanwezig)
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig)

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.

Bouwregels

De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de bouw- en de goothoogtes.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleend, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend.

Specifieke gebruiksregels

Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is.

De inleidende regels (hoofdstuk I)) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk IV) worden hier verder niet toegelicht.

Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.

5.3 Bestemmingen

In het plangebied zijn 2 enkelbestemmingen opgenomen te weten 'Tuin' en 'Wonen S-1'. Daarnaast kent het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde archeologie 3'. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemmingen.

5.3.1 Enkelbestemmingen

Tuin

De bestemming Tuin is bedoeld voor de gronden die een groene tuinuitstraling hebben. Deze bestemming is gerelateerd aan de bestemming Wonen. Binnen deze bestemming mogen tuinen en daarbij behorende paden, waterhuishoudingsvoorzieningen en parkeren op eigen terrein worden gerealiseerd.

Gebouwen en overkappingen mogen niet worden gebouwd binnen deze bestemming. In afwijking hiervan mogen in lijn met de beoogde beeldkwaliteit wel erkers, toegangsportalen, luifels, balkons, trappen en bordessen vòòr de voorgevel van het aangrenzend hoofdgebouw en op zijgevels, welke zicht hebben op of gelegen zijn aan de zijde van een openbare weg of openbaar groen worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de in het artikel genoemde vereisten. Deze vereisten zijn bedoeld om de privacy van omwonenden zoveel mogelijk te waarborgen.

Wonen S-1

Functies

Binnen de bestemming Wonen - S 1 is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.

Op de verbeelding is d.m.v. de aanduiding 'wonen uitgesloten' weergegeven waar geen gebouwen zijn toegestaan met een woonfunctie.

Bouwmogelijkheden

De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:

  • algemeen;
  • hoofdgebouwen;
  • bijbehorende bouwwerken;
  • overige bouwwerken.

Algemeen

In algemene zin wordt bepaald dat het bebouwingsgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd.

Hoofdgebouwen

Binnen de bestemming Wonen - S 1 mag uitsluitend een vrijstaande woning worden gebouwd. De woning moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Er mag niet meer dan één woning per bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Voor de goot- en bouwhoogte is in de regels een standaard hoogte gegeven. Gemeente breed geldt daarbij in beginsel een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Als hoofdgebouwen afgedekt worden met een kap, dan moet worden voldaan aan de in de regels voorgeschreven dakhelling.

Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Op basis artikel 2 lid 4 van bijlage II van het Bor is het bouwen van een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak vergunningvrij. Voor het bouwen van een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel, zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen. Hierbij is grotendeels aangesloten bij de criteria uit de Nota Ruimtelijke kwaliteit.

Bijbehorende bouwwerken

Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is zoveel mogelijk aangesloten op de regeling 'vergunningvrij bouwen' uit de bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht.

De regeling die het bestemmingsplan omvat is echter op een aantal punten ruimer:

  • Bouwen voor de voorgevel

Er mag in sommige gevallen op minder dan 1 meter van de voorgevel of voor de voorgevel worden gebouwd:

  • 1. indien de locatie is opgenomen in het bouwvlak;
  • 2. indien de bestaande bebouwing op minder grote afstand dan 1 m van de voorgevel staat;
  • 3. indien de bijgebouwen die voor de voorgevel staan zijn aangeduid op de verbeelding.

  • Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen is toegestaan onder een bijbehorend bouwwerk.

Overige bouwwerken

Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.

Specifieke gebruiksregels

Zoals in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, is beroep of bedrijf aan huis toegestaan binnen de woonbestemming. Wel worden er enige voorwaarden aan dit gebruik gesteld. Zo mag 40 % van de brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis. Bij deze oppervlakte wordt ook de oppervlakte van het hoofdgebouw op de verdieping meegerekend.

Het is alleen toegestaan om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te verrichten aan huis die opgenomen zijn in de staat van bedrijfsactiviteiten Bijlage 1. De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen horeca of detailhandel inhouden, behalve als het gaat om verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het beroep of bedrijf.

De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis mag alleen worden uitgeoefend door de bewoners van de woning waar de activiteit plaatsvindt.

Door de uitoefening van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mogen de verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen in de directe omgeving. Daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit dient in de eerste plaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. In gevallen waar dit niet mogelijk is dient voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig te zijn. Voor de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen buitenopslag plaatsvinden.

Afwijken van de gebruiksregels

Het gebruik van een woning voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen is een verboden gebruik. Het bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om dit gebruik toch toe te staan. Dit mag alleen als het hoofdgebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Het gebruik moet qua uitstraling en ruimtelijke werking overeenstemmen met die van de woonfunctie. Het gebruik voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen mag de belangen niet onevenredig schaden van eigenaren en gebruikers van de gronden waarop dit veranderde gebruik plaatsvindt of die in de nabijheid daarvan liggen.

Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze regelt dat het gebruik van nieuwe hoofdgebouwen als woning is uitsluitend is toegestaan, als de aanwezige oude bebouwing en verharding is gesloopt en verwijderd.

5.3.2 Dubbelbestemming

De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemmingen ook 1 dubbelbestemming.. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermd wordt.

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.

Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMkikvors3-VA01_0015.jpg"

In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is.

Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde Archeologie 3.

5.4 Algemene regels

5.4.1 Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

5.4.2 Algemene bouwregels
5.4.2.1 Bestaande situatie

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

5.4.2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.

5.4.3 Algemene gebruiksregels
5.4.3.1 Verboden gebruik

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt.

Als gevolg van het besluit om stedenbouwkundige bepalingen weg te laten in de bouwverordening is een nieuwe korte regeling gekomen betreffende parkeren. In de algemene gebruiksregels is daarom opgenomen dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn in het plangebied.

5.4.4 Algemene afwijkingsregels
5.4.4.1 Algemeen

Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

5.4.4.2 Afwijking 10% overschrijding

Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.

5.4.5 Algemene regels

Een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, mag niet worden gebouwd of vergroot wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.

5.4.6 Overgangs- en slotregel

Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een aanvraag omgevingsvergunning dient de economische uitvoerbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling te worden gewaarborgd. Het project wordt op initiatief van de initiatiefnemer gerealiseerd. De kosten in verband met de procedure en de aanvraag omgevingsvergunning zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Het project wordt gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer.

De economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling is gewaarborgd door middel van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer. De bijkomende procedurekosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggende bestemmingsplan sluit aan op het vigerende ruimtelijke ordeningsbeleid van de gemeente.

6.2.1 Vooroverleg Waterschap en Provincie

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan op 8 juli 2020 gestuurd naar de relevante overlegpartners, zijnde de provincie Utrecht en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. De provincie Utrecht heeft laten weten in te stemmen met het plan. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft een vooroverlegreactie gegeven. Naar aanleiding hiervan is paragraaf 4.4.10 aangepast.

De provincie en het waterschap hebben geen opmerkingen op het plan gemaakt.

6.2.2 Participatie

Normaliter wordt de buurt uitgenodigd om de plannen te komen bekijken. Echter vanwege het Coronavirus is dit niet mogelijk/wenselijk. Vandaar dat de direct omwonenden (11) op 28 maart 2020 per brief op de hoogte gesteld zijn van het voorgenomen plan. Een ieder is in de gelegenheid gesteld om per mail een reactie te geven. Een aantal buren hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Deze participatie (reactie haag) heeft geen consequenties voor het bestemmingsplan maar wordt meegenomen in de verdere uitvoering

De brief en de reactie zijn in Bijlage 10 Participatie toegevoegd aan dit plan.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van 5 augustus 2020 t/m 16 september 2020 ter inzage gelegen. In deze periode is aan een ieder de gelegenheid gegeven om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingekomen. Het plan wordt ongewijzigd vastgesteld, met dien verstande dat bij Artikel 4.2.2. Bouwen van hoofdgebouwen een extra lid toegevoegd met de volgende text: Lid j: de inhoud van het hoofdgebouw mag niet meer dan 800 m3 bedragen (exclusief ondergrondse bouwwerken).

6.2.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.

6.3 Handhaving

Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken. Daarom wordt bij de actualisering van dit bestemmingsplan voorafgaand waar mogelijk een zo goed mogelijk beeld verkregen van de huidige planologische situatie en ontwikkelings- / afwijkingsmogelijkheden, de in de afgelopen 10 jaar aangevraagde en verleende afwijkingen / omgevingsvergunningen en de in de afgelopen tien jaar verrichte handhavingsacties en verleende gedoogbeschikkingen. Dit onderzoek past volledig binnen de verplichtingen uit onder andere de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De investering betreft de invulling van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting. De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting (1) en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek.

Ad voetnoot 1:

Repressieve toezicht en handhaving ligt wettelijk vast en leidt allereerst tot de te beantwoorden vraag of de afwijking/overtreding kan worden gelegaliseerd. Dat kan meer verruiming van het bestemmingsplan tot gevolg hebben dan dat met het bestemmingsplan oorspronkelijk is bedoeld. Dat zelfde geldt voor de discretionaire bevoegdheid om afwijkingen te gedogen. Als er niet voor legalisering dan wel gedogen wordt gekozen, kan er weliswaar met gebruikmaking van de repressieve handhavingsmiddelen (last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, strafrechtelijke boete dan wel een bestuurlijke boete; de boetes waar van toepassing uiteraard) een aanmerkelijke kans worden gecreëerd op beëindiging van de afwijking/overtreding.