direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Doorn - Van Galenlaan 38
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Ten noorden aan de rand van de dorpskern van Doorn aan de Van Galenlaan 38 ligt het perceel van de initiatiefnemer. Het voornemen is om de huidige bebouwing op het perceel te slopen, de kavel op te splitsen en daar twee vrijstaande woningen te bouwen.

Het initiatief kan niet worden gerealiseerd omdat volgens het huidige bestemmingsplan binnen een bouwvlak niet meer dan één woning is toegestaan. Om het voornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken, is een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro), noodzakelijk. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

De initiatiefnemer heeft de wens om twee nieuwe vrijstaande woningen te realiseren aan de Van Galenlaan 38 te Doorn. De locatie is gelegen in een bosrijk gebied ten noorden van de dorpskern van Doorn en heeft de bestemming 'Wonen', waarna de locatie overvloeit in een gebied met de bestemming 'Natuur'. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Doorn, sectie A, perceel 6739.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0001.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0002.jpg"

Luchtfoto en uitsnede kadastraal perceel Van Galenlaan 38 te Doorn (bron: perceelloep.nl)

1.3 Geldende plannen

De planlocatie Van Galenlaan 38 ligt binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen 'Doorn-Noord' en het 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening'.

'Doorn Noord'

Het bestemmingsplan 'Doorn Noord' is op 27 februari 2013 vastgesteld door de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In het bestemmingsplan 'Doorn Noord' kent de projectlocatie de enkelbestemmingen 'Wonen - 1 Vrijstaand extensief', 'Natuur' en 'Tuin'. Daarnaast kent de projectlocatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3 hoog' en 'Waarde - Archeologie 4 middelhoog'.

Enkelbestemming Wonen - 1 Vrijstaand extensief

De voor 'Wonen - 1 Vrijstaand extensief' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. Wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep- en of bedrijf aan huis;
    met daarbij behorend;
  • b. tuinen en erven, (ontsluitings)wegen, paden, waterhuishoudingsvoorzieningen en parkeren op eigen terrein.

Enkelbestemming Natuur

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van het bos/bossages en de bijbehorende bosgroeiplaats;
  • b. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwaarden;

met daarbij behorend:

  • c. paden, voorzieningen ten behoeve van flora en fauna, zoals faunapassages, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Enkelbestemming Tuin

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen met daarbij behorend (ontsluitings)wegen, paden, waterhuishoudingvoorzieningen en parkeren op eigen terrein;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bijgebouwen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bos' uitsluitend:
    • 1. bos en bebossing;
    • 2. de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen natuur- en landschapswaarden;
    • 3. (ontsluitings)wegen, paden, parkeren op eigen terrein en waterhuishoudingvoorzieningen.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 hoog

De voor 'Waarde - Archeologie 3 hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Op en in de gronden als bedoeld in lid 17.1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) niet anders worden gebouwd dan overeenkomstig de volgende regels:

  • a. de aanvrager van een omgevingsvergunning dient in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag kan worden verstoord naar het oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. in het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 middelhoog

De voor 'Waarde - Archeologie - 4 middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Op en in de gronden als bedoeld in lid 18.1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) niet anders worden gebouwd dan in overeenstemming met de volgende regels:

  • a. de aanvrager van een omgevingsvergunning dient in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag kan worden verstoord naar het oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0003.jpg"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan Van Galenlaan 38 (www.ruimtelijkeplannen.nl)

'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening'

Het parapluplan 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' is vastgesteld op 7 juni 2018.

Met dit parapluplan is de dynamische parkeerregeling en de maximale toegestane bouwhoogte bepaling uit de bouwverordening vastgelegd nu deze in de bouwverordening zijn vervallen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.

Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.

Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.

In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.

Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.

Hoofdstuk 2 Het plan

In dit hoofdstuk volgt een algemene beschrijving van het plan. Het bevat de volgende onderdelen:

2.1 Huidige situatie

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is gelegen in het noorden van de buurt Verspreide Huizen op de Heuvelrug West. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich woningbouw op relatief grote en groene percelen. Aan de noord-, oost- en westkant strekt het landelijk gebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug zich uit. Ten zuiden ligt een uitgestrekte woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of andere functies gevestigd, er is enkel sprake van woningbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0004.png"

Ligging plangebied (www.ruimtelijkeplannen.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0005.png"

Aanwezige bebouwing plangebied (bron: verkennend bodemonderzoek)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0006.png"

Van Galenlaan ter hoogte van nr. 38 (www.googlemaps.nl)

2.2 Projectbeschrijving

Het voornemen is om op de huidige planlocatie de bestaande bebouwing te slopen en te ontwikkelen tot twee bouwkavels met ieder een vrijstaande woning. De oppervlakte per kavel bedraagt ongeveer 2.800 m2. De woningen worden binnen het reeds bestaande bouwvlak ingepast. De kavelgroottes passen in de lijn van de bebouwing aan de Van Galenlaan. Op de navolgende schets is het exploitatiegebied van de twee beoogde kavels weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0007.jpg"

Exploitatiegebied projectlocatie

Direct ten noorden en oosten van het bouwvlak op de beoogde projectlocatie bevindt zich een strook met de bestemming natuur. Hier strekt het landelijk gebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug zich verder uit. Ten zuiden van de projectlocatie ligt een strook met de bestemming tuin. Ten westen van de locatie bevindt zich een perceel met een woonbestemming. Met dit postzegelbestemmingsplan worden de groene waardes van het gebied niet aangetast.

Het initiatief is in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Doorn-Noord'. Het voornemen is om het huidige bouwvlak op te splitsen om de realisatie van twee vrijstaande woningen mogelijk te maken. Volgens het huidige bestemmingsplan is het niet toegestaan om binnen het bouwvlak meer dan één woning te realiseren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0008.png"

Schetsplan (bron: initiatiefnemer)

2.3 Ruimtelijke gevolgen

Het perceel heeft reeds een woonbestemming. Het huidige huis heeft sinds de bouw in 1979 een dubbele nummering (38 en 38A) en is ontworpen voor twee echtparen. Van 1979 tot 2002/2003 is het bewoond door een echtpaar met in de aanleunwoning de ouders van de man. Later kwam het gezin van initiatiefnemer er wonen. In de aanleunwoning woonde toen nog de oorspronkelijke bewoonster van het hoofdhuis.

Binnen de huidige regelgeving mag er één woning gerealiseerd worden. In voorliggend plan wordt de realisatie van twee woningen mogelijk gemaakt. Deze woningen worden gerealiseerd binnen het al bestaande bouwvlak. Het bouwvlak blijft dus gelijk.

De woningen zullen voldoen aan huidige wet- en regelgeving. Er worden duurzame (gasloze) woningen gerealiseerd met zonnepanelen.

De bebouwing wordt ingepast in de omgeving. Mede hierom is een bomeninventarisatie uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als bijlage 6.

Hoofdstuk 3 Algemeen ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040.

Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Daarbij wordt ingezet op een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.

Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', zoveel mogelijk over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk voor een groot deel los.

In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur.

Verder is één van de nationale belangen die de SVIR benoemt, het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. Concreet betekent dit onder meer dat ruimte zorgvuldig moet worden benut en overprogrammering moet worden voorkomen. Om die doelstellingen te bereiken, is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Alle stedelijke ontwikkelingen dienen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

Conclusie

Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de SVIR. De ladder voor duurzame verstedelijking komt later in deze paragraaf aan de orde.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven:

  • Rijksvaarwegen;
  • Project mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie;
  • Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden;
  • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Conclusie

Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt:

'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'

Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen:

  • 1. er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte;
  • 2. indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Stedelijke ontwikkeling

Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de ontwikkeling van minder dan 12 woningen, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is.

Conclusie

Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De provincie Utrecht is, vooruitlopend op de Omgevingswet, aan de slag gegaan met de uitvoering van het omgevingsbeleid, zoals beschreven is in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie heeft aan hoe de provincie Utrecht wenst dat de provincie er in 2050 uitziet.

De Omgevingsvisie gaat over de fysieke leefomgeving. Dit omvat alle aspecten van de fysieke leefomgeving op, onder en boven de grond. De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is uitgewerkt in thema's en gebieden. Het betreft de volgende beleidsthema's:

  • 1. Stad en land gezond;
  • 2. Klimaatbestendig en waterrobuust;
  • 3. Duurzame energie;
  • 4. Vitale steden en dorpen;
  • 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar;
  • 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur;
  • 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw.

Landschap Utrechtse Heuvelrug en Kernrandzone

Het plangebied ligt in het landschap Utrechtse Heuvelrug en deels in de kernrandzone. Per landschap heeft de provincie kernwaarden vastgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0009.png"

Uitsnede Omgevingsvisie, ligging landschap Utrechtse Heuvelrug en kernrandzone (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Landschap Utrechtse Heuvelrug

De Utrechtse Heuvelrug wordt bepaald door het doorlopende reliëf en manifesteert zich als een eenheid. Het landschap onderscheidt zich sterk van de omliggende vlakkere, meer open landschappen. Er komt veel bos voor op de Utrechtse Heuvelrug, dat wordt afgewisseld met heide, vennen en stuifzand. Open plekken zijn gerelateerd aan het bos en niet aan de wegen.

Kernkwaliteiten

  • robuuste eenheid
  • reliëfbeleving
  • extreme historische gelaagdheid

De ambities voor de Utrechtse Heuvelrug zijn het in stand houden van het reliëf en het samenhangend boscomplex.

Deze kernkwaliteiten en worden door voorliggend plan niet aangetast, tevens heeft voorliggend plan geen invloed op de ambities. Op het perceel is reeds bebouwing aanwezig die wordt vervangen.

Kernrandzone

Vanwege de kwaliteiten en mogelijkheden van de kernrandzones wordt gemeenten gevraagd om specifiek beleid gericht op het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Als dit nodig is voor de realisatie van ruimtelijke kwaliteitsversterking kan met dit beleid ook nieuwe verstedelijking mogelijk worden gemaakt. De aard en omvang van deze verstedelijking dient in redelijke verhouding te staan tot deze gewenste kwaliteitsversterking. En de aard en omvang van de gehele ontwikkeling dient in redelijke verhouding te staan tot de kern waaromheen de betreffende kernrandzone gelegen is.

In voorliggend plan veranderd zijn er geen ontwikkelingen voorzien in het deel van het plangebied dat is aangeduid als kernrandzone. Dit deel van het plangebied krijgt een natuurbestemming.

Beschermingszone drinkwaterwinning

De locatie ligt in de beschermingszone drinkwaterwinning, hier wordt in paragraaf 3.2.2 nader op ingegaan.

CHS- Archeologisch waardevolle zone

De planlocatie ligt in een archeologisch waardevolle zone. Cultuurhistorische waarden van de leefomgeving beschermt en benut de provincie, door ze beter zichtbaar en beleefbaar te maken en door ze te gebruiken als dragers en aanjagers van ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de Cultuurhistorische hoofdstructuur leggen we de nadruk op gebieden die gemeentegrenzen overstijgen: historische buitenplaatszones, militair erfgoed, agrarische cultuur landschappen, archeologisch waardevolle zones en historische infrastructuur.

Het beleid voor de archeologisch waardevolle zones richt zich op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van de archeologische resten in de bodem (‘in situ’).

Voor het plangebied heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden (paragraaf 4.9). Hieruit bleek dat in het grootste deel van het plangebied is de bodem in het recente verleden verstoord is tot in de top van het dek zand. Van een eventuele vindplaats zullen hier dan ook enkel diepere grond sporen bewaard gebleven zijn. Er is geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening

De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De interim omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast voorziet de verordening in regels die doorwerking van de beleidsdoelstellingen uit de Omgevingsvisie een juridische basis geven waarmee concrete uitwerking wordt gegeven aan de doelstellingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0010.png"

Uitsnede Omgevingsverordening, ligging stedelijk gebied (www.ruimtelijkeplannen.nl)

De planlocatie ligt in het Landschap Utrechtse Heuvelrug en grotendeels binnen het stedelijk gebied dat is aangeduid in de Omgevingsverordening. De woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt worden binnen het stedelijk gebied gerealiseerd. Het overige deel is aangeduid als landelijk gebied binnen het NNN. Dit deel van het plangebied heeft passend in het provinciaal beleid een natuurbestemming in voorliggend plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0011.png"

Uitsnede Omgevingsvisie, ligging NNN (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Daarnaast ligt het plangebied in de beschermingszone drinkwaterwinning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0012.png" Uitsnede Omgevingsvisie, ligging beschermingszone drinkwaterwinning (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied ligt in het grondwaterbeschermingsgebied Doorn. Het grondwaterbeschermingsgebied is een gebied rondom de grondwaterwinning Doorn. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Ter bescherming van de grondwaterkwaliteit stelt de provincie Utrecht in haar Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht (artikel 3.21a t/m 3.38) dat een aantal activiteiten aan voorschriften is gebonden. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 3 meter onder het maaiveld, het toepassen van bodemenergiesystemen, diepinfiltratie van grondwater en het op of in de bodem lozen van verontreinigd hemelwater. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk.

Daarnaast geldt voor iedereen in het grondwaterbeschermingsgebied de bijzondere zorgplicht (art. 3.12 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf.

Conclusie

Voorliggen plan is niet in strijd met het provinciaal belang. Het plan heeft geen invloed op de drinkwaterwinning.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' vastgesteld. In de visie staat een hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving voorop, hetgeen moet worden bereikt door middel van een houding van bedachtzaamheid, een integrale belangenafweging, het hechten van een groot belang aan leefbaarheid en sociale samenhang en het bijdragen aan een duurzame omgeving.

Er is sprake van een hoogwaardige woonomgeving met waardevolle samenhangende cultuurhistorische complexen. Daarnaast heeft de gemeente een grote aantrekkingskracht op toeristen.

De ontwikkeling van woningen wordt toegejuicht, mits rekening wordt gehouden met de landschappelijke kwaliteiten (zoals cultuurhistorie, landschap, natuur en archeologie). De gemeente ziet graag dat er initiatieven worden ontwikkeld. Dit verhoogt de waarde en de vitaliteit van de leefomgeving. Ontwikkelingen die bijdragen aan het doorstromen van huishoudens naar passende woningen om zo vraag en aanbod dichter bij elkaar te brengen hebben de voorkeur van de gemeente. Tevens wil de gemeente graag gezinswoningen realiseren met een grootte vanaf 800 m3 met een goedkoop uitvoeringsniveau die ook geschikt zijn voor ZZPers.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0013.png"

Visiekaart Doorn. De paarse cirkel is een globale aanduiding van het plangebied. (www.utrechtseheuvelrug.nl)

Doorn heeft een sterk imago dat ook ver buiten de gemeente herkend wordt. Dat imago wordt gedragen door de omgevingskwaliteit (de bossen), de vele conferentiecentra, de herinnering aan Simon Vestdijk, en de landgoederen, vooral Huis Doorn.

Doorn is behalve een woondorp ook een dorp met een groot aantal arbeidsplaatsen (ruim 4.500) en een redelijk groot aantal winkels. Ook is het voor recreatie aantrekkelijk.

De planlocatie ligt binnen de rode contouren.

Conclusie

De initiatiefnemer is van plan om binnen de rode contour twee vrijstaande woningen te realiseren. Daarnaast worden de landschappelijke waardes van het perceel niet aangetast bij de realisatie van dit plan. Zo wordt de bouw archeologisch begeleid en is er een bomeninventarisatie uitgevoerd. Beide zaken zorgen ervoor dat de waardes binnen het plangebied zo goed als mogelijk blijven behouden en waar mogelijk versterkt door de aanplanting van groen.

Woonvisie 2018 - 2022

De gemeente Utrechtse Heuvelrug streeft ernaar dat inwoners wonen in een duurzame woning en dat inwoners een wooncarrière kunnen maken waarbij huishoudens doorverhuizen naar een woning die aansluit bij hun gezinssituatie en waarin kan worden voorzien in de zorgvraag die zij nodig hebben en die past bij het inkomen. De gemeente hanteert bij het vraagstuk wonen drie hoofdthema's:

    • 1. Woningmarkt in beweging
    • 2. Levensloopbestendig wonen
    • 3. Duurzaam wonen

Op de woningmarkt heerst krapte, zowel voor huur- als koopwoningen. Hierdoor blijven mensen wonen in een woning die niet langer passend is bij hun huishouden en wensen. Om de woningmarkt in beweging te krijgen is nieuwbouw en doorstroming in de bestaande voorraad noodzakelijk. Hierbij moet goed gekeken worden naar de vraag op de woningmarkt. Bij de ontwikkelingen op de huizenmarkt speelt het thema 'duurzaamheid' een belangrijke rol. De gemeente spreekt in deze woonvisie de ambitie uit om de gehele woningvoorraad te verduurzamen en wil het graag inzetten op duurzame nieuwbouw.

De gemeente wil zich hierbij een andere rol aanmeten. De gemeente wil meer faciliteren en actief meedenken met de inwoners die hun wooninitiatieven willen realiseren. Het is gebleken dat particuliere wooninitiatieven niet onderdoen voor projectontwikkelaars, als het gaat om duurzaam of innovatief bouwen. Dit zorgt ervoor dat vraag en aanbod op de woningmarkt dichter bij elkaar komen, waardoor inwoners een woning kunnen betrekken die passen bij het huishouden.

Ondanks dat de wens is uitgesproken om het groene karakter van de omgeving te bewaken, stelt de gemeente dat er moet gekeken worden naar de verdichting van de rode contouren. Dit zou bijvoorbeeld kunnen worden gedaan door het opdelen van kavels en woningsplitsing. Daarbij moet worden ingezet op maximale benutting van de plancapaciteit binnen de rode contour.

Conclusie

De gemeente Utrechtse Heuvelrug ziet dat er een grote vraag is naar woningen en juicht particuliere initiatieven dan ook toe. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de omgeving. Dit wil men mede bereiken door te verdichten binnen de rode contouren. De initiatiefnemer is zich hiervan bewust en wil graag een woning wegnemen en daar twee woningen voor in de plaats bouwen waarbij wordt ingezet op de maximale benutting van de plancapaciteit. Initiatiefnemer is voorstander van levensloopbestendig bouwen, maar hoe de levensloopbestendigheid zal worden ingevuld, wordt bepaald tijdens het ontwerpproces.

Hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid

4.1 Beeldkwaliteit

Nota Ruimtelijke kwaliteit, herziening 2017

De gemeentelijk nota ruimtelijke kwaliteit beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug en dient als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit "bouwen". In de nota is de gemeente opgedeeld in verschillende deelgebieden. Voor elke deelgebied gelden specifieke welstandscriteria.

Het doel van het beleid is het leveren van een bijdrage aan de schoonheid en aantrekkelijkheid van de (bebouwde) omgeving. De nota ruimtelijke kwaliteit legt vast op welke wijze toezicht plaatsvindt, op grond van welke uitgangspunten en criteria.

Het plangebied ligt in Doorn, dorpsbebouwing, gebied 15 van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. In dit gebied staan voornamelijk vrijstaande woningen of twee-onder-een-kapwoningen. Deze woningen hebben overwegend twee lagen met een kap en liggen op ruime kavels met veel groen. De bestaande woningen zijn in verschillende periodes tot stand gekomen. Het welstandsbeleid is erop gericht om de bestaande kwaliteiten te behouden en waar mogelijk uit te breiden.

Welstandsbeleid

Gelet op de betekenis en de gewenste uitstraling van de dorpsbebouwing van Doorn, is de bebouwing in dit deelgebied van relatief gedetailleerde welstandscriteria voorzien.

Algemeen:

  • De bouwwerken passen bij de hierboven beschreven karakteristiek, wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en materiaalgebruik.
  • Bij verbouw dienen de oorspronkelijke kenmerken als uitgangspunt.

Situering:

  • Panden centraal op de kavel (of dubbele kavel) plaatsen;
  • Entree aan voor- of zijkant realiseren.
  • Uitgangspunt is het handhaven van zoveel mogelijk onderlinge tussenruimte tussen woningen, onder meer door het vermijden van grote zijaanbouwen.
  • De woningen worden in de rooilijn gebouwd.
  • De hoofdbebouwing is op de openbare ruimte gericht.

Massa en vorm:

  • De dakvorm is vrij. Bij toepassing van een plat dak dient de bovenste bouwlaag als terugliggend geveldeel te worden vormgegeven.
  • Bij een dakhelling kleine dan 40 graden, is het dakvlak gesloten zonder dakkapellen.
  • Pandbreedte per enkele of dubbele woning 8-15 m.
  • De woningen hebben een korrelgrootte die aansluit bij die van de omgeving
  • De massaopbouw is per rij gelijk
  • Bij veranderingen (symmetrie in de gevel, hoogte-breedteverhouding van geveluitsnijdingen en dergelijke) worden de stijlkenmerken van het oorspronkelijke gebouw toegepast.
  • Aan- en bijgebouwen zijn plat, afgedekt of voorzien van een kap en liggen terug ten opzichte van de voorgevelrooilijn.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik:

  • Bij verbouwingen worden de stijlkenmerken overgenomen van de oorspronkelijke woning of het oorspronkelijke ensemble, zoals die tot uitdrukking komen in gevelconstructies, hoogte-breedteverhouding van geveluitsnijdingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen, versieringen en kleurgebruik.
  • Aanbouwen hebben de stijlkenmerken van het hoofdgebouw of vormen een duidelijk contrast daarmee.
  • Aanbouwen hebben de stijlkenmerken van het hoofdgebouw of vormen een duidelijk contrast daarmee.
  • Bij vervanging of nieuwbouw zijn stijl en detaillering vrij, mits geen afbreuk wordt gedaan aan gebouwen in de omgeving. Architectonische diversiteit wordt nagestreefd.
  • Duurzame (onderhoud, levensduur, productie) materialen gebruiken met een natuurlijke uitstraling, zoals hout of baksteen.

Conclusie

De woningen binnen het welstandsgebied zijn vrijstaande woningen of twee-onder-een kap woningen op ruime, groene percelen. Het beoogde plan sluit aan bij de bestaande structuur van de omgeving. Vanwege de locatie zijn de welstandscriteria zeer specifiek. Deze criteria hebben als uitgangspunt gefungeerd bij het ontwikkelen van het project.

Bij de verdere uitwerking van het plan moet rekening worden gehouden met het welstandsbeleid. De bouwplannen dienen te passen in de (aanwezige beeldbepalende elementen van de) omgeving en het landschap zoals geformuleerd in de nota Ruimtelijke kwaliteit en de hierin opgenomen kenmerkende gebiedscriteria.

4.2 Wonen

Gemeente

Woonvisie 2018 - 2022

De woonvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is in paragraaf 3.4 uitgebreid behandeld. Daarom zal de woonvisie op deze plek in het kort behandeld worden. De gemeente heeft als doel dat de inwoners een wooncarrière kunnen maken waarbij huishoudens doorverhuizen naar een woning die aansluit bij hun situatie en waarin kan worden voorzien in de zorgvraag die zij nodig hebben en past bij het inkomen. Bij dit centrale vraagstuk hanteert de gemeente drie hoofdthema's:

  • 1. Woningmarkt in beweging;
  • 2. Levensloopbestendig wonen;
  • 3. Duurzaam wonen.

Conclusie

De gemeente Utrechtse Heuvelrug ziet dat er een grote vraag is naar woningen en juicht particuliere initiatieven dan ook toe. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de maatschappelijke waardes van de omgeving. Dit wil men mede bereiken door te verdichten binnen de rode contouren. De initiatiefnemer is zich hiervan bewust en wil graag een woning wegnemen en daar twee woningen voor in de plaats bouwen waarbij wordt ingezet op de maximale benutting van de plancapaciteit. De grootte van de beoogde woningen is voldoende om levensloopbestendige woningen te realiseren.

4.3 Verkeer en parkeren

Provincie

Provinciale ruimtelijke verordening (Mobiliteitstoets)

De provincie vindt het van belang dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) voor alle verkeersvormen sprake is van een goede en tijdige ontsluiting. De provincie wijst er daarbij op dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een verstorend effect kunnen hebben op het functioneren van het verkeersnetwerk in de directe nabijheid. In dat geval zullen er extra maatregelen nodig om deze verstoring niet op te laten treden. Om het bovenstaande te bewerkstelligen stelt de provincie bij elke ruimtelijke ontwikkeling een mobiliteitsscan verplicht. Dit betekent dat in een vroegtijdig stadium (bij voorkeur al in de planvormingsfase) wordt nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een verstoring van het functioneren van het verkeersnetwerk. Indien dit het geval is, is op grond van artikel 3.7 PRV het verplicht de zogenaamde mobiliteitstoets te doen.

Gemeente

Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan (GVVP)

Op 28 januari 2010 heeft de gemeente het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan vastgesteld (GVVP). In het GVVP is het gemeentelijke verkeers- en vervoerbeleid opgenomen. Doelstelling van het GVVP is te zorgen voor een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en verkeersveilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economisch gezonde gemeente. Blijkens het GVVP kunnen in principe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang nog maar plaatsvinden op goed bereikbare plaatsen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dan ook getoetst te worden aan het GVVP. De gemeente gebruikt het GVVP bij het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Parkeren en verkeersgeneratie

In het GVVP zijn de parkeernormen die gehanteerd worden in de gemeente Utrechtse Heuvelrug opgenomen. In het GVVP vallen nieuwe woningen binnen de categorie 'woning duur' binnen 'rest bebouwde kom'. Voor deze categorie worden parkeernormen gehanteerd van twee parkeerplaatsen per woning. Voor bezoekers geldt een norm van 0,3 p.p. per woning. Op het perceel is reeds een bestaande woning aanwezig. Er wordt één woning toegevoegd. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om parkeergelegenheid te realiseren.

Voor de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW 381 publicatie. Het beoogde project valt hierin binnen de categorie 'koop, huis, twee-onder-een-kap' in 'rest bebouwde kom' in een weinig stedelijk gebied. Voor deze categorie wordt een verkeersgeneratie gehanteerd van minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Voor dit project geldt dus minimaal 14,8 en maximaal 16,4 verkeersbewegingen per etmaal. Een verdubbeling van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie.

Conclusie

Door de geringe omvang van het project leidt het project niet tot een verstoring van het functioneren van het verkeersnetwerk. Daarom zal het niet nodig zijn om een mobiliteitstoets uit te voeren. Ook omtrent het parkeren zijn er geen bezwaren omdat het ook hier gaat om een relatief kleine ontwikkeling en de benodigde parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein.

4.4 Milieu

4.4.1 Milieu algemeen

Rijk

Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4)

Op 13 juni 2001 is de kabinetsnota 'Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid' verschenen. In dit NMP4 wordt de wil uitgesproken om een eind te maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in minder bedeelde landen.

De hoofdlijnen van het NMP4 zijn als volgt samen te vatten:

  • Er is in de afgelopen dertig jaar veel bereikt; veel milieuproblemen zijn opgelost of beheersbaar geworden. Toch is er, vooral op mondiaal niveau, nog steeds te weinig controle op een paar grote milieuproblemen.
  • Het gaat om zeven grote milieuproblemen. Klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit en de aantasting van de natuurlijke hulpbronnen zijn daar onderdelen van.
  • Het NMP4 laat zien wat Nederland kan en moet doen om binnen dertig jaar deze problemen op te lossen en daarmee een duurzame samenleving te bereiken. De doelstellingen van NMP4 zijn geformuleerd in termen van de kwaliteit van leven.
  • Het NMP4 wil veranderingen actief organiseren via systeeminnovatie. Dit zijn ingrijpende activiteiten die de huidige barrières om te komen tot een duurzame samenleving wegnemen.

Het kabinet heeft hiervoor drie ambities uitgesproken die betrekking hebben op nationaal niveau. De ambities hebben betrekking op 'Natuur en biodiversiteit', 'Gezond en veilig' en 'Hoogwaardige leefomgeving'.

Conclusie

Het NMP4 heeft geen invloed op voorliggend plan.

Milieu Effect Rapportage (M.E.R.)

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure doorlopen moet worden

De bouw van woningen is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject', waaronder ook de bouw van woningen wordt verstaan. Het beoogde plan gaat uit van twee nieuwe woningen, waardoor de zogenaamde drempelwaarde van 2000 woningen niet wordt overschreden. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft echter ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De vraag of een ontwikkeling een stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van het Besluit m.e.r. hangt volgens de jurisprudentie af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder andere de aard en omvang van de ontwikkeling een rol spelen.

Conclusie

In dit geval gaat het om het bouwen van een twee duurzame woningen binnen een reeds bestaand bouwvlak waar al één woning is toegestaan. Dit in combinatie met de sloop van de huidige bebouwing en het in acht nemen van de omliggende natuurlijke waardes. Hierdoor is er per saldo niet of nauwelijks sprake van extra ruimtebeslag. Een dergelijke ontwikkeling is naar aard en omvang niet te beschouwen als een 'stedelijke ontwikkeling' in de zin van het Besluit m.e.r. Het besluit is op deze ontwikkeling niet van toepassing en er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Provincie

Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021

Op 7 december 2015 is het Bodem-, - en Milieuplan 2016 - 2021 vastgesteld. Dit is het beleidsplan wat de wettelijke provinciale taken zijn omtrent bodem, water en milieu voor de periode van 2016 - 2021. Hierin stelt de provincie vier prioriteiten:

  • Waterveiligheid en wateroverlast
  • Schoon en voldoende oppervlaktewater
  • Ondergrond
  • Leefkwaliteit stedelijk gebied

Deze prioriteiten hebben een beleidsinsteek opgeleverd die veel meer dan voorheen gericht is op het voorkomen van problemen en vooral op het verbeteren van de Utrechtse leefkwaliteit. Hierbij neemt de provincie Utrecht de rol op zich om te verbinden, te stimuleren of te regisseren. Gebiedsgerichte aanpak staat hierbij centraal. Hierbij streeft de provincie naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Daarnaast streeft de provincie naar bodem-, water-, en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Ook streeft de provincie naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Als laatste streeft de provincie Utrecht naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.

De rol van stedelijke gebieden worden hierin steeds belangrijker. In stedelijke gebieden wonen, werken en recreëren mensen relatief dicht op elkaar waardoor ogenschijnlijk kleine ontwikkelingen relatief veel effect op de fysieke leefomgeving (kunnen) hebben. In dit verband wordt steeds meer de nadruk gelegd op gezonde verstedelijking, waarbij gezocht wordt naar het leggen van koppelingen tussen leefbaarheid, veiligheid, bereikbaarheid en duurzaamheid.

Conclusie

De initiatiefnemer is van plan om de huidige bebouwing te slopen en daar twee nieuwe duurzame woningen terug voor te bouwen. De projectlocatie ligt aan de rand van het dorp in een bosrijk gebied. De bosrijke omgeving wordt niet aangetast, waardoor de landschappelijke waarde blijft behouden. Daarnaast zorgt de beplanting ervoor dat de waterhuishouding op orde blijft.

Gemeente

Programma "Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal" (2017)

In deze vernieuwde milieubeleidsplanning neemt duurzaamheid en kwaliteit van de leefomgeving een belangrijke plaats in. Ruimtelijke ontwikkelingen worden tevens gerelateerd aan milieukwaliteitsprofielen die voor verschillende typen omgevingen zijn geformuleerd.

Gebiedsgericht milieubeleid

De gemeente Utrechtse Heuvelrug werkt met gebiedsgericht milieubeleid. De gemeente is opgedeeld in gebiedstypen. Bij iedere gebiedstype hoort een milieukwaliteitsprofiel met bijbehorende kenmerkende kwaliteiten die bij ruimtelijk ontwikkelingen worden getoetst. Voor dit bestemmingsplan is profiel "Wonen - buiten centrum" van toepassing:

Wonen - Buiten centrum   Wettelijk niveau   Huidige kwaliteit   Ambitiekwaliteit  
Bodem
- Besluit Bodemkwaliteit  
Achtergrondwaarden***   Achtergrondwaarden   Achtergrondwaarden  
Energie / Dubo
- EPL
- EPC
- GPR Gebouw  
6,6
0,8 (tot 2011, dan: 0,6)
6  
onbekend
onbekend
onbekend
 
25% verscherpte EPL (tot 2011: 8,25)
25% verscherpte EPC (tot 2011: 0,6, dan: 0,45)
Gemiddeld 7, bij kansrijke projecten 8  
Externe
Veiligheid
- plaatsgebonden risico (PR)
- Groepsrisico (GR)  
1 * 10-6
nvt, motivatieplicht  
1 * 10-8 - 1 * 10-7
1 * 10-8 - 1 * 10-6 (Drieb)
< 0,1 x OW
0,1 - 12 x OW (Drieb)  
=< 1 * 10-8
< 0,1 x OW  
Geluid
-wegverkeer (dB)
- bedrijven (dB(A))
-rail (dB)  
48*
50
55**  
<53
50
<55
<60 (Maarn)  
<48
45
<50
<55 (Maarn)  
Groen en Natuur
-belevingswaarde  
n.v.t.   Groen dat behaagt   Groen dat leeft  
Licht
-dag en avond (lux)
7.00-23.00 uur
- nacht (lux)
23.00-7.00  
10
2  
onbekend
onbekend  
2
1  
Lucht
-NO2[µg/m3]
- PM10 [µg/m3]
- PM2,5 [µg/m3]  
40
31,3  
20-22
21-22  
18-22
20-21  
Verkeer
-Fietspaden
-Fietsstallingen
-Openbaar vervoer  
n.v.t.   Ontsluiting op weg met gemengd verkeer en/of lage intensiteit
Geen bijzondere voorzieningen
Laag frequent, 1x p.u.  
Ontsluiting op fietsnetwerk
Voldoende stallingen
Hoog frequent, 2-4x p.u.  
Water
-belevingswaarde
-afkoppelen (%)  
n.v.t.   Basis
10-20  
Midden
60-100  

In onderstaande milieuparagrafen worden bovenvermelde milieuaspecten getoetst aan dit profiel.

4.4.2 Bodem

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Bodemkwaliteit plangebied

Het plangebied is altijd een woonlocatie geweest en er hebben zich geen bodemverontreinigende activiteiten voor gedaan. Ten behoeve van voorliggend plan is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Uit het verkennend bodemonderzoek van Van Dijk in 2020 (bijlage 2) blijkt dat enkel de onderlaag licht verontreinigd is met PCB. Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er gezien de geringe mate aan verontreiniging milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige nieuwbouw.

Conclusie

Vanuit het aspect bodemkwaliteit is de sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van twee nieuwe woningen aan de Van Galenlaan 38 mogelijk. De grond is daarbij geschikt voor het beoogde gebruik.

4.4.3 Geluid

Wet geluidhinder

Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone.

Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidsgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde).

Het plan

In het plangebied is geen sprake van railverkeer en industrielawaai. Het plangebied wordt ontsloten via de Van Galenlaan. Dit is een 30 km/uur weg. Wegen met een snelheid van maximaal 30 km/uur hebben geen geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. Voor dit soort wegen is akoestisch onderzoek daarom niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel van belang om de akoestische invloed van 30 km/uur wegen te bepalen. Volgens de geluidskaarten op het Geoloket van de ODRU is de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied minder dan 38 dB. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeurswaarde en kan voor het aspect geluid een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0014.png"

Uitsnede Geoloket: de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied minder dan 38 dB.

Conclusie

Het aspect geluid levert geen beperkingen op voor dit plan.

4.4.4 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde.

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.

Daarnaast worden er bestemmingen benoemd die extra gevoelig zijn voor luchtvervuiling, de zogenaamde gevoelige bestemmingen. Uiteraard moet niet alleen bij gevoelige bestemmingen, maar bij alle projecten sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit dit oogpunt moet afgewogen worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM), d.w.z. hoogstens 3%, bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Deze grens wordt concreet gelijk gesteld aan een woonwijk van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Dit plan valt onder deze grens.

Luchtkwaliteit plangebied

Uit luchtkwaliteitskaarten van de omgevingsdienst Utrecht (OdrU) komt het volgende beeld naar voren:

Indicator   Grens waarden   Huidige kwaliteit   Ambitie kwaliteit   Situatie
2018  
Situatie
2030  
NO2 [µg/m3]   40   14 - 16   18 - 22   14 -16   8 - 10  
PM10[µg/m3]   31,3   18 - 19   20 - 21   18 - 19   16 - 17  
PM2,5[µg/m3]   25   11,5 - 12   --   11,5 - 12   9,5 - 10  


Uit het overzicht blijkt dat in het plangebied de grenswaarden niet worden benaderd. De concentratie stikstofdioxide in het plangebied was in 2018 tussen de 14 - 16 µg/m3. Dit is nog steeds relevant voor 2020 waarmee voor stikstofdioxide (NO2) al voldaan wordt aan de ambitiekwaliteit uit het milieubeleidsplan. De landelijke GGD bestempelt tien microgram per kuub als zijnde milieugezondheidskwaliteit goed. Boven de twintig microgram wordt de kwaliteit als matig gezien. De huidige kwaliteit zit boven de tien microgram per kuub, maar onder de twintig microgram per kuub. De luchtkwaliteit kan daarom bestempelt worden als goed tot matig volgens de landelijke GGD richtlijnen.

Van fijnstof (PM10) is bekend dat dit siginificant schadelijke effecten heeft op de gezondheid beenden de grenswaarde van veertig microgram per kuub. De WHO hanteert daarom een advieswaarde van twintig microgram per kuub. Een concentratie van boven de twintig microgram per kuub wordt door de landelijke GGD bestempelt als zijnde millieugezondheidkwaliteit onvoldoende en boven de dertig microgram per kuub als zijnde zeer onvoldoende. Voor fijnstof werd in 2018 al voldaan aan de ambitiekwaliteit uit het milieubeleidsplan. Dit is in 2020 iets omhoog gegaan waardoor het net buiten de ambities valt uit het mileubeleidsplan. De verwachting is dat in 2030 de hoeveelheid fijnstof sterk is gedaald waardoor wordt voldaan aan de kwaliteitsambitie van de OdrU.

Fijnerstof (PM2,5) is een belangrijke schadelijk component van fijn stof.
De WHO (World Health Organisation) hanteert een advieswaarde van 10 microgram per m3. Een concentratie van boven de 10 microgram per kuub wordt door de landelijke GGD bestempelt als zijnde milieugezondheidkwaliteit onvoldoende en boven de 14 microgram als zijnde zeer onvoldoende. Het wettelijke jaargemiddelde ligt met 25 microgram per kuub aanzienlijk boven deze aanbeveling. De situatie in 2018 laat zien dat de waarde PM2,5 met anderhalf tot twee microgram per kuub boven de advieswaarde van de WHO zit en door de GGD bestempeld wordt als onvoldoende, maar niet zeer onvoldoende. De verwachting voor de situatie in 2030 laat zien dat deze onder de advieswaarde zit die de WHO hanteert. Daarmee voldoet het ook aan de adviezen van de GGD.

De voorgestelde planontwikkeling, het slopen van de oude bebouwing en de nieuwbouw van 2 woningen, leidt niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Conclusie

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.4.5 Bedrijven en milieuzonering

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere milieubelastende functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is en dient beoordeeld te worden of ter plaatse van in de nabijheid gelegen gevoelige functies, zoals woningen sprake blijft van een adequaat woon- en leefmilieu. Bij het bepalen hiervan kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 worden gehanteerd. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform:

• VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'(editie 2009).

• Wet milieubeheer.

VNG handreiking

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. De meest voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk /buitengebied zijn weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0015.png"

Om te voorkomen dat hinder ontstaat moet tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige bestemmingen (zoals woningen) voldoende afstand in acht genomen worden. Voor het bepalen van deze afstanden wordt getoetst conform de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) en de Wet milieubeheer. De richtafstanden gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Bij functiemenging kan worden afgeweken van deze afstanden.

Het plan

Het beoogde plangebied ligt in een rustige woonwijk binnen de bebouwde kom. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd. Er is sprake van een goed- woon- en leefklimaat en door het mogelijk maken van twee woningen worden er geen bedrijven in de omgeving van het plangebied gehinderd.

Conclusie

Het aspect bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.

Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader tot op heden nog de circulaire risiconormering transport gevaarlijke stoffen. Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is het risico uitgedrukt als de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico zijn de cumulatieve kansen dat per jaar dat een groep van 10, 100 of 1000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting of een transport-as en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Plaatsgebonden risico

Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar. De kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is, mag dus niet groter zijn dan 1 op een miljoen. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding.

Het plan

Op onderstaande kaart is de risico inventarisatie te zien. Er bevinden zich in het plangebied geen risicobronnen die in relatie staan tot het plaatsgebonden risico en/of de verantwoordingsplicht groepsrisico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0016.png"

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (www.risicokaart.nl)

Bedrijven – Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Bedrijven – Overige veiligheidswetgeving

Er zijn in de directe omgeving geen bedrijven gevestigd met een overig veiligheidsrisico. Propaantanks zijn in het bedrijvenbestand van de Omgevingsdienst in dit gedeelte van de gemeente Utrechtse Heuvelrug niet bekend.

Transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water

Er moet rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en water. Wegen, spoorwegen en vaarwegen met structureel en grootschalig vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet in de buurt van het plan.

Gemeentelijke routering

Voor de gemeentelijke en provinciale wegen is in de gemeente Utrechtse Heuvelrug een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Deze route loopt niet langs of door het plangebied.

Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren.

Er kan langs het plangebied dus wel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden van de niet-route plichtige stoffen (zoals benzine) en route plichtige stoffen (zoals propaan), maar de frequentie daarvan is (door het lokale karakter van het transport) dermate laag dat daardoor geen risico's ontstaan die ruimtelijk relevant zijn.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Er moet rekening worden gehouden met transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Volgens de "provinciale risicokaart" liggen er in of nabij het plangebied geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen. Het gasnet voor huishoudens en bedrijven valt niet binnen het kader van externe veiligheid.

Elektromagnetische straling

Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken.

Risicotoetsing

Voor zowel plaatsgebonden risico als groepsrisico wordt voldaan aan de ambitiekwaliteit van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
Er is geen sprake van aangrenzende wegen die bestemd zijn als transportroute voor gevaarlijke stoffen.

Er is geen risicorelevante bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied aanwezig.

Conclusie

Het veiligheidsaspect levert geen belemmeringen op voor de verdere planontwikkeling.

4.4.7 Duurzaamheid

De Gemeente Utrechtse Heuvelrug is een groot voorstander van duurzame ontwikkeling / bouwen en wil dit graag actief ondersteunen in haar ruimtelijke beleid. Duurzaam bouwen is een manier van bouwen waarbij het milieu zo min mogelijk wordt belast, een optimale woonkwaliteit wordt gerealiseerd en het gebouw een lange levensduur heeft. Dit kan door bijvoorbeeld meer flexibiliteit in gebruik in te bouwen of door een beter op het gebruik afgestemde materiaalkeuze.

Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.

Wetgevend kader

De wettelijke eisen zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Per 10 maart 2020 is het bouwbesluit gewijzigd en zijn de eisen ten aanzien van duurzaamheid aangescherpt. Deze zijn als volgt:

• Minimale isolatiewaarden (Rc) voor dichte uitwendige scheidingsconstructies, per onderdeel van de schil - 4,5 voor gevel, 6 voor het dak en 3,5 voor de vloer;

• Een gemiddelde U-waarde van 1,65 voor ramen (glas en kozijn) en deuren, maximaal 2,2;

• Een maximale EPC waarde afhankelijk van het type gebouw. De EPC dient berekent te worden middels de EPG methodiek. Voor woningen is dit 0,4;

• Een Milieuprestatie Gebouw (MPG). Deze verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m².

Conclusie

De initiatiefnemer is zich bewust van de visie van zowel de gemeente Utrechtse Heuvelrug alsmede de provincie Utrecht. Er is nog geen ontwerp gemaakt van de toekomstige bebouwing. De initiatiefnemer zal bij het ontwerpproces rekening houden met bovenstaande regelgeving.

Milieuprestatie Gebouw (MPG)

Vanaf 2015 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m². De initiatiefnemer kan op twee manieren aantonen te voldoen aan het Bouwbesluit:

• Zelf documenten aanleveren waarmee aangetoond wordt dat voldaan is aan het Bouwbesluit.

• Het aanleveren van een SBK-bewijs MPG, hetgeen voldoende bewijs is dat voldaan is aan het Bouwbesluit.

De Stichting Bouwkwaliteit (SBK) geeft op de website www.milieuprestatiebewijs.nl informatie over het aanvragen van een SBK-bewijs. Voor het aanvragen moet een berekening worden aangeleverd, voor maken van een berekening is een gratis licentie beschikbaar bij de Omgevingsdienst voor de software van GPR Gebouw.

De wettelijke eisen aan nieuwbouw van woningen staan in het bouwbesluit van 2012. Aanvullend op deze eisen heeft de Gemeente Utrechtse Heuvelrug haar duurzaam bouwen beleid verwoord in het milieubeleidsplan "Natuurlijk Duurzaam" (2009).

Het plan

De planontwikkeling levert een bijdrage aan het streven naar efficiënt ruimtegebruik en is gericht op een duurzame versterking van het landelijk gebied. Omdat er nog geen definitief ontwerp is voor de beoogde woningen zijn er een aantal maatregelen waar de initiatiefnemer rekening mee gaat houden tijdens het uitwerken van zijn plannen.

  • Zongericht bouwen: Door de woning zongericht te bouwen, kan maximaal gebruik worden gemaakt van de warmte van de zon. Ook zijn er dan meer mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie met zonnepanelen. Zongericht bouwen combineert wooncomfort en duurzaam bouwen. Voor maximaal comfort dient ook gekeken te worden naar het gebruik van zonwering.
  • Een (bodem)warmtepomp: Een warmtepomp maakt gebruik van elektriciteit om warmte uit een bron te ontrekken en gebruikt dus geen aardgas. Als bron kan gebruik worden gemaakt van de lucht of de bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden.
  • PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting.
  • Zonnewarmtecollector: Een zonnewarmtesysteem kan jaarlijks tot circa 50% van de warmtapwaterbehoefte verzorgen. Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. Ook zal de warmtepomp een langer levensduur hebben, doordat deze alleen nodig is als er onvoldoende zonnewarmte beschikbaar is.
  • Een verbeterde naad- en kierdichting; Een uitstekende naad- en kierdichting (Qv10= 0,3 dm3/s.m2). Door in de gehele woning verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Bij oplevering wordt geadviseerd een luchtdichtheidstest (blowerdoortest) uit te laten voeren conform NEN 2686, NEN-EN-ISO 9972.
  • Extra isolatie: Met extra isolatie kan de energieprestatie van de volledige woning verder worden verbeterd.
  • Douche-warmteterugwinning (douche-wtw): Hiermee kan de ‘verloren’ warmte van het afvalwater deels hergebruikt worden.
  • Hotfill aansluiting van Wasmachine en vaatwasser: De wasmachine en of vaatwasser worden gevoed met warmwater vanuit de ketel of warmtepomp. Elektrisch verwarmen in de machine kost namelijk veel meer energie in vergelijking met een water uit de CV of warmtepomp.
  • Een energiezuinig ventilatiesysteem: Door gebruik te maken van warmteterugwinning en/of sturing op basis van gebruik van de ruimtes (op CO2) wordt energie bespaard.

Conclusie

Bij de realisatie van de woningen wordt voldaan aan de wettelijke eisen met betrekking tot energie en duurzaam bouwen.

4.5 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgasleidingen afhankelijk van druk;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Uit de toelichting en verbeelding van het geldende bestemmingsplan is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

4.6 Water

Rijk

Het Nationaal Waterbeleid is gericht op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het nationale beleid heeft geen directe implicaties voor dit bestemmingsplan.

Provincie

Het waterbeleid van de provincie Utrecht omvat het beleid voor waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van water in de provincie.

Het plangebied heeft in het provinciale waterbeleid de functie 'landelijk gebied' waarvoor specifieke doelstellingen gelden. Deze vinden hun neerslag in waterbeheerplannen.

Waterbeheerplan 'Waterkoers 2016-2021' en Waterstructuurvisie, Keur en Legger

Het Waterschap HDSR geeft hierin aan wat de komende periode te doen staat met waterbeheer, waterkering en de waterketen. Dit betreft de zorg voor voldoende schoon water waar dat voor mens, dier en natuur gewenst is, en voor het voorkomen van wateroverlast en overstroming. In het waterbeheersplan geeft het Waterschap tevens invulling aan de verschillende waterwetten en -verordeningen, beleidsstukken en overeenkomsten of afspraken met instanties en belanghebbenden.

In watergebiedsplannen wordt het beleid verder uitgewerkt.

Watergebiedsplan Langbroekwetering

In een watergebiedsplan legt het waterschap voor een periode van 10 jaar de beheerplannen voor grond- en oppervlaktewater vast. In dit plan staan maatregelen om de aan- en afvoer van water in het gebied te verbeteren. Het bevat de richtlijnen voor het waterbeheer in een bepaald deelgebied, onder andere over peilbeheer en onderbemaling.

Het waterschap is bezig met de uitvoering van maatregelen uit het watergebiedsplan Langbroekerwetering. Zo worden te krappe duikers vergroot, enkele stuwen vernieuwd en enkele natuurvriendelijke oevers aangelegd. Ook neemt het waterschap maatregelen om de verdroging tegen te gaan.

Regionaal

Convenant afkoppelen

In november 2015 is de jongste versie van het convenant "Afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug" getekend tussen de provincie Utrecht, 10 gemeenten met grondgebied op de Utrechtse Heuvelrug en de waterschappen Vallei & Eem en HDSR. In dit convenant zijn afspraken gemaakt over welke verharde oppervlakken wel en niet kunnen worden afgekoppeld, afhankelijk van het risico van vervuiling van het grondwater. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen afkoppelen binnen en buiten het grondwaterbeschermings-gebied van de drinkwaterwinningen op de Utrechtse Heuvelrug. Voor dakoppervlakken geldt in dit convenant, dat zowel binnen als buiten het grondwaterbeschermingsgebied deze zonder aanvullende voorzieningen kunnen worden afgekoppeld. Voor andere oppervlakken kunnen aanvullende eisen worden gesteld waarvoor het convenant als richtlijn geldt.

Gemeente

Waterbeleid Gemeente Utrechtse Heuvelrug

Het waterbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is gericht op het voorkomen en terugdringen van verontreiniging van oppervlaktewater door inzameling afvoer en zuivering van afvalwater, het terugdringen van ongewenste lozingen en het voorkomen van verontreiniging van regenwater via afkoppeling en het gebruik van niet uitlogende (bouw)materialen.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan

Het gemeentelijke rioleringsplan bevat de integrale visie van de gemeente op grondwater, regenwater en stedelijk afvalwater. Het beleid is gericht op het versterken en /of intensiveren van het voorgaande beleid. Hierin staan de volgende basisprincipes centraal:

• Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit)

• Schoon houden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit)

• Waarborg tegen overstroming - overstromingsrobuust bouwen (veiligheid)

Beleid hemel- en afvalwater.

Voor het hemelwater streeft de gemeente naar het zoveel mogelijk ter plaatse vast houden van water. Dit betekent dan dat het hemelwater niet langer het riool ingaat maar lokaal wordt geborgen in de bodem en/of oppervlaktewater.

Dit levert zowel voordelen op voor het milieu als de economie. Het helpt om verdroging van gebied te bestrijden en voorkomt dat schoon oppervlaktewater vies wordt. Verder verbetert de werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Deze werkt beter als rioolwater minder vermengd is met regenwater.

Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.

Overleg waterbeheerder

In mei 2020 is in het kader van de watertoets overleg opgestart met HDSR. Het laatste overleg is gevoerd in januari 2021 met de heer Overgaauw van HDSR.

Voor plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m2 binnen stedelijk gebied stelt HDSR zich op het standpunt dat deze plannen geen belangrijke gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Wel wordt geadviseerd dat de waterhuishouding op eigen terrein wordt geïnfiltreerd. Het voorliggende plan voldoet hieraan. Er worden twee bouwvlakken mogelijk gemaakt met een totaaloppervlak van 600m2 . Deze bouwvlakken worden niet geheel verhard en conform de bestemmingsplanregels is er maximaal 250m2 bebouwing per bouwvlak toegestaan. Zo zal het woonhuis een bvo hebben van tussen de 150m2 en 200m2 en het bijgebouw 50m2. Het terras en de toegangsweg beslaan samen 110m2.

In de bestaande situatie is er één bouwvlak aanwezig van 1.100m2 . Binnen dit bouwvlak mag ook maximaal 250m2 bebouwing worden gerealiseerd. De bestaande woning heeft een bvo van 260m2, het terras een oppervlakte van 145m2 en de toegangsweg een oppervlakte van 220m2. Het totaal verharde oppervlakte neemt in de nieuwe situatie af met 5m2 tot een maximale toename van 95m2.

  bestaand   nieuw  
bouwvlakken   1   2  
oppervlak bouwvlak (m2)   1.100   300 (per bouwvlak)  
bebouwingsmogelijkheid (m2)   250   250 (per bouwvlak)  
Totaal aanwezig verhard oppervlakte (m2)   625   620 - 720  
maximale toename bwbouwing (m2)   --   95  

Ondanks het feit dat er op dit moment geen grotere toename van verharding dan 500m2 wordt verwacht is afgesproken dat de uitwerking van voorliggend plan in nauw overleg met HDSR plaats zal vinden. Op dit moment is er nog geen ontwerp van de toekomstige woningen beschikbaar. De woningen worden gerealiseerd conform geldende wet- en regelgeving. Er wordt een gescheiden stelsel gerealiseerd en geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend plan. Uitwerking van de ontwerpen wordt in nauw overleg met HDSR gedaan.

4.7 Groen, natuur en landschap

Rijk

Natuurbeschermingswet

De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Samen met andere vormt deze wet het beschermingsrecht voor zowel soorten als gebieden. De wet richt zich op gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Daarmee wordt op nationaal niveau invulling gegeven aan de Europese richtlijnen. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. De wet bepaalt dat projecten en plannen, die de kwaliteit van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Als er geen schade optreedt, kan vergunning worden verleend. Is dit wel het geval, kan vergunning alleen worden verleend als aan verschillende eisen wordt voldaan. Bij ruimtelijke ingrepen dient altijd te worden nagegaan of een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet.

Voorts regelt de wet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

De natuurbeschermingswet heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen. Bij ruimtelijke plannen met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, of de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen.

Nationaal netwerk

Het nationale netwerk van natuur (NNN) is een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingen daartussen op nationaal niveau. Natura 2000, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, maakt onderdeel uit van deze structuur. Zowel het Rijk als de Provincie wensen het NNN netwerk te behouden en verder te ontwikkelen. In de Provinciaal Ruimtelijke Verordening (PRV) is dan ook een beschermingsregime opgenomen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen significant nadeel opleveren voor de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN netwerk.

Beschrijving natuur en landschap

Plantoetsing

Quickscan

Voor het bepalen van eventuele effecten op de natuurlijke waarden is in 2020 een quickscan flora fauna uitgevoerd door Laneco. De conclusies van het onderzoek zijn hieronder samengevat. Het complete onderzoek is als bijlage 3 bijgevoegd.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op ruim 6,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Kolland & Overlangbroek". Externe effecten van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling op de omliggende Natura 2000-gebieden kunnen gezien de ligging in de bebouwde kom, de afstand en de tussenliggende elementen, zoals bebouwing en wegen, worden uitgesloten.

Soortenbescherming

  • Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, konijn, ree, vos, spitsmuizen, kleine marterachtigen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
  • Een aantal van de mogelijke voorkomende soorten vleermuizen zijn Europees beschermde soorten, waarvoor aantasting van rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Door de kap van de bomen en het slopen van de bebouwing worden (mogelijke) zomerverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen van deze soorten aangetast.
  • Met de sloop van de woning worden (mogelijk) verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw aangetast. Nader onderzoek zal noodzakelijk zijn om aan te tonen of deze verblijfplaatsen daadwerkelijk worden aangetast. Van de overige in de omgeving voorkomende (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde diersoorten worden geen verblijfplaatsen verwacht.
  • Nesten van vogels worden verstoord als in het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden.
  • Het verwijderen van de hout- en takkenopslag in de tuin dient buiten het kwetsbare winterseizoen van beschermde reptielen te worden uitgevoerd (globaal van oktober tot april). Hierbij geldt de zorgplicht die vanuit de Wet natuurbescherming is geregeld. Aanwezige dieren moeten de kans te krijgen om te kunnen vluchten zonder kans op verwondingen of gedood te worden. In de nieuwe situatie dient in het zuidelijk deel van de tuin een nieuwe plek te worden ingericht (houtopslag/takkenhoop) zodat voor deze soort de mogelijkheid blijft om van het plangebied gebruik te blijven maken. Indien er aan deze voorwaarde wordt voldaan, dan treden er geen effecten op reptielen en is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze soort niet nodig.

Algemene zorgplicht

Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt, dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door:

  • Werkzaamheden, zoals graaf- en sloopwerkzaamheden en het verwijderen van begroeiing, te starten buiten het voortplantingsseizoen (april - augustus) en het winter(slaap)seizoen (november - februari);
  • Het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren.

Aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten - en daarmee een overtreding van artikel 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming - kan in de volgende gevallen niet zonder nader veldonderzoek worden uitgesloten voor:

  • Vleermuizen (Wet natuurbescherming en bijlage IV Habitatrichtlijn): gebouwbewonende soorten. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2020 bestaat uit verschillende onderzoeksrondes in de periode juni tot half juli en in de periode half augustus tot eind september. Beide onderzoeken dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van de gebouwen voor vleermuizen.
  • Indien de bomen met holtes zoals boom nr. 39 t/m 42 (figuur 3.5; paragraaf 3.5.3) zouden worden gekapt is er ook onderzoek noodzakelijk naar boombewonende soorten vleermuizen. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2020 bestaat uit verschillende onderzoeksrondes in de periode juni tot half juli en in de periode half augustus tot eind september. Beide onderzoeken dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van deze bomen voor vleermuizen.
  • Huismus: onderzoek naar huismus vindt plaats conform het Soortinventarisatieprotocol Netwerk Groene Bureaus versie 1.1 juli 2017. Het onderzoek vindt plaats tijdens twee gerichte veldonderzoeken in de periode 1 april tot 20 juni.
  • Gierzwaluw, nestplaatsen (vogelrichtlijn). Onderzoek vindt plaats door in de periode1 juni – 15 juli driemaal onderzoek te doen conform de Onderzoeksprotocollen (Netwerk Groene Bureaus, 2017).

Conclusie Quickscan

Uit de quickscan Flora en Fauna komt naar voren dat er geen beschermde soorten en of gebieden nadelig beïnvloed worden door de planontwikkeling op de vleermuizen, huismus en gierzwaluw na. Nader onderzocht moeten worden of deze soorten in het plangebied aanwezig zijn dan wel een nestplaats hebben.

Nader onderzoek flora en fauna

Door Van Dijk Geo- en Milieutechnieck is nader onderzoek gedaan naar vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw. Dit onderzoek is als bijlage 4 opgenomen bij deze toelichting.

Binnen het plangebied is één vaste verblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld (paarverblijfplaats). Aangezien paarverblijfplaatsen van vleermuizen eveneens gebruikt kunnen worden als (tijdelijke) winterverblijfplaats dient te worden aangenomen dat er op onderhavige locatie tevens sprake is van een winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Het centrale gedeelte van het perceel is in gebruik als foerageergebied van gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. Als gevolg van de herontwikkeling zullen deze foerageergebieden worden verstoord/vernietigd. Echter zijn er in de omgeving voldoende alternatieve structuren aanwezig (in de vorm bos en tuinen), waardoor de aangetroffen foerageergebieden geen essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied van de aangetroffen vleermuizen.

Binnen onderhavig plangebied zijn geen huismus- of gierzwaluwnesten aangetroffen. Derhalve zijn er met betrekking tot huismus en gierzwaluw geen bezwaren vanuit de Wet natuurbescherming tegen de voorziene herontwikkeling.

Conclusie nader onderzoek

Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen herontwikkeling een negatief effect heeft op vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen (paar- en winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis). Derhalve is sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Ten einde de herontwikkeling te kunnen realiseren dient derhalve een aanvraag tot ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden ingediend bij de provincie Utrecht.

Pas ná het verkrijgen van een ontheffing Wet natuurbescherming kan met de werkzaamheden worden aangevangen. Bij de werkzaamheden dient tevens rekening te worden gehouden met vleermuizen (foerageren en vliegroutes); werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (welke loopt van april/mei tot oktober/november) dienen, i.v.m. verstoring door kunstlicht, bij daglicht uitgevoerd te worden.

Eventueel kunnen werkzaamheden ook bij schemer en in het donker worden uitgevoerd mits de bouwlampen op aangeven van een ecoloog goed worden gericht zodat geen verlichting van de omliggende structuren optreedt. Voorts dient rekening te worden gehouden met broedvogels in het algemeen door met de start van de werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (welke loopt van circa 15 maart tot 15 juli) aan te vangen of door de locatie kort voorafgaand aan de start van de werkzaamheden door een ecoloog te laten controleren op broedgevallen.

Benadrukt wordt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving.

Haalbaarheid ontheffing Wet natuurbescherming

In bijlage 5 is een notitie opgenomen inzake de haalbaarheid ontheffing Wet natuurbescherming. Uit deze notitie blijkt dat er mede door de ligging van het plangebied in een rustige groene omgeving geen grote praktische bezwaren zijn waardoor compensatie en mitigatie niet effectief toegepast kan worden. De staat van instandhouding van de gewone dwerrgvleermuis hoeft derhalve niet te lijden onder de voorzienie herontwikkeling. Het verkrijgen van een ontheffing Wet natuurbescherming voor dit project wordt haalbaar geacht. De beslissing of de ontheffing wordt verleend ligt bij de provincie Utrecht.

In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 5.3.2)

Provincie

Provinciale ruimtelijke Verordening, hoofdstuk 5.4 'Natuur'

Natuur vormt een belangrijke basis voor een aantrekkelijk, kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied. De provincie Utrecht heeft, onder meer door de variatie in ondergrond, een diverse natuur met hoge biodiversiteit. Door verschillende oorzaken, zoals verstedelijking, verdroging en vermesting, maar ook klimaatverandering, staat deze biodiversiteit onder druk. De provincie Utrecht spant zich in voor het in stand houden en waar mogelijk vergroten van de biodiversiteit, in de Natuurvisie geeft de provincie aan hoe zij dit willen aanpakken. Deze visie heeft tot doel om het Nationale Netwerk van Natuur (NNN) te beschermen. Deze bescherming richt zowel op actuele als potentiële waarden. De potentiële waarden worden vooral bepaald door abiotische factoren zoals waterhuishouding en bodemopbouw. De bescherming van de potentiële waarden kan alleen aan de orde zijn wanneer de gronden daadwerkelijk (mede) voor natuurdoeleinden zijn bestemd. Als er echter in het vigerende bestemmingsplan sprake is van mede- of dubbelbestemming voor natuur of bos dan moet de ontwikkeling voor de bestaande functie getoetst worden aan zowel actuele als potentiële waarden.

De provincie en gemeente toetsen deze waardes aan de hand van een 'nee, tenzij'-regeling. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in het NNN met een negatief effect op de kwaliteit van de natuur of het functioneren van het NNN in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hier van worden afgeweken. Een 'nee, tenzij'-onderzoek kan achterwege blijven, indien het een ontwikkeling van geringe omvang betreft bij een bestaande functie. Daarnaast kunnen binnen de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen positieve ingrepen voor natuur meegewogen worden. Het effect van de ontwikkeling leidt dan niet tot significante gevolgen. Positieve ingrepen dienen wel gegarandeerd te worden.

Conclusie

Het huidige plangebied bevindt zich in een groene omgeving. Ook op het perceel is het nodige groen te vinden. Ondanks dat het plan is om enkele bomen te kappen, zal de ruimtelijke kwaliteit worden behouden.

Regio

Beeldkwaliteitsplan Kromme Rijngebied +

Dit beeldkwaliteitsplan gaat in op de ruimtelijke samenhang van de bebouwing met de omgeving, de erfinrichting en de beeldkenmerken van het landschap. Het is opgesteld voor een aantal gemeentes, waaronder de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het beeldkwaliteitsplan maakt onderscheid in verschillende gebieden. Het beoogde plan aan de Van Galenlaan valt binnen de categorie 'Bosrijke Heuvelrug'. Het gebied laat zich typeren door aaneengesloten bos- en natuurgebied met reliëf, ecologische waarden en kerngebied EHS, archeologische en cultuurhistorische waarden; onder anderen grafheuvels, schaapsdriften, zichtlijnen en sprengen. Daarnaast straalt het gebied rust uit en is het gebied in bepaalde zones bestemd voor recreatief gebruik. De bebouwing ligt verspreid en bestaat uit verschillende stijlen. Met dit beeldkwaliteitsplan wil men de huidige natuurlijke waardes behouden.

Conclusie

Het plangebied ligt in een groene omgeving. Bij het beoogde plan wordt rekening gehouden met het bestaande groen en waar mogelijk versterkt. Hierdoor zullen de huidige natuurlijke waardes worden behouden.

Gemeente

Groenstructuurplan

In het groenstructuurplan staat omschreven hoe men het belangrijkste groen in de dorpen duurzaam in stand wil houden en zo de hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving te behouden en te versterken. Daarbij is het behoud van de eigen identiteit van de kernen een belangrijk uitgangspunt. Bij nieuwe ontwikkelingen in de dorpen is met dit Groenstructuurplan het belangrijkste openbare groen binnen de dorpen in beeld en kan daar dus rekening mee worden gehouden. Daarnaast geeft het Groenstructuurplan belangrijke richtlijnen voor specifieke beleidsvraagstukken. Het Groenstructuurplan beschrijft het groenbeleid in hoofdlijnen.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug onderscheid drie verschillende waardes binnen de groenstructuur. Dit zijn 'Stedenbouwkundige waarde', 'Cultuurhistorische waarde' en 'Ecologische waarde'. Als een groene structuur bijdraagt aan de stedenbouwkundige structuur van een dorp, wijk of buurt, heeft het stedenbouwkundige waarde. Denk bijvoorbeeld aan laanbomen langs een belangrijke uitvalsweg. De cultuurhistorische waarde wordt bepaald door de relatie die het element heeft met de ontstaans- of ontwikkelingsgeschiedenis van de omgeving. Een groenelement heeft ecologische waarde als het een bijdrage levert aan de natuurwaarden in de omgeving.

Het groenstructuurplan maakt onderscheid verschillende plangebieden. De projectlocatie ligt aan de buitenrand van de wijk Doorn: Hoog Moersbergen'. Deze naoorlogse wijk is planmatig van opzet conform de trend uit de jaren '50, wat tot uitdrukking komt in de opzet van de lanen en groenstroken, plantsoenen en de repetitie van bouwvormen. De flauwe helling van de daken, bescheiden goothoogtes en groene voortuinen in combinatie met enkele groene hoven, de heesterbeplanting in de wegprofielen en restanten van de oorspronkelijke bosbegroeiing in de achtertuinen geven het gebied een besloten en bosachtige sfeer. De heesterbeplanting is op veel plaatsen ook een buffer naar de kavels. Aan de noord- en westranden van het gebied versterken grotere kavels en ruimere afstand tussen de bebouwing de overgang naar het achterliggende bosgebied.

Waardevolle bomen

Ter realisatie van het beoogde project is een bomeninventarisatieplan opgesteld door Duifhuizen Boomadviesbureau. Hier is naar voren gekomen dat zich, op het deel van perceel waar werkzaamheden plaats gaan vinden, 72 bomen bevinden. Op het gehele perceel zijn veel meer bomen aanwezig. Enkele bomen zouden gekapt kunnen worden in verband met de conditie van deze bomen. Daarnaast zullen er een aantal bomen moeten worden gekapt omdat deze zich op het deel van het perceel bevinden waar de werkzaamheden plaats gaan vinden. Als gevolg van de bouw hoeven er maar zes bomen gekapt te worden. Twee van deze bomen hebben een hoge waarde. Het merendeel van de bomen, ook die met een hoge waarde) blijft dus behouden. Dit is voldoende om de landschappelijke waardes die van belang zijn voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug te behouden. Het bomeninventarisatieplan met bijlagen is bijgevoegd (bijlage 6, 7, 8 en 9).

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0017.png"

Kaart behoud bomen, bomeninventarisatieplan (Duifhuizen Boomadviesbureau)

4.8 Cultuurhistorie

Rijk

Nota Belvedère

In de Belvedere-nota wordt een aanzet gegeven voor een beleidssytematiek, uitgaande van gradaties in cultuurhistorische waarden en gradaties in ruimtelijke dynamiek. De concrete invulling van dit model vindt plaats in het kader van de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening; in deze nota ligt het zwaartepunt op de cultuurhistorische waardering en de formulering van de uitgangspunten voor toekomstige cultuurhistorische ruimtelijk beleid.

In de dynamiek van het nieuwe moet zorg voor, en creatieve benutting van cultuurhistorische waarden vanzelfsprekend zijn. Daar ligt een gezamenlijke opgave voor gemeenten, provincies, Rijk, markt en particuliere organisaties. De grote inrichtingsopgave van Nederland maakt dat er op diverse schaalniveaus tal van kansen liggen om deze opgave gezamenlijk waar te maken.

Provincie

Cultuur- en erfgoednota 2016 - 2019

In de cultuur- en erfgoednota van de provincie Utrecht is onderscheid gemaakt in een aantal trends. Deze trends zijn in hoge mate bepalend voor het beleid van de provincie. Het beleid is erop gericht om erfgoed en cultuur beleefbaar te maken, zorg te dragen voor cultuur en erfgoed en bewoners te onderwijzen aan de hand van erfgoed en cultuur. Dit wordt gedaan om onder meer cultuurhistorische waardevolle landschappen en archeologische zones te verankeren in het ruimtelijk beleid en monumenten in stand te houden en te beheren.

Conclusie

Het huidige plangebied ligt midden in een beboste omgeving aan de rand van een bebost gebied met een hoge recreatieve waarde. Daarnaast zal het beoogde plan geen schade toebrengen aan cultuurhistorische waardevolle landschappen en archeologische zones.

Gemeente

Nota Erfgoed in het Groen

Deze beleidsnota heeft als doelstelling het behoud, de versterking en de ontwikkeling van het cultuurhistorische erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed wordt onderverdeeld in 'monumenten', 'archeologie' en cultuurlandschap. Deze beleidsnota is voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug extra belangrijk door de aanwezigheid van de vele historische buitenplaatsen met monumentaal groen en sporen, het groot aantal grafheuvels en de zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. De gemeente heeft een aantal beleidsinstrumenten om zo het cultuurhistorisch erfgoed te behouden en te beschermen. Aan de hand van deze beleidsinstrumenten zal bij elke ruimtelijke ontwikkeling worden getoetst of er sprake is van een rijks- of gemeentelijk monument, of het plangebied in de directe nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument, of het plangebied in de omgeving van een molen ligt. Daarnaast kijk de gemeente of er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object en/of er sprake is van een beschermd dorpsgezicht en of er sprake is van een cultuurhistorische waardevolle buitenplaats.

Conclusie

Bij het beoogde plan is er geen sprake van een rijksmonument dan wel een gemeentelijk monument. Ondanks de hoge dichtheid van rijks- en gemeentelijke monumenten liggen er in de omgeving van het plangebied geen monumenten die worden aangetast door het voorgenomen plan. Er is geen sprake van een cultuurhistorisch waardevol object of een beschermd dorpsgezicht. Ook zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle buitenplaatsen of cultuurhistorische molens. Er kan daarom worden gesteld dat de Nota Erfgoed in het Groen geen belemmeringen geeft voor de beoogde ontwikkeling.

Conform artikel 3.1.6 lid 5 Bro wordt bij het verder uitwerken van het plan rekening gehouden met inpassing in de omgeving. Er worden geen specifieke maatregelen getroffen vanuit cultuurhistorie.

4.9 Archeologie

Rijk

Wet op de archeologische monumentenzorg

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Deze nationale wet vloeit voort uit het Europese Verdrag van Malta. Het uitgangspunt van de Wet op de archeologische monumentenzorg is het, waar nodig, beschermen van archeologische waarden. Er dient op grond van de wet bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de aanwezige en/of te verwachten monumenten/archeologische waarden. De gemeente is op grond van de wet de verantwoordelijk voor het streven naar behoud 'in situ', dat wil zeggen behoud van de waarde in de bodem. Ook moet de gemeente vroegtijdig het behoud van archeologische waarden afwegen tegen andere maatschappelijke belangen. Gemeenten moeten hun eigen archeologiebeleid opstellen en hieraan uitvoering geven.

Gemeente

De aanwezigheid en beleefbaarheid van cultuurhistorisch erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en de leefbaarheid van een gebied. De gemeente Utrechtse Heuvelrug wil daarom zorgvuldig met haar cultuurhistorisch erfgoed omgaan. In april 2013 heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug de vigerende Beleidskaart archeologie vastgesteld. Op deze kaart is weergegeven waar in de gemeente (en in welke mate) kans is op het aantreffen van archeologische resten, uitgedrukt in verwachtingswaarden. De archeologische verwachtingswaarden variëren van zeer hoge tot geen verwachting. Deze verwachting geeft aan hoe groot de kans is op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten.

Per verwachtingsgebied zijn er voorwaarden voor ontwikkeling geformuleerd. Streven is het behoud in situ (Lat: ter plaatse) van de archeologische resten. Indien dit niet mogelijk is, zullen de archeologische resten door middel van onderzoek voor toekomstige generaties bewaard dienen te worden. Dit wordt behoud ex situ genoemd. De voorwaarden voor ontwikkeling zijn vastgelegd in de Monumentenverordening van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0018.png"

Uitsnede Beleidskaart Archeologie (www.odru.nl)

Op basis van de Beleidskaart Archeologie heeft het plangebied een hoge archeologische waarde. Het plangebied ligt op een zone met een hoge stuwwal en landduinen van dekzand. Vervolgens heeft zich op het dekzand een holtpodzolgrond ontwikkeld. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen in combinatie met de omliggende onderzoeken kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het laatpaleolithicum tot en met de Romeinse tijd. Voor de middeleeuwen – nieuwe tijd geldt een lage verwachting voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0019.png"

Onderzoek

Synthegra B.V. heeft archeologisch bureauonderzoek combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd op een terrein aan de Van Galenlaan 38 te Doorn (bijlage 10).

De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen sloop van de huidige woning en het

scheiden van de kavel met de bouw van twee nieuwe woningen.

De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend. Uitgaande van de doorgaans aangehouden ontgravingsdiepte bij de aanleg van woningen met kruipruimte (tot circa 0,9 tot 1,00 meter diep), zal de bodem waarschijnlijk tot ver in het archeologische niveau worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen daarbij verloren gaan.

Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning. Op basis van het bestemmingsplan, waarin het vigerende beleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is verwoord, dient voor het plangebied een rapport overhandigd te worden waarin de aan- of afwezigheid van archeologische waarden wordt aangetoond.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek.

Specifieke archeologische verwachting bureauonderzoek

Op basis van de Gemeentelijke Verwachtingskaart heeft het plangebied een hoge archeologische waarde.

Archeologische interpretatie veldonderzoek

Na afronding van het archeologisch veldonderzoek blijkt dat in het gehele plangebied de toplaag, waar de meeste archeologische sporen in verwacht werden sterk verstoord is. De archeologische verwachting voor het pleistocene oppervlak kan op basis hiervan naar beneden toe bijgesteld worden. Wel zijn in 2 boringen paleosolen aangetroffen, bestaande uit een podzolprofiel. Deze lagen zijn geheel uitgezeefd, hierbij zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Aanbeveling

Naar aanleiding van de resultaten van het bureau en archeologisch veldonderzoek kan geconcludeerd worden dat in het plangebied hoogstwaarschijnlijk geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het plangebied zoals eerder omschreven geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.

Bovenstaande vormt een selectieadvies. Met nadruk willen wij de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat in deze fase van het vergunningsverleningstraject reeds bodem verstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek dienen vooraleerst te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Utrechtse Heuvelrug). Deze neemt een definitief selectiebesluit aangaande de vrijgave van het plangebied.

Beoordeling

In het grootste deel van het plangebied is de bodem in het recente verleden verstoord is tot in de top van het dekzand. Van een eventuele vindplaats zullen hier dan ook enkel diepere grondsporen bewaard gebleven zijn. Ter hoogte van boring 2 en 7 is de bodem minder verstoord en is zelfs een paleosol aangetroffen. Hier is de verwachting dan ook onverminderd hoog. Boring 7 valt binnen het gebied waarop de voorliggende bestemmingsplanherziening van toepassing is. Hier kan de hoge verwachting niet naar laag worden bijgesteld. De onderzoekers adviseren om eventuele graafwerkzaamheden in het kader van een toekomstige omgevingsvergunning tussen de noord(oost)zijde van de huidige bebouwing en boring 7 niet dieper te laten reiken dan 50 cm onder maaiveld. Indien dat niet mogelijk blijkt, is een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden nodig (opgraving variant archeologische begeleiding).

Wanneer een archeologische begeleiding noodzakelijk blijkt, dient hiervoor door een gecertificeerd archeologische bureau een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld dat ter toetsing aan de bevoegde overheid wordt overlegd. Na goedkeuring van het PvE kan met de werkzaamheden gestart worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01_0020.png"

Boorpuntenkaart (bron: Archeologisch bureau- en veldonderzoek)

Conclusie

Er is geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Wanneer eventuele graafwerkzaamheden in het kader van een toekomstige omgevingsvergunning tussen de noord(oost)zijde van de huidige bebouwing en boring 7 dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld is archeologische begeleiding noodzakelijk.

4.10 Defensie

Rijk

Structuurschema Militaire Terreinen 2

Het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2) is een planologische kernbeslissing die de hoofdlijnen bevat van het rijksbeleid voor militaire terreinen en complexen. Doelstelling van het SMT-2 is het scheppen van de noodzakelijke ruimtelijke voorwaarden voor de gereedstelling en instandhouding van de krijgsmacht.

Conclusie

Het blijkt dat ten zuid westen van het plangebied een militaire kazerne gevestigd. Gezien de omliggende woonwijk en gezien de relatief beperkte omvang van het beoogde plan zal er geen invloed zijn op de militaire kazerne en vice versa.

4.11 Recreatie

Gemeente

Nota Verblijfsrecreatie Gemeente Utrechtse Heuvelrug

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft de recreant en de toerist veel te bieden. De natuur en uitgestrekte bossen van het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, het bijzondere karakter van het Kromme Rijngebied, de vele landgoederen en kastelen en de verschillende kleine kernen met hun eigen identiteit en historie zijn hiervan slechts enkele voorbeelden. Door het opstellen van een beleidskader en toetsingskader wil de gemeente het toerisme en recreatie ruimtelijk goed inpassen.

Conclusie

Ten noorden van het plangebied ligt een bosrijk gebied met een hoge recreatieve waarde. Ondanks dit gegeven is het beoogde plan van een dusdanige relatief kleine omvang dat bij de realisatie van dit project de waarde van recreatieve gebieden niet beïnvloed.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.DOOvangalenlaan38-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2 Methodiek

5.2.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.2.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 7 bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.
  • Hoofdstuk III (artikelen 8 tot en met 13 bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 14 en 15 bevat de overgangs- en slotregel.

Regels in verband met de bestemmingen

De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen (indien aanwezig);
  • afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
  • afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien aanwezig);
  • wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig).

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.

Bouwregels

De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de goot- en bouwhoogten.

Nadere eisen

Het is mogelijk om in bepaalde gevallen (wanneer dit nodig is in het kader van een goede ruimtelijke ordening) aan de mogelijkheden die in de bouwregels zijn beschreven nadere eisen te stellen. De omstandigheden waaronder deze eisen worden gesteld moeten dan wel duidelijk zijn geformuleerd. Een voorbeeld van een nadere eis is het moeten overleggen van een beplantingsplan.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleend, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'.

Specifieke gebruiksregels

Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is. Zo is in de bestemming 'Agrarisch' mogelijk gemaakt dat bepaalde bedrijfswoningen als zogenaamde 'plattelandswoningen' mogen worden bewoond, waarbij de bewoners geen functionele binding meer hoeven te hebben met het agrarische bedrijf op het perceel.

Afwijken van de gebruiksregels

Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen (dat is immers al onder de bouwregels beschreven), dienen soms aan een omgevingsvergunning te worden gebonden. Hiervan zal sprake zijn als bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van invloed kunnen zijn op in de specifieke bestemming voorkomende bijzondere omstandigheden. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn cultuurhistorische- of landschappelijke waarden. Deze waarden kunnen met een omgevingsvergunningstelsel worden beschermd. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om alle werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geheel uit te sluiten. Concreet kan je denken aan bijvoorbeeld het moeten aanvragen van een vergunning voor het afgraven of egaliseren van gronden of het vellen van bos in de bestemming 'Natuur'.

Wijzigingsbevoegdheid

Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). Het kan dan gaan om het wijzigen van een op een perceel gelegde bestemming, maar ook bijvoorbeeld het wijzigen of vergroten van een bouwvlak (met bijbehorende bouwmogelijkheden).

De inleidende regels (hoofdstuk I)) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk IV) worden hier verder niet toegelicht. Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.

5.3 Bestemmingen

In het plangebied zijn drie bestemmingen weergegeven. Daarnaast kent het plangebied twee dubbelbestemming. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemmingen.

5.3.1 Natuur

De bestemming Natuur wordt gebruikt voor gebieden waar landschappelijke en natuurwaarden van belang zijn. Deze bestemming is bedoeld om deze waarden in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen. Agrarisch medegebruik in de vorm van beweiding is toegestaan. De betreffende gebieden hebben een groene uitstraling met landschaps- en/of natuurwaarden. Wandel- en fietspaden, in- en uitritten, onverharde wegen, voorzieningen van flora en fauna, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen zijn hier mogelijk, omdat deze functies goed aansluiten bij het karakter van de bestemming.


Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de strikte regels. Het oprichten van gebouwen is niet zonder meer toegestaan.


Afwijken bouwen overkappingen ten dienste van de bestemming

Middels een afwijkingsbevoegdheid kan het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en overkappingen ten dienste van de bestemming Natuur, mits de noodzaak van de bebouwing is aangetoond. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een overkapping of schuurtje voor onderhoudsmaterialen, etc.


Omgevingsvergunning ter bescherming landschappelijke waarden

Om te voorkomen dat de landschappelijke en natuurwaarden onevenredig worden aangetast is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. Deze werkzaamheden hebben dan betrekking op het mogelijk aantasten of veranderen van natuur- en landschapselementen.

5.3.2 Tuin

De bestemming Tuin is bedoeld voor de gronden die een groene tuinuitstraling hebben. Deze bestemming is gerelateerd aan de bestemming Wonen. Binnen deze bestemming mogen tuinen en daarbij behorende paden, waterhuishoudingsvoorzieningen en parkeren op eigen terrein worden gerealiseerd.


Gebouwen en overkappingen mogen niet worden gebouwd binnen deze bestemming. In afwijking hiervan mogen wel erkers, toegangsportalen, luifels, balkons, trappen en bordessen vòòr de voorgevel van het aangrenzend hoofdgebouw en op zijgevels, welke zicht hebben op of gelegen zijn aan de zijde van een openbare weg of openbaar groen worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de in het artikel genoemde vereisten. Deze vereisten zijn bedoeld om de privacy van omwonenden zoveel mogelijk te waarborgen.

De bestemming Tuin is toegekend aan de naastgelegen gronden van de bestemming 'Wonen - S 1'. Het gaat dan veelal om de tuinen gelegen aan de voorzijde van de woningen.

5.3.3 Wonen - S1

Wonen algemeen

In het plangebied worden twee vrijstaande woningen mogelijk gemaakt.
Voor het stedelijk gebied worden drie woonbestemmingen gebruikt. Er wordt onderscheid gemaakt in:

  • Wonen - S 1 voor vrijstaande woningen;
  • Wonen - S 2 voor aaneengebouwde woningen, en
  • Wonen - S 3 voor gestapelde bouw.


Dit onderscheid in woonbestemmingen zorgt ervoor dat woningtypen niet kunnen worden uitgewisseld en dat de gewenste stedenbouwkundige opbouw van straten en wijken wordt gehandhaafd. In het huidige bestemmingsplan is er sprake van Wonen - S 1.

Wonen - S1

Functies

Binnen de bestemming Wonen - S 1 is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.


Bouwmogelijkheden

De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:

  • 1. algemeen (5.2.1);
  • 2. hoofdgebouwen (5.2.2);
  • 3. bijbehorende bouwwerken (5.2.3);
  • 4. overige bouwwerken (5.2.4).


Algemeen

In algemene zin wordt bepaald dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd.


Hoofdgebouwen

Binnen de bestemming Wonen - S 1 mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Er mag niet meer dan één woning per bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij er op het bouwvlak een maximaal bebouwingspercentage staat aangegeven. Met dit percentage wordt de maximale oppervlakte van het hoofdgebouw begrensd. Voor de goot- en bouwhoogte is in de regels een standaard hoogte gegeven. Gemeente breed geldt daarbij in beginsel een goothoogte van maximaal 4 meter en een bouwhoogte van maximaal 7 meter. Als een woning een bijzondere en beschermingswaardige kap vorm heeft, of waar stedenbouwkundige redenen zijn gegeven om de standaard hoogten niet te hanteren, zijn op de verbeelding afwijkende hoogten opgenomen.

Als hoofdgebouwen afgedekt worden met een kap, dan moet worden voldaan aan de in de regels voorgeschreven dakhelling.

Als een hoofdgebouw op een hoekperceel wordt gesloopt, moet de voorgevel van het vervangende hoofdgebouw aan dezelfde zijde van het bouwvlak worden gebouwd als het geval was bij het bestaande hoofdgebouw.

Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Op basis artikel 2 lid 4 van bijlage II van het Bor is het bouwen van een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak vergunningvrij. Voor het bouwen van een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel, zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen. Hierbij is grotendeels aangesloten bij de criteria uit de Nota Ruimtelijke kwaliteit.

In voorkomende gevallen zijn dakkapellen niet toegestaan, deze zijn dan als zodanig aangeduid.

Bijbehorende bouwwerken

Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is zoveel mogelijk aangesloten op de regeling 'vergunningsvrij bouwen' uit de bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht.

De regeling die het bestemmingsplan omvat is echter op een aantal punten ruimer:

  • Bouwen voor de voorgevel.
    Er mag in sommige gevallen op minder dan 1 meter van de voorgevel of voor de voorgevel worden gebouwd:
    • 1. indien de locatie is opgenomen in het bouwvlak;
    • 2. indien de bestaande bebouwing op minder grote afstand dan 1 m van de voorgevel staat;
    • 3. indien de bijgebouwen die voor de voorgevel staan zijn aangeduid op de verbeelding;
    • 4. erkers die voldoen aan de gestelde voorwaarden.
  • Bouwen tot in de grens met het openbaar gebied.
    Er mag binnen de bestemming wonen bij hoekpercelen tot in de grens van het openbaar gebied worden gebouwd, terwijl volgens de regeling uit het Besluit Omgevingsrecht naast de voorgevelgrens ook de zijgevelgrens in acht moet worden genomen. Dit is in sommige gevallen echter onnodig beperkend, bijvoorbeeld wanneer een woning grenst aan een openbare brandgang of een parkeerterrein. Overigens wordt op de meeste hoekpercelen de bestemming Tuin toegepast zodat daar geen bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd.
  • Ondergronds bouwen.
    Ondergronds bouwen is niet alleen binnen het gehele bouwvlak toegestaan, maar ook buiten het bouwvlak. Er dient dan wel onder een bijbehorend bouwwerk gebouwd te worden, waarbij een maximum van 30 m2 geldt.


Overige bouwwerken

Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.


Specifieke gebruiksregels

Beroep en/of bedrijf aan huis

Zoals in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, is beroep of bedrijf aan huis toegestaan binnen de woonbestemming. Wel worden er enige voorwaarden aan dit gebruik gesteld. Zo mag 40 % van de brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis. Bij deze oppervlakte wordt ook de oppervlakte van het hoofdgebouw op de verdieping meegerekend.

Het is alleen toegestaan om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te verrichten aan huis die opgenomen zijn in de staat van bedrijfsactiviteiten Bedrijf aan huis. De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen horeca of detailhandel inhouden, behalve als het gaat om verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het beroep of bedrijf.

Voor het uitoefenen van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis mag ook personeel in dienst zijn zolang deze activiteit wel mede wordt uitgeoefend door de bewoners van de woning waar de activiteit plaatsvindt.

Door de uitoefening van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mogen de verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen in de directe omgeving. Daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit dient in de eerste plaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. In gevallen waar dit niet mogelijk is dient voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig te zijn. Voor de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen buitenopslag plaatsvinden.

Voorwaardelijke verplichting

De aanwezige bebouwing en verharding in het plangebied moet gesloopt zijn vóórdat met de nieuwbouw mag worden aangevangen. Hierbij moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Dit is vastgelgd met een voorwaardelijke verplichting.

5.4 Dubbelbestemmingen

5.4.1 Waarde-Archeologie

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.


Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:


Dubbelbestemming  
Archeologisch waardevol gebied   Regime  
Waarde - Archeologie 3   Zones met een hoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 150 m2 en dieper dan 30 cm - onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 4   Zones met een middelhoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  

In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- normaal agrarische jaarlijkse werkzaamheden te weten: ploegen, woelen, zaaiklaar maken, oogsten/rooien, stoppelbewerking, graslandwoelen, planten/poten, rooien van bomen in het kader van boomkwekerijen en spitten, op percelen met een agrarische bestemming. Diepploegen en het aanleggen van drainage vallen niet onder de vrijstelling;

- graafwerkzaamheden in het kader van onderhoud aan reeds eerder aangelegde sportvelden waarbij de bodem deels is afgegraven en nieuwe grond is opgebracht;

- het zorgvuldig ruimen van (individuele) graven op de gemeentelijke begraafplaatsen.

5.5 Algemene regels

5.5.1 Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

5.5.2 Algemene bouwregels
5.5.2.1 Bestaande situatie

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

5.5.2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.

5.5.2.3 Maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken

Dit artikel is opgenomen indien op de verbeelding of in de regels abusievelijk een maximum toegestane bouwhoogte ontbreekt, waardoor onbeperkt in de hoogte gebouwd zou mogen worden.

Dit kan naast stedenbouwkundige bezwaren ook bezwaren ten aanzien van licht- en luchttoetreding voor de omgeving opleveren.

Om dit te voorkomen was voorheen hier een bepaling voor opgenomen in de bouwverordening, maar die is geschrapt. Om deze reden wordt voor bovengenoemde gevallen met dit artikel een maximum bouwhoogte bepaald. De regeling is van toepassing voor die gevallen waar het wel toegestaan is om te bouwen, maar waar helemaal geen hoogtebeperkingen zijn opgenomen of indien bijvoorbeeld alleen een maximum goothoogte is aangegeven. De bepalingen gelden dan als aanvulling op de bouwregels.

De hoogte van bouwwerken wordt in dit artikel bepaald op basis van de afstand tussen twee tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg, vermeerderd met 1 meter. De hoogte mag echter nooit meer dan 15 m bedragen. Deze hoogte komt overeen met de hoogte uit de voormalige bouwverordening. Bij bouwwerken die op basis van overgangsrecht of een geldende vergunning een hogere bouwhoogte dan 15 meter hebben, wordt de bestaande hoogte als ten hoogste toelaatbaar aangehouden. Het artikel volgt hiermee in hoofdzaak de regeling uit de bouwverordening.

5.5.2.4 Kleinschalige grondgebonden zonnepaneelinstallaties

Hierin is bepaald dat het bouwen van grondgebonden zonnepanelen voor eigen gebruik bij een (bedrijfs)woning is toegestaan indien wordt voldaan aan een aantal regels. De oppervlakte mag bijvoorbeeld maximaal 50 m2 bedragen en er gelden verschillende bouwhoogtes voor het voorerf en het achtererf.

5.5.3 Algemene gebruiksregels
5.5.3.1 Verboden gebruik

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.

5.5.3.2 Uitoefening Bed & Breakfast

Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

5.5.4 Algemene aanduidingsregels
5.5.4.1 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

Binnen de aanduiding milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied geldt naast de bestemming ook dat de gronden zijn aangewezen voor behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening. Gebruik van de gronden en gebouwen met nadelige effecten voor de drinkwatervoorziening zijn hier niet toegestaan.

5.5.5 Algemene afwijkingsregels
5.5.5.1 Algemeen

Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

5.5.5.2 Afwijking 10% overschrijding

Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.

5.5.5.3 Afwijking bijzondere woonvormen en kamerbewoning
5.5.5.4 Afwijking extra grondgebonden zonnepanelen voor wko

Op grond van artikel 9.4 Kleinschalige grondgebonden zonnepaneelinstallaties' worden grondgebonden zonnepanelen reeds toegestaan tot een maximum oppervlak van 50 m2. De 'Afwijking extra grondgebonden zonnepaneelinstallatie voor wko' maakt het mogelijk om nogmaals maximaal 50 m2 te realiseren indien aangetoond kan worden dat deze nodig zijn in verband met de energiebehoefte van een warmte koude opslaginstallatie (wko) of warmtepompinstallatie.

5.5.5.5 Afwijking isoleren van een gebouw

Op grond van artikel 12.5 wordt het toegestaan dat bouwgrenzen, goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen mag worden overschreden indien is aangetoond dat dit noodzakelijk is voor het isoleren van een gebouw (bijvoorbeeld in het kader van “nul op de meter”).

5.5.6 Overige regels
5.5.6.1 Parkeergelegenheid

Deze bepaling verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), vastgesteld door de raad op 2 februari 2010. Het parkeernormenbeleid is een dynamisch document en bijstelling van het beleid is met enige regelmaat noodzakelijk. Omdat het niet doelmatig is hiervoor telkens een nieuw bestemmingsplan op te stellen voorziet de regeling in een dynamische verwijzing naar de parkeernormen. Dit houdt in dat het GVVP van toepassing wordt verklaard en tevens rekening wordt gehouden met de opvolger van dit beleid.

In het GVVP staat het beleid ten aanzien van parkeren. Het betreft bijvoorbeeld hoe om te gaan met parkeren, hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, de manier waarop in deze parkeerplaatsen kan worden voorzien en welke eisen aan de verschillende parkeerplaatsen worden gesteld.

Een aanvraag omgevingsvergunning moet worden getoetst aan de parkeernormen wanneer er sprake is van vergunningplichtige nieuwbouw of vergroting en/of wanneer er sprake is van een functiewijziging . Bij een functiewijziging kan het daarbij ook gaan om een bestemming waarbinnen meerdere functies zijn toegestaan, bijvoorbeeld binnen een bestemming 'Centrum ' of 'Gemengd'. De regeling werkt aanvullend voor functiewijzingen binnen een dergelijke bestemming, indien een omgevingsvergunning is vereist en sprake is van een behoefte aan parkeergelegenheid. Bij het realiseren van voldoende parkeergelegenheid hoeven geen bestaande tekorten te worden opgelost. De te realiseren parkeergelegenheid moet voldoende zijn voor het bouwwerk en/of gewijzigde gebruik waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht.

De regeling bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Bouwplannen (nieuwbouw of vergroting);
  • Functiewijzigingen;
  • Afwijkingsmogelijkheid.

Van de verplichting om voldoende parkeergelegenheid te realiseren op grond van de gemeentelijke parkeernormen zoals gesteld in het GVVP kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Ook in de gemeentelijke bouwverordening is een dergelijke bepaling opgenomen. Het is echter niet de bedoeling dat deze bevoegdheid lichtvaardig wordt toegepast. Daarom dient de aanvrager van een omgevingsvergunning in dergelijke gevallen door middel van een verkeersonderzoek aan te tonen dat - gelet op de bijzondere omstandigheden - geen afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.

5.5.6.2 Laad- en losruimte

In het tweede lid is een regeling opgenomen voor het borgen van voldoende laad- en losruimte. Ook in de huidige bouwverordening is een dergelijke bepaling opgenomen. Net als bij de parkeerbepaling is een onderscheid gemaakt tussen bouwplannen en functiewijzigingen. Voor wat betreft functiewijzigingen bij bestemmingen waarbinnen meerdere functies zijn toegestaan werkt de regeling ook aanvullend zoals hierboven is beschreven.

Bij een aanvraag omgevingsvergunning waarbij een behoefte aan ruimte voor laden of lossen van goederen wordt verwacht dient te worden voorzien in deze ruimte. Dit kan aan of in het bouwwerk zijn, maar bijvoorbeeld ook op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk. De regeling geldt uitdrukkelijk niet voor bestaand gebruik en voor herbouw van gebouwen zonder functiewijziging.

Van de verplichting om te voorzien in voldoende laad- en losruimte kan worden afgeweken indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft. In dat geval dient de aanvrager van een omgevingsvergunning door middel van een verkeersonderzoek aan te tonen dat - gelet op de bijzondere omstandigheden - geen afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.

5.5.7 Overgangs- en slotregels

In artikel 14 van de regels is het overgangsrecht opgenomen. Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij overgangsrecht dat is voorgeschreven voor bestemmingsplannen in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.

In artikel 15 van de regels is de slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. De volgende zaken komen aan bod:

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening.

6.2.1 Overleg met omwonenden

Alle buren (te weten de naaste buren ter linker- en rechterzijde, alsmede alle overburen en de achterburen) zijn schriftelijk volledig door de initiatiefnemer geïnformeerd. In deze uiteenzetting over de beoogde ontwikkeling zijn bijlages gevoegd, zoals de verbeelding en het kaartje van het exploitatiegebied. In een eerder stadium heeft de initiatiefnemer de buren ook persoonlijk gesproken en er zijn geen negatieve reacties gekomen op de beoogde ontwikkeling. Gezien de recente bouw aan de Van Galenlaan en Woestduinlaan, waarbij er sprake is van een meer massieve omvang, waar geen bezwaren voor zijn ingediend, is de verwachting dat dat ook hier niet zal gebeuren.

6.2.2 Overleg met overheidsinstanties

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties zijn in kennis gesteld en hebben de mogelijkheid gehad om te reageren. Er zijn reacties ingekomen van de Provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR).

HDSR had geen opmerkingen op voorliggend plan. De provincie heeft geen opmerkingen in het kader van het provinciaal belang zoals opgenomen in de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening die op 1 april 2021 in werking zijn getreden . De provincie vraagt wel hier in de toelichting naar te verwijzen, omdat er nu nog wordt verwezen naar de de Provinciale ruimtelijke verordening uit 2016. Dit is aangepast. De reactie van de provincie is bijgevoegd als bijlage 11).

6.2.3 Ontwerpbestemmingsplan

Het bestemmingsplan heeft in ontwerp ter inzage gelegen van 28 mei 2021 tot en met 9 juli 2021. Er is een zienswijze van Vitens ingekomen (bijlage 12). Naar aanleiding van de zienswijze is paragraaf 3.2 van de toelichting en artikel 11.2.1 van de regels aangepast.

Naar aanleiding van de quickscan Flora en fauna is er nader onderzoek Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit onderzoek is afgerond en als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. In paragraaf 4.7 is dit nader toegelicht.