| Plan: | Scouting Driebergen - Rijsenburg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1581.DBGscouting-VA01 |
Binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug bevindt zich op de op de Baden Powelllaan 1-5 in Driebergen-Rijsenburg de scouting 'Dr. A.E. Hermansgroep'. Naar aanleiding van overlast is door een buurtgenoot op 7 juli 2016 een verzoek om handhaving ingediend. Het verzoek om handhaving is niet gericht tegen het gebruik van het terrein door de scouting zelf, maar tegen de verhuur van het terrein en gebouwen aan derden tijdens de zomermaanden (periode mei t/m augustus).
Naar aanleiding van het handhavingsverzoek is medio 2017 een voornemen tot handhaving verzonden. Bij brief van 10 november 2017 heeft het college de scouting, met een beroep op het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan, aangeschreven om de verhuuractiviteiten te halveren (met het idee dat minder verhuur, minder overlast oplevert). Het bezoekersaantal is in dit besluit beperkt tot 85 tegelijkertijd (per overnachting). De scouting heeft hier echter met succes bezwaar tegen gemaakt bij het college van B en W. Het bezwaar is bij besluit van 24 mei 2018 gegrond verklaard en het handhavingsbesluit is ingetrokken.
Tegen de beslissing op bezwaar is door de buurtbewoner beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht. De Rechtbank heeft op 20 maart 2019 een tussenuitspraak gedaan. Daarin is vastgesteld dat het gebruik van het terrein voor scoutingactiviteiten onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. Dat gebruik levert dus geen overtreding op. Met betrekking tot de verhuuractiviteiten heeft de rechtbank het college opgedragen om nader te motiveren wat de omvang is van het met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Het college moet eerst onderbouwen hoe veel overnachtingen er hebben plaatsgevonden rond de peildatum. Die overnachtingen kunnen dan ook onder het overgangsrecht vallen, mits dat gebruik al die tijd in dezelfde omvang is voortgezet. En als dat aantal voldoende is onderbouwd, dan kan worden bepaald of er ten opzichte van dat aantal sprake is van een toename van het aantal overnachtingen. Die eventuele toename levert dan een overtreding op waartegen handhavend moet worden opgetreden.
Op 7 mei 2019 heeft het college een aanvullende motivering bij de rechtbank ingediend. Daarin is toegelicht dat de precieze omvang van de verhuur rond de peildatum zowel door het college als door de scouting niet is vast te stellen/achterhalen. Gemotiveerd is dat handhavend optreden desondanks onevenredig is, omdat er sinds kort na de tweede wereldoorlog scoutingactiviteiten plaatsvinden en dat daar ook overnachtingen en verhuur onder vallen. Gelet op de cijfers die wel bekend zijn, is gemotiveerd dat minimaal 5074 overnachtingen per verhuurseizoen (van mei tot en met augustus) mogelijk zouden zijn.
Op 16 september 2019 heeft de rechtbank einduitspraak gedaan in de beroepszaak. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en geoordeeld dat de aanvullende motivering onvoldoende is om te concluderen dat geen sprake is van een overtreding en van handhavend optreden af te zien. Als gevolg van de uitspraak van de Rechtbank dient de gemeente, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak en de einduitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Hieruit volgt dat het aanpassen van het bestemmingsplan het wenselijke vervolg is om het scoutingterrein, inclusief verhuuractiviteiten, van een passende bestemming te voorzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet dan ook in een passende regeling om het scoutingterrein, inclusief buitenschoolse opvang en bijeenkomsten met een educatief of sociaal-cultureel karakter, juridisch-planologisch te regelen.
Het plangebied betreft een stuk grond nabij het dorp Driebergen-Rijsenburg, gelegen ten oosten van het centrum. Het geheel betreft de kadastrale percelen bekend onder gemeente Driebergen - Rijsenburg, sectie B. nr. 7017 en 7172. De totale omvang van de percelen bedraagt circa 14.500 m².
Het plangebied is omsloten door de openbare wegen Baden Powelllaan en Arnhemse Bovenweg. Aan de westzijde van het plangebied is het gezondheidscentrum 'De Bosrand' gelegenen een sportvereniging met (tennis)velden. Aan de noordoostzijde is een jongerencentrum gevestigd (YMCA). Verder is de omgeving aan te merken als deels woongebied met een overgang naar het natuurgebied 'Vennetje 't Heihuis'.
Op navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging van het plangebied en de globale planbegrenzing aangegeven.
Afbeelding: ligging plangebied (oranje vlak)
Afbeelding: ligging plangebied (oranje vlak)
Voor de gronden van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Woongebied Driebergen' vastgesteld op 21 april 2010. Ter plaatse geldt de enkelbestemming 'Recreatie' en binnen deze bestemming zijn twee bouwvlakken opgenomen. De voor de 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor dagrecreatie in de vorm van een kinderboerderij en een zwembad. Het begrip 'dagrecreatie' is in de begripsbepaling niet omschreven, maar duidelijk is dat het gebruik van het terrein en de gebouwen ten behoeve van scoutingactiviteiten niet is opgenomen.
Overigens was in het voorgaande bestemmingsplan 'Driebergen-Noord' uit 1976, welk plan op 9 april 1981 in werking is getreden, het terrein bestemd als Speelterrein. Scoutingactiviteiten waren destijds toegestaan. Het gebruik van het terrein voor scoutingactiviteiten is onder het overgangsrecht voortgezet. Verhuur van de aanwezige bijgebouwen is echter niet toegestaan.
Afbeelding: uitsnede bestemmingsplan 'Woongebied Driebergen'
In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.
Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.
Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.
In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.
Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.
Binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug bevindt zich op de Baden Powelllaan 1-5 in Driebergen-Rijsenburg de scouting 'Dr. A.E. Hermansgroep'. Naast de scoutingactiviteiten is er ruimte voor verhuur aan andere jeugdgroepen. De Dr. A.E. Hermansgroep heeft vijf gebouwen op haar terrein die verhuurd worden: het Mierennest, het Kabouterhol, het Otto van Wassenaer, het Jan van Dokkum en het Hermanshuis (zie volgende afbeelding). Er wordt niet verhuurd voor feesten en partijen. Ook is er sprake van buitenschoolse opvang en bijeenkomsten met een educatief of sociaal-cultureel karakter.
Afbeelding: huidige situatie plangebied scouting Dr. A.E. Hermansgroep
Voorliggend bestemmingsplan maakt de scouting mogelijk, inclusief de verhuur van de gebouwen voor groepen. Met het aanpassen van het bestemmingsplan wordt het scoutingterrein, inclusief verhuuractiviteiten van een passende bestemming voorzien. Er worden geen extra bouwwerken opgericht of mogelijkheden toegestaan. Het project is in feite de continuering van het huidige gebruik. Het terrein krijgt de bestemming 'Maatschappelijk' waarin het gebruik is toegestaan van scouting, buitenschoolse opvang en bijeenkomsten met een educatief of sociaal-cultureel karakter, zoals cursussen, yoga, knutsel-, naai-, kaart- en wandelclubs. Uitsluitend de gebouwen Otto van Wassenear , Jan van Dokkumhuis en Dr. A.E. Hermanshuis mogen gebruikt worden voor kinderopvang en bijeenkomsten. Dit is als zodanig ook aangeduid op de verbeelding.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 in werking getreden. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het rijk richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
In de NOVI heeft het rijk 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven benoemd. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. Het betreft:
De 21 nationale belangen komen samen in vier prioriteiten die het rijk in de NOVI heeft gesteld:
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen noodzakelijk zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Binnen het plangebied spelen de nationale belangen geen rol.
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Planspecifiek
In toelichting paragraaf 3.1 is een aantal van de nationale belangen benoemd. Binnen het plangebied spelen deze belangen, met uitzondering van het door het rijk geformuleerde belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, geen rol. Het belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming is door het rijk door vertaald in de zogenaamde ladder van duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.1.3 wordt hier nader op ingegaan.
Als uitwerking van Nationaal Belang 13 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' uit de Structuurvisie Infrastructuur en Mobiliteit, is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6 Bro het relevante lid 2 als volgt omschreven:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Onderhavige ontwikkeling betreft de continuering van een terrein bestaand gebruik. Er is derhalve geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro.
Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie vervangt de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie, het Mobiliteitsplan en het Afwegingskader Uitbreidingslocaties voor wonen. De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 1 april 2021 in werking getreden.
De provincie wenst blijkens de visie dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft, ook in 2050. Daarbij staat de Provincie voor een flinke uitdaging: het aantal inwoners, woningen, banen en verplaatsingen groeit fors. Het grondgebied is te klein om al deze ruimtevragers los van elkaar een plek te bieden. De grootste opgave van de Provincie is de vraag hoe zij de verschillende functies ruimtelijk met elkaar kunnen combineren.
Met zeven beleidsthema's geeft de Provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van de gezonde en veilige leefomgeving om te komen tot een inclusieve en circulaire provincie Utrecht in 2050. Een provincie:
Planspecifiek
Het plangebied betreft deels een binnenstedelijke locatie. In haar verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het stedelijk gebied. Op deze manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims. Doordat het plangebied binnen het stedelijk gebied ligt sluit de ontwikkeling goed aan bij deze visie van de provincie.
Tegelijk met de Omgevingsvisie is op 10 maart 2021 de Interim Omgevingsverordening (hierna: de Omgevingsverordening) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De Omgevingsverordening is op 1 april 2021 in werking getreden en vervangt onder meer de Provinciaal Ruimtelijke Verordening.
In de Omgevingsverordening zijn regels voor de fysieke leefomgeving opgenomen. In de Omgevingsverordening wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening geeft regels met betrekking tot onder meer de onderwerpen bodem, water, duurzaamheid, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Uit de kaart 'Cultuurhistorie' van de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied voor een deel valt binnen de aanduiding 'Uitzondering verstedelijkingsverbod Landelijk gebied voor historische buitenplaatszone en militair erfgoed'. Op grond van artikel 7.7 van de Verordening bevat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels ter bescherming van de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Daarnaast bevat een ruimtelijk plan geen nieuwe bestemmingen en regels die leiden tot een onevenredige aantasting van de in het plangebied voorkomende waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Op grond van artikel 7.8 kan een bestemmingsplan verstedelijking toestaan in de Historische buitenplaatszone en het Militair erfgoed, onder voorwaarde dat de verstedelijking:
Tevens dient het bestemmingsplan een onderbouwing te bevatten waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Gezien de continuering van de huidige activiteiten van de planlocatie en de bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden is geen sprake van aantasting van de cultuurhistorische waarden. Zie ook paragraaf 4.5.
Landschap Utrechtse Heuvelrug
Uit de kaart 'Landschap' blijkt dat het plangebied valt binnen het landschap 'Utrechtse Heuvelrug'. Voor dit landschap wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden:
Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van Utrechtse Heuvelrug verschillende accenten. Een uitgebreide beschrijving en handvatten voor het omgaan met de kernkwaliteiten is opgenomen in de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen. Op de Utrechtse Heuvelrug ligt een agrarische cultuurlandschap dat deel uitmaakt van de Cultuurhistorische hoofdstructuur.
Bij ontwikkelingen in het landschap van de Utrechtse Heuvelrug vraagt de provincie aandacht voor het in stand houden van het reliëf en voor het in stand houden van het samenhangend boscomplex. Vanwege het reliëf en de overige kwaliteiten van de Heuvelrug wil de provincie in dit gebied geen grootschalige ontgrondingen. Kleinschalige ontgrondingen voor natuurontwikkeling of recreatieve ontwikkeling zijn wel mogelijk, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten. De kernkwaliteiten worden door dit plan niet aangetast, nu alleen sprake is van bestendiging van het bestaande gebruik en er verder geen fysiek ingrepen binnen het plangebied zullen plaatsvinden.
Natuur
Het plangebied is deels gesitueerd binnen het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Op navolgende afbeelding is zichtbaar dat een deel van de zuidoostelijke strook van het plangebied, parallel lopend aan de Baden Powelllaan, is aangewezen als NNN.
Afbeelding: Plangebied met ligging NNN (groen vlak) binnen plangebied (QGIS, data: Provincie Utrecht & PDOK).
In de Interim Omgevingsverordening zijn regels opgenomen met het oog op de natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. Daartoe is het uitgangspunt van de regels en bij de toepassing daarvan, dat de kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt behouden.
Voor dit plan zijn Artikel 6.2 en Artikel 6.3 uit de Interim Omgevingsverordening relevant.
Artikel 6.2 luidt als volgt:
In voorliggend plan is een ecologische dubbelbestemming opgenomen (onder het huidig bestemmingsplan 'Driebergen – Woongebied Driebergen' is geen sprake van een ecologische dubbelbestemming). De dubbelbestemming 'Waarde – ecologie' is van toepassing op de gebieden die binnen het NNN vallen in het plangebied. Deze dubbelbestemming ziet toe op de bescherming van landschaps- en natuurwaarden. Naast de bescherming die de bestemming biedt is ook een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om te voorkomen dat de bestaande landschaps- en natuurwaarden onevenredig kunnen worden aangetast. Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd om binnen de dubbelbestemming nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken die volgens de andere bestemmingen mogen worden gebouwd. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan, door het opnemen van de ecologische dubbelbestemming ten behoeve van de bescherming, instandhouding en verbetering en ontwikkeling van het NNN, voldoet aan Artikel 6.2 uit de Interim Omgevingsverordening.
Artikel 6.3 luidt als volgt:
Dit artikel bepaald dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het NNN geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan bevat die nadelige gevolgen hebben voor het NNN. Eveneens mag geen sprake zijn van een vermindering van de kwaliteit, oppervlakte of de samenhang van het NNN. Hierop zijn wel een drietal uitzonderingen mogelijk.
Voor het deel van het plangebied dat buiten het NNN is gesitueerd kan eenvoudigweg worden geconcludeerd dat geen nadelige gevolgen optreden op het NNN. Voor het deel van het plangebied dat is aangewezen als NNN zal navolgend worden ingegaan op de invloed van het plan op het NNN.
Het deel van het plangebied binnen het NNN bestaat uit onverharde gronden, beplanting en een gebouw van circa 80 m2.
Het gebruik van het plangebied voor scouting vindt geruime tijd plaats en is mogelijk op basis van het overgangsrecht. Hoewel in het vigerende bestemmingsplan 'Driebergen – Woongebied Driebergen' het gebruik als scouting niet is opgenomen, is de scouting dus planologisch wel toegestaan op basis van het overgangsrecht. Het gebruik van het terrein voor scoutingactiviteiten levert daarmee geen overtreding op.
Echter heeft de Rechtbank destijds wel aangegeven dat een aanvullende motivering moest worden ingediend met daarin de precieze omvang van de verhuuractiviteiten die plaatsvinden op het terrein. Er diende te worden onderbouwd hoeveel overnachtingen rond de peildatum hebben plaatsgevonden. Deze overnachtingen konden onder het overgangsrecht vallen, mits sprake was van een voorzetting van gebruik in dezelfde omvang. De aangeleverde motivering is door de Rechtbank onvoldoende verklaard, waardoor er op dit punt dus sprake is van een overtreding. Deze overtreding (de verhuuractiviteiten) vindt echter niet plaats binnen het deel van het plangebied dat binnen het NNN is gesitueerd. Het gebouw binnen het NNN is niet bestemd voor verhuur. Binnen dit gebouw vinden geen activiteiten plaats en er wordt met voorliggend plan ook geen activiteiten en verhuur binnen dit gebouw mogelijk gemaakt.
Met voorliggend plan wordt voor het deel van het plangebied dat binnen het NNN is gesitueerd feitelijk niks gewijzigd aan de bestaande situatie. Er worden geen bestaande gebouwen gesloopt en/ of nieuwe bouwwerken opgericht. Ook wordt er geen opgaande begroeiing verwijderd.
Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat met voorliggend plan geen sprake is van een aantasting van het NNN.
Vergelijking huidig bestemmingsplan met voorliggend bestemmingsplan
Ondanks dat geconcludeerd kan worden dat met dit plan geen sprake is van aantasting van het NNN, wordt volledigheidshalve in onderstaande paragraaf ingegaan op de maximale planologische mogelijkheden onder het huidige bestemmingsplan 'Driebergen – Woongebied Driebergen' en deze worden vergeleken met de planologische mogelijkheden van voorliggend bestemmingsplan. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt of dit plan een verruiming betekent van het huidig planologisch regime en daarmee mogelijk nadelige invloed heeft op het NNN.
In het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming 'Recreatie'. Er gelden binnen het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemmingen voor het plangebied. De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor dagrecreatie in de vorm van een kinderboerderij en een zwembad. Ook zijn voorzieningen voor de waterhuishouding en bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen zoals tuinen, erven, wegen en paden, horeca- en sanitaire voorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de afvalinzameling mogelijk.
Het NNN valt voor een deel binnen een bouwvlak (zie navolgende afbeelding). Binnen dit bouwvlak geldt een maximum bebouwingspercentage van 30%. Het bouwvlak heeft een totale oppervlakte van 7.150 m2. Een bebouwingspercentage van 30% maakt dat 2.145 m2 bebouwd mag worden. Op dit moment is 690 m2 van het totale bouwvlak bebouwd, waarvan 80 m2 bestaande uit een gebouw binnen het NNN. De totale oppervlakte NNN binnen het bouwvlak bedraagt 1.520 m2. In principe kan daarmee nagenoeg de gehele NNN-oppervlakte nog bebouwd worden om tot een bebouwingspercentage van 30% van het bouwvlak te komen.
Afbeelding: Ligging NNN binnen bestemmingsplan 'Driebergen - Woongebied Driebergen'.
(QGIS, data: Provincie Utrecht & PDOK)
In voorliggend bestemmingsplan wordt aan de planlocatie een maatschappelijke bestemming toegewezen. Binnen deze maatschappelijke bestemming zijn de gronden bestemd voor scouting, alsook voor medegebruik (uitsluitend waar dit op de verbeelding is aangegeven) in de vorm van kinderopvang, bijeenkomsten met een educatief of sociaal-cultureel karakter en recreatief nachtverblijf.
Het bouwvlak wat deels binnen het NNN is gesitueerd blijft behouden, maar krijgt een lager maximaal bebouwingspercentage toegekend, in plaats van 30% wordt dit 20%. Het bouwvlak heeft een totale oppervlakte van 7.150 m2. Een bebouwingspercentage van 20% maakt dat 1.430 m2 bebouwd mag worden. Op dit moment is 690 m2 van het totale bouwvlak bebouwd, waarvan 80 m2 bestaande uit een gebouw binnen het NNN. Daarmee is het planologisch nog toegestaan om 740 m2 van het bouwvlak te bebouwen. De totale oppervlakte NNN binnen het bouwvlak bedraagt 1.520 m2, dat betekent dat met voorliggend bestemmingsplan het NNN planologisch gezien niet meer volledig kan worden bebouwd, in tegenstelling tot het vigerende plan.
Binnen het NNN blijft het gebouw van 80 m2 , dat kan worden aangemerkt als bestaande legale bebouwing, behouden. In dit gebouw vinden geen (verhuur)activiteiten plaats.
Onderstaand wordt een nader overzicht gegeven van de planologische mogelijkheden onder het huidig bestemmingsplan en voorliggend bestemmingsplan:
*speeltoestellen en lichtmasten worden niet expliciet mogelijk gemaakt met voorliggend plan. De speeltoestellen en lichtmasten vallen daarmee onder overige bouwwerken, geen gebouw zijnde. Hierdoor vindt een inperking plaats van de planologische mogelijkheden.
Voorliggend bestemmingsplan zorgt voor ofwel voor het gelijk blijven van de planologische mogelijkheden ofwel voor een inperking van de planologische mogelijkheden ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er geen sprake is van aantasting van het NNN, maar er juist op verschillende onderdelen een verbetering optreedt.
Het gebruik van de gronden t.b.v. scouting en het bovengenoemde medegebruik (dat plaatsvindt binnen de gebouwen buiten het NNN) heeft ten opzichte van de huidige planologische gebruiksmogelijkheden (zwembad en kinderboerderij) een vergelijkbare belasting. De nu rustende recreatieve bestemming kent bovendien geen specifieke gebruiksregels ten aanzien van het gebruik van een kinderboerderij en/ of zwembad waardoor een ruime interpretatie mogelijk blijft. Het voorliggende bestemmingsplan stelt strakke gebruiksregels aan de toegestane activiteiten. Deze gebruiksregels perken ten opzichte van de huidige bestemming de gebruiksmogelijkheden in, waardoor het NNN juist wordt ontlast. Er is dan ook geen sprake van nieuwe bestemmingen en regels in voorliggend bestemmingsplan die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het NNN.
Conclusie
In voorliggend plan is een ecologische dubbelbestemming opgenomen (onder het huidig bestemmingsplan 'Driebergen – Woongebied Driebergen' is geen sprake van een ecologische dubbelbestemming). De dubbelbestemming 'Waarde – ecologie' is van toepassing op de gebieden die binnen het NNN vallen in het plangebied. Deze dubbelbestemming ziet toe op de bescherming van landschaps- en natuurwaarden. Geconcludeerd kan worden dat aan Artikel 6.2 uit de Interim Omgevingsverordening wordt voldaan.
Om aantasting van het NNN te voorkomen geldt op basis van Artikel 6.3 uit de Interim Omgevingsverordening dat een bestemmingsplan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en de samenhang van het NNN aantasten. Op grond van bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat met dit bestemmingsplan geen sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Het plan ziet enkel toe op de bestendiging van het bestaande gebruik. Tevens houdt het plan geen verruiming in van de planologische mogelijkheden ten opzichte van het huidig bestemmingsplan. Hierdoor hoeft er niet te worden gekeken naar de uitzonderingsregeling en is compensatie niet aan de orde.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht.
De gemeenteraad heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De gemeente wil met deze visie de 'kwaliteit van de leefomgeving' en de 'groene positie in de regio' van de gemeente behouden en versterken. Deze ambities zijn themagericht en gebiedsbericht uitgewerkt. De 6 uitgewerkte thema's zijn:
Planspecifiek
Onderhavig plan betreft de continuering van de scouting. .Behoud van de scouting past binnen het leefbaar houden van de dorpen. De scouting vormt daarbinnen een belangrijke rol als voorziening voor zowel jongeren als ouderen.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met het beleid uit de structuurvisie 2030.
In 2017 heeft de gemeente de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Deze nota bevat het welstandsbeleid van de gemeente, opgesteld in 2008. De nota beschrijft het welstandsbeleid en fungeert als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen (voorheen bouwvergunning). Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Om dat belang op de juiste wijze te kunnen doorvertalen naar welstandscriteria, is de gemeente onderverdeeld in deelgebieden.
Planspecifiek
Onderhavig plangebied valt binnen het deelgebied 'Buitengebied – Beboste Heuvelrug. Deelgebied Beboste Heuvelrug bestaat uit de aaneengesloten bossen ten noorden van de route N225. Het ontworpen landschap met de boscomplexen van grote buitenplaatsen uit de zeventiende en achttiende eeuw is het meest in het oog springende kenmerk. Structuren en complexen uit de negentiende en de vroege twintigste eeuw bestaan uit buitenplaatsen met hun bijgebouwen. In de loop der tijd zijn er (dienst)woningen, defensiebebouwing en re- creatieve bebouwing bijgekomen. De bebouwing in het bos van de Heuvelrug is verspreid en solitair van karakter.
Welstandsbeleid
Bij de plaatsing van bouwwerken dient rekening te worden gehouden met de bestaande zichtlijnen. Bij nieuwe ontwikkelingen op percelen die grenzen aan historische landgoederen en buitenplaatsen dient rekening gehouden te worden met het karakter van de historische landgoederen en buitenplaatsen.
Conclusie
Onderhavig plan betreft de continuering van het huidige gebruik. Er worden geen nieuwe gebouwen gebouwd. Er vindt daarom geen toetsing aan de welstandscriteria plaats.
De gemeenteraad heeft het programma 'Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal' opgesteld voor 2017 tot 2022. Naast de aanpak en het uitvoeringsprogramma van 2017, bevat dit programma de strategische milieubeleidsdoelen die geldend zijn van 2017 t/m 2022. Het programma richt zich op het versterken en verbinden van initiatieven uit de samenleving op het gebied van duurzaamheid en klimaat, waarbij vijf doelen centraal staan:
Het programma stelt de samenleving, waaronder ondernemers, inwoners en bezoekers, als belangrijk middel om de doelen voor een duurzame en klimaatneutrale gemeente te realiseren. Daarnaast wordt er ook ingezet op regionale partners. Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw.
Planspecifiek
Onderhavig plan betreft de continuering van het huidige gebruik. Het milieubeleidsplan is daarom verder niet van toepassing.
In dit hoofdstuk dient het specifieke beleid en de wettelijke verplichtingen per sector beschreven te worden. Vervolgens dient per sector te worden aangegeven in hoeverre de ontwikkelingen in het plan zich verhouden tot dat specifieke beleid en die wettelijke verplichtingen. In de toelichting dient dit duidelijk te worden beschreven. Zo nodig wordt dit onderbouwd met onderzoek(en). Als niet wordt voldaan aan het beleid of onderdelen daarvan zal gemotiveerd moeten worden aangegeven worden waarom in dit geval het gerechtvaardigd is om van dit beleid af te wijken. Of in ander geval dit wordt gecompenseerd in een ander plan.
Afhankelijk van het plan moet bekeken worden welk beleid, wetgeving en onderzoek relevant is.
In het kader van een 'goede' ruimtelijke onderbouwing moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende aspecten: milieueffectrapportage, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem, ecologie, water, archeologie en verkeer en parkeren.
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
Planspecifiek
Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergelijkend met de bestaande (planologische) situatie niet toe. De ontwikkeling betreft de functiewijziging van 'Recreatie' in 'Maatschappelijk', waarbij enkele bouwwerken tevens verhuurd mogen worden. Dit betreft in planologische zin een wijziging die naar aard en omvang zeer beperkt is. Bovendien nemen de gebruiksmogelijkheden nauwelijks toe. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Planspecifiek
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Conclusie
Op basis van bovenstaande conclusies bestaat er geen belemmering voor continuering van het huidige gebruik. De bestemmingswijziging betreft immers geen wijziging die een strenger bodemgebruik inhoudt.
Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie.
Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.
Planspecifiek
Wat betreft wegverkeerslawaai is sprake van een in het kader van de Wet geluidhinder en een goede ruimtelijke ordening alleszins aanvaardbaar akoestisch klimaat. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Op basis van de Wet geluidhinder wordt de voorgenomen planontwikkeling niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. Ook genereert de scouting een dermate lage verkeersproductie dat redelijkerwijs geen geluidhinder als gevolg van wegverkeer wordt veroorzaakt voor de omgeving.
Er is wel akoestisch onderzoek gedaan naar de activiteiten die op het scoutingterrein plaatsvinden, waarin ook het stemgeluid (van voornamelijk kinderen) is betrokken. De conclusie hiervan is verwerkt in paragraaf 4.2.5 'Bedrijven en milieuzonering'.
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde.
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Op grond van de Europese regelgeving moet overal in Europa worden voldaan aan de grenswaarden voor verschillende stoffen. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen.
Besluit en regeling 'niet in betekenende mate'
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdrage kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd.
NIBM-projecten kunnen -juridisch gezien- zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.
Er geldt ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor zeer fijnstof bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor fijnstof niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor zeer fijnstof zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
Planspecifiek
Aan de hand van de NIBM-tool is een berekening gemaakt van de bijdrage van het verkeer aan bepaalde stoffen in de lucht van en naar het scoutingterrein. De scouting heeft daarbij aangegeven hoeveel auto's van een naar de scouting rijdt op verschillende momenten. Het blijkt daarbij dat bij een van de kampen in het weekend, waarbij de meeste groepen aanwezig zijn, het meeste autoverkeer genereert. In totaal gaat het dan om 40 auto's, wat resulteert in 80 extra verkeersbewegingen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is, met behulp van het geoportaal van de Omgevingdienst Utrecht gekeken naar de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Uit het kaartmateriaal van het portaal blijkt dat de concentraties over 2018 en 2030 van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) voldoen aan de wettelijke grenswaarden.
Conclusie
Uit de NIBM-tool blijk dat het autoverkeer van en naar de scouting niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse aan de wettelijke grenswaarden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik.
Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidsruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' editie 2009 gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. De handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).
Planspecifiek
Voor toetsing van geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering. In de VNG publicatie is een lijst opgenomen van activiteiten/bedrijven met de daarbij van toepassing zijnde richtafstanden voor het aspect geluid. In de VNG publicatie is de activiteit met SBI code 552/553 (Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)) het meest van toepassing. Dit vooral vanwege de weekendkampen voor de scouting en het gebruik door derden. In de VNG publicatie wordt onderscheid gemaakt in de verschillende gebiedstyperingen 'rustige woonwijk, rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Ondanks de functiemenging ter plaatse van de voor de het scoutingterrein relevante woningen, is er geen sprake van verhoogde milieubelasting door die functiemenging en is het aspect geluid de gebiedstypering “rustige woonwijk, rustig buitengebied”gehanteerd. Het gebied is grotendeels omsloten door bosrijk terrein en een rustige woonstraat.
Op grond van de VNG-brochure is de richtafstand tussen woningen en een kampeerterrein, vakantiecentra e.d. in een rustige woonwijk maximaal 50 meter voor geluid, 30 meter voor geur en 30 meter voor gevaar. Omdat bij de scouting geen horeca aanwezig is en ook geen gevaarlijke stoffen op terrein aanwezig zijn, zijn de richtafstand voor geur en gevaar verder niet van toepassing.
De richtafstand voor geluid is wel van toepassing. Aan deze afstand wordt niet voldaan, vandaar dat akoestisch onderzoek (bijlage 1) is uitgevoerd om te kijken of aan de richtwaarden die in de VNG-brochure voor geluid zijn opgenomen wordt voldaan.
Bij het bepalen of voldaan wordt aan de richtwaarden uit de VNG-brochure is gekeken naar stemgeluid van spelende kinderen op het scoutingterrein. Dit stemgeluid is maatgevend als het gaat om de geluidsbelasting van de omliggende woningen.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de spelende kinderen op het scoutingterrein hoger is dan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 50 dB(A) ter plaatse van de woningen aan de Manger Catslaan. Ook bij de woning aan de Baden Powellaan is de geluidsbelasting tot 4 dB(A) hoger dan de richtwaarde van 45 dB(A). Als het gaat om het piekniveau wordt wel voldaan aan de richtwaarde uit de VNG-brochure.
Omdat niet aan een deel van de richtwaardes uit de VNG-brochure voldaan kan worden, is nader onderzocht of bronmaatregelen mogelijk zijn. Geluidafschermende voorzieningen zijn onderzocht, maar pas bij een schermhoogte van 5 meter een lengte van het scherm van 65 tot 75 meter lang wordt een dusdanige schermwerking bereikt dat voldaan kan worden aan de richtwaarde voor geluid voor de avondperiode. Het mag duidelijk zijn dat de onderzochte afschermende voorzieningen zeer ingrijpend voor de omgeving en bovendien zeer kostbaar zijn. Het is daarom niet realistisch om deze geluidreducerende voorzieningen te treffen of verder te onderzoeken.
Conclusie
Wij achten 5 dB(A) hoger etmaalwaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in onderhavige geval acceptabel vanwege de volgende redenen:
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg geldt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het daarbij behorende besluit. Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):
Op grond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dient bij bestemmingsplan beoordeeld te worden of de wettelijk grenswaarde met betrekking tot het plaatsgebonden risico niet wordt overschreden en of de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Bij een toename van het groepsrisico geldt de wettelijke verplichting voor de gemeente om dit in het bestemmingsplan te verantwoorden.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet in het invloedsgebied van een bedrijf ligt waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het plangebied niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. In het noorden ligt het plangebied wel gedeeltelijk in het invloedsgebied van de snelweg A12, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Maatgevend scenario is een gifwolkscenario. In verband hiermee is een beperkte groepsrisicoverantwoording noodzakelijk op basis van het Bevt (art 7 en 9). De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) is om advies worden gevraagd. Dit advies is verwerkt in de beperkte verantwoording.
Verantwoording
Bij de beperkte verantwoording wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en beperking van de ramp en de mogelijkheden van personen die aanwezig zijn binnen het rampgebied om zich de in veiligheid te brengen.
Bestrijdbaarheid
Het plangebied is met de brandweerwagen te bereiken via de Baden Powellaan. Langs de Baden Powellaan is echter geen bluswatervoorziening aanwezig. Deze voorzieningen zijn wel aanwezig langs de J. Manger Catslaan die ook langs het plangebied loopt. Ook heeft de brandweer altijd een beperkte bluswatervoorziening bij zich.
Zelfredzaamheid
Voor wat betreft de mogelijkheden m.b.t. de zelfredzaamheid van de aanwezigen in het plangebied is het belangrijk dat de aanwezigen kunnen vluchten. Hiervoor zijn voldoende mogelijkheden rondom het plangebied. De bestaande wegenstructuur en omliggende bosgebied bieden hiervoor mogelijkheid. Op het terrein zijn wel personen, kinderen onder de 14 jaar, aanwezig die verminderd zelfredzaam zijn. Er zijn daarbij wel altijd volwassen op het terrein aanwezig die toezicht houden. Het is van belang dat deze personen goed worden geïnstrueerd wat te doen bij een eventueel rampscenario. Indien de gebouwen op het terrein niet beschikken over een mechanische ventilatie die kan worden afgesloten, zijn de gebouwen niet geschikt om in te blijven tijdens een ramp met een toxische wolk. In dat geval is het beter om het gebied te ontvluchten. Hiervoor zijn zoals eerder aangegeven voldoende mogelijkheden.
Elektromagnetische straling
Tot slot zijn er ook geen bronnen van elektromagnetische straling gelegen in de omgeving van het plan.
Conclusie
Wij achten het gezien het bovenstaande verantwoord om het gebruik van het terrein
planologisch toe te staan. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de
uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn bepaalde activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.
Planspecifiek
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is op 5 januari 2022 een quickscan flora en fauna door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V uitgevoerd (zie bijlage 2 ). Navolgend wordt op de resultaten van het onderzoek ingegaan.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt gedeeltelijk onderdeel uit van het NNN. De planologische wijziging leidt niet tot significante negatieve effecten in de oppervlakte, samenhang of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Het plangebied ligt op meer dan 8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Er worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden. Het projectgebied ligt op voldoende afstand om negatieve effecten uit te sluiten.
Omdat een deel van de kinderen naar het scoutingsterrein wordt gebracht met de auto, is voor de zekerheid toch een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met het rekenpakket Aerius (versie 2022.1) (bijlage 3). Voor de bouwfase kan eenvoudigweg geconcludeerd worden dat er geen stikstofdepositie optreedt, er vindt immers geen ruimtelijke ontwikkeling plaats en er vinden geen werkzaamheden plaats. Voor de gebruiksfase dient de verkeersgeneratie van en naar het plangebied meegenomen te worden in de berekening.
Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied kan niet bepaald worden met behulp van de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW uit december 2018. Hierin zijn namelijk geen specifieke kengetallen voor een scoutingsterrein opgenomen.
Het maximaal aantal auto's dat van een naar het scoutingsterrein gaat, is dan ook op basis van ervaringscijfers bepaald, welke zijn opgevraagd bij de scouting (zie bijlage 4). Uit die cijfers blijkt dat tijdens een van kampen, waarneer de meeste groepen aanwezig zijn, het aantal auto's dat het terrein aandoet het hoogst is. Het gaat dan om maximaal 40 auto's. Er is voor de Aeriusberekening uitgegaan van een worst-case scenario en dat dit maximaal aantal elke dag naar de scouting rijdt. Dat houdt 80 voertuigbewegingen per dag in (heen- en weergaand verkeer)
Uit de berekening, uitgevoerd met het softwarepakket Aerius, blijkt dat ten gevolge van de extra verkeersbeweging die de ontwikkeling van het plangebied opleveren geen extra stikstofdepositie in de nabijgelegen natuurgebieden oplevert.
Soortenbescherming
In het kader van de Wet natuurbescherming moet worden getoetst of er door de ingreep sprake is van negatieve effecten op (potentiële) vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van (beschermde) plant- en diersoorten.
Binnen het plangebied kunnen blijkens de quikscan verschillende strikt beschermde soorten voorkomen, zoals de ringslang, rode eekhoorn, steenmarter en vleermuizen. In de bomen in het plangebied kunnen mogelijk jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig zijn. Er vinden echter geen fysieke werkzaamheden plaats. Daarnaast worden de activiteiten ten behoeve van de scouting die tot op heden in het plangebied plaatsvinden, in de toekomstige situatie ingeperkt. Derhalve kunnen significante negatieve effecten op de mogelijk aanwezige beschermde soorten uitgesloten worden.
Conclusie
Onderhavig plan voorziet enkel in de bestendiging van het bestaande gebruik. Er worden geen bestaande gebouwen gesloopt of nieuwe bouwwerken opgericht. Ook wordt er geen opgaande begroeiing verwijderd. Op basis hiervan zal van aantasting van leefgebied van beschermde flora en fauna geen sprake zijn. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht. Het aspect 'ecologie' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021
Het Bodem-, Water- en Milieuplan is opgesteld op grond van de verplichting in de Waterwet en de Wet Milieubeheer om respectievelijk een regionaal waterplan en een provinciaal milieubeleidsplan op te stellen. Het Bodem-, Water- en Milieuplan is vastgesteld op 7 december 2015. Met dit plan wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening en de Provinciale Waterverordening.
Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden twee hoofdlijnen in het beleid onderscheiden:
Waterbeheerplan 'Waterkoers 2016 - 2021' Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is neergelegd in het Waterbeheerplan. Het plan bestaat uit 3 delen, te weten: Strategie, Beleids- en uitvoeringsplan en een Achtergronddocument. Het deel Strategie betreft een beschrijving over hoe wordt ingespeeld op maatschappelijke ontwikkelingen als klimaatverandering en verstedelijking. Het vormt de basis voor de uitvoeringsstrategie. In het Beleids- en uitvoeringsplan zijn de ambities uit het strategisch deel vertaald naar vier beleidsthema's (veiligheid, voldoende water, schoon water en recreatie, landschap en cultuurhistorie) en 7 vernieuwende projecten. Het thema 'veiligheid' heeft met name te maken met het beleid ten aanzien van waterkeringen (primaire waterkeringen, regionale waterkeringen en overige waterkeringen), het voorkomen van overstromingen en het beperken van eventuele gevolgen. Bij de zorg voor het thema 'voldoende water' worden de volgende onderdelen onderscheiden:
Het thema 'schoon water' staat gelijk aan ecologisch gezond water. Dit gebeurt door aanpassing van de inrichting, het beheer en het onderhoud van watersystemen. Hierdoor verbetert de leefomgeving van mensen, dieren en planten. De veranderingen worden doorgevoerd via integrale gebiedsgerichte planvorming, in samenhang met maatregelen om andere doelen te halen. Dit wordt gedaan via integrale, gebiedsgerichte planvorming middels het opstellen van watergebiedsplannen.
Waterstructuurvisie Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
In de Waterstructuurvisie is de toekomstvisie van het Hoogheemraadschap weergegeven. Belangrijkste doelstelling is dat het water meer ruimte moet krijgen om het hoofd te bieden aan klimaatveranderingen. Het middel dat hiervoor wordt ingezet is het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Dit houdt in dat regenwater niet meteen wordt afgevoerd via het riool, maar wordt vastgehouden. Bijvoorbeeld door het in de grond te laten zakken of te verzamelen in sloten. Het bergen vindt plaats door het opslaan van overtollig water in speciale meren of aangewezen polders. Op die manier is er ook schoon water in voorraad voor droge tijden. Pas in het uiterste geval wordt meer gevraagd van de gemalen (afvoeren).
Gemeentelijk Waterplan Heuvelrug
Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.
Convenant en Leidraad Afkoppelen en Infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug
Het convenant 'Leidraad afkoppelen en infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug' is op 27 januari 2010 door twaalf overheden en drinkwaterbedrijf Vitens getekend. Het convenant dat gaat over het afkoppelen en infiltreren van afstromend hemelwater op de Utrechtse Heuvelrug, is op 26 november 2015 geactualiseerd. Het streven is om diffuse bronnen terug te dringen, zoals het gebruik van uitlogende materialen. In het convenant is een beslisschema opgenomen waarmee kan worden bepaald of en op welke wijze hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem (geïnfiltreerd).
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In deze waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek
Onderhavig plan voorziet enkel in een bestendiging van het bestaande gebruik. Er worden geen bestaande gebouwen gesloopt of nieuwe bouwwerken opgericht. Met de voorgenomen functiewijziging vindt dan ook geen toename aan verhard oppervlak plaats.
Conclusie
Wateraspecten vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.
Bereikbaarheid
Op 28 januari 2010 heeft de gemeente het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld, waarin mobiliteitsbeleid van de gemeente is vastgelegd. Het doel van het GVVP is een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en veilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economische gezonde gemeente. Sinds 2010 zijn er de nodige ontwikkelingen geweest waardoor het parkeerthema in het GVVP niet meer op alle vlakken actueel is. Vanwege voorgaande heeft de gemeenteraad op 21 februari 2022 de parkeerbeleidsnota 2021 vastgesteld. In deze nota zijn de in nieuwe parkeerkencijfers voor zowel fiets en auto van het CROW opgenomen. Verder is de mogelijkheid voor de initiatiefnemer opgenomen om tot het afkopen van parkeerplaatsen over te gaan. Om die reden wordt er, anders dan in het GVVP 2010, een geografisch onderscheid gemaakt in parkeernormen per gebied.
Verkeer
Aangrenzend aan de planlocatie liggen de Baden Powelllaan en de Arnhemse Bovenweg Hiermee is de locatie goed bereikbaar. De verwachting is dat er een geen toename zal zijn van extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling. Het plan betreft immers een continuering van de huidige activiteiten. Dit verkeer kan via de voornoemde wegen uit het dorp worden geleidt. Additionele verkeersmaatregelen worden dan ook niet nodig geacht. Het juridisch-planologisch mogelijk maken van de bestaande activiteiten op deze locatie zal niet leiden tot onaanvaardbare verkeershinder.
Parkeren
Er is beoordeeld hoeveel parkeergelegenheid op eigen terrein noodzakelijk is. Voor het bepalen van de noodzakelijke parkeergelegenheid is gekeken naar het gebied en de ligging van het gebied ten opzichte van het centrum van Driebergen - Rijsenburg. Die twee factoren bepalen hoeveel parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Het gebied wordt getypeerd als weinig stedelijk en als rest van de bebouwde kom. Verder is gekeken naar het gebruik wat de hoogste parkeerbehoefte oplevert. Dit betreft het gebruik van de gebouwen ten behoeve van bijeenkomsten. Uit informatie van de scouting blijkt dat bijeenkomsten uit maximaal 20 personen bestaan. Voor de bijeenkomstenfunctie wordt aansluiting gezocht bij een onderwijsfunctie. De parkeernorm van een onderwijsfunctie is 5,8 parkeerplaatsen per 10 personen. Dat betekent dat afgerond 12 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Er is voldoende ruimte voor 12 parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de kinderopvang en de scouting wordt geen aanvullende parkeernorm gesteld. Dit heeft dan vooral te maken dat de kinderen hiervoor gebracht en gehaald worden of op de fiets dan wel lopend naar de locatie komen.
Conclusie
Het bestendigen van het bestaande gebruik van het scoutingterrein levert geen verkeersproblemen op en op het terrein kunnen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, waardoor geen parkeerproblemen zullen ontstaan.
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek
De planlocatie wordt begrensd door een spreng en een voormalige zichtlaan. Deze zijn beide aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol op de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. In het plangebied zelf zijn echter geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig.
Conclusie
Rekening houden met cultuurhistorische waarden is niet aan de orde. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Uit artikel 9.1 sub a van de Erfgoedwet volgt dat artikel 38 lid a van de Monumentenwet nog steeds van toepassing is en stelt: 'De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten'.
Planspecifiek
Ter plaatse van het plangebied bevindt zich volgens de Archeologische verwachtingskaart geen archeologische waarde.
Afbeelding uitsnede archeologische verwachtingskaart
Het opnemen van een dubbelbestemming Archeologie ter bescherming van de archeologische waarde is dus niet noodzakelijk. Er geldt uitsluitend de vondstmeldverplichting uit de Erfgoedwet.
Conclusie
Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.DBGscouting-VO01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (de verbeelding) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als 'verklaringen' aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).
De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
Het voorliggende bestemmingsplan bevat de bestemming 'Maatschappelijk' en dubbelbestemming 'Waarde - ecologie'.
Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' is het gehele scoutingterrein opgenomen. Binnen de bestemming zijn gebruik voor scoutingsactiviteiten, alsmede medegebruik voor, buitenschoolse opvang, en bijeenkomsten met een educatief of sociaal-cultureel karakter en recreatief nachtverblijf door derden toegestaan. Er zijn twee bouwvlakken opgenomen waarbinnen de gebouwen op het terrein zich bevinden. Per bouwvlak is een maximum bebouwingspercentage opgenomen. Het specifieke gebruik van de gebouwen voor bijeenkomsten, kinderdagverblijf en nachtverblijf is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven. De aanduiding 'speelterrein kamp uitgesloten' op de verbeelding is opgenomen om uit te sluiten dat de gronden met deze aanduiding gebruikt worden als speelterrein gedurende kampen.
In de gebruiksregels is het gebruik specifieker geregeld, waarbij onder meer het volgende is geregeld:
De dubbelbestemming Waarde - Ecologie is bedoeld om de landschaps- en natuurwaarden van de gronden in stand te houden en te beschermen. Deze bestemming geldt naast de onderliggende (enkel) bestemming en is van toepassing op gebieden die binnen de Natuur Netwerk Nederland (NNN) vallen. Naast de geldende bouwregels van de enkelbestemming mogen overige bouwwerken ten dienste van de bestemming Waarde - Ecologie worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter. Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken die volgens de andere bestemmingen mogen worden gebouwd. Dit om onevenredige aantasting van de belangen van de landschaps- en natuurwaarden te voorkomen.
Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.
In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.
Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.
Overgangsregel
Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld: bouwwerken of gebruik zoals dat bestaat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de in het nieuwe plan gegeven bebouwingsregels of het gebruik van de gronden en bouwwerken.
Slotregel
Deze regel geeft de exacte naam van het bestemmingsplan aan.
In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. De volgende zaken komen aan bod:
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
Er is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro, omdat het plan alleen gaat om het bestendigen van het gebruik en geen nieuwe gebouwen of uitbreidingen van bestaande gebouwen mogelijk maakt.
Conclusie
Er is geen wettelijke verplichting voor het opstellen van een exploitatieplan of het sluiten van anterieure overeenkomst.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) pleegt de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het kader van het wettelijk vooroverleg is op het voorontwerpbestemmingsplan 'Scouting Driebergen - Rijsenburg' een reactie binnengekomen van de volgende instanties: Provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden.
Onderstaand zijn de reacties per instantie samengevat en van een reactie voorzien.
Provincie Utrecht
De provincie heeft aangegeven dat de onderbouwing inzake de ligging van het plangebied binnen delen van het NNN niet volledig is. De stap om te bepalen of de nieuwe bestemming (planologisch gezien) ruimtelijke ontwikkelingen toestaat die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het NNN is onvolledig en onjuist uitgevoerd.
Naar aanleiding van de reactie van de provincie heeft er een nieuwe beoordeling plaatsgevonden of er sprake is van aantasting van het NNN met voorliggend plan. De onderbouwing is opgenomen onder paragraaf 3.2.2. Tevens is naar aanleiding van de reactie van de provincie de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwzijnde aangepast naar 2 meter (in plaats van 3 meter) en de maximale bouwhoogte van vlaggenmasten naar 5 meter (in plaats van 6 meter). Op deze manier zijn de planologische mogelijkheden van voorliggend plan in overeenstemming gebracht met het huidig bestemmingsplan.
Ook is besloten om de aanduidingen 'speelterrein 1' en 'speelterrein 2' te laten vervallen. In plaats hiervan is een aanduiding 'speelterrein kamp uitgesloten' opgenomen voor het meest westelijk gelegen deel van het plangebied. Het terrein ter plaatse van deze aanduiding mag gedurende kampen niet worden gebruikt.
Door de doorgevoerde aanpassingen is nu uitgesloten dat met het plan een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en de samenhang van het NNN plaatsvindt.
Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden
Het plan heeft geen invloed op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden heeft dan ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om inhoudelijk te reageren op het plan.
De reactie van het Hoogheemraadschap is ter kennisname aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het plan.
Het ontwerpbestemmingsplan is op basis van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening ter visie gelegd. Het plan heeft in de periode van 10 februari 2023 gedurende zes weken (tot en met 23 maart 2023) ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Deze terinzagelegging is openbaar kenbaar gemaakt in het Gemeenteblad, op de gemeentelijke website en de gemeentepagina in nieuwsblad 'De Kaap'. Er zijn twee zienswijzen op het plan ingediend. De zienswijzen zijn beschreven en beantwoord in Bijlage 5 Nota zienswijzen bp Scoutingterrein Baden Powelllaan. De zienswijze heeft tot één aanpassing van het bestemmingsplan geleid. Er is een aanvullende regel opgenomen in de planregels dat het afspelen van versterkte muziek niet is toegestaan binnen het plangebied.
Daarnaast is een ambtshalve wijziging doorgevoerd. De Aeriusberekening is geactualiseerd op basis van de meest recente versie van de Aeriuscalculator.
Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.
Daarom wordt bij de actualisering van dit bestemmingsplan voorafgaand waar mogelijk een zo goed mogelijk beeld verkregen van de huidige planologische situatie en ontwikkelings- / afwijkingsmogelijkheden, de in de afgelopen 10 jaar aangevraagde en verleende afwijkingen / omgevingsvergunningen en de in de afgelopen tien jaar verrichte handhavingsacties en verleende gedoogbeschikkingen. Dit onderzoek past volledig binnen de verplichtingen uit onder andere de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De investering betreft de invulling van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting.
De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting (1) en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek."
Ad voetnoot 1:
Repressieve toezicht en handhaving ligt wettelijk vast en leidt allereerst tot de te beantwoorden vraag of de afwijking/overtreding kan worden gelegaliseerd. Dat kan meer verruiming van het bestemmingsplan tot gevolg hebben dan dat met het bestemmingsplan oorspronkelijk is bedoeld. Dat zelfde geldt voor de discretionaire bevoegdheid om afwijkingen te gedogen. Als er niet voor legalisering dan wel gedogen wordt gekozen, kan er weliswaar met gebruikmaking van de repressieve handhavingsmiddelen (last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, strafrechtelijke boete dan wel een bestuurlijke boete; de boetes waar van toepassing uiteraard) een aanmerkelijke kans worden gecreëerd op beëindiging van de afwijking/overtreding.