| Plan: | Langbroekerdijk 29 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1581.DBGlangbroekrdk29-VA01 |
Na het vrijkomen van pacht van de voormalige boerderij aan de Langbroekerdijk 29 in Driebergen zijn door eigenaar Landgoed Leeuwenburgh plannen ontwikkeld om binnen het agrarisch bouwvlak om vrijwel alle voormalige bedrijfsbebouwing op het perceel, inclusief de bedrijfswoning, te slopen en in plaats daarvan twee nieuwe woningen terug te bouwen.
Op 4 oktober 2012 is door Landgoed Leeuwenburgh een principe verzoek ingediend. In reactie daarop heeft het College van Burgemeester en Wethouders in een brief van 16 januari 2013 aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het verzoek. Wel heeft het college daarbij een aantal randvoorwaarden gesteld ten aanzien van de uitwerking van het plan. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op de inhoud van de woningen (max. 600m³), de goothoogte (max. 1 bouwlaag), de oppervlakte van het bestemmingsvlak (1000m²), de bestemming van de overige gronden, het Beeldkwaliteitplan Langbroekerwetering en de landschappelijke / ruimtelijke inpassing van de nieuwbouwplannen, materiaalgebruik en een verwijzing naar het landgoed Leeuwenburgh. Deze punten zijn vertaald in het bestemmingsplan. Waar dat niet wenselijk of mogelijk bleek, is in overleg met de gemeente gezocht naar een oplossing.
Voor het perceel is het bestemmingsplan Buitengebied van kracht. De gronden hebben hierin de bestemming "Agrarisch gebied met Landschaps- en Natuurwaarden" met de gebiedsaanduidingen 'half open landschap' en 'kwelafhankelijke vegetatie'. Op grond van het geldende bestemmingsplan mogen de gronden worden gebruikt voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met dienstwoning (maximale inhoud 600m³). Hoewel het vigerende bestemmingsplan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid naar "Wonen" kunnen de beoogde plannen niet binnen de regels van het bestemmingsplan Buitengebied worden gerealiseerd omdat een deel van de voormalige bedrijfsbebouwing (karakteristieke houten schuur) wordt gehandhaafd. Om die reden is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de Gemeente Utrechtse Heuvelrug even ten westen van de kern Langbroek (zie afbeelding 1). Het bestemmingsplan is opgebouwd uit een toelichting, regels en een (digitale) verbeelding. Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de SVBP 2012. Het bestemmingsplan is opgezet volgens de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied waarbij binnen de bestemming de belangrijkste zaken zijn vastgelegd. Ook bevat dit bestemmingsplan een uitwerking van de beoogde beeldkwaliteit en voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij de verdere uitwerking tot een concreet bouwplan. De begrenzing van het plangebied komt overeen met de grenzen van het voormalig agrarisch bouwvlak.
Afbeelding 1: ligging plangebied
Bron: Google earth
Voor het plangebied zijn de bepalingen van het bestemmingsplan Buitengebied Driebergen van kracht (vastgesteld 16 september 2004). Hierin hebben de betreffende gronden de bestemming "Agrarisch gebied met Landschaps- en Natuurwaarden". Ter plaatse van het plangebied is een agrarisch bouwvlak aangegeven. In de voorschriften van het bestemmingsplan is in artikel 21 een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij deze bestemming binnen het voormalig agrarisch bouwvlak kan worden gewijzigd in de bestemming "Wonen (artikel 11)". In artikel 21 lid 2 onder b is bepaald dat bij wijziging van de bestemming in beginsel het aantal woningen niet mag worden vergroot ten opzichte van de bestaande situatie. In het bepaalde onder f van voornoemd artikel is bepaald dat één extra woning kan worden toegestaan indien alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt met een minimumoppervlakte van 1000m².
Aangezien in onderhavige situatie één bestaande karakteristieke schuur wordt gehandhaafd, kan niet worden voldaan aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden van totale sloop. De plannen voor sloop en vervangende nieuwbouw van twee woningen worden via voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan via maatwerk geregeld.
In dit bestemmingsplan Langbroekerdijk 29, Langbroekerdijk 29 Driebergen-Rijsenburg worden de beoogde ontwikkelingen planologisch verankerd door middel van een partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Driebergen. In het bestemmingsplan hebben de nieuwe woonkavels een woonbestemming hebben gekregen. De oppervlakte van de woonkavels is 1000m². Er is geen nader onderscheid gemaakt in de vorm van een tuin- of erfbestemming. Het bestemmingsplan is opgebouwd uit een toelichting, regels en een digitale verbeelding (plankaart). Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de IMRO standaarden en de SVBP 2012. Ook voldoet het plan aan de eisen uit de Wro inzake digitale raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen.
Na deze algemene inleiding zal in de komende hoofdstukken aandacht worden besteed aan de gebiedsvisie die aan de planvorming ten grondslag ligt (Hoofdstuk 2 Planbeschrijving). Daarna worden de beoogde ontwikkelingen afgezet tegen de rijks-, provinciaal- en gemeentelijke beleidskaders (Hoofdstuk 3 Beleid). In Hoofdstuk 4 Cultuurhistorie, Hoofdstuk 5 Ecologie en Hoofdstuk 6 Milieu komen de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken aan de orde. In hoofdstuk Hoofdstuk 7 worden de wateraspecten behandeld. In hoofdstuk Hoofdstuk 8 is de juridische Planbeschrijving opgenomen. Hoofdstukken Hoofdstuk 9 en Hoofdstuk 10 geven een overzicht van de economische respectievelijk maatschappelijke haalbaarheid van de plannen.
Het plangebied ligt aan de Langbroekerdijk 29 in Driebergen, centraal in het coulisselandschap van het Langbroekerweteringgebied. Het perceel maakt deel uit van de gronden die behoren tot het Landgoed Leeuwenburgh, waarvan de historische buitenplaats even verder is gelegen aan de Langbroekerdijk 39. Het landgoed als geheel beslaat een oppervlakte van 125ha. De planlocatie is kadastraal bekend als, gemeente Utrechtse Heuvelrug, Driebergen - Rijssenburg, sectie D, nummer 814 (zie afbeelding 2). De totale oppervlakte van de planlocatie beslaat ruim 1,5ha. De beoogde ingrepen en het plangebied beperken zich tot het voormalige agrarische bouwperceel met het bestaande erf en de daarop aanwezige opstallen. Het plangebied heeft een oppervlakte van 6185m².
Afbeelding 2: kadastrale kaart en luchtfoto van het plangebied, het plangebied is aangegeven als rood vlak
De lopende pachtovereenkomst is beëindigd in 2006 door het overlijden van de pachter. Ter versterking van de omringende agrarische bedrijven is gekozen voor functieverandering naar wonen in combinatie met landschapsbouw en natuurontwikkeling. Deze keuze komt voort uit de visie die Landgoed Leeuwenburgh heeft ontwikkeld voor de instandhouding van het landgoed. Daarin is het beleid gericht op versterking van natuur en landschap in combinatie met economische dragers in de vorm van wonen. Gronden die niet nodig zijn voor natuurontwikkeling zijn opnieuw verpacht.
Op het perceel zijn naast de bestaande dienstwoning met aangebouwde stal / schuur, nog vier stallen / schuren en een hooiberg aanwezig. De totale oppervlakte aan bebouwing beslaat 1100m². Met uitzondering van de hooiberg en de houten schuur met wolfskap vormt de bestaande bebouwing noch in cultuurhistorisch opzicht, noch in architectonisch opzicht een bijzondere verschijning. De bebouwing dateert grotendeels uit de periode rond 1970 en is afgedekt met asbestplaten (zie afbeelding 3).
Aangezien de bestaande dienstwoning gedeeltelijk is geïntegreerd met de naastgelegen stal, gaan de plannen uit van sloop van vrijwel alle bestaande bebouwing, inclusief de voormalige dienstwoning. Alleen de karakteristieke houten schuur met wolfskap blijft in de nieuwe situatie behouden (zie afbeelding 3). In plaats daarvan worden twee nieuwe woningen teruggebouwd in een stijl die past bij het landgoed. Op deze manier wordt voldaan aan de randvoorwaarde dat de woningen een verwijzing moeten bevatten naar het landgoed Leeuwenburgh, waar deze nog altijd deel van uitmaken.
Afbeelding 3: bestaande situatie met links de bestaande dienstwoning en rechts de te behouden houten kapschuur
Het plangebied ligt op de overgang tussen het stuwwalmassief van de Utrechtse Heuvelrug en de laagte van het Kromme Rijndal, centraal in het Langbroekerweteringgebied. Dit gebied wordt gekenmerkt door een agrarisch coulisselandschap met afwisselend open weidegebieden en gesloten bosgebieden. Het plangebied heeft een kenmerkende Middeleeuwse en historisch waardevolle strokenverkaveling (cope-ontginning, zie afbeelding 4).
Afbeelding 4: overzicht kaartbeeld 1850 en 1900 en luchtfoto 2013 waarop de historische strokenverkaveling duidelijk zichtbaar is
bronnen: historische atlas en google maps
Het gebied was oorspronkelijk een dekzandvlakte, die is ontstaan door veen en afzetting van overstromingsmateriaal en rivierkomvlaktes. Vanuit de Kromme rijn en de Nederrijn heeft kleiafzetting plaatsgevonden. De Langbroekerwetering, met parallel daaraan de Langbroekerdijk, werd rond de 12e eeuw aangelegd en loopt als een soort ruggengraat door het gebied. Hoewel de hoogte van het maaiveld in dit gebied varieert tussen 2,5 en 5,3m +NAP komen ter plaatse van het plangebied geen grote hoogteverschillen voor.
Langs de Langbroekerwetering werd het gebied in copes verkaveld. Omdat de grondkwaliteit ter weerszijden van de Langbroekerwetering sterk verschilde, werd afgeweken van de gebruikelijke kavelbreedte van 110m en kreeg iedere ontginner een dubbel zo lange maar half zo brede kavel van elk 1250m diep. De percelen werden met watergangen van elkaar gescheiden. De boerderijen stonden op de kop van de kavel en aan het einde van het perceel lag een achterkade (de Gooijerdijk). Deze langgerekte verkaveling wordt visueel versterkt door de afwisseling tussen smalle weilanden en aansluitend dichte bospercelen (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5: het kenmerkende coulisselandschap van het Langbroekerwetering gebied
Het landgoed omvatte oorspronkelijk een lang, smal perceel van oorspronkelijk 140ha gelegen tussen de Langbroekerdijk en de Gooijerdijk. Tegenwoordig beslaat het landgoed een breder gebied tussen de Gooijerdijk en de Langbroekerdijk; het landgoed beslaat een oppervlakte van ongeveer 125ha. Het huis Leeuwenburgh waar het landgoed zijn naam aan dankt, heeft geen middeleeuwse voorganger. Op een kaart uit de 17e eeuw staat op de plaats van het huidige huis Leeuwenburgh een huis met de naam Zoudenbalch. Het was een traditioneel blokvormig huis met souterrain, bel-etage en verdieping onder een afgeplat schilddak. Het huis was omgeven met water. In 1667 werd de naam van het huis omgedoopt tot Leeuwenburgh. Onder de opeenvolgende eigenaren werd het landgoed in oppervlakte uitgebreid. Rond 1796 strekte zich zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde van het huis een groot, formeel aangelegd park uit met brede lanen in noord-zuid richting met, haaks of diagonaal daarop, wandelpaden. In het verlengde van een bijna ronde gracht lagen twee vijvers. De overtuin had een sterke axiale werking en werd later verlandschappelijkt en ingekort. De zichtas bleef bestaan.
Binnen het Langbroekerwetering gebied komen relatief veel verschillende bodemtypen voor variërend van leemarmdekzand tot zware klei (zie afbeelding 6). Dit is mede het gevolg van het feit dat de Kromme Rijn oorspronkelijk breed door dit gebied meanderde totdat deze rond 1150 bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd. In de samenstelling van de bodem zijn aanwijzingen te vinden voor diverse stroomruggen en stroomgordels door het Langbroekerweteringgebied. Verder zijn de wind en de sneeuw bepalend geweest voor het ontstaan van dekzandvlakten.
Het plangebied bevindt zich op de rand tussen een gebied met licht golvende of vlakke dekzandgebieden bedekt met rivierklei (Ed2) en kommen op dekzand (Fk4, Fk5). De bodemsamenstelling ter plaatse van het plangebied is daardoor complex. Het profiel van het gebied wordt gekenmerkt door een holocene, soms humusrijke of venige kleilaag van 0,4 tot 0,7m (Ed2), die plaatselijk dikker is dan 0,7m (Fk4, Fk5) liggend op zeer fijn tot matig fijn kalkloos dekzand. Het dekzand wordt veelal binnen 2m onder maaiveld aangetroffen. Het profiel bevat een laag veen al dan niet met klei met een dikte van soms minder dan 0,4m of een laag venige klei, kleiig veen of veen van juist meer dan 0,4m dikte.
Afbeelding 6: uitsnede geomorfogenetische kaart, in rood kader het plangebied
bron: Stiboka
Het plangebied ligt op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug naar het stroomgebied Kromme Rijn met daartussen de Langbroekerwetering. De verschillen in waterhuishouding zijn daardoor groot. Op de heuvelrug komt vrijwel geen oppervlaktewater voor, met uitzondering van enkele geïsoleerde meertjes, vennen en gegraven waterpartijen rond landgoederen. Het regenwater infiltreert op de hoger gelegen delen in de bodem en stroomt als grondwater naar de lager gelegen gebieden, waar een deel aan de oppervlakte komt (kwel).
Op deze plaatsen zijn in de loop van de eeuwen natte natuurgebieden ontstaan met vochtige bossen, weidevogels en wateren met een rijke flora en fauna. De meeste van deze natuurgebieden zijn verdroogd als gevolg van de ontwatering van het gebied en grondwateronttrekkingen. Door het hoogteverschil stroomt het regenwater en kwel aan de voet van de heuvelrug via de Langbroekerwetering richting de Kromme Rijn. De Langbroekerwetering is een uitgebreid stelsel van watergangen. Het peil van de Langbroekerwetering is variabel. Het zomerpeil is op 2,4 m + NAP en het winterpeil is op 2,2 m+ NAP ingesteld ten hoogte van het plangebied.
Bij hevige neerslag in combinatie met hoge waterstanden in de Kromme Rijn kan er wateroverlast ontstaan in de laagste gelegen delen van de Langbroekerwetering. Wateraanvoer naar de hoger gelegen gronden grenzend aan de heuvelrug is niet of nauwelijks mogelijk. In slechts een beperkt gedeelte van het gebied kan vanuit de Kromme Rijn water worden ingelaten. Bij watergebrek wordt door de landbouw grondwater onttrokken voor beregening. Dit leidt echter tot verdroging van nabijgelegen natuurgebieden.
In oktober 2012 is door Landgoed Leeuwenburgh een principe verzoek ingediend voor het bouwen van twee woningen op het perceel Langbroekerdijk 29 in Driebergen (zie Bijlage 1). In reactie op dat verzoek liet het College van Burgemeester en Wethouders weten in principe medewerking te willen verlenen. De aanvraag vroeg wel nog om een stedenbouwkundige uitwerking conform het Beeldkwaliteitplan Langbroekerwetering (BKP). Naar aanleiding daarvan heeft op 18 juli 2013 een overleg plaatsgevonden met de gemeente en is aansluitend een nadere onderbouwing geleverd. De onderbouwing maakt als Bijlage 2 deel uit van dit bestemmingsplan.
In het kader van de uitwerking is een landschappelijke studie gedaan; de hieruit volgende bevindingen en conclusies ten aanzien van het landschap, erven en bebouwing ondersteunen de hoofdlijnen en gestelde randvoorwaarden uit het BKP. Vanuit het Landschapsontwikkelingplan gaat de voorkeur uit naar twee zogenaamde langshuizen, evenwijdig aan de copeontginning. Ten aanzien van de directe omgeving van het plangebied is echter vastgesteld dat het erf in een meer gesloten, bosrijk deel van het coulisselandschap ligt. De meeste erven liggen hier direct aan de wetering, enkele, vooral grotere erven liggen op enige afstand van de wetering. De erven worden afgewisseld met clusters arbeiderswoningen. Het aantal erven met een langhuis-boerderij is hier niet groot; het gebied wordt eerder gekenmerkt door een grote variatie aan bebouwingstypen en richtingen.
Deze grote afwisseling in bosachtig karakter, de afstand tot de wetering en variatie in woningtypen is vermoedelijk het gevolg van de andere bodemgesteldheid (zandopduikingen) en/of de grondwaterstand. Er kan daarom beter worden gesproken over een variant dan van dezelfde soort slagenverkaveling dan die elders langs de wetering wordt aangetroffen. Deze verschillen worden in het BKP ook onderkend. In dit specifieke geval kan daarom een uitzondering worden gemaakt voor het plaatsen van een dwarshuis.
Rekening houdend met de randvoorwaarden uit het BKP is het inrichtingsplan aangepast ten opzichte van het principe verzoek, waarbij is gekozen voor een compositie van twee erven met eigen gebouwen in plaats van één erf met gebouwen rond één centrale voorruimte (zie afbeelding 7). De combinatie van één erf waarop de bebouwing in twee richtingen – dwars en langs – is gepositioneerd, komt van oorsprong alleen voor bij de ‘burgen’ (Leeuwenburgh, Sterkenburg). Door hier deze compositie te kiezen wordt een ruimtelijk verwijzing gelegd naar het Landgoed Leeuwenburgh, waar het plangebied deel van uitmaakt.
De scheiding in twee erven met elk een eigen gebouwrichting, sluit aan bij de variatie aan richtingen in de directe omgeving. De ontsluiting geschiedt over de bestaande brug. Deze oplossing sluit aan bij de bestaande praktijk langs de Langbroekerwetering. Vanuit cultuurhistorie wordt het als wenselijk gezien om ter plaatse van het oude brughoofd een tweede brug te realiseren. Dit brengt echter hoge kosten mee en is om die reden niet meegenomen in de planvorming. Daar komt bij dat de ontsluiting van beide percelen via het bestemmingsplan Buitengebied Driebergen wordt geregeld. Onderhavig bestemmingsplan heeft immers alleen betrekking op de gronden binnen het voormalig agrarisch bouwvlak.
Afbeelding 7: basisschets erfindeling met (onder) het aanzicht vanaf de Wetering
bron: Adviesbureau Haver Droeze BNT
Wat betreft de erfinrichting is besproken dat het wenselijk is om een nieuwe bewoner zoveel mogelijk ruimte te geven om tot de door hem of haar gewenste inrichting te komen. Overeenkomstig de gestelde randvoorwaarden is in de regels van dit bestemmingsplan bepaald dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwplan tevens een erfinrichtingsplan moeten worden ingediend. Het erfinrichtingsplan dient te worden opgesteld door een landschapsarchitect in overleg met de landschapscoördinator.
Teneinde het erf zoveel mogelijk open te houden is ervoor gekozen om met uitzondering van de bestaande en te behouden schuur in beginsel geen vrijstaande bijgebouwen toe te staan. Om daarbij tevens tot twee gelijkwaardige erven met vergelijkbare gebruiksmogelijkheden te komen, gaat de voorkeur uit naar een relatief ruime regeling voor bijbehorende bouwwerken. Deze regeling is uitgewerkt in de regels van dit bestemmingsplan.
In materiaalgebruik is in de directe omgeving van het plangebied eenheid in het gebruik van baksteen voor de gevels, maar is er een grote variatie aan dakbedekkingen, dakvormen, dakhellingen, daklijsten en kleurgebruik. Het heeft de voorkeur om bij de gevelindeling, toepassing van daklijsten en goten in kleurgebruik van daklijsten, goten en kozijnen te zoeken naar herkenbare verwantschappen met Leeuwenburgh, overeenkomstig de door de gemeente gestelde randvoorwaarden.
Het perceel zal via één gezamenlijke ontsluiting in de vorm van de bestaande brug voor beide erven worden ontsloten, zoals dat op meer plaatsen langs de Langbroekerdijk voorkomt. Het aantal in- en uitritten blijft daarmee gelijk.
Ten aanzien van het parkeren kan worden opgemerkt dat in het gemeentelijk Verkeers- en vervoerplan (GVVP) is opgenomen bij nieuwe ontwikkelingen voldoende parkeervoorzieningen dienen te worden gerealiseerd op eigen terrein. Hier is sprake van het realiseren van twee vrijstaande woningen in het buitengebied. Per woning geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. De totale parkeerbehoefte van het plan komt hiermee op 4,0 parkeerplaatsen. Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om hierin te voorzien.
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug ten westen van de kern Langbroek. Het plan gaat uit van sloop van vrijwel alle voormalige bedrijfsbebouwing (inclusief de bestaande dienstwoning); alleen de karakteristieke schuur met wolfskap blijft behouden. In ruil voor de sloop van 1000m² mag naast de bestaande dienstwoning in beginsel één extra woning worden toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan vormt de planologische verankering van voorliggende plannen.
Het plangebied ligt in het cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle coulisselandschap van het Langbroekerwetering gebied. Om die reden zijn naar aanleiding van het principe verzoek dat voor het plan is ingediend door het College nadere voorwaarden gesteld, die voortbouwen op het BKP Langbroekerwetering. Deze randvoorwaarden zijn gebruikt bij de nadere uitwerking van het (aangepaste) plan. Daar waar het plan afwijkt van de gestelde randvoorwaarden, is daarvoor een motivatie gegeven.
Teneinde de nieuwe bewoners zoveel mogelijk ruimte te geven om tot een eigen invulling te komen van de kavels, zijn in de regels van dit bestemmingsplan voorwaarden gesteld. Zo dient samen met de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwplan een erfinrichtingsplan te worden ingediend dat is opgesteld door een landschapsarchitect. Het erfinrichtingsplan dient tot stand te komen in samenspraak met de landschapscoördinator van de gemeente.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en geeft een totaal beeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in het PKB Structuurschema Militaire Terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
De nationale belangen die juridische doorwerking behoeven, zijn uitgewerkt in de AMvB Ruimte. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren en verdienen het vertrouwen dat ze dat op een goede manier doen. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur, krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
De algemene hoofddoelen zijn regionaal uitgewerkt: Midden Nederland omvat veel natuurgebieden en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het (inter)nationale natuurnetwerk. Daarnaast kent de regio belangrijke cultuurhistorische waarden.
De AMvB Ruimte heeft directe gevolgen voor de ruimtelijke besluitvorming van andere overheden. Het omvat alle ruimtelijke rijkskaders uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen en geeft aan wat de ruimte is waarbinnen provincies en gemeenten hun eigen ruimtelijke kaders vorm kunnen geven. Het gaat om de kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de rijksbufferzones, de nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, de grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Voor onderhavig plan is van belang dat de provincie op grond van de AMvB Ruimte in een verordening regels moet maken die ervoor zorgen dat nieuwe bebouwing binnen het bestaande bebouwde gebied komt, óf aansluitend daarop, óf in nieuwe clusters daarbuiten. Verspreide bebouwing kan worden toegestaan als die bebouwing qua functie gebonden is aan het buitengebied of als die bebouwing past binnen specifieke regels van de provincie gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, zoals een 'rood-voor-groen'-regeling, een 'ruimte-voor-ruimte'-regeling en functieveranderingsbeleid.
Om de biodiversiteit in Nederland te beschermen, in stand te houden en verder te ontwikkelen heeft het rijk de ecologische hoofdstructuur (EHS) aangewezen. De provincie is verantwoordelijk voor de aanwijzing en begrenzing in een verordening van de gebieden die de ecologische hoofdstructuur vormen, gemeenten dienen deze gebieden te borgen in bestemmingsplannen.
De ontwikkelingen die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn in overeenstemming met het beleid van (hogere) overheden dat uitgaat van een vitaal platteland, het herbestemmen van vrijkomende agrarische bebouwing en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied.
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 – 2025 en Verordening (vastgesteld 4 februari 2013) geven het ruimtelijk beleid van de provincie Utrecht weer. De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is een structuurvisie onder de (nieuwe) Wet ruimtelijke ordening. Op grond van de Wro heeft de PRS alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De PRS gaat daarom vergezeld van een Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) die bindend is voor de gemeenten.
De PRV beperkt zich tot onderwerpen die in de PRS zijn aangemerkt als provinciaal belang. Echter, niet alles wat van provinciaal belang is staat zonder meer in de PRV. Bij het beleid in de PRS is telkens aangeven of en zo ja wat van dat beleid via de PRV doorwerkt naar gemeenten.
De provincie Utrecht baseert haar voorgenomen ontwikkeling tot 2025 op drie pijlers:
Voorgenomen ontwikkeling landelijk gebied
Ontwikkeling van de kwaliteit van het landelijk gebied is noodzakelijk omdat deze bijdraagt aan het vestigingsmilieu. Uiteraard is daarbij essentieel dat stad en land goed met elkaar zijn verbonden.
De aantrekkelijkheid van het landschap wordt in belangrijke mate bepaald door de kernkwaliteiten. De door de provincie voorgestane ontwikkeling richt zich op behoud en versterking van de kernkwaliteiten. Dit sluit vaak aan bij de cultuurhistorie van het landschap. Om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied zoveel mogelijk te behouden, is het beleid ten aanzien van functies die niet direct gekoppeld zijn aan het landelijk gebied, terughoudend. Daar waar ingrepen (mede) kunnen leiden tot kwaliteitsverbetering zijn – onder voorwaarden – ontwikkelingen mogelijk (rood – voor – groen, functieverandering stoppende agrarische bedrijven).
Al deze uitgangspunten hebben hun vertaling gekregen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (vastgesteld 21 september 2009), die is gebaseerd op artikel 4.1 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van deze bepaling mogen PS regels stellen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. De onderwerpen en verordeningen volgen uit de Provinciale Structuurvisie en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte). De verordening richt zich op de inhoud van bestemmingsplannen. Het gaat hierbij niet alleen om de inhoud van een bestemmingsplan in strikt juridische zin (plankaart en regels) maar ook om eisen aan de toelichting bij een bestemmingsplan.
Voor onderhavige plannen zijn de volgende bepalingen uit de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening relevant:
artikel 4.11 Ecologische hoofdstructuur
Het plangebied maakt deel uit van de EHS (zie afbeelding 8). De EHS is een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingen daartussen. Het beleid is gericht op het behouden en verder ontwikkelen van de EHS. In de Ecologische hoofdstructuur mogen daarom geen ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, tenzij sprake is van een groot maatschappelijk belang en geen reële andere mogelijkheden zijn (nee, tenzij beginsel). Negatieve effecten voor de natuur worden zoveel mogelijk beperkt door mitigerende maatregelen en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd door inrichting van nieuwe natuur elders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt getoetst aan het nee, tenzij beginsel. Dit aspect is verder uitgewerkt in Hoofdstuk 5.
Afbeelding 8: ligging plangebied ten opzichte van de EHS,
bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, Ruimtelijke Structuurvisie Provincie Utrecht
In het provinciaal Waterplan 2010-2015 is aangegeven waar zich de natuurgebieden bevinden die gevoelig zijn voor verdroging (TOP- en subTOPgebieden). De begrenzing van deze gebieden is overgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en aangepast aan de nieuwe begrenzing van de EHS. Verdrogingsbestrijding is een middel om de kwaliteit van de EHS te verbeteren. Om verdere verdroging tegen te gaan, worden in het waterplan eisen gesteld aan de waterhuishouding in en om (binnen een zone van 500m) de verdrogingsgevoelige natuurgebieden. Het plangebied bevindt zich binnen de zone van 500m tot een voor verdroging gevoelig gebied. Gelet op de functie en het feit dat de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie afneemt, is het niet aannemelijk dat onderhavige plannen negatieve effecten zullen hebben op de als subTOP gebieden aangewezen natuurgebieden.
artikel 2.10 Cultuurhistorische hoofdstructuur
De Utrechtse Heuvelrug is vanwege de lange bewoningsgeschiedenis bovendien aangewezen als archeologische zone. Het beleid daarvoor is gericht op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van de archeologische resten in de bodem (in situ). Als ruimtelijke ingrepen onvermijdelijk zijn, wordt gevraagd de zichtbaarheid te versterken en de beleefbaarheid van het archeologisch erfgoed te vergroten, bijvoorbeeld door deze als inspiratiebron te gebruiken bij ontwikkelingen. Het plangebied zelf maakt deel uit van de historische buitenplaatsenzone (zie afbeelding 9).
Binnen de als cultuurhistorische hoofdstructuur aangewezen gebieden, zoals de 'Historische Buitenplaatsenzone' kan een bestemmingsplan ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, mits de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatsenzone wordt behouden en versterkt (artikel 2.10 lid 2 onder a). De toelichting op een ruimtelijk plan dient daarom een beschrijving te bevatten van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en het door de gemeente te voeren beleid ter zake en van de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan. Bij de beschrijving van de verschillende waarden wordt gebruik gemaakt van de bijlage Cultuurhistorie.
De bijlage Cultuurhistorie bevat een overzicht voor de verschillende gebieden binnen de cultuurhistorische thema's en beschrijft per gebied de te behouden en te versterken cultuurhistorische waarden. Het Langbroekerwetering gebied wordt aangemerkt als een gebied met een uitzonderlijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit vanwege het stroomruggenlandschap van de onbedijkte Kromme Rijn en het aanpalende coulisselandschap van de Langboekerwetering. De kastelen en ridderhofsteden liggen als besloten eilandjes binnen de ritmiek van de regelmatige cope-verkaveling en vormen een contrast met de overwegend kleine boerderijen aan de wetering. Deze kwaliteiten zijn uitgebreid beschreven in het BKP Langboekerwetering, dat als uitgangspunt heeft gediend voor de planvorming.
Onderhavige plannen dragen bij aan de doelstellingen zoals die voor de CHS zijn geformuleerd omdat hiermee enerzijds een economische drager onder het landgoed Leeuwenburgh in stand wordt gehouden én tevens een kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd binnen het Langbroekerweteringgebied.
Afbeelding 9: ligging plangebied ten opzichte van Cultuurhistorische Hoofdstructuur,
bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, Ruimtelijke Structuurvisie Provincie Utrecht
artikel 3.7 Verkeer en Vervoer
In artikel 3.7 is bepaald dat de toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen een beschrijving dient te bevatten van het aantal verplaatsingen die deze ruimtelijke ontwikkeling tot gevolg heeft en of door het aantal verplaatsingen knelpunten op het ontsluitende en omliggende wegennet kunnen ontstaan.
Onderhavige plannen gaan uit van sloop van een voormalig agrarisch bedrijf en vervangende nieuwbouw van twee reguliere woningen. Op basis van de CROW uitgave Kencijfersparkeren en verkeersgeneratie (publicatie 317) is een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie op de locatie Langbroekerdijk 29. Uitgaande van een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied bedraagt de verkeersgeneratie minimaal 3,9 en maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100m² BVO. De verkeersgeneratie voor vrijstaande woningen in het buitengebied bedraagt 7,0 tot 8,6 verkeersbeweging per woning.
Uitgaande van een BVO van 1000m², de oppervlakte te slopen bedrijfsbebouwing, bedroeg het aantal verkeersbewegingen 3,9 - 5,7 * 11 = 42,9 tot 62,7 verkeersbewegingen per dag exclusief de bestaande dienstwoning. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van 2*7,0 tot 8,6 = 14 tot 17,2 verkeersbewegingen per dag. Het aantal verkeersbewegingen neemt daarmee af ten opzichte van de vroegere situatie. Het is aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot knelpunten ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Om die reden is geen Mobiliteitstoets uitgewerkt.
artikel 4.2 en verder Verstedelijking landelijk gebied
Ten slotte is van belang dat het plangebied in de Reconstructiezonering is aangewezen als 'verwevingsgebied' (afbeelding 10). Verwevingsgebieden zijn gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur. Uitbreiding van intensieve veehouderij is mogelijk als de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Nieuwvestiging is niet toegestaan, omschakeling naar intensieve veehouderij is mogelijk binnen de bestaande milieuruimte.
Ingevolge het bepaalde in artikel 4.2 mogen ruimtelijke plannen geen stedelijke ontwikkelingen toestaan in het landelijk gebied. Uitzondering hierop vormen - onder meer - functieveranderingsontwikkelingen die plaatsvinden als onderdeel van het ruimte-voor-ruimte-beleid (artikel 4.7) bij algehele bedrijfsbeëindiging, mits deze ontwikkelingen niet in strijd zijn met het overige provinciale beleid.
In artikel 4.7 lid 4 is bepaald dat in een bestemmingsplan kan worden toegestaan dat - in geval van algehele bedrijfsbeëindiging - de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen een woonfunctie krijgen, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
Gelet op de ligging in verwevingsgebied en de ligging van het plangebied in de EHS kan worden gesteld dat het bouwperceel niet optimaal is gesitueerd voor de grondgebonden landbouw. Bovendien gaan de plannen, zoals reeds eerder aangegeven, nauwelijks ten koste van de landbouw. Immers voor zover de vrijgekomen gronden niet nodig zijn voor natuurontwikkeling, zijn deze opnieuw verpacht ten behoeve van de landbouw.
Voorts gaan de plannen uit van sloop van alle bestaande bebouwing met een oppervlakte van 1000m², met uitzondering van de karakteristieke (deels) houten schuur met wolfskap. In ruil daarvoor wordt één nieuwe woning toegevoegd; de bestaande dienstwoning wordt eveneens gesloopt en nieuw gebouwd. De nieuwe woningen zijn binnen de voormalige bouwkavel gesitueerd en zijn landschappelijk goed ingepast, rekening houdend met de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten. Ten slotte is de afstand tot de bestaande agrarische bedrijven zodanig groot (>50m) dat deze niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.
Van belang daarbij is dat op de voormalige bedrijfswoning en de nieuw te bouwen tweede woning immers de bepalingen uit artikel 14 lid 2 Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Hierin is bepaald dat voor woningen die worden gebouwd na 19 maart 2000 op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij en die is gebouwd in samenhang met gehele of gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging en sloop van de bedrijfsgebouwen, de afstand tussen een veehouderij bedrijf en deze woningen buiten de bebouwde kom ten minste 50meter dient te bedragen. In onderhavige situatie wordt ook aan deze voorwaarden voldaan. De plannen voldoen daarmee aan de uitgangspunten zoals die gelden voor functieverandering in het buitengebied.
Afbeelding 10: ligging plangebied in Reconstructiezonering
bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, Ruimtelijke Structuurvisie Provincie Utrecht
In artikel 4.9 is bepaald dat de bestemmingsplannen voor een aantal gebieden, waaronder het "Rivierengebied", moeten aansluiten bij de kernkwaliteiten van het gebied. Een bestemmingsplan dient daartoe bestemmingen en regels te bevatten ter bescherming en versterking van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten (aanlegbepalingen en eventuele bebouwingsbepalingen).
Afbeelding 11: ligging plangebied ten opzichte van de Utrechtse landschappen
bron: http://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/
De volgende kwaliteiten zijn als kernkwaliteiten benoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten Landschap:
Deze kernkwaliteiten hebben per deelgebied verschillende accenten. Een uitgebreide beschrijving is opgenomen in de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen. Het waarborgen van die eigen kwaliteiten is daarbij centraal gesteld. Dit geldt zowel voor het tot uiting laten komen van de karakteristieke kenmerken langs de centrale ruggengraat, als van de geleidelijke overgangen tussen de deelgebieden. Bij de uitwerking van het inrichtingsvoorstel voor de verkavelingsopzet is rekening gehouden met de uitgangspunten zoals die zijn opgenomen in het BKP Langbroekerwetering. De geldende bepalingen ter bescherming van de landschappelijke kenmerken zijn overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
De beoogde ontwikkelingen gaan uit van sloop van vrijwel alle voormalige bedrijfsbebouwing (oppervlakte 1000m²) en behoud van karakteristieke elementen in de vorm van de houten schuur met wolfskap. Hiermee wordt voldaan aan de randvoorwaarden zoals die zijn opgenomen in het provinciale en gemeentelijke beleid voor functieverandering.
Voor zover maten zijn bepaald of voorwaarden zijn gesteld, bijvoorbeeld in het kader van het functieveranderingbeleid of de begrenzing van de EHS of cultuurhistorie, zijn de regels van het bestemmingsplan daarmee in overeenstemming.
Op grond van de Reconstructiewet zijn in Oost- en Zuid Nederland gebieden zogenaamde concentratiegebieden aangewezen. Teneinde een oplossing te bieden voor de gestapelde problematiek (dierziekten, ammoniakemissie, natuurontwikkeling, hinder) die zich hier voordoet. Doel van de Reconstructiewet is het geven van kwaliteitsimpulsen aan een duurzame verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de daarmee samenhangende leefbaarheid in het landelijk gebied. Deze aanpak is neergelegd in Reconstructieplannen en is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie.
Driebergen ligt op zandgrond en valt binnen het Reconstructiegebied Gelderse Vallei / Utrecht Oost.
Het Reconstructieplan maakt gebruik van een integrale zonering. Het plangebied ligt binnen het als 'verwevingsgebied' aangeduide gebied. In verwevingsgebieden is het beleid gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur. Uitbreiding van intensieve veehouderij is mogelijk als de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Nieuwvestiging is niet toegestaan, omschakeling naar intensieve veehouderij is mogelijk binnen de bestaande milieuruimte. De omvorming van een voormalig agrarisch bedrijf naar wonen past binnen het beleid voor de verwevingsgebieden.
Het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied + bevat de landschapsvisie voor het buitengebied van de gemeenten De Bilt, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Bunnik, Houten en Wijk bij Duurstede. De doelstellingen van het LOP zijn gericht op:
Onderhavige plannen dragen bij aan de instandhouding van het cultuurhistorisch erfgoed doordat hiermee een vervangende economische drager wordt gerealiseerd voor het Landgoed Leeuwenburgh. Het inrichtingsplan houdt rekening met de landschappelijke kwaliteiten van het gebied.
De gemeenteraad heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De Structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen. De visie is uitgewerkt in thema's en gebieden. Voor onderhavige ontwikkelingen zijn met name de thema's: 'Op de schouders van ons Erfgoed' (cultuurhistorie), "Natuur over de Heuvels' (natuur) en 'Maatwerk voor wonen en werken' relevant.
De ambitie vanuit het thema natuur is gericht op het realiseren van de EHS en het tegengaan van versnippering. Behoud van de kwaliteiten van de Stichtse Lustwarande staat centraal in het thema cultuurhistorie. Maatwerk voor wonen en werken richt zich op het realiseren van het woningbouwprogramma binnen de rode contouren. Wel staat men open voor kansen op het gebied van bundeling van natuur, landschap, recreatie, wonen en werken. Voor de agrarische sector is het beleid gericht op het bieden van een duidelijke toekomst voor de landbouw en in het verlengde daarvan inspelen van ontwikkelingen in de landbouw. In het Langbroekerwetering gebied is weinig ruimte voor schaalvergroting, wel dient landbouw hier als belangrijkste grondgebruiker behouden te blijven.
Voorts is voor het plangebied de visie voor "De Lage Landen" relevant. Deze liggen ten zuiden van de Utrechtse Heuvelrug en staan onder invloed van de kwel die daarvan afkomstig is. In de lage gebieden speelt landbouw een belangrijke rol en wordt gemengd met andere functies. In het Langbroekerwetering gebied (3.4) zijn dat: cultuurhistorie, landschap, natuur en recreatie. De gemeente wil kansen bieden voor geïntegreerde ontwikkeling van landbouw, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen, zorg etc.
Voorliggend plan is in overeenstemming met het beleid zoals verwoord in de Structuurvisie omdat deze bijdragen aan de instandhouding van het cultuurhistorisch erfgoed van de Stichtse Lustwarande. Ook wordt hiermee een gewenste kwaliteitsslag gerealiseerd waar de ruimte voor de landbouw afneemt. De gronden die niet worden ingericht als woonkavel blijven beschikbaar voor de landbouw en dragen op die manier bij aan de doelstelling dat de landbouw als belangrijkste grondgebruiker behouden dient te blijven.
Vanwege het grote aantal buitenplaatsen en landgoederen binnen de gemeente, heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug gericht beleid ontwikkeld voor bestaande / historische landgoederen. De Nota Buitens op de Heuvelrug (vastgesteld op 1 maart 2012) vormt het beleidskader voor de instandhouding van de cultuurhistorisch waardevolle elementen, die de landgoederen en buitenplaatsen samen vormen.
In deze nota zijn enerzijds de geldende beleidskaders beschreven en anderzijds zijn de knelpunten in beeld gebracht waar eigenaren mee worden geconfronteerd bij hun inspanningen om de in hun bezit zijnde buitenplaatsen en landgoederen in stand te houden. Algemeen kan worden gesteld dat de exploitatie van vele landgoederen en buitenplaatsen onder druk staat. Om te kunnen voorzien in nieuwe economische dragers dient (via bestemmingsplannen en beleid) ruimte te worden geboden voor maatwerk. In het kader van bestemmingsplannen is relevant dat in bestemmingsplannen de eenheid van landgoederen en buitenplaatsen tot uitdrukking dient te komen, bijvoorbeeld via een dubbelbestemming "Landgoed".
Ook wordt het als wenselijk gezien om via afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden meer ruimte wordt geboden voor flexibiliteit, onder meer tot het wijzigen van bestemmingen met nadere aanduiding van functies en gebruiksdoelen. Als voorwaarde voor het toepassen van deze mogelijkheden geldt dat de wijziging dient bij te dragen aan de instandhouding van de cultuurhistorische waarde. Dit dient te worden aangetoond door een integrale toekomstvisie. Ook dient het plan te voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing en dat vanuit ruimtelijk, verkeers- en milieuhygiënisch opzicht geen belemmeringen voor de omgeving zullen ontstaan.
Voor onderhavige plannen is relevant dat de gemeente in deze nota ook uitspraken doet over de manier waarop moet worden omgegaan met ontwikkelingen op aangrenzende percelen van landgoederen en buitenplaatsen. Teneinde zeker te stellen dat rekening wordt gehouden met de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden dient in een vroegtijdig stadium overleg plaats te vinden over borging en versterking van deze waarden.
Voorliggend plan is in overeenstemming met het beleid zoals verwoord in de Nota Buitens op de Heuvelrug omdat deze bijdragen aan de instandhouding van het Landgoed Leeuwenburgh. Ook wordt hiermee een gewenste kwaliteitsslag gerealiseerd. Het inrichtingsplan houdt rekening met de kwaliteiten van de omgeving. Ook wordt voldaan aan de voorwaarde dat de nieuwe bebouwing een verwijzing moet bevatten naar het Landgoed Leeuwenburgh waar de woningen deel van uitmaken; dit draagt bij aan de beleefbaarheid van de cultuurhistorie waar het Langbroekerwetering gebied zo rijk aan is.
In april 2008 heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug in de woonvisie "Wonen in een vitale gemeente" haar woonbeleid vastgelegd.
Speerpunten van het beleid zijn:
Vervolgen zijn de beleidsdoelen en ambities voor de nieuwbouw uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma: her Meerjaren woningbouwprogramma 2006 tot 2018 met een doorkijk tot 2022. Het meerjarenprogramma wordt jaarlijks geëvalueerd en geactualiseerd. De evaluatie geeft inzicht in de mate waarin de nieuwbouwopgave vanuit de woonvisie is gerealiseerd en op welke aspecten bijsturing nodig is.
Kort samengevat heeft de gemeente als ambitie een evenwichtige bevolkingsopbouw waarbij het totaal aantal inwoners beperkt groeit, met wonen voor iedereen. De gemeente wil dit bereiken door het bevorderen van de doorstroming, levensloopbestendig bouwen met zorg binnen handbereik, bouwen voor specifieke doelgroepen, flexibiliteit in bestemmingsplannen en meer aandacht voor duurzaamheid en energiebesparing in de bestaande woningvoorraad en nieuwbouw.
Het Woningbouwprogramma is tevens een toetsingskader voor een zorgvuldige verdeling van de nieuwbouw en de samenstelling van de woningvoorraad per dorp, waarbij een gedifferentieerd aanbod van woningen en verschillende woonmilieus belangrijke uitgangspunten zijn. De woningbouwopgave van 2008 tot en met 2017 bedraagt 1350 te bouwen woningen. Voor de periode 2018 tot 2022 bedraagt de opgave 350 woningen.
In het kader van dit bestemmingsplan is de actualisatie van november 2012 relevant. Sinds 2008 is de woningmarkt sterk gewijzigd. Het doel van de Woonvisie om voor iedere inwoner het wonen in de gemeente mogelijk te maken, is nog onverminderd actueel en biedt als leidraad nog voldoende houvast voor de toekomst. Vanwege de ontwikkelingen is het gemeentelijk beleid aangevuld en aangepast:
In de periode 2008-2011 zijn in totaal 221 woningen gebouwd, het gewenste percentage sociale huur- of koopwoningen in ieder geval is gehaald. De nieuwbouwproductie is achtergebleven ten opzichte van de opgave zoals berekend voor de Woonvisie. Zie voor een overzicht afbeelding 12. Op basis van de woningbouwmonitor is de prognose tot 2017 circa 1070 woningen, verdeeld over de 7 dorpen. In 2011 zijn in totaal 18 nieuwbouwwoningen opgeleverd en zijn 4 nieuwbouw projecten gestart. In 2012 zijn totaal 41 nieuwbouwwoningen opgeleverd. In de Woonvisie is ook opgenomen dat 10% van de kavels beschikbaar wordt gesteld voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap. In totaal zijn 5 kavels verkocht voor het bouwen van een woning in eigen beheer: particulier opdrachtgeverschap.
Afbeelding 12: Overzicht gewenste woonprogramma uitgewerkt naar meerjarig woningbouwprogramma en de jaarlijkse planning, de ambities voor de gewenste nieuwbouw en transformatie van de bestaande voorraad sociale huurwoningen vanaf 2008 - 2017
bron: website gemeente Utrechtse Heuvelrug -> http://www.heuvelrug.nl/gemeente/raadsinformatie-brieven_44773/item/bijlagen-woonvisie-evaluatie_477 13.html
Voorliggende plannen gaan uit van het realiseren van twee in particulier opdrachtgeverschap te bouwen woningen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen voor het bouwen van woningen. Hiermee ontstaat tevens ruimte voor doorstroming in de woningmarkt. De plannen sluiten daarmee aan bij het woonbeleid van de gemeente.
Op het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van toepassing. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 16 september 2004. Het plangebied heeft in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied met Landschaps- en Natuurwaarden" met de gebiedsaanduidingen halfopen landschap en kwelafhankelijke vegetatie (zie afbeelding 13). Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf en voorzien van een agrarisch bouwvlak. De mogelijkheden voor de bedrijfsuitoefening van niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn beperkt tot de bedrijven zoals die bestaan op het moment van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.
Afbeelding 13: uitsnede plankaart Bestemmingsplan Buitengebied 2004,
bron: website gemeente Utrechtse Heuvelrug -> http://geoinformatie.heuvelrug.nl/vigerend/default.asp
Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden. In het bestemmingsplan is bepaald dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. Er is een dienstwoning toegestaan met een maximale inhoud van 600m3. Zoals blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan is het beleid gericht op het behoud van de agrarische functie. Daarnaast biedt het bestemmingsplan mogelijkheden om in te spelen op verschillende ontwikkelingen in de landbouw (verbrede landbouw) en functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing. Het bestemmingsplan voorziet in die mogelijkheid door middel van een (algemene) wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Wonen" in artikel 21.
Op grond van deze regeling kunnen gronden met een agrarische bestemming, voor zover gelegen binnen een (agrarisch) bouwvlak worden gewijzigd in de bestemming "Wonen". Voorwaarde is dat alle gebouwen worden meegenomen in de bestemmingswijziging. In geval alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt met een minimum van 1000m² mag één extra woning worden gebouwd. Als voorwaarde geldt voorts dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing, waarbij de nieuwe woning aansluitend op de bestaande woning moet worden gerealiseerd. Op grond van dezelfde regeling mag een bestaande woning worden herbouwd met een inhoud van 600m³. Ingeval alle voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt mag de inhoud van een woning maximaal 800m³ bedragen. De oppervlakte van de bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50m².
Vanwege de wens om de bestaande cultuurhistorisch waardevolle houten schuur met wolfskap te behouden, kan niet worden voldaan aan de voorwaarde dat alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Ter behoud van deze schuur is per saldo gekozen voor een maatwerkoplossing.
De beoogde ontwikkelingen gaan uit van sloop van vrijwel alle voormalige bedrijfsbebouwing (oppervlakte 1000m²) en behoud van karakteristieke elementen in de vorm van de houten schuur met wolfskap. Hiermee wordt voldaan aan de randvoorwaarden zoals die zijn opgenomen in het provinciale en gemeentelijke beleid voor functieverandering. Aangezien in het bestemmingsplan is bepaald dat alleen als alle voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt één extra woning mag worden gebouwd, kan niet worden voldaan aan de regels voor wijzigen van het bestemmingsplan zoals die in het bestemmingsplan Buitengebied zijn opgenomen. Om die reden is gekozen voor een maatwerkoplossing in de vorm van een partiële wijziging van dit bestemmingsplan.
Met deze ontwikkelingen wordt een kwaliteitsslag gerealiseerd waarbij rekening is gehouden met de cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle kenmerken van de omgeving van het plangebied: het Langbroekerwetering gebied. De vrijgekomen gronden worden ingezet voor natuurontwikkeling. Gronden die daarvoor niet benodigd zijn, zijn opnieuw verpacht ten behoeve van de landbouw. De afstanden tot omringende (veehouderij) bedrijven is ruim voldoende om te kunnen voldoen aan de afstandsnorm van 50meter uit de Wet Geurhinder en veehouderij. Omliggende bedrijven worden dan ook niet nadelig beïnvloed in hun bedrijfsvoering. Ook in dat opzicht voldoen de plannen aan het vigerende beleid van de verschillende overheden.
Het Verdrag van Malta (ook wel het verdrag van Valletta genoemd) regelt de omgang met Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en sinds 2007 is het verdrag omgezet in Nederlandse regelgeving: de Wet archeologische monumentenzorg (Wam). Belangrijkste doel van de wet is het borgen van een zorgvuldige omgang met archeologische waarden door het archeologisch belang van meet af aan te laten meewegen in de besluitvorming.
Uitgangspunt van het verdrag is het zoveel mogelijk ter plekke (in situ) bewaren van het archeologisch erfgoed en het nemen van beheersmaatregelen om dit te bewerkstelligen. Daar waar behoud in situ niet mogelijk is, dienen de bodemverstoorders archeologisch onderzoek te laten verrichten. De kosten daarvan komen voor rekening van de initiatiefnemer.
Sinds de invoering van de Wet archeologische monumentenzorg (Wamz) ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en het beheer van het archeologisch erfgoed bij gemeenten. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet en het Besluit ruimtelijke ordening verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden en de cultuurhistorie van een gebied.
Om zorgvuldig afgewogen beleidskeuzes te kunnen maken, zijn in 2009 alle vondsten, waarnemingen en onderzoeksresultaten in de gemeente geïnventariseerd. In april 2013 is door de gemeenteraad een nieuwe Beleidskaart Archeologie vastgesteld (zie afbeelding 14). Daarop wordt onderscheid gemaakt tussen vijf typen archeologie-gebieden waarin verschillende regels gelden voor bescherming van archeologisch erfgoed.
Afbeelding 14: uitsnede Beleidskaart Archeologie ter hoogte van plangebied (rood omcirkeld)
bron: website gemeente Utrechtse Heuvelrug -> http://www.heuvelrug.nl/inwoner/cultuurhistorie_45043/item/archeologische-beleidskaart_45795.html
Het plangebied ligt in een gebied met Waarde - Archeologie 5 - laag. In deze gebieden geldt een onderzoeksverplichting bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 100.000m² (10ha). De oppervlakte van het voormalig bouwvlak 6185m². Buiten het voormalig bouwvlak zijn geen ingrepen voorzien. Daarmee blijft de oppervlakte van het plangebied onder de drempel van 100.000m². Archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.
De Cultuurhistorische atlas vormt een aanvulling op het cultuurbeleid zoals dat door de Provincie is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie. In de Cultuurhistorische atlas zijn de uitgangspunten geformuleerd voor het erfgoedbeleid. Daarnaast geeft de atlas per gebied aanbevelingen die bedoeld zijn om richting te geven aan nieuwe ontwikkelingen. Het plangebied valt in deelgebied 2: Kromme Rijn en Langbroek.
Als belangrijkste opgave vanuit cultuurhistorisch oogpunt noemt de Provincie het zoeken naar een optimale balans tussen rood en groen bij functieverandering en het verbinden van natuur- en cultuurwaarden bij vormen van recreatie. Ten aanzien van archeologie geldt als belangrijkste opgave het bevorderen van het onderzoeken en waarderen van de op de kaart aangeduide gebieden. Om die reden is archeologisch onderzoek vereist bij activiteiten als afgraven, veranderingen in de grondwaterstand en diepploegen en dergelijke.
In de Atlas wordt het plangebied aangeduid als: het land van overgangen. De onbedijkte Kromme Rijn slingert hier tussen twee landschappen. Ten zuiden van de Kromme Rijn bevindt zich op de hogere fossiele stroomrugstelsels van de Rijn het oude akkerbouwgebied. Ten noorden van de Kromme Rijn strekt zich het lage twaalfde eeuwse copelandschap van Langbroek uit. De Kromme Rijn vormde de noordgrens van het Romeinse Rijk. In de Vroege Middeleeuwen vormde de Kromme Rijn een belangrijke transportader tussen Dorestad (Wijk bij Duurstede) en Utrecht. De concentratie Middeleeuwse ridderhofsteden langs het halfopen boerderijlint van de Langbroekerwetering is uniek voor Nederland. Griendcultuur en parkbossen binnen de perceelstroken hebben dit gebied tot een coulisselandschap gemaakt.
Vanaf het midden van de dertiende eeuw verrezen tientallen ridderhofsteden en versterkte boerderijen; de meeste daarvan langs de Langbroekerwetering, waar deze ook grotendeels bewaard zijn gebleven. Deze ridderhofsteden zijn omsloten door een, soms dubbele, gracht. Vaak werd een voorburcht neergezet. Doorgaans liep de ontsluitingsweg niet recht op het huis aan, maar lag deze excentrisch op de bestaande perceelsscheiding. De meeste hadden echter geen strategische functie.
Ten aanzien van het Langbroekerwetering gebied dient het coulisselandschap van Langbroek met gradiënt naar de Heuvelrug met cope ontginningen die overgaan in besloten kampen behouden te blijven. Dit geldt ook voor het half open lint van bebouwing met een hoge concentratie kastelen langs de Langbroekerwetering. Voorts zijn van belang de afwisseling tussen (park)bos en weidepercelen, laanstructuren en zichtrelaties van buitenplaatsen. De belangrijkste opgave is het voorkomen van versnippering door sturing van de stedelijke en recreatieve druk in het hele gebied en natuurontwikkeling met name in Langbroek.
Onderhavige plannen maken deel uit van de gronden die deel uitmaken van het coulisselandschap van het Langbroekerweteringgebied. Landgoed Leeuwenburgh, waar de gronden eveneens onderdeel van vormen, is een van de historische buitenplaatsen in het gebied. De bosgebieden die eveneens deel uitmaken van het landgoed lopen door tot vlak achter het plangebied. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van nieuwbouw is daarom een vereiste. De ruimtelijke inpassing is uitgewerkt in paragraaf 2.5.
In het kader van de invulling van haar verantwoordelijkheid voor het behoud en het beheer van het archeologisch erfgoed heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug archeologisch beleid vastgesteld in de vorm van een Beleidskaart Archeologie en een Monumentenverordening. Op grond van de Beleidskaart Archeologie heeft het plangebied een lage verwachtingswaarde. Voor deze gebieden geldt bij ingrepen met een groter ruimtebeslag dan 10.000m² een onderzoeksverplichting. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 1,5ha waardoor geen nader onderzoek nodig is.
Het plangebied maakt deel uit van het Langbroekerwetering gebied met een kenmerkende copeverkaveling die dateert uit de twaalfde eeuw. Deze verkaveling kenmerkt zich door smalle langgerekte kavels die ook nu nog duidelijk waarneembaar zijn. Griendcultuur en de aanleg van parkbossen hebben dit gebied tot een coulisselandschap gemaakt. Langs de Langbroekerwetering bevindt zich een grote concentratie van Middeleeuwse ridderhofsteden. Het beleid is gericht op het behoud van deze landschappelijke karakterstieken en de cultuurhistorische waarden.
Het plan speelt in op deze cultuurhistorische kenmerken door dat in de inrichting van de kavel wordt ingespeeld op deze karakteristieken. Ook bij de situering op de kavel, het bepalen van de massa en de verschijningsvorm is aansluiting gezocht bij de bestaande structuren en verschijningsvormen inde directe omgeving. Ook de aanwezige beplanting langs de kavelsloten en paden blijft intact en wordt plaatselijk versterkt. De plannen sluiten daarmee aan bij het beleid ten aanzien van cultuurhistorie.
In Nederland is er verschillende regelgeving die toeziet op de bescherming van de natuur. De regels zijn gericht op bescherming van een onderdeel uit het milieu of de natuur, zoals op de bescherming van de waterkwaliteit en kwantiteit en voor bepaalde dier- en plantensoorten. De belangrijkste bescherming is neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet uit 2002 en de uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voortkomende regels ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur.
De Natuurbeschermingswet (Nbw) beschermt alleen de op grond van deze wet aangewezen gebieden, de zogenaamde speciale beschermingszones. De Natuurbeschermingswet is in oktober 2005 in werking getreden. Met deze wet zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de Europese Unie omgezet in nationale regelgeving, wat heeft geresulteerd in de aanwijzing van 126 Europees beschermde natuurgebieden, de zogeheten Natura 2000- gebieden. Op grond van deze wetgeving is het in en in de nabijheid van Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten verboden om zonder vergunning activiteiten of handelingen uit te voeren in een speciale beschermingszone als deze, gelet op de instandhoudingdoelstellingen van het gebied, die de kwaliteit van de habitats zouden kunnen doen verslechteren of een verstorend effect zouden kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is "Overlangbroek". De afstand tot de Natura 2000 gebieden is meer dan 3 km (zie afbeelding 15). Gelet op de locatie van de plangebieden in relatie tot de beoogde ingrepen is het aannemelijk dat vanuit Natura 2000 geen belemmeringen of extra randvoorwaarden gelden. Er hoeft geen vergunning te worden aangevraagd uit hoofde van de Nbw.
Afbeelding 15: uitsnede interactieve kaart Natura 2000 gebieden,
bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx
Sinds juli 2001 is ook de Europese richtlijn Strategische Milieubeoordeling (21-7-2001) van toepassing. De omzetting naar Nederlands recht (Wet milieubeheer) heeft plaatsgevonden in de Natuurbeschermingswet (Nbw). Een Strategische Milieu Beoordeling (SMB) of Plan-m.e.r. is verplicht bij wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plannen die mogelijk belangrijke gevolgen voor het milieu hebben (aanzienlijke effecten). Daarbij moet worden gedacht aan structuurplannen, bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen.
Als een dergelijk plan aan de orde is, dient te worden onderzocht of het een plan is dat het kader vormt voor toekomstige m.e.r.-plichtige activiteiten zoals vermeld in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit MER, zo ja dan dient er een Plan-m.e.r. te worden gemaakt. Voorliggende bouwplannen komen niet voor in de genoemde bijlagen en zijn ook niet van een zodanige omvang of impact dat de (milieu)gevolgen inzichtelijk zouden moeten worden gemaakt in een planmer. Dat betekent dat in beginsel geen milieurapport hoeft te worden gemaakt, tenzij op grond van de Habitatrichtlijn of de Vogelrichtlijn een passende beoordeling zou moeten worden gemaakt. Gelet op het gestelde in de voorgaande paragraaf is ook dat niet aan de orde.
In het kader van voorliggende plannen is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn overgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht.
Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvan het niet zeker is of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen; deze zijn vermeld in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Als activiteiten uit onderdeel D mogelijk worden gemaakt in een zogenaamd 'kaderstellend plan', zoals een bestemmingsplan, geldt altijd en direct een (plan)m.e.r.-plicht. Hiervoor dient per geval een m.e.r. beoordeling te worden uitgevoerd.
Sinds 1 april 2011 is een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. het indicatief maken van de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst. Gevolg daarvan is dat het bevoegd gezag nu ook in het geval de drempelwaarden niet worden bereikt, moet motiveren waarom geen m.e.r. (beoordeling) hoeft te worden uitgevoerd. Voor deze toets wordt de term 'vormvrije m.e.r-beoordeling' gehanteerd.
In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat onder D11.2 vermeld in kolom 1: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In kolom 2 staat als drempelwaarde vermeld:
Onderhavige plannen hebben betrekking op het slopen van overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing in het buitengebied, en het toestaan van woningbouw op die percelen. De genoemde drempelwaarden worden door de plannen niet overschreden of zelfs maar benaderd. Daarnaast zijn in hoofdstuk 6 de milieuaspecten, bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en mobiliteit onderzocht en beschreven. In dit hoofdstuk zijn de gevolgen van de plannen voor de flora en fauna beschreven en in Hoofdstuk 7 zijn de effecten op de waterhuishouding beschreven. Hieruit blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarom is geen (plan)m.e.r. opgesteld.
Zoals eerder aangegeven heeft de provincie Utrecht in haar streekplan uitwerking gegeven aan het contouren beleid en de provinciale Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op ingrepen in of in de nabijheid van de EHS is een "nee, tenzij regime" van toepassing. Het projectgebied bevindt zich in de EHS (zie afbeelding 16).
Gelet op het feit dat de nieuwe bebouwing binnen de bestaande bouwvlakken wordt opgericht ter vervanging van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, in combinatie met het beëindigen van intensieve veehouderij activiteiten is de kans klein dat sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken in de EHS. Zorgvuldigheidshalve is voor het plangebied toch een 'nee, tenzij beoordeling' uitgevoerd. De resultaten van de nee, tenzij toets maken deel uit van dit bestemmingsplan als Bijlage 3.
Voorliggende plannen beperken zich tot het voormalig agrarisch bouwperceel dat grotendeels verhard en bebouwd is. Ook zijn binnen het plangebied geen oude boskernen of bijzondere abiotische omstandigheden aanwezig. De plannen hebben geen gevolgen voor de aaneengeslotenheid en robuustheid van de EHS. Verbindingen, zoals ecologische verbindingszones, ecoducten en faunavoorzieningen zijn niet aanwezig.
Met uitzondering van de ruige dwergvleermuis en de kerkuil komen binnen het plangebied geen bijzondere soorten voor. Daarnaast is een vliegroute van gewone dwergvleermuis aanwezig; deze kan blijven functioneren. De plannen leiden niet tot een (significante) aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS.
Afbeelding 16: uitsnede interactieve kaart EHS ter plaatse van het plangebied,
bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, Ruimtelijke Structuurvisie Provincie Utrecht
Doel van de Flora- en Faunawet (Ff-wet) is het duurzaam garanderen van het voortbestaan van de in het kader van deze wet beschermde plant- en diersoorten. Om de instandhouding daarvan te waarborgen moeten de negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden; daarom zijn voor een aantal planten en dieren beschermende verbodsbepalingen opgenomen in de Ff-wet. De negatieve effecten op andere beschermde soorten kunnen gerechtvaardigd worden wanneer sprake is van een redelijk doel of wanneer het een maatschappelijk geaccepteerde activiteit betreft. Voor een aantal soorten geldt een algemene ontheffingsplicht ex artikel 75 van de Flora- en faunawet, voor minder algemeen voorkomende soorten kan in sommige gevallen vrijstelling worden aangevraagd.
Bij elk project, elke locatie of activiteit geldt bovendien een algemene 'zorgplicht' uit hoofde van de Flora- en faunawet. Deze zorg houdt in ieder geval in dat: "een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken".
Doel van de Ff-wet is het duurzaam garanderen van het voortbestaan van de in het kader van deze wet beschermde plant- en diersoorten. Om de instandhouding daarvan te waarborgen moeten de negatieve effecten van de voorgenomen ingreep zoveel mogelijk voorkomen en beperkt worden. Daarom is voor een aantal planten en dieren een beschermende verbodsbepaling opgenomen in de Ff-wet. Gevolg hiervan is dat door middel van ecologisch onderzoek in beeld dient te worden gebracht welke waarden in het gebied voorkomen en wat de effecten van de voorgenomen ingreep op die waarden zullen zijn.
In het kader van voorliggende plannen is in april 2013 een Quickscan uitgevoerd in het kader van de Ff-wet door Bosgroep Midden Nederland (zie Bijlage 4). Uit de quickscan is naar voren gekomen dat aangezien verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, aanbevolen wordt nader onderzoek te doen naar de voorkomende soorten en de functie van het plangebied voor die soorten.
Het nader onderzoek naar vleermuizen en kerkuil is uitgevoerd door Regelink Ecologie & Landschap in de periode tussen mei en september 2013. Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd overeenkomstig het Vleermuisprotocol 2013. Het onderzoek naar de kerkuil heeft plaatsgevonden overeenkomstig de Soortenstandaard Kerkuil van het Ministerie van Economische Zaken. Met de gekozen methode en verrichte inspanningen is in voldoende mate invulling gegeven aan de zorgplicht van de Ff-wet. De resultaten van de onderzoeken maken als Bijlage 5 deel uit van dit bestemmingsplan.
In het plangebied werden vier soorten vleermuizen waargenomen. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor twee soorten vleermuizen (Gewone Dwergvleermuis en Ruige Dwergvleermuis) Het plangebied heeft zelf weinig foerageermogelijkheden. Op grond van de verblijftijd van de dieren en de zeer goede foerageermogelijkheden in de directe omgeving van het plangebied, kan worden gesteld dat geen sprake is van een essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
Tevens is gedurende het onderzoek een essentiële vliegroute van Gewone Dwergvleermuizen vastgesteld. Wanneer het deel van het plangebied ter plaatse van de vliegroute niet extra wordt verlicht, is geen negatief effect op de essentiële vliegroute te verwachten.
De (te slopen) half open kapschuur wordt gebruikt als zomer/paarverblijfplaats van een Ruige Dwergvleermuis. Mogelijk is het dier hier jaarrond aanwezig. Er bevinden zich geen kraamverblijfplaatsen in het plangebied en ook zijn geen aanwijzingen voor een winterverblijfplaats voor grotere aantallen dieren. De half open kapschuur dient tevens als incidenteel gebruikte rustplaats voor een kerkuil.
De voorgenomen plannen gaan uit van sloop van de halfopen kapschuur. Het onderzoek beschrijft de te nemen maatregelen om overtreding van de verbodsbepalingen Ff-wet te voorkomen. Het betreft het nemen van de volgende maatregelen:
De aanbevelingen en maatregelen uit het ecologisch onderzoek zullen door initiatiefnemer worden opgevolgd. Daarnaast is in de regels van het bestemmingsplan een koppeling gemaakt met de te nemen maatregelen. Hiermee is in voldoende mate en op zorgvuldige wijze invulling gegeven aan de zorgplicht uit de Ff-wet. Vanuit ecologie zijn er geen belemmeringen die uitvoering van de plannen belemmeren.
Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet; dat betekent dat het regime van de Boswet in beginsel van toepassing is. In bepaalde gevallen zijn, buiten de bebouwde kom, ook bevoegdheden toegekend aan de gemeente. Dit geldt onder meer voor houtopstanden op erven en in tuinen (buiten de bebouwde kom).
De beoogde ingrepen vinden plaats binnen de grenzen van het voormalig bouwvlak. Daarbuiten zijn geen inrichtingswerkzaamheden voorzien. Het terrein is in de bestaande situatie grotendeels verhard. Alleen langs de watergangen staat boombeplanting in de vorm van knotwilgen haaks op de Langbroekerdijk. Langs de Langbroekerwetering staan ter plaatse van het plangebied, binnen het erf, enkele solitaire eiken. Het bouwvlak is zodanig gepositioneerd dat de bestaande bomen gehandhaafd kunnen blijven. In het kader van de Boswet zijn geen belemmeringen te verwachten die uitvoering van dit bestemmingsplan in de weg staan.
Afbeelding 17: de twee solitaire eiken langs de Langbroekerwetering met op de achtergrond de knotwilgen langs de watergang haaks op de Langbroekerwetering
Het gebied ligt niet in of in de nabijheid van een speciale beschermingszone (Natura 2000). De voorgenomen activiteiten komen niet voor op de lijst met activiteiten zoals vermeld in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit MER.
Het plangebied ligt buiten de rode contouren, maar binnen de grenzen van de EHS. Aangezien negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS redelijkerwijs niet kunnen worden uitgesloten, is een natuurwaardenonderzoek in het kader van de Ff-wet en zorgvuldigheidshalve tevens een 'nee, tenzij' beoordeling uitgevoerd. In het plangebied zijn vier soorten vleermuizen en Kerkuil waargenomen.
De voorgenomen plannen gaan uit van sloop van de halfopen kapschuur. Uit het onderzoek is naar voren gekomen welke mitigerende maatregelen moeten worden genomen. Door de initiatiefnemer wordt opvolging gegeven aan de in het rapport gedane aanbevelingen. Op deze manier is op zorgvuldige wijze invulling gegeven aan de zorgplicht uit de Ff-wet. Er zijn vanuit ecologie geen andere belemmeringen die uitvoering van de plannen in de weg staan.
In het kader van voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft de Omgevingsdienst de bij het bestemmingsplan horende onderzoeken beoordeeld. Voor de beoordeling van de ontwikkeling is het milieukwaliteitsprofiel 'landelijk gebied, verweving van functies' van het Milieubeleidsplan "Natuurlijk Duurzaam" van toepassing. Deze toets maakt als Bijlage 6 deel uit van dit bestemmingsplan. De opmerkingen van de Omgevingsdienst zijn in dit bestemmingsplan verwerkt.
Aangezien de plannen de nieuwbouw van geluidgevoelige objecten (woningen) beogen, is een akoestisch onderzoek in beginsel noodzakelijk. Voor het plangebied is de Langbroekerdijk relevant. Deze weg ligt buiten de bebouwde kom met een snelheidsregime van 60km/uur. Er is één rijstrook. De geluidszone bedraagt derhalve 250m.
Binnen de geluidszone moet voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen onderzoek worden gedaan naar de optredende geluidsbelasting. Conform de Wgh gelden voor woningen de volgende normen:
Als de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet onderzocht worden of geluidreducerende maatregelen getroffen kunnen worden. Dit kan in de vorm van bronmaatregelen (bijv. stil asfalt) en overdrachtsmaatregelen (bijv. een geluidwal) om aan de voorkeursgrenswaarde te kunnen voldoen. Pas als hieruit blijkt dat niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan het College ontheffing verlenen van de voorkeursgrenswaarde en een hogere waarde vaststellen.
Voor het plangebied is een akoestisch onderzoek verricht. De onderzoeksresultaten maken als Bijlage 7 deel uit van dit bestemmingsplan. De berekeningen zijn uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode 1 van het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012. In haar reactie geeft de Omgevingsdienst ten aanzien van het aspect geluid aan dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van gegevens die afwijken van de gegevens die de Omgevingsdienst in het rekenmodel heeft. Volgens de gegevens van de Omgevingsdienst bedraagt de verkeersintensiteit op de Langbroekerdijk 2200 mvt/etmaal in plaats van 1534 mvt/etmaal, zoals uit de gegevens van de gemeente blijkt.
Volledigheidshalve is nagegaan in hoeverre deze hogere intensiteit gevolgen heeft voor de geluidbelasting op de gevel volgens de formule:
Hieruit blijkt dat bij een toename van 700 mvt/etmaal ten opzichte van 1534 mvt/etmaal de geluidbelasting 1,5 dB toeneemt. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat bij een intensiteit van 1534 de maximale geluidbelasting op de gevel ten hoogste 46,3 dB bedraagt. Ook bij een toename van 1,5 dB blijft de maximale geluidbelasting (46,3 + 1,5 = 47,8 dB) onder de voorkeurgrenswaarde van 48dB. Om die reden is in overleg met de Omgevingsdienst geen nieuwe akoestische berekening uitgevoerd.
Afbeelding 18: begrenzing stiltegebied Beverweerd - Rijsenburg (lichtgroen bufferzone, donkergroen stiltegebied)
bron: http://webkaart.provincie-utrecht.nl/index.do?kaarten=3154%2C4311
Het plangebied ligt in de bufferzone van het stiltegebied Beverweerd - Rijsenburg (zie afbeelding 18). Aangezien 'wonen' niet gezien wordt als ongewenste functie in relatie tot de doelstellingen voor stiltegebieden, vormt dit geen belemmering voor verwezenlijking van de plannen.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid er geen planologische bezwaren zijn die uitvoering van de plannen in de weg staan.
In Nederland gelden regels voor luchtkwaliteit; deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit 2007 die op 15 november 2007 in werking is getreden en als titel 5.2 deel uitmaakt van de Wet milieubeheer (Wmb). Hiermee is het Besluit Luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen ter bescherming van het milieu en de leefkwaliteit. In 'artikel 5.16' is geregeld op welke wijze het aspect luchtkwaliteit in acht dient te worden genomen bij planvorming. Indien één of meerdere grenswaarden niet worden overschreden na realisatie van het plan, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan, zelfs niet als het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Indien één of meerdere grenswaarden reeds worden overschreden voor realisatie van het plan, moet worden onderzocht in hoeverre het voorgenomen plan "in betekenende mate bijdraagt" aan de concentraties van de stof waarvoor de grenswaarden worden overschreden.
De Uitvoeringsregels voor het bepalen van de luchtkwaliteit en de bijdrage van een plan daarin zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur "Niet in Betekenende Mate Bijdragen" en de Ministeriële regelingen: "Beoordeling Luchtkwaliteit 2007" en "Projectsaldering luchtkwaliteit 2007". Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het NSL is de definitie van "niet in betekenende mate" verschoven van 1% naar 3%.
Indien een voorgenomen plan "niet in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alsnog doorgang vinden. Indien het plan wel "in betekenende mate bijdraagt" kan het plan alleen doorgang vinden, indien de positieve effecten van dat plan -en/of de met het plan samenhangende maatregelen- zodanig verbeteren dat per saldo geen verslechtering optreedt. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het NSL gecompenseerd met algemene maatregelen.
Bij woningbouw geldt dat een bouwplan met minder dan 1500 woningen, gelegen aan één ontsluitingsweg, niet in betekenende mate bijdraagt. Deze gevallen kunnen als gezegd zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Onderhavige plannen gaan uit van de bouw van 2 woningen, kan worden gesteld dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt en dat nader onderzoek achterwege kan blijven. Aangezien woningen zijn niet aangemerkt als 'gevoelige bestemming' in de zin van het Besluit Gevoelige Bestemmingen, hoeft in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet te worden gekeken in hoeverre de afstand tot provinciale wegen (N) een belemmering vormt voor uitvoering van de plannen.
De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstof en fijn stof berekend met het rekenmodel GeoMilieu, versie 2.30. In dit rekenmodel is het rekenhart STACKS geïntegreerd, welke voldoet aan de Regeling beoordeling. De hieruit voortgekomen concentraties zijn grafisch weergegeven in de afbeeldingen 19 en 20.
De concentraties stikstofdioxide in het gebied bedragen tot 22 microgram per m³. De concentraties fijn stof bedragen maximaal 24 microgram per m³. dit betekent dat de concentratie voor stikstofdioxide niet voldoet aan de ambitiewaarde. De concentraties fijn stof in het gebied voldoen niet aan de huidige en ambitiekwaliteit. De oorzaak hiervan wordt verklaard door de hoge achtergrondconcentraties in het gebied.
Afbeelding 19: Concentraties stikstofdioxide in 2013 in en nabij het plangebied
bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht
Afbeelding 20: Concentraties fijn stof in 2013 in en nabij het plangebied
bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht
Het is wettelijk geregeld in de Bouwverordening dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwbouw activiteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. Het onderzoek mag in beginsel niet ouder zijn dan 5 jaar en moet een vastgestelde informatie kwaliteit bieden (NEN5740). Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan is aanvullend onderzoek vereist. Wanneer blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem geschikt te maken of dient de bouwaanvraag te worden geweigerd.
Uit de overzichtskaart met bekende bodem-locaties blijkt dat geen informatie beschikbaar is over het plangebied (zie afbeelding 21). Ten behoeve van de plannen is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het verzamelen van informatie met betrekking tot het voormalige gebruik van de locatie om een hypothese te stellen omtrent de aard van de verontreinigende stoffen en de te verwachten milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Deze hypothese, kan vervolgens met een bodemonderzoek worden getoetst.
Afbeelding 21: uitsnede bodemkaart,
bron:http://webkaart.provincie-utrecht.nl/index.do?flamingoConfig=printTemplate.xml&kaarten=683,684 &nakaarten=679,681,682
In juli 2014 is een historisch onderzoek is uitgevoerd door Grondvitaal. Het bodemonderzoek is opgesteld volgens de NEN 5740. Het asbest in bodemonderzoek is uitgevoerd volgens NEN 5707. De resultaten van dit onderzoek maken als Bijlage 8 deel uit van dit bestemmingsplan. Als hypothese voor het bodemonderzoek is uitgegaan van een verdachte locatie met bekende plaats van voorkomen. Deze hypothese is uitsluitend voor het kavelpad en sloot demping bevestigd. De aangetroffen verontreiniging met PAK en nikkel (overschrijding tussenwaarde) zijn nader onderzocht.
Uit de analyseresultaten van afperkende boringen blijkt dat in deze boringen geen verontreiniging met nikkel is aangetroffen. Ook in een andere boring werd geen verontreiniging met nikkel aangetroffen. De conclusie luidt dat uitsluitend ter plaatse van boring 19 een beperkt bodemvolume matig verontreinigd is met nikkel. Er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging.
Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat in het plangebied een beperkt bodemvolume matig verontreinigd is met nikkel. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan eventueel uit te voeren werkzaamheden, waarbij grondverzet plaatsvindt de verontreinigde grond te ontgraven en af te voeren naar een reinigingsbedrijf. Hiervoor dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag (de gemeente).
Tijdens het onderzoek naar asbest in de grond is buiten het te onderzoeken gebied op het maaiveld een buis van asbesthoudend materiaal aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige hooiberg is in een sleuf asbest aangetroffen. In de rundveestal is in de inspectieput asbest aangetroffen in de grove fractie. In de overige putten is geen asbest aangetroffen. De asbestverontreiniging ter plaatse van de voormalige hooiberg is volledig in kaart gebracht. Het verontreinigd volume bedraagt circa 130m³. Derhalve is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De aangetroffen verontreiniging bij de rundveestal betreft een volume van circa 12,5m³.
In één inspectieput is ook in de fijne fractie asbest aangetoond. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan eventueel uit te voeren werkzaamheden, waarbij grondverzet plaatsvindt de verontreinigde grond te ontgraven en af te voeren naar een reinigingsbedrijf. Hiertoe is een BUS-melding opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag (provincie).
In het grondwater is geen verontreiniging aangetroffen. Mits de aanbevelingen om voorafgaand aan uit te voeren grondverzet werkzaamheden de met Nikkel verontreinigde grond af te voeren naar een reinigingsbedrijf wordt opgevolgd, zijn voor het overige terrein geen belemmeringen tot het voorgenomen gebruik. Ten aanzien van de asbestverontreiniging is een (BUS-)melding gedaan bij het bevoegd gezag. Er zal een saneringsplan worden opgesteld voor het saneren van de verontreiniging met Nikkel dat zal worden ingediend bij het bevoegd gezag (gemeente).
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving. De gewijzigde wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in verband met de totstandkoming van het Basisnet zal volgens de laatste inzichten op het moment van schrijven van dit plan op 1 januari 2015 in werking treden.
Het beleid voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Beleidskader elektromagnetische straling
Voor hoogspanningslijnen is het beleidskader beschreven in het 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' (Min. VROM d.d. 5 oktober 2005). Hierin adviseert de Staatssecretaris van VROM het in acht nemen van een veiligheidszone, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.
Voor zendmasten (omroep/GSM/UMTS) zijn in de EU-publicatie 1999/519/EG blootstellingslimieten aanbevolen voor personen die permanent in de nabijheid van zendmasten verblijven. Nederland heeft deze aanbeveling overgenomen en opgenomen in de Telecommunicatiewet.
Onderstaande uitsnede van de professionele Risicokaart toont de omgeving van het plangebied.
Afbeelding 22: uitsnede professionele Risicokaart
bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht
Raadpleging van de Risicokaart (afbeelding 22) leert dat zich in de buurt van het plangebieden één risicovolle inrichting bevindt. Dit betreft het Dinitrol Station (bovengrondse tank) H. Achterberg aan de Sterkenburgerlaan 4 (3972 ME, SBI-code 50104) in Driebergen. Het betreft een handel en reparatiebedrijf van personenauto's. De risicocontour bedraagt 20meter. De afstand tussen het plangebied en de risicovolle inrichting bedraagt 500meter en ligt dus ver buiten de risicocontour.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de toekomstige situatie niet zal leiden tot het ontstaan van belemmeringen vanwege externe veiligheid of elektromagnetische straling. In zowel de bestaande als de nieuwe situatie wordt voor de indicatoren plaatsgebonden risico en groepsrisico voldaan aan de ambitiekwaliteit.
Risicobedrijven
Er zijn in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied kunnen beïnvloeden.
Transport van gevaarlijke stoffen
In de gemeente Utrechtse Heuvelrug is een routeringsbesluit van kracht. Op, in dat besluit aangewezen, wegen is het vervoer van gevaarlijke stoffen vrijgesteld van een ontheffingsplicht. In het besluit zijn geen wegen in de omgeving van het plangebied aangewezen. Voor zover over de Langbroekerdijk gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd, betreft het uitsluitend transporten waarvoor een ontheffing is verleend, dan wel het transport van gevaarlijke stoffen waarop de ontheffingsplicht niet van toepassing is, zoals bijvoorbeeld benzine of gasolie. De totale omvang van het hiervoor bedoelde vervoer is zodanig beperkt dat dit niet tot risicoeffecten leidt voor de directe omgeving van de gevolgde route. Het transport van gevaarlijke stoffen vormt dus geen belemmering.
Buisleidingen
Er zijn in de omgeving geen buisleidingen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied kunnen beïnvloeden.
Hoogspanningslijnen
Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor het oprichten van gevoelige bestemmingen, zoals woonfuncties.
Zendmasten
Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen kunnen veroorzaken van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten.
Om hinder tussen (agrarische) bedrijven en woningen te voorkomen is een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of zoals in onderhavig geval: sportcomplexen) en gevoelige functies (zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen.
Sinds 1 januari 2007 is de Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader bij veehouderijen en hun omgeving. De wet biedt gemeenten de mogelijkheid een eigen geurbeleid te voeren en daarmee, binnen de gestelde kaders, af te wijken van de wettelijke normen. Daarvoor moet op gebiedsniveau worden gezocht naar normen die passen bij de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. De gevonden normen moeten in een gemeentelijke geurverordening worden vastgelegd en worden onderbouwd met een gebiedsvisie. De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft uitsluitend voor het gebied Eindseweg in Overberg een geurverordening en een gebiedsvisie vastgesteld. Het plangebied ligt niet in dit gebied waarvoor een afwijkende geurnorm is vastgesteld. Daarmee gelden voor dit plan de normen uit de Wgv.
De wet maakt onderscheid tussen dieren met en zonder geuremissiefactor. De beoordeling of sprake is van geurhinder voor deze dieren bestaat bij geurgevoelige objecten (zoals woningen) voor dieren zonder geuremissiefactor uit een toetsing aan de voorgeschreven minimum afstanden. Voor dieren zonder geuremissiefactor bedraagt de minimaal in acht te nemen afstand tussen een geurgevoelig object en het emissiepunt (buitenzijde stal of uiterste grens van het bouwvlak) buiten de bebouwde kom 50m. Dezelfde afstand geldt ingevolge artikel 3 lid 2 sub b Wgv voor veehouderijen en geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij (bedrijfswoning) of die onderdeel waren van een veehouderijbedrijf dat op of na 19 maart 2000 is gestaakt. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 geldt de afstand van 50 meter ook voor woningen die na 19 maart 2000 op een kavel worden gebouwd die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij in samenhang met bedrijfsbeëindiging op dat perceel en sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen. Alle veehouderij bedrijven in de omgeving van het plangebied liggen op meer dan 50m afstand. Deze bedrijven vormen geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Ook voor veehouderijbedrijven waarbij dieren aanwezig zijn waarvan een geuremissie is vastgesteld, gelden afstandsnormen. De afstand tussen gevels van dierverblijven voor dieren waarvoor een geuremissie is vastgesteld en de gevels van geurgevoelige objecten dient minimaal 25m te zijn. Zoals hierboven reeds aangegeven liggen alle veehouderij bedrijven in de omgeving van het plangebied op meer dan 50m afstand. Deze bedrijven vormen geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Om aan te kunnen tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat dient de achtergrondbelasting aan geur te worden berekend met behulp van het programma V-stacks Gebied. Daarbij moet zowel een voorgrondbelasting als achtergrond belasting te worden bepaald teneinde te kunnen bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Afbeelding 23: beoordelingskader leefklimaat
bron: RIVM
Middels het rekenprogramma V-Stacks Gebied is de achtergrondbelasting aan geur op de toetspunten van het plangebied berekend. Het geuronderzoek maakt als Bijlage 9 deel uit van dit bestemmingsplan. In deze berekening zijn alle veehouderijbedrijven in de gemeente Utrechtse Heuvelrug meegenomen. De berekening is weergegeven in bijlage 4. Uit de berekening blijkt dat de maximale achtergrondbelasting aan geur ongeveer 0,67oug/m³ is. Hierdoor is sprake van een zeer goed leefklimaat in het plangebied.
De plannen voorzien in het bouwen van 2 nieuwe woningen, die op een voormalig agrarisch erf worden gebouwd. De afstand tot het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bedraagt meer dan 50meter. Er wordt derhalve voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 14 lid 2 Wgv.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening met het oog op de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met een goed woon- en leefklimaat aansluitend op bestaand bebouwd gebied waarin ook bedrijven zijn gevestigd, is in dit bestemmingsplan een nadere uitwerking gemaakt van de milieuzonering.
Voor de uitwerking is gebruik gemaakt van de in de VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) opgenomen richtafstanden. Voor de nieuw te bouwen woningen is uitgegaan van de omgevingskwaliteit van een rustige woonwijk / buitengebied. De richtafstanden zijn daarbij als volgt:
| Milieucategorie | Richtafstand |
| 1 | 10m |
| 2 | 30m |
| 3.1 | 50m |
| 3.2 | 100m |
| 4.1 | 200m |
| 4.2 | 300m |
| 5.1 | 500m |
| 5.2 | 700m |
| 5.3 | 1000m |
| 6 | 1500m |
Als de afstanden tussen ontwikkellocaties en bestaande bouw kleiner zijn dan de genoemde richtafstanden, dient door middel van onderzoek aangetoond moeten worden welke maatregelen genomen moeten worden om de overlast te beperken. Aan de hand hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard afstanden.
uitwerking
In de directe omgeving (straal 200meter) van de het plangebied zijn geen relevante bedrijven gevestigd. Er zijn om die reden geen aanvullende beperkingen in het kader van dit bestemmingsplan.
Buisleidingen waar het Besluit Externe Veiligheid op van toepassing is, liggen op grote afstand van het plangebied. Voorts zijn de reguliere huisaansluitingen aanwezig op het perceel.
Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ladder voor 'duurzame verstedelijking' toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Doel van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is een goede ruimtelijke ordening door optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
De ladder is opgebouwd uit drie treden:
Zoals reeds aangegeven in paragraaf 3.4.3 is er in de gemeente nog een ruime behoefte aan nieuwe woningen. Voorliggende plannen voorzien in twee woningen, waarvan 1 extra ten opzichte van de bestaande woningvoorraad, die in eigen beheer kunnen worden gebouwd. Op deze manier kan optimaal worden ingespeeld op de woonwensen van de consument en ontstaat ruimte om door te schuiven op de woningmarkt.
Het betreft vervangende nieuwbouw op een voormalige agrarische bedrijfskavel; er is daarmee sprake van ontwikkelingen die passen in het beleid voor het landelijk gebied dat gericht is op het realiseren van een kwaliteitsverbetering binnen bestaand bebouwd gebied. Overigens beslaat het bestaande erf bijna 1,5ha en krijgen de twee woonkavels een oppervlakte (woonbestemming) van circa 800m². Ook hiermee wordt aangesloten op de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.
De wettelijke eisen aan nieuwbouw van woningen staan in het bouwbesluit. De volgende eisen worden gesteld bij nieuwbouw en/of verbouwingen:.
Milieuprestatie Gebouw (MPG):
In 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m2. De initiatiefnemer kan op twee manieren aantonen te voldoen aan het Bouwbesluit:
Stichting Bouwkwaliteit (SBK) geeft op de website www.milieuprestatiebewijs.nl informatie over het aanvragen van een SBK-bewijs. Voor het aanvragen moet een berekening worden aangeleverd, voor maken van een berekening is een gratis licentie beschikbaar bij de Omgevingsdienst voor de software van GPR Gebouw.
De provinciale ruimtelijke verordening (4 februari 2013) stelt in artikel 3.1 lid 3 als eis aan ruimtelijke plannen (bestemmingsplan, beheersverordening, Wabo uitgebreid projectafwijkingsbesluit) dat binnen het stedelijk gebied de toelichting op het ruimtelijk plan een beschrijving bevat van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
Dit betekent dat bij een ruimtelijke onderbouwing of bestemmingsplan in het stedelijk gebied, inzichtelijk moet worden gemaakt hoe wordt omgegaan met energiebesparing en duurzame energiebronnen, dient te worden opgenomen. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een ontwikkeling in het landelijk gebied, waardoor deze beschrijving achterwege kan worden gelaten.
Om duurzaam bouwen te ondersteunen, biedt de gemeente aan:
Gebruik software GPR gebouw
Het gebruik van GPR wordt gratis door de gemeente beschikbaar gesteld. Hiermee kunt u inzicht krijgen in de kansen voor duurzaamheid. Voor een licentie kunt u contact opnemen met de heer Erwin Mikkers van de Omgevingsdienst regio Utrecht via email: e.mikkers@odru.nl of 030 6999 577.
Met een licentie kan een eigenaar, architect of ontwikkelaar gebruik maken van het computerprogramma GPR gebouw (www.gprgebouw.nl) en hiermee kijken in hoeverre maatregelen voor het gebouw een invulling geven aan duurzaamheid. Dit programma is ook goed toepasbaar voor bestaande bouw.
Energie-expert van de gemeente
Om ondersteuning te bieden bij het identificeren en benutten van duurzame maatregelen bij bouwprojecten, biedt de gemeente een gratis en vrijblijvend gesprek aan met een energie-expert. Dit is de heer Erwin Mikkers van de Omgevingsdienst. Tijdens het gesprek kan vrijblijvend worden ingegaan op kansrijke technische duurzame energiemaatregelen voor uw bouwplannen.
Extra hypotheekruimte voor energiezuinige woningen
Voor energiezuinige woningen is het mogelijk om een hogere hypotheek te krijgen bij de financiering. Hiermee kunnen de kosten voor de energiemaatregelen gedekt worden. Dit is bekendgemaakt op 20 december 2012 in de Staatscourant: de Tijdelijke Regeling Hypothecair Krediet.
Hierin staat dat bij woningen met energiebesparende voorzieningen, met een A++ label een bedrag van € 8.000 buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van de financieringslast. Dit bedrag loopt op tot een 6% hogere mogelijke hypotheek op de totale leensom in 2018. Omdat dan 106% van de waarde van de woning geldt voor de hypotheekruimte, terwijl dit voor andere woningen dan is teruggebracht tot 100%. Daarnaast is per 1 januari 2014 het mogelijk om €13.500,- extra hypotheek te krijgen voor de aankoop of verbouw van een energieneutraal huis: dat net zoveel energie verbruikt als het zelf opwekt.
Daarnaast zijn door het Rijk in het Bouwbesluit normen vastgesteld ten aanzien van energiezuinig bouwen. De energieprestatie van gebouwen wordt aangeduid in de vorm van de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De EPC - eis voor nieuw te bouwen woningen bedraagt op dit moment 0,6 en zal in 2015 worden aangescherpt naar 0,4.
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft haar doelstellingen en ambities ten aanzien van duurzaamheid vastgelegd in het Milieubeleidsplan 2009-2014. Daarbij heeft de gemeente 9 principes voor duurzaamheid geformuleerd. Voor onderhavige plannen is relevant dat ruimtelijke ontwikkelingen alleen daar worden toegestaan waar deze de groenstructuur niet aantasten en mogelijk zelfs versterken. Ook is van belang dat de gemeente inzet op energiezuinig bouwen en het gebruik van duurzame materialen.
Deze ambities zijn vertaald naar concrete doelstellingen. Zo geldt voor nieuw te bouwen woningen een norm die 25% lager ligt dan de EPC. Ook is ten doel gesteld dat voor nieuwbouw een gemiddelde GPR Gebouw score moet worden gehaald van 7,0 voor het thema Energie. Deze ambities zullen worden meegenomen in de uitwerking van de plannen.
Voor onderhavig project zijn de volgende milieu aspecten beschreven: geluid, luchtkwaliteit, bodem, externe veiligheid, hindercontouren bedrijvigheid en buis en transportleidingen. Vanuit al deze aspecten zijn geen belemmeringen te verwachten die uitvoering van de voorgenomen plannen in de weg staan. Uit het bodemonderzoek is naar voren gekomen dat de bodem in het plangebied plaatselijk verontreinigd is. Mits de aanbevelingen worden opgevolgd zijn er vanuit milieutechnisch opzicht evenwel geen beperkingen aan het voorgenomen gebruik. Zowel bij de ideevorming over de plannen als bij de uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met het aspect duurzaamheid.
Dit bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen samen één geheel. Tevens vormen de regels met de daaraan gekoppelde verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Voor de gemeente is het bestemmingsplan het belangrijkste publiekrechtelijke instrument om doelstellingen te realiseren. In onderhavig plangebied legt het bestemmingsplan de basis voor nieuwe ontwikkelingen.
In het kader van dit bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied voorzien van een bestemming waarin tevens regels zijn gesteld ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden op en de gebruiksmogelijkheden van die gronden. De toelichting heeft geen juridische bindingskracht, maar vormt wel en belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan omdat hierin de beweegredenen, onderzoeksresultaten en de (beleids)uitgangspunten zijn verwoord, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Daarmee is de toelichting van wezenlijk belang voor de juiste interpretatie van het bestemmingsplan en de wijze waarop de daarin opgenomen bepalingen moeten worden toegepast.
De Europese Kaderrichtlijn Water heeft goed functionerende watersystemen en duurzaam watergebruik tot doel. In het algemeen is de Kaderrichtlijn gericht op de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam en evenwichtig gebruik. Daarbij staan stroomgebieden centraal. De doelstellingen voor oppervlaktewater en grondwater vormen de basis. Het accent ligt op de kwaliteit en het ecologisch functioneren van water. De Kaderrichtlijn bepaalt dat in 2015 een goede oppervlakte- en grondwater toestand moet zijn bereikt in alle Europese wateren. Dit beleid is op Rijksniveau verder uitgewerkt in de Vierde Nota Waterhuishouding.
De essentie van het Rijksbeleid, naar aanleiding van het advies "Waterbeleid voor de 21e eeuw" van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, is dat water meer ruimte moet krijgen en er geen afwenteling van waterproblemen plaatsvindt in ruimte en tijd. Dit is verwoord in de strategie: vasthouden, bergen en afvoeren. Daarnaast geldt voor de waterkwaliteit het uitgangspunt van: schoonhouden, scheiden, schoonmaken.
Het Nationaal Waterplan (NWP) (december 2009) is het rijksplan voor het waterbeleid voor de periode 2009 - 2015. Het NWP is tevens structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening. Het NWP beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. De stroomgebiedsplannen zijn een bijlage van het NWP.
De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer is meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten. Het
rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en - maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. De mate waarin water bepalend is bij ruimtelijke ontwikkelingen hangt af van de aard, omvang en urgentie van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies en bodemgesteldheid en andere kenmerken in dat gebied.
Water vormt een ordenend principe bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen; dat betekent dat bij de locatiekeuze voor functies als verstedelijking, landbouw en natuur en de inrichting van de ruimte daarvoor mede wordt gebaseerd op randvoorwaarden die het watersysteem stelt. Wat betreft de wateroverlast gaat de provincie uit van de trits: vasthouden, bergen, afvoeren. Ten aanzien van de waterkwaliteit hanteert de provincie het uitgangspunt: schoonhouden, scheiden, zuiveren. Door de zandige opbouw van grote delen van de Vallei dient bij in- en uitbreidingen voldoende ruimte worden geboden voor wateropvang en waterberging. Voor gemeenten geldt een inspanningsverplichting om duurzaam stedelijk waterbeheer zoveel mogelijk te integreren in de ruimtelijke plannen.
In het Provinciaal Waterplan, richting robuust, is het beleid vervat van de provincie op het gebied van waterveiligheid, waterbeheer en –gebruik alsmede voor de beleving van water voor de periode 2010 -2015. Het Waterplan 2010 – 2015 vervangt het Waterplan 2005 – 2010 en bouwt voort op het beleid uit de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie.
Het beleid gaat uit van de kernwaarden: duurzaamheid, kwaliteit en samenwerking. Van daaruit wordt gestreefd naar duurzame en robuuste watersystemen en het borgen van bestaande kwaliteiten. Duurzame systemen zijn systemen die goed in staat zijn om zelfstandig extremen op te vangen zonder dat afwenteling plaatsvindt in tijd, ruimte of milieucompartiment. Extremen als droogteperiodes, periodes met veel neerslag en wisselende belastingen met verontreinigende stoffen. Oppervlaktewater, grondwater, bodemeigenschappen en grondgebruik worden in samenhang beschouwd. Gestreefd wordt naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van functie conflicten rondom water en een hoge belevingswaarde.
Ook het aspect waterveiligheid wordt integraal benaderd. Op die manier kunnen grondgebruikfuncties ook op lange termijn voortbestaan, al kan dat betekenen dat de locatie waar bepaalde grondgebruikfuncties worden ingevuld ter discussie kan staan. Kwetsbare en vitale objecten, grootschalige woonwijken en bedrijventerreinen dienen bestand te zijn tegen overstromingen. Door een goed doordachte locatiekeuze en inrichting kunnen de gevolgen van een overstroming aanzienlijk beperkt worden. In gebieden die diep (meer dan 2m) kunnen overstromen dient daarom terughoudend te worden omgegaan met grote bouwlocaties en grote ruimtelijke investeringen. Het waterveiligheidsbelang dient hier te worden meegewogen in het ontwerp en de inrichting.
Afbeelding 24: uitsnede kaart 8, Gevolgen doorbraak primaire keringen
bron: Provinciaal Waterplan, p. 39
In gebieden die ondiep overstromen bij een dijkdoorbraak kan vanuit overstromingsperspectief worden gebouwd, mits voorzieningen worden getroffen, met name voor vitale en kwetsbare objecten en infrastructuur. In gebieden die droog blijven, gelden vanuit overstromingsperspectief geen beperkingen. Op de overstromingsrisicokaart (zie afbeeldingen 24 en 25) is aangegeven dat Driebergen zich in het overstromingsgebied (langzaam en diep) bevindt van dijkring 44 (Kromme Rijn).
Afbeelding 25: uitsnede kaart 7, Keringen
bron: Provinciaal Waterplan p. 34
Het Rijk werkt aan een voorstel voor nieuwe primaire waterkeringen omdat de huidige normen niet meer toereikend zijn vanwege de aanzienlijk toegenomen bevolking en economische waarden in overstromingsgevoelige gebieden. De Deltacommissie adviseert om het huidige veiligheidsniveau met een factor 10 te verbeteren. In de Structuurvisie is ruimte gereserveerd voor dijkversterking.
De ontwikkeling van duurzame en robuuste watersystemen geschiedt volgens de principes van: people, planet en profit. Bij het toetsen van ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor de watersystemen, kan gebruik worden gemaakt van de GGOR-methodiek, waarbij GGOR staat voor Gewenst Grond en Oppervlaktewater Regime. GGOR heeft als doel het waterbeheer op duurzame wijze af te stemmen op de aanwezige functies in een gebied en daar waar nodig functies beter af te stemmen op de hydrologische omstandigheden. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden gebruikt de GGOR-methodiek bij het afstemmen van waterpeilen en de gebruiksfuncties van de gronden.
De essentie van GGOR is het integraal in beschouwing nemen van alle functies en belangen in een bepaald deelgebied. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden kent een verbrede toepassing van de GGOR-methodiek. De gebruiksfuncties van grond waren voorheen randvoorwaarde. Het waterschap kan tegenwoordig aangeven, wanneer een dergelijke functie het ontwikkelen van een duurzaam watersysteem frustreert. Het is vervolgens aan de Provincie om te overwegen of de functie moet worden gewijzigd ten behoeve van een duurzamer waterbeheer. Dit beleid is uitgewerkt in het Watergebiedsplan van het hoogheemraadschap. Voor onderhavig plangebied is de gebiedsfunctie: "verweving natuur en landbouw".
Onderhavige plannen gaan uit van kleinschalige ontwikkelingen die allen buiten de kwetsbare gebieden plaatsvinden. In overleg met het bevoegd gezag zal bepaald moeten worden in hoeverre de maatregelen in het kader van de verdrogingsbestrijding gevolgen hebben voor de beoogde ontwikkelingen.
Algemeen uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat initiatiefnemers de verantwoordelijkheid hebben om het watersysteem op orde te houden. In dat kader dient in een vroegtijdig stadium contact te worden gelegd met de waterbeheerder om de effecten voor de wateropgave te bepalen. Gelet op het beperkte aantal woningen en het beperkte terreinoppervlakte dat door de plannen wordt ingenomen, is het aannemelijk dat hierdoor geen (extra) wateropgave ontstaat.
Op 28 oktober 2009 heeft het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden het Waterbeheerplan "Water voorop!" vastgesteld. Hierin is het beleid ten aanzien van waterbeheer uiteengezet ten aanzien van waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid. Het Waterbeheerplan bestaat uit een Strategie, een Beleidsplan en een Uitvoeringsplan.
Voor onderhavig plangebied is van belang dat het beleid is gericht op het herstellen van de infiltratie op en het benutten van kwel van de Utrechtse Heuvelrug. De Utrechtse Heuvelrug, het Langbroekerwetering gebied en Groenraven-Oost vormen een hydrologisch samenhangend gebied van de hoger gelegen infiltratie- en laaggelegen kwelgebieden. Het watersysteem sluit aan bij de natuur en landschapswaarden van het gebied. Zo heeft de verdroogde natuur baat bij herstel van de infiltratie en het zoveel mogelijk vasthouden van regenwater. Tegelijkertijd moeten de kwaliteit van het grondwater en de bodem worden bewaakt omdat afstromend regenwater in een aantal gevallen verontreiniging van de bodem en grondwater kan veroorzaken. De toegenomen kwel komt de waterkwaliteit en de natuur ten goede. Inlaat van gebiedsvreemd water wordt beperkt en bronnen van verontreiniging worden gesaneerd of sterk verminderd.
Voorts is het beleid in het kader van de verdrogingsbestrijding relevant aangezien een aantal gebieden in het Langbroekerwetering gebied is aangewezen als SUB-Topgebied. Hier voert het waterschap de maatregelen uit in overleg met de Provincie Utrecht.
Op 18 juni 2008 heeft het Algemeen Bestuur het Watergebiedsplan Langbroekerwetering vastgesteld. Hierin heeft het waterschap keuzes vastgelegd ten aanzien van de actuele vraagstukken voor het regionale waterbeheer. Het betreft keuzes omtrent voorkomen van wateroverlast, het integraal afwegen van alle functies en belangen bij de het waterbeheer en het realiseren van schoon water. Het Watergebiedsplan komt voort uit het project "Duurzaam waterbeheer Langbroekerwetering".
Vanwege de ligging van het gebied op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied zijn verschillende gradiënten aanwezig. De natuurlijke variatie is groot. De verschillende functies in het gebied stellen verschillende hydrologische randvoorwaarden, die het moeilijk maken om tot een optimaal waterbeheer te komen. Om tot een oplossing te komen zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Op basis van de onderzoeken is een voorkeursvariant ontwikkeld. Deze voorkeursvariant heeft als grondlegger voor het Watergebiedsplan gefungeerd. De maatregelen zijn erop gericht om een duurzaam watersysteem tot stand te brengen, uitgaande van de huidige functies in het gebied. Ook bevat het plan de maatregelen die nodig zijn in het kader van de verdrogingsbestrijding.
Om de natte ecologische verbindingen in het gebied te versterken en om bij te dragen aan de gewenste ecologische kwaliteit vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water is het voorstel om langs hoofdwatergangen in totaal 6,5 kilometer natuurvriendelijke oevers aan te leggen (zie afbeelding 26 voor de relevante gebieden). Het zoekgebied bestaat uit vrijwel alle watergangen dwars op de Langbroekerwetering. De maatregelen zullen op vrijwillige basis worden uitgevoerd.
Afbeelding 26: wateren in het Langbroekerwetering gebied met een KWR-status, de Langbroekerwetering (paars) is aangeduid als watergang die het gebied afwatert, type 'gebufferde sloot op zand of klei (M1)'
bron: Watergebiedsplan Langbroekerwetering, p. 65
Op 12 oktober 2010 zijn de beleidsregels op grond van de Keur van HDSR vastgesteld. In de Keur staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. Voor bepaalde algemene handelingen die voldoen aan de in de Keur gestelde voorwaarden en regels, is geen vergunning nodig, maar kan worden volstaan met een melding. Voor alle verboden werken en/of werkzaamheden die niet voldoen aan de criteria en voorwaarden van de algemene regels, kan vergunning worden aangevraagd. Alle vergunningaanvragen dienen vergezeld te gaan van een deugdelijke motivering. Vergunning wordt alleen verleend als de waterstaatkundige belangen niet in het gedrang komen.
Voor onderhavige plannen is van belang dat de keur een vergunningplicht bevat voor het bouwen en het leggen van kabels en leidingen binnen een zone van respectievelijk 2 en 5 meter langs oppervlaktewaterlichamen (zie afbeelding 27). Ook zijn er beleidsregels voor het bouwen van bruggen, steigers en andere overhangende bouwwerken en de lozing vanaf verharde oppervlakken. Gevolg is dat voor een aantal activiteiten naast een omgevingsvergunning mogelijk tevens een watervergunning moet worden aangevraagd.
afbeelding 27: uitsnede legger oppervlaktewater 2012 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
bron: http://hdsr.webgispublisher.nl/Default.aspx?map=LOW_2012_Definitief
Ten aanzien van het verharden van oppervlakken is bepaald dat uitbreiding aan verhard oppervlak 'waterbalansneutraal' dient plaats te vinden. Toename van verhard oppervlak in het buitengebied kan tot 1000m² zonder dat een verplichting tot compensatie (15% van het aan te leggen verhard oppervlak) ontstaat. De plannen blijven onder deze grens.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan
met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.
Het watertoetsproces voor het project Langbroekerdijk 29, Driebergen is op 24 oktober 2013 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl (zie Bijlage 10). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen.
Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft positief over het ruimtelijk plan geadviseerd.
Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
De ruimtelijke ontwikkelingen hebben weinig tot geen gevolgen voor het watersysteem. In het kort gaat het om:
Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie.
Afvalwater wordt als volgt afgevoerd: Hemelwater van het dak wordt in de bodem geïnfiltreerd of loopt via het erf en de tuin naar de watergang.
Het plan is om grondwater tijdelijk (indien tijdens de bouwfase grondwater wordt onttrokken voor drooglegging) of permanent te onttrekken en af te voeren naar oppervlaktewater. Voor onttrekking en lozing van grondwater dient een Watervergunning te worden aangevraagd of een melding te worden gedaan bij het waterschap. In de Keur van het waterschap staat dat het verboden is om permanent grondwater (dus ook drainage) te lozen op oppervlaktewater.
Indien in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, waarbij het verhard oppervlak uitbreidt met meer dan 500m2 in stedelijk gebied en/of 1000m2 in landelijk gebied, heeft dit tot gevolg dat het hemelwater van dit oppervlak versneld tot afvoer komt. Om de waterhuishouding niet te verslechteren, moet deze versnelde afvoer worden voorkomen of gecompenseerd.
Uitgangspunt voor het hemelwater is dat dit volledig op eigen perceel verwerkt wordt en terug wordt gebracht in het milieu. Dit geschiedt door afkoppeling van hemelwater waarna het water in de bodem kan infiltreren. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van afstromend dakwater worden geen uitlogende materialen toegepast, zoals koper, onbehandeld zink en dergelijke.
In het plan blijven de bestaande waterlopen gehandhaafd. Aangezien het verhard oppervlak niet toeneemt, sloop plaatsvindt van vrijwel alle voormalige bedrijfsbebouwing en de realisatie van twee woningen (met bijbehorende tuinen), is het aannemelijk dat de situatie ten opzichte van de oude situatie verbetert. De nieuw te bouwen woningen worden niet dieper onderkelderd dan in de bestaande situatie het geval was. Het hemelwater zal worden geïnfiltreerd in de bodem. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Daarmee voldoende de plannen aan de eisen van het waterschap in het kader van duurzaam waterbeheer.
Ondanks dat de ruimtelijke ontwikkeling weinig tot geen gevolgen heeft voor water, kan het zijn dat er kansen zijn om verbeteringen door te voeren ten behoeve van duurzaam waterbeheer. Het Hoogheemraadschap adviseert bijvoorbeeld om hemelwater niet af te voeren naar een gemengd rioolstelsel maar te infiltreren in de bodem of af te voeren naar oppervlaktewater. De gemeente is verantwoordelijk voor het bepalen van (de methode van) hemelwaterafvoer, in overleg met het waterschap.
Het Hoogheemraadschap adviseert om de nieuwbouw aan te leggen met een ontwateringsdiepte van minimaal 80 centimeter, en bij voorkeur 1 meter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte.
Grondwateroverlast als gevolg van afwijkende aanleghoogten is voor de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers. Om een goed inzicht te krijgen in het grondwatersysteem adviseert het Hoogheemraadschap om zo spoedig mogelijk te starten met een grondwateronderzoek. Om wateroverlast en -schade in woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het Hoogheemraadschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren.
Het plan heeft gevolgen voor de rioleringssituatie. Het Hoogheemraadschap adviseert om een lokaal rioleringsplan op te stellen. Het waterschap zal dit plan vervolgens goedkeuren.
Conform het Waterbeleid is voor de beoogde ontwikkelingen het waterbeleid beschreven en het watertoetsproces doorlopen. Daartoe zijn in het kader van dit bestemmingsplan de volgende thema's nader bekeken: veiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit, afvalwaterketen en onderhoud. Aangezien (primaire) watergangen in het gebied ontbreken zijn met name de opgaven en doelstellingen voor het vasthouden van gebiedseigen water en het grondwaterbeheer van belang.
De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel voor het huishoudelijk afvalwater; het heeft de voorkeur geen nieuwe pompput aan te leggen. Het hemelwater zal volledig op eigen perceel verwerkt worden en terug worden gebracht in het milieu. Dit geschiedt door afkoppeling van hemelwater waarna het water in de bodem kan infiltreren. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van afstromend dakwater worden geen uitlogende materialen toegepast, zoals koper, onbehandeld zink en dergelijke.
De drempelwaarde (1000m² nieuw verhard oppervlak) wordt in de plannen niet overschreden, waardoor geen compensatieverplichting ontstaat.
Bij het opzetten van dit bestemmingsplan is ervoor gekozen het bestemmingsplan inhoudelijk zoveel mogelijk te laten aansluiten op het bestemmingsplan Buitengebied 2004. De begrenzing van het plangebied komt overeen met de begrenzing van het voormalige agrarische bouwperceel.
In het plangebied komen 2 bestemming voor: 'Agrarisch met waarden' en 'Wonen - B 1' en 2 dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Ecologie'.
Dit bestemmingsplan is opgezet volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die het mogelijk maakt om bestemmingsplannen te maken die op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting omdat deze immers geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan.
De Wet ruimtelijke ordening kent drie planvormen:
De eerste twee plansoorten bieden een directe basis voor vergunningverlening. Een globaal bestemmingsplan met uitwerkingsbevoegdheden moet eerst worden uitgewerkt in een uitwerkingsplan voordat (bouw)vergunning kan worden verleend. Dit plan is ontwikkelingsgericht en heeft de vorm van een globaal eindplan.
Het bestemmingsplan wordt digitaal vastgesteld en via digitaal (via internet) raadpleegbaar gepubliceerd. Daarnaast wordt het bestemmingsplan afgedrukt zodat het ook analoog kan worden geraadpleegd. Bij inhoudelijke verschillen tussen het digitale en het analoge bestemmingsplan, geldt het digitale bestemmingsplan.
De opbouw van de planregels is als volgt:
Hoofdstuk 1 Inleidende regels:
Artikel 1 Begrippen; hier zijn de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden toegepast. Waar mogelijk is gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP 2012.
Artikel 2 Wijze van meten; hier is aangegeven op welke wijze maten, inhoud en oppervlakten van bouwwerken worden gemeten en berekend om zo tot een eenduidige toepassing van de bouwregelingen te komen.
De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving zijn de functies benoemd die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwvoorschriften zijn gerelateerd aan deze omschrijving evenals het gebruik van de gronden en de daarop toegestane bebouwing. De bestemmingsvoorschriften kennen alle dezelfde opbouw met de volgende onderdelen:
Niet elke bestemmingsregel bevat deze elementen; dit is afhankelijk van de bestemming en de daarvoor relevante bepalingen. Voor de inhoud van de regels is de regeling zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2009 als uitgangspunt genomen.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels: in dit artikel wordt aangegeven in welke gevallen gebruik kan worden gemaakt van een algemene bevoegdheid om af te wijken van de regels in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht: samengevat is hier bepaald dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar dit strijdig zijn met dit plan, in dezelfde vorm mogen blijven bestaan. Wel blijft het mogelijk om op te treden tegen (eerder ontstaan) illegaal gebruik of bebouwing.
Artikel 12 Slotregel: hier is aangeven onder welke naam het plan kan worden aangehaald.
Op de plankaart of analoge verbeelding is de bestemming van de betreffende percelen aangegeven. De plankaart bestaat uit een verzameling van geografisch bepaalde objecten, die tezamen met de regels zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels.
Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bebouwingsmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor.
Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen en de raadpleegbaarheid te verbeteren.
Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemmingsregeling. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan alle in het plan begrepen gronden bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van die gronden en ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden. Elke bestemming is geometrisch bepaald. In dit bestemmingsplan zijn de volgende enkelbestemmingen opgenomen: "Artikel 3 Agrarisch met waarden", "Artikel 4 Wonen - B 1" en de voorts twee dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Ecologie'.
Aan alle woonpercelen waar onderhavig plan betrekking op heeft is de bestemming "Artikel 4 Wonen - B 1" toegekend. De woonpercelen hebben een oppervlakte van 800m² conform het gemeentelijk beleid. De overige delen van het voormalig agrarisch bouwperceel hebben de bestemming "Agrarisch met waarden" gekregen. Deze bestemming komt overeen met die van de omringende gronden. Bij de enkelbestemming "Agrarisch met waarden" zijn in de regels en op de verbeelding twee aanduidingen toegevoegd: kwelafhankelijke vegetatie en halfopen landschap waarmee de in het gebied voorkomende waarden nader zijn geduid.
Uitgangspunt is dat per bouwperceel niet meer dan 1 woning is toegestaan. De inhoud van de woning is gemaximeerd tot 600m³. Bij een woning mag 50m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Om tot gelijke gebruiksmogelijkheden op beide erven te komen, voorzien de regels in ruime mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. De mogelijkheden blijven binnen de marges van de mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan reeds biedt. Op de plankaart is een bouwvlak aangegeven waarbinnen gebouwen moeten worden gebouwd. Voor zover relevant zijn de flexibiliteitsbepalingen uit het bestemmingsplan Buitengebied overgenomen.
Aangezien dit bestemmingsplan de grondslag biedt voor de ontwikkeling van twee nieuwe woningen, zonder dat hiervoor concrete bouwplannen beschikbaar zijn, is - in aanvulling op de regels van het bestemmingsplan Buitengebied - in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De voorwaardelijke verplichting voorziet in de verplichting om samen met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning, een erfinrichtingsplan dient te overgelegd dat door het bevoegd gezag dient te worden beoordeeld.
Ter behoud van de cultuurhistorisch waardevolle schuur is een omgevingsvergunningplicht opgenomen ten aanzien van de activiteit slopen. Ter borging van de uitvoering van de in het ecologisch onderzoek voorgeschreven mitigerende maatregelen is voor het slopen van één van de bestaande (ten behoeve van de nieuw te bouwen woning te slopen) schuren ook een omgevingsvergunning benodigd. De vergunning kan slechts worden verleend als aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
Op de archeologische beleidskaart is het plangebied aangeduid als een gebied met een lage archeologische verwachting. Deze verwachting is op de plankaart overgenomen en aangegeven als dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 5”. De ecologische waarde van het perceel is aangeduid met de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie". Ter bescherming van de ecologische waarden geldt voor een aantal activiteiten de verplichting om omgevingsvergunning aan te vragen.
De gronden waarop de voorgenomen nieuwbouw is geprojecteerd, zijn eigendom van Landgoed Leeuwenburgh. De realisatie van de plannen vindt plaats voor rekening en risico van de nieuwe gebruikers van de woningen.
In het kader van het bepaalde in afdeling 6.4 Wro zijn afspraken gemaakt inzake kostenverhaal. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een exploitatieovereenkomst. De beoogde ontwikkelingen hebben daarmee geen financiële gevolgen voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Omdat kostenverhaal 'anderszins verzekerd is' hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.
Een ander financieel risico wordt gevormd door de regeling uit artikel 6.1 Wro, die recht geeft op
vergoeding van die schade, die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van de in het artikel
genoemde besluiten, zoals een planwijziging of een planuitwerking, het aanpassen van het
bestemmingsplan of het verlenen van ontheffing van een bestemmingsplan. In de bovengenoemde exploitatieovereenkomst is overeengekomen dat eventuele planschade voor rekening van initiatiefnemer komt.
De beoogde ontwikkelingen vinden plaats voor rekening en risico van initiatiefnemer c.q. de toekomstige gebruikers van de woningen. Met de gemeente zijn afspraken gemaakt over kostenverhaal; deze zijn vastgelegd in een exploitatieovereenkomst. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer.
Overeenkomstig de inspraakverordening van de gemeente zijn alle directe omwonenden rechtstreeks over het plan geïnformeerd door de initiatiefnemer.
Het ontwerpbestemmingsplan Langbroekerdijk 29 heeft vanaf 19 december 2014 tot en met 29 januari 2015 (zes weken) ter inzage gelegen. Van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan is op de gebruikelijke wijze kennis gegeven. Gedurende de periode van terinzagelegging konden zienswijzen worden ingediend.
Tevens is het plan in die periode toegezonden aan de vooroverlegpartners toegezonden in verband met het wettelijk vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Er zijn geen zienswijzen ingediend. Beide vooroverlegpartners, zijnde de Provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden, hebben laten weten geen opmerkingen te hebben en zodoende in te stemmen met het plan.
De ontvangen reacties hebben geen aanleiding gegeven om het bestemmingsplan aan te passen. De Nota van Beantwoording vooroverlegreacties en zienswijzen maakt als Bijlage 12 deel uit van dit bestemmingsplan.
Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.
Daarom wordt bij de actualisering van dit bestemmingsplan voorafgaand waar mogelijk een zo goed mogelijk beeld verkregen van de huidige planologische situatie en ontwikkelings- / afwijkingsmogelijkheden, de in de afgelopen 10 jaar aangevraagde en verleende afwijkingen / omgevingsvergunningen en de in de afgelopen tien jaar verrichte handhavingsacties en verleende gedoogbeschikkingen. Dit onderzoek past volledig binnen de verplichtingen uit onder andere de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De investering betreft de invulling van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting.
De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting (1) en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek."