direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hoogspanningslijn Haarweg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel

Aanleiding

TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) is de netbeheerder voor het Nederlandse hoogspanningsnet voor elektriciteit (110 kV en hoger). Het bedrijf heeft kortgezegd drie taken:

  • 1. het verzorgen van transportdiensten door het aanleggen en onderhouden van een robuust hoogspanningsnet;
  • 2. het verzorgen van systeemdiensten door het evenwicht tussen vraag naar en aanbod van elektriciteit 24 uur per dag en 7 dagen per week te handhaven;
  • 3. het faciliteren van een efficiënt functionerende, liquide en stabiele elektriciteitsmarkt.

Aanleiding voor het ondergronds verkabelen van de nu bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding is de al langlopende wens van gemeente Veenendaal om de bovengrondse masten met geleiders weg te halen die op dit moment woonwijken, sportvelden en bedrijventerreinen doorkruist en de verbinding ondergronds en daarmee uit het zicht te brengen. Een en ander conform het besluit van de gemeenteraad van gemeente Veenendaal op 17 oktober 2019 om de 150 kV-hoogspanningsverbinding ondergronds te brengen met een voorkeur voor verkabeling tussen de masten 124 en 96.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01_0001.png"

Afbeelding 1.1.1 Ligging tracé ondergronds (lichtblauw) en opstijgpunt (rood)

Een klein gedeelte van het ondergrondse tracé ligt op het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (Overberg). Bij mast 124 wordt een opstijgpunt gerealiseerd waar vervolgens de ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt aangesloten op de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding. De gemeente Veenendaal heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug verzocht om medewerking te verlenen aan herziening van het bestemmingsplan om dit mogelijk maken.

Doel

Met dit bestemmingsplan wordt de verkabeling van de bovengrondse hoogspanningsverbinding en het opstijgpunt bij mast 124 planologisch mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan voorziet naast de aanleg ook in beheer en onderhoud en in bescherming van de verbinding tegen activiteiten in de omgeving. Voorts is in het plan een regeling opgenomen die borgt dat de bestaande hoogspanningsverbinding op termijn wordt verwijderd.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit de zone ter breedte van 8,5 meter aan weerszijden van het beoogde tracé van de ondergrondse hoogspanningsverbinding door het buitengebied tussen Veenendaal-West en Overberg. Daarnaast is er een bestemming Bedrijf - Nutsvoorziening toegevoegd om het opstijgpunt mogelijk te maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01_0002.png"

1.3 Vigerend(e) plan(nen)

Op de locatie is het bestemmingsplan “Buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen ” van kracht. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemmingen ''Agrarisch met waarden'', "Natuur" en de aanduiding ''half open landschap'' en de dubbelbestemmingen ''Waarde – Archeologie 4'', "Waarde Ecologie", "Waarde Grebbelinielandschap", "Waterstraat - Waterkering", ''Leiding Gas", "Leiding – Hoogspanningsverbinding'' met de aanduidingen "Geluidzone – rioolwaterzuiveringsinstallatie'', "cultuurhistorisch landschapselement" en ''Gebiedsaanduiding reconstructiewet – extensiveringsgebied''.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01_0003.png"

Afbeelding 1.3.1 Uitsnede van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen” (indicatief plangebied: rood omlijnd)

1.4 Leeswijzer

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de verbeelding en de planregels. De dubbelbestemming is geometrisch bepaald en digitaal en analoog verbeeld door middel van een verbeelding. De dubbelbestemming gaat vergezeld van regels ten aanzien van bouwen, aanleggen en gebruik. Deze regels bepalen de randvoorwaarden waarbinnen de hoogspanningsverbinding kan worden gebouwd, aangelegd en gebruikt. Het bestemmingsplan gaat daarnaast vergezeld van de onderhavige toelichting. Indien er verschillen bestaan tussen de analoge verbeelding en de langs elektronische weg vastgestelde inhoud van het (digitale) plan, dan is het digitale plan juridisch bindend. De toelichting is in feite de (ruimtelijke) onderbouwing van het plan en heeft geen rechtstreeks bindende werking. De toelichting is als volgt opgebouwd:


In hoofdstuk 2 wordt kort ingegaan op het tracé van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. In hoofdstuk 3 worden de relevante beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau weergegeven. Daarna wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan vanuit het oogpunt van milieu en omgeving. Hoofdstuk 5 brengt de juridische regeling in beeld. Vervolgens geven de hoofdstukken 6 en 7 inzicht in de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 PROJECTOMSCHRIJVING

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk is een verantwoording opgenomen van de locatie van het opstijgpunt en het tracé van de kabelverbinding.

2.2 Bestaande situatie

De huidige hoogspanningsverbinding loopt nu vanuit Veenendaal via de Slaperdijk richting Overberg. Ten noorden van de lijn ligt de rioolzuivering en in het zuiden enige lintbebouwing aan de Haarweg. Verder betreft het een agrarisch gebied met weiland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01_0004.png"
Afbeelding 2.2.1 Bestaand tracé bovengronds hoogspanningstracé. Ter plaatse van de
locatiewijzer is de bestaande hoogspanningsmast 124 gesitueerd.

2.3 Projectomschrijving

2.3.1 Onderbouwing tracé

Bij de keuze van een tracé voor een nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding spelen nettechnische uitgangspunten, planologische uitgangspunten en kosten een rol.

2.3.1.1 Nettechnische uitgangspunten

Bij het ontwerpen van een zo optimaal mogelijk tracé tussen het opstijgpunt in het oosten van Veenendaal en het opstijgpunt bij Overberg zijn de volgende nettechnische uitgangspunten gehanteerd.

  • a. Tracélengte

Bij het traceren van een nieuwe hoogspanningsverbinding is uitgangspunt dat het tracé zo kort mogelijk is.

  • b. Interferentie met andere kabels en leidingen

Vanuit het oogpunt van technische haalbaarheid is het uitgangspunt dat het kruisen van of (lange) parallelligging aan andere infrastructuur, zoals gasleidingen en spoorlijnen, zoveel als mogelijk moet worden beperkt. Op die manier wordt ongewenste onderlinge beïnvloeding voorkomen.

2.3.1.2 Planologische uitgangspunten

Bij het ontwerpen van een zo optimaal mogelijk tracé tussen de opstijgpunten zoals genoemd in 2.3.2 zijn in dit gebied de volgende planologische uitgangspunten belangrijk.

  • a. Cultuurhistorie

In principe worden gebieden met een hoge kans op archeologische, aardkundige en cultuurhistorische waarden en monumenten zoveel mogelijk vermeden.

  • b. Bodem

Bij het zoeken naar een tracé voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding worden bekende (ernstige) bodemverontreinigingen zoveel mogelijk vermeden.

  • c. Bebouwing

Bij het zoeken naar een tracé voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt zoveel als mogelijk een afstand van 25 meter aangehouden tussen het hart van de verbinding en bebouwing waar langdurig mensen verblijven om zodoende zoveel mogelijk hinder te voorkomen.

  • d. Waterwingebieden

Ondergrondse hoogspanningsverbindingen worden zo mogelijk niet aangelegd in waterwingebieden.

2.3.1.3 Voorkeurstracé

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, zijn in eerste instantie twee verschillende tracés ontworpen tussen hoogspanningsstation 't Goeie Spoor en mast 124 bij Overberg. Het uiteindelijke tracé gaat onder de Slaperdijk door om vervolgens via een opstijgpunt aan te sluiten op mast 124. Zie afbeelding 1.1.1.

2.3.2 Locatie opstijgpunt

Daar waar de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding vanwege de verkabeling over moet gaan in een ondergrondse hoogspanningsverbinding, wordt een opstijgpunt gebouwd. In de regel maakt een opstijgpunt onderdeel uit van een mastlocatie. Bij de verkabeling van een deel van een bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt het opstijgpunt daarom gebouwd ter plaatse of in de nabijheid van een bestaande mast.

Bij de verkabeling van deze hoogspanningsverbinding is ervoor gekozen om het opstijgpunt te realiseren ter plaatse van de mast ten westen van de Slaperdijk (mast 124) nabij Overberg. Vanaf deze mast gaat de hoogspanningsverbinding ondergronds om vervolgens in het oosten van Veenendaal via een daar te bouwen opstijgpunt weer aan te sluiten op de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding. Het opstijgpunt is prominenter aanwezig in het landschap dan de elektriciteitsmast die in de huidige situatie aanwezig is. Om de impact op de omgeving te verzachten wordt het opstijgpunt landschappelijk ingepast met een brede strook groen aan de zuid- en oostzijde. Door het opstijgpunt op deze wijze te omranden, gaat het vanaf de doorlopende wegen gezien meer op in het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01_0005.png"

Afbeelding 2.3.1 indicatieve weergave opstijgpunt.

2.4 Tracébeschrijving

2.4.1 Inleiding

Na de keuze van het voorkeurstracé is op het grondgebied van Utrechtse Heuvelrug één wijziging doorgevoerd. De aanleiding daarvoor is de Slaperdijk. Deze moet zoveel als mogelijk ongemoeid worden gelaten. Hiervoor moet de boring verlengd worden. De extra verlenging van de boring tot opstijgpunt 124 leverde (vrijwel) geen extra aanlegkosten op en voorkomt veel hinder voor de omgeving en het huidige gebruik.

2.4.2 Techniek

De 150kV-verbinding zal bestaan uit een ondergrondse kabelverbinding van twee circuits. In het bestemmingsplan is daarvoor de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' opgenomen met een breedte van 17 meter. Onderdeel van deze strook is het kabelbed (2 circuits, 6 kabels) en aan weerszijden een beschermingszone van 5 meter. Hierbij is uitgegaan van een aanleg in gestuurde boringen.

2.4.3 Beschrijving (van west naar oost)

Tussen Overberg en de Slaperdijk wordt een nieuw te bouwen opstijgpunt gerealiseerd. Vanaf dit punt start de kabelverbinding. De kabelverbinding wordt vanaf het opstijgpunt kort in een open ontgraving gelegd. Vervolgens ligt de verbinding in een lange boring onder de Slaperdijk door en gaat verder de gemeente Veenendaal in. Het gedeelte binnen gemeente Utrechtse Heuvelrug maakt deel uit van het westelijk tracé, waarbij de hoogspanningsverbinding aansluit op het hoogspanningsstation 't Goeie Spoor in Veenendaal.

Hoofdstuk 3 BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid

Hoofddoel van het nationale ruimtelijke beleid is om ruimte te scheppen voor verschillende ruimtevragende functies. Het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat, maakt het nodig dit op een efficiënte en duurzame wijze te doen en niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin. Bundeling van verstedelijking is een beleidsstrategie die het Rijk hanteert. Er wordt op deze manier optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is.

3.1.1 Voorzorgsbeleid

Sinds 2005 adviseert de Rijksoverheid om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbinding waar het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger is dan 0,4 microtesla. Het is een advies aan gemeenten, provincies en netbeheerders. Het advies heeft betrekking op de vaststelling van nieuwe streek- en bestemmingsplannen, plannen voor nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding en op wijzigingen in bestaande plannen of aan bestaande hoogspanningsverbinding. Het advies richt zich op de volgende verblijfplaatsen van kinderen: woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. Het advies geldt alleen voor bovengrondse lijnen, dus niet voor ondergrondse kabels en andere onderdelen van het elektriciteitsnetwerk zoals opstijgpunten en hoogspanningsstations. Gezien het voorgaande is het huidige voorzorgsbeleid niet van toepassing op de ondergrondse hoogspanningsverbinding die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

In 2018 heeft de gezondheidsraad de overheid geadviseerd het huidige voorzorgsbeleid ook van toepassing te verklaren op ondergrondse kabels en andere onderdelen van het elektriciteitsnetwerk. Op basis van dat advies is herziening van het landelijk voorzorgsbeleid in voorbereiding. Vooruitlopend hierop is bij de voorbereiding van de hier aan de orde zijnde ondergrondse hoogspanningsverbinding het huidige voorzorgsbeleid voor bovengrondse verbindingen toegepast. Berekeningen leiden tot de conclusie dat de ondergrondse hoogspanningsverbinding niet leidt tot een jaargemiddelde magneetveldsterkte ter plaatse van woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen van meer dan 0.4 microtesla. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar pargraaf 4.6.

3.1.2 Programma verkabeling en verplaatsing

Door het Rijk is in samenspraak met gemeenten, provincies en netbeheerders beleid ontwikkeld ten aanzien van wonen in de nabijheid van bestaande hoogspanningsverbinding. Het beleid heeft tot doel omwonenden te ontlasten van bestaande hoogspanningsverbindingen, indien dit gewenst wordt geacht. Onderdeel van dit beleid is dat binnen bevolkingskernen hoogspanningsverbinding op initiatief van gemeente of provincie kunnen worden verplaatst of ondergronds worden gebracht.

De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) geeft invulling aan dit beleid. Het wijst hoogspanningsverbinding aan die door of op de grens van bevolkingskernen lopen, over of nabij woningen in de bevolkingskern. Een van de aangewezen hoogspanningsverbinding is die door Veenendaal.

In de wet VET is geregeld dat gemeenten of provincies 20% van de totale kosten van de verkabeling voor hun rekening moeten nemen. De overige 80% worden door de netbeheerder bekostigd. Ook is er een maximale decentrale bijdrage per te verkabelen kilometer vastgelegd. Aangezien ook de Veenendaalse hoogspanningsverbinding behoort tot de aangewezen tracés, is met deze regeling de al lang gewenste verkabeling tot een reële mogelijkheid geworden. Deze mogelijkheid heeft geleid tot een besluit (17 oktober 2019) van de raad van de gemeente Veenendaal om tot verkabeling over te gaan. Het gedeelte binnen van de gemeente Utrechtse Heuvelrug valt binnen het tracé van de ondergrondse hoogspanning.

3.1.3 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet is bedoeld.

De NOVI heeft maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

In de NOVI wordt het hoogspanningsnet vooral aangehaald in het licht van de energietransitie. Verder is aangegeven dat hoogspanningsverbindingen van 110kV en hoger behoren tot het landelijk hoogspanningsnet. Het in ontwikkeling zijnde Programma Energiehoofdstructuur zal naar verwachting meer richting geven aan het belang en de ontwikkeling van het landelijk hoogspanningsnet.

3.1.4 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit het nationaal ruimtelijk beleid en bevat nadere regels waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en nadien een aantal keer gewijzigd.

In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen, Project mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Het rijk beëindigt de rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones en het verstedelijkingsbeleid. In de structuurvisie worden de rijksdoelen en nationale belangen limitatief beschreven. Binnen het plangebied zijn geen onderdelen van het Barro aanwezig en hiermee behoeft het geen specifieke aandacht in het onderhavige plan.

3.1.5 Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren. De Ladder voor duurzame verstedelijking is gewijzigd per 1 juli 2017.

Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in een om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder met deze wijziging beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden.

De Ladder als motiveergrond voor ruimtelijke plannen is aangescherpt, maar wordt lichter in het gebruik. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.

Conclusie

Het bestemmingsplan maakt het mogelijk dat de ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt aangesloten op de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande mast 124 aangepast tot een opstijgpunt. Dit opstijgpunt wordt mogelijk gemaakt door een bedrijfsbestemming toe te voegen. Het toevoegen van een hoogspanningsverbinding inclusief koppelpunten wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan daarom achterwege blijven

3.1.6 Toetsing Rijksbeleid

Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding voldoet aan het geldende Rijksbeleid. De Wet voortgang energietransitie heeft ervoor gezorgd dat dit tracé financieel haalbaar is.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht

De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021 en op 1 april 2021 in werking getreden. De provincie Utrecht is, vooruitlopend op de Omgevingswet, aan de slag gegaan met de uitvoering van het omgevingsbeleid, zoals beschreven is in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie heeft aan hoe de provincie Utrecht wenst dat de provincie er in 2050 uitziet.

De Omgevingsvisie gaat over de fysieke leefomgeving. Dit omvat alle aspecten van de fysieke leefomgeving op, onder en boven de grond. De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is uitgewerkt in thema's en gebieden.

Het betreft de volgende beleidsthema's:

  • 1. Stad en land gezond
  • 2. Klimaatbestendig & waterrobuust
  • 3. Duurzame energie
  • 4. Vitale steden & dorpen
  • 5. Duurzaam gezond & veilig bereikbaar
  • 6. Levend landschap erfgoed & cultuur
  • 7. Toekomstbestendige natuur & landbouw

Voor het voorgenomen plan zijn de volgende thema's uit de Omgevingsvisie direct relevant.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Het Utrechtse landschap is mooi, verrassend en veelzijdig. De landschappelijke kwaliteiten

en structuren zijn belangrijk voor het goede woon-, werk- en leefklimaat, het vestigingsklimaat en de recreatieve aantrekkelijkheid van de provincie. Landschappelijke kwaliteit is een belangrijk onderdeel van een gezonde leefomgeving.

De provincie kent vijf karakteristieke landschappen met de volgende kernkwaliteiten:

  • 1. Landschap Eemland: extreme openheid, slagenverkaveling, veenweidekarakter, historie van de Zuiderzee, de hierin gelegen Grebbelinie en overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort).
  • 2. Landschap Gelderse Vallei: rijk gevarieerde kleinschaligheid, stelsel van beken, griften en kanalen, de hierin gelegen Grebbelinie en overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).
  • 3. Landschap Groene Hart: openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust & stilte.
  • 4. Landschap Rivierengebied: schaalcontrast van zeer open naar besloten, samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal – kom, samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier en de Langbroekerwetering en de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
  • 5. Landschap Utrechtse Heuvelrug: robuuste eenheid, reliëfbeleving en extreme historische gelaagdheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01_0006.png"

Afbeelding 3.1.1 Ligging plangebied in het Gelderse Vallei (Omgevingsvisie Utrecht)

Het plangebied is gelegen in het landschap Gelderse Vallei. Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding draagt bij aan de verbetering van het landschap. Daarmee draagt het bij aan de ambities van de provincie Utrecht om het landschap te behouden en waar mogelijk door te ontwikkelen.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht

De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021 en op 1 april 2021 in werking getreden. De interim omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden ook voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers.

Voor het voorgenomen plan zijn de regels in de interim omgevingsverordening relevant die betrekking hebben op het stiltegebied en het landschap Gelderse Vallei.

Stiltegebied

Negatieve beïnvloeding van de geluidsbelasting kan zich voor doen bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. Voorkomen moet worden dat hierdoor een toename plaatsvindt van de geluidsbelasting in het stiltegebied, anders dan ten gevolge van de gebiedseigen geluiden. Bestaande functies (ook de stilteverstorende functies) binnen het stiltegebied kunnen blijven bestaan. Binnen het stiltegebied blijven ontwikkelingen die bij het gebied horen, zoals agrarische activiteiten en stille vormen van recreatie mogelijk. Het beleid is erop gericht dat mensen en dieren stilte kunnen ervaren.

De omgevingsverordening bevat specifieke instructieregels voor een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen onder andere de Cultuurhistorische hoofdstructuur, Stiltegebied, Overstroombaar gebied, een boringsvrije zone, beschermd natuurgebied, of een geluidscontour van een provinciale weg.

De ondergrondse hoogspanningskabel zal in een aandachtsgebied van het stiltegebied liggen. Het aandachtgebied voor stilte is een buffer van 1,5 km rondom het stiltegebied. Artikel 9.27 van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht stelt dat voorkomen moet worden dat geluidsbronnen buiten het stiltegebied geluid veroorzaken dat binnen het stiltegebied bepaalde grenswaarde overschrijdt. De kabel ligt ondergronds en zal geen geluid produceren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.AMRhaarweghoogsp-va01_0007.png"

Afbeelding 3.2.1 Siltegebieden van de provincie Utrecht.

Het plangebied is gelegen in het landschap Gelderse Vallei. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.

Voor het landschap Gelderse Vallei willen we de volgende kernkwaliteiten behouden:

  • 1. Rijk gevarieerde kleinschaligheid;
  • 2. Stelsel van beken, griften en kanalen;
  • 3. Grebbelinie;
  • 4. Overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten.

3.2.3 Toetsing provinicaal beleid

Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding voldoet aan het provinciaal beleid. De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van provinciale omgevingsvisie. Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding en het landschappelijke inpassen van het opstijgpunt (bestaande mast) dragen bij aan de landschappelijk waarden die gelden voor de aanduiding landschap Gelders Vallei uit de omgevingsvisie. Maar ook levert dit project een bijdrage aan het onderdeel duurzaam en gezond. Het past binnen een gezonde leefomgeving die een bijdrage levert aan een economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding vindt plaats binnen gebieden die zijn gelegen binnen het natuurnetwerk Nederland.

Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding is niet in strijd met provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug

de gemeenteraad heeft op 3 juli 2023 de omgevingsvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De opgaven die op de gemeente afkomen vragen om een samenhangende strategie op hoe we hier mee om willen gaan. De omgevingsvisie komt hier aan tegemoet.

De gemeente zet in op vitaliteit. De gemeente wil vitale dorpen, nu en in de toekomst. Vitaliteit is onder te verdelen in de volgende vijf pijlers: ruimtelijke kwaliteit, voorzieningen, economie, sociale samenhang en welzijn.

Daarbij maakt de gemeente de volgende keuzes:

1. Voorzieningen

  • Onderwijs: In de kleinere dorpen minimaal een primaire onderwijsinstelling en ind e grotere dorpen behoud van de huidige (2023) onderwijs keuzes. In de gemeente blijven alle niveaus van voortgezet onderwijs beschikbaar.
  • Duurzaam bereikbaar: Waarbij er rekening wordt gehouden met toekomstige vervoersbehoefte.
  • Het principe van voorzieningen binnen 15 minuten als uitgangspunt: winkels en zorg vanaf de voordeur moeten binnen 15 minuten lopen of fietsen te bereiken zijn. Voor de kleinere kernen geldt dat zij langer zullen moeten blijven reizen voor de meeste voorzieningen. Hier zijn rust en ruimte belangrijke waarden die worden gekoesterd.

2. Sociale samenhang

  • Een bloeiend sport- en cultureel verenigingsleven voor de lange termijn.
  • Behoud en versterken van ontmoetingsplaasten zoals bibliotheken en wijkcentra.

3. Gezondheid en welzijn

  • Voldoende eerstelijns gezondheidszorg.
  • Ruimte voor een sociaal vangnet en informele zorg.

4. Ruimtelijke kwaliteit

  • Een groenere openbare ruimte in de dorpskernen.
  • Het behouden en verbeteren van groen in de bebouwde omgeving met herstel en verbetering van de biodiversiteit en natuur.
  • Klimaatadaptieve en natuurinclusieve inrichting van de dorpen.
  • Het toegankelijk houden van natuur voor mens en dier.
  • Structureel goede verzorging van de openbare ruimte (o.a. wegen, verlichting, groen en straatmeubilair).

5. Economie

  • De gemeente zet actief in op het aantrekken van duurzame bedrijven die passen in het profiel van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
  • De gemeente stuurt op een passend en gevarieerd aanbod van winkels voor dagelijkse en niet-dagelijkse boodschappen in de grotere dorpen, met speciale aandacht voor duurzaamheid en lokale bedrijvigheid.

Toetsing

Voorliggend plan draagt niet direct bij aan specifieke doelen uit de omgevingsvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het plan behoort bij een groter plan voor het ondergronds brengen van de hoogspanningskabels in de gemeente Veenendaal. Hierdoor ontstaat in die gemeente ruimte om te bouwen. Door de ontwikkeling landschappelijk in te passen, voldoet het plan echter wel aan de uitgangspunten van de omgevingsvisie.

3.3.2 Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' (2010)

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' vastgesteld. In de visie staat een hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving voorop, hetgeen moet worden bereikt door middel van een houding van bedachtzaamheid, een integrale belangenafweging, het hechten van een groot belang aan leefbaarheid en sociale samenhang en het bijdragen aan een duurzame omgeving.

Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met de volgende thema's:

  • 1. Natuur over de heuvels;
  • 2. Op de schouders van ons erfgoed;
  • 3. Duurzaam bereikbaar;
  • 4. Leefbare dorpen;
  • 5. Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
  • 6. Maatwerk voor wonen en werken.

Om sturing te geven aan de ontwikkelingsrichting voor de diverse geografische samenhangende gebiedsdelen (zones), is een structuurvisiekaart met gebiedsdekkende zonering ontwikkeld. De kaart heeft een landschappelijke onderlegger en is gebaseerd op versterking van de bestaande situatie en de hieraan gekoppelde gemeentebrede thema's.

Afbeelding 3.3.1 Uitsnede structuurvisiekaart met aanduiding plangebied (bron: Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal')

Het plangebied is gelegen in twee verschillende zones.

'Gemengde zone met landbouw' (zone 3.3).

Deze zone beslaat een groot gebied dat vooral voor landbouw in gebruik is. Het plangebied maakt deel uit van het zuidelijk deel van deze zone. Ten zuiden van de A12 is dit gebied belangrijk voor de presentatie van ons groene imago. Het gebied wordt in eerste instantie als een landbouwgebied met landschappelijke waarde (hagen) gezien.

Bij ontwikkelingen is er aandacht voor de aanwezige ecologische verbindingszones, en de relatie met de waarden van de Grebbelinie. Vanuit de structuurvisie het gebied vanaf de A12 gezien een 'etalage' met hoge landschapskwaliteiten. Ontwikkelingen moeten zich richten op landschapsontwikkeling.

'Gemengde zone'(zone 2.7)

Het gebied in deze zone wordt gezien als een overgangszone op de gradiënt met bossen, landbouw, campings en woningen. Overberg en de directe omgeving dient landelijk te blijven. Overberg is een groene grens naar de toenemende verstedelijking van de Gelderse Vallei.

In zone 2.7 wordt de landbouw daarentegen steeds meer als een decor voor recreatie, natuur en landschap. We zullen initiatieven van de grondeigenaren ondersteunen om voor dit gebied rond de thema's cultuurhistorie, natuur en recreatie een samenhangend gebiedsconcept te ontwikkelen.

Conclusie

Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding in combinatie met de landschappelijke inpassing van het opstijgpunt draagt bij aan de uitgangspunten uit de structuurvisie en levert een positieve bijdrage aan de beide zones.

Hoofdstuk 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten voor de ontwikkeling van de planlocatie beschreven. Het gaat hierbij om de aspecten natuur, water, archeologie, bodem, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Voor ieder aspect is een onderzoek of toets uitgevoerd. Deze zijn als bijlagen toegevoegd.

4.1 Bodem

Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten.

4.1.1 Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd.

Wet bodembescherming

De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden (saneringsnoodzaak). De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging.

De interventiewaarde is de waarde, waarboven er mogelijk sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's. De urgentie van sanering wordt bepaald door de geplande projectontwikkeling. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Veenendaal in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen.

Besluit bodemkwaliteit

Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen, zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging, bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit.

4.1.2 Toetsing verkabelingsproject

Voor toekomstige 150 kV kabelverbinding te Veenendaal heeft Arcadis een bodemonderzoek voor het gehele tracé uitgevoerd. Het bodemonderzoek is beoordeeld door de Omgevingsdienst Regio Utrecht en akkoord bevonden. Dat bodemonderzoek bestaat uit:

  • Een verkennend milieukundig bodemonderzoek conform de NEN 5740:2009+A1:2016 (Bodem-Landbodem-Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond).
  • Een verkennend onderzoek asbest conform de NEN5707+C2 (Bodem-Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond).

Het onderzoek is terug te vinden in Bijlage 3 van deze toelichting

Op een later moment is het tracé binnen de grenzen van de gemeente Utrechtse Heuvelrug af gaan wijken van het originele plan. Om die reden is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze verwijst expliciet naar de bovengenoemde bodemrapporten en moet om die reden in combinatie worden gezien. Het aanvullende onderzoek, uitgevoerd door Arcadis Nederland B.V., d.d. 17 mei 2023, is te vinden in Bijlage 4 van deze toelichting.

4.1.3 Conclusie

De milieuhygiënische gesteldheid van het projectgebied dat valt op grondgebied van gemeente Utrechtse Heuvelrug kan worden bestempeld als in orde. Er zijn geen historische activiteiten of anderzijds potentiële bodemvervuilende activiteiten aangetoond. Uit het bodemonderzoek van Arcadis uit 2021 blijkt dat er mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink in het grondwater ter plekke van deellocatie 1. Er is nog een aanvullende herbemonstering nodig om meer inzicht in de grondwaterkwaliteit te verkrijgen voordat de uitvoering van de werkzaamheden van start kunnen gaan. Het is niet de verwachting dat de verontreiniging in het grondwater ervoor zorgt dat de financiële haalbaarheid van de bestemmingsplanwijziging in het geding komt. Uit het bodemonderzoek van Arcadis uit 2023 blijkt dat er geen vervolg, en/of een bodemsanering noodzakelijk is voor het grondgebied binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Het aspect bodem staat de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg, mits de aanbevelingen uit het onderzoek worden uitgevoerd.

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen.

Waterschap Vallei en Veluwe

Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Vasthouden - bergen - afvoeren

Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

  • Grondwaterneutraal bouwen

Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

  • Schoon houden - scheiden - schoon maken

Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen.

In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied.

4.2.2 Toetsing verkabelingsproject

Binnen het plangebied liggen een of meerdere belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Het verhard oppervlak neemt beperkt toe.

Uit de digitale watertoets, zie Bijlage 5, blijkt dat het plangebied gelegen is binnen leggerwatergangen met beschermingszones, waterkeringen met beschermingszones en riooltransportleidingen.

Arcadis heeft een notitie watertoets opgesteld om de aspecten rond water in kaart te brengen. Dit is terug te vinden in Bijlage 6. In deze notitie is het gehele verkabelingstraject opgenomen, dus ook het gedeelte in de gemeente Veenendaal. Voor het plangebied is met name de Slaperdijk belangrijk. Uit de beschrijving van de toekomstige situatie voor het aspect water blijkt dat er geen specifiek nadelige beïnvloeding te verwachten is voor de deelaspecten.

Waterkeringen en oppervlaktewater

De leiding kruist de regionale kering van de Slaperdijk met bijbehorende beschermingszones op een diepte die niet groter is dan 9 m. Bij de uitvoering van de gestuurde boring wordt gezorgd dat voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van kruising van kabels en leidingen bij waterkeringen.


Grondwater

Voor de bemaling van de ontgravingen wordt grondwater onttrokken. De effecten van deze onttrekking zijn in beeld gebracht door middel van een bemalingsadvies, opgesteld door Arcadis, d.d. 16 april 2021 (zie bijlage 11). Het bemalen van het grondwater kan op deze locaties worden uitgevoerd, mits voor enkele locaties een vergunning wordt aangevraagd of een melding wordt gedaan.


Hemelwater

Het project zal alleen bij de aanlegfase de afstroming van hemelwater in het gebied beïnvloeden vanwege de plaatsing van rijplaten op de werklocaties. De afstroming van hemelwater wordt niet significant beïnvloed.


Afvalwater

Er bevinden zich geen rioleringsleidingen binnen het grondgebied van Utrechtse Heuvelrug waar de nieuwe hoogspanningskabel aangelegd gaat worden. Er zal verder geen invloed zijn op het afvalwatersysteem.


Natuur en waterkwaliteit

  • De kenmerken van het grondwater geven aan dat lozing op de riolering, op grondwater of op oppervlaktewater waarschijnlijk vergunbaar is.
  • Omdat het Valleikanaal een KRW-oppervlaktewaterlichaam is wordt bij voorkeur niet rechtstreeks geloosd op dit oppervlaktewater.

Met het waterschap en met de gemeenten zijn nadere afspraken nodig voor de bescherming van:

  • Kabels en leidingen (Het plangebied is vrij van leidingen in de grond).
  • Taluds, grondkerende constructies, beschoeiingen en damwanden (zorgen dat de functies gehandhaafd worden zonder dat het risico op stabiliteit en lekkage groter wordt).
  • Lozing van bronneringswater (nadere uitwerking van hoeveelheden en te verwachten waterkwaliteit) en afstemming op gewenste, haalbare en vergunbare ontvangstsystemen (retourbemaling, riolering, overige wateren of primaire wateren), nader toegelicht in het bemalingsadvies en geohydrologisch onderzoek.

Het waterschap heeft een positef advies uitgebracht over de primaire belangen. Overleg tijdens de verdere planvorming zal ook plaatsvinden.

4.2.3 Conclusie

Er bevinden zich geen rioleringsleidingen binnen het grondgebied van Utrechtse Heuvelrug waar de nieuwe hoogspanningskabel aangelegd gaat worden. Er zal verder geen invloed zijn op het afvalwatersysteem. Er zijn geen knelpunten voor de beoogde ontwikkeling op het gebied van waterhuishouding

4.3 Archeologie

4.3.1 Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied.

Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen. Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt.

Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden.

Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen.

In de afgelopen 12 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op november 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld.

4.3.2 Toetsing verkabelingsproject

Arcadis heeft in opdracht van TenneT een bureauonderzoek Archeologie voor het gehele plangebied opgesteld, zie Bijlage 7,Het rapport van Arcadis is beoordeeld door de Omgevingsdienst Regio Utrecht. Het onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De conclusies zijn helder en goed onderbouwd. Het rapport is akkoord.

Het gebied dat valt op grondgebied van de Utrechtse Heuvelrug kent een middelhoge archeologische waarde. Waar een onderzoeksplicht is bij ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld met een oppervlakte groter dan 1000 m². Er wordt geadviseerd om het verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek.

Naar aanleiding van de bovenstaande conclusie van het bureauonderzoek is er een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, specifiek voor het deel van het tracé dat in de gemeente Utrechtse Heuvelrug is gelegen, zie Bijlage 1.

Uit het onderzoek blijkt dat de middelhoge verwachting kan worden bijgesteld naar een lage verwachting (van archeologische waarde 4 naar 5) voor de periode Laat-Paleolithicum B tot en met het Neolothicum. Vervolg onderzoek is dan ook niet meer nodig. Voor de inhoudelijke adviezen en conclusies wordt verwezen naar de bijlagen 1 en 7.

4.3.3 Conclusie

Het aspect archeologie heeft invloed op de uitvoering van het plan. De archeologische waarde kan naar laag worden bijgesteld. Een archeologisch vervolgonderzoek is niet nodig. Op basis van artikel 5.10 uit de Erfgoedwet is men verplicht om archeologische toevalvondsten, tijdens werkzaamheden, direct te melden bij het bevoegd gezag. De dubbelbestemming waarde archeologie 5 maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan.

4.4 Conventionele explosieven

Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten achtergebleven. Mogelijk ook binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Ze vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze ontplofbare oorlogsresten activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven indrijven of boren. Bij de realisatie van het ondergrondse verkabelingstracé zullen dergelijke werkzaamheden plaatsvinden.

4.4.1 Toetsing verkabelingsproject

Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden moet de aanwezigheid van deze ontplofbare oorlogsresten uitgesloten worden of moeten eventuele ontplofbare oorlogsresten verwijderd worden. Zodoende is het daarom belangrijk om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten om zo nodig in een vroeg stadium vervolgstappen te ondernemen. Hiervoor is een vooronderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog ter plaatse van het projectgebied uitgevoerd. Zie hiervoor Bijlage 8.

Uit inventarisatie en analyse van historisch bronmateriaal wordt geconcludeerd dat er in het projectgebied dat valt op grondgebied van gemeente Utrechtse heuvelrug geen sprake is van aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van ontplofbare resten.

Werkzaamheden kunnen volgens reguliere wijze worden uitgevoerd. Mocht er toch wat worden aangetroffen dan gebruik maken van processchema onverwacht aantreffen van ontplofbare resten. Voor meer informatie zie Historisch vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Veenendaal tracé TenneT.

4.4.2 Conclusie

Het aspect ontplofbare oorlogsresten beïnvloedt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet.

4.5 Ecologie

4.5.1 Wettelijk kader

Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming.

De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen.

Soortbescherming
Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in
Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.

De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen:

  • Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn.
  • In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort.

Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten.

Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking).

Voor dit project is een ecologische beoordeling stikstof uitgevoerd door TAUW bv, d.d. 8 augustus 2023 (bijlage 10). Uit deze beoordeling volgt dat er in de gebruiksfase geen sprake is van een negatief ecologisch effect. Voor de aanlegfase, het verkabelen van de hoogspanning en de aansluiting op het opstijgpunt, is een AEIRUS-berekening uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er enkel stikstofdepositie plaatsvindt op de trilveengebieden en de blauwgraslanden in het NNN-gebied Binnenveld. Aangezien het hier een tijdelijke depositie betreft zorgt dat ervoor dat, in combinatie met de plaatselijke omstandigheden, het negatieve ecologische effect op het NNN-gebied nihil is. De Provincie Utrecht heeft aangegeven dat het kan instemmen met dit ecologische rapport en dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbeheer voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk is.

 

Natuurnetwerk Nederland
Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.

4.5.2 Toetsing verkabelingsproject

Arcadis heeft in opdracht van Tennet een QuickScan Wet natuurbescherming opgesteld om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) in beeld te brengen. De quickscan is terug te vinden in Bijlage 9.

In de Quickscan Wet Natuurbescherming ligt deelgebied 1 binnen grondgebied van gemeente Utrechtse Heuvelrug. Wat betreft soortgericht onderzoek, dient hier geen onderzoek plaats te vinden. Het gebied ten westen van de Slaperdijk valt binnen de zogenaamde groene contour van de Provincie Utrecht en binnen het grondgebied van gemeente Utrechtse Heuvelrug. Dit is een gebied van ongeveer 3000 hectare dat tegen het NNN aan ligt. In deze zone wordt stap voor stap meer natuur toegevoegd. Wanneer dit is omgevormd tot natuur wordt het toegevoegd aan het Natuurnetwerk Nederland. Langs de Slaperdijk loopt een kleine strook NNN. Deze zal worden ontzien door de gestuurde boring. Maakt een gemeente een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor een gebied binnen het NNN dan moet dat altijd een NNN-toets bevatten. Met die toets kijkt de gemeente of het plan of vergunning het NNN aantast. Het kan gebeuren dat de plannen het NNN wel aantasten maar toch door mogen gaan.

Het NNN is begrensd met een zogenoemde groene contour. Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen deze groene contour zijn in beginsel niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang (het ‘nee, tenzij’- regime).

4.5.3 Conclusie

In de Quickscan Wet Natuurbescherming ligt deelgebied 1 binnen grondgebied van gemeente Utrechtse Heuvelrug. Wat betreft soortgericht onderzoek, dient hier geen onderzoek plaats te vinden.

De geplande ontwikkeling voor de ondergrondse 150 kV kabelverbinding ligt buiten een Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebied. Uit ecologisch onderzoek blijkt dat enkel op het NNN-gebied Binnenveld sprake is van relevante depositie van stikstof. De kans op eem negatief ecologisch effect is echter nihil. De tijdelijke toename van stikstofdepositie op enkele specifieke natuursoorten in combinatie met de plaatselijke omstandigheden zorgen niet voor een relevant negatief effect op het NNN-gebied.

De mitigerende maatregelen dienen in acht te worden genomen en er geldt een algemene zorgplichtvanuit de de natuurbechermingswet.

4.6 Magneetvelden

Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden, zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd en in bestaande situaties nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT. Op voor publiek toegankelijke plaatsen worden deze normen nergens overschreden.

De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een oorzakelijk verband heeft de Rijksoverheid, op advies van de Gezondheidsraad, in 2005 een beleidsadvies uitgebracht voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarin wordt geadviseerd zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 microtesla te plaatsen.

Bovengenoemd beleidsadvies van de rijksoverheid richt zich op langdurige blootstelling en is van toepassing op nieuwe situaties en bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor alle hoogspanningsverbindingen geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden.

In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden. Hierbij geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in overweging om het voorzorgsbeleid rondom bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen die oorzaak kunnen zijn van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk.

Momenteel wordt door de minister verkend of dat een verbreding van het voorzorgsbeleid naar andere bronnen in het elektriciteitsnetwerk wenselijk is. Het is nog onduidelijk wanneer de resultaten van deze verkenning bekend zijn.

4.6.1 Toetsing verkabelingsproject

In het kader van bovenstaande heeft TenneT de magneetvelden voor de ondergrondse
150 kV-hoogspanningsverbinding Veendaal onderzocht. Daarbij wordt de magneetveldsterkte als gevolg van de kabelverbinding berekend op 1 meter boven maaiveld. Uit de berekeningen blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de aanbeveling voor de magneetveldsterkte van maximaal 100 microTesla uit de Europese Richtlijn 1999/519/EC.

Conclusie is dan ook dat wordt voldaan aan de aanbevelingen op Europees en nationaal niveau voor wat betreft magneetvelden.

Om inzicht te krijgen in de ligging van de contour van 0,4 microTesla heeft TenneT onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden als gevolg van de nieuwe hoogspanningsverbinding (zie Bijlage 2). Berekeningen leiden tot de conclusie dat de ondergrondse hoogspanningsverbinding niet leidt tot een jaargemiddelde magneetveldsterkte ter plaatse van woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen van meer dan 0.4 microtesla.

4.6.2 Conclusie

Het aspect magneetvelden vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.

4.7.1 Toetsing verkabelingsproject

De voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding', als bedoeld in categorie D 24.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De benodigde grondwateronttrekking wordt terecht niet aangemerkt als 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatige aanvullen van grondwater', als bedoeld in categorie D 15.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

De voorgenomen ontwikkeling (ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding van circa 4,8 km buiten een gevoelig gebied zoals bedoeld in kolom 2 van categorie D 24.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) valt onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 bij de categorie D 24.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Om die reden kan worden volstaan met een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling.

Er is een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling uitgevoerd en verwerkt in een separate aanmeldingsnotitie, zie Bijlage 10. Hierbij is rekening gehouden met de beoordelingscriteria van bijlage III van de EU m.e.r.-richtlijn. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten en dat er daarom geen MER nodig is.

4.7.2 Conclusie

Op basis van de aanmeldingsnotitie neemt het bevoegd gezag gelijktijdig met de procedure van dit bestemmingsplan een besluit waarin het beslist of de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken van de plaats van het plan, dusdanig beperkt van aard en omvang zijn dat dit geen significant nadeligemilieugevolgen tot gevolg heeft. Op basis van de uitkomsten van de aanmeldingsnotitie is het doorlopen van een m.e.r.-procedure voor dit project niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast.

Verbeelding

Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen.
Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens).
De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan.

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting

De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.

5.2 De indeling van de planregels

De indeling van de planregels is als volgt:

5.2.1 Inleidende regels (hoofdstuk 1)

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te

kunnen hanteren:

  • begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven;
  • wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.
5.2.2 Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)

Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor:

Agrarisch met waarden
Bedrijf - Nutsvoorziening
Natuur
Verkeer  
AW
B-Nv
N
V  
   
Dubbelbestemmingen    
Leiding - Gas
Leiding - Hoogspanning bovengronds
Leiding - Hoogspanning ondergronds
Leiding - Hoogspanning - Voorlopige bestemming
Waarde - Archeologie 4
Waarde - Ecologie
Waarde - Grebbelinielandschap Waterstaat - Waterkering
 
L-G
L-Hbv
L-Hog
L-HV
WR-A4
WR-E
WR-GE
WS-WK  
Gebiedsaanduidingen    
geluidzone - rioolwaterzuiverings installatie
milieuzone - geurzone
overige zone - cultuurhistorisch landschapselement
reconstructiewetzone - extensiveringsgebied
reconstructiewetzone - verwevingsgebied

Functieaanduidingen
specifieke vorm van agrarisch met waarden - half open landschap
specifieke vorm van Bedrijf - voorwaardelijke verplichting

Figuren
hartlijn leiding - hoogspanning ondergronds  
 

5.2.3 Algemene regels (hoofdstuk 3)

Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen:

  • Anti-dubbeltelregel;
  • Algemene bouwregels;
  • Algemene aanduidingsregels;
  • Algemene afwijkingsregels;
  • Algemene wijzigingsregels.

5.3 Bestemmingen

Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid.

Gekozen is voor zo min mogelijk bestemmingen. Dit deelplan bevat normatieve bepalingen, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door te kiezen voor zo weinig mogelijk bestemmingen wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel deverbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt voor een plan, dat goed te handhaven is.

In de volgende paragrafen worden kort de voor dit plan geldende bestemmingen toegelicht. Steeds wordt per bestemming aangegeven wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

Agrarisch met waarden

In het agrarisch verwevingsgebied en het extensiveringsgebied wordt de bestemming Agrarisch met waarden toegepast. Dit zijn gebieden die hoge landschappelijke en/of natuurwaarden herbergen. Hier wordt agrarische bedrijvigheid wel toegestaan, maar de landschapswaarden worden daarbij zoveel mogelijk beschermd. Dit geldt voor extensiveringsgebied in sterkere mate dan voor het verwevingsgebied.

Bouwregels

Om de bebouwing zoveel mogelijk te clusteren is het alleen toegestaan gebouwen en overkappingen te realiseren binnen het bouwvlak. Binnen dit bestemming zijn geen bouwvlakken opgenomen. Er zijn dus geen bouwmogelijkheden opgenomen.

Bedrijf – Nutsvoorziening

In Artikel 4 zijn de planregels van de bestemming 'Bedrijf - Bedrijf - Nutsvoorziening opgenomen.

Dit artikel bevat de bepalingen die direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemming Bedrijf - Nutsvoorziening. De gronden zijn bestemd voor een installatie ten behoeve van de overgang tussen een ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbinding, groenvoorzieningen en water en infrastructuur (wegen, paden, verhardingen en hekwerken). Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Groen

De bestemming wordt gebruikt voor gebieden waar bosgebied, bermen, plantsoenen, water en dergelijke zijn gesitueerd. Bouwen van gebouwen, met uitzondering van nutsgebouwen, is niet

Natuur

De bestemming Natuur wordt gebruikt voor gebieden waar landschappelijke en natuurwaarden van belang zijn. Deze bestemming is bedoeld om deze waarden in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen. Agrarisch medegebruik in de vorm van beweiding is toegestaan. De betreffende gebieden hebben een groene uitstraling met landschaps- en/of natuurwaarden. Wandel- en fietspaden, in- en uitritten, onverharde wegen, voorzieningen van flora en fauna, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen zijn hier mogelijk, omdat deze functies goed aansluiten bij het karakter van de bestemming.

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de strikte regels. Het oprichten van gebouwen is niet toegestaan.

Verkeer

De bestemming Verkeer is bedoeld voor gebieden waar wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden, pleinen, verkeersbegeleiders en dergelijke gesitueerd zijn. Dit zijn dus gebieden met een brede verkeers- en verblijfsfunctie. De bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen zijn toegestaan. De bestemming heeft dus niet enkel het karakter van verharding, ook groen en water zijn hier toegestaan.

Overkappingen zijn mogelijk met een oppervlakte van maximaal 10 m². Voor het bouwen van overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen) gelden de bouwhoogten zoals in de tabel in de regels is weergegeven.

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelbepaling

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

Bestaande situatie

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

Ondergeschikte bouwdelen

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

Algemene gebruiksregels

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning of het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.

Algemene aanduidingsregels

Geluidzone - rioolwaterzuiveringsinstallatie

Deze aanduiding is opgenomen om een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige bebouwing tegen te gaan, als gevolg van het industrielawaai vanwege de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het is binnen de aanduiding niet toegestaan nieuwe geluidgevoelige objecten op te richten of gebouwen voor niet-geluidgevoelige functies te gebruiken voor geluidsgevoelige functies, tenzij het gaat om de herbouw van bestaande functies of de bouw van nieuwe functies die voldoen aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder.

De ligging van de aanduiding kan worden verkleind dan wel verwijderd middels een wijzigingsbevoegdheid, wanneer is komen vast te staan dat het geluid vanuit de rioolwaterzuiveringsinstallatie duurzaam is verminderd of niet meer waarneembaar is.

Milieuzone - geurzone

Binnen de aanduiding milieuzone - geurzone zijn geen geurgevoelige objecten, zoals woningen, toegestaan. Dit is om geuroverlast op structurele basis te voorkomen. Er is een bevoegdheid opgenomen om het gebied waarvoor deze aanduiding van toepassing is te verkleinen of om deze aanduiding uit het bestemmingsplan te verwijderen, indien vast is komen te staan dat de geur van de desbetreffende inrichting is verminderd of niet meer waarneembaar is.

Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied

De aanduiding reconstructiewetzone - extensiveringsgebied heeft betrekking op de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven binnen het Extensiveringsgebied.

Reconstructiewetzone - verwevingsgebied

De aanduiding reconstructiewetzone - verwevingsgebied heeft betrekking op de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven binnen het Verwevingsgebied.

Functieaanduiding

Specifieke vorm van bedrijf: voorwaardelijke verplichting

Om het opstijgpunt mogelijk te maken dient deze landschappelijk te worden ingepast. Om dit te verzekeren is een voorwaardelijke verplichting opgenomen en gekoppeld aan een Beplantingsplan. 18 maanden na de in gebruikname van het opstijgpunt dient er uitvoering te gegeven zijn aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen.

5.5 Dubbelbestemmingen

Leidingen

De dubbelbestemmingen Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanning ondergronds en Leiding - Hoogspanningsverbinding - voorlopige bestemming zijn bedoeld voor gebieden waar naast de daar voorkomende (enkel)bestemming(en) transport van respectievelijk gas en elektrische energie met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook is opgenomen uit veiligheidsoverwegingen. Daarom mogen binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken ten dienste van de respectievelijke bestemmingen Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanning ondergronds en Leiding - Hoogspanningsverbinding - voorlopige bestemming toegestane oppervlakte en bouwhoogte zijn strikt opgenomen in het artikel. Hiervan kan het bevoegd gezag afwijken en een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van bovenstaande ten behoeve van het bouwen ten dienste van de onderliggende (enkel) bestemming(en).

Om de veiligheid binnen de belemmeringenstrook te waarborgen is het tevens verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, diverse werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden (zoals graafwerkzaamheden) uit te voeren of te laten uitvoeren.

Leiding - Hoogspanning ondergronds

In Leiding - Hoogspanning ondergronds zijn de planregels voor de ondergrondse hoogspanningsverbinding opgenomen.

De dubbelbestemming Leiding - Hoogspanning ondergronds voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de ondergrondse 150kV- verbinding. Voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse 150kV-verbinding moet gebruik kunnen (blijven) gemaakt van een strook grond rondom de verbinding. Deze strook, de belaste strook, is vastgesteld op basis van het benodigd ruimtebeslag voor de aanleg en instandhouding. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met veiligheidseisen. De breedte van de strook varieert afhankelijk van de precieze uitvoering van de verbinding.

Binnen de strook die voor de leiding op de verbeelding is vastgelegd, geldt dat geen gebouwen en bouwwerken mogen worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de hoogspanningsverbinding. Na afwijking kunnen wel bouwwerken worden toegestaan, die binnen de basisbestemmingen zijn toegelaten. Voor diverse werkzaamheden in de dubbelbestemming voorziet het bestemmingsplan in een zogenaamd aanlegvergunningstelsel (omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken of werkzaamheden). Bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden zijn aan een vergunningplicht gekoppeld om te voorkomen dat in een bestemmingsplan begrepen gronden minder geschikt worden voor de verwezenlijking van de daarin opgenomen bestemmingen, maar ook om reeds verwezenlijkte bestemmingen te handhaven en te beschermen. De vergunningplicht dient ervoor om het ongestoorde functioneren van de verbinding te kunnen garanderen alsmede de veiligheid van gebruikers van gronden die in de nabijheid van de verbinding zijn gelegen.

Leiding - Hoogspanningsverbinding - voorlopige bestemming

Ter plaatse van de bestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding - voorlopige bestemming komen de dubbelbestemming, de veiligheidszone en de hartlijn voor de bovengrondse hoogspanningsverbindingen zoals reeds is opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Deze bepaling voor de bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding geldt voor een periode van maximaal 5 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Archeologie

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.

Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:

Dubbelbestemming   Archeologisch waardevol gebied   Regime  
Waarde - Archeologie 5   Zones met een lage archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 10 hectare en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  

In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'.

Waarde - Ecologie

De dubbelbestemming Waarde - Ecologie is bedoeld om de landschaps- en natuurwaarden van de gronden in stand te houden en te beschermen. Deze bestemming geldt naast de onderliggende (enkel) bestemming en is van toepassing op gebieden die binnen de Natuur Netwerk Nederland vallen. Naast de geldende bouwregels van de enkelbestemming mogen overige bouwwerken ten dienste van de bestemming Waarde - Ecologie worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter. Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken die volgens de andere bestemmingen mogen worden gebouwd. Dit om onevenredige aantasting van de belangen van de landschaps- en natuurwaarden te voorkomen.

Waarde - Grebbelinielandschap

De voor 'Waarde - Grebbelinielandschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie zoals beschreven in Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie behorende bij deze regels.

Waterstaat - Waterkering

De bestemming Waterstaat - Waterkering is naast de enkelbestemming(en) van deze gronden bedoeld voor waterkering en waterhuishouding met alle daarbij behorende voorzieningen. Het belang van waterkeringen is groot en daarom gelden extra regels voor gronden met deze bestemming. Naast de geldende bouwregels in de enkelbestemming(en) mogen overige bouwwerken, zoals keermuren, bakens en lichten ten dienste van de waterkering worden gebouwd.

5.6 Overgangs- en slotregels

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen én is de titel van het plan vastgelegd.

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast.

Hoofdstuk 6 FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

6.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

De kosten van de aanleg en instandhouding van de voorgenomen ontwikkeling en het risico komen voor 80 % voor rekening van TenneT. Het overige deel komt voor rekening van gemeente Veenendaal, waarbij een subsidie is verstrekt door Provincie Utrecht. Dit project is ter uitvoering van de Wet voortgang energietransitie per 1 juli 2018 en de per 1 januari 2019 in werking getreden Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) 'Verplaatsen en Verkabelen hoogspanningsverbindingen'. Indien nut en noodzaak van een project zijn aangetoond kan TenneT de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor het transport van elektriciteit (zie ook artikel 20d lid 1 en lid 2, Elektriciteitswet 1998). Voor dit project is dat het geval.
De gemeente heeft voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een overeenkomst afgesloten met TenneT (realisatieovereenkomst). In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op grond van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door TenneT. Datzelfde geldt voor de schade (en de daaruit voortvloeiende kosten) aan de openbare voorzieningen, die ontstaan door de werken voor de aanleg en instandhouding.
Voor bouwplannen die genoemd zijn in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang gelezen met artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient een exploitatieplan te worden opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan maakt echter geen aangewezen bouwplan mogelijk zoals genoemd in artikel 6.12 lid 1 Wro, zodat een exploitatieplan op grond van de Wro achterwege kan blijven.

6.3 Beschikbaarheid gronden

Belemmeringenwet privaatrecht
TenneT tracht op minnelijke wijze met grondeigenaren, overige zakelijk gerechtigden en gebruikers overeenstemming te bereiken over het gebruik van een strook grond (de zakelijk rechtstrook) ter plaatse van de hoogspanningsverbinding, inclusief beschermingszone, door middel van het vestigen van een zakelijk recht. In het geval op minnelijke wijze geen overeenstemming kan worden bereikt, kan voor aanleg en instandhouding van de verbinding een beroep worden gedaan op de Belemmeringenwet Privaatrecht. Middels deze wet kan door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de rechthebbenden op de grond een zogenaamde gedoogplicht worden opgelegd. In artikel 20 van de Elektriciteitswet is onder meer de toegang tot de Belemmeringenwet Privaatrecht vastgelegd voor de aanleg van elektriciteitsnetten zoals hier aan de orde zijn.


Zakelijk recht
Voor de aanleg en instandhouding van de 150 kV hoogspanningsverbinding moet TenneT gebruik kunnen (blijven) maken van een strook grond ter plaatse van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. Deze strook (de zakelijk rechtstrook) is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen. Om gebruik te kunnen (blijven) maken van de grond in deze strook sluit TenneT een zakelijk rechtovereenkomst (inclusief gebruiksovereenkomst) af met de eigenaar, de andere zakelijk gerechtigden (zoals erfpachters en opstalhouders) en persoonlijk gerechtigden (zoals huurders en pachters). In deze overeenkomsten worden de afspraken vastgelegd over het gebruik van de grond en welke vergoeding en welke rechten op toekomstige vergoedingen de rechthebbende van TenneT zal ontvangen. Het zakelijk recht betreft een opstalrecht en is een zelfstandig recht dat een inbreuk vormt op het exclusieve gebruiksrecht van de eigenaar en de overige zakelijk gerechtigden.

TenneT hanteert bij de vestiging van een zakelijk recht het principe van schadeloosstelling (volledige schadevergoeding) zoals de Belemmeringenwet Privaatrecht die kent. Schadeloosstelling betekent dat de rechthebbenden vóór en ná de vestiging van het zakelijk recht in een gelijkwaardige vermogens- en inkomenspositie dienen te verkeren. Schadeloosstelling geschiedt in beginsel ongeacht het moment waarop schade zich voordoet. De schade dient wel een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg te zijn van de vestiging van het zakelijk recht. De schade wordt onderscheiden in vier hoofdcomponenten:

  • vermogensschade op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst;
  • inkomensschade;
  • bijkomende schade op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst; én
  • schade die op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst onvoorzienbaar en/of onbepaalbaar is (toekomstschade).

Hoofdstuk 7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter visie gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na deze bekendmaking nogmaals 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de ter inzagelegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vanaf dat moment is een bestemmingsplan onherroepelijk.

7.1 Participatie

Voor het verkabelingstraject is op diverse manieren geparticipeerd. Via een speciale projectwebsite (tennet.eu/veenendaal) worden inwoners op de hoogte gehouden. De website toont de planning, nieuwsberichten met de stand van zaken en een zogeheten Projectatlas waarop de route van de ondergrondse kabels te vinden is (het tracé). Op de atlas kan men inzoomen op hun eigen woning, direct vragen stellen, maar ook eerder gestelde vragen met antwoorden teruglezen.

Er zijn daarnaast diverse bewonersavonden georganiseerd. Op 20-11-2019 werd het beoogde tracé getoond. Men kon hier vragen over stellen en/of aandachtspunten delen. Op basis hiervan is het tracé verder geoptimaliseerd. Vervolgens is op 21-04-2021 een digitale bewonersavond georganiseerd voor alle omwonenden van het tracé en andere betrokkenen/belanghebbenden/geïnteresseerden om het definitieve tracé te tonen en te ontdekken of er nog aandachtspunten waren. Voor het plangebied binnen Utrechtse Heuvelrug waren geen aandachtspunten naar voeren gekomen. Op 21-02-2022 is dan ook een digitale bewonersavond georganiseerd over het ontwerp bestemmingsplan dat op dat moment ter inzage lag. Tijdens deze avond zijn geen vragen en opmerkingen gemaakt over bestemmingsplan.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het bestemmingsplan wordt het kader van het vooroverleg (art. 3.1.1. Bro) gedeeld met de volgende vooroverlegpartners:

  • Provincie Utrecht
  • Waterschap Vallei en Veluwe

7.3 Ontwerp ter inzage legging

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 14 oktober 2022 tot en met 24 november 2022 voor iedereen ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld om een zienswijze kenbaar te maken. Hiervan is vooraf openbare kennisgeving gedaan op de in de gemeente gebruikelijke wijze. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties, zoals hierboven benoemd. De gemeente heeft één zienswijzen ontvangen. De geanonimiseerde versie van deze zienswijze en de beantwoording daarvan is opgenomen in de Nota Zienswijzen (Bijlage 13). Naar aanleiding van deze zienswijze en de aanpassing van het verkabelingstracé als gevolg daarvan, is ervoor gekozen om een meer verregaande landschappelijke inpassing van het opstijgpunt te vereisen.