| Plan: | Kom Etten, locatie Dorpsstraat 26 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1509.BP000205-va01 |
Het planvoornemen voorziet in de sloop van het huidige café met bedrijfswoning (uit 1870) en later bijgebouwd zalencentrum Köster aan de Dorpsstraat 26 te Etten. Op de vrijgekomen kavel worden twee gebouwen met elk zes appartementen voorgesteld. Beide appartementencomplexen worden voorzien van een lift en daarmee zijn alle woningen levensloopbestendig. Er is hier sprake van transformatie binnen de huidige kern van Etten. Dit sluit volledig aan bij het woningbouwbeleid.
Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat de huidige bestemming van het perceel 'gemengde doeleinden' moet wijzigen naar de enkelbestemming 'wonen' om wonen permanent te maken op deze locatie. Om het initiatief planologisch-juridisch mogelijk te maken, wordt een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) gevolgd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
Het plangebied is gelegen aan de Dorpsstraat 26 in Etten. De locatie ligt in de bebouwde kom en wordt omgeven door gemengd gebied van woningen, bedrijvigheid en gebouwen met maatschappelijke doeleinden. Kenmerkend is de nabijgelegen H. Martinuskerk. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Oude IJsselstreek, sectie M, perceel 1433. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 980 m2. In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Luchtfoto met aanduiding plangebied (bron: PDOK viewer)
Figuur 1.2: Uitsnede kadastrale kaart met ligging plangebied (bron: kadastralekaart.com)
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Kleine Kernen 2004'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Oude IJsselstreek op 22 december 2005. In het bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemming 'Gemengde doeleinden'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor gemengde doeleinden, zoals horeca, detailhandel en wonen. Daarnaast staat de 'H' zoals aangegeven op het plangebied voor 'horeca'.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het bestemmingsplan 'Kom Etten, locatie Dorpsstraat 26' bestaat uit de volgende stukken:
De toelichting is niet juridisch bindend, maar vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot heeft de toelichting als doel om het bestemmingsplan te begrijpen en de regels op een correcte manier na te leven.
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is als volgt opgebouwd:
Het betreft een statige bedrijfswoning uit 1880 met een oppervlakte van zo'n 250 m2 . Het pand bestaat uit een begane grond, een verdieping en een zolder. Een deel van de begane grond is bestemd voor het café Köster. Later is het café uitgebreid en is er aan het gebouw een zalencentrum gebouwd, zodat er ook zaalverhuur kon plaatsvinden. Het totale pand beslaat met de uitbreiding (zalencentrum) zo'n 800 m2.
Café en Zalencentrum Köster is niet meer in gebruik. De bedrijfswoning wordt nog bewoond. Er is op het perceel volledige verharding en bebouwing aanwezig. De verharding dient met name voor het terras behorende bij café Köster.
Figuur 2.1: Huidig straatbeeld vanaf de Dorpsstraat (bron: Google Maps 2016).
Figuur 2.2: Huidig straatbeeld vanaf de Oldenhove (bron: Google Maps 2016).
Het planvoornemen gaat uit van de sloop van het huidige café- en zalencentrum en nieuwbouw van twee appartementencomplexen voor huur/koop middelduur. Er is gekozen voor sloop omdat het pand bouwkundig in een slechte staat verkeerd en het daardoor niet mogelijk is het pand geschikt te maken voor de beoogde woonfunctie en doelgroep (senioren/levensloopbestendig). De sloop geeft ruimte voor kwalitatief hoogwaardige woningen door nieuwbouw en het pand wordt verduurzaamd.
Op het perceel komt één pand van 220m2 en één pand van 210m2 met een maximale bouwhoogte van 10,5 meter. Per complex zullen er zes appartementen beschikbaar zijn, in totaal dus twaalf. Gezamelijk bevatten de gebouwen een oppervlakte van 430 m2. Daarnaast worden er 12 bergingen en 14 halfverharde parkeerplaatsen op het perceel gerealiseerd. Zo'n 37 m2 van het perceel blijft onverhard. Het terrein krijgt een nieuwe in- en uitrit, ontsloten vanaf de Oldenhove.
Figuur 2.3: Plattegrond schetsontwerp (bron: ANV architecten 2022)
Figuur 2.4 en 2.5: Straataanzichten schetsontwerp (bron: ANV architecten 2022)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als Rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland.
Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:
Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Conclusie
Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI. Met betrekking tot klimaatadaptatie en duurzaamheid zal er half-verharding van het terrein plaatsvinden, met voldoende beplantingen daaromheen. Dit bevordert tevens de luchtkwaliteit en de afwatering van hemelwater. Daarnaast zullen er zonnepanelen worden toegevoegd op de daken van de twee appartementencomplexen.
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit het nationale beleid te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit het nationale beleid.
In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder Rijksbelang beschreven:
Conclusie
Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad.
Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt:
'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'
Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen:
Stedelijke ontwikkeling
Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd:
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet in het realiseren van 12 woningen. Echter wordt er in het kader van voorgenomen ontwikkeling ook één woning gesloopt, per saldo is er dus sprake van een netto toevoeging van 11 woningen. Gelet op het vorenstaande is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en geen sprake is van strijd met het rijksbeleid
Conclusie
Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is.
Op 19 december 2018 hebben Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. De Omgevingsvisie is het thematisch ruimtelijk beleidsdocument waarin doelstellingen op de middellange termijn worden vormgegeven. Het doel van de Omgevingsvisie is om een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland te creëren. De provincie hoopt dit te bereiken door te werken aan zeven samenhangende ambities. Deze ambities zijn als volgt:
1. Energietransitie: Van fossiel naar duurzaam.
2. Klimaatadaptatie: Omgaan met veranderend weer.
3. Circulaire economie: Sluiten van kringlopen.
4. Biodiversiteit: Werken met de natuur.
5. Bereikbaarheid: Duurzaam verbonden.
6. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio!
7. Woon- en leefomgeving: Dynamisch, divers, duurzaam.
Binnen elke ambitie heeft de provincie verdere ambities en een aanpak geformuleerd. Zo streeft de provincie ernaar om de eerste afvalloze provincie van Nederland te zijn, om in 2030 het busvervoer zonder uitstoot te hebben en aardgasvrije en circulaire nieuwbouw te realiseren. Met name deze ambities rond duurzame nieuwbouw zijn van belang. Het plangebied valt niet binnen voor onderhavige ontwikkeling relevante themakaarten.
Op woongebied heeft Gelderland een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied is het uitgangspunt. Daarnaast heeft het benutten van bestaande gebouwen de voorkeur. Een goede balans tussen vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën staat voorop. Daarnaast veranderen de woonwensen van mensen door de tijd heen. Mensen zijn in staat langer zelfstandig te blijven wonen, maar worden ook steeds meer energiebewust.
De Omgevingsverordening Gelderland is 1 februari 2022 geconsolideerd. In deze geconsolideerde versie zijn alle vastgestelde actualisatieplannen op het moederplan opgenomen tot en met actualisatieplan 8 dat op 15 december 2021 door de Provinciale Staten van Gelderland is vastgesteld.
Met de Omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmings- en omgevingsplannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen en water. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen.
Het plangebied valt binnen de volgende beleidskaarten: 'Regels Glastuinbouw' en 'Regels Erfgoed'. 'Regels Glastuinbouw' zijn niet van belang bij het planvoornemen. 'Regels Erfgoed' beschrijft dat het plangebied binnen een cultuurhistorische gebiedsbegrenzing valt van een molenbiotoop. In artikel '2.7.2 Instructieregels bestemmingsplan Molenbiotoop' worden de regels omtrent een molenbiotoop verduidelijkt. In artikel 2.64 (bescherming windvang molen) staat geschreven dat een bestemmingsplan voor gronden binnen een Molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mag maken als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. En dat het eerste lid niet van toepassing is op de molens in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.
Daarnaast valt er met het planvoornemen rekening te houden met klimaatadaptatie. Klimaatadaptatie is een van de vier pijlers binnen het focusthema duurzaamheid. Gelderland wil in al haar taken voorbereid en aangepast zijn aan het veranderend klimaat. Dit doen zij middels eigen beleid en handelen en gevendaarmee het goede voorbeeld. Van belang op het planvoornemen is een duurzaam water-, natuur en bodemsysteem.
Conclusie
Er is voorafgaand onderzoek gedaan naar de relatie van de molenbiotoop tot het bestemmingsplan. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen beperking van de windvang van een molen zal ontstaan met de uitwerking van het voornemen. Het onderzoek naar de molenbiotoop is te vinden in bijlage nummer 1 en onder 4.1 van de toelichting wordt deze verder geduid.
Dankzij waterberging middels een infiltratiesysteem (infiltratiekratten) wordt er rekening gehouden met klimaatadaptatie.
De Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 is vastgesteld op 19 april 2012. Het algemeen beoogde effect bestaat uit het behoud van ruimtelijke kwaliteiten van de Achterhoek en daarbinnen ruimte bieden voor diverse activiteiten op het gebied van wonen, werken, recreatie en infrastructuur. Tevens dient het daarmee als ruimtelijk kader voor uitvoering/faciliteren van (lokaal) ruimtelijk beleid, zoals gemeentelijke structuurvisies.
Inhoud van de regionale structuurvisie Achterhoek 2011-2020
1. De Achterhoek; samenwerken aan een uitdagende toekomst.
De Achterhoek is een moderne, vitale regio met een degelijke economische basis. Ook de Achterhoek ondervindt op dit moment de gevolgen van de economische crisis. Bijzondere ontwikkelingen zijn de bevolkingsontwikkeling (ontgroening, vergrijzing en krimp) en de transitie van het platteland. Stuk voor stuk ingrijpende processen die gevolgen hebben voor de sociale samenhang, de kwaliteit van het landschap en de economische kracht.
Behalve bedreigingen zijn er ook kansen die deze ontwikkelingen met zich meebrengen, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie en duurzaamheid. Door onderling samen te werken, vergroten wij de kans op een gezonde regio.
Voorbeelden van diverse ruimtelijk relevante beleidstrajecten:
2. De Achterhoek, centraal in een stedelijk netwerk
Voor de economische vitaliteit van de regio is en blijft bereikbaarheid een heel belangrijk onderwerp. Het gaat daarbij primair om bereikbaarheid in reistijd zowel over het spoor als over de weg of digitaal. De Achterhoek maakt deel uit van een groter geheel, waarbij grenzen steeds meer vervagen. De regio moet aangehaakt zijn op de netwerken op nationale en internationale schaal.
De Achterhoekse gemeenten denken in knooppunten en netwerken. De strategische ligging biedt kansen voor de Achterhoek o.a.: als aantrekkelijk woon- en werkgebied, als recreatief inloopgebied, door de nabijheid van onderwijs- en zorgvoorzieningen van hoge kwaliteit, door het aansluiten bij de economische en kennisontwikkeling. Het is belangrijk dat de Achterhoek goed is aangesloten op de omliggende stedelijke netwerken, zowel in Nederland als in Duitsland. De aanwezigheid van daarbij passende infrastructuur is van levensbelang. Verdubbeling van het spoor Arnhem-Winterswijk, doortrekking van de A15 en verbetering van de A18/N18 (maar ook de doorstroming op de A12) blijven speerpunten om de bereikbaarheid en mobiliteit van de regio Achterhoek te versterken.
Voor de leefbaarheid en vitaliteit van de Achterhoek zijn de interne verbindingen van belang. De lokaalregionale knelpunten vragen om een oplossing, die gevonden moet worden samen met de provincie. Goede aansluitingen en efficiënt openbaar vervoer zijn onmisbaar.
3. Economisch perspectief in een bijzonder landschap
De landbouw speelt een belangrijke rol in de vorming van het Achterhoekse landschap. Het is de belangrijkste economische sector in het buitengebied en zorgt voor het beheer van het waardevolle landschap. Er komen grote veranderingen aan voor de sector. Door milieuregelgeving, wijziging van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid vanuit Europa en meer economisch gedreven autonome ontwikkelingen, zullen veel bedrijven verdwijnen. Naast landbouw zijn recreatie en toerisme functies die in de Achterhoek steeds meer een stempel drukken op het buitengebied. Zij dragen in steeds grotere mate bij aan een economisch vitaal platteland. Bijvoorbeeld door de koppeling van de agrarische sector en recreatie en toerisme: agro-toerisme. De Achterhoek kiest voor het behoud van haar karakteristieke kleinschalige landschap maar ook voor de ondersteuning van de landbouwsector. Voor de grondgebonden landbouw is kavelruil nodig om vitale bedrijven mogelijk te maken. Daarbij dienen we de kernkwaliteiten van natuur en landschap te behouden en te ontwikkelen of te vernieuwen. Voor de intensieve veeteelt betekent dit het bieden van ruimte voor bestaande bedrijven en sterlocaties in verwevingsgebieden, ook buiten de LOG's. Het gaat om een goede balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten.
4. De Achterhoek duurzaam
De Achterhoek is van oudsher economisch sterk in de maakindustrie en de landbouw. Er is sprake van vakmanschap en innovatie in de toepassing van nieuwe technieken. De kansen voor verdere innovatie worden zowel voor de maakindustrie als de landbouw gezien in verduurzaming van productieprocessen en energievoorziening.
De Achterhoek kiest nadrukkelijk voor een bijdrage aan duurzame energietransitie. Wij zetten in op een klimaat- en energieneutrale 'groene' Achterhoek met een uitgekiende hernieuwbare energiemix, waarbij biomassa zeer kansrijk lijkt. Opwekking, transport en gebruik van energie dienen in de Achterhoek meer dan voorheen gericht te zijn op duurzame bronnen, methoden en technieken. De Achterhoek heeft ambities om tot een 50% reductie van C02 uitstoot in 2020 te komen en uiteindelijk tot een 100% duurzame energieopwekking. Dit is neergelegd in 'Het akkoord van Groenlo'.
De Achterhoek maakt daarbij de keuze voor biogas en zonne-energie. Warmte-koude- opslag wordt waar mogelijk toegepast en mogelijk dat water nog een rol kan spelen in de energievoorziening. Niet iedere gemeente in de Achterhoek is geschikt voor grootschalige winning van windenergie (zowel qua economische rendabiliteit als landschappelijke inpassing).
Planspecifiek
De ontwikkeling zorgt voor behoud van het karakteristieke kleinschalige landschap van de Achterhoek. Dit komt doordat de nieuwe appartementencomplexen qua grootte en vormgeving passen bij de omliggende bebouwing en het straatbeeld van Etten. Het perceel wordt optimaal benut en er wordt rekening gehouden met duurzaamheid (gasloos en zonnepanelen). De nieuwe woningen zorgen voor het stimuleren van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in de kern van Etten.
Op 24 september 2015 heeft de gemeenteraad de Regionale Woonagenda 2015-2025 vastgesteld. Hiermee is er een opvolger van de regionale woonvisie Achterhoek 2010-2020, waarin afspraken zijn gemaakt over woningvoorraad in de Achterhoek. In de nieuwe woonagenda is afgesproken het aantal woningbouwplannen verder terug te brengen. Met de Regionale Woonagenda willen de samenwerkende gemeenten, corporaties en provincie de volgende doelstellingen en ambities bereiken:
De afgelopen jaren hebben gemeenten, corporaties en provincie samen de schouders gezet onder de aanpak van de activiteiten, voortkomende uit de Regionale Woonvisie 2010-2020. Ditzelfde wordt nu opnieuw gevraagd bij de aanpak van de activiteiten uit de Regionale Woonagenda 2015-2025.
Planspecifiek
Met de ontwikkeling worden 12 wooneenheden toegevoegd. Door toevoegen van een lift in beide gebouwen, worden de appartementen 0-trede woningen en levensloopbestendig. Tevens wordt het huidige woningaanbod vergroot in een gebied waar tevens kwalitatief hoogwaardige en bereikbare voorzieningen zijn gelegen. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten vanuit de woonvisie. De ontwikkeling is niet strijdig met de woonagenda Achterhoek.
De gemeentelijke structuurvisie Oude IJsselstreek is in mei 2011 vastgesteld. De visie laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, economie, landbouw, infrastructuur, natuur en landschap en recreatie voor de komende jaren krijgen in de structuurvisie allemaal hun plek.
De visie op wonen is voor het planvoornemen van belang. De gemeente wil Oude IJsselstreek ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid. Hierbij zijn het Kwalitatief WoonProgramma (KWP3), de regionale woonvisie en de woonvisie Oude IJsselstreek kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol.
Een belangrijk onderdeel van de regionale woonvisie is het bijstellen van de nieuwbouwplannen. Om tijdig in te kunnen spelen op de gevolgen van krimp wordt nu al ingezet op het behoud van de kwaliteiten van het wonen in de Achterhoek. De woningbehoefte van de regio Achterhoek ligt tot 2020 op circa 5900 woningen. Gelet op de demografische ontwikkelingen betekent dit voor de gemeente een netto toevoeging van 685 woningen voor de periode vanaf 1 januari 2010 tot 1 januari 2020.
De gemeente wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen, waar ook nieuwe inwoners hun plek kunnen vinden. Voor worden levensloop bestendige woningen gerealiseerd. Ook de sociale woningbouw blijft een belangrijk punt van aandacht. De gemeente wil inspelen op de specifieke woningvraag van nieuwe doelgroepen en het binden en boeien van jonge inwoners. Nieuwe woningen moeten zodanig gebouwd worden dat deze flexibele mogelijkheden bieden. Voor een vitale gemeente is het vasthouden van de kwaliteit van de leefomgeving belangrijk. Ulft, Silvolde, Terborg en Etten zijn de aangewezen woonclusters. Hier zal de meeste nieuwbouw plaatsvinden. Varsseveld is bestempeld als economisch cluster. Daar wordt de woningbouw op afgestemd. De kleine kernen ontwikkelen zich naar eigen behoefte. Rustig en ruim wonen staat voorop.
Conclusie
Het planvoornemen leidt niet tot belemmering van het gemeentelijk beleid. Het draagt bij aan de doelstelling de gemeente aantrekkelijker te maken om te wonen, door het toevoegen van twee nieuwbouw appartementencomplexen en perceelstransformatie. Etten is een wooncluster waar nieuwbouw wenselijk is. Dit planvoornemen past hierdoor extra bij de woonvisie van Oude IJsselstreek.
Op 25 maart 2021 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de Toekomstvisie vastgesteld. Hierin wordt het strategische perspectief voor de gemeente Oude IJsselstreek geschetst; laten zien wie ze zijn en wat ze kunnen. Deze toekomstvisie zal met de intreding van de omgevingswet ook werken als de omgevingsvisie. Oude IJsselstreek heeft zichzelf zeven opgaven gesteld waarmee ze een antwoord kunnen bieden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien. De opgaven zijn geen projectplannen of vast te leggen doelen. Ze moeten richting geven in de ontwikkelingen die de komende jaren gaan plaatsvinden.
Er wordt meer ingespreel op samenwerking tussen bedrijven, instellingen en inwoners (lokaal en samen met de partners in de regio en Duitsland).
Figuur 3.1: Kaart toekomstvisie in vogelvlucht
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling aan de dorpsstraat in Etten wordt de eerste opgave van de toekomstvisie gestimuleerd, namelijk goed wonen. Eén van de doelstellingen van deze opgave is het creëren van een geschikt aanbod waar (actieve) senioren naar kunnen doorstromen. De woningen hebben als doelgroep senioren/levensloopbestendig en voldoen daarmee aan de doelstellingen vanuit de toekomstvisie.
De woonvisie van de gemeente Oude IJsselstreek is vastgelegd in 2018. De titel luidt 'Flexibel reageren op nieuwe en andere woonvragen'. Thema's die in de visie besproken worden zijn de sociale huurvoorraad, woonzorg, verduurzaming woonvoorraad en woningvoorraad en waardebehoud.
Omtrent jongeren en starters staat het volgende benoemd; Starters klagen dat zij moeilijk aan een woning kunnen komen. Goedkope koop- en huurwoningen voldoen meestal niet aan hun wensen. Jongeren willen meestal een woning die instap klaar is, waar niets/niet veel aan gedaan hoeft te worden omdat de financiële middelen daarvoor (nog) niet voorhanden zijn. Ze letten wel op energiekwaliteit, want ze kunnen daar zelf nog niet in investeren.
Omtrent seniorenwoningen wordt het volgende vermeldt; 'Er is sprake van belemmeringen voor ouderen om te verhuizen naar een beter bij hun situatie passende seniorenwoning. Wij zullen met onze corporaties onderzoeken hoe deze beperkingen weggenomen kunnen worden, ook om op deze manier doorstroming op gang te brengen. Oudere burgers die op een sociale huurwoning zijn aangewezen en andere woonwensen krijgen bij het tellen der jaren, willen graag een meer beschermde woonvorm met zorg in de nabijheid.'
Planspecifiek
Het planvoornemen (12 levensloopbestendige woningen) past bij de doelstelling om voldoende gepaste senioren- en starterswoningen beschikbaar te maken. Daarnaast is het aanbieden van een brede huurvoorraad gewenst. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij.
In 2020 is DKK begonnen met het ‘WoonWensenOnderzoek Etten’. DKK ging met de inwoners van Etten en overige geïnteresseerden in gesprek. Diverse gesprekken werden gevoerd en de verschillende woonwensen werden opgehaald. Door de projectleider is een overzicht gegeven van de resultaten:
Planspecifiek
Oude IJsselstreek steunt de plannen voor de realisatie van meer dan veertig woningen op vier verschillende locaties in Etten, waaronder de (levensloopbestendige) woningen aan de Dorpsstraat 26. Deze plannen zijn ontstaan vanuit de woonwensen van de inwoners uit het dorp.
De lokale kwaliteitscriteria zijn een aanvulling op de ‘Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw’ die zijn vastgesteld tijdens de raadsvergadering van 26 september 2019. Deze Kwalitatieve toetsingscriteria zijn ook door de overige Achterhoekse gemeenteraden vastgesteld en zijn aanvullend op de eerder in de Regionale Woonagenda 2015-2025 gemaakte afspraken. Door de vaststelling hiervan komen de regio en gemeente Oude IJsselstreek los van de knellende contingentenbenadering van de woningmarkt.
(Regionale) Kwalitatievetoetsingscriteria voor woningbouw
Planspecifiek
De behoefte aan seniorenwoningen is in het Achterhoeks Woonwensen- en Leefbaarheidsonderzoek (2017) aangetoond. De ontwikkeling vindt plaats middels inbreiding in de kern van Etten. Hierdoor sluit het planvoornemen van de levensloopbestendige woningen in de bebouwde kom van Etten (zonder nieuw ruimtegebruik) aan op de kwalitatieve toetsingcriteria voor woningbouw van de gemeente Oude IJsselstreek.
De welstandsnota is op 16 september 2011 in werking getreden. In de vergadering van 19 september 2013 heeft de gemeenteraad de aangepaste Welstandsnota vastgesteld. De aanpassingen hebben betrekking op Thema 4.7.9 "Windturbines en nieuwe windmolens". De aangepaste Welstandsnota is op 20 september 2013 in werking getreden.
In deze nota is vastgelegd hoe het welstandstoezicht in de gemeente Oude IJsselstreek is geregeld. Tevens geeft deze nota uitgangspunten en criteria voor het welstandsoordeel. Via deze nota voldoet de gemeente Oude IJsselstreek tevens aan de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo), het Besluit Omgevingsrecht (Bor) en de bepalingen in de Woningwet omtrent het welstandstoezicht. Middels een kwaliteitskader en een ruimtelijk kader wordt getoetst of de nieuw te bouwen bouwwerken:
Planspecifiek
Het ontwerp is middels een ruimtelijke inpassing passend gemaakt aan de omgeving. De bouwhoogte voldoet aan de gestelde maximale bouwhoogte van de molenbiotoop en de architectuur sluit aan op de meest voorkomende architectuur van gebouwen in de dorpskern van Etten. Hierdoor doen de nieuwe gebouwen geen afbreuk aan het huidige straat- en bebouwingsbeeld van de kern van Etten.
Conclusie
Vanuit de woonvisie en overige gemeentelijke beleidsstukken uitgewerkt onder 3.4.3.1 t/m 3.4.3.3 is het planvoornemen passend op deze locatie.
In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid.
Molens worden in toenemende mate in hun voortbestaan bedreigd door aantasting van de molenomgeving. Bebouwing, begroeiing en andere obstakels belemmeren de windvang van molens. Zonder voldoende wind kan de molen zijn werk niet doen. De molen is tot stilstand gedoemd. Traditioneel staan molens altijd in een open omgeving, zonder belemmering van obstakels. Gezien bovenstaande vraagt de omgeving van een molen dus ook onderhoud. Houtopgroei zonder functie moet worden verwijderd als de windvang van de molen erdoor wordt gehinderd. Verkeerd geplaatste gebouwen kunnen zelden worden verwijderd.
Bij nieuwbouw kan terdege rekening worden gehouden met de eisen die een molen nu eenmaal aan zijn omgeving stelt. Hiertoe wordt rond molens die nog in gebruik zijn of daartoe de potentie bevatten een molenbiotoop getrokken. Binnen deze biotoop dient bij bouwen plantactiviteiten rekening te worden gehouden met de hoogte van deze activiteiten, zodat de werking van de molen niet in het geding komt. De bescherming van de molen, via de molenbiotoop, dient te worden vastgelegd in het bestemmingsplan waarbinnen de molen is gelegen. In het bestemmingsplan kunnen eisen worden gesteld aan beplantings- en bebouwingshoogte van de omgeving, die aansluiten bij de eisen die de molen aan zijn omgeving stelt.
Figuur 4.1: Windvangzone Molenbiotoop, Korenmolen "De Witten" (bron: Bestemmingsplan Kleine kernen 2004)
Korenmolen "De Witten" Etten
Voor een traditionele belt-/korenmolen, zoals de nog functionerende ronde stenen korenmolen "De Witten" in Etten is het uitgangspunt dat zowel de vrije windvang als het zicht op de molen gegarandeerd moet worden. Hiertoe is in het bestemmingsplan "Kleine Kernen 2004" een gebied binnen een straal van 400 meter rond de molen als molenbiotoop aangewezen. Voor deze zone geldt een restrictie ten aanzien van de bebouwings- en beplantingsmogelijkheden. De bepalende maat is de afstand van het maaiveld tot het onderste punt van de verticaal staande wiek (4,00 m in het geval van deze molen). Rondom de molens dient in principe een vrije zone van 100m te worden gehanteerd. Het streven is er op gericht om de vrije windvang én het zicht op de molen, als gevolg van nieuwe ontwikkelingen binnen de molenbiotoop niet verder te beperken.
Voor nieuwe bebouwing in het molenbiotoop hanteren de provincie Gelderland en de Stichting Behoud Ettense Molen de volgende richtlijn: voor het molenbiotoop wordt door berekening de toelaatbare hoogte in de omgeving van een molen bepaald. In het gebied tussen de molen en de 400 m rondom de molen gaat de maximaal toelaatbare hoogte van bebouwing en/of beplanting in een rechte lijn omhoog vanaf 4 m nabij de molen, tot maximaal 5 m op een afstand van 100 m en maximaal 7 m op een afstand van 400 m.
De appartementencomplexen mogen gezien de korte afstand een maximale bouwhoogte van 11,50 m en een goothoogte van 8,50 m hebben om de molenbiotoop niet te belemmeren. Er is een berekening uitgevoerd door De Hollandsche Molen, deze is toegevoegd in bijlage 1 Molenbiotoop.
Conclusie Molenbiotoop
De ontwikkellocatie bevindt zich op een afstand van ca. 155,00 m van de molen, gemeten vanuit het hart van de molen. Gelet op de afstand tussen de ontwikkellocatie en de molen en de feitelijke situatie per mei 2022 is De Hollandsche Molen van mening dat de bouwhoogte van het appartementencomplex aan de Dorpsstraat 26 (10,50 m) en het appartementencomplex aan de Oldenhove (9,90 m) geen onevenredige inbreuk maken op de molenbiotoop van molen De Witten. De Hollandsche Molen stelt vast het voorgenomen appartementencomplex aan de Dorpsstraat geen verslechtering van de wind aan- en afvoer van de molen zal veroorzaken. Gelet op de huidige feitelijke situatie tussen de ontwikkellocatie en de molen, adviseert De Hollandsche Molen positief over het voorgestelde bouwplan Dorpsstraat 26 te Etten. Daarbij plaatst zij wel de voorwaarde dat de goot- en bouwhoogtes, zoals opgenomen op de tekeningen, tevens worden opgenomen als de planologische maximale goot- en bouwhoogtes.
De provincie Gelderland heeft het onderzoeksrapport van de Hollandsche Molen d.d. mei 2022 getoetst en akkoord gegeven op bovenstaande. De provincie adviseert positief omdat de windvang voor de molen niet beperkt wordt door het aangepaste plan (drie bouwlagen).
Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer.
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten.
Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld.
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen.
Zorgplicht
Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000- gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.
Provincie Gelderland
De provincie wil de ontwikkeling van functiecombinaties van natuur met andere functies mogelijk maken wanneer deze substantieel bijdragen aan versterking van de ecologische samenhang van de natuur van het Gelders natuurnetwerk en van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. De Groene ontwikkelingszone bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten is met het Gelders natuurnetwerk. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Het actualisatieplan is door Provinciale Staten op 15 december 2021 vastgesteld, datum inwerkingtreding is 1 februari 2022.
Het plangebied ligt op circa 16 km afstand van het Natura-2000 gebied 'Rijntakken' en op 7 km afstand van de Duitse Natura-2000 gebieden 'Vogelschutzgebiete' en 'FFF-Gebiete'. Het plangebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Doordat er sloop en bouw zal plaatsvinden op het plangebied is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd.
In opdracht van Zalencentrum Köster heeft Ecoresult B.V. een Quickscan Wet Natuurbescherming (bijlage 2) uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Zalencentrum Köster, gelegen aan de Dorpsstraat 26 in Etten, Provincie Gelderland. De aanleiding voor dit verzoek zijn de voorgenomen sloop van de huidige bebouwing en de herontwikkeling van het plangebied. Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Uit voorliggende quickscan is gebleken dat:
Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van zomer- en paarverblijven van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk, overtreding van de Wet natuurbescherming wordt ten aanzien van de soortenbescherming niet op voorhand uitgesloten. Een ontheffing Wet Natuurbescherming dient aangevraagd te worden indien er daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Er dient ook rekening gehouden te worden met de Zorgplicht.
Stikstofdepositie
Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS.
Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit bestemmingsplan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten.
Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Rijntakken' op een afstand van circa 16 kilometer. Van belang is dat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) op 1 juli 2021 in werking is getreden. In de Wsn is een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht opgenomen voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Daarmee hoeft de stikstofdepositie voor de bouw-, aanleg- en sloopfase niet meer te worden berekend en verschuift de nadruk naar de structurele uitstoot die een project in de gebruiksfase veroorzaakt.
Nu de beoogde appartementen gasloos zullen zijn, vindt er in de gebruiksfase enkel stikstofemissie plaats door verkeersbewegingen. Uit de 'Handreiking woningbouw en AERIUS' van de Rijksoverheid (januari 2020) blijkt dat de stikstofemissie door de aantrekkende werking van het verkeer van bijvoorbeeld 500 woningen enkel relevant is als de afstand tot een Natura 2000-gebied minder dan 5 kilometer bedraagt.
Gelet op het aantal wooneenheden van onderhavig initiatief (twaalf appartementen) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (16 km NL en 7 km Duitsland), kan zonder nadere AERIUS-berekening worden gesteld dat de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
Duitse Natura-2000 gebieden
Figuur 4.2: Duitse Natura-2000 gebieden (bron: Atlas Leefomgeving, Rijksoverheid)
Nederland heeft met Duitsland en met België overlegd over de wijze waarop de bevoegde gezagen bij de beoordeling van aanvragen van toestemmingsbesluiten de gevolgen toetsen van activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op buitenlandse Natura 2000-gebieden. Nederland zal op basis van jurisprudentie voor de toetsing van activiteiten die in Nederland plaatsvinden met gevolgen voor Natura 2000-gebieden in Duitsland of België dezelfde toetsingskaders hanteren als Duitsland en België zelf.
De betreffende gebieden 'Vogelschutzgebiete' en 'FFF-Gebiete' bevinden zich in Duitsland, op ongeveer 7 km van het plangebied. In Duitsland is een stikstofvergunning pas nodig als door een nieuwe activiteit meer dan 7 mol stikstof (=100 gram) per hectare per jaar neerslaat in een natuurgebied. Met het planvoornemen (12 appartementen) zal de verkeersgeneratie tijdens de gebruikersfase gering zijn (62,4 tot 72 mvt/etmaal), hierdoor is het zeer onwaarschijnlijk dat er door de ontwikkeling meer dan 7 mol stikstof per hectare neerslaat in de Duitse Natura-2000 gebieden. Er valt te concluderen dat er zonder nadere AERIUS-berekening kan worden gesteld dat de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd door Ecoresult. De rapportage van de Quickscan is toegevoegd als bijlage 2 Quickscan Wet Natuurbescherming. Dit verkennend onderzoek zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden.
In de quickscan is gesteld dat de aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis) binnen het plangebied niet uit te sluiten is. Deze soorten kunnen zomer- en/of paarverblijfplaatsen hebben in de kieren tussen de muren en de betimmering onder de dakrand. Naar aanleiding van de in de quickscan beschreven potenties voor vleermuizen heeft er op 16-06-2022 een technische inspectie plaatsgevonden waarbij alle in de bebouwing aanwezige kieren, spleten, scheuren en gaten nauwkeurig met een inspectiecamera (endoscoop) zijn geïnspecteerd op sporen die kunnen duiden op de aanwezigheid van vleermuizen. Tijdens deze inspectie is in 1 dilatatievoeg 1 uitwerpsel van een dwergvleermuis (spec.) aangetroffen. Hiermee is vast komen te staan dat het gebouw in gebruik is door tenminste 1 dwergvleermuis. Het najaar onderzoek (uitgevoerd in de periode 15 augustus – 15 september) zal uitwijzen of er meerdere verblijfplaatsen aanwezig zijn.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief.
Aannemelijkheidsparagraaf
Door Ecoresult is een aannemelijkheidsparagraaf opgesteld en bij dit bestemmingsplan toegevoegd als bijlage 3 Aannemelijkheidsparagraaf Ecologie. Voor het bevoegd gezag is het van belang dat er een deugdelijke alternatieven afweging is gemaakt waarbij wordt gekeken naar alternatieven ten aanzien van de locatie, inrichting van het plangebied, werkwijze en planning.
Hieronder is een samenvatting toegevoegd van de aannemelijkheidsparagraaf:
De huidige bebouwing op de planlocatie is niet meer in goede staat. Door het slopen van de huidige bebouwing komt ruimte vrij die voor nieuwbouw wordt gebruikt. Hierdoor is geen extra ruimtebeslag noodzakelijk voor nieuwbouw. In het project zal er zo optimaal mogelijk gebruik worden gemaakt van de ruimte om zoveel mogelijk woningen te kunnen realiseren. Het nieuwe appartementencomplex wordt nu zo uitgevoerd dat de bebouwing weer geschikt zal worden voor vleermuizen, zoals in de huidige situatie, Het nieuwe appartementencomplex biedt vele mogelijkheden om verblijfplaatsen van beschermde soorten te realiseren in de vorm van inbouwkasten. Mogelijk kan hier in ruime mate overgecompenseerd worden.
Door het treffen van mitigerende maatregelen wordt voorkomen dat er schadelijke effecten ontstaan op (individuen van) de aangetroffen beschermde soorten en in de nieuwe inrichting van het plangebied komt er weer veel ruimte terug om de verloren natuurwaarden te compenseren. De voorliggende inrichting van het plangebied is derhalve optimaal om alle aangetroffen natuurwaarden te compenseren.
Het alternatief voor sloop/nieuwbouw zou renovatie kunnen zijn. Echter, bij een renovatie die gelijkwaardige doelen (met name op het gebied van duurzaamheid) heeft zou er ook sprake zijn van het vervangen van de gehele buitenschil (gevels en daken). Ook in dit geval zouden de aangetroffen verblijfplaatsen verloren gaan.
Een renovatie met behoud van de verblijfplaatsen zou niet de doelen bereiken. Ook kijkende naar de economische kant van het project is te zien dat sloop/nieuwbouw financieel relatief veel goedkoper uitvalt dan renovatie. Ook is de kwaliteit van nieuwbouw hoger dan het resultaat wat er met renovatie behaald kan worden. Sloop/nieuwbouw is daarom een toekomstbestendigere optie. Ook de verblijfplaatsen kunnen hierdoor voor de toekomst beter gegarandeerd worden. Bij renovatie zijn er waarschijnlijk veel sneller weer nieuwe werkzaamheden nodig waarbij er mogelijk weer verstoring van de verblijfplaatsen zou plaats vinden.
Voorafgaand aan de sloop zijn alle mitigerende maatregelen functioneel. De aanwezige voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen worden voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt waardoor doden of verwonden van individuen is uitgesloten. Door het treffen van deze maatregelen wordt voorkomen dat er schadelijke effecten ontstaan op (individuen van) de aangetroffen beschermde soorten. De huidige werkwijze is daarom het meest optimaal. Er zijn in ecologisch opzicht geen werkwijzen die gunstiger zijn.
In de uitvoeringsplanning is rekening gehouden met de aangetroffen ecologische waarden. Verblijfplaatsen van vleermuizen worden in de minst kritische periode ongeschikt gemaakt. Ook zullen de eerste permanente voorzieningen al relatief vroeg in het proces geleidelijk beschikbaar komen. Een alternatieve, nóg meer gunstige planning is voor dit project dus niet van toepassing.
In bijlage 3 wordt door tabellen de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger in de planningsfase van de ingreep beoordeeld voor de volgende situaties:
Voor alle vleermuissoorten wordt er op lange termijn een groei van de lokale populatie verwacht aangezien er in de gerenoveerde woningen binnen het plangebied wordt ingezet op volledige mitigatie. Hierdoor blijft de staat van instandhouding van deze diersoorten gewaarborgd en zelfs verstevigd.
De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling.
Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Voorliggend initiatief voorziet deels in een functiewijziging van horeca naar wonen. Op het perceel was daarnaast een bedrijfswoning aanwezig.
Ten aanzien van het initiatief zal zullen er geen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. De planologisch geldende functie van de locatie betreft bovendien eveneens een milieugevoelige functie, aangezien ook hierbij meerdere personen voor langere tijd in het pand aanwezig kunnen zijn. Op de locatie zijn geen bodemverontreinigingen bekend of bekende locaties van ernstige bodemverontreiniging die met spoed moeten worden gesaneerd.
Er is in mei 2021 een bodemonderzoek uitgevoerd door Sweco Arnhem, zie bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek. Hieruit bleken de volgende resultaten:
Uit de aangetoonde resultaten is gebleken dat bodemsanering niet noodzakelijk is voor de beoogde nieuwbouw.
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief.
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld.
Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook worden de omgeving en het landschap niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
De aanwezigheid van rivierduinafzettingen en de aanwezigheid van een tufstenen kerk uit het begin van de Late Middeleeuwen geeft binnen het plangebied een hoge archeologische verwachting. Kerken lagen meestal niet geïsoleerd in het landschap, maar werden vaak nabij nederzettingen gesticht. Tevens is het mogelijk (funderings-)resten van de kerk en het mogelijk bijbehorende grafveld direct ten oosten van het plangebied aan te treffen (Archis2-waarnemingsnumer 56.085).
Figuur 4.3: Aanduiding Dorpsstraat 26 Etten, Archeologische waardenkaart Oude IJsseltreek
Op de archeologische waardenkaart van Oude IJsselstreek heeft Etten een hoge archeologische verwachtingswaarde en is de Dorpsstraat gelegen in de historische dorpskern (van +/- rond 1850). Voor projecten gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting geldt geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen kleiner dan 250 m2 en ondieper dan 30 centimeter.
Het terrein is reeds bebouwd. Deze bebouwing zal gesloopt worden waarop nieuwbouw plaatsvindt; één pand van 220m2 en één pand van 210m2 . De meeste grond is in het verleden al geroerd, maar onder de bestaande bebouwing kan nog een archeologische vindplaats aanwezig zijn, zoals de fundamenten van de kerk die hier heeft gestaan In het nieuwe plan valt slechts 37m2 buiten de bestaande bebouwing.
Doordat de percelen gelegen aan de Dorpsstraat een hoge archeologische verwachting bevatten is er een archeologisch bureauonderzoek door Synthegra uitgevoerd (bijlage 5: Archeologisch bureauonderzoek). Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het plangebied zoals aangegeven nader archeologisch onderzoek geadviseerd voor een gedeelte van het plangebied mits hier bepaalde ingrepen zullen plaatsvinden.
Figuur 4.4: Advieskaart vervolgonderzoek Synthegra
Archeologisch vervolgonderzoek is noodzakelijk in de vorm van archeologische begeleiding van de ondergrondse sloop en verdere graafwerkzaamheden:
De ingrepen op de oranje en rode delen zullen bestaan uit ingrepen dieper dan 1 meter -mv. Hierdoor is vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding conform het protocol proefsleuvenonderzoek (AB-IVO-P) noodzakelijk, om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden.
Voor deze archeologische begeleiding conform het protocol proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Het PvE is toegevoegd als bijlage 6 Archeologisch PvE.
Voorts vindt de ontwikkeling plaats in een archeologisch gebied met hoge waarde. Door de te verrichten grondroerende werkzaamheden is aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk dat volgens het PvE zal worden uitgevoerd.
Wet milieubeheer
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen.
Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.
De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd:
Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit
De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.
Luchtkwaliteit ter plaatse
Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid.
| Stof | Jaar 2018 | Jaar 2020 | Grenswaarde | Advieswaarde |
| NO2 | 18,3 µg/m3 | 14,5 µg/m3 | 40 µg/m3 | 10 µg/m3 |
| PM10 | 18,6 µg/m3 | 15,3 µg/m3 | 40 µg/m3 | 15 µg/m3 |
| PM2,5 | 11,6 µg/m3 | 8,7 µg/m3 | 20 µg/m3 | 5 µg/m3 |
Figuur 4.5: Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit
Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.
De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie aan de Dorpsstraat liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden en in het geval van PM10 precies op de advieswaarde. Voor wat betreft NO2 en PM2,5 geldt dat er
niet wordt voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
Het huidige aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. De gemeente gaat daarbij uit van de maximale parkeernormen. Het plangebied wordt gekenmerkt als de rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied. Voor de huidige functie café-en zalencentrum Koster valt deze in te delen onder de categorie 'café/bar/discotheek/cafetaria'. Hiervoor een geldt een parkeernorm van 6 tot 8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. In de gewenste situatie, ongeveer 800 m2 bvo komt de totale parkeerbehoefte dan ook uit op 64 parkeerplaatsen. Daarnaast komen er nog gemiddeld 2 parkeerplaatsen bij ten behoeve van de bedrijfswoning. Als er uitgegaan wordt van de maximale parkeernorm zullen er dus zo'n 66 parkeerplaatsen benodigd zijn voor de huidige situatie.
Het benodigde aantal parkeerplaatsen kan ook via het CROW 381 worden berekend. Er wordt in de nieuwe situatie voorzien in 12 appartementen, rest bebouwde kom in een matig stedelijk gebied. Voor koopappartementen uit het middensegment geldt een maximale parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per appartement. Voor huurappartementen uit het middensegment geldt een maximale parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per appartement. Bij het realiseren van 12 koopappartementen zullen er 26,4 parkeerplaatsen nodig zijn en bij 12 huurappartementen 21,6. Als er een vergelijk wordt gemaakt tussen de huidige en toekomstige situatie is te concluderen dat de parkeerdruk aanzienlijk afneemt met zo'n 40 parkeerplaatsen.
Er zijn op dit moment 14 parkeerplaatsen in het ontwerp opgenomen. Gezien de appartementen met name gericht zijn op senioren, is het aannemelijk dat er met een lagere norm kan worden gerekend. Wel zouden er vanuit praktisch oogpunt meer dan twee bezoekersplaatsen wenselijk zijn. Deze kunnen in de reeds aanwezige parkeervakken in de openbare ruimte worden opgevangen. De mogelijkheden zijn opgenomen in de Parkeerbalans (bijlage 7). Per saldo zal de parkeerdruk ten opzichte van de huidige bestemming aanzienlijk afnemen.
Het plangebied wordt in de toekomstige situatie ontsloten via de Oldenhove. De Dorpsstraat en de Oldenhove zijn beiden 30 km/u wegen.
De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Er staat geen aanduiding voor de verkeersaantrekkende werking van een café/bar/discotheek/cafetaria vermeldt. In de gewenste situatie, twaalf appartementen, valt wel een verkeersgeneratie af te lezen. Voor een middensegment koopappartement op deze locatie (rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied) is de verwachte verkeersgeneratie 5,2 tot 6,0 mvt/etmaal per woning. Dit komt in totaal neer op een verkeersaantrekkende werking van 62,4 tot 72 mvt/etmaal. Gezien de ligging van het plangebied aan de dorpsstraat en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied.
Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts zeer beperkt toe.
Wegverkeer en railverkeer
Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.
Industrielawaai
Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.
Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Zeddamseweg. Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting is uitgevoerd door SPA WNP. Het rapport van het onderzoek is toegevoegd als bijlage 8 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai.
Onderzoeksresultaten
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe appartementengebouwen vanwege het verkeer op de:
Omdat 30 km/uur-wegen volgens de Wet geluidhinder niet gezoneerd zijn, kan en hoeft voor de geluidbelasting van deze wegen geen hogere waarde worden verleend. De Wet geluidhinder vormt dan ook geen belemmering voor het realiseren van de nieuwe appartementengebouwen.
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen van het akoestisch onderzoek.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'.
| Milieucategorie | Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied | Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Figuur 4.6: Richtafstanden en omgevingstype
Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.
De omgeving van het plangebied kan door naastgelegen horeca, woningen en kerk gekarakteriseerd worden als 'gemengd gebied'. De twee wooncomplexen zullen niet leiden tot overlast op de omgeving. Verder zullen de omliggende winkels en de kerk niet voor overmatige hinder zorgen op de wooncomplexen. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat vastgesteld.
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van de woningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's:
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Figuur 4.7: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl)
Transport gevaarlijke stoffen
Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour.
Inrichtingen
In de nabijheid van het plangebied is een LPG-tankstation aanwezig. Deze staat aangegeven in het rode kader met zwarte cirkels. Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter. Bij benzineservicestations met LPG > 1000 m3/jr is de richtsafstand zelfs 200 meter. Het plangebied is gelegen op 300 meter afstand waardoor er vanuit kan worden gegaan dat er voldoende afstand is en nader onderzoek niet nodig is. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving.
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Kleine Kernen 2004' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's.
Europa
Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.
Rijk
De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. In het Waterbeheerplan 2022-2027 zijn uitgangspunten vastgesteld die de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode tot en met 2027, met een vooruitblik richting 2050. Het waterschap zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken.
Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's:
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
Gezonde leefomgeving
Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met onze partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.
Gemeente
De gemeente Oude IJsselstreek heeft in 2016 het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) Oude IJsselstreek 2017-2020 vastgesteld. Het is de taak van de gemeente om voor een goede riolering te zorgen: ze hebben de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Dit GRP geeft aan hoe zij met deze drie zorgplichten omgaan.
Panden die niet op het riool zijn aangesloten, moeten aansluiten. Hierop handhaaft de gemeente. Voor nieuwbouw binnen nieuwe bestemmingsplannen moet altijd een waterparagraaf opgesteld worden, op basis van ons programma van eisen met randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor het waterhuishoudkundige systeem. Met het waterschap maken we afspraken over de waterhuishouding in nieuwe gebieden en de aanleg van waterberging. We houden daarbij 10% van het bruto-oppervlak beschikbaar voor water. Kleinschalige inbreidingen sluiten we aan op de bestaande riolering. Als het redelijkerwijs mogelijk is, moeten particulieren het hemelwater verwerken op eigen terrein. Als dat niet kan, moeten ze hun afvalwater altijd gescheiden aanleveren aan de perceelgrens. Hemelwater moet bij voorkeur bovengronds worden gehouden. Bij grootschalige uitbreidingen wordt altijd gescheiden riolering aangelegd. Alle nieuwbouwprojecten dienen rekening te houden met een duurzame oplossing voor hemelwater conform het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel. Hemelwater moet altijd gescheiden van het overig afvalwater worden aangeleverd aan de perceelgrens. Op drukriolering mag alleen huishoudelijk afvalwater worden geloosd, daar is het systeem op ontworpen.
Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage 9 Digitale watertoets bijgevoegd. Op basis van de watertoets blijkt dat de korte procedure gevolgd moet worden. Dit houdt in dat er een waterparagraaf moet worden opgenomen in het bestemmingsplan over het waterschap Rijn en IJssel, met een motivering hoe er in het plan rekening wordt gehouden met de afwatering van hemelwater en afvalwater.
Waterparagraaf toekomstgericht waterbeheer
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerplan 2022-2027, waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap t/m 2027 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft.
Dorpsstraat 26 Etten
De voorgenomen ontwikkeling met de sloop van een oud café- en zalencentrum en de nieuwbouw van twee appartementencomplexen (in totaal 12 appartementen) vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Er worden geen grote wijzigingen aangebracht aan het watersysteem en geen werkzaamheden in de keurzone uitgevoerd. Hierdoor is een watervergunning niet noodzakelijk.
Een toename van het afvalwater door de ontwikkeling heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. In de milieuzone van de RWZ I of rioolgemaal worden geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.
Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. De gemeente Oude IJsseltreek en het waterschap Rijn en IJssel zijn overeengekomen dat er 20 mm hemelwater geïnfiltreerd moet worden op het plangebied.
De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door ophoging van het maaiveld, kruipruimteloos bouwen, waterdicht bouwen, passende fundering, etc. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen.
Motivering hemelwater en afvalwater
Op de betreffende locatie wordt rekening gehouden met de afwatering van het hemelwater en afvalwater. Voor het afvalwater geldt dat er voor één seniorenwoning 1,5 persoon aangehouden dient te worden, waardoor het totaal verbruik per huishouden zal bestaan uit 78.000 liter. Er zijn in totaal 12 huishoudens. De toename van het afvalwater leidt niet tot belemmeringen, doordat er op de bestaande riolering aangesloten kan worden.
Het hemelwater, uitgaande van een bui van 20 mm, zal apart worden afgewaterd en geïnfiltreerd, waarvoor nog een infiltratieberekening uitgevoerd dient te worden. Hierna zal er een waterberging worden aangebracht middels infiltratiekratten (overleg gemeente). Wanneer het harder regent zal er een overloop moeten zijn om de overige toename van water te kunnen afvoeren. De plaats waar naartoe en hoe vormgegeven dient met de gemeente afgestemd te worden.
De nieuwe situatie leidt tot een geringe toename van halfverharding door parkeerterrein. Verder is er geen toename in verharding door bebouwing, omdat de toekomstige bebouwing minder oppervlakte in beslag neemt dan de huidige bebouwing. Zo'n 38 m2 van het terrein blijft onverhard.
Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits 20 mm hemelwater geïnfiltreerd wordt en er een overloop wordt aangebracht. Het waterschap adviseert positief over het voornemen.
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat.
In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect.
Kenmerken van het project
Het project betreft het slopen van een bedrijfswoning met café en zalencentrum en volledige nieuwbouw van twee appartementencomplexen met parkeerplaatsen.
Plaats van het project
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kern van Etten. De dichtsbijzijnde Natura-2000 natuurgebieden zijn 'De Veluwe' en 'Rijntakken' op ca. 16 km afstand.
Kenmerken van het potentiële effect
Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd.
In het plan worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten.
De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.
De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Kleine Kernen 2004'.
Het bestemmingsplan 'Kom Etten, locatie Dorpsstraat 26' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Kom Etten, locatie Dorpsstraat 26' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels.
De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen.
In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:
Binnen deze bestemming mag worden gewoond, met dien verstande dat er in een bijbehorend bouwwerk geen afzonderlijke woning mag komen. Woningen (de hoofdgebouwen) in de bebouwde kom zijn alleen mogelijk binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Bijbehorende bouwwerken mogen buiten het bouwvlak worden gebouwd. Voor woningen in het buitengebied zijn grotere bouwvlakken aangegeven en moeten zowel de woningen als de bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak worden gebouwd.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen de grootte van de percelen en of een perceel binnen of buiten de bebouwde kom ligt. Op grotere percelen in de bebouwde kom (meer dan 600 m2) is meer bebouwing toegestaan.
Binnen de bestemming 'wonen' zijn -onder voorwaarden- een aantal andere functies toegestaan:
Het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten aan huis is slechts toegestaan middels ontheffing. Hieraan zijn een aantal voorwaarden verbonden. Maximaal 35% van de oppervlakte van de woning tot ten hoogste 50 m2 mag gebruikt worden voor de aan huis verbonden beroepsactiviteit. Hierbij is eveneens de voorwaarde opgenomen dat dit niet mag leiden tot onaanvaardbare verkeers- of parkeeroverlast.
Bij de woonfunctie is er bewust voor gekozen om zogenaamde “aan huis verbonden beroepsactiviteiten” mogelijk te maken. Dit komt tegemoet aan de wens van vele mensen om op kleine schaal voor zichzelf te beginnen. Dergelijke aan huis verbonden beroepen zijn niet milieuhinderlijk voor de omgeving en goed ruimtelijk inpasbaar. Belangrijk is wel dat het ondergeschikt is aan de woonfunctie. Een woning is in de eerste plaats woning en geen ruimte voor het beroep. Het is daarom van belang dat het kleinschalig is en blijft. Dit houdt in dat de bewoner van de woning de beroepsuitoefenaar is.
Omdat er in delen van het plangebied archeologische verwachtingswaarden zijn, zijn hiervoor bepaalde regels opgenomen hoe met deze archeologische waarden en verwachtingen om te gaan bij nieuwe bouwplannen. Zo moet bij een bepaalde grootte en diepte archeologisch onderzoek plaatsvinden. Voordat besloten kan worden op een omgevingsvergunning zal een archeologisch deskundige hierover advies moeten geven.
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.
Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld.
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening.
De plannen zijn ontstaan vanuit de woonwensen van de inwoners van het dorp.
In december 2020 zijn de plannen voor het project aan de Dorpsstraat 26 gepresenteerd aan de inwoners van Etten en alle overige geïnteresseerden. Dit gebeurde tijdens een digitale bewonersavond.
Omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben met de beoogde ontwikkeling aan de Dorpsstraat 26.
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren.
Er is een vooroverleg geweest met de provincie Gelderland waarin adviezen zijn gegeven omtrent de bouwhoogte met betrekking tot de notitie Molenbiotoop. De Hollandsche Molen is positief over het plan Dorpsstaat 26 in Etten (Bijlage 1 Molenbiotoop) en doet de aanbeveling om de goot- en bouwhoogten op de plantekeningen op te nemen als planologische maximale goot- en bouwhoogten. De provincie adviseert ook positief omdat de windvang voor de molen niet beperkt wordt door het aangepaste plan (drie bouwlagen) en volgt daarmee het advies van de Hollandsche Molen.
De werkelijke goot- en bouwhoogten zijn voor goede borging van de molenbiotoop in het ontwerpbestemmingsplan als maximale goot- en bouwhoogten opgenomen in de plankaart en daarmee is het provinciale advies verwerkt.
Het ontwerpbestemmingsplan 'Kom Etten, locatie Dorpsstraat 26' heeft van 5 oktober 2022 tot en met 15 november 2022 ter inzage gelegen. Een ieder is gedurende deze termijn in de gelegenheid gesteld om een mondeling of schriftelijke zienswijze in te dienen.
Er zijn geen zienswijzen ingediend op voorliggend bestemmingsplan. Het plan is ongewijzigd vastgesteld.