| Plan: | Windpark Den Tol Netterden 2016 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1509.BP000144-VA01 |
Een groep lokale agrarische initiatiefnemers en Windunie Development willen samen een nieuw windturbinepark realiseren ten oosten van de kern Netterden in de gemeente Oude IJsselstreek.
Ten behoeve van dit voornemen is Windpark Den Tol Exploitatie B.V. opgericht.
Aanleiding voor het ontwikkelen van een windpark nabij Netterden is in de eerste plaats de exploitatie van het windpark. Daarnaast willen de initiatiefnemers bijdragen aan de algemene doelstelling om de uitstoot van CO2 te reduceren en het aandeel duurzame energie te vergroten. De plannen sluiten aan bij de wens van de gemeenteraad om de windzoekgebieden uit het toenmalige streekplan van de provincie (2005) maximaal te benutten. Windenergie is in Oude IJsselstreek een belangrijke potentiële duurzame energiebron. In 2014 is de provinciale ambitie opnieuw verwoord en vastgelegd in de "Windvisie". De provincie heeft de door de gemeenten aangedragengebieden ruimtelijk vastgelegd in de Gelderse windvisie. De windvisie is een 1e actualisering van de omgevingsvisie.
Het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2000, herziening 2002 laat de bouw van de geplande windturbines niet toe. Om dit mogelijk te maken dient eerst het geldende bestemmingsplan te worden aangepast.
Op 28 november 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Windpark Den Tol Netterden" vastgesteld, waarin de ontwikkeling van een windpark van 10 windturbines planologisch juridisch mogelijk werd gemaakt. Ten behoeve van dat bestemmingsplan is een gecombineerde projectMER/planMER opgesteld dat tegelijkertijd met het bestemmingsplan de procedure heeft doorlopen.
In haar uitspraak van 27 mei 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het bestemmingsplan “Windpark Den Tol Netterden" echter vernietigd, zie paragraaf 1.2 voor de achtergronden.
Naar aanleiding hiervan is het nieuwe - voorliggende - bestemmingsplan "Windpark Den Tol Netterden 2016" opgesteld, waarin de geconstateerde omissies zijn ondervangen en waarin diverse onderdelen zijn geactualiseerd. Het bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van 9 windturbines, die elk een vermogen hebben van circa 3 megawatt (MW), zodat het totale vermogen circa 27 MW bedraagt. De verwachte opbrengst is ongeveer 60.000 MWh. Een elektriciteitsproductie die voldoende is om alle huishoudens van de gemeente van groen stroom te voorzien.
Op 27 mei 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna AbRvS) uitspraak gedaan over het bestemmingsplan Windpark Den Tol Netterden (zaaknr. 201400754/1/R2). In deze uitspraak is het bestemmingsplan integraal vernietigd wegens strijdigheid met artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn. De redenen daarvoor luiden als volgt:
De uitspraak van de AbRvS (zie bijlage E: Raad van State uitspraak) is leidend voor het nieuwe bestemmingsplan.
Windpark Den Tol is geprojecteerd ten oosten van de kern Netterden in de gemeente Oude IJsselstreek, tussen de kern Netterden en de buurtschap Wals. Het plangebied ligt globaal tussen de wegen Omsteg en Jonkerstraat, waarbij de meest noordwestelijke turbine ten noorden van de Omsteg is geprojecteerd.
Het gebied kenmerkt zich als een landelijke, agrarische omgeving met verspreid liggende boerderijen en woningen.
De locatie van het geplande windpark is in onderstaande afbeelding globaal aangeduid met een rode ovaal.
Locatie Windpark Den Tol
Het feitelijke plangebied is weergegeven op de verbeelding bij dit bestemmingsplan.
Binnen het plangebied gelden nu:
Het plangebied heeft in het bestemmingsplan Buitengebied 2000, herziening 2002, voornamelijk de bestemming ‘Agrarisch gebied’. Dat bestemmingsplan kent ook een ontwikkelingskaart, waarop is aangegeven welke ontwikkelingen op een locatie mogelijk worden geacht. Op deze ontwikkelingskaart is het gebied waar het Windpark Den Tol is geprojecteerd aangewezen als ’zoekgebied lijnopstellingen windturbines'.
Het geldende bestemmingsplan bevat echter geen directe bouwtitel, afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid voor het bouwen van windturbines. Daarvoor dient het bestemmingsplan eerst te worden aangepast.
De invulling van deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Om een goed beeld te krijgen bij de situatie wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Vervolgens wordt kort ingegaan op de beleidskaders die van toepassing zijn op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 geeft de planbeschrijving, bestaande uit de planuitgangspunten met betrekking tot zowel de ruimtelijke als functionele aspecten van het plangebied. Hoofdstukken 5 en 6 behandelen de omgevingsaspecten die van toepassing zijn, waarbij in hoofdstuk 6 expliciet wordt ingegaan op het aspect water. De juridische verantwoording en uitleg bij de regels wordt nader toegelicht in hoofdstuk 7. Daarna wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan in hoofdstuk 8. Als laatste wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld in hoofdstuk 9.
De ontstaansgeschiedenis van Netterden is sterk bepaald door de stuwwal bij Montferland, die in de voorlaatste ijstijd is gevormd en door het stroomgebied langs de Oude IJssel loopt. Hierlangs ontstonden ophogingen van zand (rivierduinen) waarop bebouwing werd gevestigd. Netterden was één van deze vestigingen.
Tevens speelden de Romeinen een belangrijke rol. Zij maakten gebruik van de Oosttak van de Rijn als natuurlijk versterkte grens. Langs deze Oostrijn lieten zij een brede strook kreupelhout groeien met op strategische plaatsen militaire wachtposten. Een van deze wachtposten was gelegen (nabij) waar nu Netterden ligt.
In 1900 zijn de eerste kaarten verschenen waarop verschillende natuurlijke landschapselementen waarneembaar zijn. Deze kaarten laten zien dat het landschap rond Netterden werd gekenmerkt door grote aantallen hagen en bomenrijen, die doorgaans werden gebruikt als perceelafscheiding en veekering. Ook elzensingels en knotbomenrijen kwamen in het landschap veel voor. Het belangrijkste doel van deze landschapselementen was het leveren van hout. Het ‘Azewijnsche en Netterdensche Broek’ is in tegenstelling tot de overige gebieden rond Netterden, echt een open landschap geweest, waarschijnlijk omdat dit gebied te nat was om als weide te dienen. Hierdoor waren veekerende hagen niet nodig (‘Nieuwe hagen in een oud landschap’, Bureau Waardenburg, 2010).
De meest ingrijpende verandering in het landschap is de ruilverkaveling in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierbij zijn de perceelvormen rechter gemaakt, waardoor veel hagen en singels zijn gerooid. Het onderscheid in de natte, open gebieden en drogere, gesloten gebieden verdween als gevolg van het moderne waterbeheer.
De ruilverkaveling in de jaren ’60 heeft voor het plangebied geleid tot een forse schaalvergroting.
De verkaveling is nu ruim en rationeel in zijn opzet, waardoor zich hier relatief grote veehouderijen hebben kunnen ontwikkelen. In onderstaande figuur is de landschappelijke structuur weergegeven.
Landschappelijke structuur
Bij de ruilverkaveling zijn verschillende houtsingels en wegbeplantingen verdwenen, waardoor het gebied een open karakter heeft gekregen. Alleen de Papenkampseweg en de Lupseweg kennen een enkelzijdige laanbeplanting waardoor er ruime zichten zijn over het landschap. Verspreid door het plangebied liggen enkele beplante erven als groene accenten in het verder open gebied.
In de noordoosthoek van het plangebied ligt een klei- en zandwinning. Een deel van deze zandwinning wordt niet langer geëxploiteerd en is opengesteld voor recreanten om er te wandelen. Als er voldoende zand gewonnen is, streeft de gemeente naar een landschappelijke inrichting van de oevers en een goede inpassing van de plas in het gebied.
Het dorp Netterden ligt op een oude rivierduin te midden van het lagere, uitgestrekte, en open kleiterras. Het centrum van het dorp wordt gevormd door de kerk en een paar voorzieningen. Het kleine dorp heeft een karakteristiek silhouet, de kerk is van verre zichtbaar. Het oude dorpspatroon is met een hoofdweg, kerkplein, bebouwde straten en een paar boerderijen aan de dorpsrand nog duidelijk herkenbaar.
Het dorp wordt omrand door een zone met een kleinschalig karakter waarin boomgaarden, hagen en weitjes een plaats hebben. Vanuit het dorp bestaat er nauwelijks zicht over de omliggende landerijen.
In het open broekgebied waar het plangebied onderdeel van uitmaakt staan verschillende boerderijen en ook een enkele woning. De boerderijen staan los van elkaar, veelal aan de wegen maar soms ook in het veld. Bij de ruilverkaveling is een aantal boeren in het gebied geplaatst.
Aan de oostzijde, op de overgang naar de Oude IJssel liggen de buurtschappen Wals en Wieken met veel verspreid staande bebouwing.
Duurzame energie (algemeen)
Eén van de doelstellingen van het nationale (en internationale) milieubeleid is het beperken van de uitstoot van broeikasgassen, zoals kooldioxide (CO2). De energiesector is in Nederland verantwoordelijk voor meer dan twintig procent van de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. De investering in duurzame energie heeft naast het reduceren van broeikasgassen als nevendoel om de kwetsbaarheid van de Nederlandse energievoorziening te beperken door deze minder afhankelijk te maken van fossiele brandstoffen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse elektriciteitsvoorziening betekent een forse inspanning. Het huidige kabinet heeft voor wat betreft de doelstelling op het gebied van duurzame energie aansluiting gezocht bij de taakstelling die in Europees verband is geformuleerd. Deze EU-taakstelling voor duurzame energie bedraagt voor Nederland 14% van het finale energiegebruik in 2020. Vertaald naar de door Nederland gehanteerde systematiek komt dit neer op 17% vermeden primaire opwekking; met andere woorden: 17% van de in Nederland opgewekte energie dient in 2020 uit een duurzame bron afkomstig te zijn, zoals bijvoorbeeld de wind of de zon als bron.
Windenergie
Windenergie op land speelt een belangrijke rol bij het behalen van de doelstellingen op korte termijn, omdat deze categorie vergeleken met andere duurzame opties relatief kosteneffectief is en ook significant kan bijdragen aan het realiseren van de doelstelling voor duurzame energie.
Energie van windturbines op land is op dit moment één van de belangrijkste vormen van duurzame energieproductie in Nederland. De opwekking van elektriciteit met behulp van windturbines is een groeiende ruimtegebruiker in Nederland en vele andere landen, die veel aandacht krijgt van politiek en samenleving. Dit moet in een bredere context worden begrepen. Energie is een noodzakelijke voorwaarde voor het functioneren van de samenleving in alle facetten. Afnemers moeten kunnen rekenen op betrouwbare energie tegen concurrerende prijzen. Met het oog op het klimaat en de afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen is een overgang naar een duurzame energiehuishouding nodig. Het is duidelijk dat hernieuwbare energie een onmisbaar onderdeel uitmaakt van de toekomst. De rijksoverheid beaamt dit en heeft in haar beleid en doelstellingen een belangrijke rol voor windenergie opgenomen.
Enkele belangrijke redenen die de rijksoverheid noemt zijn:
Het kabinet Balkenende IV heeft met het Nationaal plan van aanpak Windenergie (2008) aangegeven welke koers Nederland de komende tijd gaat varen op het gebied van windenergie. Eén van de punten uit het plan van aanpak ter stimulering van windenergie is het versnellen van de ontwikkeling van pijplijnprojecten, ofwel concrete initiatieven die in verschillende stadia van ontwikkeling zijn. Tevens geeft het Rijk aan dat men zich meer richt op bundeling van projecten op zorgvuldig gekozen locaties, concentratie van windenergie.
Het regeerakkoord 'Bruggen slaan' (oktober 2012) van het kabinet Rutte II verhoogde de doelstelling voor duurzame energie naar 16%. Windenergie is een belangrijke vorm van duurzame energie waarmee Nederland deze doelstelling halen kan. In 2014 was het opgestelde vermogen ongeveer 2.500 MW. Volgens het Energierapport 2011 is het Nederlands potentieel voor windenergie op land ongeveer 6.000 MW aan opgesteld vermogen. Een energieproductie van 6.000 megawatt komt neer op zo’n 2.000 windmolens. Die voorzien jaarlijks 3,6 miljoen huishoudens van elektriciteit.
Het Rijk maakte in 2013 afspraken met provincies om deze 6.000 MW windenergie op land in 2020 mogelijk te maken. Om de gewenste bundeling en versnelling vorm te geven worden door provincies in hun omgevingsplannen locaties aangewezen waar windenergie (geconcentreerd) kan worden gerealiseerd. Het Rijk werkte deze afspraken verder uit in de Structuurvisie windenergie op land.
Omdat moderne windturbines een groter vermogen hebben, betekent de doelstelling voor windenergie min of meer een verdubbeling van het huidige aantal windturbines in Nederland. Alle beschikbare opties met uitzondering van de meest dure zijn tot 2020 nodig. Dit geldt nog sterker voor een toekomstig hoger aandeel duurzame energie; dat hogere aandeel past in het streven van het huidige kabinet naar een volledig duurzame energievoorziening in 2050.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 12 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de nieuwe SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creeëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van nationale belangen.
De SVIR vervangt verschillende bestaande nota's zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.
Er worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Tevens verstevigt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte nog meer bij de provincie en gemeenten gelegd.
Daarnaast zijn er 13 nationale belangen benoemd; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. De nationale belangen worden geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De 13 nationale belangen zijn:
De ontwikkeling van Windpark Den Tol is in lijn met bovenstaande beleid, aangezien het in overeenstemming is met hoofddoel 1 "het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland en hoofddoel 3 "Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving" en de daarbij behorende nationale belangen 2 en 13.
Ruimte voor energievoorziening
Het is primair de taak van provincies en gemeenten om voldoende ruimte te bieden voor duurzame energievoorziening (zoals wind- en zonne-energie en biomassa). Het ruimtelijk rijksbeleid voor (duurzame) energie beperkt zich enkel tot grootschalige windenergieprojecten op land en op zee, gelet op de grote invloed op de omgeving en de omvang van deze opgave.
Rijk en provincies zorgen verder voor het ruimtelijk mogelijk maken van de doorgroei van windenergie op land tot minimaal 6000 MW in 2020. Niet alle delen van Nederland zijn immers geschikt voor grootschalige winning van windenergie. Het Rijk heeft in de SVIR gebieden op land aangegeven die hiervoor kansrijk zijn op basis van de combinatie van landschappelijke en natuurlijke kenmerken, alsmede de gemiddelde windsnelheid. Binnen deze gebieden gaat het Rijk in samenwerking met de provincies locaties voor grootschalige windenergie aanwijzen. Hierbij worden ook de provinciale reserveringen voor windenergie betrokken. Deze gebieden zullen nader worden uitgewerkt in de Rijksstructuurvisie Windenergie op land.
Dus naast de grootschalige windenergieopgave hebben de provincies een opgave om een bepaalde quota aan windenergie te realiseren. Hiervoor worden locaties als Den Tol opgenomen.
Structuurvisie Windenergie op Land (SVWoL)
De Structuurvisie Windenergie op Land (vastgesteld 28 maart 2014) is een uitwerking van de SVIR. In de SVWoL presenteert het kabinet een ruimtelijk plan voor de doorgroei van windenergie op het grondgebied van Nederland; land en grotere wateren, met uitzondering van de Noordzee. Het kabinet geeft aan op welke manier dit mogelijk is en wie verantwoordelijk is voor het aanwijzen van de ruimte voor deze windturbines. Hiervoor zijn 3 soorten beleid gepresenteerd:
Concluderend stelt het kabinet, dat de ontwikkeling van windenergie op land een cruciale bijdrage levert aan de kabinetdoelstellingen voor duurzame energie. Het nut en de noodzaak van windenergie op land zijn daarmee evident. De ruimte binnen de in deze structuurvisie aangewezen gebieden en binnen de door provincies aan te wijzen gebieden zal tenminste nodig zijn om de opgave van 6000 MW windenergie op land in 2020 te realiseren. Daarnaast zullen alternatieve bronnen van duurzame energie, zoals wind op zee, zonne-energie en bij- en meestook van biomassa in kolencentrales noodzakelijk blijven om de duurzame energiedoelstelling van 14% in 2020 en 16% in 2023 te halen.
De locatie van windpark Den Tol is in meerdere beleidsdocumenten aangewezen als geschikt voor windenergie en de voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met Rijksbeleid.
Omgevingsvisie Gelderland (maart 2015)
De geconsolideerde omgevingsvisie Gelderland van maart 2015 omvat de omgevingsvisie (vastgesteld 9 juli 2014) en het actualisatieplan Windvisie (vastgesteld op 12 november 2014 en op 25 februari 2015).
Het vertrekpunt bij het maken van deze Omgevingsvisie zijn de maatschappelijke opgaven geweest die in gesprekken met overheden, organisaties en particulieren zijn benoemd. In de context van 2014 zijn onder meer de volgende ontwikkelingen te voorzien:
De provincie Gelderland kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
Een aspect dat zowel de economische doelstelling als de kwaliteit van de leefomgeving aangaat, is de productie van hernieuwbare energie.
De Gelderse ambitie om in 2020 een aandeel te hebben van 14% hernieuwbare energie en toe te groeien naar energieneutraliteit in 2050, heeft grote ruimtelijke gevolgen. Het zal het aanzien van de provincie Gelderland fors veranderen. De provincie is zich hier goed van bewust en realiseert zich dat om de doelen daadwerkelijk te kunnen behalen met voldoende maatschappelijk draagvlak en goede landschappelijke inpassing, elk duurzaam potentieel moet worden benut. Niet alleen grootschalig, maar ook (juist) vanuit kleine (maar vele) lokale initiatieven. Maar ook meer snelheid is geboden: hernieuwbare energieopties met een substantiële capaciteit aan hernieuwbare energie, hebben vaak lange doorlooptijden met ingewikkelde vergunningsprocedures en aanbestedingstermijnen. Hier kan en zal de provincie een proactieve rol oppakken. Door met de regiopartners samen te werken bij en na het opstellen van de afzonderlijke energieroutekaarten, kan het provinciale bestuur haar ruimtelijke instrumenten inzetten om de routekaarten versneld uit te kunnen voeren. De provincie komt met een voorstel om - in co-creatie - deze majeure opgave integraal aan te pakken:
De gedeelde maatschappelijke opgaven zijn in de visietekst vanuit de twee provinciale hoofddoelen vertaald naar provinciale ambities, die sectoraal zijn uitgewerkt. Tegelijkertijd zijn enkele grote opgaven multisectoraal van aard en vergt de aanpak een integrale aanpak.
Energietransitie
De provincie en haar partners streven naar een betrouwbare, betaalbare en hernieuwbare energievoorziening en naar energieneutraliteit in 2050. De gewenste omslag is:
Dit doen ze vanuit de verantwoordelijkheid voor de leefomgeving, om minder afhankelijk te worden en om gebruik te maken van de economische mogelijkheden die dit biedt. Energietransitie biedt kansen voor nieuwe bedrijvigheid en innovatie.
Op weg naar energieneutraliteit in 2050 wil de provincie als tussendoelstelling jaarlijks minimaal 2% energie besparen en in 2020 minimaal 14% hernieuwbare energie opwekken, waarvan 50% decentraal. Decentraal betekent lokaal opwekken en verbruiken. De provincie zal de nieuwe productie van fossiele energie in Gelderland niet actief faciliteren.
Een hernieuwbare energievoorziening vraagt om veel ruimte die de provincie met deze Omgevingsvisie wil bieden. Waar fossiele energie ver van huis uit de bodem wordt gehaald en minder zichtbaar is, wordt de meeste hernieuwbare energie ter plekke bovengronds opgewekt en moet een plaats krijgen in het landschap. De transitie naar een energieneutraal Gelderland zal dan ook steeds zichtbaarder worden in het landschap.
Windenergie
De taak van de provincie is het aanwijzen van voldoende ruimte voor deze hoeveelheid windenergie. Daarnaast is voor de periode na 2020 meer windenergie nodig om de doelstelling van energieneutraliteit te realiseren. De daadwerkelijke realisatie van windturbineparken is geen taak van de provincie. Draagvlak en participatie zijn mede sleutels voor realisatie.
In september 2014 stonden er 26 windmolens (52 MegaWatt) in Gelderland en zijn er voor nog eens 18 windmolens bestemmingsplannen gemaakt (48 MegaWatt). Om de afspraken met het Rijk over 6.000 MW windenergie op land in 2020 uit te voeren, heeft de provincie Gelderland afgesproken dat 230,5 MW aan windenergie wordt opgesteld. Dit is voor minimaal 140.000 huishoudens. Dit betekent dat er nog 51 windmolens extra nodig zijn. Locaties hiervoor, waaronder het gebied Den Tol, zijn in de Windvisie vastgelegd.
Het gebied voor de realisatie van Windpark Den Tol is in de omgevingsvisie gelegen in een gebied waar windenergie mogelijk is. In deze gebieden ziet de provincie op voorhand geen belemmeringen voor de ontwikkeling van windenergie. In overleg met regio's en gemeenten kunnen in deze gebieden windenergielocaties worden vastgesteld die kunnen worden toegevoegd aan de locaties met afspraken over wind. De locatie is tevens aangeduid als 'windenergie bestaand en vergund'. Dit betekent dat over de locatie overeenstemming is tussen provincie en gemeente.
|
|
Uitsnede kaart Windenergie
Het combineren van windturbines met andere, intensieve functies in een gebied heeft de voorkeur van de provincie. Het kan de beleving van een gebied onderstrepen.
Vormgeving van windenergie in Gelderland
Het provinciale beleid voor windenergie is geformuleerd voor turbines met een horizontale as en twee of drie bladen die niet op gebouwen staan.
Windturbines kunnen gerealiseerd worden mits hun ontwerp als integrale ontwerpopgave wordt uitgewerkt, rekening houdend met de kenmerken van de plek. De kracht van een ruimtelijk ontwerp is dat de economische waarde van het initiatief en de maatschappelijke meerwaarde van een beleefbaar Gelders landschap samen komen.
In gebieden waar windenergie mogelijk is, kunnen kleine windturbines (maximaal 25 meter ashoogte) aansluiten bij bedrijvigheid in de agrarische sector. Het is aan de gemeente om te besluiten of dit past in het vigerende ruimtelijke beleid. Kleine windturbines kunnen een relatief beperkte bijdrage leveren aan de doelstelling windenergie van 230,5 MW. Door het relatief kleine opgewekte elektrisch vermogen (minder dan 5 MW) behoren de kleine windturbines volgens de Elektriciteitswet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente.
Landbouwontwikkelingsgebied en verwevingsgebied
Het plangebied is tevens aangeduid als landbouwontwikkelingsgebied en verwevingsgebied.
|
|
Uitsnede kaart Landbouw
In de landbouwontwikkelingsgebieden zijn drie aspecten aan de orde:
Voor het eerste aspect geldt dat de provincie de bestaande mogelijkheden (rechten) van bedrijven binnen het bouwperceel respecteert. Wanneer het bouwperceel wordt vergroot, moet de ondernemer extra stappen zetten voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en rekening houden met de aandachtspunten uit de PlanMER: Duurzame ontwikkeling niet-grondgebonden landbouw.
In landbouwontwikkelingsgebieden is er een beperkte mogelijkheid om nieuwe niet-grondgebonden bedrijven te stichten. De mogelijkheid geldt alleen voor bedrijven die voor 14 mei 2013 een aanvraag voor vestiging hebben ingediend bij een gemeente. Deze uitzondering geldt ook voor bedrijven die al een subsidiebeschikking hebben gekregen van de provincie en zich nog moeten verplaatsen naar landbouwontwikkelingsgebieden.
In de verwevingsgebieden zijn meerdere functies met elkaar verweven. In dit gebied zijn drie aspecten aan de orde.
Voor het eerste aspect geldt dat de provincie de bestaande mogelijkheden (rechten) van bedrijven voor het bouwperceel respecteert. Wanneer het bouwperceel wordt vergroot, moet de ondernemer extra stappen zetten voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en rekening houden met de aandachtspunten uit de PlanMER: Duurzame ontwikkeling niet-grondgebonden landbouw.
In zowel landbouwontwikkelingsgebieden als in verwevingsgebieden wordt ruimte geboden aan andere functies (niet-agrarische bestemmingen).
In het betreffende gebied ligt geen bouwaanvraag voor nieuwvestiging van een veehouderijbedrijf waardoor er door de komst van de windmolens van Windpark Den Tol geen initiatieven voor nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf worden belemmerd.
In de Omgevingsverordening (vastgesteld 24 september 2014) zijn regels (randvoorwaarden) opgenomen passend bij de provinciale aanpak van ambities en doelen in de omgevingsvisie. Veel van deze regels waren eerder in diverse andere verordeningen van de provincie opgenomen. De provincie trekt deze oude verordeningen in en brengt de Omgevingsverordening ervoor in de plaats. De regels in de Omgevingsverordening zijn zodanig dat zij goed passen bij de accenten in de aanpak van de Omgevingsvisie.
Op grond van artikel 2.8.1.1. van de Omgevingsverordening is het in de provincie Gelderland mogelijk om windturbines te realiseren, mits het bestemmingsplan is voorzien van een ruimtelijk ontwerp. In het tweede lid van het betreffende artikel is vermeld aan welke aspecten in het ontwerp in ieder geval aandacht moet worden besteed.
De voorwaarde van een ruimtelijk ontwerp is bedoeld om een ontwerpende benadering te borgen en op die manier in te zetten op economische meerwaarde én de ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Voor de doorwerking van het ontwerp is het van belang dat het ruimtelijk ontwerp als toelichting in het bestemmingsplan wordt opgenomen.
In het ruimtelijk ontwerp wordt de relatie gelegd tussen de op te richten windturbines en het omringende landschap. Ook moet in het ontwerp aandacht worden besteed aan eventueel nabij gelegen windturbines of windturbineparken. Visualisaties van de windparken in samenhang met elkaar kunnen bijvoorbeeld aantonen dat er geen sprake is van visuele interferentie. Aandachtspunten in het ruimtelijk ontwerp zijn:
In artikel 2.8.1.2. van de omgevingsverordening is een aantal gebieden aangewezen waarin geen windturbines mogen worden geplaatst, dit vanwege specifieke kwetsbaarheid van het gebied. Dit betreft de ganzenfoerageergebieden, de weidevogelgebieden en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelzone is het oprichten van windturbines toegestaan, voorzover passend binnen de regels die gelden voor ontwikkelingen binnen het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelzone. Het gebied voor Windpark Den Tol is in de omgevingsverordening niet aangeduid als een gebied waar geen windturbines mogen worden geplaatst.
Op basis van voorstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling van Windpark Den Tol niet in strijd is met het provinciaal beleid. Er treedt weliswaar wel enige mate van visuele interferentie op met een naburig park, maar het ontwerp van de twee parken is wel op elkaar afgestemd (zie paragraaf 4.5).
De Regio Achterhoek heeft in 2012 met behulp van het Europese INTERREG project EU2020 Going Local, het Local Action Plan (LAP) laten opstellen. In het LAP is gekwantificeerd hoe de Achterhoek de doelstellingen uit het Akkoord van Groenlo (AvG) kan bereiken:
Op grond van het LAP betekent dit dat er in de Achterhoek totaal voor 125 MW aan windenergie opgewekt moet worden. Er van uitgaande dat:
Dit houdt in dat in de Achterhoek totaal 50 windturbines van 2,5 MW moeten worden geplaatst. Omgerekend betekent dit een bruto ruimtegebruik van 441 hectare. Binnen de Achterhoekse gemeenten, waaronder Oude IJsselstreek, is momenteel 28 MW aan vermogen opgesteld in de volgende windparken:
Tot 2030 moet naast het windpark Den Tol, goed voor 27 MW (9 turbines van 3 MW), in de Achterhoek nog 70 MW windenergie worden gerealiseerd. Dit betekent nog 28 winturbines van 2,5 MW (bruto ruimtegebruik van circa 247 hectare).
Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025
De structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 (vastgesteld 12 mei 2011) is het kader voor de ontwikkeling van de gehele gemeente Oude IJsselstreek tot 2025. Deze visie geeft richting aan de ruimtelijke, economische en maatschappelijke ontwikkeling van het gehele grondgebied van de gemeente.
De gemeente wil doorgaan met een actief klimaatbeleid op het gebied van energie besparen, het ontwikkelen van een duurzamere mobiliteit, het opwekken van duurzame energie binnen de gemeentegrenzen en de gevolgen van de klimaatproblematiek voor haar burgers actief aanpakken.
Bedrijven en burgers die initiatieven ontwikkelen op het gebied van duurzaamheid worden gestimuleerd. De gemeente zoekt naar initiatieven en ontwikkelt plannen om de samenleving duurzamer te maken en CO2 uitstoot sterk te verminderen. De gemeente ondersteunt het Akkoord van Groenlo. De ambitie van dit akkoord, dat gesloten is door 8 gemeenten, is om in 2020 de CO2 uitstoot met 50% te reduceren en op termijn energieneutraal te zijn. Het zelf produceren van duurzame energie is hierin essentieel. De gemeente is in 2010 begonnen met gericht beleid hiervoor te maken.
Belangrijke onderdelen van dit beleid zullen zijn:
Het potentieel aan duurzame energie kan opgedeeld worden in enkele bronnen, zoals wind- en zonne-energie en biovergisting.
De "Achterhoek Agenda 2020" heeft de ambitie om energieneutraal te zijn in 2030. De gemeente Oude IJsselstreek is deel van de regio Achterhoek en onderstreept deze regionale ambitie. De ambitie wordt in 2016 vertaald naar een uitvoeringsagenda.
Windenergie
In het gemeentelijk beleidskader "Tijd voor Nieuwe energie 2012-2020" (2011) blijkt dat windenergie in de gemeente een groot potentieel heeft aan duurzame energieopbrengst. Dit beleidskader gaat uit van de provinciale zoekgebieden voor windenergie uit 2005. De gemeente stelt dat de zoekgebieden bij Netterden maximaal benut moeten worden voor windenergie. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de ruimtelijke impact die de hoge masten en draaiende rotors op de omgeving hebben.
Ter voorkoming van onnodige nadelige effecten is clustering van molens het uitgangspunt. Een visuele aansluiting van nieuwe windmolenparken kan gezocht worden bij de windmolenparken aan de Papenkamseweg over de grens in Duitsland. Ook ten aanzien van de beeldkwaliteit geldt dat het landschap wezenlijk verandert door de plaatsing van de windturbines.
Klimaatbeleid
De gemeente Oude IJsselstreek voert een ambitieus klimaatbeleid. Zo onderschrijft de gemeente het Akkoord van Groenlo uit 2009. In dit akkoord worden overheden, ondernemers, maatschappelijke organisaties en inwoners opgeroepen om een forse CO2-reductie van 50% te realiseren en op den duur de Achterhoek volledig zelfvoorzienend te maken met duurzame energie. De gemeente heeft een beleidskader voor duurzame energie ontwikkeld. Gebruik maken van het potentieel aan windenergie in de gemeente is cruciaal om de ambitie van het akkoord van Groenlo te halen. In het beleidskader "Tijd voor Nieuwe energie 2012-2020" (2011) is het streven opgenomen om 33 kiloton CO2 reductie per jaar te halen (vermeden CO2 uitstoot) voor de windenergiesector in zijn geheel. Het windpark in oprichting aan de Papenkampseweg zal een reductie halen van ongeveer 10,4 kiloton CO2 per jaar. In de gemeentelijke structuurvisie staat dat de gemeente de nu bestaande windzoekgebieden uit het provinciale steekplan van 2005 maximaal wil benutten. Ook zal de gemeente open blijven staan voor nieuwe mogelijkheden bij een verandering in ruimtelijk beleid.
De "Achterhoek Agenda 2020" heeft de ambitie om energieneutraal te zijn in 2030. De gemeente Oude IJsselstreek is deel van de regio Achterhoek en onderstreept deze regionale ambitie. De ambitie wordt in 2016 vertaald naar een uitvoeringsagenda.
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van Windpark Den Tol. Het geplande windpark bestaat uit negen windturbines op een aantal agrarische percelen in het gebied ten noordoosten van Netterden, nabij de grens met Duitsland. De situatie van het plangebied is weergegeven en beschreven in paragraaf 1.3 Ligging en begrenzing van het plangebied.
Aanleiding voor het ontwikkelen van een windpark nabij Netterden is in de eerste plaats de exploitatie van het windpark. Daarnaast willen de initiatiefnemers bijdragen aan de doelstelling om de uitstoot van CO2 te reduceren en het aandeel duurzame energie te verhogen.
In de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland is de locatie Den Tol aangewezen als ' windenergie bestaand en vergund'.
Anno 2015 is de doelstelling voor windenergie in Gelderland verhoogd naar 230,50 MW in 2020. Ook op gemeentelijk niveau is met ondersteuning van het Akkoord van Groenlo de ambitie op het vlak van duurzame energie verhoogd. Dit heeft mede geleid tot de ontwikkeling van een tweede windpark bij Netterden, zoals ook opgenomen in de gemeentelijke structuurvisie 2025 en het beleidskader “Tijd voor nieuwe energie” (gemeente Oude IJsselstreek, vastgesteld in juni 2011).
De provincie Gelderland heeft in haar Windvisie aangegeven waar de bestaande en toekomstige windmolenparken geprojecteerd staan. De locatie Den Tol is hierin aangewezen als windpark.
Het windpark moet voldoen aan verscheidene algemene randvoorwaarden ten aanzien van milieu- en omgevingsaspecten. Er is onderscheid te maken tussen harde randvoorwaarden en richtlijnen. Aan harde voorwaarden zal te allen tijde voldaan dienen te worden (bijvoorbeeld de voorwaarden voor slagschaduw en geluid). Van richtlijnen kan gemotiveerd worden afgeweken, maar deze geven wel aanwijzingen (bijvoorbeeld de afstanden tot risicobronnen conform het handboek Risicozonering Windturbines). De belangrijkste algemene voorwaarden betreffen:
Veiligheid
Geluid
Slagschaduw
Flora en fauna
In het windpark Den Tol zullen moderne, stille windturbines worden toegepast, volgens de laatste stand der techniek. Dergelijke turbines geven een hoge energieopbrengst. Uitgangspunt is dat het windpark zal bestaan uit 9 (dezelfde) turbines uit de 3 MW klasse. Een keuze voor een concreet type turbine van een bepaalde leverancier is echter nog niet gemaakt; dit gebeurt pas vlak voor het indienen van de omgevingsvergunningaanvraag (bouwen en milieu).
Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is een turbine uit de 3 MW klasse met een ashoogte van minimaal 100 meter en maximaal 139 meter en een rotordiameter van 112 meter als ondergrens en 122 meter als bovengrens. Alle thans leverbare modellen in de 3 MW klasse passen binnen deze specificaties en uit het bijgevoegde MER blijkt dat de milieueffecten van een dergelijke turbine vallen binnen de bandbreedte van effecten van het onderzochte referentietype (Vestas V112).
Hoewel fabrikanten met grote regelmaat nieuwe turbinetypen ontwikkelen, biedt het bestemmingsplan zo voldoende flexibiliteit bij de uiteindelijke keuze voor een specifiek turbinetype.
In deze paragraaf wordt allereerst ingegaan op het MER zoals dat in juni 2013 is opgesteld naar aanleiding van het voornemen om 10 windturbines te realiseren in Windpark Den Tol. Vervolgens is er in november 2015 een oplegnotitie opgesteld omdat het voornemen is gewijzigd in de realisatie van 9 windturbines. De meest zuidoostelijke windturbine is komen te vervallen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt het voornemen met 9 windturbines in windpark Den Tol. Het MER uit 2013 en de oplegnotitie uit 2015 zijn samen geldig.
Een windpark van meer dan 15 MW of meer dan 10 windturbines is m.e.r.-beoordelingsplichtig. Dit betekent dat het bevoegd gezag na beoordeling van de mogelijke milieueffecten kan besluiten dat een project-MER opgesteld dient te worden. Zowel de initiatiefnemers als de betrokken overheden vinden het gewenst om een project-m.e.r. uit te voeren voor het Windpark Den Tol.
Er bestaat voor dit project ook een plicht om een plan-MER uit te voeren. Indien namelijk het bestemmingplan wordt aangepast om een activiteit mogelijk te maken waarvoor een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, is voor deze planologische aanpassing het doorlopen van een plan-m.e.r. vereist. Een plan-MER beschouwt de mogelijke milieu-effecten van het bestemmingsplan.
Voor het Windpark Den Tol is een gecombineerd plan- en project-MER opgesteld, dat als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd, zie Bijlage A: MER Windpark Den Tol. De aanvulling op het MER is opgenomen in Bijlage B: Aanvulling MER en en het advies van de commissie m.e.r. in Bijlage C: Advies commissie m.e.r..
Het doel van het MER is om informatie te leveren die het mogelijk maakt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. In dit geval gaat het om het planologische besluit en de omgevingsvergunning (milieuvergunning). Het MER geeft inzicht in de effecten op het milieu en in dit geval zal het voornamelijk gaan over flora en fauna, geluid, slagschaduw en landschap. In het MER wordt tevens aangegeven hoe eventueel optredende effecten verzacht of teniet gedaan kunnen worden door zogeheten mitigerende maatregelen.
Op basis van een aantal modellen voor windparken op de locatie, mogelijke hinder voor omwonenden, ecologie en elektriciteitsopbrengst, zijn vier alternatieven ontwikkeld.
Het proces omtrent de ontwikkeling van de alternatieven is beschreven in hoofdstuk 5 van het MER, dat als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd.
De ontwikkelde alternatieven bestaan uit modellen met windturbines ‘aan de wegen’, langs de Netterdensestraat en de Jonkerstraat en ‘parallelle lijnen’, met windturbines meer in noord-zuidgerichte lijnen.
Voor elk van deze twee modellen bestaat een variant met een ashoogte van 100 meter en een variant met een ashoogte van 139 meter.
In het MER worden zodoende de volgende vier alternatieven voor het windpark beoordeeld op milieueffecten:
Alternatief 1
Alternatief 2
Alternatief 3
Alternatief 4
Op basis van een vergelijking van milieueffecten van de verschillende alternatieven hebben de initiatiefnemers een voorkeur voor alternatief 3. Dit alternatief heeft verreweg de meeste elektriciteitsopbrengst en heeft de minste effecten op ecologie. Hoewel het alternatief minder scoort op de aspecten 'landschap', ‘aantal woningen binnen de verschillende geluidscontouren’ en ‘effect op beschermde gebieden’, voldoet het alternatief aan alle wettelijke normen en bepalingen.
Voor een uitgebreide vergelijking van de verschillende alternatieven wordt kortheidshalve verwezen naar het bijgevoegde MER.
Bij realisatie van het voorkeursalternatief zal een aantal mitigerende maatregelen worden getroffen om slagschaduw en effecten op flora en fauna en archeologie te beperken of te compenseren.
Op deze mitigerende maatregelen wordt in Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten nader ingegaan.
Het voorkeursalternatief vormt de basis voor dit bestemmingsplan.
Gelet op de constateringen in het MER kan geconcludeerd worden dat er geen onaanvaardbare milieueffecten optreden en dat de uitkomsten van het MER zich niet verzetten tegen de verdere planvorming.
Oplegnotitie november 2015
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft Pondera een oplegnotitie opgesteld. In deze oplegnotitie wordt het MER geactualiseerd op basis van nieuw beleid en de uitspraak van de Raad van State. De oplegnotitie (zie Bijlage 25 Oplegnotitie MER onder Bijlage F: Aanvullende onderzoeken) kan samen met het MER uit 2013 worden gelezen.
In de oplegnotitie wordt achtereenvolgens ingegaan op:
Deze aspecten worden elders in de toelichting besproken.
Notitie effect van een windturbine minder in windpark Den Tol
In deze notitie (zie Bijlage 30 Notitie effect van een windturbine minder in windpark Den Tol) is onderzocht wat het effect is indien de meest zuidoostelijk geprojecteerde windturbine niet wordt gerealiseerd.
Omdat in zijn algemeenheid een windturbine minder plaatsen leidt tot minder effecten op de directe omgeving, is het niet nodig om elk milieuaspect uitvoerig opnieuw te beschouwen. In deze notitie wordt uitsluitend gekeken naar die milieuaspecten die mogelijk wel leiden tot wezenlijk andere milieueffecten. Dat zijn geluidhinder, slagschaduwhinder en landschap.
Geluidhinder
Op voorhand kan worden gesteld dat er sprake zal zijn van een mindere belasting voor de omgeving, immers er is één turbine minder, en dat uiteraard ook wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit.
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidniveaus bij de woningen van derden voldoen aan de norm Lden=47 dB en Lnight=41 dB.
Slagschaduw
In het onderzoek zijn de berekende schaduwhinderduren op de rekenpunten van het windpark met 9 turbines van de verschillende turbinetypen samengevat. De verwacht jaarlijkse hinderduur ligt tussen de 1 en 26,5 uur per jaar. De tijden worden beperkt tot maximaal zes uur per jaar door conform het Activiteitenbesluit de turbines te voorzien van een stilstandsregeling.
Landschap
Om het effect van een windturbine minder te kunnen duiden, zijn de fotovisualisaties aangepast die in het kader van het MER voor windpark Den Tol (juni 2013) zijn gemaakt. Op elke fotovisualisatie is (wanneer zichtbaar) de meest zuidoostelijk gelegen windturbine uit de foto verwijderd. Dat is gedaan voor alle fotopunten (A tot en met I) voor variant 3 van het MER (met het turbinetype Vestas V112 op 139 meter ashoogte) met uitzondering van fotopunt F en H die gevisualiseerd zijn met een Alstom Eco 122 turbine op 100 meter ashoogte. In bijlage 5 van het MER zijn de oorspronkelijke fotovisualisaties opgenomen en in bijlage 14 de twee visualisaties met de Alstom windturbines. Voor een nadere beschrijving hoe de visualisaties zijn gemaakt wordt naar bijlage 5 van het MER verwezen.
De nieuwe fotovisualisaties zijn eveneens opgenomen in paragraaf 4.5 Landschappelijke effecten.
Onderdeel van het MER van 2013 is de Passende Beoordeling (PB) die in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is opgesteld. De Passende Beoordeling is in 2015 aangepast, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State. De nieuwe Passende Beoordeling is opgenomen als Bijlage 26 Passende Beoordeling onder Bijlage F: Aanvullende onderzoeken.
De beoordeling van de alternatieven die zijn beschouwd in het MER veranderen niet door de nieuwe PB. Nog steeds scoren alternatief 2 en 3 beter dan alternatief 1 en 4 bij het effect op beschermde gebieden tijdens exploitatie van het Windpark vanwege het geringer aantal vogelslachtoffers en de minder grote barrièrewerking. Alternatief 3 scoort beter dan de andere alternatieven bij het effect op beschermde soorten tijdens de exploitatie (zie het MER uit 2013).
In eerste instantie was voorzien in een nieuw windpark met tien windturbines. In de omgeving van het projectgebied liggen twee Natura 2000-gebieden. Mogelijk leidt constructie en exploitatie tot externe werking op Natura 2000-gebieden. Op basis van de verwachte effecten, de afstanden waarover soorten zich verplaatsen, kwalificatie voor Natura 2000-gebieden en of soorten aanwezig zijn en daadwerkelijk deel uitmaken van de populatie van het betreffende Natura 2000-gebieden is een lijst met relevante toetsingssoorten gemaakt.
Gezien de ligging van het gebied en de aanwezige vliegroutes is alleen het Natura 2000-gebied Unterer Niederrhein relevant. Een aantasting van de natuurlijke kenmerken is uitgesloten voor de Natura 2000-gebieden Rijntakken. Voor relevante toetsingssoorten is het van belang dat het projectgebied een functie heeft (als foerageergebied, rustgebied, broedgebied of als vliegroute) én dat de soort kwalificeert voor het Natura 2000-gebied Unterer Niederhein.
Uit de Passende Beoordeling volgt dat er alleen als gevolg van aanvaringsslachtoffers van vogels (grutto en wulp) en optische verstoring als gevolg van de aanwezigheid van de meest zuidoostelijke turbine (grutto) significante effecten op kunnen treden. Het aantal aanvaringsslachtoffers is in voldoende mate te mitigeren door een stilstandsverplichting van de zuidoostelijke turbine tijdens het broedseizoen. Van deze turbine is niet geheel uit te sluiten of deze ook verstoring veroorzaakt van een deel van het broedgebied van de grutto in het Duitse Natura 2000-gebied.
Om elke twijfel weg te nemen is er zekerheidshalve voor gekozen deze turbine niet te plaatsen zodat er met zekerheid voldoende mitigatie is genomen ten behoeve van het Natura 2000-gebied Unterer Niederrhein.
Naar aanleiding van deze bevindingen is besloten het voornemen aan te passen door de meest zuidoostelijke windturbine te laten vervallen. Hiermee bestaat het plan uit 9 windturbines en zijn de bezwaren vanuit natuur komen te vervallen.
Vergunning
Door een recente wijziging in de Nbwet per 1 juli 2015 is het noodzakelijk om een vergunning in het kader van deze wet aan te vragen, als er uitsluitend een effect is op een buitenlands Natura 2000-gebied. Volgens artikel 2a, lid 4 geldt dat "Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking heeft op een project dat of andere handeling die uitsluitend gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied dat buiten Nederland is gelegen, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin het project of de andere handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht, op de aanvraag." Dit betekent dat een vergunningsaanvraag voor Windpark Den Tol moet worden gedaan, als gevolg van de effecten op het buitenlandse Natura 2000-gebied.
Deze aanvraag is op 6 november 2015 ingediend.
Het plan voorziet in de realisatie van een windturbinepark bestaande uit negen windturbines met een ashoogte van minimaal 100 meter en maximaal 139 meter en een vermogen van circa 3 MW per turbine.
Het nieuwe windturbinepark heeft daarmee een totaal opgesteld vermogen van circa 27 MW.
De windturbines worden opgesteld op een aantal agrarische percelen in het gebied ten noordoosten van Netterden. Het windpark bestaat uit twee lijnopstellingen van vijf respecctievelijk vier turbines, ongeveer parallel aan het beoogde windpark aan de Papenkampseweg (bouw voorjaar 2016, realisatie zomer 2016). De locaties van de windturbines zijn weergegeven in onderstaande figuur.
Locaties van de windturbines
Elke turbine heeft drie rotorbladen en is in de grond verankerd middels een fundament. Dit fundament bestaat uit heipalen en een betonnen fundering van circa 18 bij 18 meter (afhankelijk van het uiteindelijke turbinetype). Rond de turbines zullen geen hekwerken worden geplaatst. Alleen de toegangswegen zullen worden voorzien van een hekwerk.
Elke windturbine is voorzien van een inwendige transformator (naar 10 kV). Vanaf de transformator in de turbine loopt een ondergrondse kabel naar het inkoopstation dat bij het windpark zal worden gerealiseerd, van waar via een ondergrondse kabel de elektrische stroom het landelijke elektriciteitsnetwerk op gaat, waarschijnlijk via het onderstation in Ulft.
Het inkoopstation is een afzonderlijke technische ruimte, vergelijkbaar met een nutsgebouwtje. Hier wordt de elektriciteit die is opgewekt door de windturbines doorgeleverd naar het openbare net. Het inkoopstation, dat een bouwhoogte heeft van 3,5 meter en een oppervlakte van maximaal 40 m2, wordt gebouwd op een nader te bepalen plaats binnen de begrenzing van het windpark.
Het tracé van de ondergrondse kabel vanaf het inkoopstation naar het onderstation in Ulft is nog niet definitief bepaald, maar zal zoveel mogelijk bestaande infrastructuur volgen, waarbij een zo kort mogelijk tracé wordt nagestreefd (hemelsbreed is de afstand circa 5 kilometer) en voldoende afstand wordt gehouden tot kwetsbare bestemmingen (woningen, scholen).
Tijdens de bouw van het windpark maar ook in de gebruiksfase moeten de windturbines in verband met onderhoud altijd bereikbaar zijn, ook voor zwaar transport. Elke windturbine wordt daarom via een eigen weg aangesloten op het bestaande wegennet. Deze onderhoudswegen worden circa 4 meter breed en voorzien van halfverharding of gesloten verharding. De onderhoudswegen zijn zo gepositioneerd, dat deze het landbouwkundig gebruik van de agrarische percelen zo min mogelijk belemmeren.
In de bouwfase zullen eerst de wegen en opstelplaatsen worden aangelegd. Vervolgens zullen de fundamenten van de windturbines worden gebouwd, door in een diameter van circa 18 meter heipalen te slaan en het fundament te vullen met beton. Daarna zullen de turbinepalen worden geplaatst, waarna de rotor en de turbinebladen worden gemonteerd. De bouw en aanleg van het windpark beslaat naar verwachting een periode van ongeveer een half jaar.
De exploitatie van het windpark heeft een permanent karakter (24-uurs bedrijfsvoering) en is bedoeld voor onbepaalde tijd. De technische levensduur van de windturbines bedraagt minimaal 20 jaar.
Het is evident dat windturbines in het ene landschap beter inpasbaar zijn dan in het andere. Windturbines hebben impact op het landschap. Het zijn nieuwe landschapselementen die in veel gevallen vanaf grote afstand zichtbaar zijn. De constructiegrootte maakt dat ze het landschap overstijgen. Ook hun functie overstijgt de lokale situatie en refereert aan schone energie opwekking vanuit Europese of nationale noodzaak.
Niet iedere locatie is geschikt voor windturbines. Mede in het kader van het streekplan is bekeken op welke locaties windenergieopwekking mogelijk is. De locatie Den Tol is daaruit als één van de zoekgebieden naar voren gekomen. Deze keuze wordt bevestigd in de provinciale Windvisie (2015).
Het windpark Den Tol is precies gepositioneerd in de openheid tussen de reeks van dorpen langs de Oude IJssel, de beboste heuvels van het Montferland en het nattere gronden langs de Rijn (zie de volgende figuur).
|
Landschappen
Er is goede afstemming nodig met bestaande en geplande windparken in de omgeving.
Aan de westkant van Netterden, min of meer evenwijdig aan de Papenkampseweg, komt een lijnopstelling van zes turbines. Dit is planologisch mogelijk gemaakt met het bestemmingsplan Windturbines Netterden-Azewijn, gewijzigd vastgesteld 12 mei 2011. Het windpark aan de Papenkampseweg wordt voorjaar 2016 gebouwd en zal in de zomer van 2016 gerealiseerd zijn.
In Duitsland staan verschillende turbines in het landschap. Deze turbines staan in verschillende groepen, er zijn in de loop van de jaren turbines bijgeplaatst. Van een afstand zijn de gekozen opstellingen in Duitsland moeilijk te herkennen. Stadt Emmerich heeft nieuw beleid ontwikkeld ten aanzien van windenergie en daarvoor zoekgebieden voor windconcentratiezones aangewezen. In de grensstreek ter hoogte van Windpark Den Tol zijn geen gebieden aangewezen.
Gekozen is voor een opstelling in twee lijnen, die min of meer evenwijdig aan het park Papenkampseweg zijn geprojecteerd. Vanuit Netterden is er zicht tussen de twee westelijke lijnen door, terwijl de lijnen oostelijk parallel lopen aan de dorpsrand. Vanaf een afstand, bijvoorbeeld vanaf de snelweg of het Montferland, vormen de lijnopstellingen een samenhangend geheel. De gekozen opstelling sluit zo goed mogelijk aan bij de bestaande verkaveling in het landschap, wat lokaal voor een begrijpelijke inpassing zorgt.
In het kader van de milieueffectrapportage voor het Windpark Den Tol zijn de effecten van het windpark op het landschap beoordeeld aan de hand van een viertal criteria:
1) Aansluiting bij de landschappelijke structuur, herkenbaarheid van de opstelling
Het windpark moet zo goed mogelijk aansluiten op de bestaande landschappelijke structuur. Gelet op de hoogte van de turbines gaat het daarbij vooral om de grotere lijnen in het landschap.
Het windpark Den Tol zoekt aansluiting bij het windpark aan de Papenkampseweg (bouw voorjaar 2016, realisatie zomer 2016). Echter om hinder voor omwonenden te minimaliseren en toch de beoogde energetische opbrengst te behouden, buigt de oostelijke lijn van het windpark Den Tol aan de noordzijde af naar het oosten, met de Netterdensestraat mee, en komt langs de weg te staan. Op dit punt wijkt de opstelling af van de verkavelingsrichting en gaat de samenhang tussen beide lijnen en de rust in de opstelling enigszins verloren.
Onderstaande visualisaties geven een indruk van de wijze waarop de geplande windturbines worden ervaren in het landschap. In het MER, dat als Bijlage A: MER Windpark Den Tol is toegevoegd aan dit bestemmingsplan, zijn deze visualisaties opgenomen in een groter en gedetailleerder formaat (zie bijlagen 5 en 14 van het MER).
De gevisualiseerde turbines zijn van het type Vestas V112 met een rotordiameter van 112 meter, een ashoogte van 139 meter en nominaal elektrisch vermogen van 3 MW.
Van twee zichtlocaties zijn ook visualisaties opgenomen van het type Alstom ECO 122 met een rotordiameter van 122 meter, ashoogte van 100 meter en nominaal elektrisch vermogen van 2,7 MW.
Visualisatie vanaf een punt circa 600 m ten zuiden van ’s-Heerenberg langs de S-Heerenberger Strasse, circa 250 m ten noorden van de A3. Dit is op Duits grondgebied. De opnamerichting is oostelijk over een weiland. Op de voorgrond twee Enercon turbines van een Duits windpark. Daarachter eerst de turbines van Windpark Netterden-Azewijn. Helemaal op de achtergrond, op een afstand van circa 5,3 km, Windpark Den Tol.
Visualisatie vanuit de gemeente Montferland, vanaf een punt ten zuiden van Zeddam langs de Lengelseweg, circa 125 m ten zuiden van de rotonde Beekseweg-Terborgseweg. De opnamerichting is zuidoostelijk over een weiland. Enkele turbines van het Windpark Netterden-Azewijn zijn zichtbaar op de foto, rechts van het midden. Deze turbines staan op een afstand van circa 4 km. Daarachter, op een afstand van circa 5,5 km, windpark Den Tol. Verschillende turbines gaan verscholen achter bomen.
Visualisatie vanuit de gemeente Montferland, vanaf een punt ten oosten van ‘s-Heerenberg langs de Wethouder Brantsweg, vlakbij de Meilandsedijk N816. De opnamerichting is zuidoostelijk over een weiland. Op de voorgrond de turbines van het Windpark Netterden-Azewijn. Deze turbines staan op een afstand van 1,4 tot 2,7 km. Daarachter, op een afstand van circa 3,1 km, windpark Den Tol.
Visualisatie vanuit de gemeente Montferland, vanaf de rotonde Eerlandsestraat-Netterdseweg. De opnamerichting is zuidoostelijk over een weiland. De afstand tot windpark Den Tol is circa 1,5 km, de meest ver weg gelegen turbine staat op een afstand van circa 4 km.
Visualisatie vanaf een punt ten westen van Gendringen aan de Netterdense Straat, vlakbij de Azewijnsestraat. De opnamerichting is zuidwestelijk over weiland en bouwland. Op de achtergrond de het windpark Den Tol. De meest ver weg gelegen turbine staat op een afstand van circa 2 km. Een aantal turbines valt links buiten beeld.
Visualisatie vanaf de Netterdensestraat, aan de noordzijde van Netterden. De opnamerichting is oostelijk over een weiland. De afstand tot windpark Den Tol is circa 800 m, de meest ver weg gelegen turbine staat op een afstand van circa 2,5 km. Een aantal turbines valt buiten de beeldhoek.
Visualisatie vanaf de Jonkerstraat aan de zuidzijde van Netterden. De opnamerichting is oostelijk over de Jonkerstraat. De afstand tot windpark
Den Tol is circa 900 m, de meest ver weg gelegen turbine staat op een afstand van circa 2,5 km. Een aantal turbines valt buiten de beeldhoek of
gaat verscholen achter de bomen aan de linkerkant van de Jonkerstraat.
Visualisatie vanaf de Jonkerstraat ten zuidoosten van het windpark. De opnamerichting is noordwestelijk over de Jonkerstraat. Uiterst links op de foto een Duitse turbine nabij ‘s-Heerenberg’, de kerktoren van Netterden en de meest zuidelijke van de turbines van het Windpark Netterden-Azewijn. De afstand tot windpark Den Tol is circa 1,3 km, de meest ver weg gelegen turbine staat op een afstand van circa 3,7 km.
Visualisatie vanaf de Grüne Strasse te Emmerich am Rein. De opnamerichting is noordelijk over weiland en bouwland. Links op de foto een bestaande Duitse turbine. Op de achtergrond, op een afstand van circa 3 km, Windpark Den Tol.
Interferentie met bestaande turbines
Als windparken op relatief kleine afstand van elkaar staan en er is te weinig samenhang tussen de opstellingen onderling dan wordt het beeld onrustig. Om dit te voorkomen is getracht om het windpark Den Tol zo duidelijk mogelijk af te stemmen op het landschappelijke motief, de richtingen en de andere turbines in de omgeving (in Duitsland en aan de Papenkampseweg).
Door de buiging in de opstelling van het windpark aan de Papenkampseweg en door de buiging in de oostelijke lijn van Windpark Den Tol is geen sprake van drie samenhangende lijnopstellingen. Het verschil in hoogte tussen de turbines is niet storend en wordt nauwelijks waargenomen. Interferentie met de Duitse opstellingen blijft beperkt door een duidelijke verschil in configuratie tussen het nieuwe windpark en de Duitse opstellingen. Beide parken blijven daardoor afzonderlijk te onderscheiden.
Invloed op de rust
De mate van rust wordt bepaald door de aanwezigheid van beweging en de regelmaat daarvan. Daarbij is het draaien van de rotoren de belangrijkste factor. Het is wenselijk om verschil in draaisnelheid tussen de nieuwe en aanwezige turbines zoveel mogelijk te beperken. Voor de draaisnelheid geldt: hoe groter de afmeting van de rotorbladen, hoe langzamer ze draaien. Een lagere draaisnelheid zorgt voor een rustiger beeld.
De draaiende turbines zullen het landschapsbeeld rond Netterden iets minder rustig maken. Dit komt omdat de grotere turbines van windpark Den Tol langzamer draaien dan de kleinere turbines aan de Papenkampseweg. Dit verschil in draaisnelheid vergroot de onrust.
Invloed op de openheid
Het nieuwe windpark wordt gerealiseerd in een open gebied. De windsnelheden zijn hier hoger en er is minder hinder voor omwonenden dan in dichter bevolkt gebied.
De turbines hebben wel impact op de openheid van het landschap. De transparantie, zichtbaarheid en nadrukkelijke aanwezigheid zal verschillen vanuit de diverse omliggende dorpen. Bebouwing, landschapselementen als hagen, lanen, boomgaarden en andere opgaande elementen zorgen ervoor dat het windpark niet vanaf elke plek zichtbaar is (zie bijvoorbeeld de visualisaties hiervoor).
Rondom het dorp Netterden ligt een krans aan weitjes, deels met houtwallen, boomgaarden en lanen. Deze krans zorgt ervoor dat vanuit de meeste delen van het dorp het windpark niet te zien zal zijn. Daarnaast ligt aan de oostkant van het dorp een grote bedrijfshal, die voor veel bewoners aan de rand van het dorp het directe zicht op de turbines zal ontnemen. Naar verwachting zullen voor slechts enkele dorpsbewoners de turbines permanent zichtbaar zijn.
De dorpen Ulft en Gendringen liggen op grotere afstand. Vanuit de dorpen zullen de turbines niet te zien zijn.
Wieken en Wals zijn buurtschappen die dichterbij het windpark liggen. Ze liggen in een relatief kleinschalig landschap, met een veelheid aan beplantingen. Naar verwachting zal het windpark voor een deel de bewoners zichtbaar zijn, en voor een ander deel niet. Het broekgebied waarin het windpark is gepland is open en heeft vrijwel geen beplanting. De bewoners van dit gebied zien de turbines altijd.
Op grotere afstand, bijvoorbeeld vanaf de hoger gelegen stuwwal van Montferland, zal het park duidelijk zichtbaar zijn.
Ook vanaf de Duitse snelweg A3 en de provinciale weg tussen 's Heerenberg en Ulft zal, waar de weg geen wegbeplanting heeft, het windpark zichtbaar zijn.
Geohydrologie
De bodem in het plangebied bestaat uit oude kleigronden (poldervaaggronden en ooivaaggronden), bestaande uit lichte zavel tot zware zavel en klei.
De diepere bodemopbouw bestaat uit een dunne deklaag van ongeveer 2 m dikte met daaronder een watervoerend pakket tot aan de hydrologische basis. De deklaag bestaat overwegend uit ziltig zand tot klei. Het onderliggende watervoerende pakket heeft een dikte van ongeveer 40 tot 50 m en bestaat voornamelijk uit fijn tot grof, grindig zand. Lokaal kan op een diepte van 15 tot 20 m een dunne scheidende laag worden aangetroffen. De slecht doorlatende hydrologische basis onder het watervoerende pakket bestaat uit fijn slibhoudend zand.
Het maaiveldniveau in het plangebied loopt op van ongeveer 14 m +NAP in het noorden tot ongeveer 15 m +NAP in het zuiden van het plangebied. In de uiterste zuidelijk rand, circa 100 tot 200 m tot de grens met Duitsland, neemt de maaiveldhoogte plotseling sterk af tot ongeveer 13,5 m +NAP.
Bodemkwaliteit
Ten behoeve van MER en bestemmingsplan Windpark Den Tol heeft TAUW bodemonderzoek (vooronderzoek) uitgevoerd. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies van dit onderzoek samengevat. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage opgenomen in het MER, dat op zijn beurt weer als bijlage is toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
Het gehele gebied is tot op heden in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. De gronden waar de windturbines worden gerealiseerd zijn in gebruik als agrarisch grasland of cultuurgrond. Sommige opstelplaatsen liggen in de nabijheid van een kavelsloot (niet in beheer bij het waterschap) of greppel.
Bij de terreininspectie die in het kader van het bodemonderzoek heeft plaatsgevonden, is specifiek gelet op aanwijzingen die duiden op mogelijke bodemverontreiniging. Aandachtspunten hierbij zijn onder andere kavelpaden, gronddammen, mogelijke dempingen, afwijkingen in vegetatie en maaiveld.
Bij de terreininspectie zijn geen ophogingen en/of dempingen waargenomen. Bij de tweede turbine (gezien vanuit het noorden) van de oostelijke lijnopstelling is bij een dam in een kavelsloot visueel wat puin waargenomen, maar geen asbestverdacht materiaal.
Op basis van geraadpleegde bronnen en terreininspectie blijkt het plangebied niet verdacht qua verontreiniging. Op basis van het vooronderzoek is er geen noodzaak voor nader (verkennend) bodemonderzoek.
Ten aanzien van de bodemkwaliteit bestaan er daarom geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling.
Het bodemonderzoek dateert van 2011. Sindsdien hebben zich in het plangebied geen ontwikkelingen voorgedaan die ertoe leiden dat het bodemonderzoek niet langer als actueel kan worden beschouwd.
Ten behoeve van het MER is onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies van dit onderzoek samengevat. Een meer uitgebreide beschrijving is opgenomen in het MER, dat als bijlage is toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
Bebouwing
Om de veiligheid van de windparken te beoordelen wordt gebruik gemaakt van het Handboek risicozonering windturbines (versie 3.1, Rijksdienst voor ondernemend Nederland, september 2014) . Dit Handboek geeft richtlijnen voor de afstanden tussen windturbines en kwetsbare bestemmingen zoals woningen en beperkt kwetsbare bestemmingen zoals belangrijke infrastructuur.
De afstanden uit het Handboek zijn gebaseerd op praktijkervaring en vormen geen wettelijke vereisten. Tevens wordt in het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.15a) geregeld dat het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, niet hoger mag zijn dan 10-6 per jaar en voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object niet hoger dan 10-5 per jaar.
Voor de bepaling van het deze contouren wordt in de toelichting verwezen naar het Handboek Risicozonering Windturbines. Ook wordt aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 1 januari 2011).
In de huidige situatie liggen er weinig risicovolle objecten nabij het plangebied. Onderstaande uitsnede van de risicokaart laat zien dat er geen buisleidingen of andere risicobronnen nabij het plangebied liggen. Het dichtstbijzijnde risicovolle object is een propaanopslag op ongeveer 2 kilometer afstand. Over de snelweg (A3/E35), ten zuiden van het plangebied over de grens met Duitsland, vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Relevante autonome ontwikkeling is de mogelijke uitbreiding van de zandwinplas "Azewijnse Broek", waardoor deze tegen het plangebied komt te liggen. De ontwikkeling is nog niet planologisch verankerd.
|
Uitsnede risicokaart
In het MER uit 2013 is bepaald wat de plaatsgebonden risico-contouren zijn van alternatieven met als voorbeeldturbine de V112. Hieruit bleek dat zich geen relevante (beperkt) kwetsbare objecten binnen de risico-contour bevinden, anders dan woningen van initiatiefnemers voor het windpark. Zie onderstaande afbeelding.
PR=10-6 risicocontouren vanwege de windturbines
Inmiddels is het Handboek Risicozonering Windturbines 3.1 verschenen, als opvolger van het handboek waarmee is gerekend ten tijde van het opstellen van het MER in 2013. Ook op basis van het nieuwe handboek en turbines met een ietwat grotere rotor (122 meter) zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen binnen de risico-contour.
Infrastructuur
In artikel 3 van de beleidsregel ‘Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken’ worden afstanden gegeven die als richtafstand dienen voor het plaatsen van windturbines ten opzichte van rijkswaterstaatwerken. Bij een rotordiameter groter dan 60 meter geldt dat tenminste de halve rotordiameter moet worden aangehouden tot aan de rand verharding van rijkswegen. Voor lokale en regionale wegen bestaan geen algemene externe veiligheidsnormen, hoewel eenzelfde afstand wel wordt aangeraden. De geplande turbinelocaties voldoen (ruimschoots) aan de afstandseis voor wegen.
Voor waterwegen geldt ook een afstand van een halve rotordiameter. De geplande turbinelocaties voldoen (ruimschoots) aan de afstandseis voor waterwegen.
Ongeacht dat deze afstanden zijn vastgesteld in de beleidsregel dient het Individueel passantenrisico (IPR) en Maatschappelijk Risico (MR) berekend te worden voor rijkswegen ten gevolge van de plaatsing van windturbines binnen de werpafstand bij nominaal toerental ten opzichte van de rand van de verharding. Binnen de werpafstand bevinden zich echter geen rijkswegen.
Een aantal turbines staat in de nabijheid van gemeentelijke wegen. Hiervoor gelden dus geen algemene externe veiligheidsnormen. Het gaat om de wegen Netterdensestraat, Broekweg en Jonkerstraat. Voor afstanden tussen turbines tot de wegen wordt verwezen naar de onderstaande tabel.
| Turbine |
afstand tot weg in meters |
maximale wiekoverslag in meters bij een rotor van 122 meter |
| Westrij, meest noordelijke nabij Broekweg | 46 | 15 |
| Westrij, meest zuidelijke nabij Jonkerstraat | 45 | 16 |
| Oostrij, middelste nabij Netterdensestraat | 63 | 0 |
Uit de tabel blijkt dat er beperkt wiekoverslag plaats kan vinden bij 2 windturbines. Vanwege het lage aantal verkeersbewegingen over de gemeentelijke wegen in vergelijking met Rijkswegen, worden op voorhand geen ontoelaatbare risico's verwacht van de turbines die in de nabijheid van de gemeentelijke wegen zijn geprojecteerd. Er zijn geen mitigerende maatregelen noodzakelijk.
Plaatsing van turbines in de nabijheid van spoorwegen valt onder de verantwoordelijkheid van RailInfrabeheer. Zij stellen dat de minimale afstand tussen de spoorweg en de windturbine(s) minimaal 7,85 meter + een halve rotordiameter moet zijn. In elk alternatief kan (ruimschoots) worden voldaan aan de afstandseis voor spoorwegen.
Industrie
Indien windturbines in de buurt van een risicovolle inrichting worden geplaatst, kan er een domino-effect optreden, waardoor het risico op een nabijgelegen kwetsbaar object toeneemt. Voor het Windpark Den Tol zijn dergelijke domino-effecten niet aan de orde, omdat er geen risicovolle inrichtingen of objecten in de omgeving van het plangebied liggen.
Onder- en bovengrondse transportleidingen en kabels
Er zijn geen onder- of bovengrondse leidingen of kabels in het plangebied aanwezig. Ook de nog te realiseren 380kV verbinding ligt op voldoende grote afstand van het windpark. Realisatie van het windpark heeft daarom geen nadelige externe veiligheidseffecten op bestaande of nog te realiseren energie-infrastructuur.
Dijklichamen en waterkeringen
Het Windpark Den Tol ligt niet in de nabijheid van waterkeringen of dijklichamen. Realisatie van het windpark heeft daarom geen nadelige externe veiligheidseffecten hierop.
Straalpaden
Windturbines kunnen van invloed zijn op straalpaden voor spraak-, data-, radio- en tv-signalen. Door de aanwezigheid van verschillende windturbines kan de signaaloverdracht van straalpaden worden verstoord of verzwakt. KPN Telecom Netwerkdiensten heeft op 26 mei 2010 laten weten dat er geen straalverbindingen aanwezig zijn in het gebied en derhalve ook geen bezwaar te hebben tegen het voorgenomen windpark.
Vliegverkeer en radar
De hoogte van windturbines is relevant voor het vliegverkeer in Nederland. Zo gelden er harde bouwhoogtebeperkingen voor laagvlieggebieden en helikopteroefengebieden. Defensie, Luchtverkeersleiding Nederland en de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat is gevraagd de locatie voor Windpark Den Tol te toetsen voor wat betreft radar en communicatieverstoring en de mogelijke invloed op laagvlieggebieden, zie Bijlage D: Radarverstoringsonderzoek van TNO. Geen van deze instanties heeft bezwaar tegen een windpark op de locatie.
Gelet op het voorgaande bestaan er ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling.
Ten behoeve van het MER heeft Pondera Consult onderzoek uitgevoerd naar de akoestische effecten van de geplande windturbines. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies van dit onderzoek samengevat. Een meer uitgebreide beschrijving is opgenomen in het MER, dat als bijlage is toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
Windturbines produceren geluid als de rotorbladen draaien. Dit geluid is voornamelijk afkomstig van de rotorbladen. Het Besluit algemene regels voor inrichtingen (het Activiteitenbesluit) is per 1 januari 2011 gewijzigd en belangrijk voor de toetsing van geluid van windturbines. Op basis van deze nieuwe regelgeving mag de geluidbelasting op woningen van derden niet meer bedragen dan Lden=47 dB en Lnight=41 dB.Op onderstaande afbeelding is de geluidcontour Lden =47 dB van de windturbines gepresenteerd op kaart. Ter plaatse van 11 toetspunten op woningen van derden is de geluidbelasting op de gevel bepaald. Deze woningen zijn representatief voor de beoordeling. Bij andere woningen van derden zijn de geluidniveaus lager.
Geluidcontour Lden =47 dB van de windturbines
Uit het onderzoek blijkt dat alle woningen van derden voldoen aan de geluidsnorm Lden = 47 dB (en Lnight = 41 dB). De berekende geluidniveaus vanwege de geplande windturbines op de 11 toetspunten zijn weergegeven in onderstaande tabel, voor de dag-, avond- en nachtperiode.
In de nabije omgeving van windpark Den Tol zal windpark Netterden-Azewijn (Papenkampseweg), bestaande uit 6 windturbines, worden gerealiseerd (bouw voorjaar 2016, realisatie zomer 2016). Pondera Consult BV heeft de cumulatieve geluidbelasting op de toetspunten vanwege beide windparken en de snelweg A3 bepaald. Hierbij is uitgegaan van bruikbare informatie uit de volgende akoestische onderzoeken:
Normstelling
De normstelling voor de geluidbelasting van windturbines is gegeven in artikel 3.14a eerste lid van het Activiteitenbesluit en bedraagt ter plaatse van woningen van derden Lden=47 dB. In het Activiteitenbesluit is verder in artikel 3.14a lid 2 geregeld dat het bevoegd gezag een lagere geluidnorm kan stellen, teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines. In het geval van een bijzondere omstandigheid kan het bevoegd gezag een andere waarde stellen.
Rekenmodel
Er is gebruik gemaakt van het bestaande beschikbaar rekenmodel van de omgeving Geomilieu® update versie V2.62 (zie bovengenoemd onderzoek van 23 april 2012). Hiermee zijn de jaargemiddelde geluidniveaus LAeq berekend die optreden in de dag-, de avond- en nachtperiode. De modellering en de overdrachtsberekening zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift windturbines en het Meet- en rekenvoorschrift wegverkeerslawaai.
Resultaten
De cumulatieve geluidbelasting is bepaald uitgaande van de volgende maatgevende parkopstellingen:
In onderstaande tabel zijn per toetspunt de tijdgewogen gemiddelde Lden geluidniveaus voor de varianten, windpark Netterden-Azewijn en de A3 gegeven.
| puntnr. | omschrijving |
windpark Den Tol |
windpark Netterden-Azewijn |
A3 | cumulatief |
| 1 | Lupseweg 1 | 47 | 33 | 42 | 57 |
| 2 | Broekweg 1 | 42 | 33 | 39 | 49 |
| 3 | Omsteg 2 | 47 | 22 | 39 | 58 |
| 4 | Hulseweg 4 | 45 | 24 | 44 | 55 |
| 5 | Munsterweg 4 | 46 | 25 | 43 | 56 |
| 6 | Jonkerstraat 16 | 38 | 22 | 50 | 52 |
| 7 | Jonkerstraat 19 | 47 | 24 | 47 | 58 |
| 8 | Munsterweg 2 | 47 | 23 | 41 | 58 |
| 9 | Omsteg 4 | 46 | 27 | 41 | 57 |
| 10 | Neerveldseweg 3 | 47 | 25 | 43 | 58 |
| 11 | Hulseweg 2 | 44 | 24 | 43 | 54 |
De cumulatieve geluidbelasting Lcumu,den bedraagt maximaal 58 dB.
Conclusies
Overwegingen
Hoewel te allen tijde voldaan kan worden aan de wettelijke geluidsnormen ter plaatse van geluidsgevoelige objecten, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld of de toename van de geluidsbelasting aanvaardbaar wordt geacht. Hieromtrent wordt het volgende overwogen:
Ten behoeve van het MER heeft Pondera Consult onderzoek (23 april 2012) uitgevoerd naar de slagschaduw effecten van de geplande windturbines. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies van dit onderzoek samengevat. Een meer uitgebreide beschrijving is opgenomen in het MER, dat als bijlage is toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Aanvullend is de notitie effect van een windturbine minder in windpark Den Tol opgesteld (Pondera d.d. 6 november 2015, zie Bijlage 30).
Eén van de aandachtspunten bij windturbines in de nabijheid van onder andere woningen van derden, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleegtehuizen etc. is slagschaduw. De draaiende rotorbladen van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze zogenaamde slagschaduw kan onder bepaalde omstandigheden hinderlijk zijn doordat ze ervaren wordt als flikkering. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie en de intensiteit van de flikkering en de blootstellingduur. De afstand van de blootgestelde locatie tot de turbine, de stand van de zon en het al dan niet draaien van de turbine zijn daarbij bepalende aspecten.
Bij de beoordeling van milieuvergunning aanvragen wordt ervan uitgegaan dat een maximale slagschaduwduur van 20 minuten per dag gedurende gemiddeld 17 en maximaal 64 dagen per jaar acceptabel is. Volgens de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer moeten windturbines voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten, voor zover de afstand tussen de woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden.
In het onderzoek zijn 38 woningen en 5 wijken onderzocht, in totaal 65 toetspunten ter plaatse van woningen van derden. Deze woningen zijn representatief voor de beoordeling. Per woning (of bij meerdere woningen bij elkaar: per wijk) is de potentiële hinderduur berekend.
Slagschaduwcontouren (groen=0 uur, rood=5 uur, grijs=15 uur slagschaduwhinder per jaar)
Uit het onderzoek blijkt dat alle onderzochte woningen en wijken voldoen aan de wettelijke norm voor slagschaduwhinder. De slagschaduwcontouren zijn weergegeven op bovenstaande afbeelding.
Voor een aantal woningen wordt een stilstandvoorziening toegepast om aan de wettelijke norm te voldoen. Deze maatregel is technisch goed toepasbaar en vertrouwd en wordt derhalve door de initiatiefnemers getroffen. Resultaat van de stilstandsvoorziening is dat er per woning nooit meer dan 6 uur slagschaduwhinder optreedt per jaar en dus voldaan wordt aan de wettelijke norm voor slagschaduwhinder.
Gelet op het voorgaande bestaan er ten aanzien van het aspect slagschaduw geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling.
In het kader van de Wet milieubeheer worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Bij ruimtelijke planvorming moet inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre de geplande ontwikkelingen de luchtkwaliteit zullen beïnvloeden.
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een windturbinepark met 9 windturbines.
Door het opwekken van windenergie worden emissies door reguliere, gas- of kolengestookte elektriciteitscentrales voorkomen. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit.
Verder voorziet het plan niet in de mogelijkheid om in het plangebied functies te vestigen die de luchtkwaliteit nadelig kunnen beïnvloeden. Ook worden geen veranderingen verwacht ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking.
Per saldo heeft de ontwikkeling van het windpark dan ook een positief effect op de luchtkwaliteit.
Daarom bestaan er ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling.
Op 5 maart 2015 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oude IJsselstreek de archeologische waardenkaart, cultuurhistorische waardenkaart en de erfgoedverordening vastgesteld. De erfgoedverordening vormt een actueel toetsingskader voor aanvragen die het cultureel erfgoed in de gemeente Oude IJsselstreek betreffen en kunnen aantasten.
De ontstaansgeschiedenis van Netterden is sterk bepaald door de stuwwal bij Montferland, die in de voorlaatste ijstijd is gevormd en het stroomgebied langs de Oude IJssel. Hierlangs ontstonden ophogingen van zand (rivierduinen) waarop bebouwing werd gevestigd. Netterden was één van deze vestigingen. Tevens speelden de Romeinen hierin een belangrijke rol. Zij maakten gebruik van de Oosttak van de Rijn als natuurlijk versterkte grens. Langs deze Oostrijn lieten zij een brede strook kreupelhout groeien met op strategische plaatsen militaire wachtposten. Een van deze wachtposten was gelegen (nabij) waar nu Netterden ligt.
In 1900 zijn de eerste kaarten verschenen waarop verschillende natuurlijke landschapselementen waarneembaar zijn (zie onderstaande afbeelding). Deze kaarten laten zien dat het landschap rond Netterden werd gekenmerkt door grote aantallen hagen en bomenrijen die doorgaans werden gebruikt als perceelafscheiding en veekering. Ook elzensingels en knotbomenrijen kwamen in het landschap veel voor. Het belangrijkste doel van deze landschapselementen was het leveren van hout. Het ‘Azewijnsche en Netterdensche Broek’ is in tegenstelling tot de overige gebieden rond Netterden, echt een open landschap geweest, waarschijnlijk omdat dit gebied te nat was om als weide te dienen. Hierdoor waren veekerende hagen niet nodig. De meest ingrijpende verandering in het landschap zijn de ruilverkaveling in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierbij zijn de perceelvormen rechter gemaakt, waardoor veel hagen en singels zijn gerooid. Het onderscheid in de natte, open gebieden en drogere, gesloten gebieden verdween als gevolg van het moderne waterbeheer.
|
Landschapselementen Netterden omstreeks 1900
Door Transect is in 2013-2014 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO; verkennende fase) uitgevoerd in Windpark Den Tol. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 31.
Alle onderzochte windturbine-locaties liggen op grond van het bureauonderzoek in een relatief laaggelegen rivierterrasvlakte, die waarschijnlijk meerdere malen overspoeld is met fluviatiel sediment vanuit de Rijn. De directe omgeving is daarmee waarschijnlijk altijd nat geweest, aangezien in het grootste deel van het onderzoeksgebied kleiafzettingen worden verwacht met een minimale dikte van 40cm en waarvan de waterdoorlaatbaarheid slecht was. Deze afzettingen dateren vermoedelijk uit de laatste 2.500 jaar en uit het Laat-Glaciaal/Vroeg-Holoceen (Formatie van Kreftenheye/Laagpakket van Wijchen). Ten zuidwesten en oosten van de windturbine-locaties bevinden zich op grond van de geomorfologische kaart hoger gelegen delen, te weten een plateau-achtige terrasrest en terrasrestruggen die - ook gezien het voorkomen van archeologische resten in de omgeving - aanzienlijk interessanter waren voor vroegere bewoning.
Over het algemeen geldt een lage archeologische verwachting in de verschillende deelgebieden. Alleen wanneer sprake is van een lokale terrasrestopduiking kunnen theoretisch gezien vindplaatsen aanwezig zijn uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland lijkt mogelijk sprake te zijn van een hogere ligging in enkele deelgebieden waardoor op deze plekken de verwachting middelhoog is. Wat betreft de Nieuwe Tijd is er op grond van historisch kaartmateriaal in het plangebied tot op heden geen bebouwing aanwezig geweest, waardoor geen archeologische vindplaats uit de Nieuwe Tijd te verwachten is.
Het archeologisch relevante niveau wordt gevormd door eventueel aanwezige lokale grind- of zandopduikingen en de top van eventueel aanwezige oever- of crevasseafzettingen. Deze bevinden zich vermoedelijk vanaf een diepte van circa 0,5 m beneden maaiveld en zijn waarschijnlijk afgedekt met rivierafzettingen als gevolg van overstromingen in de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
Op basis van het verkennend onderzoek kon worden geconcludeerd dat er in alle deelgebieden sprake is van een intacte bodem vanaf circa 50 cm beneden maaiveld. De bodemopbouw bestond daarbij hoofdzakelijk uit grofzandige rivierterrasafzettingen, die zijn afgedekt met overstromingsafzettingen van matig siltige tot sterk zandige klei. De overstromingsklei kenmerkt zich met name door het voorkomen van rijpingsverschijnselen in de vorm van stugheid en het voorkomen van ijzer- en mangaanconcreties. Beide afzettingen behoren geologisch gezien tot de Formatie van Kreftenheye. Klei die aan jongere overstromingen kan worden toegeschreven, is niet meer als zodanig aanwezig in het plangebied en vermoedelijk opgenomen in de bouwvoor.
Alle boringen laten eenzelfde beeld zien: een rivierterrasvlakte die rond het begin van het Holoceen langdurig overstroomd is, waardoor zich op de rivierafzettingen een dik pakket stugge en ondoorlatende klei heeft kunnen vormen. In combinatie met een relatief lage ligging was het plangebied oorspronkelijk nat en drassig en daarmee onaantrekkelijk voor bewoning. Er zijn in geen van de boringen aanwijzingen gevonden voor een lokaal beter ontwaterde situatie in de vorm van een grind- of zandopduiking of een hoger gelegen oever- of crevasseafzetting.
Concluderend hebben alle deelgebieden op basis van het verkennend booronderzoek een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum - Middeleeuwen. Voor de Nieuwe Tijd bestond op basis van het bureauonderzoek reeds een lage archeologische verwachting.
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek bestaat er in archeologisch opzicht geen bezwaar tegen de bouw van de windturbines en de aanleg van de kraanplaatsen in het plangebied. De onderzochte deelgebieden zijn vanuit archeologische optiek geschikt voor de toekomstige inrichting. Er hoeven geen aanvullende maatregelen te worden genomen. Op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden toch onverhoopt archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke plicht deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Oude IJsselstreek).
Omdat voor alle onderzochte deelgebieden een lage archeologische verwachting geldt én deze ingrepen ook nog eens zeer beperkt zijn, is er op basis van extrapolatie van het veldonderzoek ten aanzien van de wegen en kabels in archeologisch opzicht ook geen bezwaar tegen de geplande verbreding- en aanlegwerkzaamheden. Voor al deze werkzaamheden geldt echter eveneens een wettelijke plicht om eventuele vondsten die gedaan worden te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Oude IJsselstreek).
Archeologische waarden zitten ondergronds; cultuurhistorische waarden zijn juist zichtbaar bovengronds. De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek geeft een duidelijk overzicht van deze bekende en zichtbare waarden. Bekende waarden omdat het om reeds geïnventariseerde waarden gaat. Zichtbare waarden omdat het om elementen of herkenbare restanten van elementen gaat die in het huidige landschap zichtbaar zijn. De archeologische en cultuurhistorische waardenkaart vormen samen een geheel overzicht van het erfgoed van de gemeente.
Te zien zijn bijvoorbeeld religieuze gebouwen, grenspalen en landweren, (voormalige) kastelen, (rijks)monumenten, historisch groen, afwateringsstructuren, oude verkavelingspatronen en bebouwingsstructuren.
Het doel van de cultuurhistorische waardenkaart is een overzichtelijk product te presenteren waarop de zichtbare bovengrondse cultuurhistorische waarden op een heldere manier zijn weergegeven en makkelijk raadpleegbaar zijn. Het gaat nadrukkelijk niet om een geschiedschrijving, maar om een ruimtelijke inventarisatie die een eerste indruk van de nog aanwezige cultuurhistorische waarden biedt. Op deze manier kan de gemeente de cultuurhistorische waarden zo mogelijk inpassen, beschermen en/of versterken via het gemeentelijk ruimtelijk beleid (bestemmingsplannen en structuurvisies).
|
|
Cultuurhistorische waardenkaart
Op voorstaande uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart is te zien dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In de directe omgeving is sprake van grenspalen, een (voormalige) kerk in de kern Netterden en diverse (voormalige) boerderijen.
De geplande windturbines zullen door hun afmeting de historische structuren in het bestaande landschap gaan domineren. Echter door de schaal van de windturbines en de positie boven het landschap, blijven de cultuurhistorische patronen leesbaar. De beleving van het historische landschap zal worden beïnvloedt, maar wordt niet onmogelijk gemaakt. Daarom bestaan er ten aanzien van het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling.
Ten behoeve van het MER heeft het bureau Altenburg en Wymenga ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de geplande windturbines. In juli 2016 is een quickscan actualisatie Flora- en faunatoets Windpark Den Tol uitgevoerd. Tevens heeft ARCADIS een zogenoemde passende beoordeling opgesteld en is in mei 2016 vervolgens nog een aanvullende memo opgesteld.
In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies hiervan samengevat.
Algemeen
In Nederland zijn beschermde gebieden aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Natura-2000) en het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Wanneer in een bestemmingsplan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn gepland, dan dienen de gevolgen daarvan op beschermde gebieden te worden onderzocht.
In het kader van de Natuurbeschermingswet dienen de effecten te worden onderzocht op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied gesteld zijn. Deze instandhoudingsdoelstellingen gelden voor kwalificerende habitattypen en soorten. De effecten op Natura-2000-gebieden beperken zich niet alleen tot de gebieden zelf, maar aantasting van het gebied hangt ook samen met de soorten die bij dit gebied horen. In het kader van het Verdrag van Espoo (1991) zijn ook de effecten op Natura-2000 gebieden buiten de landsgrenzen (in dit geval Duitsland) onderzocht. De Europese richtlijn is hierbij geldend.
Het plangebied ligt niet in Natura-2000 gebied, maar wel op korte afstand van een Natura-2000 gebied aan de Duitse zijde van de landsgrens. De effecten op dit Duitse Natura-2000 gebied zijn in beeld gebracht en hierover heeft overleg plaatsgevonden met de betreffende Bezirksregierung.
Directe effecten als gevolg van ruimtebeslag zijn uitgesloten. Wel zijn effecten op kwalificerende soorten onderzocht als gevolg van toename van mortaliteit, verstoring van leefgebieden en barrièrewerking.
Het Nationaal Natuurnetwerk in Nederland bestaat uit natuurgebieden en verbindingen die samen een netwerk vormen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden onderzocht of er wellicht sprake is van aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken. Deze kunnen bestaan uit natuurdoelen en –kwaliteiten, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust en stilte, donkerte, openheid van het landschap, landschapsstructuur en belevingswaarde.
Het NNN ligt op grote afstand van het plangebied. Effecten op het NNN zijn daarom uitgesloten. Wel ligt er een Groene ontwikkelingszone (GO) langs de Duitse grens. De geplande windturbines staan op dermate grote afstand dat deze de verbindende functie van de Groene ontwikkelingszone niet belemmeren. De Groene ontwikkelingszone loopt langs een watergang en heeft een verbindende functie voor soorten die afhankelijk zijn van open water en oevers. Effecten van windturbines hierop zijn uitgesloten.
Passende beoordeling
In de omgeving van het projectgebied liggen twee Natura 2000-gebieden; Rijntakken en Unterer Niederrhein. Mogelijk leidt constructie en exploitatie tot externe werking op deze Natura 2000-gebieden. Op basis van de verwachte effecten, de afstanden waarover soorten zich verplaatsen, kwalificatie voor Natura 2000-gebieden en of soorten aanwezig zijn en daadwerkelijk deel uitmaken van de populatie van het betreffende Natura 2000-gebieden is een lijst met relevante toetsingssoorten gemaakt. Een aantasting van de natuurlijke kenmerken is uitgesloten voor de Natura 2000-gebieden Rijntakken. Dit is echter niet het geval voor Unterer Niederrhein: voor verschillende kwalificerende soorten van Unterer Niederrhein zijn effecten mogelijk wanneer geen mitigerende maatregelen worden getroffen. Het gaat hierbij om het effect van aanvaringsslachtoffers onder vogels op de populaties en instandhoudingsdoelstelling.
De passende beoordeling is opgenomen in Bijlage 26. De aanvullende memo van mei 2016 is opgenomen in Bijlage 27.
Vergunning
Door een recente wijziging in de Nbwet per 1 juli 2015 is het noodzakelijk om een vergunning in het kader van deze wet aan te vragen, als er uitsluitend een effect is op een buitenlands Natura 2000-gebied. Volgens artikel 2a, lid 4 geldt dat "Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking heeft op een project dat of andere handeling die uitsluitend gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied dat buiten Nederland is gelegen, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin het project of de andere handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht, op de aanvraag." Dit betekent dat een vergunningsaanvraag voor Windpark Den Tol moet worden gedaan, als gevolg van de effecten op het buitenlandse Natura 2000-gebied.
De ontwerp Nb-wetvergunning heeft tot en met 2 september 2016 ter inzage gelegen en is verleend op 17 november 2016; zie voor het besluit tot verlening Bijlage 34.
Voorkomende soorten
In het plangebied is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het kader van de Flora- en faunawet.
In het onderzoek zijn de effecten onderzocht ten aanzien van de aspecten:
Voor het volledige onderzoek en de conclusies en aanbevelingen wordt verwezen naar het onderzoek dat als bijlage 8b bij het MER is gevoegd (zie Bijlage 13 MER-bijlage 8b Ecologische beoordeling).
In juli 2016 is een quickscan actualisatie Flora- en faunatoets Windpark Den Tol uitgevoerd. Voor de resultaten en conclusies van de quickscan wordt verwezen naar Bijlage 28.
Vlieggedrag grutto's in plangebied Windpark Den Tol
In het voorjaar van 2014 (18 maart - 19 juni) is het vlieggedrag van grutto's tijdens het broedseizoen in het veld onderzocht. Het doel van het onderzoek is om de berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers beter te kunnen onderbouwen ten einde een gefundeerde uitspraak te kunnen doen over de effecten van het geplande windpark op de grutto's die in het Natura2000-gebied Unterer Niederrhein broeden. Voorts diende de noodzaak voor mitigerende maatregelen nader beschouwd te worden.
Beoordeling en mitigatie
Wanneer in Windpark Den Tol tien windturbines worden opgesteld volgens de worst case variant dan kunnen significant negatieve effecten op de broedpopulatie van het Natura 2000-gebied niet op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. De additionele sterfte bedraagt in dat geval namelijk 1 vogel in 5 jaar (ofwel 0,2). Dit is weliswaar laag, maar hoger dan de 1%-mortaliteitsnorm.
Wanneer de meest zuidoostelijke windturbine in de incubatieperiode van de grutto's (april) gedurende de daglichtperiode (tussen zonsopkomst en zonsondergang) wordt stilgezet dan zal de additionele sterfte gereduceerd worden tot 1 slachtoffer per 8 jaar. Met een dergelijke mitigatie kunnen significant negatieve effecten op de broedpopulatie van het Natura 2000-gebied wel met zekerheid worden uitgesloten.
Inmiddels is naar aanleiding van dit onderzoek besloten om de meest zuidoostelijke windturbine niet te realiseren. Het plan zal uiteindelijk voorzien in 9 windturbines.
De volledige rapportage is bijgevoegd als bijlage 11 van de Passende beoordeling onder Bijlage 26 Passende Beoordeling.
Vlieggedrag weidevogels uit de Hetter (D) in plangebied Windpark Den Tol
Tijdens het veldbezoek in het voorjaar van 2014 zijn, naast de grutto's, ook de vliegbewegingen van andere weidevogelsoorten systematisch geregistreerd. Aan de hand van visuele waarnemingen is bepaald hoeveel vogels overdag vanuit het nabijgelegen Duitse Natura2000-gebied Unterer Niederrhein door het plangebied van Windpark Den Tol vliegen. Per observatie is de volgende informatie geregistreerd: soort, aantal vogels en de (geschatte) vlieghoogte t.o.v. rotorhoogte (onderste tiphoogte 60 meter en bovenste tiphoogte 180 meter).
De volledige notitie is bijgevoegd als bijlage 12 van de Passende beoordeling onder Bijlage 26 Passende Beoordeling.
In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is het noodzakelijk om inzicht te geven in de cumulatie van effecten. Verschillende ruimtelijke ontwikkelingen met elk kleine effecten kunnen samen een aanzienlijk effect hebben dat uiteindelijk zelfs een negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstelling (significant effect).
In de omgeving van het plangebied zijn verscheidene ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde. In de nabijheid van de Gelderse Poort, Unterer Niederrhein en Uiterwaarden IJssel zijn projecten voorzien met effecten op grasetende watervogels.
In de omgeving van het plangebied staan al windturbines en zijn 6 nieuwe turbines gepland. Deze staan op een dermate grote afstand, dat deze niet leiden tot cumulatie van effecten. Omdat het Windpark Den Tol een noord-zuid gerichte opstelling kent, net als het windpark aan de noordkant van Netterden, ontstaat er geen fuik voor trekkende vogels.
Een aantal ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving kan effect hebben op de kwalificerende soorten van Unterer Niederrhein en Gelderse Poort. Hier is echter in de instandhoudingsdoelstellingen al rekening mee gehouden. Bovendien liggen in de omgeving voldoende alternatieve graslanden, zodat deze niet de beperkende factor vormen voor populaties in de Natura-2000-gebieden. Cumulatie van effecten is wel aan de orde, maar leidt niet tot een significant effect.
Ook in de Uiterwaarden IJssel spelen ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een afname van binnendijkse foerageergebieden. In de Uiterwaarden IJssel is echter een overcapaciteit aan foerageergebieden aanwezig. De afname ligt binnen deze overcapaciteit en leidt daarmee vooralsnog niet tot een daling van de populatie onder de instandhoudingsdoelstelling. Bovendien liggen in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden. Hoewel van cumulatie wel sprake is, leidt dit niet tot een significant effect.
Significante effecten als gevolg van cumulatie van effecten zijn uitgesloten.
In de effectbeschrijving van de diverse onderzoeken is aangegeven, dat het noodzakelijk is om mitigerende maatregelen te nemen tijdens de bouwwerkzaamheden.
Het gaat daarbij om de volgende maatregelen:
In geval van dempen van watergangen:
In geval van heiwerkzaamheden nabij sloten:
In en rondom het plangebied lopen verscheidene wegen. De belangrijkste lokale wegen zijn de Netterdensestraat en de Jonkerstraat. De Netterdensestraat vormt de belangrijkste verbinding tussen Netterden, de buurtschap Wals en de kern Gendringen. De Jonkerstraat volgt ongeveer het verloop van de landsgrens Nederland-Duitsland. Langs de noordzijde van het plangebied loopt de Lupseweg/Omsteg die enkele agrarische bedrijven ontsluit.
Het grensgebied is een populair fietsgebied. Een veelheid aan routes verbindt de Nederlandse en Duitse dorpen, en ook de uiteenlopende landschappen en natuurgebieden. Netterden ligt aan de grens met Duitsland, de route naar Emmerich loopt dwars door het dorp. Vanuit Netterden leidt een recreatieve fietsroute over de Papenkampseweg naar Azewijn en een andere via de Jonkerstraat naar Megchelen.
In onderstaande afbeelding zijn de belangrijkste routes in en rondom het plangebied weergegeven.
|
Belangrijkste routes in en rondom het plangebied
Elke windturbine wordt met een eigen weg van circa 4 meter breed aangesloten op het bestaande wegennet in het plangebied. Deze toegangswegen worden voorzien van een hekwerk.
In de bouwperiode vinden enkele zware transporten plaats. Daarna worden voor periodiek onderhoud en storingen vooral service- en onderhoudsbusjes ingezet.
Het bouwplan voor windpark Den Tol wordt onder andere getoetst aan het gemeentelijke welstandsbeleid in de fase van vergunningverlening.
Enkele algemene uitgangspunten zijn hier reeds relevant.
De locatiekeuze, in relatie tot de hoogte van de windturbine, wordt zorgvuldig afgestemd op de beleving van het landschap vanuit meerdere gezichtspunten. Daarbij is onder andere aandacht voor hoogtes in het landschap, kerktorens en andere hoge objecten, alsmede de mate van openheid van het landschap.
Bij het groeperen van meerdere windturbines bestaat voorkeur voor een systematische opstelling op een lijn of een raster. Aansluiting bij bepaalde grotere structuren in het landschap is denkbaar. Overeenkomsten in maatvoering en vormgeving ondersteunt de visuele samenhang van het plan.
Door een ingetogen utilitaire vormgeving, neutraal kleurgebruik en het ontbreken van opschriften eisen turbines zo min mogelijk aandacht op. Op maaiveld wordt het oorspronkelijke landschap gerespecteerd in zijn mate van openheid, belijning en beplantingswijze.
Er zal een verantwoorde beoordeling plaatsvinden van alle relevante aspecten in samenhang met de uitgangspunten van het welstandsbeleid.
Windenergie is een duurzame vorm van energie en levert een bijdrage aan de invulling van het klimaatbeleid. In het kader van de m.e.r.-procedure is de bijdrage berekend die het windpark levert aan de invulling van het klimaatbeleid. Dit betreft de elektriciteitsopbrengst in MWh per jaar en hoeveel reductie dit tot gevolg heeft voor de stoffen die het broeikaseffect en dus de klimaatverandering veroorzaken: CO2, NOx en SO2.
Uit het MER blijkt dat het voorkeursalternatief, bestaande uit 9 windturbines, een berekende netto energieopbrengst heeft van ongeveer 73.037 MWh/jaar (inclusief maatregelen ter beperking van slagschaduwhinder) en daarmee voorziet in het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van circa 23.316 huishoudens.
Windpark Den Tol zorgt daarmee voor de volgende reductie van broeikasstoffen:
| CO2 | 42426,7 ton/jaar |
| NOx | 37 ton/jaar |
| SO2 | 12,4 ton/jaar |
| PM10 | 1,34 ton/jaar |
De doelstelling voor windenergie in de provincie Gelderland wordt in aantal megawatt aangegeven.
Het doel van de provincie Gelderland is 140 MW voor 2015 en 210 MW voor 2020.
Windpark Den Tol draagt ongeveer 21 % bij aan de provinciale doelstelling voor 2015.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat de doelstellingen voor windenergie geen maximum zijn. Het is slechts een doel.
In het gemeentelijk beleidskader "Tijd voor nieuwe energie" is het streven opgenomen om 33 kiloton CO2 reductie per jaar te halen (vermeden CO2 uitstoot) voor de windenergiesector in zijn geheel.
Windpark Den Tol voorziet met ruim 42 kiloton CO2 reductie geheel in dit streven.
De hoofddoelstelling voor de regionale waterhuishouding in de Achterhoek en Liemers is het realiseren van duurzame, veerkrachtige watersystemen in zowel stedelijk gebied als landelijk gebied.
Aandacht gaat uit naar het voorkomen van wateroverlast, realiseren van natte natuurontwikkeling, veiligstellen van drinkwatervoorziening, voorkomen van watertekorten, verbeteren van de waterkwaliteit en het verbeteren van de aansluiting van het regionale watersysteem op het landelijke hoofdsysteem.
Ter voorkoming van huidige en toekomstige waterproblematiek is naar oplossingen gezocht, zoals het verbreden, verondiepen, hermeanderen van bestaande waterlopen. Dit biedt binnen de bestaande watergangen niet voldoende ruimte, zodat extra bergingsmogelijkheden gevonden moeten worden in daarvoor aangewezen gebieden. Ter bescherming van ecologisch watervolle wateren en natte landnatuur is het in grote delen van de Achterhoek en Liemers nodig om grondwaterstanden en oppervlaktewaterpeilen minstens even hoog te houden, zogenaamd conserveren in buffergebieden.
De Waterwet integreert de negen bestaande wetten voor waterbeheer. De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, beoogt het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Binnen de gemeente Oude IJsselstreek zijn alle percelen aangesloten op de riolering of op IBA-systemen. Het rioleringstelsel van de gemeente Oude IJsselstreek bestaat uit ruim 193 km vrijverval leiding, 178 km drukriolering en 22 km persleiding. In dit rioleringsstelsel zijn 61 overstorten en inmiddels 17 bergbezinkvoorzieningen opgenomen. Het afvalwater wordt verwerkt door RWZI Etten of RWZI Varsseveld.
Het gebied wordt gekenmerkt door een ruime verkaveling en kent voornamelijk agrarische gebruiksfuncties (afwisselend grasland en akkerbouw).
In het gebied zijn enkele watergangen aanwezig die in beheer zijn bij waterschap Rijn en IJssel.
Langs de Nederlands - Duitse grens is een watergang aanwezig die is aangewezen als KRW-waterlichaam en tevens onderdeel uitmaakt van de Ecologische Verbindingszone (EVZ).
De zogenaamde leggerwatergangen zijn van groot belang voor de waterhuishouding.
Verder zijn enkele kavelsloten en greppels aanwezig, deze zijn niet in beheer bij het waterschap. Deze kavelsloten en greppels zorgen voor de lokale ontwatering van percelen en zijn veelal droogvallend.
Langs de noordzijde van het plangebied is een zandwinplas aanwezig, de zandwinning in deze plas is niet meer in bedrijf.
|
Ligging waterlopen en relevante waterthema’s (Bron: Waterschap Rijn en IJssel)
Volgens de Bodemkaart van Nederland komen binnen het plangebied voornamelijk de grondwatertrappen VI en VII voor. Dit duidt op een diepe ontwatering.
Bij grondwatertrap VI bevindt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) zich tussen 40 en 80 cm onder maaiveld. Bij grondwatertrap VII is de GHG dieper dan 80 cm onder maaiveld.
De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is voor grondwatertrap VI en VII respectievelijk dieper dan 1,2 m en dieper dan 1,6 m onder maaiveld.
In Netterden en ten oosten van het plangebied zijn enkele peilbuizen aanwezig die zijn opgenomen in DINOloket van TNO. De gemiddelde freatische grondwaterstand in Netterden, gemeten in peilbuizen B40H0006 en B40H0007, bedraagt circa 1,5 tot 2,0 m onder maaiveld.
Ten oosten van het plangebied bedraagt de freatische grondwaterstand, gemeten in peilbuizen B41C0025, B41C0047 en B41C0107, circa 0,8 tot 1,2 m onder maaiveld.
Alle windturbines worden voorzien van een betonnen fundering met een doorsnede van ongeveer 18 meter, die op een aantal heipalen wordt geplaatst. Op basis van het Bouwbesluit zal de belasting van het milieu door de in de bouwwerken toe te passen materialen zoveel mogelijk worden beperkt. Uitspoelen van stoffen, en daarmee verandering van de grondwaterkwaliteit, wordt daarom niet verwacht.
Tijdens de bouwfase is, afhankelijk van de dan heersende grondwaterstand, mogelijk een tijdelijke bemaling nodig om tijdens het aanbrengen van de fundering in den droge te kunnen werken. Tevens zal een aantal kabeltracés worden aangelegd, waarbij eveneens mogelijk bemaling nodig is. Tijdens deze bemalingen zal lokaal het grondwaterniveau verlaagd worden. De invloed hiervan is naar verwachting beperkt en tijdelijk. Als de turbines geplaatst zijn en de bemaling is beëindigd, zal de grondwaterstand zich weer herstellen en is er geen relatie meer met het grondwater.
Voor de tijdelijke bemalingen is mogelijk een watervergunning van het waterschap Rijn en IJssel nodig, afhankelijk van de te onttrekken hoeveelheid en de bemalingsduur. Indien de bemalingshoeveelheid minder bedraagt dan 100.000 m3 in een aaneengesloten periode van 30 dagen kan volstaan worden met een melding bij het waterschap. Ook voor het lozen van bemalingswater moet wellicht een vergunning aangevraagd worden.
De windturbines worden niet in leggerwatergangen en de bijbehorende keurzones geplaatst.
Het waterschap Rijn en IJssel staat niet toe dat de turbines binnen de keurzone (5 meter vanaf de insteek en bij de Lander 5 m vanaf de eigendomsgrens) van waterlopen worden geplaatst. Dit is dan ook niet aan de orde. Wel kan het zijn dat een turbine wordt gesitueerd op of nabij een kavelsloot of greppel (niet zijnde een leggerwatergang). Indien dit aan de orde is, zal ter plekke van de turbine de kavelsloot / greppel worden verlegd om de gewenste ontwatering te behouden. Het oppervlaktewater zal daarom geen nadelige effecten ondervinden van de windturbines.
De minimale afstand tot de zandwinplas bedraagt ongeveer 160 m. Bij ‘oude’ zandwinplassen is deze afstand naar verwachting voldoende om de stabiliteit van de turbines te garanderen (één en ander is afgestemd met Provincie Gelderland).
Tijdens de bouwfase is, afhankelijk van de dan heersende grondwaterstand, mogelijk een tijdelijke bemaling nodig om tijdens het aanbrengen van de fundering in den droge te kunnen werken. Tevens zal een aantal kabeltracés aangelegd worden, waarbij eveneens mogelijk bemaling nodig is. Bemalingswater wordt naar verwachting op nabijgelegen oppervlaktewater geloosd. Voor de lozing van bemalingswater op oppervlaktewater zal een vergunning worden aangevraagd bij Waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap zal toetsen of voldaan wordt aan de lozingsnormen. Eventueel zal het te lozen bemalingswater belucht of gezuiverd moeten worden alvorens het geloosd kan worden. Zodra de bouwfase is beëindigd, vinden er geen lozingen meer plaats naar het oppervlaktewater.
Voor het realiseren van toegangswegen naar de turbines zullen mogelijk kleine aanpassingen aan het watersysteem moeten plaatsvinden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het aanbrengen van een duiker. Dit heeft geen grote nadelige gevolgen en zal in overleg met het waterschap gebeuren. Voor het uitvoeren van dergelijke aanpassingen is conform de Keur een watervergunning benodigd.
Door het plaatsen van de windturbines wordt nieuw verhard oppervlak (windtubines, opstelplaats en toegangsweg) gecreëerd. Hemelwater dat op dit verharde oppervlak valt, mag niet versneld worden afgevoerd richting oppervlaktewater. Het waterschap hanteert voor het omgaan met hemelwater de trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’. Indien het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 toeneemt, moet er een berging worden gecreëerd.
Het totaal aan nieuw verhard oppervlak zal deze norm overschrijden, ook per turbine kan dit het geval zijn. Per turbine zal daarom eventueel langs de rand van de opstelplaats een soort greppel of zaksloot worden gecreëerd. Als er vervolgens geen versnelde afvoer plaatsvindt, maar het hemelwater stroomt over het maaiveld af richting oppervlaktewater of infiltreert in de bodem, dan hoeft er geen berging te worden aangelegd. Bij realisatie van de windturbines is dit het uitgangspunt.
Naast de waterkwantiteitstrits hanteert Waterschap Rijn en IJssel tevens een trits voor de waterkwaliteit, namelijk ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’. Dit betekent ten eerste dat afstromend hemelwater het grondwater of het oppervlaktewater niet mag vervuilen.
In het bouwbesluit is bepaald, dat het te bouwen bouwwerk zodanig is, dat de belasting van het milieu door de in het bouwwerk toe te passen materialen wordt beperkt.
| Thema | Toetsvraag | Relevant | Int. |
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
2 2 |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
2 1 1 |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) | 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Ja Ja Nee Nee |
2 1 1 1 |
| Oppervlakte- waterkwaliteit |
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? | Ja | 1 |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee* |
1 1 1 |
| Grondwater kwaliteit | 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee | 1 |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Ja Ja |
1 2 |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
1 1 |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Ja Nee Nee Nee |
2 2 1 1 |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee | 1 |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee | 2 |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee | 1 |
Toename verhard oppervlak
Zie paragraaf 6.4.3 Hemelwaterafvoer.
Lozing op oppervlaktewater
Zie paragraaf 6.4.2 Oppervlaktewater.
Demping watergangen
Zie paragraaf 6.4.2 Oppervlaktewater.
Nabijheid wateren in eigendom of beheer bij het waterschap
Zie paragraaf 6.3.2 Oppervlaktewater.
Herinrichting watergangen
Zie paragraaf 6.4.2 Oppervlaktewater.
Nabijheid natte ecologische verbindingszones
De watergang langs de Nederlands - Duitse grens maakt onderdeel uit van een Groene ontwikkelingszone (GO).
De enige planologisch relevante maatregel met betrekking tot waterbeheer betreft de mogelijkheid om langs de rand van de opstelplaats en/of toegangsweg een greppel of zaksloot aan te leggen.
In dit bestemmingsplan zijn de planologische mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan zoveel mogelijk overgenomen. Conform de geldende planregeling voorziet dit bestemmingsplan daarom in de mogelijkheid om water en voorzieningen voor de waterhuishouding te realiseren binnen de bestemmingen Agrarisch, Agrarisch met waarden, Bedrijf-Windturbine, Groen, Natuur, Verkeer en Water.
Daarnaast zijn de watergangen binnen de bestemming Bedrijf-Windturbine voorzien van een specifieke aanduiding, waarbinnen waterafvoer, waterberging en waterlopen zijn toegelaten.
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening, welke van kracht zijn sinds 1 juli 2008.
Voor de bestemmingen en planregels is gebruik gemaakt van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De SVBP 2012 regelt de standaardisering en uniformering van bestemmingen en regels. In het kader van de Wro is dit bestemmingsplan digitaal opgesteld.
Op basis van dit bestemmingsplan is verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen (bouwvergunning) voor de geplande windturbines en bijbehorende faciliteiten direct mogelijk (directe bouwtitel).
De ruimtelijke indeling van het gebied, alsmede de toegestane functies en maten, zijn op de verbeelding en in de regels geregeld.
Dit bestemmingsplan voorziet in een gedeeltelijke vervanging van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2000, herziening 2002.
De plangrens van het onderhavige bestemmingsplan wordt vooral bepaald door de begrenzing van de veiligheidscontouren rondom de geplande windturbines. Daarbij is ervoor gekozen om het agrarisch bouwblok ten noorden van de Netterdensestraat, eigendom van een van de participanten van het Windpark, in zijn geheel op te nemen binnen de plangrens, zodat voor dit bouwblok sprake is van een eenduidige planologische regeling.
Het onderhavige bestemmingsplan is gebaseerd op de gemeentelijke standaard planregels en sluit aan bij de opzet van het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied.
Hoofdstuk I bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Artikel 1 bevat de definities van de in de regels gebruikte begrippen, waarmee een eenduidige interpretatie van deze begrippen is vastgelegd. Artikel 2 regelt de "wijze van meten" en geeft regels waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Dit plan omvat zogenoemde gedetailleerde eindbestemmingen, op basis waarvan toekomstige bouwaanvragen kunnen worden getoetst.
Het bestemmingsplan kent de volgende basisbestemmingen:
Agrarisch met waarden
De bestemming Agrarisch geldt voor de agrarische percelen die liggen binnen de veiligheidscontouren van geplande windturbines. Met inachtneming van de planologische beperkingen die gelden binnen de veiligheidszone van de windturbines (zie hierna onder 7.2.3 Algemene regels; Aanduiding Milieuzone - windturbine) kan het agrarisch gebruik hier voortduren na realisatie van de geplande windturbines.
Gronden met de bestemming Agrarisch mogen worden gebruikt voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, een akker- en/of tuinbouwbedrijf (niet zijnde galstuinbouw), een bedrijfs-/participantenwoning (participantenwoning, specifiek aangeduid), een inkoopstation, een biogasinstallatie, aan huis verbonden beroep, productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit, instandhouding van landschappelijke waarden, extensief (dag)recreatief medegebruik.
Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het agrarisch bouwvlak; buiten het agrarisch bouwvlak mogen alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde en het inkoopstation worden gebouwd.
Verder zijn parkeer- en groenvoorzieningen, kunstwerken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen toegelaten.
Extra flexibiliteit wordt geboden via het opnemen van diverse afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden.
Bedrijf - Windturbine
De bestemming Bedrijf - Windturbine geldt voor de gronden waar de geplande windturbines worden opgesteld en voor het gebied waarboven de wieken draaien.
Gronden met de bestemming Bedrijf - Windturbine kunnen worden gebruikt voor windturbines met bijbehorende voorzieningen, waaronder één inkoopstation ten behoeve van de levering van elektriciteit aan het openbare net. Ook zijn wegen ten dienste van windturbines toegelaten.
Binnen de bestemming zijn ter plaatse van specifieke aanduidingen ook toegelaten: openbare wegen, groen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, waterafvoer, waterberging en waterlopen.
De begrenzing en afmetingen van de bestemmingsvlakken zijn afgestemd op de geplande locaties van de windturbines, overeenkomstig het voorkeursalternatief 3 uit het MER. Daarbij is een marge aangehouden van 15 meter, zodat het mogelijk is om de exacte locatie van turbines nog enigszins te verschuiven, bijvoorbeeld om praktische oplossingen mogelijk te maken in de nabijheid van watergangen, wegen of perceelsgrenzen.
Voor het bouwen van windturbines gelden de volgende regels: ashoogte minimaal 100 meter en maximaal 139 meter, hoogste punt van de wieken maximaal 195 meter, laagste punt minimaal 58 meter, rotordiameter minimaal 112 meter en maximaal 122 meter. Verder is opgenomen dat de windturbines 3 rotorbladen bevatten, dat de maatvoering van de windturbines gelijk dient te zijn en de afstand tussen het Natura 2000-gebied Unterer Niederrhein en de meest nabijgelegen windturbine mag niet minder bedragen dan 285 meter.
Voor het inkoopstation geldt dat de bouwhoogte maximaal 3,5 meter bedraagt en het oppervlak maximaal 40 m2.
Voor overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behorende bij de bestemming, geldt dat de inhoud maximaal 50 m³ en de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen.
Bos
De bestemming Bos geldt voor een fragment van een bosperceel, gelegen in de oostelijke lijnopstelling van windturbines tussen de Netterdensestraat en de Jonkerstraat en binnen de veiligheidscontour van een windturbine.
Gronden met de bestemming Bos kunnen onder andere worden gebruikt voor bosgebied, behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke - en natuurwarden, extensieve (dag)recreatief medegebruik en paden, vijvers en waterlopen en behoud van aanwezige zandwegen.
Binnen deze bestemming mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Ter bescherming van de bestemming is voor een aantal werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist.
Natuur
De bestemming Natuur geldt voor het oostelijke puntje van de zandwinplas, gelegen in de oostelijke lijnopstelling van windturbines, tussen de Omsteg en de Netterdensestraat en binnen de veiligheidscontour van een windturbine.
Gronden met de bestemming Natuur kunnen worden gebruikt voor bos- en natuurgebieden, behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, extensief (dag)recreatief medegebruik, agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer; water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen.
Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Ter bescherming van de bestemming is voor een aantal werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist.
Verkeer
De bestemming Verkeer geldt voor de Broekweg, Omsteg, Lupseweg, Netterdensestraat en Jonkerstraat, voor zover deze wegen liggen binnen de veiligheidscontouren van de windturbines.
Gronden met de bestemming Verkeer kunnen worden gebruikt voor wegverkeer, geluidwerende voorzieningen, parkeer-, groenvoorzieningen en kunstwerken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair, openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen.
Binnen deze bestemming mogen alleen openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen worden gebouwd.
Water
De bestemming Water geldt voor een aantal legger watergangen in het plangebied, voor zover deze liggen binnen de veiligheidscontouren van de windturbines.
Gronden met de bestemming Water kunnen worden gebruikt voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding, waterafvoer, waterberging en waterlopen, wegen en paden, speel-, groenvoorzieningen en extensieve dagrecreatie.
Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Ter bescherming van de bestemming is voor een aantal werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist.
De algemene of aanvullende regels vormen een set algemene regels die voor alle onderdelen van het plan van toepassing zijn.
Anti-dubbeltelregel
Dit betreft de op grond van het Bro verplichte anti-dubbeltelregel.
Algemene bouwregels
In dit artikel zijn specifieke regels opgenomen met betrekking tot bestaande maatvoeringen en ondergronds bouwen. Bestaande maatvoeringen worden gerespecteerd.
Algemene gebruiksregels
Deze bepaling voorziet in eisen voor aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten. Verder is in dit artikel aangegeven welke vormen van gebruik als strijdig met het bestemmingsplan moeten worden beschouwd.
Algemene aanduidingsregels
Veiligheidszone - windturbine
Dit bestemmingsplan voorziet in een beschermingsregeling in het kader van externe veiligheid, voor gronden binnen de zogenoemde plaatsgebonden risicocontour (10-6 contour) van de windturbines.
Deze beschermingsregeling is vervat in een algemene aanduidingsregel 'Veiligheidszone - windturbine '. Binnen de op de verbeelding aangegeven aanduidingsgrens is de vestiging van kwetsbare objecten, als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, uitgesloten.
De vestiging van beperkt kwetsbare objecten, als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, is uitgesloten binnen een afstand van 66 meter (10-5 contour) uit het hart van de windturbine.
Middels een afwijkingsbevoegdheid kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het gebruiksverbod en toestaan dat kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogen worden gevestigd overeenkomstig de op de gronden geldende bestemming(en), mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan afwijken van de regels voor het overschrijden van de maatvoeringen met 10%, het overschrijden van de bouwgrenzen, het overschrijden van de maximale bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, het bouwen van bouwwerken voor nutsvoorzieningen en de aanleg van geluidsreducerende maatregelen.
Algemene wijzigingsregels
Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen om geringe veranderingen aan te brengen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen en om de bouw van nutsvoorzieningen mogelijk te maken.
Hier is het op grond van het Bro verplichte overgangsrecht opgenomen en is bepaald hoe de regels van het bestemmingsplan worden aangehaald.
Op grond van artikel 3.1.6 onder 1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het kader van de bestemmingsplanprocedure de economische uitvoerbaarheid van het plan te worden onderzocht.
De realisatie van Windpark Den Tol wordt volledig gefinancierd door private partijen. Tevens is er een participatieregeling, waarmee aan omwonenden de mogelijkheid wordt geboden te investeren in het Windpark en daarmee rendement te behalen.
De gemeente Oude IJsselstreek draagt niet bij aan de financiering van het windpark. Gemeentelijke kosten en eventuele planschade worden verhaald op de initiatiefnemers van het Windpark middels een anterieure overeenkomst.
Voor de financiële haalbaarheid van het Windpark hebben de initiatiefnemers diverse onderzoeken en toetsen laten uitvoeren.
De bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan geeft, kunnen wellicht leiden tot negatieve gevolgen voor de omgeving. De initiatiefnemers hebben een planschaderisicoanalyse laten opstellen, die inzicht geeft in de kosten van mogelijke planschadeverzoeken op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Daarnaast heeft een registeraccountant de bedrijfseconomische prognose van de initiatiefnemers beoordeeld en akkoord bevonden. Hiervan is een accountsverklaring opgesteld.
De participatieregeling tast de financiële haalbaarheid van het plan niet aan.
Voor de gemeente is met de zakelijke beschrijving van de anterieure overeenkomst en de accountsverklaring voldoende inzichtelijk gemaakt dat het plan financieel-economisch uitvoerbaar is.
De initiatiefgroep Windpark Den Tol wil omwonenden graag goed informeren over en betrekken bij de geplande ontwikkeling van het windpark.
De initiatiefgroep heeft daarom twee informatiebijeenkomsten georganiseerd, waar omwonenden zijn geïnformeerd over het geplande Windpark, de gevolgen ervan voor de omgeving en het verloop van de wettelijke procedures voor milieueffectrapportage, bestemmingsplan en vergunningen.
De informatiebijeenkomsten hebben op 13 april 2011 20 juni 2012 en 4 juli 2013 plaatsgevonden in Netterden.
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept bestemmingsplan door de gemeente Oude IJsselstreek voorgelegd aan belanghebbende overheden en instanties.
Bij brief van 21 april 2016 is het voorontwerpbestemmingsplan “Windpark Den Tol Netterden 2016” toegezonden aan diverse instanties, die volgens artikel 3.1.1 Bro bij de planvorming dienen te worden betrokken. De volgende instanties zijn om een reactie gevraagd op het voorontwerpbestemmingsplan:
Daarnaast is per mail van 21 april 2016 aan de volgende nutsbedrijven om een reactie gevraagd op het toegestuurde voorontwerp bestemmingsplan:
Van de instanties genoemd onder de punten 1, 2, 5, 6, 7, 12, 13, 15, 16, 17 en 18 is geen reactie ontvangen. Van de overige instanties is in de Notitie “beantwoording vooroverlegreacties” (zie Bijlage 32) een samenvatting weergegeven met de reactie van de gemeente hierop en tot slot een voorstel of de ingediende reactie leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Het ontwerp bestemmingsplan 'Windpark Den Tol Netterden' heeft vanaf 24 november 2016 tot en met 4 januari 2017 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn kon iedereen een zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar maken. De ter inzage legging is bekendgemaakt in de Staatscourant van 23 november 2016, de Gelderse Post van 23 november 2016, de Duitse kranten NRZ en Stadanzeiger Emmerich van 23 november 2016 alsmede op de gemeentelijke website vanaf 23 november 2016.
De ingekomen zienswijzen zijn binnen de daarvoor gestelde termijn ontvangen en derhalve ontvankelijk.
De zienswijzen zijn samengevat en door de gemeente van een reactie voorzien in de "Nota zienswijzen" (zie Bijlage 33). Tevens is in de nota bij iedere zienswijze een voorstel gedaan en aangegeven of het voorstel leidt tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
In deze bijlage is het Milieu-Effectrapport Windpark Den Tol opgenomen.
Bij het gedrukte exemplaar (hardcopy) van dit bestemmingsplan is het MER Windpark Den Tol als separaat boekwerk toegevoegd.
Voor de digitale versie van dit bestemmingsplan geldt het volgende:
Het MER Windpark Den Tol bestaat uit een MER-hoofddocument en 14 MER-bijlagen. Daarbij zijn de MER-bijlagen 1, 2, 4, 10, 12 en 13 opgenomen achter in het bestand van het MER-hoofddocument. De overige MER-bijlagen zijn als losse bestanden bijgevoegd.
Door beperkingen in de software waarmee dit digitale bestemmingsplan is opgesteld, worden bijlagen automatisch en doorlopend genummerd (1, 2, 3, ...). Hierdoor komt de nummering van bijlagen niet overeen met die in het MER. Om dit probleem op te lossen is de nummering overeenkomstig het MER weergegeven in de bijlage titel, bijvoorbeeld: "Bijlage 2 MER-bijlage 3a Advies commissie m.e.r.".