direct naar inhoud van Regels
Plan: Windpark Den Tol Netterden 2016
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1509.BP000144-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Windpark Den Tol Netterden 2016 met identificatienummer NL.IMRO.1509.BP000144-VA01 van de gemeente Oude IJsselstreek.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aan huis verbonden bedrijfsactiviteit

een bedrijf dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten in of bij een woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is en wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er van de woning;

1.4 aan huis verbonden beroepsactiviteit

een bedrijf dat enkel is gericht op het leveren van diensten in of bij een woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is en wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er van de woning;

1.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.6 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.7 afwijking van de bouwregels en/of van de gebruiksregels

een afwijking als bedoeld in artikel 2.12, artikel 1 sub a, onder 1° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.8 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of telen van gewassen;

1.9 agrarisch medegebruik

een agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit agrarisch gebruik is toegestaan, omliggende functies mogen echter niet beperkt dan wel belast worden;

1.10 akker- en tuinbouw

de teelt van gewassen op open grond;

1.11 andere geluidsgevoelige gebouwen

gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

1.12 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.13 bed & breakfast

een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op een kortdurend recreatief verblijf en het serveren van ontbijt, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Er is geen sprake van een Bed & Breakfast bij de aanwezigheid van een zelfstandige kookgelegenheid en/of de verkoop van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse en/of overnachting noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;

1.14 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, installeren, herstellen, opslaan en/of distribueren van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

1.15 bedrijfsvloeroppervlakte

de totale oppervlakte van bedrijfsruimte die voor de bedrijfsuitoefening nodig is, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijk;

1.16 begane grond

de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder;

1.17 bestaand
  • a. bij bouwwerken: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die gebouwd mag worden krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;
1.18 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.19 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.20 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of een ander bouwwerk met een dak;

1.21 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.22 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.23 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.24 bouwwerk

een constructie van enige omvang die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond is verbonden en bedoeld is om ter plaatse te functioneren;

1.25 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.26 dierplaatsen

het maximaal aantal te houden dieren overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning of het Activiteitenbesluit;

1.27 extensieve (dag)recreatie

recreatief (mede)gebruik van gronden, bijvoorbeeld: wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en paardrijden;

1.28 extensief recreatief medegebruik

recreatief gebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen, paardrijen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden;

1.29 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.30 geluidsgevoelige functies

woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

1.31 geometrische plaatsbepaling

locatie van een ruimtelijk object, vastgelegd in een ruimtelijk referentiesysteem;

1.32 grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering volledig of nagenoeg volledig afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond, zoals melkveehouderijen en akkerbouw;

1.33 grondgebonden veehouderijtak

onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren;

1.34 hoofdgebouw

een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.35 horeca, categorie 1

een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van (niet of licht alcoholhoudende) dranken en eenvoudige etenswaren aan bezoekers van andere functies, zoals plattelandsontwikkeling en dagrecreatie, zoals een ijssalon, theetuin, een ontvangstruimte, en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf;

1.36 inkoopstation

afzonderlijke technische ruimte waar toelevering van windenergie vanaf het windturbinepark op het openbaar net plaatsvindt;

1.37 kampeermiddel
  • a. een tent, tentwagen, kampeerauto of een caravan;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde;

een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.38 kampeerterrein

terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf in de vorm van tenten, stacaravans of caravans dan wel naar aard daarmee gelijk te stellen kampeermiddelen;

1.39 kassen

bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de (agrarische) bedrijfsvoering;

1.40 kleinschalig kamperen

Het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste 25 kampeermiddelen gedurende het zomerseizoen;

1.41 landschappelijke beplanting

opgaande, uit houtgewas bestaande beplanting, in hoofdzaak bestaande uit inheemse soorten, ter verfraaiing van het landschap en/of ter inpassing van hierin voorkomende bouwwerken en werken;

1.42 nevenactiviteit

een activiteit die in ruimtelijke en/of functionele zin ondergeschikt is aan en voortvloeit uit de hoofdfunctie;

1.43 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering

de agrarische bedrijfsvoering die niet geheel of hoofdzakelijk van de open grond als agrarisch productiemiddel afhankelijk is, maar waarvan de productie geheel of overwegend in gebouwen plaatsvindt, zoals varkens-, kalver- of pluimveefokkerij, eendenmesterij of -fokkerij en champignonkwekerij;

1.44 niet-grondgebonden veehouderijtak

onderdeel van een agrarisch bedrijf dat beschikt over onvoldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf voor meer dan 50 procent van het benodigde voer te voorzien;

1.45 normaal onderhoud, gebruik en beheer

een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op tenminste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt;

1.46 omgevingsvergunning

een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.47 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening;

1.48 omschakeling veehouderijbedrijf

de overgang van een grondgebonden veehouderijtak naar een niet-grondgebonden veehouderijtak;

1.49 overig bouwwerk

een bouwwerk, niet zijnde een bijbehorend bouwwerk;

1.50 participantenwoning

een woning waarvan de bewoner in zodanige mate betrokken is bij een inrichting -in dit geval een windturbinepark- dat de woning is aan te merken als behorende tot de inrichting; de betrokkenheid houdt in dat de bewoner:

  • a. toezicht houdt op de terreinen en servicewegen van de windturbines, en deze toegankelijk houdt voor de exploitant van de windturbines;
  • b. toezicht houdt op het functioneren van de windturbines en zonodig storingen en calamiteiten meldt aan de exploitant en in voorkomend geval de betreffende windturbine kan stop zetten;
1.51 permanente bewoning

bewoning door een persoon of groepen van personen van een voor wisselende bewoning bedoelde ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats;

1.52 productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces;

1.53 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.54 seksinrichting

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.55 schuilgelegenheid

een agrarisch gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient voor beschutting van vee tegen weersinvloeden;

1.56 sleufsilo

opslagplaats voor stort- of bulkgoederen met één of meer rechtopstaande wanden;

1.57 stacaravan

een caravan of soortgelijk onderkomen (chalet), dat mede gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen;

1.58 staloppervlak


de gezamenlijke oppervlakte van de vloeren van de stallen, die kunnen worden gebruikt voor het houden van dieren, inclusief de voerpaden en centrale gangen, maar exclusief opslagruimten en daarmee gelijk te stellen ruimten;

1.59 stikstofdepositie

Neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat, waarbij de belasting, op een punt binnen het habitat, wordt uitgedrukt in mol N/ha/jr en de belasting op het habitat in geheel in mol N/jr;

1.60 verbeelding

de analoge en digitale voorstelling van de in het plan opgenomen ruimtelijke informatie met identificatienummer: NL.IMRO.1509.BP000144-VA01 ;

1.61 vloeroppervlakte

de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende gebouwen op de begane grond;

1.62 volumineuze goederen

goederen die vanwege hun omvang een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, zoals bouw- en doe-het-zelf producten, auto's, motorfietsen, boten, caravans, keukens, sanitair en meubelen;

1.63 voorgevel

de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied;

1.64 voorgevelrooilijn

denkbeeldige lijn die strak loopt in het verlengde van de voorgevel van de voorste bebebouwing van een perceel, gezien vanaf de weg;

1.65 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 Algemeen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1.1 bebouwingspercentage

het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden;

2.1.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.1.3 de bouwhoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan de as van de windturbine;

2.1.4 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.1.5 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.1.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.1.7 de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk

de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf peil.

2.1.8 het bebouwd oppervlak van een bouwvlak

de oppervlakte van alle op een bouwvlak gelegen bouwwerken tezamen;

2.1.9 peil
  • a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil).
2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, overstekende daken en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen,buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

2.3 Meten

Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. een akker- en/of tuinbouwbedrijf, niet zijnde glastuinbouw;
  • c. het wonen in een bedrijfs-/participantenwoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - participantenwoning';
  • d. een ten behoeve van de bestemming 'Bedrijf - Windturbine' bedoeld inkoopstation voor de levering van elektriciteit aan het openbare net, met dien verstande dat binnen het gehele plangebied maximaal één inkoopstation is toegestaan;

alsmede voor:

  • e. een biogasinstallatie binnen het bouwvlak, met dien verstande dat:
    • 1. het agrarisch bedrijf eigen geproduceerde mest verwerkt en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat (de co-vergiste mest) wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt;
    • 2. het agrarisch bedrijf eigen geproduceerde mest verwerkt en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt of naar derden afgevoerd;
    • 3. het agrarisch bedrijf aangevoerde mest geproduceerd door derden verwerkt en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt;
  • f. nevenactiviteiten zoals weergegeven in Bijlage 1: Lijst van neven- en hoofdactiviteiten met een oppervlakte van maximaal 50% van de bestaande bedrijfsbebouwing met een maximum van 350 m2;
  • g. een bed en breakfast in een woning;
  • h. aan huis verbonden beroepen;
  • i. de bestaande met vergunning verleende schuilgelegenheden, paardenbakken, sleufsilo's, kuilvoerplaten, foliebassins met bijbehorende omheiningen, bezinkbassins en/of mastzakken en/of daarmee gelijk te stellen voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak;
  • j. productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit;
  • k. servicewegen ten behoeve van het onderhoud van windturbines;
  • l. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • m. extensief (dag)recreatief, medegebruik, voor zover daarmee de agrarische functie van de gronden niet onevenredig wordt aangetast;
  • n. zonnepanelen voor de opwekking van duurzame energie op gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde, uitsluitend binnen een agrarisch bouwvlak ten behoeve van de eigen energievoorziening;

met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen, erven, parkeer- en groenvoorzieningen, toegangswegen en nutsvoorzieningen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. bedrijfsgebouwen zijn uitsluitend binnen het agrarisch bouwvlak toegestaan;
  • b. de goothoogte van bedrijfsgebouwen is maximaal 6 meter;
  • c. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen is maximaal 13 meter;
3.2.2 bedrijfswoningen en participantenwoningen

Voor het bouwen van bedrijfs- en participantenwoningen gelden de volgende regels:

  • a. bedrijfs- of een participantenwoningen zijn uitsluitend binnen het agrarisch bouwvlak toegestaan;
  • b. herbouw van een woning mag uitsluitend plaatsvinden op de locatie van de bestaande woning;
  • c. de inhoud van een bedrijfs- of een participantenwoning is maximaal 750 m3;
  • d. de goothoogte van een bedrijfs- of een participantenwoning is maximaal 3,5 meter;
  • e. de bouwhoogte van bedrijfs- of een participantenwoning is maximaal 8 meter.
3.2.3 bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een bedrijfs- en participantenwoning

Voor het bouwen van bijbehorende gebouwen bij een bedrijfs- en participantenwoningen gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende gebouwen bij een bedrijfs- en participantenwoning zijn uitsluitend binnen het agrarisch bouwvlak toegestaan;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende gebouwen bij een bedrijfs- en participantenwoning is maximaal 150 m²;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend gebouw bij een bedrijfs- en participantenwoning is maximaal 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend gebouw bij een bedrijfs- en participantenwoning is maximaal 6 meter.
3.2.4 inkoopstation

Voor het bouwen van een inkoopstation gelden de volgende regels:

  • a. het inkoopstation is zowel binnen als buiten het agrarisch bouwvlak toegestaan;
  • b. binnen het totale plangebied is maximaal één inkoopstation toegestaan;
  • c. de oppervlakte van het inkoopstation is maximaal 40 m2;
  • d. de bouwhoogte van het inkoopstation is maximaal 3,50 meter.
3.2.5 bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels zoals bepaald in onderstaande tabel:

  erf- en terrein afscheidingen en sleufsilo's   mestsilo's en kassen   masten en antennes   hooibergen, voedersilo's en windturbines   overige bouwwerken, geen gebouw zijnde  
binnen het agrarische buuwvlak   2 m   6 m   10 m   15 m   3 m  
buiten het agrarisch bouwvlak   1 m   niet toegestaan   niet toegestaan   niet toegestaan   1 m  

met dien verstande dat:

  • a. voor zonnepanelen die direct zijn verbonden met de grond de oppervlakte maximaal 1.000 m2 en de bouwhoogte maximaal 2,5 m mag bedragen.
  • b. voor het inkoopstation de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijn maximaal 10 m mag bedragen.
3.2.6 schuilgelegenheden

Voor het bouwen van schuilgelegenheden gelden de volgende regels:

  • a. schuilgelegenheden zijn uitsluitend toegestaan binnen het agrarisch bouwvlak;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m2 bedragen;
  • c. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen;
  • d. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen.
3.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken:

  • a. ter waarborging van de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;
  • b. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • c. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 afwijken voor mestopslagplaatsen, sleufsilo's en kuilvoerplaten buiten agrarisch bouwvlak

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.5 voor direct aansluitend buiten het bouwvlak bouwen van ten hoogste één bouwwerk voor mestopslag, sleufsilo's en kuilvoerplaten bij elk agrarisch bedrijf tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 1000 m2 en een hoogte van maximaal 2 meter;


onder de voorwaarden dat:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarisch bedrijfsvoering van situering buiten het bouwvlak is aangetoond;
  • b. geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan het (leef)milieu en/of in de omgeving aanwezige functies;
  • c. sprake is van een goede landschappelijk inpassing waarvoor de initiatiefnemer een inrichtingsplan dient te overleggen.
3.4.2 afwijken voor hogere mestsilo's

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.5 ten behoeve van het bouwen van mestsilo's tot een hoogte van maximaal 10 meter, mits de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond.

3.4.3 afwijken voor schuilgelegenheden

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 sub i voor het bouwen van een schuilgelegenheid voor vee onder de voorwaarden dat:

  • a. de oppervlakte van de bij het betreffende agrarisch bedrijf behorende gronden ten minste 5.000 m2 bedraagt;
  • b. de oppervlakte van de schuilgelegenheid maximaal 30 m2 bedraagt;
  • c. de goothoogte van de schuilgelegenheid maximaal 3 m bedraagt;
  • d. de hoogte van de schuilgelegenheid maximaal 5 m bedraagt;
  • e. de afstand tot woningen van derden minimaal 50 m bedraagt.
3.4.4 afwijken voor paardenbakken

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1, voor de bouw en aanleg van één paardenbak met dien verstande dat:

  • a. de oppervlakte maximaal 1200 m2 bedraagt;
  • b. omheiningen tot een bouwhoogte van maximaal 1,7 m zijn toegestaan;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • d. het niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke kwaliteit van de omgeving;
  • e. de afstand van de paardenbak tot het bijbehorende bouwvlak maximaal 50 m bedraagt;
  • f. de afstand tussen de rand van de paardenbak en (bedrijfs)woningen en/of tuinen van derden minimaal 30 m bedraagt;
  • g. de hoogte van lichtmasten maximaal 8 m bedraagt;
  • h. het aantal lichtmasten maximaal 4 bedraagt.
3.4.5 afwijken voor het vergroten van de bedrijfs- of plattelandswoning

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 sub b voor het vergroten van de inhoud van een bedrijfs- of plattelandswoning tot een maximum van 1.000 m3 onder de voorwaarden dat:

  • a. vast staat dat het aantal woningen niet toeneemt;
  • b. de kenmerkende vorm van het hoofdgebouw gehandhaafd blijft.
3.5 Specifieke gebruiksregels

Voor het gebruik gelden de volgende regels:

3.5.1 stikstofemissie

Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de wijziging en/of uitbreiding van de bestaande veestapel en/of ten behoeve van de oprichting en/of wijziging en/of uitbreiding van mestplaten, mestsilo's en mest- en/of organische (bij)productvergisting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting.

3.5.2 omschakeling

Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet-grondgebonden veehouderij.

3.5.3 productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit

Productiegebonden detailhandel is toegestaan onder de voorwaarden dat:

  • a. de activiteit plaatsvindt binnen het agrarisch bouwvlak;
  • b. de oppervlakte van de ruimte voor detailhandel maximaal 30% van het bedrijfsvloeroppervlak bedraagt met een maximum van 100 m2;
  • c. een zelfstandige vorm van detailhandel niet is toegestaan;
  • d. op eigen terrein in de parkeerbehoefte dient te worden voorzien;
  • e. buitenopslag, behorende bij het andere gebruik, is niet toegestaan.
3.5.4 bed and breakfast

Bed and breakfast is toegestaan onder de voorwaarden dat:

  • a. de accommodatie deel uit maakt van de bedrijfs- of plattelandswoning met dien verstande dat maximaal 3 slaapkamers en maximaal 6 slaapplaatsen zijn toegestaan;
  • b. de oppervlakte van de gehele accommodatie maximaal 30% van de woning beslaat met een maximale oppervlakte van 50 m2;
  • c. op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien;
  • d. geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden;
  • e. het gebruik door de visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het landelijke karakter niet onevenredig mag aantasten.
3.5.5 aan huis verbonden beroep

Een aan huis verbonden beroep is toegestaan onder de voorwaarden dat:

  • a. de oppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep beslaat maximaal 30% van het woonoppervlak met een maximum van 50 m2;
  • b. het aan huis verbonden beroep wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • c. geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende beroep.
3.5.6 Serviceweg

De serviceweg ten behoeve van de windturbine binnen het meest zuidelijke gelegen bestemmingsvlak 'Bedrijf - Windturbine' mag uitsluitend ten noorden van deze turbine wordt aangelegd en mag dus niet aan de zuidzijde via de Jonkerstraat worden aangelegd.

3.5.7 Gekoppeld agrarisch bouwvlak

Voor het (deel van het) agrarisch bouwvlak gelegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - deelvlak agrarisch bouwvlak' geldt dat op dit deel van het bouwvlak tezamen met het deel van het aangesloten bouwvlak(deel) zoals dat geregeld is in het voor dat deel vigerende bestemmingsplan.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 afwijken van stikstofemissie

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.5.1 wanneer het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de wijziging en/of uitbreiding van de bestaande veestapel, en/of ten behoeve van de oprichting en/of wijziging en/of uitbreiding van mestplaten, mestsilo's en mest- en/of organische (bij)productvestiging, een stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000 gebied die afzonderlijk en, in geval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting in de periode waarvoor het Programma Aanpak Stikstof geldt, op grond van artikel 19km, eerste lid Natuurbeschermingswet 1998 mogelijk is.

Voordat het bevoegd gezag de afwijking verleent vragen zij het bevoegd gezag op grond van de Natuurbeschermingswet om advies. De adviesaanvraag zal in ieder geval betrekking hebben op de vraag of de handeling die het betreft past binnen de beleidskaders die het betrokken bevoegd gezag op grond van de Natuurbeschermingswet hiertoe heeft vastgesteld binnen het Programma Aanpak Stikstof en op de vraag of er nog voldoende ontwikkelruimte beschikbaar is binnen het Programma Aanpak Stikstof.

3.6.2 afwijken voor horeca als nevenactiviteit voor extensieve recreatie

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 voor het toestaan van horeca als nevenactiviteit voor extensieve recreatie onder de voorwaarden dat:

  • a. het activiteiten betreft in horeca, categorie 1;
  • b. de oppervlakte van de ruimte voor horeca maximaal 30% van het bedrijfsvloeroppervlak bedraagt met een maximum van 100 m2;
  • c. de activiteit moet worden uitgeoefend door de ondernemer van de bijbehorende hoofdactiviteit;
  • d. een zelfstandige vorm van horeca niet is toegestaan;
  • e. op eigen terrein in de parkeerbehoefte dient te worden voorzien;
  • f. buitenopslag, behorende bij het andere gebruik, is niet toegestaan.
3.6.3 afwijken voor nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 ten behoeve van het uitsluitend als nevenactiviteit als bedoeld in Bijlage 1 gebruiken van bebouwing binnen een agrarisch bouwvlak onder de voorwaarden dat:

  • a. maximaal 50% van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen hiervoor mag worden gebruikt, met inachtneming van de in onderstaande tabel aangegeven maximum oppervlakte zoals die geldt voor de onderscheiden aanduidingen met dien verstande dat bij een combinatie van meer(dere) activiteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan:

functie   oppervlakte  
verblijfsrecreatie   750 m2  
dagrecreatie   750 m2  
horeca (uitsluitend cat 1)   750 m2  
zorg   750 m2  
opslag   750 m2  
overige nevenactiviteiten   750 m2  

  • b. op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien;
  • c. er geen sprake is van een onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van bestaande landschaps- en/of natuurwaarden in de omgeving;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende bestemmingen en functies;
  • f. geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden.
3.6.4 afwijken voor een aan huis verbonden bedrijf

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het gebruik van een gedeelte van de woning ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf. De afwijking wordt toegepast onder de voorwaarden dat:

  • a. degene die de activiteiten uitvoert, tevens de bewoner van de woning is;
  • b. de oppervlakte van de voor het bedrijf uit te oefenen ruimte maximaal 30% is van het woonoppervlak, met een maximum van 50 m2.
  • c. er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende beroep of bedrijf;
  • d. geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan het (leef)milieu en/of in de omgeving aanwezige functies.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 veranderen agrarisch bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de vorm van het agrarisch bouwvlak te wijzigen. De wijziging wordt toegepast onder de voorwaarden dat:

  • a. de wijziging noodzakelijk is in verband met een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak niet mag worden vergroot;
  • c. geen gebouw door de gewijzigde vorm buiten het bouwvlak komt te liggen;
  • d. sprake is van een goede landschappelijk inpassing waarvoor de initiatiefnemer een inrichtingsplan dient te overleggen;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van bestaande landschaps- en/of natuurwaarden in de omgeving;
  • f. geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan het (leef)milieu van in de omgeving aanwezige functies;
  • g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende bestemmingen en functies.
3.7.2 vergroten agrarisch bouwvlak ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het agrarisch bouwvlak te vergroten ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven. De wijziging wordt toegepast onder de voorwaarden dat:

  • a. de wijziging noodzakelijk is in verband met een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf die dient te worden aangetoond met een, door de aanvrager aan te leveren, bedrijfsplan;
  • b. de vergroting dient plaats te vinden aansluitend aan het bestaande agrarisch bouwvlak;
  • c. er geen sprake is van omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderij;
  • d. de totale oppervlakte van het agrarisch bouwvlak maximaal 2 ha mag bedragen;
  • e. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen;
  • f. sprake is van een goede landschappelijk inpassing waarvoor de initiatiefnemer een inrichtingsplan dient te overleggen;
  • g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van bestaande landschaps- en/of natuurwaarden in de omgeving;
  • h. geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan het (leef)milieu van in de omgeving aanwezige functies;
  • i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende bestemmingen en functies.
3.7.3 functieverandering naar werken binnen het agrarisch bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming voor zover gelegen binnen een agrarisch bouwvlak, te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf'. De wijziging wordt toegepast onder de voorwaarden dat:

  • a. het agrarisch bedrijf ter plaatse volledig is beëindigd;
  • b. minimaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen moet worden gesloopt, tenzij de gebouwen zijn aangewezen als Rijks- of gemeentelijk monument dan wel een aanduiding 'karakteristiek' hebben;
  • c. de oppervlakte voor bedrijfsgebouwen maximaal 350 m2 is;
  • d. bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten of bedrijven die daar voor wat betreft aard en omvang van de milieuhinder daaraan gelijk kunnen worden gesteld;
  • e. de oppervlakte voor bedrijfsdoeleinden niet meer mag bedragen dan in onderstaande tabel is opgenomen met dien verstande dat bij een combinatie van meer(dere) activiteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan:

gebied

functie  
overige zone gelders natuur netwerk   overige zone groene ontwikkelingszone   overige gronden  
verblijfsrecreatie   750 m2   750 m2   900 m2  
dagrecreatie   750 m2   750 m2   900 m2  
zorg   750 m2   750 m2   900 m2  
opslag   niet toegestaan   750 m2   750 m2  
overige nevenactiviteit   niet toegestaan   750 m2   750 m2  

  • f. geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden;
  • g. sprake is van een goede landschappelijk inpassing waarvoor de initiatiefnemer een inrichtingsplan dient te overleggen;
  • h. op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien;
  • i. geen onevenredige toename plaatsvindt van de verkeersaantrekkende werking;
  • j. de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt;
  • k. ondergeschikt detailhandel is toegestaan tot een maximale oppervlakte van 100 m2;
  • l. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende bestemmingen en functies.

Artikel 4 Bedrijf - Windturbine

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Windturbine' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. windturbines en daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen een inkoopstation ten behoeve van de levering van elektriciteit aan het openbare net met dien verstande dat binnen het gehele plangebied maximaal één inkoopstation is toegestaan;
  • b. voor wegen ten dienste van windturbines, met een rijbaanbreedte van maximaal 4 m;
  • c. voor openbare wegen ter plaatse ter plaatse van de aanduiding 'Verkeer';
  • d. voor groen in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'Groen';
  • e. voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding, waterafvoer, waterberging en waterlopen in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'Water'.
4.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in lid 4.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. ten hoogste 1 windturbine binnen elk bestemmingsvlak, met inachtneming van de volgende bepalingen:
    • 1. de ashoogte van een windturbine mag niet minder dan 100 meter bedragen en niet meer dan 139 m bedragen;
    • 2. de rotordiameter van een windturbine, gemeten tussen de uiteinden van de wieken/rotorbladen, mag niet minder dan 112 meter bedragen en niet meer dan 122 m bedragen;
    • 3. de uiteinden van de wieken/rotorbladen mogen het verticale vlak dat door de plangrens, niet zijnde de gemeentegrens, loopt, niet doorsnijden;
    • 4. de afstand tussen het laagste punt van het rotorblad (= onderste tiphoogte) en het maaiveld bedraagt niet minder dan 58 meter;
    • 5. een windturbine heeft 3 rotorbladen;
    • 6. de maatvoering van de windturbines dient hetzelfde te zijn;
    • 7. de afstand tussen het Natura 2000-gebied Unterer Niederrhein en de meest nabijgelegen windturbine mag niet minder bedragen dan 285 meter;
  • b. ten hoogste één inkoopstation binnen het plangebied, met inachtneming van de volgende bepalingen:
    • 1. de bouwhoogte van het inkoopstation mag niet meer dan 3,50 meer bedragen;
    • 2. de oppervlakte van het inkoopstation mag niet meer dan 40 m2 bedragen;
  • c. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behorende bij de bestemming, waaronder begrepen schakelkasten en andere nutsvoorzieningen, waarvan de inhoud niet meer dan 50 m3 en de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen.

Artikel 5 Bos

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bosgebieden;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden;
  • c. behoud van zandwegen;
  • d. fiets- en wandelpaden;
  • e. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • f. extensief (dag)recreatief medegebruik.
5.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter is.

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. aanleggen, verbreden en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen en draineren;
  • d. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden.
5.3.2 verlening

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de andere-werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

5.3.3 uitzondering

Geen omgevingsvergunning is nodig voor:

  • a. andere-werken in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning;
  • c. het aanleggen van kavelpaden en verhardingen ten behoeve van in- of uitritten, tot elk een oppervlakte van 60 m², niet zijnde zandwegen met een landschappelijke waarde;
  • d. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, voor zover daarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet.

Artikel 6 Natuur

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bos- en natuurgebieden;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden;
  • c. fiets- en wandelpaden;
  • d. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • e. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;
  • f. extensief (dag)recreatief medegebruik.
6.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter is.

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. aanleggen, verbreden en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen en draineren;
  • d. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden.
6.3.2 verlening

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de andere-werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

6.3.3 uitzondering

Geen omgevingsvergunning is nodig voor:

  • a. andere-werken in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning;
  • c. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, voor zover daarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en straten, wandel en fietspaden;
  • b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • d. straatmeubilair, openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen;

met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen

Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd ten behoeve van openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal:
    • 1. voor kunstwerken en bouwwerken voor verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer 12 meter;
    • 2. voor masten 10 meter;
  • b. De bouwhoogte voor bruggen en viaducten is maximaal 10 meter;
  • c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

Artikel 8 Water

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. watergangen, waterpartijen , oevers, taluds, onderhouds- en andere paden en kaden;
  • b. waterhuishouding en waterberging;
  • c. verkeer te water;
  • d. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwaarden in en langs watergangen en waterpartijen;
  • e. extensieve dagrecreatie, voor zover de waterhuishouding en de onder c bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers.

8.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter is.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1 vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. aanleggen, verbreden en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen en draineren;
  • d. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden.
8.3.2 verlening

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de andere-werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de:

  • a. landschappelijke en/of natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen;
  • b. waterhuishoudkundige situatie.
8.3.3 uitzondering

Geen omgevingsvergunning is nodig voor:

  • a. andere-werken in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning;
  • c. andere-werken voor de aanleg van nutuurvriendelijke oevers.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand

In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

10.2 Bestaand bebouwingspercentage

In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

10.3 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in de bestemmingsregels opgenomen afwijkingen, de volgende voorwaarden:

  • a. ondergronds bouwen is alleen toegestaan onder hoofd- en bijbehorende gebouwen;
  • b. de verticale diepte kelders en andere ondergrondse bouwwerken is maximaal 3,5 meter.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Verboden gebruik

Tot een gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval begrepen, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald:

  • a. het (laten) opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen, anders dan voor zover noodzakelijk is voor het normale onderhoud van tuinen en andere onbebouwde terreinen en het onderhoud van watergangen;
  • b. het (laten) opslaan of opgeslagen houden van gerede of ongerede goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan, anders dan voor zover dit het gevolg is van of direct samenhangt met het gebruik van een erf, behorende bij een winkel of bedrijf, in overeenstemming met de desbetreffende bestemming;
  • c. het (laten) gebruiken van bebouwde dan wel onbebouwde gronden als of ten behoeve van een seksinrichting en/of prostitutie;
  • d. het (laten) gebruiken van bebouwde dan wel onbebouwde gronden als of ten behoeve van detailhandel met uitzondering van productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit;
  • e. het (laten) gebruiken van gronden ten behoeve van horeca met uitzondering van horeca, categorie 1 als nevenactiviteit
  • f. het (laten) gebruiken van gronden voor opslag van bagger en grondspecie;
  • g. het (laten) gebruiken van opstallen, waaronder bijgebouwen, als zelfstandige woning met uitzondering van bestaande (bedrijfs)woningen;
  • h. het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken buiten het bouwvlak ten behoeve van reclame-uitingen;
  • i. het (laten) gebruiken van gronden ten behoeve van bedrijven als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht;
  • j. het (laten) gebruiken van gronden ten behoeve van bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  • k. het (laten) gebruiken van gronden ten behoeve van vuurwerkbedrijven.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 Veiligheidszone - windturbine
12.1.1 Gebruiksverbod

Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - windturbine' gelden, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, de volgende regels:

  • a. de vestiging van nieuwe kwetsbare objecten, als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, is uitgesloten.
  • b. de vestiging van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, is uitgesloten binnen een afstand van 66 meter uit het hart van de windturbine.

12.1.2 Afwijken van het gebruiksverbod

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het Gebruiksverbod en toestaan dat kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogen worden gevestigd overeenkomstig de op de gronden geldende bestemming(en), mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

13.1 Algemeen
13.1.1 afmetingen

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
  • b. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m;
  • c. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 m.
13.1.2 gebouwen voor nutsdoeleinden

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor nutsvoorzieningen, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen. De ontheffing wordt verleend onder de voorwaarde dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • b. de inhoud maximaal 50 m3 bedraagt;
  • c. de inhoud van bouwwerken ten behoeve van het rioolstelsel maximaal 600 m3 bedraagt.
13.1.3 aanleg van een geluidsreducerende maatregelen

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het aanleggen van geluidsreducerende maatregelen onder de voorwaarden dat:

  • a. de maatregel wordt aangelegd in het kader van het garanderen van het ingevolgde de Wet geluidhinder gestelde gegarandeerde leefklimaat binnen een woning;
  • b. vooraf eerst andere methoden, zoals isolatie, worden toegepast om te voldoen aan de in de Wet geluidhinder gestelde minimumeisen voor een gegarandeerd leefklimaat binnen een woning;
  • c. de landschappelijke waarden niet onevenredig worden geschaad;
  • d. de hoogte van de geluidsreducerende maatregel maximaal 5 meter bedraagt;
  • e. de landschappelijke waarde niet onevenredig wordt geschaad.
13.2 Voorwaarden

Een afwijking als bedoeld in artikel 13.1 is slechts toegestaan, mits:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid niet onevenredig worden geschaad;
  • c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • d. geen onevenredige milieutechnische of ruimtelijke belemmeringen zijn.

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • e. bestemmingsgrenzen mogen met niet meer dan 5 m worden verschoven;
  • f. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • g. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
15.1.1 algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
15.1.2 afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 15.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 15.1.1 met maximaal 10%.

15.1.3 uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Artikel 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

15.2 Overgangsrecht gebruik
15.2.1 algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

15.2.2 strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

15.2.3 onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

15.2.4 uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Artikel 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.


Artikel 16 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Windpark Den Tol Netterden 2016'.

21 november 2016