direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Keurkamer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1509.BP000108-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voor het centrum van Ulft is in 2007 een structuurplan vastgesteld, waarin een visie wordt gegeven op de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in Ulft. Zo wordt beschreven hoe de subregionale winkelfunctie van Ulft kan worden behouden. De opgave vertaalt zich in een compact en compleet centrum van Ulft door:

  • herinrichting van de openbare ruimte;
  • herontwikkeling van het zuidwestelijke deel (De Blenk) en
  • uitbreiding van het centrum met een extra supermarkt.

Een aantal uitgangspunten om het stedelijk gebied van Ulft een facelift te geven is inmiddels al gerealiseerd. Zo is de Kerkstraat tussen winkelcentrum De Blenk en het J.F. Kennedyplein autovrij gemaakt en is aan de noordzijde van de Kerkstraat een modern woon-winkel gebouw gekomen, zodat tweezijdige bewinkeling is ontstaan. Voor het realiseren van een supermarkt aan de Veldstraat is inmiddels een nieuw bestemmingsplan vastgesteld.

Door deze ontwikkelingen is de verkeerscirculatie voor het autoverkeer in het centrum veranderd. Onderdeel van het centrumplan van Ulft is dan ook het verkeerscirculatieplan (VCP), dat op 29 januari 2009 door de gemeenteraad is vastgesteld. Daarbij is een nieuwe structuur voorgesteld voor de afwikkeling van het personenverkeer en het vrachtverkeer. Onderdeel hiervan is de realisatie van een nieuwe ontsluitingsweg over het gebied van de Keurkamer, in de volksmond beter bekend als het voormalige ATAG-terrein. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader daarvoor. Eveneens is het de basis voor de aanleg van een groene verbinding tussen de Bongersstraat en de Veldstraat.

1.2 Plangebied

Het plangebied bestaat uit het gebied van Ulft, dat globaal omgrensd wordt:

  • aan de noordzijde door de achterzijde van de bebouwing aan de F.B. Deurvorststraat;
  • aan de oostzijde door de Bongersstraat;
  • aan de zuidzijde door de achterzijde van de bebouwing aan de Kortestraat en
  • aan de westzijde door de Veldstraat.

Op de volgende afbeelding is de ligging van het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0001.jpg"

Fig. 1: Ligging plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan "Centrum Ulft 1989". Dit bestemmingsplan is op 28 september 1989 door de gemeenteraad vastgesteld en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Gelderland op 17 mei 1990, nr. RO89.37572-RWG/G5212. Bij Koninklijk Besluit van 12 september 1991, nr. 91.008054 is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Het plangebied is daarin voor het overgrote deel bestemd als "bedrijfsterrein". De twee aan de Veldstraat gesitueerde woningen zijn bestemd voor "woondoeleinden".

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0002.jpg"

Fig. 2: fragment verbeelding vigerend bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is na dit inleidende hoofdstuk als volgt opgebouwd.

  • In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie en de nieuwe situatie beschreven.
  • In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op voor dit bestemmingsplan relevant ruimtelijk beleid.
  • De milieu- en omgevingsaspecten worden in hoofdstuk 4 behandeld: de milieuhygiënische aspecten, zoals bodem, geluid, geur en luchtkwaliteit en de gebiedswaarden zoals archeologie, water, flora en fauna en vervolgens verkeer.
  • Aan de juridisch bestuurlijke aspecten wordt aandacht besteed in hoofdstuk 5.
  • In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
  • In hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld. Hierin wordt ingegaan op het vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro en de eventuele zienswijzen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

2.1.1 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied vormt het westelijk deel van het projectgebied Hutten-Zuid en wordt ook wel aangeduid als Hutten-Zuid deelplan 3. Momenteel is het gebied onbebouwd. Voorheen was het gebied grotendeels bebouwd met bedrijfshallen.

Het plangebied ligt direct ten zuiden van het centrumgebied van Ulft, ingeklemd aan de oostzijde door de Bongerstraat en aan de westzijde door de Veldstraat. Tegenover de Bongersstraat liggen de overige deelplannen van het projectgebied Hutten-Zuid. Daarvan zijn de deelplannen 1 en 4 inmiddels gerealiseerd. Deelplan 1 vormt het zuidelijke deel van het projectgebied, terwijl deelplan 4 het noordelijke deel vormt. Deelplan 2 vormt het middendeel van het projectgebied en is momenteel nog onbebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0003.jpg"

Afb. 1 Overzichtskaart ligging t.o.v. deelplannen Hutten-Zuid

2.1.2 Historie

De ontwikkelingsgeschiedenis van Ulft is voor een belangrijk deel bepaald door de ligging aan de rivier de Oude IJssel en de aanwezigheid van ijzeroer. De zone langs de westelijke oever van de Oude IJssel had van oudsher smeltovens, die de basis vormen van de huidige metaalindustrieën. De ijzerindustrie lag langs de rivier vanwege de transportmogelijkheden en de waterkracht. Nabij en in het centrum van Ulft bevonden zich tot recentelijk nog enkele grote metaalbedrijven, onder andere op de locatie van Hutten Zuid.

Ulft is met name na 1945 snel gegroeid en heeft zich daarbij vooral in westelijke richting uitgebreid, met de rug naar de rivier. De metaalbedrijven zijn daarbij door hun omvang en ruimtebeslag een ruimtelijke barrière gaan vormen tussen de rivier en het dorp. De Oude IJssel is daardoor nauwelijks zicht- en bereikbaar. De vrijkomende locaties bij het vertrek van de metaalbedrijven bieden de mogelijkheid weer samenhang te creëren tussen de Oude IJssel en Ulft.

Om aan deze ontwikkeling vorm en inhoud te geven is op 26 oktober 2000 een structuurschets opgesteld voor het project De Hutten. Uitgangspunt voor de invulling is het creëren van samenhang tussen het dorp, de Oude IJssel en het landschap. Gezien de ligging nabij het dorpscentrum en het water biedt het gebied goede mogelijkheden voor woningbouw, natuurontwikkeling en recreatie. Bij de revitalisering van Hutten-Zuid komt dit tot uitdrukking in het ontsluiten en zichtbaar maken van de rivier en door wonen aan de rivier. Met groene scheggen en de inrichting van de oevers zal de natuur het dorp worden binnengehaald. Daarbij is het plangebied opgedeeld in vier deelgebieden, waarvan de Keurkamer er één is (zie par. 2.1.1).

2.1.3 Beschrijving directe omgeving

Zoals hiervoor al aangegeven is in het plangebied nagenoeg geen bebouwing aanwezig. Het gebied grenst aan alle zijden aan de historische bebouwingslinten van het centrum van Ulft. Het gebied wordt aan de oostzijde ontsloten door de Bongersstraat. Deze straat is een hoofdontsluitingsweg van Ulft en maakt onderdeel uit van een route die loopt vanaf de Slingerparallel (N317) via de Oversluis door Ulft en Gendringen richting Anholt. Het is een dorpslint, waarlangs bedrijfsgebouwen en woningen gesitueerd zijn. De verkeersfunctie bepaalt in belangrijke mate het beeld en karakter van de weg. Recent is de straat heringericht. Doordat de gronden binnen het plangebied braak liggen is het mogelijk het centrum van Ulft via de Keurkamer te ontsluiten op de Bongersstraat. Vooruitlopend op de definitieve ontsluitingsweg is over het terrein een tijdelijke weg met prefab betonnen vloerplaten aangelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0004.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0005.jpg"

2.2 Nieuwe situatie

De nadruk bij de revitalisering van Hutten-Zuid ligt op het beleven van en wonen aan de Oude IJssel, waarbij dorpsbebouwing, rivier en landschap in elkaar grijpen. Tot voor de sloop van de bedrijfsbebouwing werd het beeld aan de Veldstraat bepaald door de achterzijden van de bedrijfsbebouwing. De straat was daardoor smal en maakte een benauwde indruk. In de structuurschets De Hutten worden daarom langs de straat woningen toegevoegd, maar wordt ook ruimte geschept. Het landschappelijk raamwerk uit de structuurschets De Hutten biedt daarvoor het kader. In de structuurschets is omschreven, dat de Oude IJssel, samen met een drietal groene scheggen, de groen- en waterstructuur van Hutten-Zuid bepaalt. Door deze scheggen wordt (visueel) contact mogelijk gemaakt tussen de dorpsbebouwing en de Oude IJssel. Voor de Keurkamer betekent dit, dat de groene scheg uit deelplan 4 overgaat in een groene scheg tussen de Bongersstraat en de Veldstraat. Aan het thema "wonen aan de groene scheg" wordt recht gedaan door in dit bestemmingsplan een uit te werken woonbestemming op te nemen. Voor deze bestemming is gekozen om tegemoet te komen aan de lokale gevolgen van de regionale woonvisie. T.a.v. dit plangebied heeft de gemeenteraad besloten het aanvankelijk geplande aantal woningen naar beneden bij te stellen. Daarbij is aangegeven dat in de bouw van de woningen na 2020 wordt voorzien. De betreffende gronden kunnen pas ontwikkeld worden nadat het college van burgemeester en wethouders een uitwerkingsplan heeft vastgesteld.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk komt het beleidskader aan de orde. Er wordt ingegaan op het relevante ruimtelijke beleid van rijk, provincie, regio en gemeente. Aan het eind van elke paragraaf wordt het onderhavig plan getoetst aan het geldende beleid.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het nationale beleid is in maart 2012 neergelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze visie vervangt verschillende nota's betreffende de ruimtelijke ordening, zoals bijv. de Nota Ruimte. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt geschetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien, doch het gaat te ver om voor een keinschalig bestemmingsplan als het onderhavige daar verder op in te gaan. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, hetgeen van een andere schaal en aard is dan de schaal die noodzakelijk is voor een (kleinschalig) bestemmingsplan. Gemeenten en provincies zijn, volgens de Rijksoverheid, beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren en hebben daarom in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte meer bevoegdheden gekregen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid. Om deze reden wordt, in het kader van de opstelling van voorliggend bestemmingsplan, niet nader ingegaan op het nationaal ruimtelijk beleid.

3.2.2 Conclusie

De realisering van een ontsluitingsweg heeft geen directe raakvlakken met het rijksbeleid en is daarmee dan ook niet in strijd.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Gelderland

Het ruimtelijk beleid van de provincie is vastgelegd in het Streekplan Gelderland 2005, dat op 29 juni 2005 door Provinciale Staten van Gelderland is vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2008 heeft het streekplan de status van structuurvisie gekregen. Dat betekent dat de inhoud van het streekplan voor de provincie de basis blijft voor haar eigen optreden in de ruimtelijke ordening. Zo ziet de provincie er op toe dat bestemmingsplannen ook inderdaad worden vastgesteld conform hun beleid, waarbij zij een reactieve rol vervult. Het streekplanbeleid is hiertoe vertaald in de Wro-agenda waarin wordt beschreven welke instrumenten toegepast (kunnen) worden voor het verwezenlijken van provinciale doelen. Voor het plangebied heeft de Wro-agenda geen consequenties bovenop het streekplanbeleid.

Streekplan Gelderland

De provincie beschrijft in haar streekplan de ruimtelijke kenmerken en kwaliteiten van Gelderland in nationaal perspectief en van de samenstellende regio's. De provincie onderkent in haar plan de landschappelijke diversiteit en de regionale verscheidenheid, die hebben geleid tot een structureel verschillende, ruimtelijke opbouw. Het streekplan geeft op hoofdlijnen aan waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. De ruimtelijke kenmerken en kwaliteiten spelen daarbij een bepalende rol.

De provincie hanteert voor het ruimtelijk beleid de volgende uitgangspunten:

  • regionale inzet: ontwikkelingsgerichtheid en afstemming op regionale schaal staan hierbij centraal. Regionale plannen vormen als het ware grotendeels de uitwerking van het provinciale beleid op regionaal niveau.
  • versterking ruimtelijke kwaliteit: ruimtelijke kwaliteit werkt op alle schaalniveaus door en heeft betrekking op de betekenissen die aan de kenmerken van de ruimte kunnen worden ontleend. Die betekenis kan worden uitgedrukt in de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Ruimtelijke plannen moeten dan ook een minimale basiskwaliteit hebben, zoals bedoeld in de Nota Ruimte en die vastligt in diverse wetten, regelgeving en beleid.

In de structuurvisie is het beleid in de provincie Gelderland uitgewerkt per regio. In de Achterhoek is het ontwikkelingsperspectief er een van groeien op eigen kracht, regionaal maatwerk en het benutten van de historische en karakteristieke verweving van functies en de economische diversiteit (symbiose landbouw en nijverheid: verbrede plattelandsontwikkeling).

Het bundelingsbeleid is een centraal uitgangspunt voor de wijze waarop in het Gelders ruimtelijk beleid wordt omgegaan met verstedelijking. Behoud en versterking van het draagvlak voor stedelijke voorzieningen is hierbij een belangrijk doel.

Een groot deel van de werkgelegenheid is te vinden binnen woonkernen, met name in de sectoren detailhandel, horeca, dienstverlening. Van belang is voldoende ruimte te houden in met name stads- en dorpscentra om deze werkgelegenheid ook in de toekomst te kunnen accommoderen.

3.3.2 Ruimtelijke Verordening Gelderland

Op 15 december 2010 hebben Provinciale Staten van Gelderland de Ruimtelijke Verordening Gelderland (RVG) vastgesteld. Deze verordening is op 2 maart 2011 in werking getreden. Op onderdelen is de Ruimtelijke Verordening tweemaal herzien; de eerste herziening is door Provinciale Staten vastgesteld op 27 juni 2012 en de tweede herziening op 19 december 2012. Met de ruimtelijke verordening worden regels gesteld voor onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, wonen, detailhandel en natuur. De invoering van de verordening is een direct gevolg van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) uit 2008, die is ingevoerd om de rolverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten te vereenvoudigen. De verordening betekent geen verandering in het ruimtelijk beleid van de provincie, maar is de "juridische vertaling" van de eerder vastgestelde Structuurvisie, de opvolger van het Streekplan.

3.3.3 Woonvisie Gelderland - Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019

Steeds meer gemeenten en regio's krijgen de komende jaren te maken met een afname van het aantal inwoners, huishoudens en potentiële beroepsbevolking. Deze demografische krimp heeft gevolgen voor de woningmarkt, arbeidsmarkt en bedrijvigheid. De provincie Gelderland heeft daarom in samenspraak met gemeenten en woningcorporaties een woonvisie opgesteld waarin voor een regionale aanpak is gekozen. Mensen zijn immers steeds minder gebonden aan een bepaalde gemeente. De provincie zorgt ervoor dat het regionale aanbod van woningen zo goed mogelijk aansluit op de vraag.

Het motto van de woonvisie is "woonbeleid met kwaliteit". In deze woonvisie wordt ingegaan op de thema's "keuzevrijheid en zeggenschap", "passend aanbod aan woonmilieus", "wonen, zorg en welzijn", "identiteit en ruimtelijke kwaliteit"en "duurzaamheid". Aan de hand van deze thema's worden in de woonvisie drie centrale doelen van beleid geformuleerd:

  • bewoners meer vrijheden en meer kansen bieden om hun woonwensen te realiseren;
  • een aanbod aan woningen en woonmilieus, dat beter aansluit bij de voorkeuren van bewoners;
  • de provincie optredend als partner in wonen: stimulerend, ondersteunend en in dialoog met andere actoren in het veld.

Om hieraan handen en voeten te geven is in de woonvisie een actieprogramma opgenomen, waarover jaarlijks aan Provinciale Staten de stand van zaken wordt gerapporteerd. Zo nodig worden daarbij voorstellen gedaan het actieprogramma te actualiseren.

Kwalitatief Woonprogramma 2010 - 2019

Op basis van de Woonvisie Gelderland is per regio een prognose gemaakt van de kwalitatieve woningbehoefte. Op basis daarvan zijn met gemeenten en woningcorporaties afspraken gemaakt over de uitbreiding en aanpassing van de woningvoorraad en over de regionale kwalitatieve woonprogramma's. Het regionale woonprogramma en het afsprakenkader wordt aangeduid als het Kwalitatief Woonprogramma. Op dit moment geldt het Kwalitatief Woonprogramma 2010 t/m 2019 (KWP3).

Het KWP3 is als uitwerking van het Gelderse streekplan vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 12 januari 2010. Doordat het streekplan inmiddels de status van provinciale ruimtelijke structuurvisie heeft gekregen, maakt het KWP daar onderdeel van uit.

Het KWP heeft als doel het woningaanbod op regionaal niveau, zowel kwantitatief als kwalitatief, zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte (de vraag) aan woningen. Het KWP3 beschrijft per regio de programmatische opgave op basis van de geconstateerde regionale woningbehoefte en is daarmee richtpunt voor woningbouwbeleid van gemeenten in de regio.

Voor de regio Achterhoek houdt de afspraak in het KWP3 in, dat in de periode 2010 tot en met 2019 aan de woningvoorraad 5.900 woningen kunnen worden toegevoegd.

De uitgangspunten van het KWP zijn verwerkt in een regionale en gemeentelijke woonvisie. In de volgende paragrafen wordt hier verder op ingegaan.

3.3.4 Ontwerp-Omgevingsvisie Gelderland

Met de nieuwe Omgevingswet in aantocht wordt het in de toekomst makkelijker om ruimtelijke projecten te starten. Met de Omgevingswet wordt het omgevingsrecht vereenvoudigd en gemoderniseerd. Regels op het gebied van omgevingsrecht worden gebundeld en vereenvoudigd. Hierdoor is er bijvoorbeeld meer ruimte voor maatwerk en zijn er minder regels. Op 12 juli 2013 heeft de ministerraad ingestemd met het wetsvoorstel Omgevingswet. De nieuwe wet treedt echter niet vóór 1 januari 2018 in werking.

Vooruitlopend daarop hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland de ontwerp Omgevingsvisie en – verordening Gelderland vastgesteld. De titel “Gelderland anders”, die hier aan meegegeven is, duidt op de wijze van totstandkoming van de visie: in cocreatie met partners. Daarnaast betekent “Gelderland anders” een andere manier van sturen door de provincie. Niet vooraf vastleggen wat wel of niet mag. Maar vanuit heldere doelen over economische structuur en kwaliteit van de leefomgeving ruimte bieden voor initiatieven in een veranderende omgeving. De visie kent drie hoofdthema's. Dynamisch duidt op economische structuurversterking, duurzaamheid, innovatie en bereikbaarheid. Mooi verwijst onder meer naar de opgaven op terrein van natuur, landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. Divers duidt op de regionale diversiteit en de andere wijze van werken.

De Gelderse omgevingsvisie is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De omgevingsvisie wordt de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies.

Naast de Omgevingsvisie is ook de ontwerp-Omgevingsverordening van belang, als opvolger van de ruimtelijke verordening. In de Omgevingsverordening zijn vrijwel alle regels vervat die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en betreffen ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De Omgevingsverordening heeft daarmee de status van èn Ruimtelijke verordening èn Milieuverordening èn Waterverordening èn Verkeersverordening. Ze wordt ingezet ter waarborging van de doorwerking van het provinciaal beleid en geeft daarmee richting aan wat er op de verschillende beleidsvelden al dan niet tot de mogelijkheden behoort.

Hoewel de status van de Omgevingsvisie en –verordening nog in een ontwerp-fase verkeert en derhalve hier buiten beschouwing kan worden gelaten, heeft de Omgevingsvisie en –verordening inhoudelijk geen consequenties voor de realisering van de beoogde ontsluiting van het centrum van Ulft. Zodra de in het plangebied opgenomen uit te werken woonbestemming gerealiseerd gaat worden, zal met de Omgevingsvisie en –verordening rekening worden gehouden.

3.3.5 Conclusie

Het provinciaal beleid heeft geen directe gevolgen voor de realisatie van dit bestemmingsplan.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek

De Achterhoekse gemeenten hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijke ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio.

De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals:

  • energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen;
  • bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening;
  • de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied;
  • positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief.

Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren.

De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regioverkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie:

  • samenwerking op volkshuisvesting, bedrijfsvestigingen en functieveranderingbeleid
  • bereikbaarheid van de regio, zowel fysiek als digitaal
  • balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten in de landbouw/het landschap
  • innoveren van de maakindustrie en landbouw en het verduurzamen van productieprocessen en energievoorziening
  • ruimtelijk wordt de 'ja, mits' benadering leidend.

Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven.

3.4.2 Regionale woonvisie

De 7 Achterhoekse gemeenten hebben samen met de woningcorporaties en de Provincie, onder het motto "Alleen ga je sneller, samen kom je verder", een gezamenlijke visie op het wonen in de Achterhoek neergelegd voor de periode 2010-2020.

De ambitie van de regio Achterhoek luidt daarbij als volgt:

  • iedereen die wil, kan zijn woonwens in de Achterhoek waarmaken.
  • de Achterhoek is onderscheidend in kwaliteit.
  • het aantal woningen past bij de kwantitatieve woningvraag.
  • ontspanning op de woningmarkt betekent kansen benutten en risico's beperken.

De grootste opgave daarbij is het realiseren van een omslag in denken: van decennia van groei van de bevolking naar stabilisatie en uiteindelijk krimp. De woningvoorraad wordt maximaal afgestemd op de veranderende lokale vraag van woningzoekenden. De locatie en woonomgeving zijn essentiële kwaliteitskenmerken waarop de Achterhoek zich kan onderscheiden. Centrumplannen voor de grotere kernen dragen bij aan vitale kernen en voegen hiermee kwaliteit toe aan de regio. Deze plannen krijgen prioriteit. Grootschalige uitlegplannen passen niet bij een situatie van krimp.

Om de kwalitatieve uitgangspunten in de regionale woonvisie waar te maken zijn de gemeenten met elkaar een binnenregionale verdeling overeengekomen. Voor de gemeente Oude IJsselstreek betekent deze verdeling dat de lokale woningvoorraad tot 2020 met 685 woningen mag toenemen.

3.4.3 Conclusie

Met de vaststelling van de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 (zie 3.5.2) is uitvoering gegeven aan het in dit hoofdstuk verwoorde regionale beleid.

 

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurschets "De Hutten"

In hoofdstuk 2 is al aangegeven, dat de gemeenteraad op 26 oktober 2000 de structuurschets "De Hutten, structuurschets en beeldkwaliteitplan Ulft en Oude IJssel" heeft vastgesteld. De aanleiding daarvoor was het feit, dat de aanwezige bedrijven op de onderhavige locatie aan de Bongersstraat onvoldoende toekomstperspectief hadden. In de structuurschets is daarom een visie gepresenteerd op de ruimtelijke ontwikkeling van Ulft in het begin van de 21ste eeuw. De uitgangspunten zijn gericht op de revitalisering van Hutten Zuid, het ontwikkelen van een hoogwaardig woonmilieu, de herinrichting van diverse straten en de ontwikkeling van de Oude IJssel tot ecologische verbindingszone.

Aan de herinrichting van Hutten Zuid worden in de structuurschets onder andere de volgende randvoorwaarden gesteld:

- gemengde dorpsbebouwing: wonen en wonen in combinatie met aan huis gebonden beroepen;
- horeca geconcentreerd in de F.B. Deurvorststraat en omgeving;
- optimale ruimtelijke en functionele integratie van deze locatie in de kern Ulft;
- optimale ervaring en integratie van de Oude IJssel in de kern Ulft;
- inpassing van de plannen van het Waterschap Rijn en IJssel om de oevers van de Oude IJssel
natuurlijker in te richten;
- herinrichting van de Bongersstraat en Kortestraat en omgeving.

Het is een continu proces om deze randvoorwaarden te realiseren. Enkelen daarvan zijn inmiddels al gerealiseerd. Dit bestemmingsplan maakt daar eveneens onderdeel van uit.

3.5.2 Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025

De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente Oude IJsselstreek tot 2025. Vraagstukken op deze beleidsterreinen zijn de basis voor deze visie. De structuurvisie is het vertrekpunt voor het uitwerken van het verdere beleid van de gemeente Oude IJsselstreek voor de toekomst.

Visie op wonen

De gemeente wil de Oude IJsselstreek graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het "Kwalitatief Woonprogramma (KWP3)", de regionale woonvisie en de "Woonvisie Oude IJsselstreek 2008-2015" kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Ulft, Silvolde en Terborg zijn de aangewezen woonclusters. Hier zal de meeste nieuwbouw plaatsvinden.

Visie op verkeer en vervoer

De Rijkswegen A18/N18 en A3 zijn de hoofddragers voor het (vracht)autoverkeer. Een vlotte en veilige doorstroming op deze autosnelwegen is noodzakelijk om een goede externe bereikbaarheid van Oude IJsselstreek (blijvend) te garanderen. De provinciale wegen N317 (Slingerparrallel) en N816, en in mindere mate N318 en N330, zijn de regionale invalswegen. Deze wegen bieden een snelle toegang naar de grotere woonkernen (Terborg, Silvolde, Ulft, Gendringen, Varsseveld) en bedrijventerreinen (Hofskamp-Oost, De Rieze) in de gemeente. Ook voor deze wegen geldt dat een vlotte en veilige doorstroming noodzakelijk is voor een goede externe bereikbaarheid.

Binnen de kernen staat de verblijfskwaliteit voorop. Dit betekent dat ook hier het verkeer wordt gebundeld op de hoofdroutes door de kernen (50 km/uur wegen) en dat de tussenliggende gebieden worden ingericht als verblijfsgebied (30 km-zones). De afstemming tussen stedenbouwkundige uitgangspunten en de verkeerstechnische inrichting van wegen is in de kernen een belangrijk aandachtspunt.

3.5.3 Structuurvisie Centrum Ulft

De gemeenteraad heeft op 22 maart 2007 het structuurplan "Centrum Ulft" vastgesteld. Dit structuurplan geeft een visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in Ulft. Het plan is in samenspraak met de lokale ondernemers ontwikkeld. Reacties van andere belanghebbenden (burgers en instellingen) op dit plan zijn zorgvuldig afgewogen en zoveel mogelijk meegenomen. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening heeft het plan de status van structuurvisie verkregen.

Het centrum van Ulft heeft een subregionale winkelfunctie. Dit komt onder andere tot uiting in een voor de bewoners ruim winkelaanbod. In de structuurvisie wordt dan ook beschreven hoe deze subregionale winkelfunctie van het centrum kan worden behouden. De opgave vertaalt zich in een compact en compleet centrum van Ulft. Hiervoor dienen aaneengesloten winkelfronten te worden gerealiseerd met een comfortabele en aantrekkelijke openbare ruimte. Kortom een facelift van het stedelijk gebied in het centrum van Ulft.

De volgende uitgangspunten in de structuurvisie zijn inmiddels gerealiseerd:

  • het autovrij maken van de Kerkstraat tussen De Blenk en het J.F. Kennedyplein, waardoor een verbetering van het verblijfsklimaat is verkregen;
  • het realiseren van rumte voor winkels aan de noordzijde van de Kerkstraat, zodat tweezijdijge bewinkeling is ontstaan;
  • de herinrichting van het J.F. Kennedyplein, waardoor in het centrum goede parkeerplaatsen te bereiken zijn.

Overige uitgangspunten worden in volgende fases gerealiseerd. Het gaat daarbij om

  • het realiseren van een koppeling tussen De Blenk en De Issel, door de situering van het winkelcentrum De Blenk te situeren op de hoek van de Kerkstraat met de Middelgraaf;
  • het realiseren van voldoende, en goed te bereiken parkeerplaatsen. Dit in combinatie met een goede afwikkeling van de verschillende verkeersstromen.

De voornemens m.b.t. het Kennedyplein zijn inmiddels minder ambitieus. Zo blijkt het economisch niet haalbaar om zowel aan de noord- als de zuidzijde van het J.F. Kennedyplein nieuwe bebouwing toe te voegen voor de bestaande bebouwing. Daarentegen worden kansen, die zich tijdens het proces voordoen, aangegrepen om op een andere wijze de uitgangspunten van de structuurvisie te realiseren.

3.5.4 Woonvisie Oude IJsselstreek 2008-2015

De Woonvisie Oude IJsselstreek dateert uit 2008 en speelt onder meer in op de Woonvisie Gelderland uit die tijd en de ambitie van de gemeente om door te groeien naar een voldoende aantal inwoners, dat nodig is voor een voldoende draagvlak voor voorzieningen. De woonvisie biedt een integrale visie op het gebied van wonen. De visie biedt ook een goed kader voor de uitwerking van concrete projecten die meer omvatten dan uitsluitend woningbouw.

In de woonvisie worden doelstellingen geformuleerd op het gebied van wonen én aangrenzende beleidsterreinen zoals leefbaarheid, zorg en welzijn. De hoofdlijnen uit de woonvisie zijn:

  • vertrek voorkomen en nieuwe vestigers vinden;
  • werken aan aantrekkelijke en vitale kernen;
  • met onderscheidende en gevarieerde nieuwbouw.

Deze hoofdlijnen gelden nog steeds voor het gemeentelijk beleid, doch zijn door het Kwalitatief Woonprogramma (zie par. 3.4.3) en de regionale woonvisie (zie par. 3.3.2) in een ander daglicht komen te staan.

Om in de toekomstige woningbehoefte te voorzien kan de woningvoorraad in de periode 2010 tot 2020 nog met 685 woningen worden uitgebreid. Aangezien de plancapaciteit in de gemeente vele malen hoger is, is besloten de plancapaciteit terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau. Voor enkele projecten heeft dit direct tot gevolg gehad, dat de plancapaciteit in zijn geheel is teruggenomen. Voor Hutten Zuid fase 3 wordt de optie open gehouden om in plaats van de oorspronkelijk 86 geplande woningen in de toekomst eventueel 36 woningen te realiseren. Met dit bestemmingsplan wordt dat planologisch mogelijk gemaakt door voor de onbebouwde gronden, die niet benodigd zijn voor het tracé van de ontsluitingsweg en de groene scheg, de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toe te kennen. Dit betekent dat de gronden pas ontwikkeld kunnen worden nadat door het college van burgemeester en wethouders een uitwerkingsplan is vastgesteld. Het gebied zal in stedenbouwkundig opzicht aansluiten bij de omgeving en zal bestaan uit grondgebonden woningen.

3.5.5 Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 2012 - 2020

In 2011 heeft de gemeente Oude IJsselstreek het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoersplan 2012 - 2020 (GVVP) vastgesteld. In het GVVP wordt, op basis van een analyse van de huidige en toekomstige verkeerssituatie, een visie ontwikkeld op het functioneren van het verkeers- en vervoerssysteem in de gemeente. Een eigen gemeentelijke mobiliteitsaanpak maakt duidelijk wat de gemeentelijke ambities zijn en op welke wijze deze worden gerealiseerd. De visie en mobiliteitsaanpak zijn vertaald in beleid, dat in hoofdlijnen is gericht op

  • het goed functioneren van de verkeersnetwerken voor (vracht)auto, fiets en openbaar vervoer;
  • de bereikbaarheid van de kernen;
  • parkeren en
  • het beïnvloeden van keuzegedrag door reizigers.

De rode draad binnen de verkeersnetwerken is de wegencategorisering. Deze bestaat uit een func- tietypering van de wegen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, en de bijbehorende voorkeurs- netwerken. De wegencategorisering is aangevuld voor vrachtverkeer (hoofdroutes), hulpdiensten (uitruk- routes) en landbouwverkeer (voorkeursroutes).

Voor de kern Ulft ziet de wegencategorisering er als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0006.png"

Afb. 3: wegencatagorisering Ulft (bron: GVVP Oude IJsselstreek 2010-2020)

Met deze wegencategorisering worden de randvoorwaarden gecreëerd voor:

  • een duurzaam veilig wegennet met een lager aantal verkeersslachtoffers;
  • een hiërarchisch opgebouwd, maar samenhangend wegennet, met een goede bereikbaarheid voor woon-, werk- en winkelgebieden;
  • bundeling van doorgaand verkeer daar waar het hoort (op de hoofdwegen), waardoor de overlast van het doorgaande verkeer tot een minimum wordt beperkt.

Om deze uitgangspunten te bereiken zijn diverse maatregelen nodig. Het beleidskader wordt dan ook verder uitgewerkt in een jaarlijks uitvoeringsprogramma. De keuze, welke projecten in welk jaar worden opgenomen in het uitvoeringsprogramma, is afhankelijk van:

  • prioriteit in uitvoering
  • regionale mobilieteitsagenda
  • geplande (onderhoud)werkzaamheden en
  • financiering.

Het gaat zowel om fysieke- als gedragsmaatregelen. In het eerste geval gaat het om projecten die daad- werkelijk zichtbaar zijn in de openbare ruimte, zoals herinrichting van kruispunten. Deze maatregelen richten zich vooral op het realiseren van verkeersnetwerken en de uitvoering van het parkeerbeleid. Uitgangspunt van het parkeerbeleid is, dat er voldoende parkeergelegenheid is, zodat de hinder als gevolg van zoekgedrag en/of foutief geparkeerde auto's wordt voorkomen.

Het bestemmingsplan "Keurkamer" is in overeenstemming gebracht met het GVVP doordat aansluiting is gezocht bij de wegencategorisering in dit beleidsplan. Daarnaast zijn bestemmingen opgenomen met ruime mogelijkheden, zodat de indeling van wegen en het verblijfsgebied waar nodig kan worden aangepast.

3.5.6 Beleidskader "groen groeien naar 2020"

De gemeente maakt een omslag in het denken over groen. Groen zal een kernkwaliteit van de gemeente in de regio zijn. Groen is behalve voor de ecologie, ook belangrijk voor economische en sociale ontwikkeling. Groen en natuur benaderen we dus niet als iets wat op zichzelf staat, maar vanuit zijn betekenis voor maatschappij, mens en milieu.

Een duurzame groenstructuur is kwalitatief hoogwaardig en zorgt voor een aantrekkelijke groene woon- en werkomgeving. De Oude IJsselstreek wil een gemeente zijn met levenskrachtige groene aders. Dit is het perspectief: wie over tien jaar de naam Oude IJsselstreek hoort, denkt direct aan de groenste hoek van Gelderland. Het mag ook eerder, maar groen moet groeien.

In 2020 moet er ecologische, recreatieve, cultuurhistorische en ruimtelijke samenhang zijn in het gemeentelijk groen in en om de gemeente Oude IJsselstreek. Juist daardoor kunnen groen en natuur meerdere functies hebben, houden en krijgen - soms ook tegelijk. Het beleidskader groen moet nog nader worden uitgewerkt in een groenstructuurplan en een groenbeheersplan.

In dit bestemmingsplan is rekening gehouden met dit beleidskader, doordat structureel groen binnen het plangebied specifiek als zodanig is bestemd.

3.5.7 Welstandsnota

De Welstandsnota van de gemeente Oude IJsselstreek dateert van 15 september 2011. In de welstandsnota is het projectgebied naar welstandsgebieden met een specifiek welstandsniveau ingedeeld. Het plangebied Hutten-Zuid is daarin als een apart welstandsgebied aangegeven. Gegeven de hoge ambities die voor het project gelden, de ligging aan de rand van Ulft en aan de Oude IJssel is een welstandsniveau 1 aan het projectgebied toegekend. Na de realisatie van het plan wordt de welstandsniveau nader bekeken en welstandsbeleid opgesteld voor het beheer van de gerealiseerde kwaliteiten.

In de structuurschets "De Hutten, structuurschets en beeldkwaliteitplan Ulft en Oude IJssel" wordt de gewenste ruimtelijke kwaliteit voor de Hutten Zuid verwoord. Omdat het welstandsbeleid voor het plangebied van dit bestemmingsplan nog niet vastgelegd is in een beeldkwaliteitplan, gelden de criteria, zoals die opgenomen zijn in de welstandssnota.

Voor de locatie tussen de Bongersstraat en Veldstraat gelden de volgende criteria:

  • De nieuwbouw begeleidt de groene scheg, die vanaf de Oude IJssel doorloopt naar de Veldstraat.
  • De nieuwe bebouwing sluit vanzelfsprekend aan op de bestaande bebouwing in de omgeving.

Bij de uitwerking van de globale woonbestemming zal aan deze criteria worden voldaan.

3.5.8 Conclusie

De nieuwe ontwikkelingen in het plangebied zijn gericht op het kwalitatief verbeteren van de huidige verkeerssituatie en zijn hierdoor in lijn met het beleid, zoals dit is verwoord in het gemeentelijk beleid en dat van hogere overheden. Dit nieuwe bestemmingsplan zorgt voor een heldere juridisch-planologische situatie. Voornoemd provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid is dan ook niet of nauwelijks van directe invloed op dit plan. Het plan is daarom niet in strijd met rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Algemeen

Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en overige aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied dient daarom onderzoek te worden ingesteld dat betrekking heeft op de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2 Bedrijven- en milieuzonering

4.2.1 Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals woningen, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.

4.2.2 Onderzoek

Aangezien dit bestemmingsplan op termijn woningbouw mogelijk maakt, dient de vraag te worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen de nieuw te bouwen woningen en bestaande bedrijven in de drecte nabijheid van het plangebied.

Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies, zoals wonen, is de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" geraadpleegd. Hierin zijn richtafstanden aangegeven voor milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties ten opzichte van het omgevingstype "rustige woonwijk". Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Deze richtafstanden kunnen met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype "gemengd gebied". Een "gemengd gebied" is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Hoewel de situering van de nieuw te bouwen woningen nog niet bekend is, wordt de richtafstand gemeten vanaf de gevel van de nieuw geprojecteerde woningen tot de bedrijfsmatige activiteit, gelegen buiten het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van de voorlopige verkavelingsopzet. De bedrijfsmatige activiteit die hierbij richtgevend is, is de uitoefening van een drukkerij op het perceel Bongersstraat 26, Ulft. Deze drukkerij is relatief klein van opzet en kan geschaard worden onder de in de VNG-brochuregenoemde omschrijving "kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen"(SBI code 18129). Als grootste afstand wordt 30 meter tot een gevoelige functie aanbevolen. Aangezien de directe omgeving getypeerd kan worden als "gemengd gebied" kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. De richtafstand wordt daardoor 10 meter, hetgeen ook de afstand is tot de bestaande woningen aan de zijde van de Kortestraat. Hierdoor kan worden gesteld, dat het woon- en leefklimaat door de beoogde ontwikkeling niet wordt aangetast.

4.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.3 Archeologie

4.3.1 Algemeen

Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken.

Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een hoge of middelhoge trefkans, of indien het plangebied niet is gekarteerd. Uit de Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen- en maatregelenkaart (opgesteld 27 juli 2010) blijkt, dat voor het plangebied een hoge verwachtingswaarde geldt.

4.3.2 Onderzoek

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. heeft in 2012 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd (bijl. 1). Op basis van dit onderzoek is de volgende gespecificeerde verwachting opgesteld.

Tijdens het verkennende booronderzoek is onder een opgebracht pakket van 90 à 150 cm een deels intacte bodem aangetroffen. Waar een B-horizont is aangetroffen, werd verwacht dat eventuele vindplaatsen nog bewaard kunnen zijn gebleven. Op basis hiervan is een karterend booronderzoek aanbevolen. Aangezien de boringen in het oosten van het plangebied gestuit waren op ondoordringbaar puin, is geadviseerd het karterende booronderzoek door middel van mechanische avegaarboringen uit te voeren.

Het karterend booronderzoek is vervolgens in april 2013 uitgevoerd (bijl. 2). Omdat in twee boringen enkele vuursteenfragmenten uit de steentijd zijn aangetroffen is aanbevolen om een aanvullend archeologisch onderzoek te laten verrichten in een zone met een deels intacte bodem rondom de aangetroffen vuursteenfragmenten. Geadviseerd wordt om dit vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) waarderende fase, bestaande uit booronderzoek. In het overige deel van het plangebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.

Op basis van het waarderend booronderzoek (bijl. 3) is in één deel van het plangebied een vindplaats aangetroffen. Het betreft een jachtkamp of extractiekamp uit de steentijd. De vindplaats ligt ter hoogte van een geplande groenstrook. Bij het opstellen van een inrichtingsplan voor deze groenstrook zal er rekening mee worden gehouden dat ter plaatse geen bodemverstoringen dieper dan 30 cm optreden. Daardoor is nu nog geen archeologisch vervolgonderzoek nodig.

4.3.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4 Bodem

4.4.1 Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het daarom van belang om middels een verkennend bodemonderzoek te kijken of de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek zorgt er voor dat voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning onderzoek is uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem.

4.4.2 Onderzoek

Buro Antares b.v. heeft in februari 2013 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (bijl.4). Doel van het verkennend bodemonderzoek was het vaststellen van de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het verkennend asbestonderzoek had tot doel na te gaan of de verdenking van asbestverontreiniging ter plaatse terecht is.

Uit het bodemonderzoek blijkt, dat in de grond maximaal licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, zink en/of PAK zijn gemeten. Het grondwater bevat licht verhoogde concntraties barium, cadmium, nikkel, naftaleen, tetrachlooretheen en/of 1,1,1-trichlooretheen. Deze licht verhoogd gemeten gehalten/concentraties zijn dusdanig gering verhoogd gemeten dat risico's voor de volksgezondheid en het milieu als verwaarloosbaar klein mogen worden beschouwd. Aanvullend onderzoek hiervoor wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek worden geen milieuhygiënische belemmeringen gezien voor de ontwikkeling van het plan.

Uit het asbestonderzoek blijkt, dat visueel zowel op het maaiveld als in de grond geen asbest is waargenomen. In één van de mengmonsters van de bovengrond (zuidkant van het bedrijfsterrein) is een gewogen asbestconcentratie van 6,4 mg/kg d.s. aangetoond. Deze concentratie ligt ruim beneden de interventiewaarde/restconcentratienorm van 100 mg/kg d.s..

In NEN 5707 is aangegeven dat indien gehalten boven de bepalingsgrens (in dit geval 1,2 mg/kg d.s. gewogen) worden gemeten de locatie asbestverdacht is en formeel een nader asbestonderzoek noodzakelijk is. Gezien de geringe overschrijding van de bepalingsgrens, het feit dat zintuiglijk geen asbestverdachte materialen zijn waargenomen en het gehalte wordt veroorzaakt door 1 stukje, wordt de kans klein geacht dat er een asbestverontreiniging (>100 mg/kg d.s.) aanwezig is. Een nader onderzoek wordt derhalve achterwege gelaten.

4.4.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.5 Externe veiligheid

4.5.1 Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het doel van het veiligheidsbe- leid is zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en op termijn ook het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle activiteiten. In de bovengenoemde wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Beide begrippen worden hier onder uitgelegd.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per risicobron vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) per jaar bedraagt. Deze contour is wettelijk vastgesteld als grens- of richtwaarde. Kwetsbare objecten zoals bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, grote (kantoor)gebouwen en grotere recreatieterreinen zijn niet toegestaan binnen deze 10-6 contour.

Groepsrisico 

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico’s geldt dat de oriëntatie waarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Voor stationaire bronnen geldt dat de oriëntatiewaarde een factor 10 lager ligt.

De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om bij risicovolle situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico).

Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.

Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt in principe een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor de toename van het groepsrisico ten gevolge van een verhoogde personendichtheid.

Beleidsvisie externe veiligheid

Gemeente Oude IJsselstreek heeft op 18 februari 2010 een beleidsnotitie externe veiligheid vastgesteld. Hierin is een aanvullend toetsingskader opgenomen. Daarbij is gekozen voor een benadering van drie gebiedstypen. Dit vanwege de afweging tussen twee belangrijke uitgangspunten:

  • veiligheid in woonwijken en
  • het niet onnodig frustreren van bedrijfsactiviteiten op bedrijventerreinen.

Er is geprobeerd een optimale mix te vinden in normen, maatregelen en hulpmiddelen, die passen bij het betreffende gebiedstype. Dit heeft geleid tot de keus voor de volgende gebiedstypen:

  • 1. veilig wonen en landelijk gebied;
  • 2. ruimte voor industrie;
  • 3. wonen én werken.

De beleidskeuzes laten zich als volgt samenvatten:

  Overschrijding grenswaarde plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten   Overschrijding richtwaarde plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten   Overschrijding oriënterende waarde groepsrisico   Toename groepsrisico
 
Wonen en Landelijk gebied   Niet acceptabel   Niet acceptabel (m.u.v.bestaande situaties)   Niet acceptabel (m.u.v. bestaande situaties)   Acceptabel onder voorwaarden  
Ruimte voor industrie   Niet acceptabel   Acceptabel onder voorwaarden   Acceptabel onder voorwaarden   Acceptabel onder voorwaarden  
Ruimte wonen én werken   Niet acceptabel   Acceptabel onder voorwaarden   Niet acceptabel
(m.u.v. bestaande
situaties)  
Acceptabel onder voorwaarden  

Deze beleidskeuzes zijn alleen van toepassing voor nieuwe situaties. Voor bestaande situaties zijn overschrijdingen van de richtwaarde en de oriënterende waarde acceptabel. In het gebiedstype "wonen en landelijk gebied", waartoe ook centrumgebieden worden gerekend, moet bij overschrijding van de richtwaarde worden nagegaan of maatregelen nodig zijn.

4.5.2 Onderzoek

Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan stationaire bronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Een uitsnede daarvan is op de navolgende afbeelding weergegeven. In het plangebied zelf zijn, volgens de Risicokaart van de provincie Gelderland, geen stationaire bronnen aanwezig. Wel bevinden zich in de nabijheid van het plangebied twee stationaire bronnen, zoals in het Bevi bedoelt. Naast deze stationaire bronnen bevinden er zich geen buisleidingen of transportroutes over weg, water of spoor in de nabijheid van het plangebied waarvoor naar het onderwerp externe veiligheid moet worden gekeken.

Plaatsgebonden Risico

Eén van de stationaire bronnen bevind zich op circa 180 meter ten oosten van het plangebied aan de Oversluis. Hier bevindt zich een LPG-vulpunt van het aan de overzijde gelegen LPG tankstation Oversluis 5, met een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van 45 meter. De risicocontour van het reservoir bedraagt 25 m, terwijl die van de LPG-afleverinstallatie 15 m bedraagt. In onderstaande afbeelding is het LPG-vulpunt weergegeven met een rode driehoek. Ten westen van het plangebied bevindt zich aan de Debbeshoek 11 zwembad "De Blenk". Door de opslag van chloorbleekloog en zwavelzuur ligt er om de opslag een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van 110 meter heen. Het zwembad is hemelsbreed op circa 410 meter van het plangebied gelegen. In de afbeelding is het plangebied geel gearceerd. De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren zijn aangegeven met een zwarte stippellijn. Het zwembad is weergegeven met een rode stip.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0007.jpg"

Afb. 4: Fragment provinciale risicokaart Gelderland

Zoals de uitsnede aangeeft bevinden zich binnen het plangebied geen risicobronnen. De buiten het plangebied gelegen risicobronnen liggen op een zodanige afstand, dat de plaatsgebonden risicocontour zich niet uitstrekt over het plangebied.

Groepsrisico

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0008.png"

Afb. 5: Fragment uit de GIS applicatie waarin de plankaart is ingetekend.

In afbeelding 5 wordt een uitsnede uit Google maps getoond met hierin de plankaart geprojecteerd. Tevens worden de groepsrisicocontouren en plaatsgebonden risicocontouren in deze figuur weergegeven. De blauwe contouren geven de invloedsgebieden rond het ondergrondse LPG- reservoir en het vulpunt weer. Dit is de contour waarbinnen wettelijk het groepsrisico moet worden verantwoord. De grote van deze contour betreft echter een politieke keuze. De contour waarbinnen daadwerkelijk 1 % van de aanwezige overlijdt ten gevolge van een calamiteit is veel groter en bedraagt ongeveer 350 meter vanaf de opstelplaats van de tankauto. Deze is als een roze doorzichtige contour weergegeven. De bruine contour is het effectgebied 1 % letaliteit rond het zwembad. Zoals in de afbeelding te zien is valt geen van de contouren waarbinnen het groepsrisico dient te worden verantwoord over een deel van het plangebied. Voor dit bestemmingsplan hoeft derhalve het groepsrisico niet te worden verantwoord.

4.5.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6 Flora en fauna

4.6.1 Algemeen

Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Bij de natuurwetge- ving kan een tweedeling worden gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. Zoals de soortenbescherming is geregeld in de Flora- en Faunawet, zo is de gebiedsbescherming geregeld in de Natuurbeschermingswet. De Natuurbeschermingswet (1998) regelt de bescherming van gebieden die in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn beschermd moeten worden. Alleen binnen die gebieden is de wet van toepassing.

Het plangebied van dit bestemmingsplan heeft deel uitgemaakt van het plangebied "Hutten-Zuid", waarvoor Stichting Staring Advies in 2006 een onderzoek heeft uitgevoerd om te inventariseren of door de toen geplande werkzaamheden schade kon ontstaan aan populaties van beschermde soorten en hoe deze schade beperkt of gecompenseerd kon worden (projectnummer 0655, d.d. juni 2006, rapportnummer 0655, bijl. 5). Ten tijde van dit onderzoek was het plangebied voor dit bestemmingsplan al onbebouwd en de gronden gesaneerd. Het onderzoek richtte zich derhalve destijds op het oostelijk deel van het plangebied "Hutten-Zuid", zijnde het deel gesitueerd tussen de Bongersstraat en de Oude IJssel.

4.6.2 Onderzoek

Het onderhavig plangebied ligt niet in de nabijheid van een Vogel- en/of Habitatrichtlijngebied en ook niet in de buurt van de ecologische verbindingszone. Gebiedsbescherming is daarom niet aan de orde.

In het kader van de Flora- en faunawet moet worden getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is/kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren.

Zoals hiervoor aangegeven is het plangebied van dit bestemmingsplan onbebouwd. Binnen het plangebied zijn geen beschermde plant- en diersoorten aanwezig.

4.6.3 Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7 Geluid

4.7.1 Algemeen

De mate, waarin het geluid veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De wet schrijft voor, dat bij gewijzigde situaties akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Aangezien de beoogde ontwikkeling, die met deze planwijziging mogelijk wordt gemaakt (het realiseren van een nieuwe weg en in de toekomst woningbouw langs deze weg), is het onderzoek wegverkeerslawaai gericht op

  • nieuwe woningen binnen de geluidszone van bestaande en/of gereconstrueerde wegen (Wet geluidhinder);
  • nieuwe woningen langs een nieuwe 30 km/h-weg (in het kader van een goede ruimtelijke ordening);
  • nieuwe woningen langs een bestaande 30 km/h-weg (in het kader van een goede ruimtelijke ordening);
  • bestaande woningen langs een nieuwe 30 km/h-weg (in het kader van een goede ruimtelijke ordening);
  • bestaande woningen binnen de geluidszone van wegen in reconstructie (Wet geluidhinder);
  • gevolgen elders (Wet geluidhinder).

Goudappel Coffeng, adviseurs in mobiliteit, heeft ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing van een drietal bestemmingsplannen in het centrum van Ulft, w.o. dit bestemmingsplan, in februari 2013 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ingesteld (bijl. 6). In dit onderzoek wordt de toekomstige plansituatie, waarin alle ontwikkelingen en ingrepen in de verkeersstructuur zijn opgenomen, vergeleken met de autonome toekomstige situatie. Omdat de exacte situering van de nieuwe woningen nog niet bekend is, is op vaste afstanden van de weg de geluidsbelasting berekend. De akoestische randvoorwaarden voor de nieuwe woningen, die met dit bestemmingsplan, mogelijk worden gemaakt, is op die manier inzichtelijk gemaakt. Bij de uitwerking van de globale woonbestemming zullen deze nader moeten worden vastgesteld.

4.7.2 Onderzoek

Het onderzoek van Goudappel Coffeng is opgesteld omdat binnen het centrumgebied van Ulft aan diverse ontwikkelingen wordt gewerkt. Eén van deze ontwikkelingen is, dat, binnen het plangebied van dit bestemmingsplan, een nieuwe weg wordt aangelegd. Deze weg vormt een belangrijk onderdeel in de nieuwe verkeerstructuur voor het centrum van Ulft, maar dient ook als ontsluitingsweg voor de nieuw te bouwen supermarkt aan de Veldstraat. In de toekomst zal langs de nieuwe weg eveneens nieuwe woningen worden gerealiseerd.

De resultaten van het onderzoek geven, voor dit bestemmingsplan, aan dat:

  • op basis van een zeer voorlopige eerste verkavelingsschets, voor enkele woningen, vanwege hun situering binnen de geluidszone van de Bongersstraat, de geluidsbelasting hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en geluidreducerende maatregelen in deze situatie niet eenvoudig inpasbaar zijn. Voor deze woningen zal dan ook ontheffing voor een hogere waarde nodig zijn.
  • op basis van de (voorlopige) verkavelingsschets voor de eerstelijnsbebouwing een overschrijding valt te verwachten van de voorkeursgrenswaarde, maar voldaan wordt aan de maximale ontheffingswaarde van 58 dB.
  • ten gevolge van het verkeer op de bestaande Veldstraat sprake is van een acceptabele geluidssituatie.
  • ten gevolge van het verkeer op de nieuwe weg voor de twee bestaande woningen Veldstraat 5 en Veldstraat 22 een hogere geluidsbelasting wordt verwacht dan de richtwaarde van 48 dB..
  • ter hoogte van de aansluiting van de nieuwe weg op de Bongersstraat geen sprake is van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder en derhalve geen geluidreducerende maatregelen nodig zijn;
  • er langs het deel van de Middelgraaf, tussen de Kerkstraat en de Diergaarde, het aantal verkeersbewegingen toeneemt waardoor de geluidsbelasting in de plansituatie 2 tot 3 dB toeneemt;
  • er langs de Diergaarde het aantal verkeersbewegingen toeneemt waardoor de geluidsbelasting met 3 tot 4 dB toeneemt. Deze relatief grote toename is met name te verklaren omdat het aantal verkeersbewegingen in de autonome situatie beperkt is t.o.v. de plansituatie. Hierdoor is al snel sprake van een grote toename van de geluidsbelasting.
  • er langs de Veldstraat, tussen de Keurkamer en de F.B. Deurvorststraat het aantal verkeersbewegingen toeneemt waardoor de geluidsbelasting met 3 dB toeneemt.

4.7.3 Conclusie

De Wet geluidhinder is hier alleen van toepassing voorzover nieuw te bouwen woningen binnen de geluidszone van de Bongersstraat komen te liggen. Dit wordt pas duidelijk zodra de globale woonbestemming, waarin dit bestemmingsplan voorziet, wordt uitgewerkt in een definitief plan c.q. verkaveling. Voor deze woningen is dan een hogere waarde nodig dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Eerst dan zal voor die woningen ontheffing voor een hogere waarde dan 48 dB nodig zijn.

Voor het overige is de Wet geluidhinder niet van toepassing omdat het plangebied van dit bestemmingsplan in de bebouwde kom ligt, waar uitsluitend sprake is van 30-km/h-wegen. In de praktijk is het echter wel gebruikelijk van de Wet geluidhinder gebruik te maken om af te wegen in hoeverre nog sprake is van een goede ruimtelijke ordening omdat door de ontwikkelingen, die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, gevolgen kunnen ontstaan waardoor de geluidsbelasting onevenredig toe- of afneemt.

Het onderzoek van Goudappel Coffeng toont aan dat op basis van de (voorlopige) verkavelingsschets voor de eerstelijnsbebouwing, langs de Middelgraaf, de Diergaarde en de Veldstraat, sprake is van significante toename van de geluidsbelasting, waardoor deze met 2 dB of meer toeneemt.

In dit soort situaties geldt op basis van de Wet geluidhinder een voorkeursgrenswaarde van 48 dB als de hoogst toelaatbare belasting op de gevel van de woningen. Een hogere waarde is wettelijk mogelijk maar de toename van de geluidbelasting mag (over het algemeen) niet meer bedragen dan 5 dB.

Er zijn geen woningen waar de geluidbelasting op de gevel vanwege de aanpassing van het verkeer met meer dan 5 dB toeneemt en er zijn geen woningen waarbij de geluidbelasting op de gevel meer dan 53 dB bedraagt. Ook als de normen uit de Wet geluidhinder worden gehanteerd dan zijn er op basis van die wet derhalve geen reducerende maatregelen nodig en is de reconstructie ofwel de wijziging van de verkeerscirculatie toegestaan.

Een ander aspect, dat bij de afweging een rol speelt, is het binnenniveau in alle kamers van woningen. Nieuwe woningen en woningen, die gerenoveerd zijn, hebben minimaal een geluidisolatie van 20 dB. Omdat de geluidbelasting op de gevel van woningen in alle gevallen minder is dan 53 dB is het binnenniveau in deze gevallen minder dan 33 dB. Daarmee voldoet het binnenniveau aan de normstelling van de Woningwet.

Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd, dat ook na realisering van de nieuwe weg nog sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de op termijn nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan alsmede op de Diergaarde, de Middelgraaf en de Veldstraat. Het aspect verkeerslawaai vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8 Geur

4.8.1 Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten.

Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

4.8.2 Onderzoek

In het plangebied worden nieuwe voor geur gevoelige objecten mogelijk gemaakt in de vorm van onder meer woningen. Hoewel de exacte situering van deze nieuwe woningen nog niet bekend is, kan aan de hand van de begrenzing van dit plangebied al wel worden geconstateerd dat deze geurgevoelige objecten op grote afstand van omliggende veehouderijen zijn gelegen, waardoor er geen sprake is van geurhinder van de veehouderijen op de geurgevoelige objecten.

Gezien het feit dat er op kortere afstand van de veehouderijen reeds geurgevoelige objecten zijn gelegen worden de veehouderijen door de realisatie van onderhavig plan niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.

4.8.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.9 Luchtkwaliteit

4.9.1 Algemeen

De belangrijkste wet- en regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. In deze paragraaf, ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit, is de basis gelegd voor een programmasystematiek voor maatregelen en projecten, hetgeen geconcretiseerd is in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit: het NSL.

In het NSL is geborgd, dat vanaf 11 juni 2011 aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) wordt voldaan, en vanaf 1 januari 2015 aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2). Tot deze momenten heeft Nederland uitstel (derogratie) gekregen van de Europese unie om aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof te voldoen. Voor de toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen zijn, conform de Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit, in de praktijk drie normen van toepassing:

  • jaargemiddelde concentratie NO2 (40 µg/m3);
  • jaargemiddelde concentratie PM10 (40 µg/m3);
  • aantal dagen overschrijding van de grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 maximaal 35 dagen per jaar > 50 µg/m3).

Rekening houdende met de verkregen derogatie dient iedere plek in Nederland op 1 januari 2015 aan de grenswaarden van stikstofdioxide te voldoen. De derogratietermijn voor fijn stof (PM10) is inmiddels verlopen. Overal in Nederland moet voldaan worden aan de norm van 40 µg/m3 voor fijn stof.

Het plan in relatie tot het wettelijk kader.

In navolging van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan worden gesteld dat een ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit doorgang kan vinden indien wordt voldaan aan één van de volgende punten:

  • a. Er is geen sprake van normoverschrijding;
  • b. Er is per saldo sprake van een verbetering (saldobenadering);
  • c. Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit1;
  • d. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

1 Een plan draagt in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit indien de planbijdrage groter dan 1,2 µg/m3 is. Projecten met een bijdrage van 1,2 µg/m3 of lager zijn niet in betekende mate (NIBM).

De beoogde ontwikkeling, die met deze planwijziging mogelijk wordt gemaakt, is niet opgenomen in het NSL. Onderzocht is wat het effect van dit plan is op de luchtkwaliteit en of voldaan wordt aan de vigerende normen uit de Wet milieubeheer.

4.9.2 Onderzoek

De ministeriële regeling NIBM bevat geen kwantitatieve uitwerking voor supermarkten en detailhandel. Dit betekent, dat op een andere manier aannemelijk moet worden gemaakt, dat het project niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Om die reden is er door Goudappel Coffeng een onderzoek uitgevoerd (bijl. 7). Evenals bij het akoestisch onderzoek verkeerslawaai is bij dit onderzoek niet alleen de plansituatie van dit plan bekeken maar eveneens de plansituatie van andere ontwikkelingen, die voor het centrum van Ulft op stapel staan. Uitgegaan is van de toekomstige verkeerscijfers in het jaar 2023 (tien jaar na vaststellen bestemmingsplannen). Voor de achtergrondconcentraties en emissiefactoren is echter uitgegaan van prognosejaar 2013.

Onderzocht is of er inzake luchtkwaliteit mogelijke belemmeringen zijn vanuit de Wet milieubeheer. Daarnaast is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen of het aanvaardbaar is om het initiatief op deze plaats te realiseren. Uit het onderzoek is gebleken, dat de norm voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide, de norm voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en de norm voor het aantal overschrijdingsdagen van de etmaalgemiddelde concentratie fijn stof in geen geval overschreden worden.

4.9.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.10 Verkeer

4.10.1 Verkeerscirculatieplan

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in het gebied waarvoor de gemeenteraad op 29 januari 2009 een verkeerscirculatieplan (VCP) heeft vastgesteld. Dit plan maakt onderdeel uit van de Structuurvisie Centrum Ulft en is opgesteld vanwege een te verwachte verkeerstoename door de herinrichting van het centrum en een stijging van het aantal inwoners. Het plan moet leiden tot een goede, veilige en duidelijke verkeersafwikkeling voor het centrum van Ulft. Daarvoor zijn in het VCP voorstellen gedaan voor de toekomstige verkeerscirculatie van het personenverkeer en het vrachtverkeer. E.e.a. is verwoord in de volgende afbeeldingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0009.png"

afb. 6: verkeerscirculatieplan personenverkeer

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0010.png"

afb. 7: verkeerscirculatieplan vrachtverkeer

Doel van het verkeerscirculatieplan is optimalisering van de ontsluiting van het centrum van Ulft door:

  • beter aan te sluiten op de wegencategorisering;
  • te voorkomen dat omliggende woonstraten hinder ondervinden van gemotoriseerd "centrumverkeer": winkelend publiek en laad-/losverkeer;
  • te voorkomen dat de ontsluitingsweg van het centrum gaat fungeren als sluiproute voor doorgaand (vracht)verkeer met herkomst en bestemming buiten Ulft;
  • er voor te zorgen dat bevoorradingsverkeer in de 30 km/-uur-zone op een veilige wijze door het centrum kan rijden;
  • het creëren van een veilige toegang naar de parkeerterreinen, dus niet haaks-parkeren langs de belangrijkste toegangswegen;
  • het creëren van een veilige ruimte voor voetgangers door trottoirs en voetgangersgebieden te realiseren.

Onderdeel van het verkeerscirclatieplan is de realisatie van een dwarsverbinding tussen de Middelgraaf en de Veldstraat, die al tijdelijk is aangelegd. Aangezien over de haalbaarheid van deze dwarsverbinding onzekerheid is ontstaan, is onderzoek verricht naar mogelijke alternatieven die er zijn als deze dwarsverbinding niet wordt gerealiseerd. Met de realisatie van een supermarkt aan de Veldstraat is de beoogde dwarsverbinding zeer zeker niet haalbaar. Dit maakt aanpassing van het verkeerscirculatieplan uit 2009 noodzakelijk.

In het onderzoek is derhalve gekeken welke veranderingen er optreden als er geen "nieuwe" dwarsverbinding wordt gerealiseerd en hoe de negatieve effecten daarvan beperkt kunnen worden door gebruik te maken van circulatiemaatregelen. Het rapport beperkt zich daarbij tot het personenautoverkeer, waarbij een drietal varianten zijn onderzocht. De variant "verdelen centrumverkeer" geniet uiteindelijk de voorkeur. In deze variant vormen de Kerkstraat - Middelgraaf en Bongersstraat - Keurkamer de hoofdentrees van het centrum. Voor het autoverkeer in het centrum van oost naar west en omgekeerd ontstaat een route ten zuiden van het voetgangersgebied. Van oost naar west vanaf de Keurkamer via de Diergaarde naar de Middelgraaf. Van west naar oost rijdt het centrumverkeer via de Middelgraaf en het Heggenseveld en Kortestraat naar de Bongersstraat.

Na een inspraakronde en de naar aanleiding daarvan ontvangen inspraakreacties heeft de gemeenteraad op 25 april 2013 deze variant op een enkel onderdeel aangepast. Zo is voor het gedeelte van de Diergaarde tussen de Kan. Terwindtstraat en Pater Hafkenscheidstraat besloten tweerichtingsverkeer te handhaven i.pl.v. éénrichtingsverkeer. Voor het verbindingsstukje tussen de nieuwe weg over de Keurkamer en de Veldstraat is juist besloten éénrichtingsverkeer in te voeren i.pl.v. tweerichtingenverkeer. De volgende afbeelding geeft de wijzigingen in het VCP weer, zoals nu door de raad vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0011.jpg"

afb. 8: gewijzigd verkeerscirculatieplan Bron: gemeenteraad 25 april 2013

Voor het bevoorradingsverkeer gelden andere routes van en naar het centrum. Uitgangspunt is dat het vrachtverkeer minimaal gebruik maakt van de woonstraten. Voor het vrachtverkeer geldt dat voor het binnenrijden van Ulft al een keuze is gemaakt voor een westelijke of oostelijke route, afhankelijk van de eindbestemming. Onderstaand kaartbeeld maakt inzichtelijk welke routes het vrachtverkeer dienen te gebruiken met een route vanuit het noorden. De routes worden met bebording aangegeven en gecommuniceerd met de winkeliers.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.BP000108-VA01_0012.png"

Voorgestelde routes vrachtverkeer (oost en west) Bron: Onderzoek Goudzappel Coffeng 12 december 2012

4.10.2 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect verkeer geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen.

4.11 Water

Vanuit het principe dat het waterbeheer een gezamenlijk domein is van rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn de verantwoordelijkheden helder beschreven en zijn de taken verdeeld onder het motto "decentraal wat kan, centraal wat moet". Zo draagt de gemeente, als de bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat, zorg voor een veilige en prettige leefomgeving. De gemeente heeft derhalve taken in het ruimtelijke en sociale domein. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer de afweging tussen milieu, natuur, water, economie en huisvesting een rol speelt. Dit beleid wordt vastgelegd in structuurvisies en bestemmingsplannen. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het rioleringsbeheer en hebben de zorgplichten voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving.

Bij nieuwe ontwikkelingen dient te worden aangegeven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de waterhuishoudkundige situatie. Dit vindt zijn weerslag in de zogenaamde watertoets. De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water.

4.11.1 Waterplan Gelderland 2010 - 2015

Het Waterplan Gelderland 2010-2015 bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is op 1 januari 2010 in werking getreden.

In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Voor de realisatie van bepaalde waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan op basis van de Waterwet de status van structuurvisie en is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelkijke ordening de provincie daarvoor wil inzetten.

Het plangebied heeft in het Waterplan geen bijzondere status verkregen en heeft als onderdeel van Ulft de basisfunctie "stedelijk gebied". Voor dit bestemmingsplan zijn er derhalve geen belemmeringen.

4.11.2 Waterbeheerplan 2010 - 2015

De gemeente Oude IJsselstreek ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft in 2009 een waterbeheerplan vastgesteld voor de periode 2010-2015. Het Waterbeheerplan bevat het beleid op hoofdlijnen voor alle taakgebieden van het Waterschap Rijn en IJssel. Dit plan is opgesteld samen met vier andere waterschappen, die deel uitmaken van het deelstroomgebied Rijn-Oost. Het plan geeft aan welke doelen het Waterschap nastreeft en welke maatregelen en projecten daarvoor in de planperiode worden ingezet. De maatregelen die uitgevoerd worden en de bijbehorende financiële middelen zijn op hoofdlijnen aangegeven. De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoonwater en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van de ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.

Voor dit bestemmingsplan heeft het waterbeheerplan geen gevolgen.

4.11.3 Gemeentelijk Waterplan 2010 - 2020

De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een gemeentelijk waterplan opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar). Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente.

Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. De toekomstvisie is gericht op een viertal aspecten waarbij water als drager fungeert voor:

  • een gezonde economie;
  • de sociale aspecten en beleving;
  • ecologische ontwikkeling en
  • volksgezondheid en veiligheid.

Deze visie heeft geleid tot een tiental effecten, die de waterambitie van de gemeente verwoorden:

  • 1. Een juiste hoeveelheid water van een goede kwaliteit ten behoeve van de landbouwproductie;
  • 2. Meer recreanten in de gemeente op het gebied van waterrecreatie;
  • 3. Afname van grondwateronttrekkingen schaadt het industriële proces niet;
  • 4. Aangenaam woonklimaat waarin water een ontmoetingsplaats is;
  • 5. Balans tussen rode, groene en blauwe functies;
  • 6. Bewustwording verantwoord watergebruik en duurzaam waterbeheer;
  • 7. Het watersyteem maakt deel uit van een gezond ecosysteem;
  • 8. Verminderen areaal verdroogde gebieden in overeenstemming met het vastgestelde beleid;
  • 9. Een gezond en veilig watersyteem;
  • 10. Een gezonde en veilige waterketen.

4.11.4 Gemeentelijk Rioleringsplan

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de gemeenteraad het "Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012 - 2016" vastgesteld. In dit plan geeft de gemeente aan hoe zij invulling denkt te geven aan de zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Uitgangspunt daarbij is, dat als het gaat om de zorg voor hemel- en grondwater, de particulier ook een duidelijke eigen rol heeft.

Het gemeentelijk beleid is gericht op het scheiden van (afval)waterstromen. Relatief schoon regenwater hoeft niet te worden afgevoerd naar de zuivering, maar wordt zo lang mogelijk vastgehouden in het gebied middels retentievoorzieningen en/of infiltratie. Bij vervangingswerkzaamheden van het gemengde riool, zal worden bezien in hoeverre afkoppeling van verhard oppervlak mogelijk is, eventueel door het aanleggen van een apart regenwaterriool. Daar waar afkoppeling van, in meer of mindere mate verontreinigd, regenwater leidt tot onacceptabele belasting van het oppervlaktewater zullen in eerste instantie maatregelen met een lokaal karakter worden genomen. Het aanleggen van verbeterd gescheiden stelsels zorgt voor onnodig transport van relatief schoon afvalwater naar de zuivering en heeft een negatief effect op het zuiveringsrendement.

4.11.5 Situatie plangebied en planologische vertaling

Voor het in beeld brengen van de geohydrologische situatie is gebruik gemaakt van het op 27 oktober 2010 door TAUW uitgebrachte rapport inzake de waterhuishouding m.b.t. het plangebied "Hutten-Zuid", dat in vier fasen zou worden ontwikkeld (bijl. 7). Fase 3 van dat plangebied is het deelgebied 'Keurkamer". Dit rapport is door middel van een interne notitie geactualiseerd. Uit deze notitie blijkt, dat de hoeveelheid verhard oppervlak (5.420 m2) toeneemt tot 6.318 m2. De aan te leggen waterberging loopt daardoor op van 108 m3 tot 126 m3. Daar komt nog eens 203 m3 bij i.v.m. de berging van hemelwater van de nieuw te bouwen supermarkt aan de Veldstraat. De totaal aan te leggen berging komt daarmee uit op 329 m3. Deze berging zal binnen het plangebied worden ingepast, waarbij gedacht kan worden aan een infiltratieriool in de weg, aangevuld met infiltratiekratten in de aan te leggen groene scheg. De tabel met waterthema's wordt hieronder weergegeven.

Watertoetstabel

Thema   Toetsvraag   Relevant   Intensiteit  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee


Nee  
2


2  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee

Nee
Nee  
2

1
1  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Ja

Ja

Ja

Nee  
2

1

1

1  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlakte- water geloosd?
 
Nee
 
1  
Grondwateroverlast   1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
1

1
1  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee   1  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
1

2  
Volksgezondheid
 
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
1

1  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
2
2
1

1  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee   2  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee   1  

Toelichting per relevant waterhuishoudkundig aspect

Wateroverlast (oppervlaktewater)

De hoeveelheid verhard oppervlak (5.420 m2) neemt toe tot 6.318 m2. De aan te leggen waterberging loopt daardoor op van 108 m3 tot 126 m3. Daar komt nog eens 203 m3 bij i.v.m. de berging van hemelwater van de nieuw te bouwen supermarkt aan de Veldstraat. De totaal aan te leggen berging komt daarmee uit op 329 m3. Deze berging zal binnen het plangebied worden ingepast, waarbij gedacht kan worden aan een infiltratieriool in de weg, aangevuld met infiltratiekratten in de aan te leggen groene scheg.

Overleg met de waterbeheerder  

De watertoets is in gezamenlijk overleg met de waterbeheerder opgesteld.

Hoofdstuk 5 Juridisch bestuurlijke aspecten

5.1 Algemeen

5.1.1 Wat is een bestemmingsplan?

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren,
  • en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevings- vergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).

Een bestemmingsplan regelt daarom:

  • het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • het bebouwen van de gronden;
  • het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2 Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:

  • 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één "enkel"bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
  • 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels „iets" geregeld. Dat „iets" kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben.

5.1.3 Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).
  • 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.
  • 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels.
  • 4. Slotregel. In het laatste hoofdstuk is een slotregel opgenomen, waarin de naam van dit bestemmingsplan staat vermeld.

5.2 Dit bestemmingsplan

5.2.1 Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

In het voorliggende bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

Groen

Deze bestemming is van toepassing op de groene scheg, tussen de Bongersstraat en de Veldstraat. Hierin is het ook mogelijk paden voor wandelen en fietsen en daarnaast eventuele speelvoorzieningen te realiseren.

Tuin

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de woningen Veldstraat 3 en 5. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, wel kunnen erfafscheidingen worden gebouwd.

Verkeer

De bestemming "Verkeer" is opgesteld voor een gedeelte van de Bongersstraat, dat binnen het plangebied is gelegen. De Bongersstraat is in het Gemeentelijk Verkeer - Vervoerplan aangegeven als een gebiedsontsluitingsweg.

Verkeer - Verblijfsgebied

Deze bestemming is gegeven aan het gehele openbaar toegankelijke gebied dat een verkeersfunctie heeft voor het gemotoriseerde verkeer. Dit omvat ook het gebiedje, dat omsloten wordt door de nieuwe ontsluitingsweg, de Veldstraat en het verlengde gedeelte van de Diergaarde. In dit verblijfsgebied is namelijk in grote mate voorzien in het parkeren voor de auto's van bezoekers van de aan de overzijde van de Veldstraat te realisren supermarkt. Binnen de bestemming is ook de aanleg van groen en speelvoorzieningen mogelijk. In de regels van deze bestemming is een beperkte bebouwingsregeling opgenomen voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze bestemming. Gebouwen mogen een maximale oppervlakte hebben van 50 m2, terwijl de bouwhoogte maximaal 3 meter mag zijn. M.u.v. masten, die maximaal 10 meter mogen zijn, mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een maximale bouwhoogte hebben van 3 m.

Wonen

De regels bij de bestemming 'Wonen' hebben betrekking op woningen, uitsluitend in het type twee-aan-een. Er mogen binnen het bestemmingsvlak maximaal 2 woningen gebouwd worden. Van de gebouwen mag 30% van de vloeroppervlakte tot een maximum van 50 m2 gebruikt worden voor aan huis verbonden beroepen. Verder zijn bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven toegestaan. Er mag in principe alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Binnen het bouwvlak geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 m en 10 m. Het bouwperceel mag voor maximaal 60% worden bebouwd. In de regels van de bestemming 'Wonen' is voorts een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toestaan van een aan huis gebonden bedrijf. Voor deze afwijking gelden aanvullende voorwaarden voordat ze kan worden verleend.

Woongebied - Uit te werken

De bestemming "Woongebied - Uit te werken" is nader aangeduid met de hoofdletters W-U en is toegekend aan de onbebouwde gronden, die niet nodig zijn voor het tracé van de ontsluitingsweg en de groene scheg. In de structuurschets De Hutten werd voor het hele plangebied van fase 3 nog uitgegaan van een ontwikkeling tot woongebied. Mede gelet op de geplande ontsluitingsweg in het kader van het verkeerscirculatieplan voor het centrum van Ulft maar ook ingegeven door de demografische ontwikkeling is inmiddels besloten de woningbouwcapaciteit in het plangebied van dit bestemmingsplan terug te brengen. De ontwikkelaar ziet derhalve af van de ontwikkeling van het plangebied, zoals aanvankelijk de bedoeling was. Met dit bestemmingsplan wordt echter nog wel de optie opengehouden om in plaats van de oorspronkelijk 86 geplande woningen in de toekomst eventueel 36 woningen te realiseren. Daarom is voor een globale woonbestemming gekozen dat pas ontwikkeld kan worden nadat door het college van burgemeester en wethouders een uitwerkingsplan is vastgesteld. Het gebied zal in stedenbouwkundig opzicht aansluiten bij de omgeving. In de regels zijn stedenbouwkundige bepalingen opgenomen om ervoor te zorgen dat de uitwerking past in de omgeving.

Dubbelbestemming Archeologie

Zoals in paragraaf 4.3.2 is beschreven, is in één deel van het plangebied een vindplaats aangetroffen. De vindplaats ligt ter hoogte van een geplande groenstrook. Bij het opstellen van een inrichtingsplan voor deze groenstrook zal er rekening mee worden gehouden dat ter plaatse geen bodemverstoringen dieper dan 30 cm optreden. Dit is juridisch geborgd door op de verbeelding een dubbelbestemming "Archeologie" op te nemen, met daarbij in de regels specifieke bepalingen.

5.2.2 Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, anti-dubbeltelregeling, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. Het laatste van de regels wordt gevormd door de slotregel, waarin de naam van het bestemmingsplan wordt vermeld. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Geen exploitatieplan

De gronden binnen het plangebied zijn volledig in eigendom van de gemeente. Ontwikkeling van het gebied, inclusief de openbare ruimte geschiedt door de gemeente zelf. Een exploitatieplan is derhalve dan ook niet noodzakelijk.

Voor de aanleg van de gedetailleerde bestemmingen in onderhavig plan zijn kredieten opgenomen in de vastgestelde grondexploitatie. Voor de uit te voeren werkzaamheden is de grondexploitatie sluitend. Zodra de werkzaamheden voor de gedetailleerde bestemmingen zijn afgerond zal de grondexploitatie worden afgesloten.

Wanneer een uitwerkingsplan wordt opgesteld voor de nog uit te werken bestemmingen binnen het plangebied, zal op dat moment opnieuw een grondcomplex worden geopend. De kavels zullen in de toekomst bouwrijp worden uitgegeven. Kostenverhaal zal plaatsvinden middels de opbrengsten uit de verkoop van de kavels.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Resultaten vooroverleg artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan voorgelegd aan

  • Vitens Gelderland,
  • het Waterschap Rijn en IJssel
  • Liander N.V. en
  • N.V. Nederlandse Gasunie.

Op 16 augustus 2013 heeft de Gasunie ons laten weten geen opmerkingen te hebben bij de inhoud van het plan. Ook het Waterschap kan zich met het voorontwerp verenigen. Van de overige instanties is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op- en/of aanmerkingen te maken.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan “Keurkamer” heeft vanaf 26 september 2013 tot 7 november 2013 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn kon iedereen, schriftelijk of mondeling, een zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar maken. De terinzagelegging is bekendgemaakt in de Staatscourant en de Gelderse Post, beiden van 25 september 2013, alsmede op de gemeentelijke website vanaf 25 september 2013.

Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan is binnen de daarvoor gestelde termijn één zienswijze naar voren gebracht. Deze zienswijze is in een nota van zienswijze samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. In de nota is weergegeven en op welke manier het plan naar aanleiding van deze zienswijze is gewijzigd.

De nota van zienswijze is als bijlage bij het vaststellingsbesluit opgenomen.