| Plan: | Vijsvijverweg 46-48, Lelystad |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0995.BP00090-VG01 |
Op de locatie Visvijverweg 46 - 48 te Lelystad is een agrarische bedrijfslocatie gevestigd. Bij deze bedrijfslocatie horen twee bedrijfswoningen. De twee bedrijfswoningen liggen binnen het bouwvlak van de bedrijfslocatie. De tweede bedrijfswoning (Visvijverweg 46) heeft geen functionele binding (meer) met de bedrijfslocatie en de daarmee samenhangende exploitatie.
Het voornemen van initiatiefnemer is om de tweede bedrijfswoning om te zetten in een plattelandswoning zodat het planologisch geregeld wordt dat de bedrijfswoning door derden, die geen binding hebben met de agrarische bedrijfslocatie, bewoond mag worden.
Initiatiefnemer heeft via een principeverzoek de gemeente Lelystad gevraagd om hieraan medewerking te verlenen. Door middel van een herziening van het bestemmingsplan is de gemeente bereid om de tweede bedrijfswoning om te zetten in een plattelandswoning.
Een tweede wens is om het bouwvlak van de locatie aan de wegzijde (zuidoost) iets te verruimen zodat de woning van initiatiefnemer aan deze zijde uitgebouwd kan worden. De gemeente wil hieraan ook medewerking verlenen met als voorwaarde dat de totale oppervlakte van het bouwvlak gelijk blijft. Om die reden is het bouwvlak aan de zijkant iets verkleind.
Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden de gewenste aanpassingen planologisch - juridisch mogelijk gemaakt.
Het plangebied bevindt zich aan het perceel Visvijverweg 46 te Lelystad. Het ligt ten noorden van de kern van Lelystad op een afstand van circa 7,5 kilometer. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied Lelystad en is ingesloten tussen de rijksweg A6, de N307 en de N711. Op de navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied in het buitengebied van Lelystad te zien (linker plaatje). Op het rechter plaatje is de bedrijfslocatie zichtbaar.
Figuur 1: Plangebied Visvijverweg 46 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Op de planlocatie is het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Lelystad" (vastgesteld op 16 februari 2011) van toepassing. De locatie ligt in de bestemming "Agrarisch gebied" (art. 3).
Alleen binnen het bouwvlak mogen (bedrijfs)gebouwen worden opgericht. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het omzetten van een bedrijfswoning naar plattelandswoning niet mogelijk. De gemeente wil echter medewerking verlenen aan het initiatief. Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling om de omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning mogelijk te maken. Tevens wordt de ligging van het bouwvlak door middel van het bestemmingsplan gewijzigd.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP) is vanaf die datum verplicht. Daarnaast is de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) van toepassing. Door de digitalisering kan het bestemmingsplan in het automatiseringssysteem worden geïmplementeerd voor bijvoorbeeld de ontsluiting via intra en/of internet. Ook kan het plan gemakkelijk digitaal worden uitgewisseld. Van het plan wordt ook een analoge afdruk gemaakt, het analoge plan is een 'uitdraai' van het digitale plan.
De digitale verplichting geldt krachtens artikel 1.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) ook voor dit wijzigingsplan.
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de bestaande situatie en de beoogde ontwikkeling, waarbij ook de ruimtelijke en de landschappelijke inpassing aan bod zullen komen. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 zijn de resultaten van de relevante milieuonderzoeken opgenomen. De juridische vormgeving is als hoofdstuk 5 opgenomen. In hoofdstuk 6 wordt ten slotte ingegaan op de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid van het plan.
De woning op de planlocatie dient als bedrijfswoning. Het perceel lig in het buitengebied aan de Visvijverweg ten oosten van de A6.
Figuur 2: Locatie Visvijverweg 46 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De locatie ligt ten noorden van Lelystad in het min of meer open gebied van de Flevopolder. Dit landschap is ontstaan door een planmatige inrichting hiervan. Dit is terug te vinden in de structuur van de polder. In algemene zin is grootschalige openheid een karakteristieke waarde voor de Flevopolder. In de directe omgeving zijn melkveehouderij en akkerbouw de voornamelijke gebruiksfuncties.
Figuur 3: Locatie Visvijverweg 46 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De westkant van het projectgebied wordt begrensd door de A6. Aan de noord- zuidzijde ligt voornamelijk akkerbouw en agrarisch grondgebied.
Plattelandswoning
Op de locatie Visvijverweg 46 te Lelystad staat de tweede bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf. Deze tweede bedrijfswoning is gesitueerd binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf.
De grens van het perceel van de tweede bedrijfswoning ligt op circa 56 meter uit het midden van de weg. De ontsluiting van de tweede bedrijfswoning vindt plaats door middel van een eigen ontsluitingspad.
Op het perceel zijn de woning en een bijgebouw gelegen. De woning is gebouwd in 1978 en heeft een oppervlakte van circa 117 m2 . Het bouwperceel heeft een omvang van circa 3.100 m2 . Het bijgebouw in de vorm van een authentieke hooimijt heeft een oppervlakte van circa 80 m2 . De overige gronden zijn in gebruik als tuin. De omliggende gronden betreffen voornamelijk landbouwpercelen. Aan de zuidoostzijde en de noordoostzijde van de woning is een robuuste bossingel aanwezig.
In de gewenste situatie verandert ten aanzien van de bebouwde situatie niets. De functie van bedrijfswoning wijzigt naar plattelandswoning waardoor bewoning door derden, zonder binding met het ter plaatse opererende bedrijf, mogelijk gemaakt wordt. De woning en het bijgebouw blijven in de huidige hoedanigheid behouden.
Bouwvlak
Het bouwvlak van de locatie wordt door middel van het voorliggende bestemmingsplan aan de zuidoostzijde (wegzijde) iets vergroot. Dit in verband met de wens van initiatiefnemer om de woning aan de wegzijde in de toekomst te kunnen vergroten.
Omdat de omvang gelijk moet blijven is het bouwvlak aan de zijkant iets verkleind. Op de navolgende afbeelding is dit weergegeven.
Figuur 4: wijzigen vormverandering bouwvlak
De locatie ligt in het polderlandschap van Flevoland in de buurt van de Visvijverweg. Een strakke verkaveling met hier vaste patronen van bedrijfsvestiging in het gebied is kenmerkend voor het landschap.
In de nabije omgeving bevinden zich voornamelijk een mix van veehouderij en akkerbouw. De bedrijven zijn van grote omvang met bijhorende ruime erfkavels. Verspreid over het gebied komen hier en daar aangelegde bosgebieden voor, die onderdeel uitmaken van ecologische hoofdstructuur. Aan de randen van de polder zijn voornamelijk natte natuurgebieden ontstaan/aangelegd (Oostvaardersplassen, Veluwerandmeren, etc.). De verkavelingsstructuur bestaat uit veelal grote rechthoekige percelen die in de lengterichting haaks aansluiten op de wegen.
Figuur 5: Aanzicht locatie vanaf de Visvijverweg (Bron: www.googlemaps.nl)
Voor de toetsing van ontwikkelingen van andere inrichtingen blijft een plattelandswoning een woning van derden. De plattelandswoning is, ten opzichte van het bijbehorende bedrijf, niet beschermd tegen hinder van geur, geluid of luchtkwaliteit. De Wet plattelandswoningen vult daartoe de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan met een artikel 1.1a, waarin de volgende criteria worden gehanteerd:
Het gaat om situaties waarbij het bedrijf blijft functioneren en de (tweede) bedrijfswoning door een derde wordt bewoond. Voorwaarde voor toepassing van het regime van de plattelandswoning is dat wordt gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.
Omdat de woning aan Visvijverweg 46 onderdeel uitmaakt van de agrarische bedrijfslocatie (en hier planologisch nog onderdeel van uitmaakt) en de exploitatie wordt voorgezet, is het op grond van de Wet mogelijk om hier een plattelandswoning van te maken.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toekenning van de aanduiding plattelandswoning aan een (voormalige)bedrijfswoning. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande bedrijfswoning en er wordt geen extra ruimtebeslag gelegd op de fysieke omgeving. Dit geldt ook voor de vormverandering van het bouwvlak.
Daarnaast is de behoefte aan een plattelandswoning aanwezig, aangezien de initiatiefnemer geen binding heeft met het agrarische bedrijf en de bedrijfswoning graag wil (blijven) bewonen. Geacht wordt dat daarmee voldaan wordt aan de afwegingsprincipes en dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nationale Omgevingsvisie.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de toekenning van de aanduiding plattelandswoning aan een (voormalige) bedrijfswoning en de vormverandering van het bouwvlak. Er vindt enkel een planologische wijziging plaats. Aangezien er feitelijk niets wordt veranderd of vergroot kan op voorhand gesteld worden dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.
Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921)
Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag, dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 10 december 2014 (zaak nr. 201310814/1/R1):
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met het NOVI. Verder kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven.
Op 27 februari 2019 is het omgevingsprogramma Provincie Flevoland vastgesteld. In dit (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is er voor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd.
De komende jaren wordt een forse leegstand van agrarische bedrijfslocaties verwacht. Door de schaalvergroting in de landbouw komen veel agrarische bouwpercelen vrij. De vrijgekomen boerderijwoningen kunnen worden gebruikt voor algemene bewoning, waarbij wordt uitgegaan van één woning per (voormalig) agrarisch bouwperceel.
Het opsplitsen van het agrarisch bouwperceel, waarbij geen extra bedrijfswoning wordt toegevoegd, maar sprake is van omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning in de vorm van een plattelandswoning is niet in strijd met dit beleid.
Omdat het bouwvlak niet in omvang toeneemt, maar alleen van vorm veranderd, is ook dit niet in strijd met het provinciaal beleid.
3.2.2 Omgevingsvisie FlevolandStraks
De Omgevingsvisie FlevolandStraks (vastgesteld door Provinciale Staten op 8 november 2017) geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities we hebben voor de toekomst. Het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een plattelandswoning en de vormverandering van het bouwvlak is niet in strijd met dit beleid.
3.2.3. Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied
De beleidsregel 'kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied' biedt het kader voor verschillende ontwikkelingen in het landelijk gebied. Deze beleidsregel maakt het mogelijk om een (voormalig) agrarisch bouwperceel te gaan gebruiken voor algemene bewoning. Het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een plattelandswoning is niet in strijd met dit beleid. Dat geldt ook voor de vormverandering van het bouwvlak.
Conclusie
Het voorgenomen plan voldoet aan de doelstellingen en criteria van het voornoemde provinciaal beleid.
De gemeenteraad heeft op 22 juni 2021 de Omgevingsvisie Lelystad 2040 vastgesteld. De omgevingsvisie is het resultaat van een intensief participatieproces van de afgelopen vier jaar met inwoners en maatschappelijke partners.
Ten aanzien van het buitengebied is in de visie opgenomen dat vast wordt gehouden aan de agrarische functie. De openheid van het landschap is een belangrijke kwaliteit waarbij versnippering van agrarische structuren moet worden voorkomen. Het raamwerk van de ecologische verbindingszones wordt versterkt. Bovendien wordt het buitengebied toeristisch en recreatief aantrekkelijk gemaakt voor bewoners van Lelystad.
Het landelijk gebied zal ruimte bieden aan grootschalige energieopwekking zoals windenergie, zonneparken en energieopslag onder voorwaarden, zoals dat in het gemeente en provinciaal beleid voor windmolens en zonneparken is bepaald. Het is voor de leefbaarheid van het buitengebied belangrijk dat vrijkomende erven niet verpauperen.
Toetsing
De tweede bedrijfswoning heeft de functie als bedrijfswoning verloren. Door het wijzigen van de functie van bedrijfswoning naar plattelandswoning wordt bewerkstelligd dat de woning ook bewoond mag worden door derden die geen binding hebben met het ter plaatse opererende bedrijf. Op deze wijze is de bewoning van de tweede bedrijfswoning beter gewaarborgd waadoor leegstand en/of verpaupering wordt voorkomen.
Conclusie
Het initiatief past binnen de kaders van de Omgevingsvisie van de gemeente Lelystad.
Het perceel ligt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009'. Op het perceel rust de bestemming 'Agrarisch'. De gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De agrarische gronden zijn niet aangewezen voor een woning die niet verbonden is met de bedrijfsvoering en is daarmee in strijd met het bestemmingsplan, tevens zijn er geen wijzigingsbevoegdheden.
Figuur 6: Locatie Visvijverweg 46 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Om het gebruik van de tweede bedrijfswoning als plattelandswoning mogelijk te maken is om de bovenstaande reden een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het verschuiven van bouwvlakken (artikel 3.5.3). Echter omdat ten behoeve van de omzetten van de bedrijfswoning aan de Visvijverweg 46 in een plattelandswoning een herziening van het bestemmingsplan doorlopen moet worden, wordt de vormverandering van het bouwvlak ook in deze herziening meegenomen.
Welstandnota 2015 l Welstandsvrije gebieden
De gemeente heeft gebieden en categorieën van bouwwerken aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand gelden. Dit geldt onder andere voor het buitengebied.
Het bestemmingsplan voorziet in regulering van de bebouwing binnen duidelijk gestelde kaders. Uitbreidingen van erven mogen alleen binnen bestaande groensingels plaatsvinden. Hierdoor is het niet meer noodzakelijk om aan de bouwwerken nog extra welstandseisen op te leggen. De bouwwerken hebben door de groensingels geen grote invloed op de landelijke omgeving. De belangrijkste criteria uit de welstandsnota betreffen:
Figuur 7: Gebied met locatie (bron: www.lelystad.nl/gis/OpenData/leaflet/welstandbasis.html
Er vindt geen wijziging plaats in de huidige situatie. Daarmee heeft het plan geen gevolgen met betrekking tot de welstandsnota.
Het voornemen betreft het realiseren van een plattelandswoning aan de Visvijverweg 46. In dit hoofdstuk worden de van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld voor dit plan. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan geen significant negatieve gevolgen heeft voor de het milieu en de omgeving van de locatie.
Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Het besluit is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag zich er moet vergewissen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, waarbij in het bijzonder moet worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden zoals bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffect-beoordeling.
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Dit plan voorziet in een directe eindbestemming en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r., er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Indien de volgende drempelwaarden worden overschreden is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan:
Met de ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, worden de hiervoor genoemde drempelwaarden niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht.
Toetsing
Het toekennen van de functie 'plattelandswoning' aan een (voormalige) bedrijfswoning wordt niet expliciet in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage benoemd. De voorgenomen activiteit vindt op grond van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage de meeste aansluiting bij activiteit D. 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Er vindt namelijk geen ruimtebeslag plaats.
Het plan omvat het omzetten van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning en blijft daarmee ver onder de hierboven genoemde drempelwaarden. Het plan is daarom niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Ook de vormverandering van het bouwvlak maakt het plan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig omdat de planologische mogelijkheden gelijk blijven.
Vormvrij m.e.r. beoordeling
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Er is geen sprake van het oprichten van nieuwe woningen, alleen van omschakeling van één woning. Dit zal de gestelde drempelwaarde niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.
Plaats van het project
De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in hoofdstuk 4 geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.
Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom met daaromheen in de nabijheid woningen en wegen. Het plangebied ligt nabij een Natura 2000-gebied, maar heeft hierop geen negatieve effecten (zie ook paragraaf 4.10).
Kenmerken van het potentiële effect van het project
De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de onderstaande paragrafen is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.
Ook gaat het plan niet gepaard met een grote toename aan verkeersintensiteiten en daarmee gepaard gaande milieubelasting (geluid, luchtkwaliteit) ten opzichte van de bestaande situatie.
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Conclusie
De conclusie van bovenstaande is, dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht. Vanuit het besluit Milieueffectrapportage zijn er geen belemmeringen om het plan tot uitvoering te brengen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Toetsing
De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde grens van de inrichting van het ('eigen') bedrijf is circa 14 meter. De afstand tussen de woning en de ontsluiting van het bedrijfsperceel is circa 100 meter. De afstand van de woning tot de gevel van het bedrijfsgebouw bedraagt circa 32 meter.
Gelet op de feitelijke inrichting van het erf door de afsplitsing van de woonkavel is het vanuit logistiek oogpunt (ontsluiting van het terrein) niet meer aannemelijk dat bedrijfsactiviteiten op een kortere afstand vanaf de woning op het agrarisch perceel zullen plaatsvinden. Het gros van de activiteiten vindt plaats aan de zuidzijde van de woning op meer dan 30 meter afstand van de tweede bedrijfswoning. Voor een agrarisch bedrijf (niet zijnde veeteelt) wordt een grootste richtafstand van 30 meter geadviseerd op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Deze richtafstand wordt gewoonlijk gehaald.
Aan de overzijde van de Visvijverweg is het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf van derden gelegen. Dit betreft een melkrundveehouderijbedrijf. Deze locatie bevindt zich op circa 80 meter uit de gevel van de bedrijfswoning. Voor de aan te houden afstand tussen de tweede bedrijfswoning en deze melkveehouderij zijn de geurnormen leidend.
Conslusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.
Toetsing
Het plan betreft slechts de wijziging van het gebruik van de woning aan de Visvijverweg 46 in Lelystad. Er wordt geen bebouwing toegevoegd of gesloopt. Een plattelandswoning en een burgerwoning stellen geen andere eisen aan de bodemkwaliteit dan een bedrijfswoning.
Ook voor de vormverandering van het bouwvlak is op voorhand geen bodemonderzoek vereist
Conclusie
Aangezien er geen roering in de bodem zullen plaatsvinden is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
De Wet Geluidhinder (Wgh) geeft aan in welke mate het geluid het woonmilieu mag belasten. De kern is dat de geluidgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. De wet geeft aan welke objecten aangemerkt worden als geluidgevoelige objecten. Het gaat hierbij om woningen, geluidgevoelige terreinen of andere geluidgevoelige gebouwen (welke bij algemene maatregel van bestuur als zodanig zijn aangewezen).
Een bedrijfswoning, een plattelandswoning en een burgerwoning dienen in het kader van de Wet geluidhinder allen te worden beschouwd als geluidsgevoelige functie. De voorkeursgrenswaarde is in alle gevallen 48 dB
Toetsing
Een bedrijfswoning en een burgerwoning dienen in het kader van de Wet geluidhinder allen te worden beschouwd als geluidsgevoelige functies. De voorkeursgrenswaarde is in alle gevallen 48 dB. In de Wgh is aangegeven dat voor nieuwe geluidsgevoelige functies akoestisch onderzoek nodig is. In dit plan is geen sprake van nieuwbouw maar van een functiewijziging. Het uitvoeren van een geluidsonderzoek voor deze woningen is om de volgende redenen niet noodzakelijk:
Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft bovendien de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning. Er is daarmee sprake van een bestaande situatie in de zin van de Wgh.
Conclusie
Het betreft hier een bestaande locatie waarbij er niks wordt veranderd aan de inrichting. Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
De Wet plattelandswoning regelt dat de voormalig agrarisch bedrijfswoning geen bescherming heeft ten aanzien van de geurhinder veroorzaakt door het eigen agrarisch bedrijf. Voor veehouderijen van derden geldt deze bescherming wél.
Voor veehouderijen geldt voor de beoordeling van geur de Wet geurhinder en veehouderij. In deze wet zijn voor bepaalde typen dieren geurnormen opgenomen, zoals schapen, varkens en kippen. Ten aanzien van dieren waarvoor geen geurnorm is vastgesteld (zoals melkkoeien), gelden vaste afstanden. Voor veehouderijen gelden de vaste afstanden uit het Activiteitenbesluit. Ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een (vaste) afstand van 50 meter.
Toetsing
Het bedrijf tegenover de tweede bedrijfswoning van initiatiefnemer is een melkrundveehouderijbedrijf waarvoor dus een vaste geurafstand van 50 meter geldt. Hierbij wordt gemeten uit de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf en de gevel van de woning. Deze afstand bedraagt in werkelijkheid circa 135 meter. De afstand tussen de tweede bedrijfswoning en de rundveestal is ruim meer dan 50 meter, waardoor deze bedrijfslocatie niet wordt gehinderd in de bedrijfsvoering. Andersom kan worden gesteld dat ter plaatse van de tweede bedrijfswoning voor geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat omdat ruimschoots aan het afstandscriterium wordt voldaan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient eveneens naar de ontwikkelingsmogelijkheid gekeken te worden van dit agrarisch bedrijf. Tussen de gevel van de tweede bedrijfswoning en de grens van het bouwvlak van het tegenover gelegen rundveebedrijf is een afstand van circa 80 meter aanwezig. Omdat deze afstand ook ruim meer is dan de vereiste 50 meter, kan worden gesteld dat ook de ontwikkelingsmogelijkheid van dit bedrijf niet worden belemmerd
Conclusie
Voor het aspect geur kan het initiatief uitvoerbaar worden geacht.
Externe veiligheid beschrijft risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer te gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Hoe moet worden omgegaan met risico’s voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen.
Toetsing
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in of nabij het projectgebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ook valt het projectgebied niet in het invloedgebied van routes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen.
Het aspect externe veiligheid vormt voor dit project dan ook geen beperkingen en aanvullend onderzoek kan achterwege blijven.
Hoogspanningsverbinding
Ten noorden van het projectgebied loopt een tracé van een hoogspanningsverbinding. Dit tracé raakt het projectgebied echter niet. Zie de navolgende afbeelding.
Afbeelding 8: tracé hoogspanningsverbinding (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Op 3 oktober 2005 heeft VROM schriftelijk de gemeenten geadviseerd over het te voeren beleid met betrekking tot gezondheidsrisico's afkomstig van hoogspanningslijnen. Het advies luidt om bij de vaststelling van bestemmingsplannen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbij het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (µT). In het advies wordt door VROM met nieuwe situatie, i.r.t. verblijftijd en mate van blootstelling, bedoeld het oprichten van woningen, scholen, kinderdagverblijven e.d. Langdurig is gedurende minimaal 1 jaar met een verblijftijd van minimaal 14-18 uur per dag.
De plattelandswoning Visvijverweg 46 in Lelystad wordt in relatie tot het advies gezien als een bestaande situatie en hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de indicatieve zone volgens de netkaart van VROM. In of nabij het projectgebied lopen verder geen hoofdkabels.
In of nabij het projectgebied lopen verder geen hoofdkabels.
Vrijwaringszone luchtvaart
Het projectgebied ligt binnen een zone met de aanduiding ‘Gebiedsaanduiding vrijwaringszone - luchtvaart 3’. In deze zone geldt een bouwhoogte beperking tot maximaal 146,3 meter. Deze aanduiding volgt uit het ontwerp bestemmingsplan “Lelystadluchthavencontouren’ van 18 mei 2017. Aangezien er geen fysieke veranderingen plaatsvinden binnen het projectgebied is een nadere toetsing aan de vrijwaringszone niet aan de orde.
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' levert geen belemmeringen op voor de uitvoering van het plan.
De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld.
Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een projectplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn:
Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3 ) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).
Toetsing
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5).
Het gebruik van de woning blijft gelijk, in het kader van de functiewijziging van bedrijfswoning naar plattelandswoning vormt de toetsing van het aspect luchtkwaliteit geen belemmering.
De wijzigingen betreffen enkel het omzetten van een bedrijfswoning naar plattelandswoning en de vormverandering van het bouwvlak. De beoogde bestemmingswijzigingen dragen 'niet in betekenende mate' bij aan de lokale luchtverontreiniging omdat er geen toevoeging van functies plaatsvindt. Ook leidt het project niet tot een toename van verkeer.
Conclusie
De luchtkwaliteit zal als gevolg van de functiewijziging niet verslechteren. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Watertoets
De initiatiefnemer heeft Waterschap Zuiderzeeland geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de procedure "geen waterschapsbelang" wordt toegepast. De planontwikkeling leidt niet tot effecten met betrekking tot de waterhuishouding of de afvalwaterketen. De thema's met betrekking tot Veiligheid, Schoon water en Voldoende water uit de standaard waterparagraaf zijn hierna uiteengezet.
Thema Veiligheid
Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
Thema Voldoende water
Wateroverlast
Streefbeeld
Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Uitgangspunt wateroverlast
Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen.
De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Goed functionerend watersysteem
Streefbeeld
Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.
Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem
Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water.
De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren.
Anticiperen op watertekort
Streefbeeld
Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen.
Thema Schoon Water
Goede structuurdiversiteit
Streefbeeld
Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.
Goede oppervlaktewaterkwaliteit
Streefbeeld
Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
Uitgangspunten
In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron.
Randvoorwaarde(n)
Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig.
Goed omgaan met afvalwater
Streefbeeld
Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.
Uitgangspunt(en)
Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen.
Randvoorwaarde(n)
Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel.
Onder schoon hemelwater wordt verstaan:
Conclusie
Omdat het voorliggende plan alleen een functiewijziging betreft zonder fysieke ingrijpen, heeft deze geen gevolgen voor zowel de waterkwaliteit als de waterkwantiteit. Voor wat betreft het aspect water kan het plan uitvoerbaar worden geacht.
De Natuurbeschermingswet 1998 schrijft voor dat voor alle Natura 2000-gebieden binnen drie jaar na aanwijzing een beheerplan wordt vastgesteld. Hiermee krijgen beheerders, gebruikers en belanghebbenden meer duidelijkheid over welke activiteiten in of nabij het gebied toelaatbaar zijn.
Projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de gebieden kunnen verslechteren of die een verstorend effect hebben op de soorten, mogen niet worden gerealiseerd of verricht zonder of in strijd met een daartoe verleende vergunning (artikel 19d Nbw).
Toetsing
Het omzetten van de bedrijfswoning in een plattelandswoning en de vormverandering van het bouwvlak heeft geen nadelige gevolgen voor beschermde soorten en gebieden omdat er slechts sprake is van functiewijzigingen. De verkeersbewegingen zullen bovendien niet toenemen. Ook zal de fysieke omgeving niet worden aangepast.
Conclusie
Het plan is voor het aspect ecologie uitvoerbaar.
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De
Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de huidige Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen worden over enige tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen)
Toetsing
Archeologie
In de Erfgoedwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Omdat slechts sprake is van een functiewijziging van een bestaan gebouw en een palnologische wijziging ten aanzien van de vorm van het bouwvlak, kan archeologisch onderzoek achterwege blijven. Er worden geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd.
Cultuurhistorie
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. De voorgenomen planologische functiewijziging heeft geen invloed op het aspect cultuurhistorie.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel archeologie als cultuurhistorie is het plan voornemen uitvoerbaar.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding, waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Regels zijn gelijkgesteld aan het moederplan.
De aanduiding ''Plattelandswoning' van het perceel Visvijverweg 46 is op de verbeelding aangegeven. Door middel van een maatvoeringsaanduiding is vastgelegd dat het maximaal om één plattelandswoning gaat. Ook op het agrarisch bouwvlak is een maatvoeringsaanduiding opgenomen waarmee is vastgelegd dat er ten hoogste één bedrijfswoning binnen dit bouwvlak is toegestaan.
De kosten voor de realisatie en totstandkoming van de plannen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Ten aanzien van de openbare voorzieningen zijn alle voorzieningen (gas/water/elektra) al aangelegd op onderhavig perceel. Er zijn naast de procedurekosten voor de gemeente geen bijkomende kosten waarvoor een overeenkomst dient te worden afgesloten.
Initiatiefnemer dient op grond van de legesverordening van de gemeente Lelystad een vast bedrag aan leges te voldoen en daarmee worden de kosten voor de gemeentelijke procedure gedekt. Tussen de gemeente Lelystad en initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst afgesloten. Via deze overeenkomst wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
Vanuit het aspect economische uitvoerbaarheid worden dan ook geen beperkingen verwacht voor de realisatie van de plannen.
Het plan Visvijverweg 46-48, Lelystad is in de periode 4 februari 2021 tot 31 maart 2021 in het kader van wettelijk vooroverleg voorgelegd aan LTO Noord, Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek, Provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland. Het waterschap Zuiderzeeland en provincie Flevoland hebben inhoudelijke reacties ingediend. Naar aanleiding van de reactie van het waterschap wordt waterparagraaf aangevuld. Provincie Flevoland wil niet dat het aantal bedrijfswoningen toeneemt door dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is hierop aangepast, er is nu nog maar één bedrijfswoning mogelijk.
Het ontwerpbestemmingsplan 'Vijsvijverweg 46-48, Lelystad' heeft gedurende 6 weken, vanaf 16 december 2021 tot 26 januari 2022 ter inzage gelegen.
Tijdens de ter inzage periode is één zienswijze binnengekomen. Een samenvatting van de ingediende zienswijze en de beantwoording hiervan door de gemeente is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
Naar aanleiding van de ingediende zienswijze is regeling omtrent de hoogspanningsverbinding, zoals opgenomen in artikel 4 van de regels, geactualiseerd.
In de regels van de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3) werd bij de afwijkingsmogelijkheden van de gebruik- en de bouwregels per abuis uitgegaan van een ontheffingsmogelijkheid. Met de invoering van de WABO is dit gewijzigd in een ‘omgevingsvergunning voor het afwijken’. De afwijkingsmogelijkeden opgenomen in artikel 3 zijn daarom ambtshalve geactualiseerd. In de Nota van zienswijzen en wijzigingen is aangegeven welke artikelen zijn geactualiseerd. Het betreft hierbij alleen een tekstuele aanpassing. Inhoudelijk is de regeling voor het afwijken van de bouw- en gebruiksregels ongewijzigd gebleven.