direct naar inhoud van Regels
Plan: Vijsvijverweg 46-48, Lelystad
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.BP00090-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder;

1.1 Plan

het bestemmingsplan Vijsvijverweg 46-48, Lelystad van de gemeente Lelystad;

1.2 Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0995.BP00090- VG01 met de bijbehorende regels;

1.3 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 agrarische bedrijvigheid

bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

  • 1. Akker- en tuinbouw

de teelt van gewassen op open grond; daaronder niet begrepen bosbouw, sierteelt en fruitteelt;

  • 2. fruitteelt:

de teelt van fruit op open grond;

  • 3. grondgebonden veehouderij:

het houden van vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder begrepen de teelt van ruwvoedergewassen; onder grondgebonden veehouderij wordt hier in ieder geval verstaan: het houden van melkrundvee;

  • 4. intensieve veehouderij:

agrarische bedrijvigheid bestaande uit fokkerij, houderij en/of mesterij van vee, zoals varkens, kalveren en pluimvee, niet zijnde melkveehouderij,die functioneel geheel of overwegend niet afhankelijk is van de ter plaatse bij het agrarisch bedrijf behorende grond als productiemiddel en die plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang;

  • 5. glastuinbouw:

de teelt van tuinbouwgewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;

  • 6. paardenfokkerij:

het fokken van veulens en de opfok van jonge paarden met de daaraan verbonden basistraining tot een leeftijd van 2 à 3 jaar;

  • 7. kwekerij:

het telen, kweken en verzorgen van bomen, heesters, struiken, planten en bloemen of tuinbouwzaden, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten en niet zijnde detailhandel;

1.6 Ander bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.8 bebouwingspercentage

de oppervlakte van de bebouwing binnen een bouwvlak, of binnen een bestemmingsvlak indien daarbinnen geen bouwvlak voorkomt, uitgedrukt in een percentage van de oppervlakte van dat vlak;

1.9 bedrijfswoning of dienstwoning

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bestemd voor één persoon, gezin of andere groep van personen, van wie huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;

1.10 bedrijf aan huis

het bedrijfsmatig uitoefenen van bedrijfsactiviteiten:

die in de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 1, danwel daarmee gelijk kunnen worden gesteld wat betreft de gevolgen voor de omgeving, en

die geen horeca of detailhandel zijn, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit,

in de woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie;

1.11 beperkt kwetsbaar object

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid Inrichtingen een richtwaarde voor het risico casu quo een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden;

1.12 beroep aan huis

het beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, maatschappelijk of daarmee gelijk te stellen gebied, in de woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie;

1.13 bestaand

met betrekking tot bebouwing: de bebouwing als aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het plan;

met betrekking tot gebruik: het gebruik ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het plan;

1.14 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.15 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.16 bevi

een in het Besluit externe veiligheid inrichtingen bedoelde inrichting die in belangrijke mate een verhoging van de veiligheidsrisico's kan veroorzaken vanwege risicobronnen die buiten de perceelsgrens van de betreffende bedrijfslocatie waarop die risicobronnen aanwezig zijn, een plaatsgebonden risico veroorzaakt van meer dan 10-6 per jaar;

1.17 bijgebouw

een vrijstaand, of aangebouwd, niet voor bewoning bestemd gebouw, behorende bij de woning of het hoofdgebouw op hetzelfde bouwvlak;

1.18 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.19 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.20 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.21 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.22 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. Een bouwvlak wordt aan de zij- en achterzijde omsloten door een erfsingel;

1.23 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.24 bruto vloeroppervlakte

de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw;

1.25 erf

het bouwvlak (met aansluitende erfbeplanting) tot aan het hart van de (denkbeeldige) erfsloot, plus de daarbij behorende gronden gelegen tussen het bouwvlak en de weg;

1.26 erfsingel

een strook beplanting van ten minste 6 m breed, danwel ten minste 3 m breed ingeval van een direct aangrenzend erf, dat is verplicht als begrenzing van het erf;

1.27 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.28 grondgebonden agrarisch bedrijf

een veehouderij-, akkerbouw-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, dat functioneel geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de ter plaatse bij het bedrijf behorende grond als agrarisch productiemiddel;

1.29 hoofdgebouw

een gebouw dat binnen een bouwvlak door constructie, afmetingen of bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

1.30 kwetsbaar object

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid Inrichtingen een grenswaarde voor het risico respectievelijk een risico-afstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht moet worden genomen;

1.31 oorspronkelijke woning

de woning, zoals die is of mag worden gebouwd overeenkomstig de eerste daarvoor verleende bouwvergunning of een ander oudtijds verworven recht;

1.32 overkapping

een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of een ander bouwwerk en bestaande uit een slechts van boven afgesloten of afgedekte ruimte, dat:

  • 1. bij plaatsing voor de voorgevelrooilijn, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft, en
  • 2. bij plaatsing achter de voorgevelrooilijn, maximaal drie wanden heeft waarvan er maximaal twee tot de constructie behoren;
1.33 peil
  • 1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst:de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • 2. in andere gevallen:
    de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte maaiveld;

1.34 Plattelandswoning

Een voormalige bedrijfswoning als bedoeld in artikel 1.1a sub 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.35 permanente bewoning

bewoning van een ruimte als hoofdwoonverblijf;

1.36 voorgevelrooilijn

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Meetvoorschriften
2.2 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.4 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.7 Uitzonderingen voor ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken, worden ondergeschikte bouwdelen als erkers, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • 1. Agrarisch bedrijvigheid in de vorm van:
    • a. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
    • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' tevens voor één plattelandswoning;
  • 2. als standplaats voor ten hoogste 25 kampeermiddelen in de periode van 15 maart t/m 31 oktober;
  • 3. instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschapswaarden, waaronder hier in ieder geval zijn begrepen de landschapswaarden, die hierna zijn vermeld ter plaatse van de aanduiding:

aanduiding:   waarden:  
Specifieke vorm van waarde - openheid   openheid van het landschap  

  • 4. instandhouding van het aanwezige cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatroon;
  • 5. instandhouding en ontwikkeling van de afschermende erfbeplanting met een minimale breedte van 6 m, met daarbij behorende erfsloot, direct aansluitend aan de zijgrenzen en de achtergrens van het bouwvlak;
  • 6. fiets-, wandel- en kavelpaden;
  • 7. sloten, oevers, taluds en andere watergangen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Toegestane bouwwerken binnen bouwvlakken

Binnen elk bouwvlak op de gronden als bedoeld in lid 3.1, mag uitsluitend worden gebouwd de bij een agrarisch bedrijf behorende bebouwing.

Onder die bebouwing zijn begrepen kassen, één woning, zijnde de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' tevens voor één plattelandswoning.

3.2.2 Toegestane bouwwerken buiten bouwvlakken

Buiten bouwvlakken mogen uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken. Hieronder zijn niet begrepen:

  • 1. bouwwerken voor mestopslag, sleufsilo's en andere silo's;
  • 2. tunnelkasten;
  • 3. antennemasten.

3.2.3 Bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in sublid 3.2.1 en 3.2.2 gelden de volgende bepalingen:

  • 1. de afstand van gebouwen tot het hart van de sloot mag niet minder dan 8 m bedragen;
  • 2. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 5 m achter het verlengde van de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
  • 3. de maximale toegestane oppervlakte van bedrijfswoningen of plattelandswoning bedraagt 200 m² per bedrijfswoning;
  • 4. de gezamenlijke oppervlakte van bij een zelfde bedrijfswoning of plattelandswoning behorende bijgebouwen mag niet meer dan 100 m² bedragen (per woning);
  • 5. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter het verlengde van de voorgevelrooilijn van de betreffende bedrijfswoning of plattelandswoning;
  • 6. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij mag niet meer dan 4.500 m² bedragen;
  • 7. bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet, voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van het huisvesten van vee als bedoeld in artikel 1 lid 1.5 sub 4 (intensieve veehouderij), artikel 1 lid 1.5 sub 3 (grondgebonden veehouderij) en artikel 1 lid 1.5 sub 6 (paardenfokkerij) wordt slechts verleend, indien vaststaat dat daarvoor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet, hetzij niet nodig is, hetzij is of zal worden verleend;
  • 8. de oppervlakte van kassen als bedoel in sublid 3.2.1 mag niet meer bedragen dan 2.500 m²;
  • 9. de goothoogte en hoogte van gebouwen en de hoogte van andere bouwwerken mogen niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken   max. goothoogte   max. bouwhoogte  
bedrijfsgebouwen   8,5m   15 m  
bedrijfswoningen   -   10m  
plattelandswoningen   -   10 m  
Kassen   6 m   10 m  
bijgebouwen   3,5 m   6 m  
bouwwerken voor mestopslag, inclusief biovergisting/-energie:   -   7,5 m  
voedersilo's:   -   30 m  
antennemasten:   -   20 m  
erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn:   -   1 m  
overige erf- en terreinafscheidingen:   -   2 m  
overige andere bouwwerken, binnen bouwvlak:   -   4 m  
overige andere bouwwerken, buiten bouwvlak:   -   1,5 m
 

3.3 Afwijking van het gebruik

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1 onder 1, sub b en c, ten behoeve van het uitsluitend binnen het bouwvlak bouwen van daarbij behorende, niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals sanitaire ruimten, en andere bouwwerken, tot een goothoogte en hoogte van 3,5 m respectievelijk 5 m en een inhoud van 50 m³,

mits: is of wordt voorzien in een goede inpassing van een en ander in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende sloot, waarbij de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Extra zelfstandige woonruimte

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.1, ten behoeve van het bouwen van binnen een zelfde bouwperceel ten hoogste één zelfstandige woonruimte, in of aan een bedrijfswoning, indien daarvoor dringende sociale redenen bestaan en vooraf vaststaat dat het tijdelijke huisvesting betreft.

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • 1. de gezamenlijke oppervlakte van de betreffende bedrijfswoning en de bedoelde woonruimte mag niet meer dan 200 m² bedragen;
  • 2. de goothoogte en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende bedrijfswoning, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan 10 m;
  • 3. op geen van de gevels van de bedoelde woonruimte mag, bij voltooiing, de geluidbelasting vanwege een weg de ter plaatse toegestane grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder overschrijden;
  • 4. de verbouwing dient op een zodanige wijze te geschieden, dat de extra zelfstandige woonruimte in of aan de betreffende bedrijfswoning, bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting, ongedaan kan worden gemaakt.

een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 lid 6.1 (veiligheidszone - bevi)

3.4.2 Ander gebruik agrarische bedrijfsbebouwing

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.1, ten behoeve van het gebruiken van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen binnen een bouwvlak en uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit, voor het volgende niet-agrarisch gebruik:

  • a. detailhandel ter plaatse van voortgebrachte producten met een maximale verkoopvloeroppervlakte van 200 m²;
  • b. bewerking en opslag van agrarische producten met een maximale oppervlakte van 500 m²;
  • c. loonwerk- en veehandelbedrijven;
  • d. het bieden van overnachtingsmogelijkheden;
  • e. horeca ten dienste van extensieve recreatie, zoals een theehuis een terras, een speeltuin, een pannenkoekenrestaurant, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 500 m²;
  • f. natuurvoorlichting en -educatie;
  • g. opslag en stalling van caravans, campers en boten, en
  • h. kunstnijverheid en ateliers.
  • i. (woon)zorgboerderij.


Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.4.2, dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • 1. behoudens het bepaalde omtrent detailhandel mag de nevenactiviteit op ten hoogste 30% van het erf plaatsvinden;
  • 2. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden belemmerd;
  • 3. in vergelijking met het agrarisch gebruik mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden;
  • 4. het parkeren behorende bij het andere gebruik dient binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden;
  • 5. er mag geen opslag van goederen, behorende bij het andere gebruik, in de open lucht plaatsvinden, en
  • 6. het andere gebruik dient qua aard en schaal te passen bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties.

3.4.3 Samenvoegen bouwvlakken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.2 voor het bouwen van bebouwing als bedoeld in lid 3.2.1 tussen twee bouwvlakken, mits:

  • 1. het gaat om bestaande bouwvlakken, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 2,5 ha;
  • 2. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering door middel van een gekwalificeerd bedrijfsplan is aangetoond;
  • 3. een gedeelte van de bestaande erfbeplanting tussen de bouwvlakken met een minimale breedte van 6 m, over een minimale lengte van 30 m aan de voorzijde van het bouwvlak in tact blijft of wordt ontwikkeld; en
  • 4. de zijdelingse afstand tussen woningen minimaal 24 m bedraagt.

3.4.4 Hoogte antennemasten

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.3 onder 9, ten behoeve van het bouwen van een antennemast tot een hoogte van 30 m, mits bij de situering van de mast wordt aangesloten bij bestaande infrastructuur en geen hinder ontstaat voor het vliegverkeer van en naar de luchthaven Lelystad.

3.5 Wijzigingsbevoegdheid

3.5.1 Vergroting bouwvlakken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig te wijzigen, dat de op de gronden als bedoeld in lid 3.1, aangegeven bouwgrens elders op die gronden wordt aangegeven, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • 1. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering door middel van een gekwalificeerd bedrijfsplan is aangetoond,
  • 2. daardoor de waarden als bedoeld in lid 3.1 niet onevenredig worden aangetast.
  • 3. geen gebouw mag na de wijziging buiten het bouwvlak komen te liggen;
  • 4. de oppervlakte van het bouwvlak mag na de wijziging ten hoogste 2,5 ha bedragen;
  • 5. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en manoeuvreerruimte;
  • 6. wordt voorzien in een goede inpassing van een en ander in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende sloot, waarbij:
    • a. de afstand van gebouwen tot het hart van de sloot niet minder dan 8 m mag bedragen, en
    • b. de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen;
  • 7. op en in gronden met de nader aanduiding "specifieke vorm van waarde - openheid" dienen de bebouwingsmogelijkheden zoveel mogelijk achter en niet naast de hoofdgebouwen te worden gesitueerd, om bebouwingslinten niet onnodig verder te verdichten, en het zicht op de open polder te behouden.

3.5.2 Wijzigingsbevoegdheid verschuiving bouwvlakken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig te wijzigen, dat de op de gronden als bedoeld in lid 3.1, aangegeven bouwgrens elders op die gronden wordt aangegeven, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • 1. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering door middel van een gekwalificeerd bedrijfsplan is aangetoond,
  • 2. daardoor de waarden als bedoeld in lid 3.1 niet onevenredig worden aangetast.
  • 3. geen gebouw mag na het verlenen van afwijking buiten het bouwvlak komen te liggen;
  • 4. de oppervlakte van het bouwvlak mag niet worden vergroot;
  • 5. het bouwvlak dient voor ten minste 50% van de oppervlakte van de daarin begrepen gronden, dezelfde gronden te blijven omvatten als ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan;
  • 6. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en manoeuvreerruimte;
  • 7. wordt voorzien in een goede inpassing van een en ander in het landschap door middel vanafschermende erfbeplanting, met daarbij behorende sloot, waarbij:
    • a. de afstand van gebouwen tot het hart van de sloot niet minder dan 8 m mag bedragen, en
    • b. de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen;
  • 8. op en in gronden met de nader aanduiding "specifieke vorm van waarde - openheid" dienen de bebouwingsmogelijkheden zoveel mogelijk achter en niet naast de hoofdgebouwen te worden gesitueerd, om bebouwingslinten niet onnodig verder te verdichten, en het zicht op de open polder te behouden.

3.6 Specifieke gebruiksregels


Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, is in ieder geval:

  • 1. het ophogen van gronden ten behoeve van het gebruik van gronden gelegen buiten de aangegeven bouwvlakken voor permanente bollenteelt, en:
  • 2. het buiten het bouwvlak plaatsen en gebruiken van boogkassen, sleufsilo's, mestbassins, spoel- en waterbassins, met uitzondering van spoel- en waterbassins die op een afstand van ten hoogste 50 m vanaf het bouwvlak, en achter het verlengde van de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning liggen.

Artikel 4 Leiding - Hoogspanningsverbinding

4.1 Bestemmingsomschrijving


De voor "Leiding - Hoogspanningsverbinding" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg, het beheer en instandhouding van een hoogspanningsverbinding: met de daarbij behorende

  • a. Masten en (veiligheids)voorzieningen

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

4.2 Bouwregels

Bouwwerken
Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. Op of in de lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de hoogspanningsverbinding worden gebouwd;
  • b. Op of in de lid 1 bedoelde gonrden zijn geen gebouwen en bouwwerken toegestaan, met uitzondering van bestaande (vergunde) gebouwen en bouwwerken;
  • c. indien bestaande gebouwen en/of bouwwerken worden vervangen, vernieuwd of veranderd is dit toegestaan indien de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

4.3 Awijking van de bouwregels


Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 2 in die zin dat de in de basisbestemming(en) genoemde gebouwen of andere-bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de betreffende hoogspanningsleiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies is verkregen van de betreffende netbeheerder.


Afwegingskader

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de betreffende hoogspanningsverbinding.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder, op of in de lid 1 bedoelde gronden, een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen en/of rooien van opgaande beplanting en bomen;
  • b. het wijzigen van maaiveld- of weghoogte door ontgrondingswerkzaamheden, ophoging of andere graafwerkzaamheden;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen;
  • d. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen;
  • e. het aanbrengen en/of slopen van bovengrondse opstallen, constructies, straatmeubilair, installaties of apparatuur anders dan ten dienste van deze in lid .... omschreven bestemming;
  • f. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • g. het aanleggen van zonneparken

4.5 Uitzondering van de vergunningplicht

Het verbod in lid 4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn bij het van kracht worden van het plan;
  • b. verband houden met de aanleg, aanpassing of onderhoud van de betreffende hoogspanningsverbinding en de daarbij horende voorzieningen;
  • c. het onderhoud en beheer hetgeen krachtens de onderliggende bestemming is toegestaan.

Voorwaarden vergunningverlening

Tot het verlenen van een omgevingsvergunning wordt eerst overgegaan, indien uit het verkregen positief schriftelijk advies van de netbeheerder is gebleken dat hierdoor de veiligheid en leveringszekerheid niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Aan de hand daarvan kan het bevoegd gezag desgewenst voorwaarden verbinden aan de vergunning, ter bescherming van bedoelde verbinding.

Afwegingskader

De omgevingsvergunning 4 kan slechts worden verleend indien:

  • a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de betreffende hoogspanningsleiding.
  • b. vooraf schriftelijk advies is verkregen van de betreffende netbeheerder.

4.6 Specifieke gebruiksregels


Tot een gebruik strijdig met deze bestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval gerekend:

  • a. een gebruik dat geen rekening houdt met een ongestoorde werking van de bovengrondse hoogspanningsleiding en de risico's die ermee verbonden zijn.


 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene bouwregels

6.1 Bouwafstanden

Onverminderd het overigens in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mag of mogen op en in gronden die grenzen aan de gronden als bedoeld in:

  • 1. artikel 14 (Water), binnen een afstand van 10 m, loodrecht gemeten op de bestemmingsgrens van die gronden niet worden gebouwd;
  • 2. artikel 23 (Waterstaat - Waterkering), ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - dijk" niet worden gebouwd;
  • 3. artikel 12 (Verkeer), binnen de hierna bij de verschillende categorieën wegen genoemde afstanden, loodrecht gemeten uit de as van de weg, uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd:

ter plaatse van de aanduiding:   afstanden tot weg-as, waarbinnen uitsluitend andere bouwwerken mogen worden gebouwd  
specifieke vorm van verkeer - categorie 1   50 m¹  
specifieke vorm van verkeer - categorie 2   30 m  
specifieke vorm van verkeer - categorie 3   15 m  
specifieke vorm van verkeer - categorie 4   5 m  

¹ Gemeten vanaf de rand van de weg

6.2 Hoogtebeperkingen Lelystad Airport

Onverminderd het overigens in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mag de hoogte van bouwwerken niet meer bedragen dan is aangegeven op de kaart "Hoogtebeperkingen Lelystad Airport" als bedoeld in Bijlage 1.

6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Afwijking langs water

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van de beheerder van de betreffende watergang omtrent de waterstaatkundige aanvaardbaarheid daarvan, afwijking te verlenen van het bepaalde in lid 6.1, onder a, ten behoeve van het bouwen tot aan de bestemmingsgrens van die gronden.

6.3.2 Afwijking langs dijken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van de beheerder van de betreffende dijk, afwijking te verlenen van het bepaalde in lid 6.1, onder b, ten behoeve van het bouwen tot aan de bestemmingsgrens van die gronden.

6.3.3 Afwijking langs wegen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van de desbetreffende wegbeheerder omtrent de aanvaardbaarheid daarvan uit oogpunt van wegbeheer en verkeersveiligheid, afwijking te verlenen van het bepaalde in lid 6.1, onder c, ten behoeve van het bouwen op een kleinere afstand tot de as van de weg of van de op- of afrit.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

7.1 vormen van verboden gebruik


Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, is in ieder geval ook het gebruik van:

  • 1. gronden en bouwwerken als of ten behoeve van een seksinrichting;
  • 2. onbebouwde gronden:
    • a. als stand- of ligplaats van kampeermiddelen, en andere onderkomens;
    • b. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten;
    • c. voor het beproeven van voertuigen, voor het racen of crossen met motorvoertuigen of bromfietsen en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport;
    • d. voor militaire oefeningen met rups- en andere zware voertuigen.


een en ander tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden.

7.2 Voorzieningen ten behoeve van riolering

Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, is in ieder geval niet het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van de riolering, zoals voorzieningen voor Individuele Behandeling van Afvalwater en helofytenfilters.

Artikel 8 Algemene aanduidingsregels

8.1 geluidzone - vliegverkeer 1

Onverminderd het overigens in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde mogen op en in gronden die liggen ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - vliegverkeer 1" geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen worden gebouwd.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1 Afwijking


Burgemeester en wethouders zijn bevoegd afwijking te verlenen van deze regels:

  • 1. ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 m en de inhoud niet meer dan 50 m³ mag bedragen;
  • 2. indien en voorzover afwijkingen ten aanzien van grens of richting van wegen, paden en waterlopen, en ligging van bouwgrenzen en grenzen van bouwvlakken en aanduidingen noodzakelijk zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;
  • 3. afwijkingen van bepalingen ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages;
  • 4. voor afwijkingen van bestemmingsgrenzen en grenzen van bouwvlakken, ten behoeve van erkers,ingangspartijen en andere uitbreidingen van woningen over maximaal de halve gevelbreedte, mits die afwijkingen niet meer dan 2 m bedragen ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven.

9.2 Procedure bij afwijking


Bij de voorbereiding van een besluit omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken als bedoeld in lid 9.1, voor zover het daarbij betreft het bouwen van gebouwen wordt de procedure gevolgd, die is vervat in de Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

10.1 Wijzigen naar wonen, bedrijven of recreatieve voorzieningen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, indien is komen vast te staan dat in een bouwvlak op gronden als bedoeld in artikel 3 (Agrarisch), geen agrarisch bedrijf meer is gevestigd, de bestemming binnen dat bouwvlak te wijzigen in een van de hierna genoemde bestemmingen; bij wijziging wordt tegelijkertijd het bouwvlak van het plan verwijderd:

wijziging naar bestemming:   in acht te nemen bepalingen:  
Wonen
(één woning respectievelijk het bestaande aantal woningen toegestaan)  
a. ter plaatse van en aansluitend aan de bestaande woning of woningen en de daarbij behorende erven en tuinen worden gronden aangewezen met de bestemming Wonen, waarop artikel 15 van toepassing is;
b. elke wijziging dient in elk geval alle woonruimten binnen het betreffende bouwvlak te omvatten;
c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden belemmerd;
d. het aantal woningen binnen elk bestemmingsvlak mag niet worden vergroot;  
Bedrijven   e. de gronden binnen het bouwvlak worden aangewezen met de bestemming Bedrijf, waarop artikel 4 van toepassing is, met de nadere bestemming:
bedrijven die voorkomen in de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten categorie 1 en 2, met dien verstande dat bedrijven waarbij in de bijlage als "index voor verkeer" een 2 is aangegeven (potentieel verkeersaantrekkende bedrijven) uitsluitend zijn toegestaan langs wegen, die zijn bestemd als "Verkeer" met de categorie-aanduiding 2,
- paardenpension, paardenopleidingscentrum,
- agrarisch loonwerkbedrijf,
- veehandelsbedrijf,
- opslagbedrijven van caravans, campers en/of boten, dierartsenpraktijk en/of dierenpension, of
- (woon)zorgboerderij en/of gezinsvervangend tehuis,
of daarmee naar hun gevolgen voor de omgeving gelijk te stellen bedrijfsactiviteiten;
f. de gezamenlijke oppervlakte en de goothoogte en hoogte van gebouwen mogen ten opzichte van de ten tijde van de wijziging bestaande situatie niet worden vergroot;
g. het bedrijf mag geen opslag van goederen in de open lucht inhouden of met zich meebrengen;
h. het ander soort bedrijf mag geen horeca of detailhandel betreffen;
i. het bedrijf voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
j. er is of wordt voorzien in afschermend erfbeplanting, met eventueel daarbij behorende sloot, aan de zijgrenzen en de achtergrens van het erf, waarbij de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen;
k. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden belemmerd;
l. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap en het natuurlijk milieu van de omgeving, waarin het betreffende bedrijf voorkomt;  
Recreatie
(manege, kampeerboerderij, vakantie-appartementen)  
m. uitsluitend indien het betreft gronden binnen het op de ontwikkelingskaart aangegeven gebied "recreatief ontwikkelingsgebied" worden de gronden binnen het bouwvlak aangewezen met de bestemming Recreatie, waarop artikel 10 van toepassing is, met de andere bestemming manege, kampeerboerderij of vakantie-appartementen of daarmee gelijk te stellen recreatieve voorzieningen;
n. de recreatieve voorziening moet voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
o. er is of wordt voorzien in afschermend erfbeplanting, met eventueel daarbij behorende sloot, aan de zijgrenzen en de achtergrens van het erf, waarbij de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen;
p. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden belemmerd;
q. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap en het natuurlijk milieu van de omgeving, waarin het betreffende bedrijf voorkomt;
r. de recreatieve voorzieningen mogen geen opslag van goederen in de open lucht inhouden of met zich meebrengen, en in vergelijking met het voormalige, agrarische gebruik geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden met zich meebrengen.  

10.2 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd binnen de volgende grenzen het plan te wijzigen indien en voorzover dringende redenen, die na het ter inzage leggen van het plan te hunner kennis zijn gekomen, hiertoe aanleiding geven en voorzover zulks het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied niet schaadt:

het wijzigen van bestemmingsgrenzen geschied zodanig, dat de geldende oppervlakte van de bij wijziging betrokken bestemmingsvlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot.

Artikel 11 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

11.1 Verbod

Behoudens het bepaalde in lid 11.2, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders ter plaatse van de bestemming Agrarisch watergangen, sloten en andere waterpartijen te dempen.

11.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in lid 30.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  • 1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • 2. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan;
  • 3. werken en werkzaamheden op en in gronden die binnen agrarische bouwpercelen zijn begrepen;
  • 4. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- en uitritten;
  • 5. het betreft werken en werkzaamheden waarvoor een monumentenvergunning is vereist inzake de Monumentenwet 1988.

11.3 Toelaatbaarheid werken en werkzaamheden

Werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 11.1 , zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen,

  • 1. niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel
  • 2. de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

11.4 In te winnen adviezen

Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in lid 11.1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht bouwwerken

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
12.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • 1. uitsluitend gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

12.1.2 Afwijking vergroten bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijking verlenen van sublid 12.1.1 voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

12.1.3 Uitzondering overgangsrecht bouwwerken

Sublid 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
12.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Veranderen van gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

12.2.3 Onderbroken verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in sublid 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

12.2.4 Uitzondering overgangsrecht gebruik

Sublid 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotbepaling

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Visvijverweg 46 te Lelystad

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van ... - ... - ......

de secretaris, de burgemeester,