| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Open Park Weert |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0988.TAMOpenParkWeert-VA01 |
De gemeente Weert is voornemens om het huidige sportcomplex 'Sportpark Boshoven' her in te richten en te moderniseren. Het huidige sportcomplex voldoet niet meer aan deze tijd en de gemeente is voornemens om dit sportcomplex te ontwikkelen tot een multifunctioneel en openbaar park voor iedereen. In dit multifunctioneel en openbaar park moet naast sport ook ruimte zijn voor meer groen, gezondheid, cultuur en maatschappelijke initiatieven. In dat kader is door Kragten, in opdracht van de gemeente Weert, een gedragen ontwerp uitgewerkt voor de algehele inrichting van het sportcomplex onder de noemer 'Open Park Weert'. Dit ontwerp sluit enerzijds aan op de ambities en doelstellingen van de gemeente en anderzijds op de wensen en eisen van de gebruikers en overige stakeholders.
In de beoogde inrichting van de openbare ruimte op het toekomstige sportcomplex is onder meer specifiek oog voor het groen, stedenbouw, klimaat/waterhuishouding, ecologie, verkeersveiligheid en sociale veiligheid. Er zijn hierbij niet alleen letterlijke fysieke verbindingen en inrichtingen gemaakt, maar er zijn ook verbindingen gelegd vanuit een visie die aansluit bij de ambitie van een 'Open Park Weert', namelijk: een open park voor iedereen waarin gebruikers georganiseerd of ongeorganiseerd kunnen sporten, bewegen en ontmoeten. Een omgeving die naast het sporten ook uitnodigt om te verblijven, de ruimte biedt voor educatie en voor evenementen.
Het ontwerp voor de inrichting van het sportcomplex is gebaseerd op een door de gemeenteraad vastgesteld vlekkenplan. Voor een nadere beschrijving van de toekomstige situatie wordt verwezen naar paragraaf 2.2.
Vlekkenplan beoogde inrichting sportcomplex (reeds vastgesteld door de raad)
Op basis van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van rechtswege (voormalig bestemmingsplan 'Woongebieden 2019) heeft het plangebied reeds de functie 'Sport'. Op basis van deze functie is het plangebied aangewezen voor sportieve recreatie met daaraan ondergeschikt: parkeervoorzieningen, verkeersvoorzieningen, waaronder perceelsontsluitingswegen, groenvoorzieningen, verhardingen, speelvoorzieningen, evenementen, hondentoiletten, waterlopen en waterpartijen, maatschappelijke doeleinden ondergeschikt aan de bestemming waarbij sprake is van medegebruik van de sportvoorzieningen en andere voorzieningen zoals energievoorzieningen. Daarnaast is enkel de bestaande bebouwing opgenomen binnen een 'strak' bouwvlak, zodat bebouwing daar buiten niet mogelijk is.
De beoogde inrichting van het sportcomplex past grotendeels binnen de geldende functie 'Sport' qua gebruiksmogelijkheden. Echter de bouwmogelijkheden zijn beperkt tot de bestaande bebouwing. Hierdoor is op de volgende punten sprake van strijdigheid met het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van rechtswege:
Om de herinrichting en modernisering van het sportcomplex (planologisch-juridisch) mogelijk te maken is een ruimtelijke procedure derhalve noodzakelijk. Omdat de bouwplannen nog onvoldoende concreet zijn en in de huidige fase van het project behoefte is aan flexibiliteit, is een wijziging van het (tijdelijk van het) omgevingsplan van rechtswege noodzakelijk. Aan de hand van onderhavige tijdelijk alternatieve maatregel (TAM) wordt hiervoor een wijziging van het omgevingsplan gedaan via de IMRO-standaard. Op een later moment zal deze wijziging van het omgevingsplan op basis van TAM-IMRO in het geconsolideerde omgevingsplan worden opgenomen door te zijner tijd een nieuwe wijzigingsbesluit te nemen conform de standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD).
Deze toelichting c.q. ruimtelijke motivering met bijbehorende bijlagen dient als onderbouwing en verantwoording van dit planvoornemen om de herinrichting en modernisering van het sportcomplex als 'Open Park Weert' mogelijk te maken qua gebruiks- en bouwmogelijkheden.
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Weert. Het plangebied, in de vorm van het sportcomplex 'Sportpark Boshoven' wordt globaal begrensd door de Ringbaan-West, Odamolenstraat en Suffolkweg Zuid. De (lint)bebouwing aan de Odamolenstraat en Suffolkweg Zuid als mede de locatie van het poppodium De Bosuil maken geen onderdeel uit van het plangebied. In de huidige situatie is het plangebied reeds in gebruik als sportcomplex voor voetbal, honkbal, tennis/padel en binnensporten in de huidige sporthal.
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Weert, sectie N, perceelsnummers 3295, 3828, 3830, 4205, 4493, 4494, 4617, 4618, 5112, 6011,6037, 6241 en 6482 (ged). Het oppervlak van het plangebied bedraagt ongeveer 18 ha.
Ligging plangebied in de bebouwde kom van Weert, gebied Centrum Noord
Begrenzing plangebied (rood omkaderd)
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige en nieuw situatie (planvoornemen: herinrichting en modernisering sportcomplex) omschreven. In hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van rechtswege plaats en wordt inzichtelijk gemaakt wat de strijdigheden zijn. In hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen getoetst aan het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid alsmede het beleid van het waterschap. In hoofdstuk 5 worden alle aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving getoetst. Tot slot worden in hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk de juridische opzet en haalbaarheid, waaronder de omgevingsdialoog en participatie toegelicht.
Tot het begin van de jaren '70 van de vorige eeuw waren Boshoven en Vrakker twee afzonderlijk gehuchten c.q. kerkdorpen in het buitengebied van Weert. Deze werden van Weert 'gescheiden' door de Zuid-Willemsvaart. De gronden rondom Boshoven en Vrakker waren voornamelijk agrarisch in gebruik.
In de jaren '70 van de vorige eeuw werd Vrakker aan de zuidwest kant uitgebreid met een complexgewijze woningbouwontwikkeling en werd de Ringbaan aangelegd. De gronden van het huidige sportcomplex waren toen nog steeds agrarisch in gebruik maar werden wel duidelijk begrensd door de aangelegde Ringbaan en de Zuid-Willemsvaart.
In de jaren '80 van de vorige eeuw werd Vrakker verder complexgewijs uitgebreid met woningbouw en werd het sportcomplex in zijn huidige vorm aangelegd. Het sportcomplex is de afgelopen 40 jaar altijd als zodanig in gebruik geweest. Er hebben zich hierbij geen noemenswaardige veranderingen voorgedaan behoudens dat het poppodium De Bosuil en de sporthal is toegevoegd met de bijbehorende parkeervoorzieningen.
De meest recente aanpassing van het sportcomplex is geweest de aanleg van de padelbanen als aanvulling op de bestaande tennisvelden. Uiteindelijk heeft Boshoven/Vrakker zich ook ontwikkeld tot het huidige woongebied aan de noordzijde van Weert.
In onderstaande afbeeldingen is het ontstaan van Boshoven/Vrakker in de loop der tijd weergegeven.
Historische ontwikkeling van het sportcomplex en de omgeving
De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een aantal te onderscheiden ruimtelijke clusters. Dit betreffen de clusters: woonwijk Oud Boshoven/Vrakker West aan de westzijde, detailhandel en bedrijvigheid aan de noordzijde met daarachter de woonwijk Boshoven, het bedrijventerrein Centrum Noord aan de oostzijde en de lintbebouwing aan de Suffolkweg en het kanaal aan de zuidzijde.
De woonwijk Oud Boshoven/Vrakker West en de detailhandel en bedrijvigheid worden door de Ringbaan-West van het plangebied gescheiden. Hierbij ligt de betreffende woonwijk ook nog achter een geluidswal waardoor er vanuit deze woonwijk geen enkele relatie is met het sportcomplex. De woningen in deze woonwijk betreffen grondgebonden eengezinswoningen in 1, 1,5 en 2 bouwlagen met kap. De detailhandel en bedrijvigheid (Hoogveldstraat) is georiënteerd op de Ringbaan-West en heeft direct zicht op het sportcomplex. De detailhandel en bedrijvigheid bestaat hier uit een meubelzaak, dierenkliniek, drankenhandel, kantoorgebouw (Bospop) en garagebedrijf met showroom. Ondanks het zicht op het sportcomplex is er gezien de tussenliggende ringbaan en de afstand eveneens geen directe relatie met het sportcomplex.
Woningen in Vrakker West (Odahoevestraat)
Detailhandel aan de Hoogveldstraat
Ringbaan-West met rechts de geluidswal en links de bestaande houtsingel van het sportcomplex
Het bedrijventerrein Centrum Noord aan oostzijde is op te delen in twee deelgebieden namelijk de woonbebouwing aan de zijde van de Odamolenstraat/Poorterhof en de daadwerkelijke bedrijvigheid bestaande uit overwegend kantoren. Tevens is aan de Odamolenstraat een aantal woonwagenstandplaatsen gelegen. De woningen aan de zijde van de Odamolenstraat zijn grondgebonden eengezinswoningen in 1 tot 2 bouwlagen al dan niet met kap.
Woonbebouwing Odamolenstraat
Kantoren bedrijventerrein Centrum Noord
Woonwagenstandplaatsen Odamolenstraat/Poorterhof
De lintbebouwing aan de Suffolkweg kent een gedifferentieerd karakter door de aanwezigheid van een oude molen, een perceel met camperplaatsen en een transportbedrijf afgewisseld met woningen. Aan de overzijde van de Suffolkweg is het kanaal Zuid-Willemsvaart gelegen.
Molen aan de Suffolkweg
Camperplaatsen aan de Suffolkweg
Kanaal Zuid-Willemsvaart met woning aan de Suffolkweg
Het plangebied zelf bestaat uit het sportcomplex 'Sportpark Boshoven'. Dit sportcomplex bestaat uit:
Het sportcomplex wordt ontsloten door een insteek (Vrakkerveld) in het verlengde van de Schoutlaan en sluit via de Gouverneurlaan aan op de Ringbaan-Noord. Deze insteek loopt dood bij de accommodatie voor de scheidsrechtervereniging en het honkbalveld. Aan deze insteek zijn de verschillende accommodaties gelegen. Tussen de sporthal en de tennis-/padelbanen c.q. poppodium De Bosuil zijn de noodzakelijke parkeervoorzieningen gelegen.
Huidige sporthal
Huidige voetbalaccommodatie
Huidige tennis-/padelaccommodatie
De inrichting van het sportcomplex heeft een groen karakter. Enerzijds door de sportvelden en anderzijds door de aanwezige groensingels en bomen die de verschillende sportdisciplines van elkaar scheiden. Met name aan de randen van het sportcomplex als overgang c.q. buffer naar de omgeving zijn deze houtsingels met bomen nadrukkelijk aanwezig. Een bijzondere hoek in dit kader is het bestaande groen direct grenzend aan de op-/afrit (Suffolkweg Zuid) naar de Ringbaan-West. Dit groen heeft in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan de functie 'Sport' maar maakt als zodanig geen onderdeel uit van het sportcomplex. Hetzelfde geldt voor het agrarisch perceel aan de Suffolkweg Zuid in aansluiting hierop.
Bestaande houtsingels met bomen op het sportcomplex zelf
Groen ter hoogte van op-/afrit (Suffolkweg Zuid) naar de Ringbaan-West
Agrarisch perceel aan de Suffolkweg Zuid
Voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex zijn de volgende uitgangspunten voor het ontwerp van het sportcomplex gehanteerd:
Dit heeft geresulteerd in een ontwerp voor het sportcomplex dat in de volgende belangrijkste onderdelen anders is dan in de huidige situatie:
Herinrichtingsplan Open Park Weert, Bijlage 1)
Vogelvluchtperspectief
Impressie inrichting openbare ruimte met rechts de nieuwe sporthal
Impressie inrichting parkeerterrein
Zoals hiervoor al is aangegeven wordt de huidige sporthal, de bebouwing van de HangOut en scheidsrechtervereniging gesloopt. De bebouwing (kleedruimten en kantine) van de tennis-/padelbanen blijft gehandhaafd en is voorzien van een passend bouwvlak met een maximum goot-/bouwhoogte van 4 meter. Er wordt voorzien in nieuwe bebouwing op het sportcomplex in de vorm van:
Nieuwe sporthal (binnensportaccommodatie)
De nieuwe sporthal heeft een oppervlakte van ongeveer 7.570 m2 en bestaat uit twee sporthallen en een turnhal. Bij deze hallen wordt voorzien in eveneens drie toeschouwersruimten voor in totaal 1.400 toeschouwers. Daarnaast wordt voorzien in de noodzakelijke kleedruimten met sanitaire voorzieningen en een kantine met bijbehorende voorziening. Tevens wordt in het gebouw voorzien in een ruimte voor het jongenrencentrum de HangOut, bestaande uit onder andere een ontmoetingsruimte.
Omdat het bouwplan voor de sporthal nog niet gereed is, is voor de realisatie van de sporthal een ruim bouwvlak op de verbeelding opgenomen. Dit bouwvlak is ruim genomen zodat nog enigszins geschoven kan worden met definitieve situering van het gebouw, waarbij de aanwezige houtsingels met bomen zijn gerespecteerd. Dit bouwvlak mag volledig bebouwd worden tot een maximale goot-/bouwhoogte van 14 meter. Gezien het programma van eisen voor de sporthal en de kosten die met de realisatie van de nieuwe sporthal zijn voorzien zullen deze bouwmogelijkheden niet volledig worden benut, maar bieden deze bouwmogelijkheden de nodige marges mocht dit nodig zijn.
Gezamenlijke sportaccommodatie buitensporten
Het gebouw als gezamenlijke sportaccommodatie voor de buitensporten bestaat uit 2 bouwlagen. De eerste bouwlaag is grotendeels ondergronds gelegen tot een diepte van ongeveer 2 meter minus maaiveld en 1,2 meter boven maaiveld. Op deze (ondergrondse) eerste bouwlaag komt de 2e bouwlaag. Deze bouwlaag bestaat uit de kantine met bijbehorende voorzieningen. Aan de zijde van het hoofdveld wordt voorzien in terras en tribune. Door de (ondergrondse) eerste bouwlaag ligt het terras met tribune verhoogd zodat er een goed overzicht is over het veld.
Ook hier geldt dat het bouwplan nog niet gereed is. Derhalve is hier ook een ruim bouwvlak opgenomen met een maximum goot-/bouwhoogte van 8 meter.
Gebouw honkbalvereniging
Bij het honkbalveld is een bouwvlak opgenomen van ongeveer 10 bij 10 meter (100 m2) met een maximum goot-/bouwhoogte van 4 meter. Binnen dit bouwvlak is het mogelijk om voor de honkbalvereniging een gebouw te realiseren dat met name bedoeld is voor de opslag van materiaal dat nodig is voor de trainingen/wedstrijden. Gezien de afstand tussen het gebouw als gezamenlijke sportaccommodaties voor de buitensporten is dit noodzakelijk c.q. wenselijk omdat het niet te doen is om de materialen steeds te halen en te brengen van en naar dit gebouw voor de gezamenlijke sportaccommodaties. Tevens kunnen vanuit dit gebouw bij het honkbalveld tijdens wedstrijden eventuele 'versnaperingen' verkocht worden.
Beeldkwaliteit
Ten behoeve van de beeldkwaliteit zijn, middels een beeldkwaliteitsplan 'Gebouwen Open Park' (d.d. 7 augustus 2024,Bijlage 2), richtlijnen opgesteld voor gebouwen, overige bouwwerken en straatmeubilair. Daarvoor zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De plek van de gebouwen in het park bepaalt welke verschijning/uitstraling de gebouwen krijgen.
Oriëntatie in relatie tot omgeving
Verbinding binnen- en buitensfeer en functies
De gebouwen en het sport- en beweegplein (SkillsGarden-plein) moeten elkaar aanvullen en versterken. De werelden moeten in elkaar overlopen. Daarbij moet invulling worden gegeven aan het spanningsveld tussen de werelden ‘Rauw en Puur’ en ‘Natuur en Groen’.
Richtlijnen voor de gebouwen:
Richtlijnen overige bouwwerken en terreinmeubilair:
Net als nu zullen ook in de toekomst (na herinrichting en modernisering) evenementen georganiseerd worden op het sportcomplex. Om te voorkomen dat hiervoor steeds afzonderlijk een omgevingsvergunning moet worden verleend is hiervoor een regeling opgenomen in onderhavig TAM-omgevingsplan. Deze regeling bepaalt dat evenementen alleen ter plaatse van op de verbeelding aangegeven aanduiding 'evenemententerrein' gehouden mogen worden. Dit betreffen het parkeerterrein aan de entree van het sportcomplex, het veld naast het hoofdveld en ten zuiden van het sport- en beweegplein en ter plaatse van de sporthal (binnen).
Voor de evenementen ter plaatse van de aangeduide evenemententerreinen en de sporthal geldt worstcase 6.000 bezoekers. Conform het gemeentelijk evenementenbeleid kunnen maximaal 6 evenementen met geluidbelasting categorie hoog en maximaal 28 evenementen met geluidbelasting categorie laag plaatsvinden. Deze evenementen mogen elk maximaal 3 dagen duren en tussen de evenementen moet een geluidsarme periode van 2 weken zitten. Echter uit de uitgevoerde 'Voortoets stikstof' is gebleken dat, afwijkend van het gemeentelijk evenementenbeleid, bij maximaal 1 groot evenement en 7 kleine evenementen per jaar er geen significante nadelige effecten zijn ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden (zie paragraaf 5.13 en Bijlage 15). Deze aantallen zijn geborgd in de regels.
Om aan te tonen dat het organiseren van buitenevenementen ter plaatse van de aangeduide evenemententerreinen in de buitenlucht voldoen aan de geluidvoorschriften uit het evenementenbeleid van de gemeente Weert is een akoestisch onderzoek evenementenlocatie uitgevoerd (zie paragraaf 5.5.2 en Bijlage 10).
Voor het toestaan van evenementen is een nadere regeling met voorwaarden in de regels, binnen de functie 'Sport', opgenomen op basis waarvan de binnen- en buitenevenementen rechtstreeks (zonder omgevingsvergunning) toegestaan zijn. Daarnaast is het mogelijk om middels een afzonderlijke binnenplanse omgevingsvergunning af te wijken van het aantal evenementen, waarbij het aantal evenementen uit het evenementenbeleid niet overschreden mag worden en aangetoond moet zijn dat daarvoor geen omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit nodig is dan wel dat daarvoor een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit verleend is.
Daarnaast zijn 'evenementen' in de vorm van sporttoernooien op basis van de sportfunctie (sportieve recreatie) en inherent aan een sportcomplex rechtstreeks mogelijk. Deze vallen niet onder de evenementenregeling, maar hiervoor gelden de algemene (geluid)voorschriften uit het omgevingsplan waarbij gebruik gemaakt kan worden van de daarin opgenomen festiviteitenregeling.
De ontsluiting van het sportcomplex blijft voor gemotoriseerd verkeer ongewijzigd. Deze zal nog steeds plaatsvinden vanuit de Ringbaan-Noord, Gouverneurlaan en Schoutlaan. Van daaruit wordt het nieuw in te richten parkeerterrein ontsloten via een inrit en korte insteek. Voor de bussen wordt voorzien in een apart parkeerterrein aan de Suffolkweg, dat ontsloten wordt via de bestaande infrastructuur (Ringbaan-West, Suffolkweg). Vanuit dit parkeerterrein wordt voorzien in een doorsteek voor voetgangers en fietsers naar het sport- en beweegplein.
Bij de herinrichting en modernisering van het sportcomplex is op het sportcomplex zelf gekozen voor organisch vormgegeven brede voet-/fietsverbindingen als drager. Hiermee wordt vanuit het sportcomplex aansluiting gezocht bij de omliggende bebouwing en infrastructuur, in het bijzonder voor het langzame verkeer. De drager van het sportcomplex ('groene loper', het sport- en beweegplein en de groene ontsluiting vanuit de woonwijk Boshoven) is een meer natuurlijke brede fiets-/voetverbinding die de nieuwe parkachtige ruimte organisch verbindt en koppelt aan het netwerk van bestaande omliggende woonstraten. De drager vormt de hoofdroute en heeft een functie als 'langzaam' verkeersas, waaraan alle functies en bewegingsmogelijkheden zijn gekoppeld. Hierbij wordt het goed en veilig verbinden gemaximaliseerd.
De bij het ontwerp van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex kenmerkende deels dubbele, deels vlechtende padenstructuur komt voort uit het mogelijk conflictpotentieel tussen voetgangers en fietsers: vaak jongeren en sporters die van en naar hun sportvereniging gaan. De beoogde padenstructuur is uitermate belangrijk voor de verbindingen binnen het sportcomplex. Door de verschillende type wegen en paden met bijbehorende ondergronden wordt een beweegloop van mensen binnen het sportcomplex gecreëerd die kunnen kiezen tussen verschillende vormen van bewegen zoals fietsen, hardlopen, wandelen, skateboarden, skaten of steppen. Ook zijn de verbindingen c.q. paden geschikt voor de rollator, scootmobiel of rolstoel. Voor de padenstructuur wordt gekozen voor een opsluiting van brede paden met keien. In tegenstelling tot opsluitbanden, welke gebruikelijk zijn langs paden en wegen in woonwijken, geven deze een natuurlijk en optimaal kwalitatief beeld en zorgen ze voor een passende overgang voor de aangrenzende grasvelden en plantstroken.
Voor de herinrichting en modernisering is in het ontwerp optimaal ruimte voor het 'langzaam'verkeer, waarbij het gemotoriseerde verkeer, zoals hiervoor aangegeven, naar het parkeerterrein in de noordoostelijk gelegen rand geleid wordt zonder door het sportcomplex te rijden. Hier is voldoende ruimte om te parkeren. Door enkel het toeleveringsverkeer, hulpdiensten, de vuilophaalsdienst en de houder van een gehandicaptenparkeerkaart te gast toe te laten binnen het sportcomplex biedt de herinrichting en modernisering een veilige en prettige ruimte voor recreërende en bezoekende fietser, de voetganger, senioren en bezoekers met een handicap.
Het plangebied is per openbaar vervoer (bus) bereikbaar via een halte gelegen aan de Gouverneurlaan. Deze bushalte ligt op ongeveer 350 meter loopafstand van de verschillende voorzieningen binnen het sportcomplex.
Het parkeren is opgesplitst in twee terreinen, namelijk in de noordoost hoek van het sportcomplex voor personenauto's en in de zuidwest hoek aan de Suffolkweg voor bussen (zie onderstaande afbeelding). De parkeerplaats voor bussen in de zuidwest hoek wordt voorzien van (gesloten) betonverharding. De overige parkeerplaatsen worden aangelegd met open 'groen' elementenverharding, met uitzondering van enkele stroken die naar verwachting dagelijks/permanent bezet zullen zijn en daarom met een gesloten verharding zullen worden aangelegd.
Situering parkeerterreinen
Minder validen mogen en kunnen in de nabijheid van de verschillende (afzonderlijke) sportaccommodaties parkeren. Op verschillende parkeerplaatsen wordt elektrisch opladen van voertuigen mogelijk gemaakt met de plaatsing van oplaadvoorzieningen.
Het streven is dat zoveel mogelijk mensen met de fiets komen. Dus fietsers worden zo goed mogelijk gefaciliteerd. Het parkeren voor de fiets zal daarom op verschillende locaties binnen het sportcomplex worden gesitueerd. Deze voldoen allemaal aan de kwaliteitseisen veilig fietsparkeren conform normen 'FietsParKeur'. De sporters kunnen de fietsen direct naast het betreffende (club)gebouw zetten. Naast de sporthal zal ook een veilige fietsenstalling worden gerealiseerd.
Het optimaal behouden van de bestaande boomstructuren en individuele bomen is uitgangspunt voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex. De huidige bestaande bomenstructuur is, vanwege klimaatbestendigheid en de potentie om de biodiversiteit te vergroten, van groot belang voor de belevingswaarde van de mens. De reeds bestaande groenstructuur wordt zoveel mogelijk opgenomen in de herinrichting van het sportcomplex. De huidige groenstructuur wordt gevormd door het groen en bomen rondom de omliggende wegen en het kanaal aan de zuidkant en in het sportcomplex zelf door het begeleidende groen rondom de velden en het parkeerterrein. Het ontwerp voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex voegt organische lijnen en structuren toe om te komen tot een sportcomplex dat haar eigen structuur kent. Voor de beoogde nieuwe bomenstructuur worden keuzes gemaakt op basis van klimaatbestendigheid en het vergroten van de biodiversiteit.
De organische hoofdpadenstuctuur (de centrale as) voor fietsers, wandelaars, bewegers en sporters wordt een stevige nieuwe groene drager, deels vorm gegeven met een nieuwe bomenlaan en aangevuld met lager beplanting, heesters en vaste plantenborders. Het beplantingsassortiment wordt tevens gekozen op belevingswaarde, klimaatbestendigheid én de potentie voor het vergroten van de biodiversiteit. Daarbij worden binnen het sportcomplex middels het groen ook meer schaduwplekken gecreëerd. Dit zorgt voor minder hittestress en biedt tevens een extra meerwaarde voor bijvoorbeeld senioren die van de schaduwmogelijkheden kunnen genieten tijdens het verblijf binnen het sportcomplex. Voor alle bomen, zowel nieuw als bestaand, geldt dat deze de ruimte krijgen om zich optimaal te ontwikkelen. Hierdoor vormen de bestaande boomstructuur en het nieuwe groen een stevige nieuwe groenstructuur, ook voor de langere termijn na 2050.
Bomenstructuur binnen het sportcomplex met de bestaande bomen (licht groen), te rooien bomen (rood) en nieuw aan te planten bomen (donker groen), zie tevens Bijlage 3
De paden in het park worden voorzien van bomenlanen. Er is daarbij bewust voor gekozen om de bomen aan de binnenzijde van de nieuwe ruimte te planten. Zo ontstaan er afwisselende schaduw- en zonzones langs de paden. De zuidelijk loopstructuren liggen in de zon, de noordelijke structuren liggen in de schaduw.
De huidige volwassen bomenstructuur is hierbij van grote waarde, voor de beleving, voor de ecologie en de klimaatadaptatie. In dat kader worden ten behoeve van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex een aantal bomen gerooid en worden nieuwe bomen geplant. Dit is gewaarborgd in de regels als onderdeel van de voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het inrichtingsplan. Daarnaast is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het kappen van bomen en vellen van houtwallen.
Tevens worden de noodzakelijke wadi's voor de opvang van het hemelwater op landschappelijke (speelse) manier vormgegeven en zijn zo mede de drager voor de omliggende beplanting en bomen. Deze wadi's worden onder andere in de zuidwest hoek van het sportcomplex als ondiepe laagten aangelegd en vallen binnen korte tijd weer droog (zie tevens paragraaf 5.9.2). De tussenliggende bestaande houtwal/singel wordt hierbij gerespecteerd en behouden en krijgt de functie 'Groen'.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) zijn alle ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, beheersverordeningen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen) van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Deze ruimtelijke plannen maken onderdeel uit van het zogenaamde tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Weert. In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen regels opgenomen voor onderhavig plangebied. Binnen het plangebied waar de herinrichting en modernisering van het sportcomplex is voorzien is hierom het voormalige bestemmingsplan 'Woongebieden 2019' geraadpleegd.
Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Maatschappelijk'en 'Sport' met bijbehorende bouwvlakken ter plaatse van de bestaande bebouwing en de dubbelbestemmingen 'Leiding -Gas', 'Waarde - Archeologie hoog', 'Waarde - Archeologie middelhoog', en Waterstaat - Waterkering'. Tevens zijn de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie, vrijwaringszone - molenbiotoop' en 'vrijwaringszone - vaarweg' van toepassing.
(tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (voormalig bestemmingsplan 'Woongebieden 2019) met plangebied (rode contour)
Het planvoornemen, bestaande uit de herinrichting en modernisering van het sportcomplex, is op een aantal onderdelen in strijd met het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (zie paragraaf 3.3). Om het planvoornemen mogelijk te maken is een wijziging van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege noodzakelijk. Vanwege het ontbreken van een voldoende concreet planvoornemen (alleen voorlopig ontwerp inrichtingsplan) en de gewenste flexibiliteit is hiervoor gekozen in plaats van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
De bestaande gebruiks- en bouwmogelijkheden ter plaatse van het sportcomplex worden met name bepaald door de bestemming 'Sport' met bijbehorende bouwvlakken. Ter plaatse van deze bestemming zijn de gronden bestemd voor_
met daaraan ondergeschikt:
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en opstallen voor
De bouwvlakken zijn 'strak' rondom de bestaande bebouwing gelegd en bieden weinig tot geen uitbreidingsmogelijkheden. Qua bouwregels geldt dat gebouwen binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd tot maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast mag het bouwvlak volledig mogen bebouwd.
Gebouwen van ondergeschikte betekenis en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen ook buiten het bouwvlak maar dienen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd. De totale oppervlakte van een gebouw van ondergeschikte betekening mogen maximaal 150 m2 bedragen met een maximale goot- en bouwhoogte van 3,50 meter.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal 6,00 m bedragen, met uitzondering van:
De dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen leggen met name beperkingen op aan het bouwen en niet zo zeer aan het gebruik van het sportcomplex. Dit ter bescherming van de leiding, het kanaal of archeologische resten (bij bodemingrepen). De aangeduide molenbiotoop betreft een beperking van de toegestane maximum bouwhoogte om de windvang van de molen te waarborgen. De geluidzone ten aanzien van industrielawaai laat geluidgevoelige objecten in de vorm van bijvoorbeeld woningen niet toe in het kader van het waarborgen van het woon- en leefklimaat.
De herinrichting en modernisering van het sportcomplex past voor het overgrote deel binnen de regels van de bestemming 'Sport'. Zeker qua gebruik (sportieve recreatie en ondergeschikte horeca) en de aanleg van de noodzakelijke voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, verkeersvoorzieningen, groenvoorzieningen verhardingen, speelvoorzieningen, evenementen, hondentoiletten, waterlopen en waterpartijen alsmede andere voorzieningen zoals energievoorzieningen.
De strijdigheid met het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege zit met name in de bouwmogelijkheden omdat de bouwvlakken qua begrenzing en toegestane hoogte afgestemd zijn op de bestaande bebouwing. Voor de verplaatsing en bouw van de binnensportaccommodatie, de bouw van de sportaccommodatie voor de buitensport en de bouw van het gebouw voor de honk- en softbalvereniging wordt voorzien in nieuwe bouwvlakken met bijbehorende maatvoering.
Tevens worden de locaties voor de evenementen binnen het sportcomplex nader aangeduid en aangegeven onder welke voorwaarden evenementen ruimtelijk gezien rechtstreeks, zonder omgevingsvergunning, toegestaan zijn. In het verleden werden evenementen reeds totestaan maar moest hiervoor steeds een afzonderlijke vergunning worden aangevraagd.
Bij ieder planvoornemen vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan Rijks- Provinciaal en gemeentelijk beleid ontstaat er een duidelijk beeld van de marges waarbinnen de wijziging van het omgevingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de evenwichtige toedeling van functies aan locatie in relatie tot het relevante (planologisch) beleid.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door het gevoerde en vastgestelde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk voor de wijziging van het omgevingsplan
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is door het Rijk opgesteld in het kader van de Omgevingswet. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de lange termijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes:
Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verder ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naartoe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren. Een belangrijk aspect van de NOVI betreft daarnaast het creëren van prettige woonmilieu's (prioriteit 'Sterke en gezonde steden en regio's'). Hierbij wordt vooral gestuurd op inbreiding in plaats van uitbreiding.
Het waarborgen van het noodzakelijk en benodigd voorzieningenniveau is hierbij van cruciaal belang. Hieronder valt ook het herinrichting en moderniseren van een verouderd sportcomplex uit de jaren '80 van de vorige eeuw. Het sportcomplex zal hiermee weer voldoen aan de wensen en eisen van deze tijd, zodat daarmee het benodigde voorzieningenniveau op het gebied van sport voor de gemeente Weert op peil blijft. Dit draagt bij aan een sterke en gezonde stad in de regio.
Daarnaast voorziet het sportcomplex zowel in de huidige situatie als in de nieuwe situatie (na herinrichting en modernisering) in combinatie van functies en draagt het bij aan de gezondheid van de inwoners van Weert omdat zij hier zowel georganiseerd als ongeorganiseerd kunnen bewegen. Door de herinrichting en modernisering krijgt het sportcomplex, meer als nu, een open karakter en nodigt het uit tot ontmoeten en bewegen.
Tot slot kan gesteld worden dat het een reeds bestaand sportcomplex binnen de bebouwde kom van Weert grenzend aan de Ringbaan van Weert betreft. Er is hierbij géén sprake van de aanleg van een nieuw sportcomplex maar enkel en alleen van herinrichting en modernisering van dit bestaande sportcomplex.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving , het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om het omgevingsplan te wijzigen of een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatswerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder :
In hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor het voorliggend planvoornemen, worden deze regels in hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld.
In het bijzonder is verder op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving de volgende gebiedsaanwijzing van toepassing: uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra. Echter met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex wordt niet voorzien in de realisatie van hyperscale datacentra. Het betreft enkel en alleen de herinrichting en modernisering van een bestaand sportcomplex zodat dit weer voldoet aan de wensen en eisen van deze tijd.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het planvoornemen in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.
De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling, die ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex is geen sprake van het aanleggen van een nieuw sportcomplex. Het betreft enkel een bestaand en verouderd sportcomplex dat heringericht en gemoderniseerd wordt zodat het weer voldoet aan de wensen en eisen van deze tijd. Het gebruik blijft daarbij in de basis hetzelfde. Daarnaast is dit bestaande sportcomplex gelegen binnen de bebouwde kom van Weert.
Er is met de herinrichting en modernisering van het bestaande sportcomplex dan ook géén sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde en de kwalitatieve/kwantitatieve behoefte hoeft verder dan ook niet aangetoond te worden. Wel kan gesteld worden dat met de herinrichting en modernisering sprake is van een kwaliteitsverbetering van het bestaande sportcomplex, zodat het daarmee weer een toekomstbestendig sportcomplex wordt.
In oktober 2021 hebben de Provinciale Staten de 'Omgevingsvisie Limburg' vastgesteld. Hierin is een lange termijnvisie beschreven, waarin wordt vooruit geblikt richting 2030-2050. De Provincie geeft hierin aan hoe toekomstbestendige ontwikkelingen gaan plaatsvinden en hoe daarbij steeds de balans wordt gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.
De Omgevingsvisie gaat uit van het zoeken naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin wordt geleefd, gewoond, gewerkt, geleerd en waar vrije tijd wordt besteed. Limburg kiest voor maatwerk en houdt rekening moet het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Limburg stelt een drietal hoofdopgaven:
De drie hoofdopgaven worden ten alle tijden ondersteund door de Limburgse principes:
De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied en steden is dus belangrijk. Een aantal kernen c.q. steden vervullen op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.
Limburgse steden en dorpen moeten ook in de toekomst een aantrekkelijke en leefbare thuisbasis voor de inwoners zijn. De Limburgse steden en dorpen krijgen de komende decennia dan ook te maken met grote gecompliceerde vraagstukken en transities. Bij veel vraagstukken in het bebouwd gebied geldt dat de overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen oplossingen moeten vinden. Een belangrijke rol ligt hiervoor bij de gemeenten. Een toenemend aantal vraagstukken overstijgt echter het lokale niveau en vraagt om gezamenlijk optrekken van gemeenten in regionaal verband.
Compacte steden en dorpen blijven het uitgangspunt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk een plek krijgen binnen het bebouwde gebied. Dit om de diversiteit tussen stad/dorp en land, tussen dynamisch en rustig wonen, werken en recreëren als kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden. Daarbij is aandacht voor compacte binnensteden/dorpen, het behouden van basisvoorzieningen en leefbaarheid.
Ten aanzien van het thema gezondheid(szorg) is aangegeven dat er vanuit de provincie geen directe wettelijke taken aan de orde zijn, maar gelet op de schaal van de gesignaleerde opgaven en de samenhang pakt de provincie onder andere een autonome coördinerende rol. Bij provinciale opgaven neemt de provincie gezondheid steeds vanuit de brede definitie als uitgangspunt mee. De brede definitie van gezondheid gaat uit van de gezondheid van groepen en/of de gezondheid binnen gebieden. Daardoor is het gemakkelijker om vraagstukken op lokaal, regionaal en provinciaal niveau te benaderen.
Een sportcomplex dat voldoet aan de wensen en eisen van deze tijd is een belangrijke basisvoorziening voor Weert. Hiermee wordt bijgedragen aan een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving. Om hierin te kunnen voorzien is de herinrichting en modernisering van het sportcomplex noodzakelijk om daarmee de sportvoorzieningen in Weert kwalitatief op peil te houden. Daarnaast wordt ook voorzien in een klimaatadaptieve omgeving en wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie. Enerzijds door verouderde bebouwing te vervangen door nieuwbouw (gasloos) en anderzijds door het volledig afkoppelen van het hemelwater binnen het plangebied. Ook wordt door de (extra) groene inrichting van het sportcomplex eventuele hittestress tot een minimum beperkt.
Momenteel is er een nieuwe provinciale omgevingsvisie (ontwerp) in voorbereiding. Hierin maakt het sportcomplex nog steeds onderdeel uit als 'stedelijk gebied' en is de stad Weert tevens onderdeel van 'Limburg Centraal'. 'Limburg Centraal' voert verder dan het toevoegen van woningen aan het stedelijk gebied alleen. Het gaat om het realiseren van aantrekkelijke stedelijkheid, een mix van wonen en werken. Zo is het doel om de steden sterker te maken om als samenhangend stedelijk netwerk te functioneren. Het is ook een katalysator voor sociaaleconomische herwaardering en revitalisering van het grotere stedelijk gebied en de regio als geheel. Hier draagt een modern sportcomplex ook voor een belangrijke mate aan bij.
De Omgevingsvisie, zoals beschreven in voorgaande paragraaf, vormt het beleidskader voor het provinciaal ruimtelijk beleid. Het juridische kader voor dit beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg. De verordening vormt derhalve een belangrijk uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren. Hieronder worden puntgewijs de artikelen die van toepassing zijn op het plangebied toegelicht.
Stedelijk gebied
Het bestaande sportcomplex is gelegen binnen stedelijk gebied. Dit houdt in dat er een instructieregel geldt voor het toevoegen van vestigingsmogelijkheden vrijetijdseconomie (artikel 12.6). In deze instructieregel is bepaald dat: een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toelaat, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg.
Echter in onderhavige situatie is enkel sprake van het herinrichten en moderniseren van een bestaand sportcomplex waarbij géén sprake is van de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad. Het ruimtebeslag van het sportcomplex wordt niet uitgebreid. Enkel de verouderde bebouwing van de sporthal en de sportaccommodatie voor de buitensporten wordt vernieuwd zodat deze voldoet aan de wensen en eisen van de sportvereniging en duurzaam (gasloos, afgekoppeld) is.
Roerdalslenk III
De ligging van het sportcomplex binnen de Roerdalslenk houdt in dat het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone III van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, derde lid valt en dat dieper ligt dan 80 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten (artikel 4.16).
Met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex, inclusief nieuwbouw, vinden er geen bodemingrepen plaats die dieper gaan dan 80 meter beneden maaiveld. Ook wordt er geen bodemenergiesysteem aangelegd binnen het bestaande sportcomplex.
Overstromingsgebied E
Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde (artikel 3.1). Deze omgevingswaarde is een inspanningsverplichting voor het waterschap. Het waterschap voldoet uiterlijk in 2035 aan deze inspanningsverplichting.
Gezien de hoogteligging van het plangebied (gemiddeld) + 34 meter NAP en de afstand tot de grote rivieren en eventuele andere waterlopen is de kans op een eventuele overstroming nihil.
Klimaatadaptatie
In dit artikel (artikel 3.5) is opgenomen dat een planvoornemen dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte) te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
Hierin wordt voorzien door het sportcomplex duurzaam in te richten en duurzame bebouwing te realiseren (gasloos, evt. zonnepanelen, goede isolatie) en de bebouwing en verharding volledig af te koppelen en het hemelwater binnen het plangebied op te vangen en te infiltreren, conform de richtlijnen van de gemeente en het waterschap. Tevens wordt voorzien in de aanleg van het nodige groen waardoor sprake is van een klimaatadaptieve omgeving.
In de waterschapsverordening van het Waterschap Limburg staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in het werkingsgebied van Waterschap Limburg. Met deze regels worden dijken, watergangen en grondwaterstanden beschermd. Zo mogen bepaalde activiteiten bij oppervlaktewater, watergangen of waterkeringen allen als melding wordt gedaan of een vergunning wordt aangevraagd.
Voor activiteiten die van invloed zijn of kunnen zijn op oppervlaktewateren, watergangen of waterkeringen gelden de volgende specifieke doelcriteria:
Uitsnede legger Waterschap Limburg met daarop het plangebied aangegeven met een rode cirkel
Op basis van de legger van het Waterschap Limburg kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet gelegen is in de nabijheid van oppervlakte water, watergangen dan wel waterkeringen met een beschermingszone vanuit het waterschap. Wel ligt aan de zuidkant van het plangebied de Zuid-Willemsvaart met bijbehorende zonering (waterkering en vrijwaringszone)
De dichtstbijzijnde watergang die vanuit het waterschap van belang is loopt ten westen en zuiden van het plangebied door de wijken Boshoven en Keent/Moesel. De afstand tussen deze watergang en het plangebied is dermate groot dat de belangen niet worden geschaad met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex.
Wel wordt de huishoudkundige situatie ter plaatse van het sportcomplex met de herinrichting en modernisering kwalitatief verbeterd door het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verharding volledig af te koppelen en binnen het plangebied te infiltreren. Hiervoor wordt voorzien in een bergingseis van 100 mm per m2 bebouwing/verharding. Hiervoor zullen de noodzakelijke hemelwatervoorzieningen met voldoende bergingscapaciteit binnen het plangebied worden aangelegd en er wordt geen hemelwater op het oppervlaktewater geloosd
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2022-2027 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij: voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.
Met name klimaatadaptatie is relevant in het kader van het planvoornemen, met als relevant uitgangspunt: elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verhardingen binnen het plangebied moet dan ook afgekoppeld worden en op eigen terrein geïnfiltreerd worden.
De waterschapsverordening (zie paragraaf 8.2.1) is de opvolger van de keur na de (recente) inwerkingtreding van de omgevingswet. Hierin zijn alle regels die het waterschap binnen haar beheersgebied stelt over de fysieke leefomgeving opgenomen. In paragraaf 1.2.1 van de waterschapsverordening heeft het algemeen bestuur van het waterschap doelcriteria vastgesteld. Deze criteria zijn bepalend voor de vraag of een handeling in het watersysteem kan worden toegestaan of niet. Het dagelijks bestuur heeft deze doelcriteria voor concrete situaties uitgewerkt in stroomschema's, vastgelegd in het document 'Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019'. De uitvoeringsregels bestaan uit stroomschema's toelichting op de zorgplicht, vergunningplicht, algemeen verbod en algemene regels met bijbehorende toelichting. Voor het planvoornemen is in dit kader van belang de gestelde bergingseis van 100 mm waaraan voldaan dient te worden voor de opvang van het hemelwater om dit vervolgens te infiltreren in de bodem.
In 2021 is de 'Strategische visie Werken aan Weert 2030' vastgesteld. In deze visie is het streefbeeld voor Weert in 2030 geschetst. Op basis hiervan worden de volgende waarden nu en in 2030 belangrijk gevonden:
Mensen in Weert anno 2030 zijn erg tevreden over het woongenot, het groen, de culturele agenda, de kwaliteit van voorzieningen, de diversiteit aan werkgelegenheid in Weert en erbuiten, de goede bereikbaarheid en vooral ook de veiligheid en het warme, sterke en uitnodigende sociale weefsel. Zorgvoorzieningen, inclusief een ziekenhuis, zijn voorhanden in Weert, evenals heel wat preventieprogramma’s en –voorzieningen gericht op gezondheid en welzijn (gezond en bewust leven, bewegen etc.).
Vooral in de gezonde buitenlucht zijn er volop voorzieningen en plekken om zich te laten vermaken. In de gemeente ontbreekt het bovendien niet aan eigentijdse sportvoorzieningen. Niet alleen binnensport is er, ook sport in het groen. Vooral de buitensport heeft een impuls gekregen. Er wordt veel belang gehecht aan de fysieke en mentale gezondheid van de Weertenaar. Bewegen is daarvoor een belangrijk speerpunt.
De herinrichting en modernisering levert in dat kader een belangrijk bijdrage met het op peil houden van de sportvoorzieningen in Weert. Het geeft vooral een impuls aan de buitensport.
De nieuwe omgevingsvisie voor Weert is in juni 2024 vastgesteld. Deze visie vloeit voort uit de hiervoor omschreven strategische visie. Maar geldt niet voor alle thema's, onderwerpen en ambities uit de strategische visie. Deze omgevingsvisie moet dienen als 'onderlegger' voor het nog te ontwikkelen omgevingsplan en - programma's. Er worden daarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd. Deze uitgangspunten zijn de focus en richting bij het realiseren van de doelen van de gemeente Weert:
In de omgevingsvisie Weert is voor onderhavig sportcomplex, als onderdeel van deelgebied Weert-Noord, expliciet aangegeven dat het sportcomplex wordt opgeknapt en toekomstbestendig gemaakt. Er is daarbij ruimte voor evenementen. De verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling van de Ringbaan-Noord wordt verbeterd, waarbij ingezet wordt op een ongelijkvloerse kruising voor langzaamverkeer.
Beleid ten aanzien van de fysieke leefomgeving en milieu wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van dit beleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.
Voor verkeer en parkeren is er geen wettelijk kader. Wel dient bij een ruimtelijke ontwikkeling verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. De ontsluiting, verkeersgeneratie en parkeerbehoefte is daarbij van belang. Hierdoor worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan en kan de realisatie voor parkeerplaatsen in voldoende mate worden geborgd. Hiervoor is gebruik gemaakt van de richtlijnen uit de CROW ten aanzien van de verkeersgeneratie en de parkeernormen uit de parkeernota van de gemeente Weert
Verkeer
Om de verkeersgeneratie en -afwikkeling als gevolg van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex inzichtelijk te maken is een memo 'Onderzoek verkeer en parkeren'opgesteld (Kragten, d.d. 23 december 2024, Bijlage 4). Hierin is bepaald dat de verkeerstoename als gevolg van de beoogde herinrichting en modernisering van het sportcomplex 388 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Zoals in paragraaf 2.2.4.1 aangegeven zal deze toename afwikkelen via Vrakkersveld, Schoutlaan en Gouverneurlaan van/naar het hoofdewegennet (Ringbaan-Noord). Deze toename zal op piekmomenten merkbaar zijn, maar is dermate beperkt dat deze naar verwachting niet leidt tot afwikkelingsproblemen op het omliggende wegennet.
Parkeren
In dezelfde memo is ook de parkeersituatie in de huidige situatie en toekomstige situatie inzichtelijk gemaakt. Hiervoor is eerst een parkeerdrukmeting uitgevoerd. Uit deze meting blijkt dat de huidige parkeercapaciteit niet voldoet aan de vraag tijdens piekmomenten. Er zijn momenteel namelijk 233 parkeerplaatsen aanwezig en op het drukst gemeten piekmoment blijkt dat er een parkeerbehoefte is van 324 parkeerplaatsen om de vraag naar behoren te kunnen opvangen.
Daarnaast wordt met de beoogde herinrichting en modernisering van het sportcomplex ten opzichte van de huidige situatie een aantal functies toegevoegd. Er wordt namelijk een tennisbaan en 1.050 m2 bvo aan padelbanen toegevoegd. De bestaande sporthal wordt in de vorm van een nieuwe sporthal uitgebreid met onderveer 3.010 m2 bvo. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 96 parkeerplaatsen.
Hiermee komt de totale parkeerbehoefte op 420 parkeerplaatsen (324 + 96 parkeerplaatsen). In het kader van de herinrichting wordt voorzien in de aanleg van 420 parkeerplaatsen. Hiermee wordt de huidige piekbehoefte en de extra parkeerbehoefte als gevolg van de extra functies in voldoende mate opgevangen. Het planvoornemen leidt naar verwachting dan ook niet tot knelpunten met betrekking tot parkeren. Op eigen terrein wordt in voldoende mate voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Op basis van voorgaande toetsing en bevindingen kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering is en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij een wijziging van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal).
Ten behoeve van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex is dan ook een verkennend bodem-, asfalt en infitratieonderzoek uitgevoerd (Anteagroup, projectnummer 0435500.00, d.d. 19 december 2018, Bijlage 5). De resultaten van het verkennend onderzoek is onder te verdelen in de volgende onderdelen:
Asfalt
Er is een asfaltonderzoek uitgevoerd bij het voormalige handbalveld (thans padelbanen), Vrakkerveld, de parkeerplaats en de fietspaden binnen de onderzoekslocatie. De asfaltverharding bij het handbalveld is 17 à 20 cm dik en is geschikt voor hergebruik. De asfaltverharding van de Vrakkerveld is 12 à 15 cm dik. De toplaag tot circa 3 cm is teerhoudend, de onderlaag is geschikt voor hergebruik. De asfaltverharding bij de parkeerplaats is wisselend van dikte. Een groot gedeelte is 3 à 5 cm dik en plaatselijk 9 à 12 cm dik. De asfaltverharding bij het fietspad bedraagt 6 à 8 cm. Op basis van de analyses is het asfalt heterogeen van samenstelling en voor het overgrote deel teerhoudend.
Grond
In de zintuiglijk schone grond zijn in het algemeen geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond en plaatselijk zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, kwik en/of lood in de zintuiglijk schone grond aangetoond.
Plaatselijk is onder de asfaltverharding een laag Stol (Stol is een mengsel van zand, grind en leem wat vooral gebruikt wordt voor funderingen ) aanwezig al dan niet met bijmengingen aan bodemvreemde materialen. Hierin zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen, PAK, PCB’s en/of minerale olie aangetoond.
In de sporen baksteenhoudende grond zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen aangetoond.
In een van de puinhoudende mengmonsters is een sterk verhoogd gehalte aan zink en licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper, lood en minerale olie aangetoond. Na separate analyses van de deelmonsters van dit puinhoudende mengmonsters, blijkt dat enkel in de sterk puinhoudende bovengrond (boring 170) een verhoogd gehalte aan zink aanwezig is dat de interventiewaarde overschrijdt.
De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst. Hieruit blijkt dat de zintuiglijk schone grond en de grond met hierin sporen baksteen indicatief voldoen aan de kwaliteitsklassen variërend van 'AW2000' tot 'Industrie. De bodemlaag met Stol en hierin al dan niet bijmengingen met bodemvreemde materialen is geclassificeerd als ‘Niet toepasbaar > klasse ‘Industrie’’ en de sterk puinhoudendebodemlaag als ‘Niet toepasbaar > interventiewaarde’.
Grondwater
In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties aan enkele zware metalen en/of xylenen aangetoond. De overige onderzochte stoffen zijn niet aangetoond in verhoogde concentraties.
Bodemvreemd materiaal
Plaatselijk is gebroken asfalt waargenomen direct onder de asfaltverharding en plaatselijk een uiterst puinhoudende laag. Deze lagen bestaan uit > 50% bodemvreemde materialen, waardoor geen sprake meer is van bodem. Het materiaal is getoetst als een niet-vormgegeven bouwstof. De organische parameters van deze lagen zijn getoetst aan de samenstellingswaarden voor een nietvormgegeven bouwstof waaruit volgt dat deze hieraan voldoen.
Infiltratieonderzoek
Op basis van de infiltratieproeven zijn k-waarden vastgesteld in de verzadigde en onverzadigde bodem variërend tussen 0,3 en 1,9 m/dag, hetgeen overeenkomt met matig tot goed doorlatende bodem.
Toetsing hypothese
De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' wordt verworpen, omdat plaatselijk verhoogde gehalten in de grond en verhoogde concentraties in het grondwater zijn aangetoond.
De onderzoeksresultaten geven formeel aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek, omdat plaatselijk de interventiewaarde is overschreden. De zinkverontreiniging ter hoogte van de Suffolkweg is zeer aannemelijk het gevolg van het voormalige gebruik van zinkassen. Indien de locatie ter plaatse van de sterke zinkverontreiniging deel uit maakt van de herinrichting, wordt geadviseerd dit deel van de locatie nader te onderzoeken.
Binnen het plangebied zijn plaatselijk bijmengingen met puin waargenomen. Ongedefinieerde bijmengingen met puin zijn in principe ‘asbestverdacht’. Deze bijmengingen geven aanleiding tot het uitvoeren van een verkennend asbestonderzoek. Indien tijdens de reconstructie en de herinrichting grond of bouwstoffen (funderingsmateriaal) vrijkomt en wordt afgevoerd voor toepassing elders, volstaan de resultaten van het verrichte bodemonderzoek wellicht niet. Het voorliggend onderzoek doet geen definitieve uitspraak over de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond of de verhardingsmaterialen.
Er dient onder meer rekening te worden gehouden met teerhoudend asfalt afkomstig uit de parkeervakken en fietspaden. Het asfalt van het handbalveld is geschikt voor hergebruik. Na het frezen van de toplaag (3 cm) is ook het asfalt van de Vrakkerveld formeel geschikt voor hergebruik.
Bij het bepalen van de infiltratiemogelijkheden en de locatie(s) wordt geadviseerd om rekening te houden met de situering van matig en goed doorlatende bodemlagen binnen het plangebied.
Als uitbreiding en in aanvulling op voorgaand verkennend onderzoek is aanvullend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Milieutechnisch Adviesbureau Heel, projectnummer 140.22.0335/R1, d.d. 12 juli 2023, Bijlage 6). Op basis van dit aanvullende onderzoek wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied sprake is van een tweetal gevallen van ernstige bodemverontreiniging (criterium is > 25 m3 sterk verontreinigde grond). Beide verontreinigingen worden op basis van de beschikbare informatie uit het vooronderzoek als historisch gezien.
Gehalten metalen en/of PCB (PCB alleen locatie B) groter dan interventiewaarde
Beide locaties binnen het plangebied dienen gesaneerd te worden. Deze saneringswerkzaamheden dienen door een erkend bedrijf te worden uitgevoerd.
Dit onderzoek (Milieutechnisch Adviesbureau Heel, projectnummer 140.25.0112/R1, d.d. 2 mei 2025, Bijlage 7) betreft een uitbreiding van eerder bodemonderzoek dat ter plaatse van het sportpark is uitgevoerd. Aanleiding voor het onderzoek betreft het opschonen / verdiepen van een watergang rondom een deel van het sportpark en de mogelijke realisatie van een waterberging binnen het park. Deze dit deel van het plangebied is in het eerder bodemonderzoek niet of maar ten dele onderzocht.
Uit dit onderzoek is voor dit deel van het plangebied gebleken dat er ter plaatse van de mogelijke waterberging rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van sterk verontreinigde grond (zink en/of koper) in de bodemlaag van 0,0 tot tenminste 0,7 meter minus maaivel. Uit te voeren graafhandelingen binnen dit deel van het plangebied vallen volgens de Omgevingswet onder de milieubelastende activiteit 'graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde'. Hiervoor geldt een meldingsplicht via het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). De meldingstermijn bedraagt 4 weken. De graafwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd in de basishygiene.
De overige graafhandelingen binnen dit deel van het plangebied vallen volgens de Omgevingswet onder de milieubelastende activiteit 'graven in de bodem met een kwaliteit onder de interventiewaarde'. Hiervoor geldt een informatieplicht 1 week voorafgaand aan de graafwerkzaamheden ook via het DSO.
Omdat op basis van voorliggend onderzoek een groot gebied (binnen deel waterberging) als sterk verontreinigd dient te worden aangemerkt is het advies om nader onderzoek uit te laten voeren om de verontreiniging in horizontale of verticale richting nauwkeuriger in beeld te brengen. Dit zal ten behoeve van de uiteindelijk realisatie worden uitgevoerd. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.
Tevens is (aanvullend) nog een verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de huidige parkeerplaats uitgevoerd ((Milieutechnisch Adviesbureau Heel, projectnummer 140.24.0071/R1, d.d. 22 juli 2024, Bijlage 8). Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat in bodem er geen sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde/restconcentratienorm voor asbest. Nader onderzoek is gezien de aangetroffen concentraties dan ook niet van toepassing. De resultaten van het onderzoek vormen voor wat betreft asbest geen beperking ten aanzien van (eventueel) uit te voering herinrichtings- c.q. graafwerkzaamheden
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem voor het grootste deel van het plangebied geen belemmering vormt met uitzondering van twee locaties die gesaneerd moeten worden door een erkend bedrijf. Na sanering van deze locaties is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het geluid in de fysieke leefomgeving wordt bepaald door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In dit kader zijn railverkeerslawaai en industrielawaai niet aan de orde omdat het plangebied niet gelegen is binnen respectievelijk een geluidaandachtsgebied voor railverkeer en een geluidaandachtsgebied voor industrielawaai. Het plangebied is wel gelegen bij geluidaandachtsgebieden voor gemeentelijke wegen en provinciale wegen. Echter er wordt met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex niet voorzien in (nieuwe) geluidsgevoelige objecten. Derhalve is wegverkeerslawaai ook niet aan de orde.
Daarnaast moet onder de omgevingswet aangegeven worden hoe omgegaan dient te worden met indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer.
Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer
In paragraaf 5.1.4.2a.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangegeven hoe omgegaan dient te worden met indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer. Dit is van toepassing op het geluid van gemeentewegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen. In Artikel 5.78af is aangegeven hoe de beoordeling van indirecte akoestische effecten dient plaats te vinden.
Artikel 5.78af
Een omgevingsplan dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een weg of spoorweg voorziet erin dat het geluid door die weg of spoorweg op geluidsgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit. De toename van het geluid wordt bepaald door de situatie in een voor die weg of spoorweg maatgevend jaar na wijziging te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder wijziging.
Een omgevingsplan kan erin voorzien dat het geluid met meer dan 1,5 dB toeneemt als:
Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijk of technische aard bestaan.
Als de geluidbelasting meer dan 1,5 dB toeneemt dient eveneens het gecumuleerde geluid op het geluidsgevoelige gebouw beschouwd te worden.
Om inzichtelijk te maken wat de indirecte akoestische effecten zijn van veranderend verkeer is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Aelmans, rapportnummer ROM240003.001.004/JME, d.d. 15 mei 2025, Bijlage 9). In dit onderzoek is aangegeven dat indirecte akoestische effecten enkel beschouwd dienen te worden bij wegen met een etmaalintensiteit van 1.000 motorvoertuigen. Een toename van 388 voertuigbewegingen op deze wegen leidt tot een geluidtoename van 10*LOG(1388/1000) = 1,4 dB. Op basis hiervan kan gesteld worden dat ongeacht de verkeersintensiteiten op omliggende wegen geen sprake is van indirecte akoestische effecten aangezien de toename minder is dan 1,5 dB.
Ten aanzien van geluid kan gesteld worden dat wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai niet aan de orde zijn. Binnen het plangebied worden namelijk geen (nieuwe) geluidsgevoelige objecten opgericht. Wel zijn de indirecte akoestische effecten beschouwd als gevolg van de verwachte toename van het verkeer van en naar het sportcomplex. Hoewel er een toename is van het verkeer op de omliggende wegen blijven deze effecten ten alle tijde onder de grens van 1,5 dB.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering in de vorm van een richtafstand. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk (nog steeds) gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar). Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
In onderhavig geval kan gesteld worden dat de aangrenzende woningen aan de Odamolenstraat en Suffolkweg aangemerkt kunnen worden als een rustige woonwijk, maar er ook reeds sprake is van een bestaande situatie waarbij het bestaande sportcomplex enkel en alleen heringericht en gemoderniseerd wordt.
Een sportcomplex, met veldsport en tennisbanen met verlichting, betreft een hinderveroorzakend object en wordt aangemerkt als een milieucategorie 3.1 bedrijf met een maximale richtafstand van 50 meter (op basis van geluid). Het bestaande sportcomplex wordt heringericht. Er is daarom als gevolg van de herinrichting en modernisering van het bestaande sportcomplex alleen gekeken naar de effecten van de wijzingen. Dit heeft met name effect op de direct aangrenzende woningen aan de Odamolenstraat en de Suffolkweg omdat de woningen aan de overzijde van de Ringbaan op meer dan 50 meter zijn gelegen en daarnaast nog grotendeels zijn afgeschermd door een geluidwal dan wel bestaande bebouwing.
De situering van de voetbalvelden ten opzichte van de woningen aan de Odamolenstraat en Suffolkweg wijzigt in beperkte mate. De voetbalvelden worden richting de woningen aan de Suffolkweg verplaatst om de benodigde ruimte voor de padenstructuur en parkeerterrein te vegroten en daarmee efficiënt ruimtegebruik te vergroten. Deze 'verschuiving' varieert tussen de 0,44 meter en 6,68 meter dat de voetbalvelden dichter bij de perceelsgrens van de woningen komt te liggen. Ook worden de nieuw aangelegde voetbalvelden voorzien van nieuwe en moderne verlichtingsarmaturen met actuele LED-verlichting. Uit onderzoek is gebleken dat met deize nieuw en moderne verlichting geen lichthinder naar de omgeving gaat ontstaan.
Lichthinder voetbalvelden op basis van nieuwe (actuele LED) verlichting (blauw geen lichthinder)
Door de sloop van de huidige sporthal komt de uitbreiding van het parkeerterrein dichter bij de bestaande woningen aan de Odamolenstraat te liggen. Tevens wordt aan de Suffolkweg Zuid een parkeerterrein voor bussen en vrachtwagens aangelegd. Om aan te tonen dat het woon- en leefklimaat van nabij gelegen woningen gewaarborgd blijft is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Aelmans, rapportnummer ROM240003.001.004/JME, d.d. 15 mei 2025, Bijlage 9 ). Dit akoestisch onderzoek toont aan dat zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als het maximale geluidniveaus voldoet aan de daarvoor geldende geluidgrenswaarden.
Volledigheidshalve is voor de woningen aan de Odamolenstraat nader onderzocht wat het mogelijke effect zou zijn van een geluidscherm of grondwal van twee meter hoogte tussen de uitbreiding van de parkeerplaats en de betreffende woningen (nummer 16 en 18). Uit de resultaten blijkt dat het effect van het beschouwde geluidscherm beperkt is tot 1 dB. Een geluidscherm op deze positie is daarmee niet als doeltreffend aan te merken. Het geluidscherm biedt onvoldoende effect van de voertuigbewegingen op, van en naar het parkeerterrein.
Tot slot zijn ook de geluidseffecten van de buitenevenementen ter plaatse van de aangeduide evenemententerreinen akoestisch inzichtelijk gemaakt (Aelmans, rapportnummer, ROM240003.001.003/JME, d.d. 15 mei 2025, Bijlage 10). Hieruit is gebleken dat in de toekomstige situatie met twee podiums kan worden voldaan aan de geluidvoorschriften zoals vastgelegd in het ‘Uitvoeringsbeleid evenementen gemeente Weert’. De berekeningen hebben aangetoond dat de geluidbelasting op de gevels van omliggende geluidgevoelige gebouwen binnen de toegestane voorschriften blijft.
De voorgestelde podiumopstellingen laten een evenwichtige geluidsverdeling zien die geen onaanvaardbare geluidshinder veroorzaakt in de directe omgeving. Dit geldt voor zowel de noordoostelijke als de zuidwestelijke evenementenlocatie, waarbij de cumulatieve geluidbelasting van beide podiums in de berekeningen is meegenomen.
De gemeente Weert kan hiermee verder met de planning en uitvoering van de evenementenlocatie, met inachtneming van de akoestische randvoorwaarden om geluidsoverlast te minimaliseren.
Als gevolg van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex zijn de (geluids)effecten van de wijzigingen, zijnde de parkeerterreinen en het houden van evenementen, onderzocht. Deze worden akoestisch inpasbaar geacht. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omgeving en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De luchtkwaliteit wordt bepaald door de aanwezigheid van luchtverontreinigende stoffen. Een slechte luchtkwaliteit kan een gezondheidsklachten tot gevolg hebben en schade aanrichten aan de natuur (zie ook stikstof hierboven). Stoffen die in Nederland vooral belangrijk zijn voor het bepalen van de luchtkwaliteit zijn fijnstof en stikstofdioxide.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect.
In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijn stof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.
De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).
Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.
Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Het planvoornemen maakt de realisatie van een woonwijk mogelijk, deze activiteit valt onder de standaardgevallen:
Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal:
Op voorhand kan gesteld worden dat het sportcomplex in de huidige en toekomstige situatie minder verkeer genereert dan een woonwijk van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg dan wel een woonwijk van 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. Op basis hiervan kan al geconcludeerd worden dat de herinrichting en modernisering van het sportcomplex NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Om te bepalen of de herinrichting en modernisering van het sportcomplex NIBM is, is daarnaast een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Met deze rekentool wordt het effect van de toename van verkeersbewegingen ten gevolge van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex inzichtelijk gemaakt. De toename van de verkeersgeneratie is gebaseerd op basis van de memo onderzoek verkeer en parkeren. Op basis hiervan blijkt dat de verkeerstoename 388 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Daarnaast wordt het aandeel vrachtverkeer op basis van de huidige situatie van het sportcomplex nihil geacht. Echter is uitgegaan van een hoog percentage van 10%, wat inhoudt 39 vrachtwagens extra per dag. Aangezien het heringerichte en gemoderniseerde sportcomplex in 2028 volledig in gebruik zal zijn, is als jaar van planrealisatie 2027 gehanteerd.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is tevens de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied onderzocht.De belangrijkste luchtkwaliteitsnormen betreffen rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden (NOx), zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood (Pb), zwaveldioxide (SO2) en benzeen (C6H6). Met de verbetering van de luchtkwaliteit vinden in Nederland normaliter echter alleen nog overschrijdingen plaats van de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes. Overschrijdingen van de omgevingswaarden voor de overige stoffen komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, niet voor.
Met behulp van de gegevens uit de 'Atlas leefomgeving' ten aanzien van luchtkwaliteit is beoordeeld of er ter plaatse van het sportcomplex sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In onderstaande tabel is voor het jaar 2023 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven.
| stoffen | grenswaarde | WHO-advieswaarden conform SLA | Waarden uit EU richtlijn luchtkwaliteit 2030 | 2023 | |
| NO2 concentratie | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 20 µg/m3 | 18,42 µg/m³ | |
| PM10 concentratie | 40 µg/m3 | 20 µg/m3 | 20 µg/m3 | 15,43 µg/m³ | |
| PM2,5 concentratie | 25 µg/m3 | 10 µg/m3 | 10 µg/m3 | 8,46 µg/m³ | |
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van het sportcomplex wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast wordt voldaan aan de WHO-advies-waarden conform het SLA en aan de normen uit de EU richtlijn luchtkwaliteit 2030. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen voor het sporten zijn ter plaatse van het huidige en toekomstige sportcomplex ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen worden voorzien voor de doorgang van het planvoornemen met betrekking tot de luchtkwaliteit. Op basis van een haalbaarheidsstudie met de NIBM-rekentool is bepaald dat bij een verkeersgeneratie van 388 verkeersbewegingen per etmaal en een aandeel vrachtverkeer van 10% de herinrichting van het sportcomplex niet in betekenende mate bij zal dragen aan de achteruitgang van de luchtkwaliteit. De concentraties van luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het sportcomplex zijn tevens ruim beneden de rijksomgevingswaarden. Er is derhalve sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
Bij ruimtelijke besluiten moet worden afgewogen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Eén van de leidende principes is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd moet zijn. Gezondheid is hier een belangrijk onderdeel van. Geur, fijnstof, endotoxinen afkomstig van veehouderijen, spuitzones en aanwezigheid van geitenhouderijen binnen een afstand van 2 km kunnen mogelijk leiden tot een verhoogd gezondheidsrisico en moeten daarom betrokken worden in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het plan.
Zoals in de vorige paragraaf 5.6 is aangeven zijn er vanuit luchtkwaliteit geen belemmeringen voor het sportcomplex. De concentraties van luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het sportcomplex zijn ruim beneden de rijksomgevingswaarden.
Gezien de ligging binnen het bebouwde gebied van Weert zijn er geen agrarische bedrijven in de vorm van intensieve veehouderijen in de directe omgeving van het sportcomplex gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij, aan de Oude Steeg, is op een afstand van ongeveer 900 meter ten westen van het sportcomplex gelegen. Binnen het sportcomplex zelf is geen sprake van milieugevoelige objecten. Met de herinrichting en modernisering wordt hierin ook niet voorzien. Ook is er geen geitenhouderij gelegen binnen een afstand van 2 km. Daarnaast grenst het plangebied niet direct aan aangrenzende agrarische gronden met uitzondering van het bestaande weiland aan de Suffolkweg. Echter dit weiland wordt met de herinrichting van het sportcomplex ingericht als parkeerplaats voor bussen en de aanleg van wadi's. Hiermee is van enig agrarisch gebruik geen sprake meer en zijn spuitzones in onderhavige situatie dan ook niet aan de orde.
Daarnaast wordt met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex voorzien in een sportcomplex dat voldoet aan de wensen en eisen van deze tijd, wat uitnodigt om te bewegen. Hiermee wordt op het sportcomplex een omgeving gecreëerd die in het teken staat van stimuleren, uitdagen en plezier hebben in bewegen, sporten en spelen. Een omgeving die onderdeel is van de totale leefomgeving, van werken en vrije tijd waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en samenzijn. Naast de diverse beweegmogelijkheden biedt het 'nieuwe' sportcomplex een sociale infrastructuur die mensen aantrekt en de sociale cohesie bevordert. Bij de herinrichting en modernisering van het sportcomplex wordt bewust en onbewust het veelzijdig bewegen gestimuleerd. Zo zijn er diverse paden met verschillende type ondergronden waardoor er voor iedere bezoeker een uitdaging (op de route) ligt. Binnen het gehele sportcomplex kan men makkelijk van route en ondergrond wisselen wat weer een goede impact heeft op de spierbelasting en ontwikkeling.
Het sportcomplex wordt een 'park' dat door de hoeveelheid en variatie aan 'beweeg'-aanleidingen stimuleert om te bewegen, spelen en sporten. Dus niet alleen voor jeugd, maar ook voor senioren en andere doelgroepen. Daarbij komen bewust alle grondvormen van bewegen, die de basis vormen voor een brede motorische ontwikkeling, aan de orde: klimmen, klauteren, balanceren, lopen, etc.. Daarnaast wordt tevens meervoudig gebruik van elementen en meubilair binnen het sportcomplex gestimuleerd.
De realisatie van het sport- en beweegplein alsmede overige beweeg- en sportaanleidingen biedt een extra grote meerwaarde voor het sportcomplex. Vanuit het Athletic Skills Model (ASM), een wetenschappelijk model voor aandacht voor veelzijdig bewegen, aanpassingsvermogen en creativiteit, wordt een aantrekkelijk aanbod van activiteiten geboden dat door vertaald is in het ontwerp voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex.
Geconcludeerd kan worden dat de herinrichting en modernisering van het sportcomplex nadrukkelijk bijdraagt aan de gezondheid van de inwoners van Weert. Door een sportcomplex te realiseren dat voldoet aan de wensen en eisen van deze tijd wordt iedereen uitgenodigd om te bewegen en te sporten op zijn of haar eigen niveau. Voor het aspect gezondheid is dan ook zeker sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Externe veiligheid heeft betrekking op het risico dat een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
In het omgevingsplan moeten externe veiligheid worden gewaarborgd bij het toedelen van functies aan locaties. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de instructieregels op welke manier dat moet worden gedaan. Hierin staan ook de definities van de gebouwen waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (bijlage VI bij artikel 5.3 Bkl). Milieubelastende activiteiten (MBA) met externe veiligheidsrisico's moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Het gaat om de activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (Bal), het basisnet (weg, water, spoor), buisleidingen met vervoer van gevaarlijke stoffen (Bal) en windturbines. Voor MBA's met externe veiligheidsrisco's zijn het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden relevant.
Plaatsgebonden risico (PR)
De kans dat één persoon buiten het inrichtingsterrein overlijdt als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (plaatsgebonden risico). In een omgevingsplan wordt op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de miljoen per jaar. Voor nieuwe kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties geldt dat het plaatsgebonden risico van 10-6/jaar een grenswaarde is. Dit betekent dat binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar geen nieuwe kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties gerealiseerd mogen worden.
Groepsrisico (GR) en aandachtsgebieden
De kans dat meerdere personen buiten het inrichtingsterrein overlijden als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (groepsrisico). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Voor het groepsrisico gelden aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd zijn tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied.
In het kader van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex zijn de risicovolle objecten geïnventariseerd. Dit betreft transport van gevaarlijke stoffen, buisleidingen en inrichtingen.
Transport van gevaarlijke stoffen
Op ongeveer 500 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt de spoorlijn Eindhoven-Weert. Voor deze spoorlijn geldt volgen het Bkl een brandaandachtsgebied van 30 meter, een explosieaandachtsgebied van 200 meter en een gifwolkaandachtgebied van 300 meter Het plangebied ligt niet binnen het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied van deze spoorlijn. Derhalve is een nader verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk.
Rondom en direct grenzend aan het plangebied ligt de Ringbaan-West. Een dergelijk gemeentelijke weg heeft geen aandachtsgebieden voor explosie, brand of gifwolk, tenzij de gemeente een eigen beleid of visie heeft vastgesteld ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over (provinciale.gemeentelijke) wegen. Vooralsnog heeft de gemeente Weert geen specifiek beleid voor externe veiligheid opgesteld. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het transport van gevaarlijke stoffen over de Ringbaan-West wel beschouwd als een milieubelastende activiteit met externe veiligheidsrisico's. In dat kader is er sprake van een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Hogedruk aardgastransportleidingen
Eveneens ten zuidwesten van het plangebied, parallel aan de spoorlijn richting het aardgasstation aan de Straevenweg, ligt een hogedruk aardgastransportleiding, namelijk Z-532-11. Het brandaandachtsgebied van deze leiding reikt tot 45 meter aan weerszijden van de leiding en is daarmee niet van invloed op het plangebied. Er is derhalve geen sprake van een belemmering.
Wel ligt er een gasleiding (middendruk) aan de westzijde van het sportcomplex. Deze leiding komt niet voor op de kaart veilige omgeving met externe veiligheid. Deze leiding kent geen aandachtsgebieden maar alleen een direct ruimtebeslag in het kader van beheer.
Inrichtingen
Aan de de Straevenweg, ten zuiden van het plangebied, ligt een aardgasstation als eindpunt van de hogedruk aardgastransportleiding. De grens van de veiligheidszone ligt op 15 meter rondom de installatie. Gezien de afstand tot het plangebied vormt het aardgasstation geen belemmering.
Aan de Houtstraat 23 ligt het bedrijf Francken. Dit bedrijf is aangemerkt als een risicovolle inrichting. De grens van de veiligheidszone van dit bedrijf ligt op 30 meter rondom de installatie. Ook hiervoor geldt dat gezien de afstand tot het plangebied geen sprake is van een belemmering.
Overige risicovolle inrichtingen op meer dan 1 kilometer van het plangebied zijn verder niet relevant.
Uitsnede Atlas Leefomgeving (kaart veilige omgeving met externe veiligheid)
Op basis van voorgaande inventarisatie van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied kan geconcludeerd worden dat met name de Ringbaan-West van invloed is op de herinrichting en modernisering van het sportcomplex, in het bijzonder de nieuwbouw van de sporthal en het gebouw als sportaccommodatie voor de buitensporten. Het maatgevende scenario op de Ringbaan-West is een BLEVE met hittestraling en schokgolf als gevolg. Door het toepassen van (bouwkundige) maatregelen kunnen de risico's worden beperkt en kan de kans op slachtoffers gereduceerd worden. Afhankelijk van de plaats kan het handelingsperspectief verschillen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan uit schuilen binnen het gebouw of vluchten in westelijke richting.
De Veiligheidsregio Limburg-Noord is in dat kader advies gevraagd over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen. Dit advies geeft tezamen met voorgaande onderbouwing de input voor het bevoegd gezag om invulling te geven aan de groepsrisicoverantwoordingsplicht.
Het planvoornemen is nader beoordeeld door de veiligheidsregio Limburg-Noord. In dat kader heeft de veiligheidsregio advies uitgebracht (kenmerk Z2023-00001228, d.d. 4 oktober 2023, Bijlage 11). In haar advies wordt door de veiligheidsregio het volgende geadviseerd:
Bij de verdere civieltechnische uitwerking van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex zal nadrukkelijk rekening gehouden worden met de adviezen van de veiligheidsregio ten aanzien van de bereikbaarheid van het sportcomplex en de aanwezigheid van voldoende bluswatervoorziening. Bij de uitwerking van de bouwplannen voor de te realiseren nieuwe gebouwen zal aandacht zijn voor de gevelconstructie gekeerd naar de Ringbaan-West en zal voorzien worden in een noodstop voor de mechanische ventilatie.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen gelden aanvullende instructieregels:
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.
Nationaal Water Programma 2022-2027
In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 ontwikkeld.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheersdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoet water & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.
Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundige beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:
De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend
Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.
Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2022-2027 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij: voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.
Met name klimaatadaptatie is relevant in het kader van het planvoornemen, met als relevant uitgangspunt: elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verhardingen binnen het plangebied moet dan ook afgekoppeld worden en op eigen terrein geïnfiltreerd worden.
De waterschapsverordening is de opvolger van de keur na de (recente) inwerkingtreding van de omgevingswet. Hierin zijn alle regels die het waterschap binnen haar beheersgebied stelt over de fysieke leefomgeving opgenomen. In paragraaf 1.2.1 van de waterschapsverordening heeft het algemeen bestuur van het waterschap doelcriteria vastgesteld. Deze criteria zijn bepalend voor de vraag of een handeling in het watersysteem kan worden toegestaan of niet. Het dagelijks bestuur heeft deze doelcriteria voor concrete situaties uitgewerkt in stroomschema's, vastgelegd in het document 'Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019'. De uitvoeringsregels bestaan uit stroomschema's toelichting op de zorgplicht, vergunningplicht, algemeen verbod en algemene regels met bijbehorende toelichting. Voor het planvoornemen is in dit kader van belang de gestelde bergingseis van 100 mm waaraan voldaan dient te worden voor de opvang van het hemelwater om dit vervolgens te infiltreren in de bodem.
Op de bij de waterverordening behorende legger van het Waterschap Limburg is te zien dat er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen watergang of waterkering gelegen is.
Met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex zijn er kansen en mogelijkheden om het sportcomplex duurzaam in te richten waarbij rekening wordt gehouden met klimaatadaptatie, hittestress en de afkoppeling van het hemelwater. Ten aanzien van de onderwerpen: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater kan het volgende worden gesteld.
Grondwater
Het plangebied is niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied gelegen. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van de Roerdalslenk III. Dit houdt in dat er geen bodemingrepen moeten plaatsvinden dieper dan 80 meter. Hiervan zal geen sprake zijn in onderhavige situatie.
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater waarmee rekening gehouden moet worden. Wel is in de directe omgeving van het sportcomplex oppervlaktewater aanwezig in de vorm van de Zuid-Willemsvaart. Hiermee staat het sportcomplex niet in verbinding. De herinrichting en modernisering van het sportcomplex is hierop dan ook niet van invloed.
Afvalwater
Het (huishoudelijk) afvalwater afkomstig van het sportcomplex zal net als nu aangesloten worden op de riolering. Dit zal gescheiden aangesloten worden op de bestaande riolering ter plaatse van de Odamolenstraat. Hiervoor wordt de gehele riolering binnen het plangebied vervangen voor een gescheiden stelsel. Omdat het hemelwater in de nieuwe situatie volledig wordt afgekoppeld zal de capaciteit voldoende zijn te meer omdat de nieuwe bebouwing met name vervangende bebouwing zal zijn van de bestaande bebouwing.
Hemelwater
Ter plaatse van het sportcomplex wordt met de herinrichting en modernisering nieuwe bebouwing en verharding mogelijk gemaakt. Tevens wordt ook de bestaande bebouwing (zoveel mogelijk) afgekoppeld. Er zal voor de toekomstige situatie worden voorzien in een bergingseis van 100 mm/m2 bebouwing/verharding. Dit is geborgd in de regels. In dat kader is een berekening gemaakt van het verhard oppervlak (zie onderstaande tabel). Op basis hiervan zal het oppervlak verharding dat afwatert richting de wadi's 24.070 m2 (7.150 m2 en 16.920 m2) bedragen. Hiermee komt de benodige bergingscapaciteit op 2.407 m3. De uiteindelijke definitieve benodigde bergingscapaciteit wordt bepaald aan de hand van de ontwerpen voor de gebouwen en het definitieve ontwerp voor de inrichting.
Tabel verharding
Voor het opvangen van het hemelwater zullen de noodzakelijk hemelwatervoorzieningen in de vorm van wadi's in het westelijk deel van het sportcomplex worden aangelegd. Het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verhardingen zal via slootjes/greppeltjes en buizen naar deze wadi's geleid worden. In eerste instantie naar een wadi die aangelegd wordt ten noorden van het honk- en softbalveld, die in verbinding staat met de wadi's die aangelegd zullen worden in de hoek bij de Suffolkweg Zuid. Tevens zal voor (zeer) extreme situaties voorzien worden in een overstort op de bestaande sloten in de omgeving (Suffolkweg) en/of eventueel het kanaal. De definitieve hemelwatervoorzieningen worden nog civieltechnisch nader uitgewerkt als onderdeel van de totale herinrichting en modernisering van het sportcomplex.
Om inzicht te krijgen in de doorlatendheid van de bodem is als onderdeel van het verkennend bodem- en asfaltonderzoek (Antea, rapportnummer 0435500.00, d.d. 19 december 2018, Bijlage 5) een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Met dit infiltratieonderzoek zijn op basis van infiltratieproeven de k-waarden vastgesteld in de verzadigde en onverzadigde bodem variërend tussen 0,3 en 1,9 m/dag. Dit komt overeen met matige tot goed doorlatende bodem.
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaand uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetra). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigide stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verharding zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
Voor hemelwater vraagt het Waterschap Limburg om een voorkeursvolgorde aan te houden, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is:
Voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex wordt voorzien in optie 2 waarbij het volledige sportcomplex in de nieuwe situatie qua hemelwater wordt afgekoppeld.
Op 17 april 2025 heeft overleg met het Waterschap Limburg plaatsgevonden. Het waterschap stemt in met de concept indeling van het sportcomplex en kan zich vinden in de waterbergingseis van 100 mm. Het waterschap heeft tijdens dit overleg tevens aangegeven dat zij akkoord zijn met de voorwaardelijke verplichting ten aanzien van de waterbergingseis en suggereert dat de leeglooptijd mogelijk 48 uur kan zijn in plaats van 24 uur. In de regels wordt dan ook 48 uur opgenomen. Een nadere uitwerking is vooralsnog niet nodig.
Per mail d.d. 15 mei 2025 heeft het waterschap bevestigd dat zij geen bezwaren hebben op het plan. Het plan is door de gemeente in voldoende mate toegelicht tijdens het eerdere overleg en de uitgangspunten in het plan zien er goed uit. Mocht er een overloop van de hemelwatervoorziening op het kanaal (Zuid-Willemsvaart) nodig zijn dan dan is niet het waterschap, maar is Rijkswaterstaat het bevoegd gezag.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Duurzaamheid
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.
Klimaat
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.
Duurzaamheid
Het thema duurzaamheid komt in het ontwerp voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex op verschillende manieren tot uiting. In de toekomstige inrichting van het sportcomplex is duurzaamheid terug te zien in aspecten als klimaatrobuust inrichten, de wateropgave, biodiversiteit, beplanting en het stimuleren van langzaam verkeer. Aanvullend daarop heeft duurzaamheid ook betrekking op de functionaliteit van het sportcomplex. Het toekomstig sportcomplex is na de herinrichting en modernisering ook duurzaam omdat de ruimte en sport-/beweegvoorziening een functie en maatschappelijke meerwaarde behouden, ook op de lange termijn over tien tot twintig jaar, waarbij de bevolkingssamenstelling en de sport- en beweegtrends en behoeften in de loop der tijd veranderen. De brede doelgroepenbenadering en de multifunctionele mogelijkheden van de verschillende elementen binnen het toekomstige sportcomplex dragen daaraan bij.
Gebouwen worden gasloos en (bijna) energieneutraal gerealiseerd. Daarnaast worden er inrichtingstechnisch zo duurzaam mogelijk keuzes gemaakt. Zo wordt het groen goed voor de waterbuffering, verkoeling, fijnstofopvang en biodiversiteit. Verder zal duurzaamheid terug te zien zijn in de materiaalkeuzes. Tot slot draagt de aanwezigheid van oplaadvoorzieningen voor auto's en mogelijk ook voor fietsen binnen het sportcomplex ook bij aan duurzaamheid.
Klimaat
Tegenwoordig is er steeds vaker sprake van meer extreme weersomstandigheden. Langere droge perioden wisselen natte perioden af. Juist bomen en groen binnen het sportcomplex zorgen voor een afzwakking van deze extremen. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat in een parkachtige omgeving met veel groen de temperatuur in de zomer tot drie graden koeler is dan in een stenige omgeving.
De nieuwe groenstructuur van het sportcomplex biedt de mogelijkheid voor bezoekers om zich via schaduwrijke plekken door het gehele sportcomplex te bewegen. Ook het hemelwater krijgt in een groene omgeving meer ruimte en tijd om te infiltreren in de bodem dan in een stenige omgeving waardoor eventueel wateroverlast (zoveel mogelijk) voorkomen wordt. Wat betreft de beplantingskeuze voor de groenstructuur zal bewust worden gekozen voor bomen en planten die bestand zijn tegen de extremer wordende weersomstandigheden, zoals hevige regenval en/of lange periodes van hitte en droogte.
Er zal worden voorzien in een robuust watersysteem waarin oppervlakkig wordt afgewaterd richting maaiveld op de nog aan te leggen wadi's. Hiermee kan de waterberging van het hemelwater zo efficiënt en robuust mogelijk worden ingezet.
Biodiversiteit
Naast aspecten als klimaat en water kan ook diversiteit als duurzaamheidsaspect worden beschouwd. Uitgangspunt voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex is het behouden van de bestaande boomstructuren en de individuele bomen. Bij het behouden en inpassen van bomen zijn bepalende selectiecriteria:
Niet alle bomen binnen het sportcomplex kunnen worden behouden. Dit vanwege de inpassing in de nieuwe inrichting van het sportcomplex. Er worden daarom ook nieuwe bomen toegevoegd. De gemeente Weert hecht, als stad in het groen, veel waarde aan het rekening houden met de klimaatveranderingen en biodiversiteit. Daarom is naast klimaatbestendigheid ook biodiversiteit een belangrijk thema bij de asortimentskeuze van de beplanting. Beplantingen dienen naast klimaatbestendig ook divers en zoveel mogelijk inheems te zijn. Zo wordt er een duurzame beplantingstructuur beoogd en gerealiseerd die optimaal bijdraagt aan de biodiversiteit en daarmee het leefklimaat binnen het sportcomplex.
Bij de herinrichting en modernisering van het sportcomplex wordt in voldoende mate rekening gehouden met duurzaamheid en klimaatadaptatie. Door maatregelen te combineren en onderdelen (gebouw, verharding, groen en water) in samenhang te zien wordt hier zeker een bijdrage aan geleverd.
Bij de herinrichting en modernisering van het sportcomplex moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Daaronder valt ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Er moet inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016).
Daarnaast heeft het plangebied op basis van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie hoog' en 'Waarde - Archeologie middelhoog' (zijde Odamolenstraat). In deze dubbelbestemmingen is bepaald dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 (hoog)/2.500 m² (middelhoog) en dieper dan 40 cm. In dat kader is dan ook een archeologisch bureau (RAAP, rapportnummer WEEPO, d.d. 13 februari 2025, Bijlage 12). De resultaten van dit archeologisch onderzoek zijn hierna weergegeven.
Hoe ziet de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?
De bovengrond in het plangebied bestaat zwak tot matig siltig, matig fijn dekzand; de ondergrond (Chorizont) vooral uit zwak zandige leem, of sterk siltig matig fijn zand. Qua bodemopbouw is er een vrij gelijkaardige situatie in het hele plangebied. In het merendeel van de boringen bestaat de top van de bodem uit een ca. 40 cm dikke donkerbruingrijze humeuze laag (Ap-horizont), of uit een ca. 40-70 cm dikke verstoorde laag. Zoals verwacht op basis van het vooronderzoek, bestaat de bodem onder de bouwvoor uit een hoge zwarte enkeerdgrond (plaggendek). Onder het plaggendek zijn er in een beperkt aantal boringen restanten van een (veld)podzolbodem aangetroffen. De C-horizont is opvallend lemig.
Komt de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw in het plangebied overeen met hetgeen op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting verwacht werd?
Ja: er is sprake van een plaggendek.
Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting te worden bijgesteld?
Nee.
Waar en op welke diepte bevinden zich de archeologisch interessante lagen?
Dergelijke lagen kunnen zich vrijwel overal in het plangebied bevinden, aangezien er niet echt grote aaneengesloten zones met verstoringen zijn. De diepte van het mogelijke archeologische niveau varieert van de 40 tot 30 cm onder het maaiveld.
Is de bodemopbouw in het plangebied zodanig (intact) dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is?
Ja: er is geen sprake van grote aaneengesloten zones met verstoringen.
Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?
Bodemingrepen dieper dan het mogelijke archeologische niveau (tussen de 40 en 130 cm onder het maaiveld kunnen in principe leiden tot aantasting van eventuele archeologische resten.
Op welke wijze kan bij de planvorming met archeologische resten worden omgegaan?
Er wordt aangeraden om ingrepen dieper dan het mogelijke archeologische niveau (inclusief een 20 cm buffer), te vermijden. Een buffer boven het archeologische niveau zorgt ervoor dat dat niveau intact kan blijven.
Naar aanleiding van voorgaande bevindingen uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek is een aanvullende memo ten aanzien van de noodzaak van vervolgonderzoek naar archeologie op basis van de verwachte bodemingrepen opgesteld (Kragten, kenmerk P24315, d.d. 3 april 2025, Bijlage 13). Het plangebied is op basis van de verschillende werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd in zeven deelgebieden opgedeeld. Per deelgebied is op basis hiervan een advies gegeven over de noodzakelijke vervolgstappen voor wat betreft archeologie. In de volgende deelgebieden is een archeologisch onderzoek of een inspectie noodzakelijk:
Voor de sportvelden is gezien de beperkte diepte van de bodemingrepen geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. Ter plaatse van het sport- en beweegplein, is onder voorbehoud, eveneens geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. gebouwen en sportvelden. Voor de aanleg van de openbare ruimte is mogelijk wel vervolgonderzoek nodig, dat wordt nader bepaald bij de verdere uitwerking van het plan. Derhalve is vooralsnog de dubbelbestemming voor archeologie gehandhaafd.
Aanpak nader archeologisch onderzoek
Het sportcomplex is in zijn huidige vorm in de jaren '80 van de vorige eeuw aangelegd en altijd als zodanig in gebruik geweest. Binnen het sportcomplex in geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook maakt het sportcomplex geen onderdeel uit van een (gemeentelijk) beschermd stads- of dorpsgezicht.
De aanwezige bebouwing binnen het sportcomplex heeft verder geen cultuurhistorische waarden. Er is dan ook geen sprake van enige cultuurhistorische waarden binnen het plangebied.
In de omgeving zijn enkel cultuurhistorische elementen gelegen zoals de molen aan de Suffolkweg en de cultuurhistorische wegen (Suffolkweg Zuid en Odamolenstraat) deze elementen worden als gevolg van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex niet aangetast.
Op grond van de resultaten van het archeologisch onderzoek wordt voor bodemingrepen dieper dan 20 cm een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Echter in aanvulling hierop is in een afzonderlijke memo per deelgebied aangegeven wat de beste aanpak is. Dit zal als voorwaarde in de te verlenen omgevingsvergunning worden opgenomen. Om te waarborgen dat het aspect archeologie voldoende beschermd blijft de beschermende regeling ten aanzien van archeologie in de regels behouden.
Verder gaan met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex geen cultuurhistorische waarden verloren.
De Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming zijn per 1 januari 2024 vervallen en beleidsneutraal overgegaan naar de Omgevingswet via het aanvullingsspoor natuur. Ter bescherming van de natuur zijn in de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming (flora en fauna) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Natuurgebieden
Natura 2000 is de verzamelnaam voor het netwerk van Europese natuurgebieden. Natura 2000-gebieden vallen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en zijn verankerd in de Omgevingswet. De wet verbiedt Natura 2000-activiteiten in art. 5.1 lid 1, aanhef en onder e. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten of het realiseren van projecten die een significante gevolg kan hebben op een Natura 2000-gebied. Bij een wijziging van het omgevingsplan dient de gemeenteraad rekening te houden met de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Een besluit mag alleen worden genomen indien de raad zich op grond van de Voortoets of Passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.
Onderdeel van de instandhoudingsmaatregelen is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het netwerk is om natuurgebieden beter met elkaar en met omringend agrarisch gebied te verbinden. Uiteindelijk moet er in Nederland een robuust netwerk liggen dat zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze functioneert en klimaatbestendig is.
Aanvullend kunnen Gedeputeerde Staten gebieden aanwijzen die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen, maar wel van een provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarde. Deze gebieden worden samen met het NNN aangeduid als bijzondere provinciale natuurgebieden. Voor de provincie Limburg is dit het LNN.
Soortenbescherming
In de Omgevingswet is ook soortenbescherming geregeld (flora en fauna). Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren (art. 5.1 lid 2 onder g, Omgevingswet). Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In de wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels conform de Europese Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten conform de Europese Habitatrichtlijn en voor overige te beschermen soorten. Het is kort gezegd verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen.
De Omgevingswet maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Dit is voor de provincie Limburg geregeld in het Omgevingsverordening Limburg, geconsolideerd op 1 december 2023. In de bijlagen van deze verordening zijn soorten opgenomen welke bij ruimtelijke ontwikkeling binnen de provincie zijn vrijgesteld voor de aanvraag van een ontheffing.
Houtopstanden
Onder de Wet natuurbescherming golden de rijksregels over houtopstanden niet voor houtopstanden binnen de grenzen van de bebouwde kom (artikel 4.1, Wet natuurbescherming). Het was aan de gemeenteraad om die grenzen vast te stellen.
De Omgevingswet spreekt van 'bebouwingscontour houtkap' in plaats van 'grenzen van de bebouwde kom' zoals dat in de Wet natuurbescherming staat. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om te zijnertijd een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het gebiedsdekkende gemeentelijk omgevingsplan. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feiten wanneer de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. Die gelden namelijk alleen buiten de bebouwingscontour houtkap.
Natura 2000-gebieden
Het sportcomplex is niet gelegen binnen de grenzen van een natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Weerter- en Budelerbergen &Ringselven, dat op een afstand van ruim 2 km naar het westen is gelegen. Indien eventueel sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trillingen en geluid als de gevolg van het planvoornemen binnen het plangebied, zijn gezien de afstand tot de meest nabij gelegen Natura 200-gebieden dan ook niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege het voorgenomen planvoornemen op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Zie paragraaf 5.13.
Natuurnetwerk Limburg en Groenblauwe mantel
Er is geen sprake van overlap van het sportcomplex met het Natuurnetwerk Limburg (NNL), zijnde het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), dat sinds 2013 de voortzetting is van de EHS (ecologische hoofdstructuur). Het Natuurnetwerk Limburg is buiten de ringbaan rondom Weert gelegen, terwijl het sportcomplex daarbinnen gelegen is. Dit geldt eveneens voor de Groenblauwe mantel, de provinciale aanvulling op het Natuurnetwerk Nederland. Het natuurgebied De Ijzeren Man, dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Limburg, is het meest dichtbij gelegen beschermende gebied en ligt op 1,7 km naar het zuidwesten.
Het Natuurnetwerk betreft in Limburg een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het Natuurnetwerk Limburg is niet aan de orde.
Om in te schatten of er binnen het plangebied beschermden planten- en dierensoorten aanwezig zijn is als onderdeel van het verkennend natuuronderzoek een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Kragten, projectnr. WEE178,d.d.17 maart 2025, Bijlage 14). Uit deze quickscan is het volgende gebleken ten aanzien van de verschillende soorten.
Algemeen voorkomende broedvogels – rekening houden met het broedseizoen
Het is waarschijnlijk dat er in het broedseizoen vogels broeden in de aanwezige bomen en bosschages binnen het plangebied. Het rooien van bomen leidt dan mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels of het vernielen van nesten of eieren (Besluit activiteiten leefomgeving . Bal . artikel 11.37). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (idem).
In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen vergunning in het kader van de Omgevingswet mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de uitvoering van de werkzaamheden binnen het plangebied. Er dient derhalve bij voorkeur gewerkt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli (voor houtduif tot november), afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.
Vleermuizen – nader onderzoek naar verblijfplaatsen
Verblijfplaatsen
Er worden opstallen gesloopt, waarvan niet duidelijk is of deze verblijfplaatsen bevatten van gebouwbewonende soorten, met name de gewone dwergvleermuis. Het betreft met name de sporthal in het noorden met spouwmuren en, in het noordwesten, enkele opstallen met dakpannen en voor vleermuizen geschikte dakranden. Er dient daarom nader onderzoek naar vleermuizen (functie verblijfplaats) te worden gedaan, om zodoende te kunnen bepalen of er sprake is van overtreding van artikel 11.46 van het Bal. De bomen met holtes liggen in de zones 'groen & natuur' en 'park groen & natuur', zodat deze bomen behouden blijven. Mocht een boom met holte moeten worden verwijderd, dan zal eerst nader onderzoek worden uitgevoerd naar de functie verblijfplaats, bijvoorbeeld voor de ruige dwergvleermuis.
Vliegroutes
Er wordt, met name in het zuiden, een enkele bomenrij gekapt. Vooralsnog betreft het vermoedelijk alleen een enkele bomenrij. Indien echter bomenrijen worden verwijderd, die aan te merken zijn als mogelijke vliegroute, dient eerst nader onderzoek naar de betreffende functie binnen het vleermuisnetwerk te worden gedaan.
Verlichting
Indien er wezenlijke veranderingen optreden in de verlichting van sportvelden binnen het projectgebied, zal in overleg met de ecoloog moeten worden bepaald of er nader onderzoek nodig is naar gevolgen voor vleermuizen.
Algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën– rekening houden met de zorgplicht
Het plangebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en, in mindere mate, . amfibieen (zomerbiotoop). De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Bovendien zal per saldo het oppervlak biotopen niet minder worden, omdat er geen extra verhard gebied bij komt.
Permanent significant negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling worden daarom niet verwacht. De aanlegwerkzaamheden hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieen worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (artikelen 11.27 e 11.28 Bal).
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en daarmee naar verwachting ook binnen de toekomstige 'bouwingscontour houtkap'. Dit betekent dat de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn. De bomen binnen het plangebied vallen dan ook niet onder de definitie houtopstanden. Daarom geldt er geen meldingspicht en herplantplicht.
Er is voor het eventueel kappen van bomen binnen het plangebied wel sprake van een meldingsplicht naar de gemeente Weert, die vervolgens bepaalt of een omgevingsvergunning vereist is. De gemeente Weert hanteert een herplantplicht voor houtopstanden die in het plaatselijke bomenregister zijn opgenomen. In dat kader is voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex een uitgebreide bomeninventarisatie uitgevoerd om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de bomen. Het uitgangspunt is om de bomen zoveel mogelijk te handhaven. Echter niet uit te sluiten is dat een aantal bomen gekapt moeten worden. Hiervoor zullen als onderdeel van de herinrichting ook weer nieuwe bomen aangeplant worden.
Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Omgevingswet blijkt dat bij de uitvoering van de ingreep mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op met name broedvogels en vleermuizen. Deze soorten zitten met name respectievelijk in het bestaande groen dan wel de bestaande gebouwen. Verder kan de aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën binnen het plangebied niet worden uitgesloten en heeft men te maken met de algemene zorgplicht.
In dat kader wordt nader ecologisch onderzoek ten aanzien van de vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek zal rond de zomerperiode afgerond zijn. Om te waarborgen dat er de vleermuizen in voldoende mate beschermd worden is binnen de functie 'Sport' een omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken opgenomen.
Ten behoeve de herinrichting en modernisering van het sportcomplex in combinatie met het organiseren van evenementen (maximaal 1 groot evenement en 7 kleine evenementen) ter plaatsen van het sportcomplex, zowel buiten als in de sporthal, is een voortoets stikstof (Natura 2000-activiteit) uitgevoerd (Pouderoyen Tonnaer, project TON240003, d.d. 6 augustus 2025, Bijlage 15). Uit deze voortoets is gebleken dat tijdens de realisatiefase een eenmalige depositie van stikstof optreedt van 0,03 mol/ha/jaar. Deze tijdelijke stikstofdepositie is zeer klein. Voor dergelijke kleien depositie-effecten kan gebruik worden gemaakt van de vuistregels zoals opgenomen in de handreiking voortoets. Op basis van deze vuistregel kan het tijdelijke depostie-effect in de realisatiefase worden beschouwd als onderdeel van de achtergronddeposite en daarmee aangemerkt worden als niet significant.
In de gebruiksfase is gebleken dat er sprake is van een zeer beperkte jaarlijkse depositie van 0,01 mol/ha/jaar op 3 leefgebieden. Op basis van de voorgenoemde Handreiking voortoets is een minimumoppervlakte bepaald waarop depositie relevant is. Voor bossen is dat 1.000 m2 (0,1 ha). Dat betekent dat voor de depositie op het leefgebied Lg14 niet wordt voldaan wordt aan de minimum oppervlakte om tot significante effecten te komen voor de instandhoudingsdoelstellingen.
Voor de overige depositie-effecten is bepaald of deze leiden tot significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Daarbij is het van belang te onderstrepen dat voor leefgebieden de instandhoudingsdoelstellingen zijn gekoppeld aan de vogelsoorten beschermd binnen de vogelrichtlijn die van dit leefgebied gebruik maken. Een overschrijding van de kritische depositiewaarde voor deze leefgebieden is derhalve pas relevant als dit ook leidt tot negatieve effecten op de instandhouding van deze vogelsoorten. Voor de Weerter en Budelerbergen & Ringselven gaat het dan over de boomleeuwerik, roodborsttapuit en nachtzwaluw. Om te beoordelen hoe het met de instandhouding van deze doelsoorten is gesteld is gekeken naar de Natuurdoelanlyse voor het gebied.
In de analyse van de voortoets is gerekend met een depositie van 1 mol. In de gebruiksfase van het planvoornemen gaat het over een depositie-effect van 0,01 mol, 100 x minder dan het rekenvoorbeeld in de voortoets. Daarnaast is het zo dat het rekeneffect wordt afgerond tot 0,01 mol/ha/jaar, maar er in werkelijkheid naar alle waarschijnlijkheid plekken zijn waar er minder dan 0,01 mol/ha/jaar aan depositie aan de orde is. Op basis van objectieve gegevens kan daarmee worden uitgesloten dat een dergelijk klein depositie-effect leidt tot significante effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de doelsoorten binnen de vogelrichtlijn.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen niet leidt tot significant nadelige effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden. Voor het plan is daarom geen vergunning voor een Natura 2000 activiteit vereist.
Er is geen wettelijk kader voor het vastleggen van een molenbiotoop behorende bij een molen. De gemeente heeft daarmee geen wettelijke verplichting om afspraken over de molenbiotoop vast te leggen. Echter dit is wel gebruikelijk om te doen om zodoende de windvang voor de molen te waarborgen zodat deze ook functioneel in gebruik kan blijven.
In dat kader heeft de gemeente Weert in het voormalige bestemmingsplan 'Woongebieden 2019', thans onderdeel van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege, de molenbiotoop van de molen aan de Suffolkweg Zuid vastgelegd middels de 'vrijwaringszone - molenbiotoop' met bijbehorende regels. In deze regels is bepaald dat de gronden mede bestemd zijn voor bescherming en instandhouding van de belangen van de bestaande molen als werktuig en beeldbepalend element.
Binnen de vrijwaringszone mag niet worden gebouwd voorzover de windvang van de molen daardoor in onevenredige mate wordt aangetast. Uitgangspunt hierbij is dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt.
De formule die gebruikt wordt voor de bepaling van de maximale bouwhoogte luidt als volgt:
H(max) = (x/n) + c*z + (maaiveld molen), met dien verstande dat binnen een afstand van 100 meter van de molen niet mag worden bebouwd. Waarbij geldt dat:
| H(max): | maximale hoogte bebouwing tov NAP (nok, dak, groen, etc.) |
| x: | afstand tot hart molen |
| n: | invloedsfactor terreingesteldheid (waarden: zie tabel 1 hieronder) |
| c: | constante voor windbeperking (waarden: zie tabel 1 hieronder) |
| z: | askophoogte t.o.v. maaiveld molen |
| NAP(maaiveld molen) | hoogte maaiveld molen tov NAP |
Voor de Odamolen gelden de volgende waarden:
| Coëfficiënt z | 15,79 |
| NAP maaiveld molen | 34,74 |
Binnen het plangebied geldt ten aanzien van maximale bouwhoogten t.o.v. NAP de volgende formule:
H(max) = (x/50) + 0,2 *15,79 + 34,74 oftewel H(max) = (x/50) + 37,89
Een eventuele grotere hoogte kan worden toegestaan als vooraf advies is gevraagd aan vereniging De Hollandse Molen, Molenstichting Limburg, Molenstichting Weerterland of diens opvolger. Het bouwvlakken voor de realisatie van de nieuw sporthal en het gebouw voor de sportaccommodatie buitensporten zijn (grotendeels gelegen) binnen de vrijwaringszone van de molenbiotoop. Voor het deel van de sportvlak dat gelegen is binnen de molenbiotoop geldt dat kan worden volstaan met de hoogte op basis van de molenbiotoop.
Op basis van de afstand tot de molen en de maaiveldhoogte ter plaatse van het bouwvlak, mag de maximum bouwhoogte binnen het bouwvlak voor de nieuwe sporthal 11,16 meter bedragen. Hiermee is de maximale bouwhoogte 11 meter voor de sporthal op de meest ongunstige plek. Aan de achterzijde van het bouwvlak voor de nieuwe sporthal loopt dit op naar 14 meter. Op basis hiervan varieert de maximum bouwhoogte binnen het bouwvlak voor de nieuwe sporthal tussen de 11 en 14 meter.
Voor het bouwvlak voor de sportaccommodatie buitensport mag de maximum bouwhoogte 8,76 meter bedragen. Op basis hiervan zijn op de verbeelding binnen de betreffende bouwvlakken een maximum bouwhoogte van respectievelijk 14 meter en 8 meter als maatvoering aangegeven. In de regels is bepaald dat het toegestaan is om toch hoger te bouwen mits vooraf aan de molenstichting advies is gevraagd. Hiermee kan de nodige flexibiliteit geboden worden met name voor de nieuwe sporthal qua bouwhoogte.
Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat de molenbiotoop geen belemmering is voor de herinrichting van het sportcomplex. Wel zal voor de sporthal als de bouwhoogte meer bedraagt dan is toegelaten conform de berekening, advies ingewonnen moeten worden bij de molenstichting.
Het is niet bekend of erbinnen het plangebied rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van 'Ontplofbare Oorlogsresten' (OO) uit de Tweede Wereldoorlog in het te onderzoeken gebied. Indien er OO aanwezig zijn in/op de (water)bodem van het te onderzoeken gebied, dan bestaat de mogelijkheid op een ongecontroleerde werking van een of meerdere OO. Op basis van artikel 4.10 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dient er, alvorens werkzaamheden worden aangevangen, een onderzoek te worden ingesteld naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Indien er gevaar bestaat voor de veiligheid of gezondheid van werknemers dienen er passende maatregelen te worden getroffen om dit gevaar te voorkomen.
In dat kader is ten behoeve van de uiteindelijke realisatie van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex een 'Vooronderzoek Conflictperiode Ontplofbare Oorlogsresten' uitgevoerd (Bombs Away, kenmerk 24P204, d.d. 16 april 2025, Bijlage 16). In dit vooronderzoek wordt op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties en contra-indicaties vastgesteld dat het plangebied in het verleden niet getroffen is door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor OO in de (water)bodem kunnen zijn achtergebleven. Het onderzoeksgebied is derhalve onverdacht op OO.
Er is een vergelijking gemaakt tussen de conclusies uit dit rapport en de conclusies van eerder uitgevoerde vooronderzoeken. Hierin zijn geen verschillen aangetroffen.
Samenvattend zijn er de volgende leemten in kennis zijn:
In de gebieden die onverdacht zijn op OO kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat vervolgstappen noodzakelijk zijn in de opsporing van OO. De (grond-)werkzaamheden kunnen derhalve regulier worden uitgevoerd.
Indien tijdens werkzaamheden toch een OO of verdacht voorwerp wordt aangetroffen, is het zaak de juiste procedure direct te starten: het voorwerp niet beroeren en de politie meteen op de hoogte stellen. Deze zal, indien noodzakelijk, de EODD inschakelen om het OO te ruimen.
In de Omgevingswet is vastgelegd dat voorafgaande aan een besluit of plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. In een milieueffectrapport worden de effecten van een plan of project op het milieu beschreven. De milieueffectrapportage (MER) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De milieueffectrapportage sluit aan bij de voorbereidingsprocedure van een plan of besluit.
Voor welke plannen en projecten en op welke wijze de milieueffecten moeten worden getoetst, staat in de wetgeving rond de milieueffectrapportage (MER), opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (implementatie van de EU-richtlijn mer en EUR richtlijn voor strategische milieubeoordeling).
Niet voor alle plannen en besluiten hoeft een MER te worden opgesteld. De projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, staan in het Omgevingsbesluit bijlage V. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (kolom 3), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r. nodig is, en een verplicht m.e.r. (kolom 2). Om te bepalen in welke categorie een besluit of plan valt is er een lijst met projecten opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit (kolom 1). Hierin zijn ook de drempelwaardes in opgenomen, die aangeven welke procedure er doorlopen moet worden (kolom 2 en 3).
Voor plannen en programma's geldt een mer-(beoordelings)plicht als het plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor mer-(beoordelings) plichtige projecten (kolom 1 bijlage V bij Omgevingsbesluit) of wanneer er voor het plan of programma een passende beoordeling in het kader van natuur moet worden gemaakt. Daarnaast geldt dat er ook een mer-beoordeling moet worden opgesteld als een plan of programma kaderstellend is voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, maar niet zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingbesluit.
Als een plan kaderstellend is voor de projecten uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar niet boven de drempelwaarde van kolom 2 uitkomen, moet een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. Een plan-mer-beoordeling vindt alleen plaats als:
| Lokaal niveau Lokaal niveau staat voor gemeentelijk niveau. Europese jurisprudentie geeft een eerste inkleuring van het begrip 'klein gebied'. Het Hof concludeerde dat de grootte van het betrokken gebied, vergeleken met die van het grondgebied, klein moet zijn. (omgevingsbesluit, artikel 11.11) |
De plan-mer-beoordeling moet worden opgesteld met in achtneming van de criteria uit Bijlage II van de smb-richtlijn (Afdeling 16.4, artikel 16.36, lid 5 Ow). Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke uitkomsten:
Het omgevingsplan is kaderstellend voor een project dat genoemd is in Bijlage V Omgevingsbesluit categorie J11 Stedelijk ontwikkelingsproject. Omdat het een kaderstellend omgevingplan betreft is het omgevingsplan 'plan-mer-beoordelingsplichtig'. In dat kader is een afzonderlijke notitie 'Plan-m.e.r.-beoordeling' (Pouderouyen Tonnaer, rapportnummer TON240003.013/JPH, d.d. 8 augustus 2025, Bijlage 19 opgesteld, waarin aan de hand van de aspecten met betrekking tot fysieke leefomgeving en milieu de mogelijke milieueffecten als gevolg van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex inzichtelijk zijn gemaakt.
In onderstaande tabel zijn de conclusies per aspect weergegeven waarbij aangegeven is of een significant effect kan worden uitgesloten.
| Verkeer | De herinrichting en modernisering van het sportcomplex geeft een beperkte toename van verkeersbewegingen (388 mvt/etmaal). De bestaande infrastructuur (Schoutlaan/Gouverneurlaan) is van voldoende capaciteit om dit extra verkeer te kunnen afwikkelen. De verkeersveiligheid is hierbij niet in het geding. Daarnaast worden bussen en vrachtverkeer gescheiden van de auto's, wat de verkeersveiligheid ten goede komt |
| Luchtkwaliteit | De herinrichting en modernisering van het sportcomplex draagt door de toename van de verkeersbewegingen (388 mvt/etmaal met 10% vrachtverkeer) niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit ter plaatse van het sportcomplex blijft ruim onder de wettelijke normen en benaderen de gezondheidskundige advieswaarden. |
| Geur | Binnen het sportcomplex zelf is geen sprake van milieu- of geurgevoelige objecten. Met de herinrichting en modernisering wordt hierin ook niet voorzien. Een sportcomplex betreft geen daarnaast geurveroorzakend object. In onderhavig geval is sprake van een bestaande sportcomplex dat enkel en alleen heringericht en gemoderniseerd wordt. Ondanks dat een sportcomplex geen geurgevoelig object is en enkel sprake is van een herinrichting van het sportcomplex zal ter plaatse van het sportcomplex is zowel in de huidige als ook de toekomstige situatie sprake zijn van een goed leefklimaat. |
| Natuur | De herinrichting en modernisering van het sportcomplex heeft gezien de afstand tot nabij gelegen beschermende natuurgebieden geen nadelige effecten. Het aspect stikstof is afzonderlijk bezien. Bij de uitvoering van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex zijn mogelijk negatieve effecten te verwachten op met name broedvogels en vleermuizen. Verder kan de aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën binnen het plangebied niet worden uitgesloten en heeft men te maken met de algemene zorgplicht. Op basis van de voortoets stikstof (Natura 2000-activiteit) kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen niet leidt tot significant nadelige effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden. Voor het plan is daarom geen vergunning voor een Natura 2000 activiteit vereist. |
| Geluid | Ten aanzien van geluid kan gesteld worden dat wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai niet aan de orde zijn. Binnen het plangebied worden namelijk geen (nieuwe) geluidsgevoelige objecten opgericht. Wel zijn de indirecte akoestische effecten beschouwd als gevolg van de verwachte toename van het verkeer van en naar het sportcomplex. Hoewel er een toename is van het verkeer op de omliggende wegen blijven deze effecten ten alle tijde onder de grens van 1,5 dB. |
| Gezondheid en veehouderijen |
Gezien de ligging binnen het bebouwde gebied van Weert zijn er geen agrarische bedrijven in de vorm van intensieve veehouderijen in de directe omgeving van het sportcomplex gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij, aan de Oude Steeg, is op een afstand van ongeveer 900 meter ten westen van het sportcomplex gelegen. Binnen het sportcomplex zelf is geen sprake van milieugevoelige objecten. Met de herinrichting en modernisering wordt hierin ook niet voorzien. Daarnaast wordt met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex voorzien in een sportcomplex dat voldoet aan de wensen en eisen van deze tijd, wat uitnodigt om te bewegen. Hiermee wordt op het sportcomplex een omgeving gecreëerd die in het teken staat van stimuleren, uitdagen en plezier hebben in bewegen, sporten en spelen. Door het sportcomplex her in te richten en te moderniseren worden de inwoners van Weert in alle leeftijdsgroepen uitgenodigd om te bewegen. |
| Externe veiligheid | Uit een inventarisatie van de risicobronnen in de omgeving van het sportcomplex volgt dat er geen (noemenswaardige) belemmeringen gelden voor de herinrichting en modernisering van het sportcomplex. |
| Bodem | Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem voor het grootste deel van het plangebied geen belemmering vormt met uitzondering van twee locaties die gesaneerd moeten worden door een erkend bedrijf. |
| Water | Het sportcomplex is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. De bodem ter plaatse van het sportcomplex is geschikt voor infiltratie van hemelwater vanwege de goede doorlatendheid van de bodem. Door de volledige afkoppeling van hemelwater en de aanleg van wadi's met voldoende bergingscapaciteit is er sprake van een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie ten opzichte van de huidige situatie. |
| Archeologie en cultuurhistorie |
Het sportcomplex ligt niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied en is niet aangewezen als AMK-terrein. Ten aanzien van archeologie wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd bij bodemingrepen dieper dan 20 cm beneden maaiveld. Dit zal worden uitgevoerd voor aanvang van de start van de daadwerkelijke herinrichting en modernisering van het sportcomplex. Dit zal vooralsnog beperkt zijn tot de locatie van de sporthal, gebouw buitensportaccommodatie en de wadi's. Ter plaatse van het sportcomplex zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. |
| Klimaat | Met de herinrichting en modernisering van het sportcomplex zijn ten aanzien van klimaateffecten geen grote knelpunten te verwachten, ook niet voor de komende jaren. Het biedt juist kansen voor natuurlijke klimaatbuffers om weersextremen als gevolg van klimaatverandering op te vangen. Bouwkundige maatregelen, meer water en meer groen met biodiversiteit in de bebouwde omgeving verminderen het risico op hittestress, droogtestress en wateroverlast. |
| Molenbiotoop | Uitgaande van de maximum toegestane bouwhoogte binnen de bouwvlakken voor de nieuwe sporthal en het gebouw als sportaccommodatie voor de buitensporten is er geen belemmering voor de molen aan de Suffolkweg Zuid. |
Zoals uit de notitie 'Plan-m.e.r.-beoordeling' ten aanzien van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieu blijkt geven de kenmerken van het beoogde planvoornemen, de locatie van het beoogde planvoornemen en potentiële effecten van het beoogde planvoornemen geen aanleiding aan te nemen dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Het betreft enkel de herinrichting en modernisering van het bestaande sportcomplex. Doordat er geen nadelige effecten te verwachten zijn is het opstellen van een milieueffectrapport dan ook niet noodzakelijk of zinvol.
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit:
Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket (regels op de kaart) is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken gemeentelijk omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.
Publicatie van een wijziging van het omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de standaard STOP en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD-omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk kortweg aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Weer is opgesteld op basis van TAM-IMRO.
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de herinrichting en modernisering van het Sportpark Boshoven en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (Hoofdstuk 22c) van het Omgevingsplan gemeente Weert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekendgemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in:
Voor dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) geldt:
In de regels worden net als voorheen bij een wijziging van een bestemmingsplan vier hoofdstukken onderscheiden, namelijk:
Tevens maakt één bijlage in verband met het van toepassing zijn van de molenbiotoop onderdeel uit van de regels. De vier hoofdstukken en bijlage bij de regels worden hierna afzonderlijk nader toegelicht.
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Weert. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling ter plaatse van het Sportpark Boshoven (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor de herontwikkeling van het Sportpark Boshoven. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming' op basis van IMRO. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor de herinrichting en modernisering van Sportpark Boshoven is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan Weert (bestemmingsplan 'Woongebieden 2019'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet op basis van de transponeertabel TAM-IMRO.
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene beoordelings- en functieregels in die gelden voor het gehele locatie van het Sportpark Boshoven.
In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig TAM-omgevingsplan wordt een bestaande functie wegbestemd (de bestaande sporthal), waarvoor parkeerplaatsen in de plaats komen. Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.
Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan is er 1 bijlage opgenomen bij de regels die is gekoppeld aan de beoordelingsregels voor de molenbiotoop.
Begripsbepalingen (Artikel 1)
In dit artikel worden de begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op dit TAM-omgevingsplan.
Aanvullende begripsbepalingen (Artikel 2)
In dit artikel zijn aanvullende begrippen opgenomen. Hierin worden omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Toepassingsbereik (Artikel 3)
In artikel 3 is het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan aangegeven, waarbij de koppeling is gelegd tussen de regels en de locatie c.q. plangebied met de geometrische bepaalde planobjecten.
Meet- en rekenbepalingen (Artikel 4)
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de meet- en rekenbepalingen in artikel 4 uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de manier waarop gemeten moet worden op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Aanvraagvereisten (Artikel 5)
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten uit de bruidsschat van toepassing verklaar voor een omgevingsvergunning die vereist is op grond van dit TAM-omgevingsplan.
Algemeen gebruiksverbod (Artikel 6)
Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod dat bepaald dat het in algemene zin verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7)
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het TAM-omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.
Groen (Artikel 8)
Ter plaatse van de functie 'Groen' is de functie met name gericht op het inrichten als groen, in het bijzonder het handhaven van de bestaande groensingel tussen de aan te leggen wadi's. Op deze gronden zijn uitsluiten bouwwerken, geen gebouw zijnde, toegestaan ten diensten van het groen.
Sport (Artikel 9)
De functie 'Sport' is gericht op het mogelijk maken van sportieve recreatie, maatschappelijke voorzieningen, ondergeschikte horeca met terrassen en evenementen (waar aangeduid en binnen de sporthal) met de daarbij behorende voorzieningen zoals:
Bebouwing ter plaatse van de functie 'Sport' is alleen toegestaan binnen de aanduide bouwvlakken en de daarin aangegeven maatvoering qua maximale goot-/bouwhoogte. De bouwvlakken voor de nieuwe binnen- en buitensportaccommodatie zijn 'ruim' ingetekend om hiervoor nog de nodige flexibiliteit te bieden omdat nog niet exact bekend is waar deze gebouwen gesitueerd worden en wat de omvang van deze gebouwen is. De bestaande gebouwen zijn eveneens voorzien van een bouwvlak afgestemd op de bestaande situatie.
Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan tot een aangegeven goot- en bouwhoogte en een maximum oppervlakte.
Daarnaast is binnen de functie 'Sport' een regeling opgenomen voor zowel binnenevenementen (sporthal) als buitenevenementen (ter plaatse van aanduiding). Indien aan de gestelde voorwaarden wordt gedaan zijn deze evenementen rechtstreeks toegestaan.
Verder zijn nog voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor parkeren, waterberging en inrichting. Dit om te waarborgen dat een en ander overeenkomstig wordt gerealiseerd.
Leiding - Gas (Artikel 10)
Ter plaatse van het directe ruimtebeslag van de ondergrondse gasleidingen worden activiteiten, die het bedrijfszeker en -veilig functioneren van deze gasleidingen kunnen schaden, geweerd. Derhalve worden beperkingen opgelegd aan de mogelijkheden tot bebouwing en gebruik van de grond, die tot beschadiging van de leidingen kan leiden.
Waarde - archeologie hoog en middelhoog (Artikel 11 en Artikel 12)
De als zodanig aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
Uit archeologisch onderzoek (bureua- en verkennend booronderzoek) is gebleken dat de archeologische waarden nader onderzocht dient te worden door middel van een proefsleuvenonderzoek. Derhalve zijn in dit TAM-omgevingsplan de beschermingsregels ten aanzien van archeologie behouden.
Waterstaat - Waterkering (Artikel 13)
Ter borging van de keringbelangen van Rijkswaterstaat is deze beschermingszone opgenomen. Het betreft de beschermingszone rondom de Zuid-Willemsvaart.
Algemene beoordelingsregels (Artikel 14)
Voor het hele plangebied, en dus alle functies, gelden eveneens een aantal algemene beoordelingsregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke functies. Dit betreft de omgevingsvergunningplicht voor het overschrijden van de toegestane bouwhoogtes en grenzen van het bouwvlak met daarbij aangegeven onder welke voorwaarden dit wordt toegestaan.
Algemene aanduidingsregels (Artikel 15)
Hier is een regeling opgenomen in verband met de ligging binnen een molenbiotoop en geluidzone voor industrielawaai. Binnen de molenbiotoop geldt een beperking ten aanzien van de toegestane bouwhoogte om daarmee de windvang van de molen aan de Suffolkweg te waarborgen. Binnen de geluidzone voor industrielawaai mogen niet zomaar geluidgevoelige objecten worden opgericht.
Overige regels (Artikel 16)
In de overige regels zijn regels opgenomen voor de rangorde van regels
Overgangsrecht (Artikel 17)
In deze regels is het overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bouwen en gebruik.
De verbeelding die is opgesteld voor onderhavig TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding functies zijn te zien die als 'bestemmingen' zijn gedigitaliseerd, en dat specifieke c.q.aanvullende functies, indien aan de orde, als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.
Met onderhavig TAM-omgevingsplan vindt een wijziging van het (tijdelijke) omgevingsplan van rechtswege plaats. In dat kader moet dan in het vaststellingsbesluit staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En ook wat met de resultaten is gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit.
Wie bij de vroegtijdige participatie betrokken moet worden, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.
De verplichting om een wijziging van het omgevingsplan voor te bereiden met participatie geldt voor het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Weert zelf.
Om te komen tot het ontwerp voor de herinrichting en modernisering van het Sportpark Boshoven heeft intensief overleg plaats gevonden met de verenigingen die gebruik maken van het sportcomplex. Ook zijn er een tweetal klankbordgroepen samengesteld voor enerzijds de openbare ruimte en anderzijds voor het sport- en beweegplein.
Met zowel de verenigingen als de betreffende klankbordgroepen is in een vroeg stadium uitvoerig gesproken over de herinrichting en modernisering van het sportcomplex. De wensen en eventuele eisen die hieruit zijn voortgekomen en voor zover ook mogelijk, zijn verwerkt in het uiteindelijke ontwerp van de herinrichting en modernisering van het sportcomplex.
Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een ontwerp dat volledig gedragen worden door de verenigingen en de betreffende klankbordgroepen.
In het kader van participatie met de omgeving zijn door de tijd heen verschillende informatiebijeenkomsten georganiseerd. De informatiebijeenkomsten hebben plaatsgevonden op 23 januari 2024, 27 juni 2024 en 13/27 maart 2025. Tijdens deze bijeenkomsten is steeds de stand van zaken, wat er gedaan gaat worden en wat het vervolg zal zijn gepresenteerd en zijn diverse zaken nader gepresenteerd en toegelicht.
Naar aanleiding van deze informatiebijeenkomsten is het ontwerp op ondergeschikte onderdelen aangepast dan wel nader uitgewerkt tot een uiteindelijk definitief ontwerp voor de herinrichting en modernisering van het Sportpark Boshoven. Hiermee heeft een zorgvuldige totstandkoming van het ontwerp plaatsgevonden met draagvlak vanuit de omgeving.
In Bijlage 20 is een samenvatting gegeven van datgene wat tijdens de participatie is opgehaald. De presentaties van deze informatiebijeenkomsten zijn respectievelijk als Bijlage 21, Bijlage 22 en Bijlage 23 bij deze motivering bijgevoegd.
Naast de participatie zoals benoemd in voorgaande paragrafen 7.1.2 en 7.1.3 heeft er ook nadere afstemming met de provincie Limburg plaatsgevonden over de herinrichting en modernisering van het sportcomplex. In het kader van deze afstemming heeft de provincie Limburg per mail d.d. 26 mei 2025 aangegeven het plan te hebben beoordeeld op provinciale belangen. Op basis hiervan zijn er vanuit de provincie geen bezwaren en is het plan vanuit de provincie akkoord bevonden.
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Met de herinrichting en modernisering van het Sportpark Boshoven is de gemeente Weert zelf initiatiefnemer. De kosten hiervoor worden gedekt door de gemeentelijke begroting. Hierin zijn de nodige budgetten c.q. reservering opgenomen voor de uitvoering c.q. realisatie van de herinrichting en modernisering. Het kostenverhaal is hiermee in voldoende mate verzekerd.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
Eventuele nadeelcompensatie, voor zover aan de orde, komt voor rekening van de gemeente.
Het planvoornemen voorziet in de herinrichting en modernisering van het Sportpark Boshoven. Hiermee wordt een verouderd sportcomplex dat niet meer voldoet aan de eisen en wensen van deze tijd gemoderniseerd. Daarnaast wordt het sportcomplex als 'Open Park Weert' open gesteld voor iedereen, zodat mensen al dan niet georganiseerd of ongeorganiseerd kunnen sporten. Dit kan hier op verschillende niveaus, zowel voor de beginnende sporter als de topsporter. Hiermee houdt de gemeente Weert haar (sport)voorzieningen in stand zodat mensen nu en in de toekomst kunnen werken aan hun gezondheid. Hiermee is voor de gemeente Weert een algemeen belang gediend om op sportgebied te voldoen aan haar eigen doelstellingen.
Het TAM-omgevingsplan wordt conform de gebruikelijk procedure (afdeling 3.4 Awb) gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsranden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden en ketenpartners over het planvoornemen. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen bij de vaststelling van het TAM-omgevingsplan.
In voorbereiding op dit TAM-omgevingsplan hebben burgemeester en wethouders gelet op artikel 16.29 van de Omgevingswet en artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit op 19 februari 2025 bekend gemaakt dat een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid voor de onderhavige locatie.
Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 28 augustus 2025 gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met 8 oktober 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het TAM-omgevingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 12 november 2025.