direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Cradle2Cradle woonwijk 't Ven Noord
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Bouwbedrijven Jongen B.V. is voornemens ter plaatse van het plangebied, bekend als 't Ven Noord te Venlo een bouwplan met 10 woningen te realiseren, geïnspireerd op het principe van Cradle to Cradle (C2C). Het voornemen past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ''t Ven'.

Om het voornemen mogelijk te maken wordt een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld waarin het voornemen juridisch-planologisch wordt verankerd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

Het plangebied, met een grootte van circa 3.000 m2, bevindt zich aan de noordzijde van de stadskern van Venlo, in de noordoostelijk deel van de wijk 't Ven.

De oostelijke begrenzing wordt gevormd door de meanderende Oude Turfstraat. De overige plangrenzen worden gevormd door agrarisch gebied welke grenst aan de achterzijden/erven van bebouwing langs Schoolstraat, Straelseweg en Oude Arenborgweg.

De ruggengraat van het gebied wordt gevormd door het historische waterloop Gerrittenbeek.

Onderstaande afbeelding toont de ligging en globale begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0001.jpg"

Afbeelding 1.1: ligging en begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ''t Ven' vigerend. Het vigerende bestemmingsplan is vastgesteld op 6 oktober 2009. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0002.jpg"

Afbeelding 1.2: vigerend bestemmingsplan

In het bestemmingplan is het plangebied bestemd als 'Agrarisch' en 'Water'. Daarnaast heeft een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor de regelgeving binnen de dubbelbestemming ''Waarde-Archeologie' wordt verwezen naar de betreffende omgevingsparagraaf 4.8.

Het onderhavige plan is op grond van het vigerend en ontwerp bestemmingsplan niet toegestaan vanwege het niet toestaan van woningen binnen de bestemming 'Agrarisch'.

Gelet hierop dient ten behoeve van het onderhavige plan een partiële herziening van het bestemmingsplan worden opgesteld, waarin onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op duurzaamheid en het C2C principe. Hoofstuk 6 gaat in op bestemmingsplansystematiek en het wijze van bestemmen. In hoofdstuk 7 en 8 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht.

Hoofdstuk 2 Gebieds- en projectomschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied ligt in de wijk 't Ven. In het plangebied en in het gebied ten noordwesten van het plangebied heeft tot 2009 glastuinbouw plaatsgevonden. Daarna heeft het een agrarisch karakter gekregen met grasland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0003.jpg" Afbeelding 2.1: huidige situatie

Verkeer

't Ven wordt zowel in het noorden als in het oosten ontsloten door belangrijke stroomwegen. Aan de noordzijde betreft dit de A67 Eindhoven/Duisberg-Oberhausen. Aan de oostzijde is de Weselseweg gelegen. Deze weg heeft een belangrijke ontsluitingsfunctie voor de gemeente Venlo in noord-zuidrichting. Voor het plangebied verzorgd de Oude Turfstraat de belangrijkste ontsluitingsfunctie. De Oude Turfstraat sluit aan op de Weselseweg en A67.

Bebouwing

De wegen rondom het plangebied, de Straelseweg, de Schoolweg en de Oude Arenborgweg vormen de huidige stedenbouwkundige structuur van 't Ven. De bebouwingsstructuur aan deze wegen is vrij open (overwegend half vrijstaande en vrijstaande woningen) met wisselende rooilijnen. De bebouwingshoogte varieert veel van 1 tot 2 bouwlagen met kap.

Er is al lang sprake van woningbouwplannen voor het plangebied. Zo is in het vigerende bestemmingsplan, welke in 2009 is vastgesteld, al aangegeven dat er plannen in voorbereiding zijn voor het realiseren van een woonlocatie voor enkele gronden tussen de Straelseweg, Oude Arenborgweg, Oude Turfstraat en de Schoolweg. Vanwege de crisis zijn deze plannen alleen nooit werkelijkheid geworden.

2.2 Toekomstige situatie

Op basis van de dynamische woningbouwprogrammering (DWP) is er geen uitbreiding van het aantal woningen toegestaan binnen de gemeente Venlo. De toepassing van de C2C principes in de woningen is echter een uitzondering waarop de bouw van deze nieuwe woningen in het plangebied wel kan worden toegestaan en dit plan van categorie 3 naar 2 kan worden gepromoveerd. Deze uitzondering kan echter alleen worden toegekend indien het plan voldoende onderscheidend en innovatief is.

Het voornemen is het realiseren van 10 C2C geïnspireerde grondgebonden woningen. Dit voornemen zal een kwalitatieve bijdrage gaan leveren aan de C2C ambities van Venlo. De woningen in deze nieuwe wijk zullen de bewoners inspireren met de C2C gedachte en hun een gezonde woon- en leefomgeving bieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0004.jpg"

Afbeelding 2.2: toekomstige situatie

Op 7 februari 2017 heeft het collega van de gemeente Venlo besloten om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van de de C2C geïnspireerde 10 woningen aan de Oude Turfstraat.

Onderhavig plan biedt ruimte aan een mix van woningtypologieën namelijk rijwoningen, twee-onder-één kapwoningen, (half) vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen.

De Oude Turfstraat wordt afgebouwd met een enkelzijdige bebouwingsstrook van 10 woningen. De Oude Turfstraat wordt geüpgraded naar een wegbreedte van circa 5,00 m met langsparkeren en een trottoir tot aan het kruispunt met de Schoolweg.

Ontsluiting

De woningen zijn direct gelegen aan de Oude Turfstraat.

Parkeren

Parkeren wordt gedeeltelijk op eigen erf opgelost, daarnaast is de mogelijkheid om parallel en aan één zijde van de Oude Turfstraat te parkeren, direct langs te realiseren woningen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De SVIR schetst het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van het rijk met ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028.

Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte richt zich op de volgende 13 nationale belangen behoren onder de voorname drie streefdoelen:

Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland

  • 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1);
  • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2);
  • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3);
  • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4).

Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid

  • 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5);
  • 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6);
  • 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7).

Waarborgen kwaliteit leefomgeving

  • 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's (nationaal belang 8);
  • 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9);
  • 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10);
  • 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11);
  • 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12);
  • 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13).

De (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Conclusie

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over kleinschalige ontwikkelingen, zoals onderhavige. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In paragraaf 3.1.3 wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) Algemene Maatregels van Bestuur (AMvB) Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Conclusie

Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de voorgenomen ontwikkeling in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro, artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Behoefte

Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van overprogrammering en de negatieve ruimtelijke gevolgen van leegstand.

Conclusie

Het onderhavige plan bestaat uit het realiseren van 10 grondgebonden woningen. Gelet op de tussen initiatiefnemer en de gemeente Venlo gesloten anterieure overeenkomst alsmede het feit dat de 10 grondgebonden woningen deel uitmaken van een door de initiatiefnemer gewenst programma van in totaal 50 woningen (10 + 40) zoals opgenomen in de woningbouwprogrammering, maakt dat voor deze 10 grondgebonden woningen ook sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De gemeente Venlo heeft in februari 2017 besloten om medewerking te verlenen aan de 10 woningen aan de Oude Turfstraat. De 10 woningen zijn opgenomen in de actuele plancapaciteitmonitor van de provincie Limburg met een eventuele uitbreidingsmogelijkheid met 40 woningen.

Uit provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid blijkt dat er behoefte is aan onderhavig plan. In de regio Noord-Limburg mogen alleen woningbouwplannen worden gerealiseerd die echt kwaliteit toevoegen. In 't Ven is meerdere jaren geleden het plangebied 't Ven-noord als mogelijk ontwikkellocatie aangeduid indien er een onderscheidende en innovatieve planinvulling voor wordt gevonden.

De woningbouwinvulling die nu met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kenmerkt zich als onderscheidend in innovatief. De woningbouwinvulling heeft als kenmerk energietransitie en het pionieren op het gebied van C2C. Met onderhavig plan wordt een prettige woonwijk met toekomstwaarde gerealiseerd. Met dit bestemmingsplan worden nog niet het realiseren van de eventueel overige 40 woningen mogelijk gemaakt. Hiervoor dient een aparte procedure gevolgd te worden. Door nu eerst de 10 woningen te realiseren kunnen er in een mogelijke vervolgfase eventueel verbeteringen worden doorgevoerd op het gebied van C2C. Dit om ook echt woningbouwplannen te realiseren die kwaliteit toevoegen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

In december 2017 is het geconsolideerde versie Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. In het POL2014 ligt het plangebied in de zone
'Buitengebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0005.jpg"

Afbeelding 3.1: Uitsnede POL-kaart Integrale zonering Limburg met globale aanduiding ligging plangebied (zwart omcirkeld)

De zone buitengebied omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij,
verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing.

Het gaat om de weergave van de feitelijke situatie van bebouwd en landelijk gebied. In de zone
bebouwd gebied maken de geplande en beoogde uitbreidingen in uitleg locaties er geen deel van uit, meestal vallen die onder het buitengebied.

In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema's benoemd waarop de
provincie een rol heeft of wil vervullen.

Op het gebied van wonen is de provinciale ambitie een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. De Limburgse woningmarkt biedt voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. De woningvoorraad biedt voldoende mogelijkheden voor doorstromingen, is toekomstbestendig en kan flexibel inspelen op (veranderende) woonwensen.

De Limburgse woningmarkt moet kwalitatief en kwantitatief de sprong maken naar een nieuwe werkelijkheid. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. In kwalitatief opzicht gaat het om het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad. De Limburgse woningmarkt is gediend met een ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Dat begrip omvat meerdere aspecten:

  • duurzaamheid (energieprestatie en- gebruik gedurende de hele levenscyclus van vastgoed, duurzaamheid en energie tijdens de bouw en sloop en hergebruik van materialen);
  • flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en functies;
  • levensloopbestendigheid (gebruikskwaliteiten gedurende de levensloop van gebruikers); als ruimtelijke basis: de locatie van woning(en), wat een focus inhoudt op plaatsen waar de randvoorwaarden voor een hoogwaardig woonklimaat ook op langere termijn aanwezig zijn.


De uitdaging is om een omslag te maken 'van kwantiteit naar kwaliteit' en meer schaarste te creëren. De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Op basis van een goede visie en een actueel overzicht van de voorraad worden per regio afspraken gemaakt. Deze afspraken gaan over het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, het schrappen van plannen en ideeën maar ook van harde plancapaciteit of nog uitgeefbare terreinen waar achteraf minder behoefte aan blijkt te bestaan en mogelijk ook de aanpak van leegstand. Er is onder voorwaarden ruimte voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.

Deze kwalitatieve opgave moet, gezien de afnemende kwantitatieve vraag, vooral gerealiseerd worden in de bestaande woningvoorraad, waarbij nieuwbouw (in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging) vooral moet worden ingezet om te voorzien in de vraag naar datgene waaraan ook op langere termijn het meest behoefte bestaat.

Bij planvorming voor uitbreiding van de woningvoorraad wordt de ladder voor duurzame verstedelijking consequent gehanteerd. De nog voorziene beperkte groei moet vooral worden
ingezet voor het versterken van het wonen in steden en kernen en het kwalitatief verantwoord afronden daarvan. Dit moet in de regionale visies verder geconcretiseerd worden, daarin moet ook worden bepaald welke ruimte er is voor kleine ontwikkelingen buiten het bestaand bebouw gebied.

Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een
transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks
bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en
functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. Uitbreiding via uitleggebieden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte. Hierbij is aandacht voor huisvesting van bijzondere doelgroepen (woonurgenten) en de aanpak van leegstand.

Conclusie

In het POL2014 ligt het plangebied in de zone 'Buitengebied'. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich naast landelijk gebied ook als bebouwd gebied. Het plangebied ligt net op de overgang van bebouwd naar landelijk gebied. Door onderhavig plan ontstaat er een duidelijke scheidingslijn tussen bebouwd en landelijk gebied. Het is een optimale locatie voor een uitbreiding van de wijk 't Ven. Daarnaast is het plangebied 't Ven-Noord al meerdere jaren als mogelijke ontwikkellocatie aangeduid indien er een onderscheidend en innovatieve planinvulling voor wordt gevonden. De woningbouwinvulling die nu met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt heeft als kenmerk energietransitie en het pionieren op het gebied van C2C. Dit sluit aan op het Provinciale Omgevingsplan Limburg 2014, waarin gesteld wordt de Limburgse woningmarkt gediend is met een ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Met onderhavig plan is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, de ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen, zie hiervoor paragraaf 3.1.3.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft in februari 2018 de geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn regels vastgelegd op het gebied van milieu, wegen, water, grond, agrarische bedrijven, natuur, wonen en ruimte.

Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied ligt binnen de volgende zones:

Grondwateronttrekking en Boringsvrije zone Venloschol

In deze zone is het verboden om beneden 5 meter boven NAP grondwater te onttrekken; water te infiltreren; een boorput te maken; de gronden te roeren; een gesloten bodemenenergiesysteem te maken; werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermde werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; een aardwarmtesysteem te maken. Het verbod geldt niet voor werkzaamheden ten behoeve van grondwater onttrekking met het oog op openbare drinkwaterproductie of andere onttrekkingen, mits bestemd voor uitsluitend menselijke consumptie. Aangezien er geen sprake is van een van deze ingrepen beneden 5 meter boven NAP, vormt de ligging in de grondwateronttrekking- en boringsvrije zone Venloschol geen belemmering.

Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014

Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking).

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan de beschrijving zoals in de vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

Conclusie

De zone grondwateronttrekking en boringsvrije zone Venloschol vormen geen belemmering voor onderhavig plan. Daarnaast sluit het onderhavige plan aan bij de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, zie paragraaf 3.3.1.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg

Op 20 april 2016 heeft de gemeente Venlo de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg vastgesteld. De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De regionale structuurvisie Wonen Noord- Limburg heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 4 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter.

Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van deze visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio.

  • 1. Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte: het aantal plannen dat we hebben en maken om nieuwbouw toe te voegen, moet in een gezonde verhouding staan tot de kwantitatieve behoefte. Dat betekent in de regio concreet dat de plancapaciteit wordt terug gebracht en alleen plannen toegevoegd mogen worden die echt kwaliteit toevoegen en passen bij de woonbehoefte van de afzonderlijke gemeenten in de regio. Waarbij de gemeente zelf lokaal verantwoordelijk voor het terugbrengen van de capaciteit.
  • 2. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer: in de visie is een afwegingskader ontworpen dat regionaal en lokaal het instrument vormt om tot een heldere prioritering en onderbouwing van nieuwbouwplannen te komen. De werkwijze sluit aan bij de principes van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
  • 3. Goed wonen voor iedereen, maar extra aandacht voor: de huisvesting van (toekomstige) werknemers en dan vooral de arbeidsmigranten.De deur in Noord-Limburg staat open voor deze groep. Ze gaan voor een uitnodigende strategie en kiezen voor de beleidslijn van short stay naar mid stay en uiteindelijk naar regulier wonen. Diezelfde uitnodigende houding stralen ze uit naar studenten, met een aantrekkelijk onderwijsaanbod en Venlo als levendige studentstad.
  • 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal: de eerste pijler van het dynamisch voorraadbeheer is het werken aan de kwaliteit en de geschiktheid van de bestaande voorraad. Vooral in de meer stedelijke wijken vraagt dit aandacht. Daar is vernieuwing nodig (slopen, verdunnen, renoveren).
  • 5. Een levensloopvriendelijke en duurzame regio: door de vergrijzing neemt het aantal senioren fors toe, in de kleine kernen gaat dit proces nog sneller. Dit willen we extra aandacht geven in lokaal woonbeleid. Aanpassing van de woning is primair de verantwoordelijkheid van de verhuurder of eigenaar. Maar we weten dat bewustwording over woningaanpassingen verschil maakt.

Nieuwe initiatieven/plannen (meer dan tien woning) worden regionaal afgestemd. Regionaal wordt de kwaliteit en ruimte voor het plan beoordeeld en wordt bepaald op welke wijze de plancapaciteit wordt verminderd.

Het is in onze visie essentieel dat de gemeenten zelf lokaal verantwoordelijk zijn voor het terugbrengen van de capaciteit en daarmee ook lokaal aanspreekbaar.

In de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg is een gezonde woningmarkt in balans. Het aantal plannen voor nieuwbouw moet in gezonde verhouding staan tot de kwantitatieve behoefte. De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg is uitgewerkt in lokaal woonbeleid.

De meest actuele plancapaciteit per gemeente is te vinden op www.pcmlimburg.nl. In deze monitor is het plan 't Ven-Noord met 10 koopwoningen in het overzicht opgenomen.

Conclusie

Eén van de vijf pijlers is een gezonde woningmarkt in balans. In de regio betekent dit concreet dat de plancapaciteit wordt terug gebracht en alleen plannen toegevoegd mogen worden die echt kwaliteit toevoegen en passen bij de woonbehoefte.

Stadsdeel 't Ven is een levendig deel van de stad Venlo. Het heeft eigenheid met een dorps karakter. Daarnaast wordt 't Ven opgenomen in de dynamiek van de stad Venlo. In de loop van vele jaren is 't Ven uitgebreid met diverse woningbouwlocaties.

In 't Ven is meerdere jaren geleden het plangebied 't Ven-noord als mogelijk ontwikkellocatie aangeduid indien er een onderscheidende en innovatieve planinvulling voor wordt gevonden. De gemeente Venlo en initiatiefnemer hebben hierover afspraken gemaakt. De woningbouwinvulling die nu met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt heeft als kenmerk energietransitie en het pionieren op het gebied van C2C. De nadruk wordt niet enkel gelegd op de invulling op basis van de huidige mogelijkheden van deze kenmerken maar streeft tevens naar toekomstbestendigheid en heeft de opgave om verbeterslagen door te voeren. Deze experimentele aanpak, in proces en realisatie, geven het plan voor de gemeente Venlo een uniek karakter ten opzichte van 'reguliere (woning)bouwontwikkelingen'.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische Visie Venlo 2030

Met de Strategische Visie Venlo 2030 geeft de gemeente Venlo een afwegingskader mee op basis waarvan toekomstige besluiten kunnen worden afgewogen en nieuwe ontwikkelingen binnen breder perspectief kunnen worden geplaatst. In de Visie is vastgelegd hoe Venlo zich tot 2030 zal moeten ontwikkelen.

Er zijn vijf thema's gekozen waarvoor een analyse voor het jaar 2010 is uitgevoerd en waarvoor de ambities voor het jaar 2030 zijn geformuleerd. Het betreft de volgende thema's:

  • Stad van actieve mensen
  • Innovatieve en excellente stad
  • Venlo internationaal
  • Centrum van de Euregio: hoofdstad en vitaal hart
  • Veelzijdige stad in het groen

De geschetste thema's en ambities zijn samengetrokken tot een drietal scenario's waarin duidelijk herkenbare accenten worden gezet. Tijdens het besluitvormingsproces over de strategische visie in de gemeenteraad is een aantal elementen uit deze drie scenario's samengevoegd tot een samengesteld scenario: Venlo Kansenstad (Je maakt het in Venlo). Dit is het scenario waarvoor de gemeenteraad zich raadsbreed heeft uitgesproken. Individuele ontplooiing en participatie, innovatiekracht en een aantrekkelijk woonklimaat zijn de belangrijkste karakteristieken van dit door de gemeenteraad gekozen samengesteld toekomstscenario.

Conclusie

Deze planontwikkeling is uniek in de gemeente Venlo, omdat voor het eerst de C2C ambities worden toegepast bij woningen. Deze ontwikkeling draagt bij aan de Strategische Visie Venlo 2030: innovatieve en excellente stad.

  • De ontwikkeling van deze C2C geïnspireerde woningen is een nieuwe en innovatieve stap in het ontwikkelproces van C2C en draagt bij aan het versterken van de toonaangevende rol die de gemeente Venlo nastreeft en kan belangrijke leerpunten opleveringen voor inhoud en proces.
  • Het vormt een inspiratie voor nog te ontwikkelen woningbouwplannen in Venlo. Dit project toont aan dat C2C ook loont in woningbouw. Dit biedt veel kansen voor de plannen die nog zijn voorzien in de dynamische woningbouwprogramma.
  • Deze C2C geïnspireerde woningen kunnen bij een zorgvuldige uitwerking onderscheidend zijn op regionaal en landelijk niveau en wellicht daarbuiten. Dit speciale gezonde woonmilieu kan aantrekkelijk zijn voor een brede doelgroep, ook van buiten Venlo, en kan op deze wijze bijdragen aan de doelstelling om hoger opgeleiden te boeien en te binden aan de regio.
3.4.2 Ruimtelijke structuurvisie Venlo

Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies.

In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030.

De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde 'majeure opgaven'. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'.

Majeure opgaven:

  • 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling.
  • 2. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten.
  • 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering.
  • 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving.
  • 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht.

Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als:

  • het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert;
  • de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen;
  • het zelf georganiseerd draagvlak geniet.


Ruimte in de stad

In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0006.jpg"

Afbeelding 3.2: ruimte in de stad

Het plangebied is gelegen in agrarisch gebied binnen contour stedelijk / dorpsgebied. In deze gebieden vinden in eerste instantie geen uitbreiding en/of specifieke ontwikkelingen plaats.

Conclusie

Met onderhavig plan wordt afgeweken van het beleid om geen uitbreiding toe te staan bij het agrarisch gebied binnen de contour stedelijk gebied.

In 't Ven is meerdere jaren geleden het plangebied 't Ven-noord als mogelijk ontwikkellocatie aangeduid indien er een onderscheidende en innovatieve planinvulling voor wordt gevonden. De gemeente Venlo en initiatiefnemer hebben hierover afspraken gemaakt. De woningbouwinvulling die nu met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt heeft als kenmerk energietransitie en het pionieren op het gebied van C2C. De nadruk wordt niet enkel gelegd op de invulling op basis van de huidige mogelijkheden van deze kenmerken maar streeft tevens naar toekomstbestendigheid en heeft de opgave om verbeterslagen door te voeren. Deze experimentele aanpak, in proces en realisatie, geven het plan voor de gemeente Venlo een uniek karakter ten opzichte van 'reguliere (woning)bouwontwikkelingen'.

De opzet van onderhavig plan zorgt daarbij voor een logische afronding van de straatwand.

3.4.3 Woonvisie 2016-2021

Op 21 december 2016 heeft de gemeenteraad van Venlo de Woonvisie 2016-2021 vastgesteld. In de woonvisie staan de prioriteiten van het lokale woonbeleid beschreven voor de periode 2016-2021 met een doorkijk naar de jaren daarna. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen in de sociale volkshuisvesting. In de woonvisie is het lokale woonbeleid voor de gemeente Venlo nader uitgewerkt op basis van de afspraken uit de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

Op basis van de te verwachten demografische ontwikkelingen wordt in de gemeente Venlo ingezet op twee prioritaire beleidslijnen:

  • 1. Het versterken van het stedelijk profiel van Venlo door een accent te leggen op verdichting in en rond het centrum;
  • 2. Een transformatieopgave in de wijken die verder van het centrum liggen door een gerichte verdunning op termijn en toevoeging van ruimtelijke kwaliteit in de woonwijken, zowel gericht op koop- als huurwoningen.

Het plangebied is gelegen binnen het ontwikkelprofiel van 'Venlo stad overig'. De ontwikkelperspectieven voor 'Venlo stad overig' welke vallen onder de twee prioritaire beleidslijnen zijn:

  • 1. Toenemende woningbehoefte komende 15 jaar accommoderen; ontwikkelen woningen met toekomstwaarde voor verschillende doelgroepen.
  • 2. Opvangen teruglopende woningbehoefte na 15 jaar; onttrekken van woningen met lage toekomstwaarde; investeren in woonaantrekkelijkheid en ruimtelijke kwaliteit: prettige woonwijken met toekomstwaarde; inzetten op goede balans tussen koop en huur; toevoegen van kwaliteit en diversiteit aan de woningvoorraad .

De belangrijkste opgaven van het woonbeleid zijn daarnaast gelegen in de thema's leefbaarheid, betaalbaarheid en beschikbaarheid (o.a. voor bijzondere doelgroepen), wonen met zorg en verduurzaming.

Naast energetische verduurzamingsdoelstellingen worden de Cradle-to-Cradle principes een belangrijk inspiratiekader voor ontwikkelingen in Venlo. Naast de Venlo principes (C2C) is ruimte maken voor groen en water in de stad en inzetten op klimaatbestendigheid in projecten een centraal uitgangspunt.

Conclusie

Voor onderhavig plan is beleidslijn 2 een belangrijk aspect. Met onderhavig plan wordt een prettige woonwijk met toekomstwaarde gerealiseerd waarbij duurzaamheid een belangrijk uitgangspunt is, Dit sluit aan op het ontwikkelprofiel van 'Venlo stad overig'. Bij nieuwbouw wordt levensloopbestendig bouwen nagestreefd. Onderhavig plan biedt ruimte aan maximaal 10 grondgebonden woningen en wordt gevormd door een mix van woningtypologieën namelijk rijwoningen, twee-onder-één kapwoningen, (half) vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen.

Bij het onderhavig plan wordt er daarnaast een kwalitatieve bijdrage geleverd aan de C2C ambities van Venlo en wordt er ingezet op de klimaatbestendigheid. Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de hevige piekbuien en toenemende hitte en droogte in de toekomst. De ambitie is om een woonwijk te realiseren die maximaal zelfregulerend is in haar behoefte. Water wordt meervoudig / continu gebruikt binnen de woonwijk en woningen. Het overschot aan hemelwater wordt geloosd op het rioolstelsel. De Gerrittenbeek wordt in een eventuele vervolgfase bij inrichting van het openbaar gebied aangepakt. Het hemelwater wordt op dat moment ook losgekoppeld van het rioolstelsel en aangesloten op de Gerrittenbeek.

Het onderhavige plan sluit aan op de Woonvisie 2016-2021.

3.4.4 Welstandsnota

Op 29 januari 2013 is door de gemeenteraad de 'Westandsnota gemeente Venlo 2013' vastgesteld. De welstandsnota geeft het kader aan waarmee de gemeente kan sturen op de verschijningsvorm van de gebouwde omgeving. Binnen dat kader wordt beoordeeld of bouwaanvragen voldoen aan de 'redelijke eis van welstand'.

Naast het welstandsbeleid kunnen nog diverse anderen instrumenten worden ingezet. Zo komen beeldkwaliteitsplannen voor als onderdeel van de welstandsnota. Kort gezegd is een beeldkwaliteitsplan een soort kleine welstandsnota voor een specifiek gebied. Het beeldkwaliteitsplan bevat specifieke welstandskaders (-criteria) die de welstandscommissie gebruik om een aanvraag voor een omgevingsvergunning te beoordelen.

Voor het plangebied is een beeldkwaliteitplan opgesteld. Het beeldkwaliteitplan geeft inzicht in de gewenste identiteit van de ontwikkeling en de vertaling ervan in de uitstraling van de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Dit is verwoord en verbeeld middels een set spelregels. Deze spelregels gaan onder andere over stedenbouwkundige aspecten, bebouwingstypologie, architectonische uitstraling, kapvorm, rooilijn, bouwhoogte, positionering en oriëntatie van de bebouwing, kleurstelling, materiaalgebruik en erfafscheidingen.

In de welstandsnota hanteert Venlo de "Venlo-Principes": de voor Venlo op maat gemaakt C2C-principes. Begrippen die vanuit C2C belangrijk kunnen zijn in relatie tot welstand zijn:

  • Demontabel, aanpasbaar en flexibel bouwen
  • Gezonde materialen
  • Andere dimensies en proporties in gevelvlakken en daken (schaal en maatverhoudingen)
  • Optimale oriëntaties van gevels en daken
  • Meerwaarde die het gebouw levert aan de mens en omgeving
  • In welke mate het gebouw bijdraagt aan de C2C ambities van de gemeente Venlo

De ontwikkeling wordt volgens de 'Venlo-Principes' vormgegeven en ontwikkeld. Binnen de criteria in dit beeldkwaliteitplan is voldoende ruimte om op creatieve en innovatieve wijze gestalte te geven aan de 'Venlo-Principes' Doel van het beeldkwaliteitplan is dan ook niet om innovatie te beperken maar alleen de ruimtelijke kernwaarden en identiteit vast te leggen. De criteria kunnen worden gehanteerd door de welstandscommissie bij de beoordeling van de bouwplannen. Dit beeldkwaliteitplan kan daardoor, na vaststelling door de gemeenteraad, als onderdeel van de welstandsnota worden beschouwd.

Conclusie

In het beeldkwaliteitsplan zijn diverse criteria betreft woningtypologie, situering en oriëntatie, massaopbouw, gevelkarakteristiek, kleur- en materiaalgebruik en openbare ruimte. Met de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt het definitieve bouwplan aan het beeldkwaliteitsplan getoetst.

Hoofdstuk 4 Milieu-en omgevingsaspecten

4.1 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzoringstehuizen etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden.

In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied.

In situaties waarbij de Wgh niet van toepassing is (bijvoorbeeld rond 30 km wegen of bij bedrijven niet gelegen op Wgh-gezoneerde bedrijventerreinen) zal de bescherming tegen geluid via de invulling van "een goede ruimtelijke ordening" plaatsvinden (Wro/Wabo).

Wegverkeerslawaai

Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere weg, met uitzondering van woonerven en 30 km gebieden. Voor alle woningen en geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van die weg liggen, moet de geluidsbelasting als gevolg van verkeerslawaai berekend worden.

De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. In art. 74 Wgh wordt de omvang van de zone voor de verschillende situaties aangegeven.

De waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan:

  • 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in buitenstedelijk gebied;
  • 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in stedelijk gebied;
  • 53 dB voor geluidsgevoelige terreinen.

Railverkeerslawaai

Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere spoorlijn.

De waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan:

  • 55 dB voor woningen en geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de spoorweg
  • 53 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van de spoorweg

Het onderhavige plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies binnen de invloedszone van een spoor. Een akoestisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavige plan.

Industrielawaai/bedrijfszonering

Zonering in het kader van industrielawaai Wet geluidhinder (Wgh) is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers, woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gevestigd. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers.

Voor een industrieterrein dient, in een bestemmingsplan, een geluidzone vastgesteld te worden (art. 40 Wgh). Het wijzigen of opheffen van een zone vindt uitsluitend plaats bij het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan (art. 41 Wgh). Op de geluidgrens (de vastgestelde zonegrens) mag de geluidsbelasting ten gevolge van alle bedrijvigheid samen de 50 dB(A) etmaalwaarde niet te boven gaan. Voor nieuwe woningen in de geluidzone, het gebied buiten het industrieterrein en binnen de zonegrens, kunnen hogere geluidsbelastingen (HGW) worden toegestaan tot ten hoogste 55 dB(A).

Toetsing van het onderhavige plan

Het onderhavige plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies binnen de invloedszone van een spoor of binnen de zonering van een industrieterrein. Een akoestisch onderzoek voor deze twee aspecten is niet noodzakelijk.

De woningen binnen het plangebied ondervinden echter wel een geluidbelasting van de Rijksweg A67 en Weselseweg. Aangezien het onderhavige plan een geluidsgevoelige functie mogelijk maakt binnen de geluidszone van de Rijksweg A67 en Weselseweg is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Schoolweg (30 km/uur) meegenomen in het onderzoek.

In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 1 opgenomen.

  • De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Rijksweg A67 bedraagt 53 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde wordt derhalve met 5 dB overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 53 dB wordt niet overschreden;
  • De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Weselseweg bedraagt 51 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde wordt derhalve met 3 dB overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt niet overschreden;
  • De hoogste geluidbelasting ten gevolge van Schoolweg bedraagt 34 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). Aangezien het een weg betreft met een maximaal toelaatbare snelheid van 30 km/uur is toetsing aan de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Indien het vergelijk wordt gemaakt met een gezoneerde weg, en daarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, blijkt dat er sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting;
  • De hoogste gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge alle wegen samen bedraagt 58 dB exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting;
  • Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn beoordeeld en stuiten op bezwaren van financiële, verkeerskundige of stedenbouwkundige aard. Er dient derhalve een onderzoek te worden uitgevoerd naar het treffen van maatregelen bij de ontvanger;
  • Op basis van de geluidbelastingen vanwege de Rijksweg A67 en de Weselseweg dient bij gemeente Venlo een verzoek gedaan te worden voor het verlenen van hogere waarden;
  • Er dienen aanvullende berekeningen uitgevoerd te worden ten aanzien van de geluidwerende (bouwkundige) voorzieningen voor de woningen met een gecumuleerde geluidbelasting vanaf 53 dB exclusief aftrek ex aftrek 110g Wgh. Het onderzoek is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, indien er hogere waarden worden verleend door de gemeente Venlo op basis van de geluidbelasting vanwege de Rijksweg A67 en Weselseweg.

4.2 Bodem

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu.

Middels onderhavig plan wordt functie gewijzigd. Er is sprake van een wijziging naar een gevoeliger functie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van gewijzigd gebruik is noodzakelijk.

Toetsing van het onderhavige plan

Ten behoeve van het onderhavige plan is begin 2017 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 2 opgenomen.

Grond

In de boven- en ondergrond van de onderzoekslocatie zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen aangetroffen. Daarnaast is in het mengmonster van de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetoond.

Er zijn derhalve geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bodemverontreinigingen in de vaste grond van de onderzoekslocatie uit het uitgevoerde onderzoek naar voren gekomen.

Asbest

Uit de analyseresultaten is gebleken dat ter plaatse van de voormalige bebouwing zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetroffen.

Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Gegeven de in het rapport beschreven onderzoeksresultaten, wordt de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling, het plangebied is geschikt voor het beoogde gebruik. Indien bij de bouw grond wordt geroerd, verplaatst en/of van de locatie wordt aan-/afgevoerd, dient rekening te worden gehouden met de Wet bodembescherming en/of Besluit bodemkwaliteit.

4.3 Luchtkwaliteit

De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg);
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Toetsing van het onderhavige plan

In het plangebied worden 10 C2C woningen gerealiseerd. Dit betekent dat het onderhavige plan ruim past binnen de kaders van het besluit 'niet in de betekenende mate'. Geconcludeerd kan worden dat onderhavige plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen.

Op basis van de verscheidene bronnen blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof PM10 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 2016 bedraagt de achtergrondbelasting respectievelijk 18,6 µg/m³ en 24,7 µg/m³. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 µg/m³.

Conclusie

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.4 Bedrijf en Milieuzonering

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.

VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering"

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Toetsing van het onderhavige plan

De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woningen, een tuinbouwbedrijf en agrarische bedrijven. Het plangebied en de omgeving kan worden gekenmerkt als 'rustige woonwijk'. De richtafstanden kunnen derhalve niet met één stap worden verkleind.

Onderhavig plan wordt niet gekenmerkt als een milieubelastende activiteit, dit houdt in dat het onderhavige plan geen mogelijke hinder op milieugevoelige bestemmingen in de directe omgeving kan creëren. Wel wordt het gekenmerkt als een milieuhinder gevoelige bestemming. Dit betekent dat onderhavig plan kan worden belemmerd door mogelijke hinder van milieubelastende bestemmingen in de direct omgeving van het plangebied.

Onderhavig plan als milieuhinder gevoelige functie

De woningen betreffen een milieuhinder gevoelig functie. Milieubelastende activiteiten in de omgeving dienen derhalve rekening te houden met de wooneenheden. Er is één milieubelastende activiteit in de omgeving gelegen, namelijk een tuinbouwloonbedrijf (Oude Turfstraat 35).

Planologisch toegestane situatie

Het perceel waar het tuinbouwloonbedrijf gevestigd is heeft binnen het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'bedrijf' met een functieaanduiding 'bedrijf van categorie 3.1'

De richtafstanden bij een bedrijf met een maximale milieucategorie 3.1 bedraagt maximaal 50 meter. De grens van het perceel tot de eerste woningen binnen het plangebied bedraagt minder dan 50 meter echter de grens van het bouwvlak van het bedrijf tot de eerste woningen binnen het plangebied bedraagt meer dan 50 meter.

Werkelijke situatie

Het tuinbouwloonbedrijf welke er gevestigd is, is op dit moment een bedrijf met een milieucategorie 3.1. Het tuinbouwloonbedrijf betreft een milieubelastende activiteit welke in de VNG-publicatie ingedeeld kan worden onder Dienstverlening t.b.v. de landbouw. In navolgende tabel worden de richtafstanden betreffende geur, stof, geluid en gevaar weergeven.

SBI-2008   OMSCHRIJVING   AFSTANDEN  
-     GEUR   STOF   GELUID   GEVAAR   CATEGORIE  
016-1   Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m2   30   10   50   10   3.1  

Het perceel van het tuinbouwloonbedrijf tot de eerste woningen binnen het plangebied bedraagt circa 30 meter. Het aspect geluid kan voor belemmering zorgen. Er staan echter al bestaande woningen dichter bij het perceel van het tuinbouwloonbedrijf dan de te realiseren woningen binnen het plangebied. Het tuinbouwloonbedrijf wordt daardoor niet extra belemmerd in hun bedrijfsvoering door de komst van de nieuwe woningen op circa 30 meter vanaf het perceel.

Conclusie

De nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied kunnen gehinderd worden op basis van het geluid wat geproduceerd wordt bij het tuinbouwloonbedrijf. Daarnaast kan de bedrijfsvoering van het tuinbouwloonbedrijf belemmert worden door de komst van de nieuwe woningen. De richtafstand voor geluid bedraagt 50 meter en de nieuw te bouwen woningen zijn op minimaal 30 meter gelegen. De bestaande woningen langs de Oude Turfstraat zijn echter al dichterbij het bedrijfsperceel gelegen waardoor de voorgenomen woningbouw ter plaatse van het plangebied geen extra belemmering zullen vormen voor de gebruiksmogelijkheden van het perceel.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).

Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:

  • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;
  • het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Toetsing van het onderhavige plan
Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In navolgende afbeelding is de risicokaart weergegeven. Hierop is onder andere informatie over risico's van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Ook is er informatie opgenomen over risico's van luchtvaartongevallen, ongevallen op het wegen-, spoorwegen- en waterwegennet en overstromingen met water en dergelijke.


afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0007.jpg"

Afbeelding 4.1: uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: risicokaart.nl)

Risicovolle bronnen

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

De Weselseweg is door de provincie Limburg vrijgegeven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (bron: www.risicokaart.nl). De functie van transportroute voor doorgaand vervoer (naar Duitsland) is met de nieuwe grensovergang via de A74 komen te vervallen.

Het plaatsgebonden risico is op 1 meter uit het midden van de weg lager dan de grenswaarde van 10-6/jaar. Hier ligt het plangebied buiten. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied, waarbij een verantwoording van het groepsrisico benodigd is. In april 2010 is als onderdeel van het nieuwe bestemmingsplan “ ’t Ven”, waarin het plangebied is gelegen, door Bureau Oranjewoud een onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid. Uit het rapport blijkt dat uit de berekening van het groepsrisico voor de Weselseweg dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt. Het groepsrisico zal met voorgenomen ontwikkeling niet met meer dan 10% toenemen, een berekening van de hoogte van het groepsrisico is daarmee niet benodigd. Wel is er een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd.

Op een afstand van circa 330 meter ten noorden van het plangebied, loopt de A67. Over deze weg vindt volgens de Risicokaart transport van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 27 meter is. Hier ligt het plangebied buiten. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen het invloedsgebied, waarbij verantwoording van het groepsrisico benodigd is. De ligging ten opzichte van de A67 vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Beperkte verantwoording groepsrisico

Voor de Weselseweg dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, in verband met de ligging binnen het invloedsgebied, een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Omdat het groepsrisico met niet meer dan 10% zal toenemen, kan op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit houdt op basis van artikel 7 van het Bevt in dat ingegaan dient te worden op:

  • a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en
  • b. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet.

De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Er bestaan in verband met de ligging in het invloedsgebied van de Weselseweg met name risico's in verband met ongelukken:

  • met brandbaar gas (BLEVE);
  • met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).

De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels deze ontwikkeling de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij 'optimale' weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquillklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen.

Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert.

Advies veiligheidsregio

Door de Veiligheidsregio Limburg-Noord is een advies (d.d. 21 mei 2019) gegeven, dat als bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen. De belangrijkste aspecten uit dit advies zijn hieronder samengevat.

De nieuw te bouwen woningen worden afgeschermd van de A67 door woningen aan de (Oude) Arenborgweg waardoor op het scenario ongeval met brandbare gassen niet verder wordt ingegaan. De nieuwe bewoners worden als zelfredzaam beschouw. Op deze afstand van het plangebied tot de A67 is de zelfredzaamheidsstrategie bij een ongeval met toxische vloeistoffen schuilen in de woning en de centrale ventilatiesystemen uitschakelen. Er wordt dan ook geadviseerd om de woningen uit te voeren met een uitschakelbare mechanische ventilatie die op een gemakkelijk bereikbare plaats kan worden aangestuurd (bij voorkeur de meterkast). Daarnaast adviseren wij u zorg te dragen dat de bewoners op de hoogte zijn van de toxische risico's van de A67 zodat ze daarnaar kunnen handelen in geval van een calamiteit.

Buisleidingen

Ten noordoosten van het plangebied is een buisleiding van de Gasunie gelegen. Deze buisleiding is gelegen op een afstand van circa 250 meter. De maximale werkdruk van deze buisleiding bedraagt 40 bar en de uitwendig diameter bedraagt 8,62 inch. De buisleiding heeft daarbij een invloedsgebied van 95 meter. De buisleiding vormt hiermee geen risicovolle bron voor onderhavig plan.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is er geen belemmering op het gebied van externe veiligheid voor het planvoornemen.

4.6 Ecologie

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.

4.6.1 Soortenbescherming

Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

Toetsing van het onderhavige plan

Ten behoeve van het onderhavige plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 4 opgenomen.

Vleermuizen

Verblijfplaatsen buiten het plangebied

In de bebouwing rondom het plangebied kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten vleermuizen aanwezig zijn. Door tijdens de uitvoering en in de eindsituatie het aanlichten van deze zone te voorkomen, is verstoring van een eventuele verblijfsfunctie niet aan de orde.

Foerageergebied

Door de realisatie van de woningen is er sprake van een afname van foerageergebied in de vorm van weiland. Het bosperceel blijft echter behouden. Ook in de toekomstige tuinen kan gefoerageerd worden door vleermuizen. Hiermee blijven voldoende foerageermogelijkheden bestaan in het plangebied en wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van het verdwijnen van een essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

Vliegroute

De randen van het bosperceel theoretisch dienst doen als verbinding tussen de bebouwde kom, waar zich verblijfplaatsen kunnen bevinden, en het buitengebied om te foerageren. Door tijdens de uitvoering en in de eindsituatie het aanlichten van deze mogelijke vliegroute te voorkomen, is verstoring ervan alsmede van indirect een eventuele verblijfsfunctie, niet aan de orde.

Broedvogels

Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt de werkzaamheden uit te voeren of te starten buiten het broedseizoen. Er wordt geen standaardperiode voor het broedseizoen gehanteerd; ongeacht het seizoen mogen nesten van vogels die actief in gebruik zijn, niet worden aangetast of verstoord. Het broedseizoen loopt van globaal medio maart – eind juli, maar is afhankelijk van de betreffende soort en buitentemperatuur.

Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4)

Steenuil

Op basis van verspreidingsgegevens, de geschiktheid van het plangebied en de aangetroffen sporen is de functie van het plangebied als vast rust- of verblijfplaats en functioneel foerageergebied niet uitgesloten. Een aanvullend onderzoek zal hier inzicht in moeten geven om het effect van de ingreep volledig te kunnen toetsen.

De effectenindicator geeft ook weer dat de steenuil gevoelig is voor de effecten: directe sterfte, optische verstoring, verstoring door trilling, verstoring door licht, verstoring door geluid, verontreiniging, versnippering, oppervlakteverlies en verlies vaste verblijfplaatsen.

Op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek dienen maatregelen te worden getroffen om de functie van foerageergebied te behouden. Deze maatregelen dienen in een activiteitenplan te worden vastgelegd en middels een ontheffingsaanvraag aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.

In de periode februari t/m april 2017 is er nader onderzoek uitgevoerd naar de steenuil. De gehele rapportage is als Bijlage 5 opgenomen.

Op basis van het nader onderzoek kan de conclusie getrokken worden dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een territorium van de steenuil. De voorgenomen herinrichting van het terrein leidt niet tot aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats en/of foerageergebied van de steenuil. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning van de Wet natuurbescherming is niet nodig in het kader van de beoogde ontwikkeling.

4.6.2 Gebiedsbescherming

Ter invulling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan de Minister van Economische Zaken gebieden als Natura 2000-gebied of als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen. Voor deze gebieden geldt op basis van de Wet natuurbescherming een zorgplicht, en voor Natura 2000-gebieden geldt bovendien een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dit wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermd gebied.

De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Toetsing van het onderhavige plan

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde element van het NNN ligt op ongeveer 400 meter ten noorden van het plangebied, aan de andere kant van de A67. Er is geen sprake van een afname van het oppervlak, of versnippering van het NNN. In de Provincie Limburg kent het NNN geen externe werking. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op (wezenlijke kenmerken en waarden van) het NNN zijn uit te sluiten. Een 'Nee Tenzij toets' is niet noodzakelijk.

Natura-2000

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt over de grens in Duitsland, Heronger Heide, op een afstand van circa 2 kilometer. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Nederland is Maasduinen op meer dan 4,5 kilometer afstand ten noorden van het plangebied.

Van oppervlakteverlies en/of versnippering van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten is geen sprake. Eventuele verstoring door geluid, licht en trilling is niet aan de orde, gelet op de afstand tot de natuurgebieden en de ligging van het plangebied. De emissie van stikstof reikt echter verder vanaf het plangebied. De stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase (realiseren van de woningen) en de gebruiksfase (toenemende verkeersgeneratie) is in beeld gebracht middels een stikstofdepositie onderzoek. Uit het stikstofdepositie onderzoek, welke als Bijlage 6 is opgenomen, blijkt dat de stikstofemissie in de realisatie en gebruiksfase niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Water

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

Beschrijving van waterrelevant beleid op 10 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico's op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering.

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

Kenmerken van het watersysteem

De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater en hemel- en afvalwater.

Grondwater

Het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone "Venloschol", zoals deze is opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Het diepe grondwaterpakket mag alleen worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen voor beregening uit ondiep grond-water hanteert het waterschap een stand-still beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol gelden beneden 5 meter boven NAP regels voor het hebben van een boorput, het roeren van de grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. Het één en ander is opgenomen in artikel 4.4.2 tot en met 4.4.4 van de Omgevingsverordening Limburg.

Binnen het plangebied zijn dergelijke onttrekkingen niet voorzien, waarmee er vanuit de ligging binnen de "Venloschol" geen belemmeringen bestaan.

Begin 2017 heeft er een bodem-, asbest- en infiltratieonderzoek plaatsgevonden.

In het grondwatermonster uit peilbuis 01 is een sterk verhoogde concentratie aan nikkel (en licht verhoogde concentratie aan kobalt, koper, molybdeen en barium) gemeten.

De aangetoonde concentratie aan nikkel overschrijdt de betreffende interventiewaarde. Er is derhalve mogelijk sprake van een ernstige grondwaterverontreiniging. Uit het historisch onderzoek is gebleken dat op en in de buurt van de onderzoekslocatie regelmatig sterk verhoogde concentraties aan zware metalen worden aangetroffen. Het gaat hier vermoedelijk dan ook om lokaal verhoogde achtergrondwaarden.

Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Er dient wel rekening gehouden te worden met een sterk verhoogd gehalte aan nikkel in het grondwater.

Oppervlaktewater

Door het plangebied loopt de historische waterloop Gerrittenbeek. De Gerrittenbeek wordt in het onderhavige plan geïntegreerd.

Hemelwater

De C2C ambitie is het realiseren van een woonwijk die maximaal zelfregulerend is in haar behoefte (ex drinkwater) en water een belevingsmoment is in de wijk. De gewenste resultaten zijn: water wordt meervoudig gebruikt binnen de woonwijk en woningen; overtollig water wordt geïnfiltreerd; waterstromen worden gezuiverd binnen het plangebied voor hergebruik.

Hemelwater wordt op eigen terrein opgeslagen door middel van een ondergrondse tank (3-5 m3) en wordt hergebruikt voor toiletspoeling, het sproeien van de tuin en andere doeleinden. De overloop aan hemelwater wordt geloosd op de Gerrittenbeek.

De hemelwaterbuffer dient te voldoen aan de afkoppelbeslisboom van de gemeente Venlo. De eis is dat 50 mm per toename aan verhard oppervlak (m2) geborgen/geïnfiltreerd dient te worden.

Infiltreren van water in de bodem wordt zo goed als uitgesloten door de slechte infiltratie van de grond.

Afvalwater

Het grijswater (vanaf keuken, douche en wasmachine) en zwartwater (toilet) wordt verzameld in een rioolstelsel. Het rioolstel wordt onder vrij verval aangesloten op het gemeentelijk stelsel.

De haalbaarheid wordt onderzocht om het gehele plan waterneutraal/waterpositief te maken waarbij er vrijwel geen aanvoer meer is van gebiedsvreemd water (in de vorm van drinkwater) en er geen openbaar riool meer nodig is. Dit kan op basis van: besparing op drinkwater door keuzes voor waterbesparende kranen, toiletten en douches; gebruik van regenwater voor douchen, wassen en eventueel de wasmachine; hergebruik van grijs water voor toiletspoeling, buitenkraan en eventueel de wasmachine; zuivering van het zwarte water en lozing op oppervlaktewater.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

4.8.1 Archeologie

De gemeente Venlo heeft de 'Archeologische Beleidskaart Venlo 2015' opgesteld. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de beleidskaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0008.jpg"

Afbeelding 4.2: uitsnede archeologische beleidskaart Venlo 2015

Het zuidelijke deel van het plangebied (circa 1.600 m2) is gelegen binnen de zone met een zeer hoge archeologische verwachting. Dat betekent dat er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is wanneer bodemingrepen groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 40 cm.

Het noordelijk deel van het plangebied is gelegen binnen de zone met een lage archeologische verwachting. Dat betekent dat er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is wanneer bodemingrepen groter zijn dan 5.000 m2 en dieper dan 40 cm.

Omdat de oppervlakte van het plangebied deze normen overschrijdt, is ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging een inventariserend (voor)onderzoek vereist. Het doel daarvan is het specificeren van de archeologische verwachting volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart.

In 2018 is door Transect een archeologisch vooronderzoek gedaan in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als bijlage 7 opgenomen.

Het onderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied uitgegaan kan worden van een lage archeologische verwachting op het aantreffen van resten uit het verleden. In het zuidwestelijk deel van het plangebied - parallel aan de Oude Turfstraat - bestaat wel een hoge verwachting op het aantreffen van (constructie)resten van het Grand Canal du Nord, een niet-afgerond waterstaatkundig project van Napoleon. Transect b.v. adviseert dan ook om voor de zone van het kanaal een archeologische verwachting binnen het nieuw op te stellen bestemmingsplan op te nemen. Wij stellen voor om het kanaal, conform de systematiek van de gemeentelijke archeologische beleidskaart voor historisch bekende verdwenen boerderijen, aan te duiden met een zeer hoge archeologische verwachting. De bijbehorende oppervlakte- en dieptenorm zijn respectievelijk 100 m2 en 40 cm.

Daarom wordt voorgesteld hiernaar vervolgonderzoek uit te voeren. Dit zou kunnen door strategisch een tweetal proefsleuven te plaatsen dwars op het kanaalverloop. Geofysisch onderzoek (grondradar, elektrische weerstand) zou een mogelijkheid zijn om muurwerk behorend tot het kanaal te karteren, maar de aanwezigheid daarvan is onwaarschijnlijk. Als de aanwezigheid en ligging van het kanaal in het plangebied in beeld is, kunnen er maatregelen op worden genomen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het inpassen van de resten in bouwplannen (zichtbaar of onder eventuele nieuwbouw), of anderzijds (al dan niet gecombineerd met) uit een archeologisch gravend onderzoek naar het kanaal (Archeologische opgraving). Voor een gravend onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PVE) nodig dat door de gemeente Venlo is beoordeeld en goedgekeurd.

Voor de rest van het plangebied (anders dan het zuidwesten) zijn ten aanzien van de nieuwbouw geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. Wel geldt dat er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016 artikel 5.10 bij de gemeente dienen te worden gemeld.

Conclusie

De aanbeveling op basis van het archeologische vooronderzoek is door de gemeente overgenomen bij wijze van selectiebesluit. Ter van het Grand Canal du Nord is daarom in de verbeelding een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” opgenomen. Wanneer de bodemingrepen groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -mv dient er aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden.

4.8.2 Cultuurhistorie

De gemeente Venlo heeft een 'Cultuurhistorische inventarisatiekaart' opgesteld. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de inventarisatiekaart van het plangebied en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201905C2CVENNRD-VA01_0009.jpg"

Afbeelding 4.3: uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart

Het ketelhuis en schoorsteen Theelen aan de overzijde van het plangebied, aan de Oude Turfstraat, is niet opgenomen in deze inventarisatiekaart. Na het opstellen van deze inventarisatiekaart heeft nog een inventarisatie plaatsgevonden van aan glastuinbouw gerelateerd erfgoed, daarbij kwam het ketelhuis en schoorsteen Theelen naar voren. Enkele woningen welke gerealiseerd gaan worden met voorgenomen ontwikkeling kijken uit op het ketelhuis en schoorsteen Theelen.

Op de inventarisatiekaart is te zien dat er een boerderij of woonhuis binnen het plangebied gelegen is; deze is niet meer aanwezig. Daarnaast is de Gerrittenbeek gelegen binnen het plangebied, deze blijft met voorgenomen ontwikkeling behouden.

Ten noordoosten van het plangebied zijn het Grand Canal du Nord en voormalige wegen weergegeven. Ter hoogte van het Grand Canal du Nord is in de verbeelding een dubbelbestemming opgenomen, welke de archeologische waarden beschermt bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm -mv.

Om het voornemen mogelijk te maken dient de Oude Turfstraat verbreed te worden naar een wegbreedte van circa 5,00 m met langsparkeren en een trottoir tot aan het kruispunt met de Schoolweg. Het landelijke karakter van de Oude Turfstraat zal hierdoor ingrijpend wijzigen. Daarnaast is het plangebied gelegen in het 'natte kampontginning' landschap. Door het bebouwingslint, dat ontstaat met voorgenomen ontwikkeling verdwijnt de openheid van het landschap.

4.9 Verkeer en Parkeren

Verkeer

De woningen zijn direct gelegen aan de Oude Turfstraat. De Oude Turfstraat sluit aan op de Schoolweg, Oude Arenborgweg, Weselseweg en A67.

Parkeren

De gemeente Venlo heeft een gemeentelijk verkeers- en vervoersplan 2007-2020, vastgesteld op 30 mei 2017. In dit plan geven ze aan geen specifieke norm voor de gemeente Venlo te ontwikkelen, de toepassing van de landelijke norm volstaat als algemene richtlijn.

Op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (publicatie 317, oktober 2012) van het CROW kan de parkeerbehoefte van de ontwikkeling berekend worden. Deze cijfers zijn onder meer gebaseerd op bestaand gebruik en gaan uit van vraagvolgend beleid, maar zeggen niets over de toekomstige groei of juist afnamen van het gebruik. Wanneer we uitgaan van een matig stedelijk gebied in de rest bebouwde kom dan bedraagt de parkeernorm:

  • koop vrijstaand: 2,2 parkeerplaatsen per woning
  • koop, twee-onder-een kap: 2,1 parkeerplaatsen per woning
  • koop, tussen/hoek: 1,9 parkeerplaatsen per woning

Afhankelijk van de te realiseren woningtypologieën dient de parkeerbehoefte bepaald te worden waaraan te allen tijde voldaan zal moeten worden.

De woonwijk wordt gerealiseerd met in achtneming van het Cradle2Cradle (C2C) principe. De vraagzijde vanuit een conventionele eco-efficiënte aanpak zoekt vaak naar het reduceren of minimaliseren van de 'negatieve voetafdruk'. Het reduceren van autoverkeer en het stimuleren van OV en fietsgebruik kan gezien worden als het minimaliseren van de 'negatieve voetafdruk'. Daarnaast kan er gedacht worden aan het toepassen van elektrische deelauto's. Het hanteren van de parkeernorm de bovengenoemde parkeernorm doet in dit geval afbreuk aan het C2C principe. Door het hanteren van een parkeernorm van 1,2 per woning voor reguliere parkeerplaatsen en 0,2 per woning voor deelauto's voorzien van elektrische laadpalen wordt het gebruik van OV, de fiets en deelauto's gestimuleerd. Het plangebied ligt gunstig ten opzichte van het OV. Het plangebied is op fietsafstand gelegen vanaf het Centraal Station van Venlo en op loopafstand van een busstation, welke richting het centrum van Venlo gaat.

Er zijn voor voorgenomen ontwikkeling in totaal 12 reguliere parkeerplaatsen benodigd en 2 parkeerplaatsen voor deelauto's voorzien van elektrische laadpalen. De parkeerplaatsen worden ingepast in het plan door bij enkele woningen parkeren op eigen erf mogelijk te maken en de overige parkeerplaatsen te situeren aan één zijde van de Oude Turfstraat (langsparkeren), direct langs de te realiseren woningen.

4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In het plangebied wordt de nieuwbouw van woningen mogelijk gemaakt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. De realisatie van woningen valt onder onderdeel D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.-beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op:

  • 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of;
  • 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Omdat de drempelwaarde van 2.000 woningen niet wordt overschreden dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden.

Voor voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie bijlage 8) opgesteld waar het college van burgemeester en wethouders een besluit over heeft genomen. In bijlage 9 is het besluit weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft het college besloten dat voor de planontwikkeling geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

Hoofdstuk 5 Duurzaamheid

  • De woonwijk wordt gerealiseerd met in achtneming van het CradleCradle beoordelingsmatrix zoals vastgelegd in de Anterieure overeenkomst die gesloten is tussen de gemeente Venlo en initiatiefnemer.
  • De vraagzijde vanuit een conventionele eco-efficiente aanpak zoekt naar het reduceren of minimaliseren van de 'negatieve' voetdruk. Door een eco-effectieve aanbodzijde en de integratie van positieve doelstellingen, op C2C-waarden en -principes gebaseerd, is men in staat om direct te innoveren in de richting van een 'positieve voetafdruk'.
  • In de beoordelingsmatrix van de Anterieure overeenkomst zijn vijf C2C-thema's opgenomen die leidend zijn voor de planontwikkeling. Deze thema's zijn:
      • a. Gezonde en veilige materialen;
      • b. Schone energie;
      • c. Aanpasbaar bouwen;
      • d. Continue waterkringlopen;
      • e. Diversiteit & luchtkwaliteit.

In onderstaande paragraaf wordt kort ingegaan op de overeengekomen ambities per C2C-thema en op welke concrete maatregelen geïntegreerd worden in het plan.

5.1 Gebruik van gezonde en veilige materialen

Ambitie

De C2C ambitie wat betreft materiaalgebruik houdt rekening met het gebruik van schone en veilige materialen, die uiteindelijk kunnen terugkeren in een continue biologische- of technologische kringloop.

Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende gewenste resultaten:

  • In de woonwijk en woningen worden in toenemende mate cradle to cradle gecertificeerde (of gelijkwaardige) materialen toegepast;
  • Toegepaste materialen hebben een meerwaarde voor de gebruiker en omgeving;
  • Er zijn afspraken gemaakt vanuit de Total Cost of Ownershipbenadering, o.a. voor gegarandeerde terugname van producten en materialen;
  • Materialen worden veilig opgenomen in een biologische- of technologische kringloop, zowel bij toepassing als demontage.

Dit leidt tot de volgende meerwaarden:

  • Woonwijk 't Ven Noord wordt een grondstoffenbank voor de toekomst;
  • Materialen hebben een positief effect op mens en milieu;
  • Toegepaste materialen behouden een restwaarde.

Maatregelen

In het plan dienen tenminste de volgende concrete maatregelen te worden geïntegreerd:

  • Tenminste 10 C2C gecertificeerde materialen (o.g.) zijn toegepast in de woningen en openbare ruimte;
  • Voor tenminste 50% van de toegepaste C2C-materialen geldt een gegarandeerde terugnamegarantie;
  • Voor tenminste 20% van de toegepaste C2C-materialen geldt een financiële restwaarde bij terugname.
  • Materialen worden geselecteerd op hun positieve impact zoals geluidsreductie, beeldkwaliteit, cultuurhistorie en luchtkwaliteit;
  • Terugnamegaranties worden meegenomen in marketing;
  • Ontwikkelen van C2C materialenboek voor verbouw en aanbouw;

5.2 Schone energie

Ambities

De C2C ambitie is om enkel schone energie te gebruiken en lokaal op te wekken. Daarbij zijn de woningen energieneutraal. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende gewenste resultaten:

  • Woningen en voorzieningen maken enkel gebruik vanhernieuwbare energie (geen gas);
  • Er wordt hernieuwbare energie opgewekt binnen de grenzen van de woonwijk;
  • Energie-efficiëntie wordt ingezet om maximaal mogelijk gebruik te maken van hernieuwbare energie;
  • Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijk daglicht;
  • Het energiesysteem is zichtbaar en draagt bij aan de bewustwording van de bewoners.

Dit leidt tot de volgende meerwaarden:

  • Lage / geen energiekosten;
  • Onafhankelijk van fossiele brandstoffen;
  • Vergroten van bewustwording en energie-efficiëntie.

Maatregelen

In het plan dienen tenminste de volgende concrete maatregelen te worden geïntegreerd:

  • Er is geen gasaansluiting en kopers worden aangemoedigd alleen schone energie in te kopen;
  • Woningen zijn energieneutraal (met minimaal EPC=0);
  • Woningen worden voorzien van PV-panelen en wekken zelf energie op;
  • Daken worden zo gunstig mogelijk t.o.v. de zon gepositioneerd voor energieopwekking en daglichttoetreding.

5.3 Aanpasbaar bouwen

Ambities

De C2C ambitie is dat woningen flexibel & aanpasbaar zijn in de toekomst en zijn ontworpen voor eenvoudige demontage en hergebruik. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende gewenste resultaten:

  • Woningen zijn flexibel te gebruiken en toekomstgericht;
  • De woningen zijn aanpasbaar gedurende het gebruik en demonteerbaar aan het einde van de levensduur;
  • Woningen zijn ontworpen volgens de principes van Design for Disassembly.

Dit leidt tot de volgende meerwaarden:

  • Inspelen op toekomstige veranderingen;
  • Materialen kunnen terugkeren in de kringloop, zonder verlies van kwaliteit en grondstoffen;
  • Hoogwaardige materialen kunnen terugkeren in de kringloop.

Maatregelen

In het plan dienen tenminste de volgende concrete maatregelen te worden geïntegreerd:

  • Woningen zijn demontabel;
  • Woning is flexibel indeelbaar, zowel bij aankoop als tijdens gebruik;
  • De meerwaarde van de aanpasbare woningen worden meegenomen bij marketing;
  • Woningen worden zo ontworpen dat ze maximaal voldoen aan de woon carrière van de gebruiker;
  • Ontwikkelen van een groen sloopbestek.

5.4 Continue waterkringlopen

Ambities

De C2C ambitie is het realiseren van een woonwijk die maximaal zelfregulerend is in haar behoefte (excl. drinkwater) en water een belevingselement is in de woonwijk.

Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende gewenste resultaten:

  • Water wordt meervoudig / continu gebruikt binnen de woonwijk en woningen;
  • Al het overtollige water wordt geïnfiltreerd, met positieve effecten op de omgeving;
  • Waterstromen worden gezuiverd binnen het plangebied voor hergebruik;

Dit leidt tot de volgende meerwaarden:

  • Waterrijke leefomgeving;
  • Minder belasting voor openbaar rioleringsstelsel;
  • Optimaal gebruik van (rest)waterstromen.

Maatregelen

In het plan dienen tenminste de volgende concrete maatregelen te worden geïntegreerd:

  • Via een grijswatercircuit wordt (hemel)water op eigen perceel hergebruikt, voor o.a. toiletspoeling, sproeien van tuin en overige doeleinden;
  • Woningen zijn voorzien van aansluitingen voor een eventueel toekomstig helofytenveld;
  • Hemelwater in het openbare gebied wordt in het gebied geïnfiltreerd;
  • Onderzoeken of waterkwaliteit van Gerrittenbeek verbeterd kan worden.

5.5 Diversiteit & luchtkwaliteit

Ambities

De C2C ambitie wat betreft luchtkwaliteit & biodiversiteit (gezondheid) is het rekening houden met het leveren van een positieve bijdrage aan een gezonde leefomgeving en luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit is gezond & veilig.

Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende gewenste resultaten:

  • Het binnenklimaat in de woningen is gezond & veilig;
  • De woonwijk en de woningen verbeteren meetbaar de lokale buitenluchtkwaliteit;
  • Functioneel groen draagt positief bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en leefkwaliteit.

Dit leidt tot de volgende meerwaarden:

  • Groen verbetert lucht- en leefkwaliteit;
  • Toename van biodiversiteit (aantal en soorten flora en fauna).

Maatregelen

In het plan dienen tenminste de volgende concrete maatregelen te worden geïntegreerd in het plan:

  • Het CO2-gehalte in de woningen is beter dan gemiddeld;
  • Er is een gezond en veilig binnenklimaat in de woningen door materiaalgebruik, te openen ramen e.d.;
  • Uitvoeren nulmeting aantal en soorten flora en fauna;
  • Bestaande groen- en waterstructuur (o.a. Bestaande bomenstructuur & Gerrittenbeek) worden behouden en versterkt;
  • Toegevoegd groen draagt meetbaar bij aan biodiversiteit en beleefbaarheid;
  • De woningen en/of bijgebouwen worden natuurinclusief gebouwd.

Hoofdstuk 6 Juridische toelichting

6.1 Juridische vormgeving

Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012, alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, regels en deze toelichting.

6.2 Toelichting op de regels

Bij het opstellen van de regels werd uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012 (SVBP2012) en het vigerende bestemmingsplan.

De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven;

Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelregel, algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels;

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de bestemming aan te geven.

6.2.1 Inleidende regels

Begrippen (art. 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.

Wijze van meten (art. 2)

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouw-werken/ percelen gemeten moeten worden.

6.2.2 Bestemmingsregels

Bestemmingen

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • 1. Bestemmingsomschrijving;
  • 2. Bouwregels;
  • 3. Nadere eisen;
  • 4. Afwijken van de bouwregels;
  • 5. Specifieke gebruiksregels;
  • 6. Afwijken van de gebruiksregels;
  • 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • 9. Wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een bestemming niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd.

In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Op de verbeelding zijn bouwgrenzen opgenomen die een bouwvlak voor gebouwen vormen. Tevens is een aanduiding voor de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen.

6.2.3 Algemene regels

In artikel 7, de Antidubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In artikel 8 en 9 zijn respectievelijk de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels opgenomen. Deze verschaffen het college van burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

In artikel 10 zijn de Algemene procedureregels opgenomen.

6.2.4 Overgangs- en slotregels

In de bepaling Overgangsrecht (artikel 12) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel (artikel 13) is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere woningen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat iedereen de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Wettelijk (voor)overleg

Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1 Overleg

Aan de besturen en dienst van de betrokken bevoegde gezagen is gevraagd om een reactie te geven op het concept van het ontwerp bestemmingsplan. In het kader van het wettelijk vooroverleg zijn reacties/advies ontvangen van de Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Veiligheidsregio Limburg-Noord. De ingekomen reacties/advies zijn overwegend positief met een paar kanttekeningen, deze zijn beoordeeld en verwerkt.

8.2 Procedure

Het ontwerp-bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.8 Wro 6 weken ter inzage te liggen, waarbij een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad kan indienen.

Het ontwerp-bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan hebben van 20 februari tot en met 1 april 2020 ter inzage gelegen. Van de terinzagelegging is op de gebruikelijke en voorgeschreven wijze kennis gegeven. Iedereen heeft de mogelijkheid gekregen om tegen het ontwerp-bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan reacties kenbaar te maken. Voorts is de kennisgeving gezonden aan tenminste de diensten van rijk en provincie die zijn belast met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn en aan het betrokken waterschapsbestuur.

Met betrekking tot het ontwerp-bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan is 1 schriftelijke zienswijze annex inspraakreactie ingediend. De gemeente heeft in een reactienota (zie bijlage 10) aangegeven wat het standpunt is op de ingebrachte zienswijze op het ontwerp-bestemmingsplan en de inspraakreactie op het beeldkwaliteitsplan. De zienswijzeprocedure heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Op 24 juni 2020 heeft de raad van de gemeente Venlo het bestemmingsplan ongewijzigd vastgsteld.