1 Inleidende bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locaties Wetering 1 en 2 te Nederweert en vormt een juridisch nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22v) van het omgevingsplan van de gemeente Nederweert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening
www.ruimtelijkeplannen.nl. het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Artikel 1 Toepassingsbereik
- De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
- De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Wetering 1 en 2 Nederweert, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.TAMHfd22vWeter1en2-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage l bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage l bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage l bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage l bij het Omgevingsbesluit en bijlage l bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
3.1 omgevingsplan
het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert.
3.2 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v Wetering 1 en 2 Nederweert met identificatienummer NL.IMRO.0946.TAMHfd22vWeter1en2-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.
3.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
3.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
3.5 aan huis gebonden bedrijf
een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
3.6 aan huis gebonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
3.7 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen), uitsluitend in de vorm van een akkerbouwbedrijf.
3.8 akkerbouwbedrijf
een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig telen van gewassen en afhankelijk is van de grond als productiefactor waarbij het bedrijfsmatig houden van dieren niet is toegestaan.
3.9 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.10 bebouwde deel van de bouwkavel
dat deel van de agrarische bouwkavel waarop alle gebouwen en andere bouwwerken zoals bedrijfswoning, stallen, loodsen, waterbassins, mestopslag, (folie)kassen, schaduwhallen, silo's en permanente teeltondersteunende voorzieningen opgericht dienen te worden.
3.11 bebouwingsconcentratie
bebouwingsclusters en/of bebouwingslinten, zoals aangegeven op de verbeelding.
3.12 bedrijfswoning
een woning, in of bij een bedrijf, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
3.13 bestaand
zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
3.14 bijgebouw
een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.
3.15 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
3.16 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
3.17 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
3.18 bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel.
3.19 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
3.20 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
3.21 broedseizoen
(vaak vaste) periode waarin een vogel één of meerdere eieren legt en uitbroedt, en de jongen opgroeien tot ze kunnen (uit)vliegen of zelfstandig zijn.
3.22 dagperiode
De beoordelingsperiode van 07:00 tot 19:00 uur.
3.23 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
3.24 evenement
periodiek terugkerende gebeurtenis die verplaatsbaar is en waarbij muziek, kunst, cultuur, sport, religie, wetenschap of een combinatie van deze centraal staat. Een evenement is in de meeste gevallen publiek toegankelijk.
3.25 extensieve dagrecreatie
recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen; onder extensieve (dag)recreatie vallen geen gemotoriseerde sporten.
3.26 functiegrens
de grens van een functievlak.
3.27 functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
3.28 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
3.29 gewasbeschermingsmiddelen
gewasbeschermingsmiddelen zijn chemische of biologische stoffen die in de landbouw worden gebruikt voor het beschermen van een gewas tegen schadelijke organismen zoals insecten, schimmels, onkruid en bacteriën.
3.30 groenvoorzieningen
groenvoorzieningen zijn het geheel van de aanplant in een gebied dan wel het aanbrengen of voorzien van groen.
3.31 grondgebonden agrarisch bedrijf
een agrarische bedrijfsvoering die geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Tot een grondgebonden agrarisch bedrijf worden met name een akkerbouwbedrijf, een veehouderij (niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf), alsmede een productiegerichte paardenhouderij gerekend.
3.32 hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
3.33 intensief veehouderijbedrijf
het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. In principe wordt gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). Een melkveehouderij en een intensieve kwekerij worden niet beschouwd als intensief veehouderijbedrijf.
3.34 kampeermiddel
- een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
- enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is.
3.35 kas
een gebouw, bestaande uit glas of ander licht-doorlatend en transparant materiaal, dienend tot het kweken of trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten.
3.36 landschapselement
punt-, lijn- en vlakelement met een maximale grootte van 5 ha, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving.
3.37 mestbewerking/-verwerking
De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding.
3.38 nevenactiviteiten
een activiteit die naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit (agrarisch bedrijf) ter plekke, zoals een speeltuin, kinderopvang, boerengolf, educatieve doeleinden.
3.39 nieuwvestiging
het vestigen van een bedrijf, waaronder begrepen zowel vestiging op een bestaand als een nieuw bouwvlak.
3.40 omschakeling
omzetten van een bedrijfstype in een ander bedrijfstype.
3.41 opslag
Het bewaren van goederen, bijvoorbeeld in een loods.
3.42 onbebouwde deel van de bouwkavel
dat deel van de agrarische bouwkavel waarop containervelden, tijdelijke hoge boogkassen, tijdelijke regenkappen en lage boogkassen opgericht dienen te worden.
3.43 peil
voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:
de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
De gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
3.44 permanente teeltondersteunende voorzieningen
overkapping van de teelt, welke gedurende meer dan 6 maanden in het jaar aanwezig is.
3.45 recreatief medegebruik
vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.
3.46 statische opslag
Statische opslag is binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijnde voor de handel en niet worden opgeslagen voor een niet-agrarisch bedrijf elders, zoals (seizoens-)stalling van (antieke) auto’s, boten, caravans, campers en dergelijke.
3.47 stiltegebied
stiltegebieden zijn milieubeschermingsgebieden waarin het aspect stilte bijzondere bescherming nodig heeft, aangezien het anders verloren dreigt te gaan. Stiltegebieden worden door de provincies op grond van artikel 4.9 van de Wet milieubeheer vastgelegd in het provinciaal milieubeleidsplan. Tot de gebieden behoren tenminste:
- de gebieden die krachtens de Wet natuurbescherming zijn aangewezen als beschermd natuurmonument of als staatsnatuurmonument, en
- de gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfsplaats voor watervogels (Conventie van Ramsar (1971), Trb. 1975, 84).
3.48 teeltondersteunende voorzieningen
uitgespreid afdekmateriaal, afdekmateriaal met ondersteunende constructie (lage, niet menstoegankelijke tunnels en tijdelijke menstoegankelijke tunnels), bestemd voor vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen- en boomteelt.
3.49 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
overkapping van de teelt, welke maximaal 6 maanden of korter in het jaar aanwezig is (al dan niet in een aaneengesloten periode).
3.50 verbeelding
de verbeelding behorend bij dit plan met idn- NL.IMRO.0946.TAMHfd22vWeter1en2-VA01.
3.51 volwaardig agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf met ten minste de arbeidsomvang van een volwaardige arbeidskracht en een zodanige bedrijfsomvang dat de continuïteit ook op langere termijn in voldoende mate is gewaarborgd.
3.52 voorgevelrooilijn
een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m. ter weerszijden van die voorgevel.
3.53 watergang
natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan worden.
3.54 waterstaat
toestand van het oppervlakte- en grondwater.
3.55 woning
een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.
3.56 woonunit
een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
Voor de meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op artikel 22.24 van het Omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen en zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hier niet is afgeweken in het tweede lid tot en met het zevende lid.
- De dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale dak.
- De goothoogte van een bouwwerken wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
- De inhoud van een bouwwerken wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
- De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerken, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
- De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/ of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
- De hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
- De 50 en 100 meter rooilijn wordt gemeten vanuit de dichtstbij gelegen rijbaan van de (rijks)weg, waarbij de toe- en afrit ook als rijbaan beschouwd worden.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoel in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
2 Functies en activiteiten
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
Artikel 7 Agrarisch met waarden – Openheid
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch met waarden – Openheid’.
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Agrarisch met waarden – Openheid’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
- agrarisch grondgebruik;
- de uitoefening van een akkerbouwbedrijf, ter plaatse van de activiteit ‘akkerbouw’;
- ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zone beperkingen gewasbeschermingsmiddelen’ een spuitvrije zone;
- aanvoer en opslag van vaste mest afkomstig van derden, t.b.v. het gebruik voor het eigen akkerbouwbedrijf ter plaatse;
- landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan ‘Wetering 1 & 2 Nederweert’ d.d. 20-11-2025, ter plaatse van de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Wetering 1 & 2 Nederweert, en overeenkomstig de bepaling in subsubparagraaf 7.4.2;
- accu’s binnen het bouwvlak, t.b.v. opslag van energie afkomstig van de eigen zonnepanelen;
- versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
- verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
- waterhuishoudkundige doeleinden;
- groenvoorzieningen;
- extensieve dagrecreatie, inclusief semi-verharde parkeervoorzieningen;
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
7.3.1 Algemeen
Op de voor ‘Agrarisch met waarden – Openheid’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de ter plaatse toegestane functie(s), waarbij de volgende beoordelingsregels gelden.
7.3.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken
- gebouwen worden alleen gebouwd binnen de aanduiding ‘bouwvlak’;
- Per ‘bouwvlak’ met functie ‘Agrarisch met waarden - Openheid’ als bedoeld in artikel 7 lid 2 is maximaal 1 (bedrijfs-)woning toegestaan, tenzij op de verbeelding een ander aantal woningen staat vermeld;
- buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn, behoudens het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 sub 5, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van het agrarisch grondgebruik en/of recreatief medegebruik, met een maximale hoogte van 5 m en een maximale oppervlakte van 100 m2, danwel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m2 per bouwwerk.
Voor de bouwwerken gelegen binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ met functie ‘Agrarisch met waarden - Openheid’ als bedoeld in
subsubparagraaf 7.3.2 sub a, gelden de volgende beoordelingsregels:
- bedrijfsgebouwen:
goothoogte | max. 7 m. |
bouwhoogte | max. 10 m. |
dakhelling | min. 12° |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens | min. 5 m. |
- bedrijfswoningen:
dakhelling | min. 12° |
inhoud, inclusief bijgebouwen t.b.v. privégebruik | max. 1.100 m3 |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens | min. 5 m. |
- bijgebouwen bij de bedrijfswoning:
goothoogte | max. 3,20 m. |
bouwhoogte | max. 5,50 m. |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens | min. 5 m. |
afstand tot de bedrijfswoning | max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel |
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
| | bouwhoogte | inhoud | afstand tot zijdelingse perceelsgrens |
mestsilo's | max. 8,5 m. | max. 2.500 m3 | min. 5 m. |
overige silo's | max. 12 m. | n.v.t. | min. 5 m. |
erfafscheidingen | max. 2 m. | n.v.t. | n.v.t. |
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde | max. 4,5 m. | n.v.t. | n.v.t. |
- teeltondersteunende voorzieningen:
| | bouwhoogte | oppervlakte | Overig |
permanente teeltondersteunende voorzieningen (binnen bouwvlak) | max. 2,50 m., m.u.v. ondersteunende kassen welke 8 m. hoog mogen zijn | max. 5.000 m2 | |
tijdelijke regenkappen | max. 2,50 m. | max. 10% van het totale teeltoppervlakte | aansluitend aan het bebouwde deel van het bouwvlak |
tijdelijke hoge boogkassen | max. 2,50 m. | max. 10% van het totale teeltoppervlakte | aansluitend aan het bebouwde deel van het bouwvlak |
- verhardingen, niet zijnde inritten tussen de weg en het bedrijf, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.
7.3.3 Maatwerkvoorschriften
- het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de:
- bebouwing;
- verhardingen.
- deze maatwerkvoorschriften kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
- de natuurlijk en/of landschappelijke waarden van het gebied;
- stedenbouwkundige kwaliteit;
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid;
- de externe veiligheid;
- de hemelwaterproblematiek.
- Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van agrarische ontwikkelingen, dient bij de aspecten natuurlijk en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 11 in acht te worden genomen. Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van ontwikkelingen bij niet-agrarische bedrijven en recreatiebedrijven, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 11 in acht te worden genomen.
7.3.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 en staan een vergroting van de inhoud van een burger- of bedrijfswoning, inclusief bijgebouwen tot 1.200 m3, indien het perceel niet groter is dan 1.000 m2 en tot 1.400 m3, indien het perceel groter is dan 1.000 m2 toe, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de inhoud van de burger- of bedrijfswoning inclusief bijgebouwen, indien het perceel niet groter is dan 1.000 m2, niet meer mag bedragen dan 1.200 m3;
- de inhoud van de burger- of bedrijfswoning inclusief bijgebouwen, indien het perceel groter is dan 1.000 m2, niet meer mag bedragen dan 1.400 m3;
- sprake is van een samenhangend geheel, waarbij de woning tezamen met de uitbreiding een eenheid dient te vormen;
- de uitbreiding planologisch aanvaardbaar is;
- de uitbreiding niet voor/ aan de voorgevel plaatsvindt;
- de uitbreiding niet zodanig is dat woningsplitsing via eenvoudige bouwkundige ingrepen mogelijk wordt;
- op grond van het bepaalde in artikel 11 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd.
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 en staan het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten toe, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
- de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3 m. bedraagt;
- een overeenkomst inzake nadeelcompensatiemet de gemeente wordt aangegaan.
Aanvullend afwegingskader
Een in
subsubparagraaf 7.3.4 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.4 Specifieke functieregels voor gebruik
7.4.1 Algemeen
Tot een met de functie ‘Agrarisch met waarden - Openheid’ strijdig gebruik, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in
artikel 7 lid 2, meer in het bijzonder:
- het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterrein of kleinschalige campings – behoudens het bepaalde in, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
- het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
- het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel;
- het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, uitsluitend:
- tot een oppervlakte van 200 m2 per agrarisch bedrijf, mits geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking en er geen detailhandel plaatsvindt anders dan verkoop van lokaal geproduceerde streekeigen producten.
- het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/- verwerking;
- het gebruik van de bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
- het gebruik van de bedrijfsgebouwen en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
- het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;
- het gebruik van de agrarische bedrijfswoning voor burgerbewoning;
- het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting – specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Wetering 1 & 2 Nederweert
Het gebruik van gronden en bouwwerken conform
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de maatregelen in het landschappelijk inpassingsplan ‘Wetering 1 en 2 Nederweert d.d. 20 november 2025’ zoals opgenomen in bijlage 22v.1 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding ‘specifieke van groen – landschappelijke inpassing Wetering 1 en 2 Nederweert’, binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan zijn uitgevoerd en na deze termijn duurzaam in stand worden gehouden;
- burgemeester en wethouders kunnen omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid a en toestaan dat wordt afgeweken van het in bijlage 22v.1 bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan, mits:
- sprake is van een gelijkwaardige of betere landschappelijke inpassing;
- de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast; en
- vooraf op basis van een nieuw uitgewerkt landschappelijk inpassingsplan advies wordt ingewonnen bij de gemeente Nederweert.
7.4.3 Verkoop van streekeigen producten
Als specifieke nevenactiviteit bij agrarische bedrijven is de verkoop van streekeigen producten tot max. 200 m2 toegestaan.
7.4.4 Beroep of bedrijf aan huis
Het gebruiken van een (bedrijfs-)woning voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
- de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
- er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
- er geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
- geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
7.4.5 Specifiek strijdig gebruik van gronden in verband met de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
- onder gebruik in strijd met dit plan wordt verstaan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zone beperkingen gewasbeschermingsmiddelen’, met uitzondering van handmatige pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde spuitdop uitsluitend ten behoeve van onkruidbestrijding.
7.4.6 Specifieke functieregels gebruik met nadere afweging
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub f en staan toe dat de agrarische bebouwing gebruikt wordt ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de huisvesting enkel plaatsvindt in de bestaande bebouwing, met dien verstande dat in afwijking hiervan oprichting van extra bebouwing is toegestaan, mits deze passend is bij de bestaande bedrijfsgebouwen, voldaan wordt aan het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 en sprake is van landschappelijke inpassing van de bebouwing;
- een dergelijke huisvesting noodzakelijk is vanuit het oogpunt van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarische bedrijf;
- de huisvesting enkel werknemers betreft die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;
- sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- het gebruik dient te worden beëindigd, zodra de behoefte aan tijdelijke huisvesting ter plaatse niet meer aan de orde is.
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub f en staan toe dat bijgebouwen worden gebruikt ten behoeve van mantelzorg, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- sprake is van een mantelzorgindicatie;
- de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van de hoofdbebouwing;
- sprake dient te zijn van een ondergeschikte functie bij de woning;
- er geen tweede woning mag ontstaan;
- het gebruikt dient te worden beëindigd, zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.
- Het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub i en staan toe dat de agrarische bedrijfswoning wordt gebruikt voor bewoning door burgers, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de bewoning is aangevangen na 1 september 2007;
- het betreft een bestaande woning die binnen een agrarisch bouwvlak ligt;
- er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- er mag geen (extra) hinder of belemmering worden veroorzaakt voor een bedrijf waarbij de woning hoort alsmede voor omliggende bedrijven.
- Het bepaalde in artikel 7 lid 2 en de uitoefening van nevenactiviteiten toestaan, onder de voorwaarden dat:
- de nevenactiviteit onderschikt blijft aan het bestaande gebruik van het perceel;
- de nevenactiviteit qua aard en omvang dient te passen bij de specifieke kwaliteit en schaal van de omgeving;
- de nevenactiviteit dient plaats te vinden in de bestaande bebouwing;
- de nevenactiviteit geen (extra) hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
- het een gebiedseigen functie betreft;
- maximaal 1 nevenactiviteit per adres is toegestaan;
- Het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.2 en staan een gewijzigde landschappelijke inpassing toe, onder de voorwaarden dat:
- er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot een aangepaste landschappelijke inpassing;
- de gewijzigde landschappelijke inpassing tenminste een gelijkwaardige landschappelijke kwaliteit waarborgt als het inpassingsplan ‘Wetering 1 en 2 Nederweert’, d.d. 5 juni 2025;
- het nieuwe inpassingsplan voorzien is van een positief advies van de kwaliteitscommissie.
Aanvullend afwegingskader
Een in
subsubparagraaf 7.4.6 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
- er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
- functiewijziging ten behoeve van nieuwe solitaire detailhandelsvestigingen, groothandel, kantoren, glastuinbouw, (zware) industrie, transport- en distributiefuncties en andere bedrijvigheid die op grond van rijks- of provinciaal beleid elders dient te worden gelokaliseerd en bedrijvigheid niet genoemd in de in bijlage 22v.2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten of gelijkwaardig is niet toegestaan;
er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid en infrastructuur;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid.
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
- wonen in de vorm van een burgerwoning;
- de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, overeenkomstig de bepalingen uit subsubparagraaf 8.5.2;
- landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan ‘Wetering 1 & 2 Nederweert’ d.d. 20-11-2025, ter plaatse van de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Wetering 1 & 2 Nederweert, en overeenkomstig de bepaling in subsubparagraaf 8.5.4;
met de daarbij behorende:
- tuinen en verhardingen;
- parkeervoorzieningen;
- groenvoorzieningen;
- waterhuishoudkundige voorzieningen;
- overige bijbehorende voorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
8.3.1 Algemeen
Op de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de functie, met dien verstande dat:
- binnen het bouwvlak uitsluitend een woning, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen worden gebouwd;
- binnen het bouwvlak maximaal één woning is toegestaan.
8.3.2 Bouwwerken
Voor de bouwwerken gelegen binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ met functie ‘Wonen’ als bedoeld in
artikel 8 lid 2, gelden de volgende beoordelingsregels:
- woningen, inclusief bijgebouwen:
dakhelling | min. 12°, deze eis geldt niet voor bijgebouwen. |
inhoud (woning, inclusief bijgebouwen) | max. 2.955 m3 |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens voor woningen en bijgebouwen | min. 5 m. |
afstand van een woning danwel een bijgebouw tot hart van de weg | min. 30 m. bij gebiedsontsluitingswegen min. 15 m. bij erftoegangs- en onverharde wegen |
goothoogte vrijstaande bijgebouwen | max. 3,20 m, tenzij de goothoogte op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan reeds meer bedraagt,deze goothoogte als maximaal toelaatbaar wordt aangehouden. |
bouwhoogte vrijstaande bijgebouwen | max. 5,50 m., tenzij de bouwhoogte op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan reeds meer bedraagt,deze bouwhoogte als maximaal toelaatbaar wordt aangehouden. |
afstand tot woning (incl. bijgebouwen) voor vrijstaande bijgebouwen | max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel |
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitende binnen een afstand van maximaal 50 m. achter de voorgevelrooilijn:
bouwhoogte erfafscheidingen | max. 2 m.; erfafscheidingen zijn ook vóór de voorgevelrooilijn toegestaan tot een bouwhoogte van max. 1 m. Hieronder wordt ook inbegrepen het benodigde geluidscherm n.a.v. het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Het geluischerm zal over de gehele lengte van de tuin worden uitgevoerd, met een maximale hoogte van 1 meter. De exacte situering van de het geluidscherm is weergegeven in bijlage 22v.3 bij deze planregels. |
Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde | max. 6 m. |
Oppervlakte | max. 30 m2 |
- nieuwbouw van woningen is niet toegestaan;
- vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits dit plaatsvindt op bestaande fundamenten;
- bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd.
8.3.3 Maatwerkvoorschriften
- het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de:
- bebouwing;
- verhardingen.
- deze maatwerkvoorschriften kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
- de natuurlijk en/of landschappelijke waarden van het gebied;
- stedenbouwkundige kwaliteit;
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid;
- de externe veiligheid;
- de hemelwaterproblematiek.
8.3.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken voor:
- het bepaalde in subsubparagraaf 8.3.2 sub 3 en staan het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten toe, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
- de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3 m. bedraagt;
- een overeenkomst inzake nadeelcompensatie met de gemeente wordt aangegaan.
Aanvullend afwegingskader
Een in
subsubparagraaf 8.3.4 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen
onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
8.3.5 Specifieke beoordelingsregels geluid
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning uitsluitend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- op de eerste en tweede bouwlaag dient de voorgevel uitgevoerd te worden als niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;
- bij een niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving:
- bevat de uitwendige scheidingsconstructie van die gevel geen te openen delen anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
- worden aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte niet hoger is dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
- de voorgevel dient uitgevoerd te worden conform het akoestisch onderzoek ‘20250027.02 – Akoestisch onderzoek geluidwering van de gevel Wetering 1 Nederweert’, bijgevoegd als bijlage 22v.5 bij deze planregels;
- ter borging van de binnenwaarde van het geluidgevoelig gebouw bedraagt het gezamenlijk geluid op de hoogst belaste geluidgevoelige gevel maximaal 62 dB.
8.4 Voorwaardelijke verplichting – geluidwerende voorziening
De woning mag niet in gebruik worden genomen voordat het geluidsscherm behorend bij dit plan:
- is gerealiseerd overeenkomstig de maatregelen en uitgangspunten zoals beschreven in het akoestisch onderzoek “20250027.01 Akoestisch onderzoek – geluidgevoelig object in geluidaandachtsgebied Wetering 1 Nederweert”, bijgevoegd als bijlage 22v.4 bij deze planregels; en
- qua situering is uitgevoerd zoals weergegeven op bijlage 22v.3, bijgevoegd bij deze planregels.
- Het geluidsscherm als bedoeld in lid a dient in stand te worden gehouden.
8.5 Specifieke functieregels voor gebruik
8.5.1 Algemeen
Tot een met de functie ‘Wonen’ strijdig gebruik, word in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in
artikel 8 lid 2, meer in het bijzonder:
- het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
- het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
- het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel;
- het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten;
- het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/-verwerking;
- het gebruik van opstallen voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
- het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
- het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
8.5.2 Beroep of bedrijf aan huis
Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
- de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
- er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen tot een maximum van 75 m2;
- geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
- geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten;
- op eigen terrein wordt voorzien in de benodigde parkeergelegenheid;
- de gebruiksmogelijkheid van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
8.5.3 Voorwaardelijke verplichting -specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Wetering 1 & 2 Nederweert
Het gebruik van gronden en bouwwerken conform
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de maatregelen in het landschappelijk inpassingsplan ‘Wetering 1 en 2 Nederweert d.d. 20 november 2025’ zoals opgenomen in bijlage 22v.1 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding ‘specifieke van groen – landschappelijke inpassing Wetering 1 en 2 Nederweert’, binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan zijn uitgevoerd en na deze termijn duurzaam in stand worden gehouden;
- burgemeester en wethouders kunnen omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid a en toestaan dat wordt afgeweken van het in bijlage 22v.1 bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan, mits:
- sprake is van een gelijkwaardige of betere landschappelijke inpassing;
- de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast; en
- vooraf op basis van een nieuw uitgewerkt landschappelijk inpassingsplan advies wordt ingewonnen bij de gemeente Nederweert.
8.5.4 Voorwaardelijke verplichting – geluidwerende voorziening
De woning mag niet in gebruik worden genomen voordat het geluidsscherm behorend bij dit plan:
- is gerealiseerd overeenkomstig de maatregelen en uitgangspunten zoals beschreven in het akoestisch onderzoek “20250027.01 Akoestisch onderzoek – geluidgevoelig object in geluidaandachtsgebied Wetering 1 Nederweert”, bijgevoegd als bijlage 22v.4 bij deze planregels; en
- qua situering is uitgevoerd zoals weergegeven op bijlage 22v.3, bijgevoegd bij deze planregels;
- Het geluidsscherm als bedoeld in lid a dient in stand te worden gehouden.
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene gebruiksactiviteiten
- een evenement is verboden in een natuurbestemming, in een Natura 2000 gebied en in een stiltegebied;
- in een afstand van 101 tot 200 meter tot een Natura 2000-gebied zijn enkel die evenementen toegestaan die voldoen aan alle voorwaarden in dit lid:
- zonder muziek, of enkel achtergrondmuziek, en
- enkel in de dagperiode, en
- met een maximum bezoekersaantal van 100, en
- met een duur van maximaal 5 dagen inclusief op- en afbouw
- overige evenementen zijn buiten het broedseizoen toegestaan in een afstand van 201 tot 400 meter tot een Natura 2000-gebied;
- overige evenementen zijn binnen het broedseizoen toegestaan in een afstand groter dan 400 meter tot een Natura 2000-gebied;
- daar waar evenementen zijn toegestaan, zijn maximaal drie evenementen per jaar toegestaan per perceel, en in een straal van 200 meter rondom dat perceel;
- daar waar evenementen zijn toegestaan is de duur van één evenement, inclusief op- en afbouw, niet meer dan vijftien dagen, tenzij in dat lid specifiek anders bepaald.
Artikel 11 Kwaliteitsregels
11.1 Kwaliteitsverbetering
Het TAM-omgevingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk. Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering worden instrumenten ingezet die erop gericht zijn om de ontwikkelingen te combineren met die benodigde kwaliteitsverbetering.
De ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage geldt voor niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. Voor zover het betreft:
- ontwikkelingen buiten het bouwvlak;
- een meer ingrijpende uitbreiding van niet-agrarische bedrijven/recreatiebedrijven;
- het toevoegen van nevenactiviteiten.
11.2 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in de regels van dit TAM-omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor het afwijken onder de voorwaarde, dat naast de reeds genoemde voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de bepalingen omtrent het leveren van een kwaliteitsbijdrage, waarbij het gaat om de volgende doelstellingen en bijdragen.
11.3 Functie Agrarisch
Binnen de functie Agrarisch is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het versterken van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur/identiteit.
Deze doelstelling kan worden door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:
- er dient sprake te zijn van een inpassing van de nieuwe bebouwing/verharding op basis van een inpassingsplan, waarbij een en ander is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke inpassing en ruimtelijke inpassing);
- versterking omliggende openbare ruimte;
- realiseren of versterken van landschappelijke waarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
- behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
- vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit;
- inpassende beplanting.
Artikel 12 Overige regels
12.1 Afstand bebouwing tot (spoor-)wegen en kanalen
12.1.1 Algemeen
Het is verboden nieuwe bebouwing te situering binnen een afstand van:
- 30 m. uit het hart van de weg langs gebiedsontsluitingswegen;
- 15 m. uit het hart van erftoegangswegen en onverharde wegen.
12.2 Gebiedsaanduiding milieuzone – boringsvrije zone
12.2.1 Algemeen
Ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘Boringsvrije zone’ mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteit in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.
12.3 Parkeernormen
- de gronden zoals aangewezen in de verschillend bestemmingen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden;
- bij omgevingsvergunning voor bouwen wordt aan de hand van het ‘Parkeerbeleid gemeente Nederweert’ of het op de moment geldend parkeerbeleid bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
12.4 Waterberging
Het gebruik van gronden en gebouwen binnen de kaders van dit omgevingsplan is uitsluitend toegestaan als binnen het plangebied van dit bestemmingsplan is voorzien in een waterbergingsvoorziening van voldoende omvang en deze voorziening in stand wordt gehouden. De capaciteit van de waterbergingsvoorziening wordt als volgt berekend: minimaal 100 mm per m2 toename bebouwd/verhard oppervlak.
12.5 Gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’
12.5.1 Algemeen
Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' blijven de regels en bijbehorende verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert 6e herziening – fijnstofknelpunten' met identificatienummer NL.IMRO.0946.BPbgbpartherz6e-VA01, zoals vastgesteld op 8 oktober 2019, van overeenkomstige toepassing, met in achtneming van het bepaalde in
subsubparagraaf 12.5.2 en
subsubparagraaf 12.5.3.
12.5.2 Verbod
Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd.
12.5.3 Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 12.5.2 met dien verstande dat de geluidsbelasting vanwege industrielawaai aan de gevels van de te realiseren geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde.
Artikel 13 Werking wettelijke regelingen
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wetten, verordeningen of enig andere algemeen verbindende regeling, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 14 Overgangsrecht
14.1 Overgangsrecht bouwwerken
14.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
14.1.2 Afwijking
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van
subsubparagraaf 14.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in
artikel 14 lid 1 met maximaal 10 %.
14.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
artikel 14 lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
14.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
14.2.2 Verbod
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in
subsubparagraaf 14.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
14.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in
subsubparagraaf 14.2.1, na de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
14.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in
subsubparagraaf 14.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.