Regels
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Rosselsweg 9 te Nederweert en vormt een juridisch nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) van het omgevingsplan van de gemeente Nederweert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven, deel van het Omgevingsplan (hierna: ‘dit deel’) weergegeven hoofdstukken, moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22p] van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikelnummer ‘[22p]’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22p]’ gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik
- De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
- De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Rosselsweg 9 Nederweert , waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.TAMHfd22pRosselsw9-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/home.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage l bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage l bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage l bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage l bij het Omgevingsbesluit en bijlage l bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
Voor toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
3.1 omgevingsplan
het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert.
3.2 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Rosselsweg 9 Nederweert met identificatienummer NL.IMRO.0946.TAMHfd22pRosselsw9-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.
3.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
3.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
3.5 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen), uitsluitend in de vorm van een akkerbouwbedrijf.
3.6 akkerbouwbedrijf
een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig telen van gewassen en afhankelijk is van de grond als productiefactor waarbij het bedrijfsmatig houden van dieren niet is toegestaan.
3.7 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.8 bebouwingsconcentratie
bebouwingsclusters en/of bebouwingslinten, zoals aangegeven op de verbeelding.
3.9 bedrijfswoning
een woning, in of bij een bedrijf, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
3.10 bestaand
zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
3.11 bijgebouw
een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.
3.12 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
3.13 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
3.14 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
3.15 bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
3.16 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
3.17 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
3.18 broedseizoen
(vaak vaste) periode waarin een vogel één of meerdere eieren legt en uitbroedt, en de jongen opgroeien tot ze kunnen (uit)vliegen of zelfstandig zijn.
3.19 dagperiode
De beoordelingsperiode van 07:00 tot 19:00 uur.
3.20 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
3.21 evenement
periodiek terugkerende gebeurtenis die verplaatsbaar is en waarbij muziek, kunst, cultuur, sport, religie, wetenschap of een combinatie van deze centraal staat. Een evenement is in de meeste gevallen publiek toegankelijk.
3.22 extensieve dagrecreatie
recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen; onder extensieve (dag)recreatie vallen geen gemotoriseerde sporten.
3.23 functiegrens
de grens van een functievlak.
3.24 functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
3.25 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
3.26 groenvoorzieningen
groenvoorzieningen zijn het geheel van de aanplant in een gebied dan wel het aanbrengen of voorzien van groen.
3.27 hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
3.28 grondgebonden agrarisch bedrijf
een agrarische bedrijfsvoering die geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Tot een grondgebonden agrarisch bedrijf worden met name een akkerbouwbedrijf, een veehouderij (niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf), alsmede een productiegerichte paardenhouderij gerekend.
3.29 intensief veehouderijbedrijf
het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. In principe wordt gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). Een melkveehouderij en een intensieve kwekerij worden niet beschouwd als intensief veehouderijbedrijf.
3.30 kampeermiddel
- een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
- enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is.
3.31 mestbewerking/-verwerking
De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding.
3.32 nevenactiviteiten
een activiteit die naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit (agrarisch bedrijf) ter plekke, zoals een speeltuin, kinderopvang, boerengolf, educatieve doeleinden.
3.33 nieuwvestiging
het vestigen van een bedrijf, waaronder begrepen zowel vestiging op een bestaand als een nieuw bouwvlak.
3.34 omschakeling
omzetten van een bedrijfstype in een ander bedrijfstype.
3.35 opslag
het bewaren van goederen binnen een gebouw of ruimte, met als doel het tijdelijk of langdurig onderbrengen van deze goederen. Opslag kan worden onderverdeeld in twee vormen:
- statische opslag: dit betreft de binnen-opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor de handel, en niet worden opgeslagen voor een niet-agrarisch bedrijf elders, zoals (seizoens-)stalling van (antieke) auto’s, boten, caravans, campers en dergelijke.
- dynamische opslag: dit betreft de binnen-opslag van goederen die regelmatig of continu verplaatst worden. Tevens kunnen deze ruimtes verhuurd worden aan zelfstandige ondernemers (zzp’ers) voor het opslaan van goederen die noodzakelijk zijn voor hun bedrijfsvoering.
3.36 peil
voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:
de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
De gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
3.37 permanente teeltondersteunende voorzieningen
overkapping van de teelt, welke gedurende meer dan 6 maanden in het jaar aanwezig is.
3.38 recreatief medegebruik
vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.
3.39 statische opslag
Statische opslag is binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijnde voor de handel en niet worden opgeslagen voor een niet-agrarisch bedrijf elders, zoals (seizoens-)stalling van (antieke) auto’s, boten, caravans, campers en dergelijke.
3.40 stiltegebied
stiltegebieden zijn milieubeschermingsgebieden waarin het aspect stilte bijzondere bescherming nodig heeft, aangezien het anders verloren dreigt te gaan. Stiltegebieden worden door de provincies op grond van artikel 4.9 van de Wet milieubeheer vastgelegd in het provinciaal milieubeleidsplan. Tot de gebieden behoren tenminste:
- de gebieden die krachtens de Wet natuurbescherming zijn aangewezen als beschermd natuurmonument of als staatsnatuurmonument, en
- de gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfsplaats voor watervogels (Conventie van Ramsar (1971), Trb. 1975, 84).
3.41 teeltondersteunende voorzieningen
uitgespreid afdekmateriaal, afdekmateriaal met ondersteunende constructie (lage, niet menstoegankelijke tunnels en tijdelijke menstoegankelijke tunnels), bestemd voor vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen- en boomteelt.
3.42 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
overkapping van de teelt, welke maximaal 6 maanden of korter in het jaar aanwezig is (al dan niet in een aaneengesloten periode).
3.43 verbeelding
de verbeelding behorend bij dit TAM-omgevingsplan met identificatienummer NL.IMRO.0946.TAMHfd22pRosselsw9-VA01.
3.44 woning
een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde berging, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden gebouwd.
3.45 woonunit
een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
Voor de meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op artikel 22.24 van het Omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen en zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hier niet van is afgeweken in het eerste lid tot en met het zevende lid.
4.1 dakhelling
de dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
4.2 goothoogte van een bouwwerk
de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
4.3 inhoud van een bouwwerk
de inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
4.4 bouwhoogte van een bouwwerk
de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
4.5 oppervlakte van een bouwwerk
de oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
4.6 hoogte van een windturbine
de hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
4.7 50 en 100 meter rooilijn
de 50 en 100 meter rooilijn wordt gemeten vanuit de dichtstbijgelegen rijbaan van de (rijks)weg, waarbij de toe- en afrit ook als rijbaan beschouwd worden.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoel in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
2 Functies en activiteiten
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Agrarisch’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
agrarisch grondgebruik;
- de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
- een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ (iv);
een en ander met dien verstande dat:
- nieuwvestiging en omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, intensieve kwekerij of melkveehouderij is toegestaan, mits er geen sprake is van vergroting van het bouwvlak;
- nieuwvestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf of intensief veehouderijbedrijf niet is toegestaan;
- niet agrarische nevenactiviteiten zijn toegestaan, voor zover deze ter plaatse zijn opgenomen in de in bijlage 1 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nederweert’ opgenomen Lijst van functieaanduidingen, en wel in maximaal de omvang waarin ze rechtens mogen bestaan op het moment van het van kracht worden van het plan;
- ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – veestalling’ (-sa-vs) is het realiseren van gebouwen voor veestalling; wkk-installaties; mestverwerkingsinstallaties en installaties welke NOx en/of NH3 emitteren uitgesloten. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – veestalling’ (-sa-vs) is het realiseren van gebouwen voor veestalling; wkk-installaties; mestverwerkingsinstallaties en installaties welke NOx en/of NH3 emitteren uitgesloten;
- ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ (-bw) is realisatie van een bedrijfswoning uitgesloten;
- ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ (sg-li) voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het inpassingsplan, zoals opgenomen in bijlage 22p.1 bij deze regels;
- versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
- verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
- waterhuishoudkundige doeleinden;
- groenvoorzieningen;
- extensieve dagrecreatie, inclusief semi-verharde parkeervoorzieningen;
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
7.3.1 Algemeen
Op de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de ter plaatse toegestane functie(s), waarbij de volgende beoordelingsregels gelden.
7.3.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken
- gebouwen worden alleen gebouwd binnen de aanduiding ‘bouwvlak’;
- Per ‘bouwvlak’ met functie ‘Agrarisch’ als bedoeld in artikel 7 lid 2 sub b is maximaal 1 (bedrijfs-)woning toegestaan, tenzij op de verbeelding een ander aantal woningen staat vermeld;
- buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn, behoudens het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 sub 3 , uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van het agrarisch grondgebruik en/of recreatief medegebruik, met een maximale hoogte van 5 m en een maximale oppervlakte van 100 m2, danwel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m2 per bouwwerk;
Voor de bouwwerken gelegen binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ met functie ‘Agrarisch’ als bedoeld in
subsubparagraaf 7.3.2 sub a, gelden de volgende beoordelingsregels:
- bedrijfsgebouwen:
goothoogte | max. 7 m. |
bouwhoogte | max. 10 m. |
dakhelling | min. 12° |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens | min. 5 m. |
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
| | bouwhoogte | inhoud | afstand tot zijdelingse perceelsgrens |
mestsilo's | max. 8,5 m. | max. 2.500 m3 | min. 5 m. |
overige silo's | max. 12 m. | n.v.t. | min. 5 m. |
erfafscheidingen | max. 2 m. | n.v.t. | n.v.t. |
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde | max. 4,5 m. | n.v.t. | n.v.t. |
- teeltondersteunende voorzieningen:
| | bouwhoogte | oppervlakte | Overig |
permanente teeltondersteunende voorzieningen (binnen bouwvlak) | max. 2,50 m., m.u.v. ondersteunende kassen welke 8 m. hoog mogen zijn | max. 5.000 m2 | |
tijdelijke regenkappen | max. 2,50 m. | max. 10% van het totale teeltoppervlakte | aansluitend aan het bebouwde deel van het bouwvlak |
tijdelijke hoge boogkassen | max. 2,50 m. | max. 10% van het totale teeltoppervlakte | aansluitend aan het bebouwde deel van het bouwvlak |
- als specifieke nevenactiviteit bij agrarische bedrijven is de verkoop van streekeigen producten tot max. 200 m2 toegestaan;
- overige nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven zijn niet toegestaan, behoudens het bepaalde in artikel 7 lid 2 sub b onder 3;
- verhardingen, niet zijnde inritten tussen de weg en het bedrijf, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.
7.3.3 Maatwerkvoorschriften
- Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de:
- bebouwing;
- verhardingen.
- Deze maatwerkvoorschriften kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
- de natuurlijk en/of landschappelijke waarden van het gebied;
- stedenbouwkundige kwaliteit;
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid;
- de externe veiligheid;
- de hemelwaterproblematiek.
- Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van ontwikkelingen bij niet-agrarische bedrijven en recreatiebedrijven, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 13 in acht te worden genomen.
7.3.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.1 en de bouw van bedrijfsgebouwen en bijgebouwen toestaan tot een minimale afstand van 3 m. uit de perceelsgrens, onder de voorwaarden dat:
- deze kortere afstand vanwege bedrijfstechnische maatregelen noodzakelijk is;
- het perceel onvoldoende ruimte biedt om de bebouwing binnen 5 meter te realiseren;
- deze kortere afstand vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
- de belangen van naburige percelen niet onevenredig worden geschaad.
Aanvullend afwegingskader
Een in
subsubparagraaf 7.3.4 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.4 Specifieke functieregels voor gebruik
7.4.1 Algemeen
Tot een met de functie ‘Agrarisch’ strijdig gebruik, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in
artikel 7 lid 2, meer in het bijzonder:
- het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterrein of kleinschalige campings – behoudens het bepaalde in, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
- het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
- het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel;
- het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, uitsluitend tot een oppervlakte van 200 m2 per agrarisch bedrijf, mits geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking en er geen detailhandel plaatsvindt anders dan verkoop van lokaal geproduceerde streekeigen producten.
- het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/-verwerking;
- het gebruik van bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
- het gebruik van de bedrijfsgebouwen en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
- het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;
- het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
Het gebruik van de gronden en bouwwerken conform
artikel 7 lid 2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- Indien de maatregelen in het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 22p.1 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de landschappelijke inpassing met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’, uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan zijn uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
7.4.3 Specifieke functieregels gebruik met nadere afweging
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub g en staan toe dat bijgebouwen worden gebruikt ten behoeve van mantelzorg, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- sprake is van een mantelzorgindicatie;
- de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van de hoofdbebouwing;
- sprake dient te zijn van een ondergeschikte functie bij de woning;
- er geen tweede woning mag ontstaan;
- het gebruikt dient te worden beëindigd, zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.
- Het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.2 en staan een gewijzigde landschappelijke inpassing toe, onder de voorwaarden dat:
- er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geeft tot een aangepaste landschappelijke inpassing;
- de gewijzigde landschappelijke inpassing tenminste een gelijkwaardige landschappelijke kwaliteit waarborgt als het inpassingsplan;
- het nieuwe inpassingsplan voorzien is van een positief advies van de kwaliteitscommissie.
Aanvullend afwegingskader
Een in
subsubparagraaf 7.4.3 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
- er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
- functiewijziging ten behoeve van nieuwe solitaire detailhandelsvestigingen, groothandel, kantoren, glastuinbouw, (zware) industrie, transport- en distributiefuncties en andere bedrijvigheid die op grond van rijks- of provinciaal beleid elders dient te worden gelokaliseerd en bedrijvigheid niet genoemd in de in bijlage 22b.2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten of gelijkwaardig is niet toegestaan;
er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid en infrastructuur;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid.
Artikel 8 Waarde – Archeologie
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie’.
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
8.3.1 Algemeen
Op de voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:
- verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van een gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld;
- de bouw van een bijgebouw van, of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een bruto-oppervlakte van de bodemingreep van ten hoogste 250 m2;
- bouwwerken ten dienste van de in lid 8.2 genoemde doeleinden en ten dienste van een overige aan deze gronden toegekende functie, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 40 cm ten opzichte van het maaiveld en groter dan 250 m².
8.3.2 Maatwerkvoorschriften
- het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op, of binnen een afstand van 25 meter tot gebieden die op de verbeelding zijn aangeduid als 'Waarde – Archeologie'.
- deze maatwerkvoorschriften kunnen uitsluitend worden gesteld ter voorkoming van onevenredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van het betreffende waardevolle terrein, maar ook omdat de exacte begrenzing van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaat.
8.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
Het bevoegd gezag verleent voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit een omgevingsvergunning en staat
toe dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen functie(s) mits:
- uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
- uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de ontheffing de volgende verplichtingen worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
- de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Algemeen
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 100 m2 of meer:
- het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 40 cm onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
- het aanbrengen van diepwortelende beplanting en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
- het ophogen en egaliseren van gronden;
- het verlagen van het waterpeil;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
- het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
- het omzetten gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
- het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
- het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 40 cm.
8.5.2 Uitzonderingen op het verbod
- in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
- waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan;
- welke het normaal onderhoud en beheer betreffen.
8.5.3 Afwegingskader
- uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
- uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
- de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene gebruiksactiviteiten
- een evenement is verboden in een natuurbestemming, in een Natura 2000 gebied en in een stiltegebied;
- in een afstand van 101 tot 200 meter tot een Natura 2000-gebied zijn enkel die evenementen toegestaan die voldoen aan alle voorwaarden in dit lid:
- zonder muziek, of enkel achtergrondmuziek, en
- enkel in de dagperiode, en
- met een maximum bezoekersaantal van 100, en
- met een duur van maximaal 5 dagen inclusief op- en afbouw
- overige evenementen zijn buiten het broedseizoen toegestaan in een afstand van 201 tot 400 meter tot een Natura 2000-gebied;
- overige evenementen zijn binnen het broedseizoen toegestaan in een afstand groter dan 400 meter tot een Natura 2000-gebied;
- daar waar evenementen zijn toegestaan, zijn maximaal drie evenementen per jaar toegestaan per perceel, en in een straal van 200 meter rondom dat perceel;
- daar waar evenementen zijn toegestaan is de duur van één evenement, inclusief op- en afbouw, niet meer dan vijftien dagen, tenzij in dat lid specifiek anders bepaald.
Artikel 11 Kwaliteitsregels
11.1 Kwaliteitsverbetering
Het TAM-omgevingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk. Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering worden instrumenten ingezet die erop gericht zijn om de ontwikkelingen te combineren met die benodigde kwaliteitsverbetering.
De ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage geldt voor niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. Voor zover het betreft:
- ontwikkelingen buiten het bouwvlak;
- een meer ingrijpende uitbreiding van niet-agrarische bedrijven/recreatiebedrijven;
- het toevoegen van nevenactiviteiten.
11.2 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in de regels van dit TAM-omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor het afwijken onder de voorwaarde, dat naast de reeds genoemde voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de bepalingen omtrent het leveren van een kwaliteitsbijdrage, waarbij het gaat om de volgende doelstellingen en bijdragen.
11.3 Functie Agrarisch
Binnen de functie Agrarisch is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het versterken van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur/identiteit.
Deze doelstelling kan worden door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:
- er dient sprake te zijn van een inpassing van de nieuwe bebouwing/verharding op basis van een inpassingsplan, waarbij een en ander is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke inpassing en ruimtelijke inpassing);
- versterking omliggende openbare ruimte;
- realiseren of versterken van landschappelijke waarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
- behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
- vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit;
- inpassende beplanting.
Artikel 12 Overige regels
12.1 Gebiedsaanduiding milieuzone – boringsvrije zone
12.1.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de gronden die zijn aangewezen als ‘milieuzone – boringsvrije zone’.
12.1.2 Algemeen
Ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteiten in de vorm van boringen en roeren van de grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.
12.2 Afstand bebouwing tot (spoor-)wegen en kanalen
12.2.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Bedrijf’ of als ‘Agrarisch’.
12.2.2 Algemeen
Het is verboden nieuwe bebouwing te situering binnen een afstand van:
- 30 m. uit het hart van de weg langs gebiedsontsluitingswegen;
- 15 m. uit het hart van erftoegangswegen en onverharde wegen.
12.3 Parkeernormen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (CROW publicatie 381) en de opvolgers daarvan.
Artikel 13 Verhouding tussen functies
Artikel 14 Werking wettelijke regelingen
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wetten, verordeningen of enig andere algemeen verbindende regeling, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 15 Overgangsrecht
15.1 Overgangsrecht bouwwerken
15.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
15.1.2 Afwijking
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van
subsubparagraaf 15.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in
artikel 15 lid 1 met maximaal 10 %.
15.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
artikel 15 lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Overgangsrecht gebruik
15.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
15.2.2 Verbod
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in
subsubparagraaf 15.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
15.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in
subsubparagraaf 15.2.1, na de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
15.2.4 Uitzondering
- het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
- het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zone beperkingen gewasbeschermingsmiddelen’.