| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o De Riet 4 Nederweert-Eind |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0946.TAMHfd22oDeRiet4-VA01 |
De initiatiefnemer heeft het voornemen om op het perceel De Riet 4 in het buitengebied van Nederweert twee woningen te realiseren. In de huidige situatie bevinden zich op het perceel een bedrijfswoning en een aantal schuren, bedoeld voor een intensieve veehouderij. De agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn echter al een aantal jaren geleden beëindigd. Op dit moment wordt een deel van de schuren gebruikt als caravanstalling.
Initiatiefnemers verzoeken om een wijziging van het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan Nederweert om de woningen op het perceel te kunnen bouwen. De bedrijfswoning zal blijven bestaan, maar zal gebruikt gaan worden als reguliere woning.
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet er afgeweken worden van het planologische regime en moet hiervoor het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Met dit wijzigingsbesluit wordt de bouw van twee nieuwe woningen en de omzetting van de bedrijfswoning juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
Deze motivering gaat in op de achtergronden van dit wijzigingsbesluit, en de relatie met het wettelijk kader. Naast de motivering staat de toelichting op het omgevingsplan. De toelichting op het omgevingsplan gaat in op de technische kenmerken van het plan en bevat ook de juridische plantoelichting. Die toelichting is te vinden in het wijzigingsbesluit.
|
Achtergrond: wat is een 'wijzigingsbesluit'?
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet zorgt voor veranderingen in de wet- en regelgeving rondom ruimtelijke ordening, bouwen, milieu en andere thema's die samenhangen met de fysieke leefomgeving. Een gevolg van de Omgevingswet is dat het instrument 'bestemmingsplan' komt te vervallen. Hiervoor in de plaats komt één omgevingsplan voor het hele grondgebied van de gemeente. Het gemeentelijke omgevingsplan zal, net als het bestemmingsplan, regels bevatten over ruimtelijke ordening, bouwen, aanleggen en slopen. Maar de reikwijdte van het omgevingsplan is breder: ook regels uit gemeentelijke verordeningen, die gaan over de fysieke leefomgeving, komen terecht in het omgevingsplan. Daarnaast zal het omgevingsplan regels over milieu bevatten. Het gaat daarbij vaak om regels die voorheen vanuit de rijksoverheid werden gesteld, zoals waarden voor geluid. Zulke oude rijksregels worden aangeduid als de 'bruidsschat'. Het omzetten van het oude naar het nieuwe stelsel kost tijd. Het omgevingsplan komt stapsgewijs tot stand. Zolang het definitieve omgevingsplan voor de gehele gemeente nog niet is vastgesteld, gelden nog de oude regels, zoals het oude bestemmingsplan. Die oude regels worden vanaf 1 januari 2024 aangeduid als 'het tijdelijke deel' van het omgevingsplan. De komende jaren zal het tijdelijke deel van het omgevingsplan stapsgewijs worden vervangen door nieuwe regels in het omgevingsplan. Dat gebeurt met wijzigingsbesluiten. Dit wijzigingsbesluit vervangt de regels in het tijdelijk deel (de oude bestemmingsplannen) door nieuwe regels, die nodig zijn om de verplaatsing van de kleine woning mogelijk te maken. |
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Nederweert. De locatie bestaat nu nog uit agrarische opstallen. De omgeving van het plangebied bestaat uit het buitengebied van de gemeente en met daarin het dorp Eind westelijk gelegen van het plangebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint aan De Riet. Op de onderstaande figuur is de ligging van het plangebied weergegeven.
Ligging van het plangebied
Omgevingsplan
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en vanaf dat moment beschikt iedere gemeente over een gemeentedekkend omgevingsplan. Het gemeentelijk omgevingsplan bestaat vooralsnog uit het omgevingsplan van rechtswege. Dit betreft het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit (art. 22.1 Ow):
De besluiten, kaarten en regels die voor dit planvoornemen relevant zijn komen hieronder nader aan de orde.
Het huidige planologisch kader op het perceel is het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' (vastgesteld op 24 oktober 2009). In het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' is het perceel bestemd als 'Agrarisch'. Op de onderstaande figuur is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ingevoegd, met daarop in het blauwe kader de locatie van de gewenste ontwikkeling aangegeven.
Uitsnede geldend bestemmingsplannen, het plangebied bevindt zich in het blauwe kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op basis van de bestemming 'Agrarisch' is aan de gronden ook de aanduiding 'intensieve veehouderij' toegekend.
De voorgenomen ontwikkeling past niet in het geldende planologische kader. Hierom is een wijziging van het (tijdelijk) omgevingsplan noodzakelijk. De gemeente Nederweert heeft aangegeven in beginsel medewerking te willen verlenen aan deze wijziging.
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De toekomstige situatie beschrijft de doelen voor het plangebied, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 en 4 het project getoetst aan relevant beleidskader en aan relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische vormgeving van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de haalbaarheid van het plan.
Het perceel waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft, is kadastraal aangeduid als Nederweert, sectie AC, nummers 66 en 312, beslaat 10.170 m2 en is in eigendom van initiatiefnemer. Het perceel is gelegen in het buitengebied van Nederweert-Eind in de gemeente Nederweert. Het perceel bevindt zich aan de weg De Riet die ter plaatse wisselende bebouwing kent: zowel agrarische bedrijven als voormalige agrarische percelen die nu als burgerwoningen worden gebruikt, bevinden zich aan deze weg. Achter de percelen aan De Riet bevindt zich agrarische cultuurgrond.
Luchtfoto plangebied
Op het perceel zelf bevinden zich in totaal drie agrarische schuren die in het verleden dienden voor de uitoefening van de intensieve veehouderij. Ook is ter plaatse een vrijstaande (bedrijfs-)woning aan de voorzijde van het perceel aanwezig. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn reeds gestopt en in de huidige situatie worden twee van de drie opstallen gebruikt voor het stallen van caravans.
De meest oostelijk gelegen schuur is in het verleden (illegaal) gebruikt geweest voor huisvesting van internationale werknemers. Op dit moment biedt deze schuur plaats aan vier logiesvertrekken. De gebouwen tussen de schuren worden gebruikt voor ondersteunende zaken, zoals opslag, voor de functies. Een deel van die kleine gebouwen staat leeg.
Luchtfoto van het perceel De Riet 4
Gezien het feit dat ter plaatse buitengebied gebonden functies in afwisseling met reguliere woonfuncties aanwezig zijn, maakt dat een intensieve veehouderij ter plaatse niet meer wenselijk en inpasbaar is. Daarnaast zorgen ontwikkelingen omtrent stikstof en een verbod op geitenhouderijen dat een intensieve veehouderij ter plaatse economisch gezien ook niet langer realistisch en wenselijk is. De initiatiefnemers hebben het voornemen om twee van de drie bestaande schuren te slopen. Van de derde, meest oostelijk gelegen schuur, wordt circa 600 m² behouden ten behoeve van statische opslag van caravans, motorhomes en oldtimers (voornamelijk Volvo’s). Binnen deze ruimte zal tevens klein onderhoud en kleine reparaties aan de geplaatste voertuigen plaatsvinden, tot maximaal milieucategorie 1 en 2 conform de VNG-richtlijnen. Deze invulling is vastgelegd in artikel 7 ‘Wonen’, functieomschrijving 7.2.2. Daarnaast worden twee nieuwe woningen gerealiseerd in het bebouwingslint van De Riet, passend binnen de bestaande ruimtelijke structuur en het karakter van het lint.
Ruimtelijke context
De westzijde van De Riet heeft een vaste maat en ritme aan het bebouwingslint. De woningen zijn met de lange zijde georiënteerd op de weg, de afstand tussen het perceel en de voorgevel bedraagt 10-13 meter, en de voorerven zijn eerder breed dan diep. Ook staan de woningen meer vooraan op het perceel, terwijl ondergeschikte bebouwing (zoals schuren) verder naar achteren op het erf staat, met wisselende oriëntaties. De bouwhoogte van de woningen aan De Riet bedraagt één laag met een kap.
De oostzijde van De Riet vertoont meer variatie en minder systematiek in de lintbebouwing. Over het algemeen staan de woningen met de lange zijde naar de weg gericht, met uitzondering van De Riet 6 en 8. De bedrijfswoning aan De Riet 4 heeft zowel een lange zijde als een kop gericht op het lint. De afstand van de voorgevel tot de perceelgrens varieert van 2 tot 19 meter. De percelen zijn aan deze zijde dieper en smaller. Ondergeschikte bebouwing bevindt zich verder naar achteren op het erf, met wisselende oriëntaties. Er is een duidelijke overgang van het erf naar het open landschap.
De korrelgrootte van de huidige bedrijfshallen aan De Riet 4 valt uit de toon in het lint. Hier zijn bedrijfshallen en schuren doorgaans kleiner van formaat. De hallen zijn lang en staan met drie naast elkaar, met verharding tussenin. De bedrijfswoning aan De Riet 4 past qua korrelgrootte goed binnen het lint.
Situering van de woningen
De toekomstige situering van de twee woningen en de inrichting van het perceel wordt op de onderstaande afbeelding zichtbaar:
Inrichting perceel
In de nieuwe situatie zal de huidige bedrijfswoning behouden blijven. De twee nieuw te bouwen woningen kunnen een plek krijgen in het gearceerde gedeelte ten noorden van de bestaande bedrijfswoning, zodat die woningen opgenomen worden in het lint. Dit kunnen twee vrijstaande woningen zijn, maar ook een twee-onder-één-kap woning. Tenminste één van de woningen moet aansluiten bij de voor voorgevelrooilijn van de omliggende erven.
Eventuele ondergeschikte bebouwing (bijvoorbeeld bergingen) staan verder naar achteren op het erf gepositioneerd. De nieuwe bebouwing sluit aan op het formaat van de woningen aan het lint van De Riet en zal bestaan uit één laag met kap.
De ontsluiting van de twee nieuwe woningen zal plaatsvinden via de bestaande inrit van de bedrijfswoning.
De bestaande inrit aan de noordzijde van het perceel wordt opgeheven.
Van de voormalige bedrijfsgebouwen blijft een gebouw van 600 m² gehandhaafd. Dit gebouw krijgt een functie als bijgebouw bij de woningen, voor statische opslag van met name oldtimers, en onderhoud en restauratie daarvan. Om dat gebouw te kunnen bereiken wordt een pad gemaakt aan de zuidzijde van het erf. Dit wordt uitgevoerd in half verharding en krijgt de uitstaling van een 'karrespoor'.
Achter de bestaande (bedrijfs)woning blijft een klein gebouw gehandhaafd als bijgebouw bij de woning (atelier).
De noord-oostelike gedeelte van het erf krijgt een meer open uitstraling en hier is ook voorzien in een poel of andere vorm van waterberging. Dit mede omdat dit gedeelte natter en lager ligt dan de voorzijde van het erf.
In het document in Bijlage 3 Landschappelijke inpassing met uitgangspunten voor de inrichting inclusief beplantingsvoorstel is dit verder uitgewerkt.
Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit of wijziging omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag alleen verleend worden met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De volgende beoordelingsregels uit het Bkl gelden:
Daarnaast hebben de gemeente en het waterschap ook beleid.
Het Rijk heeft instructieregels gegeven waar het omgevingsplan aan moet voldoen. De regels zijn hoofdzakelijk opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Niet alle instructieregels zijn relevant voor elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan. In het wijzigingsbesluit zijn voor zover nodig regels opgenomen met het doel om aan de instructieregels te voldoen.
Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:
| Thema | Paragraaf Bkl | Relevant voor besluit? | Verwijzing paragraaf H4 |
| Veiligheid | 5.1.2 | Ja | 4.6 |
| Waterbelangen | 5.1.3 | Ja | 4.10 |
| Luchtkwaliteit | 5.1.4.1 | Ja | 4.9 |
| Geluid door Activiteiten | 5.1.4.2 | Ja | 4.1 |
| Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein | 5.1.4.2a | Ja | 4.2 |
| Slagschaduw van windturbines | 5.1.4.4a | Nee | |
| Trillingen | 5.1.4.4 | Nee | |
| Bodemkwaliteit | 5.1.4.5 | Ja | 4.4 |
| Geur | 5.1.4.6 | Nee | |
| Ladder voor duurzame verstedelijking | 5.1.5.4 | Nee | |
| Cultureel erfgoed en werelderfgoed | 5.1.5.5 | Ja | 4.3 |
| Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen | 5.1.6.2 | Nee | |
| Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang | 5.1.6.3 | Nee | |
| Elektriciteitsvoorziening | 5.1.7.3 | Nee | |
| Rijksvaarwegen | 5.1.7.4 | Nee | |
| Toegankelijkheid openbare ruimte | 5.1.8 | Nee | |
| Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkwegen | 5.2 | Nee | |
| Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool | 5.2 | Nee | |
| Bebouwingscontour jacht | 5.2 | Nee | |
| Bebouwingscontour houtkap | 5.2 | Nee | |
| Geluid rond luchthavens | 5.1.4.3 | Nee | |
| Vrije horizon kust | 5.1.5.2 | Nee | |
| Waddenzee en Waddengebied | 5.1.5.3 | Nee | |
| Landsverdediging | 5.1.7.2 | Nee | |
| Communicatie burgerluchtvaart | 5.1.7.5 | Nee | |
| Landelijke fiets- en wandelroutes | 5.2 | Nee | |
| Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's | 5.2 | Nee |
3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het plangebied ligt echter niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven.
Als voorzien wordt in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (artikel 5.219g Bkl). Dit wordt de 'Laddertoets' genoemd.
Voor het toetsen aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
1. Is er sprake van stedelijke ontwikkeling?
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat dit plan voorziet in de toevoeging van twee woningen wordt dit niet gezien als een stedelijke ontwikkeling en is verdere toetsing aan de ladder duurzame verstedelijking niet nodig.
De omgevingsvisie Limburg schetst een langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van de provincie, met een horizon tot 2030 - 2050. De visie richt zich op het vinden van een balans tussen bescherming en benutting van de leefomgeving. De basis van afwegingen die gemaakt worden bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving wordt gevormd door de Limburgse principes:
In de omgevingsvisie wordt er door middel van algemene zonering onderscheid gemaakt tussen verschillende typen bebouwde en landelijke gebieden in Limburg. Er worden hier verschillende hoofdtypen onderscheid; landelijke gebieden, bebouwde gebieden en infrastructuren. Deze hoofdtypen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën.
In de omgevingsvisie wordt ook ingegaan op het thema wonen. De provinciale visie op wonen en de kwaliteit van de leefomgeving staat hierbij centraal. Hierin wordt het belang van een goede balans in de woningvoorraad benadrukt. Limburg kent een relatief grote incourante woningvoorraad. Ook de kwaliteit van de woon- en leefomgeving neemt hier een belangrijke plaats in. Hierbij komen sociaal-economische- en gezondheidssituatie van bewoners aan bod, maar ook het belang van het tegengaan van verloedering en leegstand.
Toetsing planvoornemen
Het planvoornemen sluit aan op de vier Limburgse principes zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg:
Daarnaast sluit deze ontwikkeling aan op de algemene zonering van de provincie Limburg. Op basis van de algemene zonering, is het plangebied onderdeel van hoofdtype 'landelijke gebieden' en categorie 'buitengebied'. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. Met de sloop van de bestaande schuren en de toevoeging van twee woningen is er geen sprake van intensivering van het grondgebruik, maar juist van extensivering.
De bedrijfshallen aan De Riet 4 vallen uit de toon in het lint. De schuren zijn groter dan de overige bebouwing aan het lint en staan verder naar achteren op het perceel. Ook zijn de aanwezige schuren zijn al een periode deels ongebruikt. Daarnaast is er asbest aangetroffen en zijn de schuren sterk verouderd. Hiermee dragen de schuren negatief bij aan de landschappelijke kwaliteit van de omgeving. Met de twee nieuwe woningen wordt aangesloten op de systematiek van het lint langs De Riet. Met de sloop van het overgrote deel van de voormalige stallen en schuren wordt op een positieve manier bijgedragen aan de kwaliteit van de woon- en leefomgeving op deze locatie. Daarbij wordt circa 600 m² van de achterste schuur behouden voor een passende, kleinschalige invulling.
Op deze ontwikkeling zijn de volgende onderwerpen uit de omgevingsverordening van toepassing:
Grondwater
Het plangebied valt onder de volgende gebiedsaanwijzingen: 'bufferzones grondwaterafhankelijke natuur', Roerdalslenk' en 'Roerdalslenk III'. Deze gebiedsaanwijzingen hebben betrekking op het onttrekken van grondwater en het aanleggen van bodemenergiesystemen. Deze activiteiten zijn niet aan de orde bij dit planvoornemen en dus niet van toepassing op dit initiatief.
Overstromingskans
De in artikel 3.1 lid 3 opgenomen omgevingswaarde is een inspanningsverplichting voor het waterschap en dus niet van toepassing op dit initiatief. De toetsing aan het beleid van het waterschap is opgenomen in paragraaf 4.8.
Buitengebied
Op de aanduiding 'buitengebied' en wat dit betekent voor het planvoornemen wordt ingegaan in paragraaf 3.2.1.
Wonen
Op deze ontwikkeling is artikel 12.1 (Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen) van toepassing:
De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:
Toetsing planvoornemen
Het plan voldoet aan de artikel 12.1 van de omgevingsverordening. In paragraaf 3.2.1 wordt ingegaan op de omgevingsvisie. Het regionale woonbeleid en de relatie tot dit planvoornemen wordt beschreven in paragraaf 3.3.
In relatie tot sub b onder Wonen wordt opgemerkt dat er binnen de huidige prognoses qua woningbehoefte nog ruimte is voor woningen in de vrije sector, die goed passen in het buitengebied. Het is een pré als de woningen levensloopbestendig worden gerealiseerd.
In relatie tot sub d onder Wonen: , De woningen worden in 2026 in de monitoring meegenomen.
De ontwikkeling is in lijn met de doelen uit de omgevingsvisie en de regels uit de provinciale omgevingsverordening.
De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg (2018-2021) geactualiseerd. Voor de periode 2022 - 2025 heeft de regio haar ambities om te bouwen naar behoefte geactualiseerd om ervoor te blijven zorgen dat de juiste kwaliteit woningen op de juiste plekken kunnen worden gebouwd. In deze de geactualiseerde structuurvisie zijn de meest recente landelijke, provinciale en regionale ontwikkelingen vertaald. Per gemeente is de woningbehoefte en planvoorraad in beeld gebracht.
Toetsing planvoornemen
Voor de gemeente Nederweert wordt tussen 2022 en 2035 een stijging verwacht van 295 inwoners. Het aantal huishoudens zal naar verwachting sneller stijgen met een verwachte toename van 453 huishoudens tussen 2021 en 2036. Een concreet gevolg hiervan dat genoemd wordt in de structuurvisie is het ruimte geven aan nieuwe initiatieven passend bij de behoefte en ambitie. In paragraaf 3.4.1 en 3.4.2 wordt beschreven op welke manier dit initiatief aansluit op de gemeentelijke ambities en behoeften.
Woondeal Limburg
De regionale woondeals zijn de uitwerkingen van de Nationale Woon- en Bouwagenda. Dit beleid is erop gericht om tot 2080 900.000 nieuwe woningen te bouwen. In de regionale woondeals wordt deze opgave concreter gemaakt en uitgesplitst in verschillende behoeften. Binnen Limburg zijn er drie woonregio's te onderscheiden binnen de Woondeal, Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De totale opgave voor deze regio's is dat er minimaal 26.550 woningen bijgebouwd worden, met een extra ambitie van 20.000. Per jaar zijn dat zo'n 3.000 woningen. Het doel hierbij is om 2/3 van de woningen in het betaalbare segment te realiseren.
Gemeente Nederweert ligt in de regio Midden-Limburg. Voor deze regio is een bruto opgave vastgesteld van 10.350 woningen verdeeld over twee periodes. De eerste periode (2022 - 2024) is inmiddels achter de rug. Voor periode II zijn nog geen doelen per gemeente gesteld.
Toetsing planvoornemen
Uit de woondeal wordt duidelijk dat de harde plancapaciteit een stuk lager ligt dan het aantal woningen dat nodig is in de regio. Voorliggend plan kan bijdragen aan het aanvullen van het aantal beschikbare woningen en tegelijkertijd aanzienlijke kwaliteitswinst opleveren in het buitengebied van gemeente Nederweert.
Op 20 juli 2021 is de 'Omgevingsvisie Buitengebied' van de gemeente Nederweert vastgesteld. Het buitengebied van de gemeente is de afgelopen jaren veranderd. Dit biedt voor een aantal ondernemers kansen en locaties om in te groeien. Maar verschillende bedrijven kunnen (of willen) deze slag niet maken. Wat is er nu mogelijk? En wat wil de gemeente? De omgevingsvisie Buitengebied Nederweert helpt de gemeente om aan te geven welke zaken nu van belang zijn. Zoals de maatschappelijke uitdagingen en verplichtingen die de gemeente heeft. En het bieden van ruimte aan passende initiatieven. Deze visie helpt bij ons bij wat kan en wat mag, zeker bij de meer ingewikkelde ontwikkelingen. Het doel is om altijd en vooral ook samen te zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving. Nu en in de toekomst.
Niet alle zijn initiatieven welkom. Alleen ontwikkelingen die meerwaarde bieden en die de kwaliteit van de omgeving versterken. Bijvoorbeeld:
Een initiatief of ontwikkeling moet dus helpen om de identiteit van het buitengebied te versterken. En zal ook een oplossing moeten bieden aan de grote onderwerpen waarvoor de gemeente de komende jaren staat, zoals duurzaamheid, het behouden van het groene karakter of het tegengaan van klimaatverandering. Daarnaast staan in deze visie ook zaken beschreven voor de iets langere én lange termijn. Zoals de vraag hoe we andere belangrijke onderwerpen aanpakken, zoals gezondheid, duurzaamheid, de economie en de natuur.
Toets planvoornemen
In de omgevingsvisie wordt benadrukt dat kwaliteitswinst een belangrijke voorwaarde is voor de realisatie van woningen in het buitengebied. Met dit initiatief kan aanzienlijke kwaliteitswinst gerealiseerd worden. Door de functieverandering is er op dit perceel geen mogelijkheid meer voor het gebruik van de gronden ten behoeve van een intensieve veehouderij. Hierdoor neemt de potentiële milieubelasting (zoals geur, fijnstof en stikstof) aanzienlijk af.
De kwaliteitswinst wordt verder onderbouwd door de bijdrage van de vier kernwaarden van Nederweert:
Landschappelijke kenmerken jong ontginningslandschap
Het perceel ligt in het deelgebied ‘jong ontginningslandschap’, dat zich kenmerkt door grote, open agrarische percelen, een recht wegenpatroon, incidentele laanbeplanting, vlak en lager gelegen terrein met weidse zichten, en verspreid liggende bebouwing met incidentele erfbeplanting. Het plan versterkt deze kwaliteiten door het behouden van openheid en weidse zichten, het toevoegen van passende erfbeplanting zonder het landschap te verdichten, en het beperken van de bebouwing tot het voorerf.
Kwaliteitswinst door functiewijziging moet ook behaald worden door bij te dragen aan de kernkwaliteiten van het landschap. In het stedenbouwkundig en landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met deze kwaliteiten en wordt aangetoond dat deze versterkt worden. Zie hiervoor Bijlage 3 Landschappelijke inpassing.
Toetsingskader
Het buitengebied van gemeente Nederweert is continue aan verandering onderhevig. Het landelijk en provinciaal beleid heeft een sterke invloed op de kansen en beperkingen die ontstaan in het buitengebied. Concrete handvatten op dit moment niet of nauwelijks aanwezig. Naar schatting komt er tot 2030 ruim 200.000 m² aan agrarisch vastgoed vrij. Deze stoppende bedrijven hebben grote invloed op hoe het buitengebied eruit komt te zien. Aan de ene kant kan dit gezien worden als een bedreiging, maar er zijn ook kansen voor het buitengebied in de vorm van:
In de omgevingsvisie Buitengebied zijn al een aantal zaken opgenomen over vrijkomende agrarische bebouwing. De ontwikkelingen in het buitengebied gaan echter zo snel dat sommige zaken uit de omgevingsvisie niet meer actueel zijn. Daarnaast is er behoefte aan meer duidelijkheid en concreetheid wat wel of niet kan in het buitengebied. Interimbeleid voor Vrijkomende Agrarische Bebouwing en Stoppende Agrarische Inrichtingen heeft tot doel een brug te slaan tussen het huidige, vaak achterhaalde, beleid en het vast te stellen beleid op de langere termijn (omgevingsvisie). Hiermee wordt het voor de in het interimbeleid genoemde situaties mogelijk om aan de slag te gaan met ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de transitie van het buitengebied.
Toetsing
Op deze ontwikkeling zijn meerdere artikelen uit het interimbeleid van toepassing. Deze artikelen worden hieronder aangehaald en toegelicht.
Artikel 3.1.
Indien aanwezig, wordt de veehouderij op de locatie van het te ontwikkelen initiatief gesaneerd en worden alle
overtollige gebouwen gesloopt;
De veehouderij is al langer geleden beëindigd. Met het voorstel worden de (overtollige) bedrijfsgebouwen gesloopt.
Artikel 3.2.
Indien aanwezig, dient de initiatiefnemer een verzoek in tot het intrekken van de (intensieve) veehouderijfunctie; De initiatiefnemer gaat het verzoek indienen om de nog aanwezige milieuvergunning in te trekken, zodat het alternatieve plan voor woningen akkoord is.
Artikel 3.3.
Het initiatief valt volgens het Inspiratiekader Vitaal Buitengebied Nederweert onder een kansrijke sector binnen
het gebiedspoort waarin de locatie van het initiatief zich bevindt (bijlage 1, pagina 20 t/m 39). Afwijking hierop is
alleen mogelijk via maatwerk;
De locatie De Riet 4 in Nederweert-Eind valt onder de gebiedspaspoort-categorie 'Heideontginningen' (Inspiratiekader Vitaal Buitengebied). Kleinschalige woningbouw is daar mogelijk, zeker in combinatie met het versterken van de leesbaarheid van het landschap.
Artikel 3.4
Het initiatief dient te passen binnen het afwegingskader meerwaardecreatie (bijlage 1, pagina 43). In dit
afwegingskader wordt getoetst aan 8 opgaven in het buitengebied van gemeente Nederweert. In onderstaande
tabel zijn de opgaven weergegeven en wordt aangegeven waaraan het initiatief ten minste moet voldoen. Voor
iedere opgave kan een score van ‘zeer slecht’, ‘slecht’, ‘goed’, ‘beter’ of ‘best’ toegekend worden.
| Opgave | Initiatief moet ten minste voldoen aan1 | |
| 1 | Bodem | Beter of best |
| 2 | Water | Beter of best |
| 3 | Natuurherstel | Goed |
| 4 | Leefbare omgeving | Goed |
| 5 | Toekomstbestendig ondernemen | Goed |
| 6 | Gezonde landbouw | Goed |
| 7 | Duurzame energie | Goed |
| 8 | Betekenisvol toerisme | Goed |
Bij het beoordelen van initiatieven wordt ten opzichte van de vorige, vergunde situatie als volgt getoetst;
Bodem (bodemkwaliteit, bodemleven en sponswerking bodem): Het achtererf is nu bijna volledig verhard. De bodemkwaliteit, het bodemleven en de sponswerking van de bodem is hier zeer slecht. Op het voorerf (<50% van het plangebied), is de kwaliteit voldoende doordat dit grotendeels onverhard is, met uitzondering van de erftoegangswegen en de bedrijfswoning.
Met het initiatief wordt de bodemkwaliteit verbeterd doordat de bedrijfsgebouwen op het achtererf worden gesloopt en de bodem wordt gesaneerd. Hierdoor wordt de sponswerking van de bodem verbeterd. Het bodemleven krijgt kansen tot verbetering door het onverharde oppervlakte. Het verharde oppervlakte wordt behoudens de oppervlakte van 600 m2, die behouden blijft, ingevuld door een natuurlijke inrichting, onverhard. Op het voorerf neemt het oppervlakte verharding toe in de vorm van twee panden en een toegangsweg. Echter wordt de huidige toegangsweg in het noordelijk deel van het erf (t.b.v. de huidige bedrijfspanden) verwijderd. Bovendien kan de nieuwe toegangsweg en kunnen de parkeerplaatsen uitgevoerd worden in halfverharding. Over het gehele plangebied zal het oppervlakte verharding aanzienlijk minder worden, wat ten goede komt van de bodem.
Water (schoon drinkwater, ontstenen perceel, waterretentie): Het perceel is in de huidige situatie grotendeels verhard. Het water wordt niet vastgehouden en kan ook niet op een natuurlijke wijze de grond in. Door de grote winst in onverhard oppervlakte in het perceel kan hemelwater op natuurlijke wijze infiltreren in de bodem. Daarnaast is er ook een gebied op het perceel aangewezen voor waterberging.
Natuurherstel (lokale landschapselementen, versterken natuurwaarden, verbeteren biodiversiteit): Lokale landschapselementen zijn: grote agrarische percelen, openheid met weidse zichten, verspreid liggende bebouwing met incidentele erfbeplanting. De huidige situatie kenmerkt zich juist niet door deze elementen. Door de grote hallen wordt de weidse openheid beperkt, er is juist wel om het gehele perceel erfbeplanting aanwezig en de bebouwing ligt niet verspreid maar beslaat juist het grootste deel van het perceel. De bestaande beplanting kan enkele soorten aantrekken maar ontbreekt gelaagdheid.
In de nieuwe situatie worden de bedrijfshallen gesloopt en ontstaat er een (half)open landschap, zeker op het achtererf. Deze doet mee met de lijn van de erven aan het lint. Ook de erfbeplanting wordt op de omliggende percelen afgestemd. Door het gebruik in verschillende soorten beplanting ontstaat er gelaagdheid die ook verschillende soorten kan aantrekken en de biodiversiteit kan verbeteren. De beplanting bestaat uit struweel, grassoorten (bloemrijk), bomen van variërende ordes, oeverbeplanting (waterbergende poel).
Leefbare leefomgeving (voorzieningen voor vitale kernen, gezonde/veilige leefomgeving, bijdragen aan
woonopgave): In de huidige situatie zijn er geen voorzieningen en wordt er ook niet bijgedragen aan de woonopgave.
Met de beoogde ontwikkeling kunnen er twee woningen ontwikkeld worden op het perceel (voorerf), naast de bestaande woning. Hierdoor wordt er bijgedragen aan de woonopgave, zeker voor bewoners van Nederweert-Eind die graag in de omgeving willen blijven wonen. Door een erfopzet en de ordening op het voorerf wordt de sociale veiligheid geborgd als een 'mini-hofje'. De bewoners kunnen gebruik maken van het achtererf en de natuurlijke openheid wat bijdraagt aan de gezondheid van de bewoners. Ten opzichte van de vergunde situatie (intensieve veehouderij) wordt sterk bijgedragen aan de vermindering van de gezondheidsrisico's.
Toekomstbestendig ondernemen (circulaire economie, kennisuitwisseling/verdien-vermogen, werken in
korte ketens): Door de gewenste ontwikkeling met woningen is er geen effect ten aanzien van toekomstbestendig ondernemen. De initiatiefnemer staat positief tegenover waar mogelijk hergebruik van sloopmateriaal van de te slopen gebouwen voor de nieuwe inrichting.
Gezonde landbouw (innovatieve landbouw, toekomstbestendige landbouw, biobased bouwmaterialen): Door de gewenste ontwikkeling met woningen is er geen effect ten aanzien van gezonde landbouw.
Duurzame energie (productie duurzame energie op daken, gebruik maken van reststromen, energiezuinig
produceren): De huidige situatie voldoet aan geen van deze criteria.
De toe te voegen woningen krijgen zonnepanelen op het dak en een warmtepomp (optie), waardoor eigen energie opgewekt kan worden. Natuurlijk wordt deze bebouwing ook voorzien van goede isolatie om zuinig met de opgewekte energie om te gaan. Ook wordt er gekeken naar hergebruik van materialen en grondstoffen uit de sloop van de bedrijfsgebouwen, bijvoorbeeld voor de (half)verharding.
Betekenisvol toerisme (recreatief netwerk, kleinschalige verblijfsrecreatie, afzetmarkt lokaal voedsel): Door de gewenste ontwikkeling met woningen is er geen effect ten aanzien van betekenisvol toerisme. Er liggen ook geen kansen om aan te sluiten bij bestaande recreatieve routes.
Artikel 3.5
De maximaal toegestane oppervlakte van (bedrijfs)bebouwing en het perceel moet passen binnen de
verhoudingen van de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving;
Hieraan wordt voldaan, zie de stedenbouwkundige en landschappelijke onderbouwing in Bijlage 3.
Artikel 3.6.
Initiatieven moeten een reductie van ten minste 20% geur hebben ten opzichte van de vorige, vergunde situatie;
Hieraan wordt voldaan, de vorige vergunde situatie betrof een intensieve veehouderij.
Artikel 3.7.
Initiatieven moeten een reductie van ten minste 30% fijnstof hebben ten opzichte van de vorige, vergunde
situatie;
Hieraan wordt voldaan, aangezien de vergunde situatie een intensieve veehouderij betrof.
Artikel 3.8.
Initiatieven mogen niet leiden tot belemmering van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van
(agrarische) bedrijven in de omgeving;
Daaraan wordt voldaan. In een straal van 200 meter van de planlocatie bevindt zich één agrarisch bedrijf. De bedrijfsactiviteiten bij dat bedrijf (dat is gevestigd op het adres De Riet 1) betreft het 'fokken en houden van rundvee'. Voor dit type bedrijvigheid geldt een richtafstand van 100 meter in verband met geur en dertig meter in verband met stof en geluid. Aan deze richtafstanden wordt voldaan: het bedrijf bevindt zich op circa 160 meter (in zuidelijke richting) van de te bouwen woningen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden.
Artikel 3.9.
Het initiatief mag geen onevenredige verkeers- of publieksaantrekkende werking hebben;
Daaraan wordt voldaan. Het toevoegen van twee woningen heeft geen onevenredige verkeers- of publieksaantrekkende werking.
Artikel 3.10.
Parkeren dient op het eigen terrein plaats te vinden;
Daaraan wordt voldaan. Op het eigen terrein zal voldoende parkeermogelijkheid gecreëerd worden.
Artikel 3.11.
Ieder initiatief moet landschappelijk ingepast worden en leiden tot een landschappelijke kwaliteitsverbetering;
Daaraan wordt voldaan. Zie de stedenbouwkundige en landschappelijke onderbouwing (Bijlage 3).
Artikel 3.12.
Conform het gemeentelijke beleid moet er een Omgevingsdialoog gevoerd zijn met de omgeving voordat een
officiële aanvraag wordt ingediend. Een verslag van deze dialoog moet toegevoegd worden aan de aanvraag;
Na een gemeentelijk akkoord op de voorliggende uitwerking, vindt de omgevingsdialoog plaats.
Artikel 4. Voorwaarden: Woningen
Het toevoegen van woningen op de juiste locatie in het buitengebied is mogelijk wanneer wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden;
iv. Tot 1000 m2 stal: geen korting
v. 1000 – 2000 m2 stal: 40% korting
vi. Meer dan 2000 m2 stal: 60% korting
De initiatiefnemer beoogt 3020 m2 aan agrarische bebouwing te slopen. Na het toepassen van de korting op sloopmeters, ontstaan er 2008 m2 aan sloopmeters (1000+0,6*1000+0,4*1020).
Indien één woning wordt gecreëerd, is er eenmaal woonrecht benodigd. Dit staat gelijk aan 300 m² aan sloopmeters. Na het aftrekken van het woonrecht blijft er 1.948 m² aan sloopmeters over (2008-300 = 1708). Per m³ aan inhoud van de woning, is er 1,5 m² aan sloopmeters benodigd. Per woning komt de berekening dan uit op 1.139 m³ (1708/1.5).
Indien twee woningen worden gecreëerd, is er tweemaal woonrecht benodigd. Dit staat gelijk aan 600 (2 keer 300 m² aan woonrecht) sloopmeters. Na het aftrekken van het woonrecht blijft er 1.648 m² aan sloopmeters over (2008-600 = 1408). Per m³ aan inhoud van de woning, is er 1,5 m² aan sloopmeters benodigd. Per woning komt de berekening dan uit op 469 m³ (1408/1,5/2).
Die maximale inhoudsmaat is vastgelegd in de planregels. In de stedenbouwkundige- en landschappelijke scan is aangegeven dat de bebouwing bestaat uit één laag met kap. Daartoe zijn hoogtebepalingen opgenomen in de planregels.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen en woonschepen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).
Om na te gaan of activiteiten aanvaardbaar zijn, is ervoor gekozen om de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, editie 2009 te raadplegen. Met de komt van de Omgevingswet is gewerkt aan een handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl'. Zolang nog sprake is van een tijdelijk deel van het omgevingsplan kan de handreiking van 2009 nog als richtdocument gebruikt worden. Deze publicatie hanteert twee omgevingstypen: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd.
Voor het plangebied is sprake van een rustige woonomgeving in het buitengebied, waardoor functiescheiding wordt nagestreefd. De richtafstanden uit de VNG-publicatie worden daarom als toetsingskader gehanteerd. Deze richtafstanden hebben betrekking op hinderaspecten zoals geluid en geur, en waarborgen voldoende afstand tussen hinderveroorzakende en gevoelige functies.
Omdat dit initiatief voorziet in gevoelige functies zoals huisvesting, moet worden gekeken welke bedrijvigheid in de omgeving aanwezig is. Bedrijvigheid in de omgeving betreft
Voor de camping geldt dat de VNG-brochure hiervoor een richtafstand hanteert van dertig meter voor het aspect geur en vijftig meter voor het aspect geluid. De afstand van het kampeerterrein tot de nieuwe woningen bedraagt ruim 50 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Bovendien ligt de woning De Riet 6 al op kortere afstand.
Ten tweede zijn in de omgeving diverse landbouwactiviteiten aanwezig. De grootste richtafstand voor een landbouwactiviteit betreft tweehonderd meter. In een straal van tweehonderd meter van de planlocatie bevindt zich één agrarisch bedrijf. De bedrijfsactiviteiten bij dat bedrijf (dat is gevestigd op het adres De Riet 1) betreft het 'fokken en houden van rundvee'. Voor dit type bedrijvigheid geldt een richtafstand van honderd meter in verband met geur en dertig meter in verband met stof en geluid. Aan deze richtafstanden wordt voldaan: het bedrijf bevindt zich op circa 160 meter (in zuidelijke richting) van het gebouw waar de huisvesting zal plaatsvinden. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden.
De ontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt, is getoetst aan de regels die zijn opgenomen in de bruidsschat. Dit levert geen knelpunten op. De bedrijven in de omgeving van het gebied vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Daarnaast zal de ontwikkeling van de woningen ook geen belemmerende werking hebben op de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten in de omgeving.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Een groot deel van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.2a “Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen” gelden niet (artikel 5.78, lid 2, Bkl). Wel moet er bij het toelaten van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw langs een (spoor)weg rekening gehouden worden met het geluid door de bron door aan te tonen dat het geluid door de bron aanvaardbaar is (artikel 5.78s, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Of akoestisch onderzoek nodig is, hangt af van het aantal verkeersbewegingen op De Riet. Akoestisch onderzoek is vereist bij meer dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Hoewel er geen actuele verkeersdata beschikbaar is, lijkt het aannemelijk dat het aantal verkeersbewegingen op De Riet onder deze grens blijft. Daarom kan akoestisch onderzoek achterwege blijven.
Wel wordt op De Riet nog een maximumsnelheid van 80 km/u gehanteerd. Deze snelheid kan leiden tot een hogere geluidproductie per voertuig, waardoor de onderbouwing gevoelig ligt. Dit aspect is meegewogen in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het aspect wegverkeerslawaai leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Cultuurhistorie
Ten aanzien van cultuurhistorie in de gemeente Nederweert heeft de gemeente de cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Onderstaande figuur bevat van die kaart een uitsnede. Met behulp van de kaart is het mogelijk om in de gehele gemeente te onderzoeken welke cultuurhistorische waarden een bepaald gebied heeft.
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Weert-Nederweert met daarbij het plangebied in het zwarte kader (bron: gemeente Nederweert)
Uit de kaart volgt dat in de planlocatie geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Wel bevindt zich aan de noordzijde een beschermenswaardige beek. De beek wordt ongemoeid gelaten en de regels bij dit plan bevatten regels ter bescherming van de beek.
Archeologie
Op de archeologische beleidskaart van de gemeente (februari 2017) valt de planlocatie in categorie 5. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm én een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m².
De omvang van de nieuwe woningen en bijgebouwen komt niet boven de 2.500 m². Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.
Door de ontwikkeling worden er geen elementen van cultuurhistorische waarden aangetast. Het aspect archeologie vormt verder geen belemmering ten aanzien van het planvoornemen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
In het kader van eerdere planvorming is er een aantal jaar geleden bodemonderzoek uitgevoerd op de projectlocatie. Aangezien in de feitelijke situatie in de afgelopen jaren niets is veranderd en de onderzoeken vijf jaar geldig blijven, is actualisatie van het onderzoek niet nodig.
Door middel van een verkennend bodem- en asbestonderzoek en rapportage, dat is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting, is het plangebied onderzocht.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond. De in het grondwater gemeten verhoogde gehalten betreffen zware metalen van waarschijnlijk natuurlijke herkomst.
De onderzoekshypothese met betrekking tot de woning met omliggend erf en weilanden, zijnde een onverdachte locatie, is op basis van de resultaten van het huidige onderzoek formeel verworpen.
Met betrekking tot de voormalige boven- en ondergrondse tanklocaties en het overige terrein is de onderzoekshypothese, zijnde verdachte locaties op basis van de resultaten van het huidige onderzoek verworpen.
Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de bestemming van het terrein.
Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat in het geanalyseerde mengmonsters van de toplaag van de bodem ter plaatse van de onverharde druppelzone van het asbestverdachte dak aan de westzijde van de stal (deellocatie B4) asbest is aangetoond.
Het ter plaatse van deellocatie B4 aangetoonde gehalte aan asbest ligt boven de helft van de interventiewaarde. De hypothese 'verdachte locatie' wordt op grond van de resultaten van het huidige asbestonderzoek met betrekking tot het onderzochte terreindeel bevestigd.
Ter plaatse van de overige onderzochte terreindelen is geen asbest aangetoond. Met betrekking tot de onderzochte terreindelen wordt de hypothese 'verdachte locaties' op grond van de resultaten van het huidige asbestonderzoek verworpen.
Op grond van de huidige resultaten is met betrekking tot terreindeel B4 een nader asbestonderzoek aan de orde. Echter, omdat ter plaatse alleen asbestvezels in de bodem zijn aangetoond en geen plaatmateriaal in de bodem is aangetroffen, kan het huidige resultaat worden beschouwd als representatief voor de bodemkwaliteit van het betreffende terreindeel. Het uitvoeren van een nader asbestonderzoek met behulp van sleuven geeft hierin geen ander inzicht.
Op grond van de resultaten van het huidige asbestonderzoek wordt geadviseerd om de toplaag van de bodem ter plaatse van de onverharde druppelzone aan de westzijde van de schuur (deellocatie B4) te saneren. Bij de realisatie van de plannen wordt hiermee rekening gehouden.
Met inachtneming van de uit te voeren asbestsanering is het plan wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.
De plannen hebben geen negatieve effecten op de beschermde natuurgebieden, zoals het NNN en Natura 2000-gebieden.
Voor de aanwezige huismussen dient een omgevingsvergunning voor flora en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Hierbij zijn mitigerende maatregelen nodig, bijv. in de vorm van tijdelijke nestkasten.
De oostelijke stal bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze oostelijke stal kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk. Indien vleermuizen aanwezig zijn, dient er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Na uitvoering van dit ecologisch onderzoek is besloten om een groot deel van deze oostelijke stal te handhaven. Er vindt nog overleg plaats met het ecologisch bureau wat dit betekent voor de eventuele noodzaak van nader onderzoek.
In de opgaande vegetatie en stallen in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het verwijderen van de loodsen of opgaande vegetatie moet daarom buiten het broedseizoen plaatsvinden.
Daarnaast adviseert provincie Limburg om bij het nader onderzoek de mogelijke aanwezigheid van de steenuil in het gebied te betrekken. Volgens provinciale vogeldata zijn er waarnemingen bekend van de steenuil in het plangebied. Deze soort zal dan ook meegenomen worden in het nader onderzoek. Als uit het nader onderzoek blijkt dat er soorten in het gebied aanwezig zijn die vallen onder de vogelrichtlijn zal contact opgenomen worden met het cluster Vergunningen van de provincie om vervolgstappen in beeld te brengen.
Zie Bijlage 1 voor het volledige onderzoek.
Het aspect ecologie leidt vooralsnog niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling. Er wordt nog nader onderzoek uitgevoerd en indien nodig worden in afstemming met de provincie de benodigde omgevingsvergunningen voor flora en fauna-activiteiten aangevraagd.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van branden, ongevallen, rampen en crises, zoals omschreven in het provinciale risicoprofiel. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het besluitgebied is gebruik gemaakt van het Portaal Atlas Veiligheid. Het besluitgebied is niet gelegen binnen of in de nabijheid van een risicobron. Daarnaast liggen er geen aandachtsgebied over het plangebied.
Uitsnede Portaal Atlas Veiligheid (plangebied rood omlijnd)
Het aspect externe veiligheid leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Geurveroorzakende activiteiten
Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht:
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend,
enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het tijdelijk omgevingsplan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit
die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Geurgevoelige gebouwen en locaties
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte
van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt:
Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd.
De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich aan De Riet 1. Dit agrarisch bedrijf is gespecialiseerd in het fokken en houden van rundvee. Voor deze vorm van bedrijvigheid gelden volgens de VNG-richtafstanden een afstand van 100 meter in verband met geur en 30 meter in verband met stof en geluid. De afstand tussen de plangrens en de kadastrale grens van het agrarisch bedrijf bedraagt circa 160 meter in zuidelijke richting. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden. Binnen een straal van 200 meter van de planlocatie bevindt zich verder geen ander agrarisch bedrijf. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de richtafstanden en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het aspect geur leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.
In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich agrarische gronden. Op basis van luchtfoto's van meerdere jaren blijkt dat deze gronden sinds lange tijd in gebruik zijn als grasland. Voor zover bekend zijn er geen concrete plannen om deze gronden te wijzigen naar een gebruik voor open teelten, zoals fruitteelt, waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde zou zijn. Het gebruik van dergelijke middelen is op dit moment dan ook niet aan de orde.
Bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische percelen waar open teelten planologisch zijn toegestaan, wordt in beginsel uitgegaan van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden. In dit geval laat het geldende omgevingsplan open teelten toe. Echter, het feitelijke gebruik als grasland en het ontbreken van concrete voornemens tot functiewijziging geven aanleiding om aan te nemen dat het risico op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen beperkt is.
Het wijzigen van het bestaande graslandgebruik naar een teelt waarbij structureel gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, wordt beschouwd als een ingrijpende wijziging van het agrarisch gebruik. Tenzij er sprake is van een concreet en kenbaar voornemen daartoe, hoeft hiermee in de planperiode geen rekening te worden gehouden.
Daarnaast bevinden zich ook andere gevoelige functies, zoals een minicamping aan De Riet 8, die direct grenzen aan dezelfde agrarische gronden. Dit bevestigt dat het huidige gebruik van de gronden in de praktijk geen belemmering vormt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het aspect gezondheid leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). De instructieregels over luchtkwaliteit zijn echter alleen van toepassing op specifieke situaties, te weten:
Voorliggende initiatief heeft geen betrekking op de aanleg van autowegen of tunnels. De gemeente Nederweert is in artikel 5.51 lid 3 sub e niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof.
Een project moet in beginsel worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM).
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Voor onderhavig project is mogelijkheid 1 aan de orde. Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Daarom is het niet nodig deze 'standaardgevallen' te toetsen aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Voor onder andere woningbouw geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in artikel 5.54 grenzen aan. Als een activiteit binnen deze grenzen valt, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10). Want de activiteit draagt dan per definitie NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Woningen/woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal:
Met woningen wordt het netto aantal woningen bedoeld. Het gaat hierbij dus om het aantal woningen dat er (netto) bij komt, vergeleken met eerdere situaties. Met een toename van twee woningen is het planvoornemen NIBM.
Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde.
Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Tenslotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Voor het aspect water zijn is in het kader voorliggende ontwikkeling een aantal beleidskaders van belang.
Europese kaderrichtlijn water
De kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn, die bedoeld is om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater op goed niveau te krijgen en te houden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het nationale beleidskader en de strategische doelen en maatregelen voor het waterbeheer in Nederland. Langs het projectgebied loopt een secundaire watergang 'Kwade Gaten', die is aangesloten op de primaire watergang 'Rietbeek'. Deze watergangen zijn niet aangewezen als KRW-waterlichamen.
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
Doel van het Bestuursakkoord Water is te blijven zorgen voor:
De vijf partners (Het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin)) willen dit bereiken door doelmatiger te werken, dat wil zeggen: goede kwaliteit tegen lagere kosten en minder bestuurlijke drukte.
Omgevingsverordening Limburg
De Omgevingsverordening Limburg bevat regels voor waterbeheer, zoals instructieregels voor gemeenten en waterschappen en verboden in specifieke gebieden. Het beleid richt zich op het beschermen van grondwater, het voorkomen van wateroverlast en erosie door onder andere het stimuleren van infiltratie, en het beperken van de belasting van het oppervlaktewater met verontreinigingen.
Waterschap Limburg
De Waterschapsverordening is de opvolger van de Keur. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden alle regels die het waterschap binnen haar beheergebied stelt over de fysieke leefomgeving, opgenomen in de Waterschapsverordening. De legger is het document waarin staat beschreven waar waterstaatswerken aan moeten voldoen om goed te functioneren.
Alle ruimtelijke plannen waarbij het aspect water een rol kan spelen komen in aanmerking voor wateradvies. Het waterschap heeft een aantal toetsingspunten opgesteld waar wij ruimtelijke plannen aan toetsen. Deze toetsingspunten zijn hieronder te vinden:
Gemeentelijk rioleringsplan Nederweert
In Nederweert zijn regels voor het afkoppelen/infiltreren van hemelwater bij bouwplannen en planontwikkeling van kracht. Deze regels zijn gesteld voor:
In dit geval is sprake van nieuwbouw na sloop/verbouw. Dit betekent dat de totale verharding op het perceel dient te worden afgekoppeld op eigen terrein. Hier dient in de uitvoering aandacht aan besteed te worden.
Water in het plangebied
Met dit initiatief vindt er een wijziging plaats in de waterhuishoudkundige situatie. De hoeveelheid verhard oppervlak zal aanzienlijk afnemen. De bestaande schuren hebben een oppervlak van 3.620 m². Om de schuren heen ligt een aanzienlijke hoeveelheid verhard oppervlak. Hoewel er twee woningen toegevoegd worden met dit plan, zal de totale verharding fors afnemen door de sloop van de schuren en de verwijdering van de bijbehorende verharding. Hierdoor verbeteren de infiltratiemogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast wordt er een vijver op het achtererf toegevoegd, waar het water eveneens kan infiltreren. Hiermee wordt ook toepassing gegeven aan de voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit en aan de voorkeurstabel afkoppelen.
De grondwaterstand rond het plangebied variëren. Uit het Dinoloket volgt dat een GLG van 232cm en GHG van 57cm onder maaiveld. Uit de bodemdoorlatendheidskaart van Waterschap Limburg volgt een doorlatendheid van 0,45 tot 0,75 m/dag. Uit het AHN volgt dat de hoogteverschillen op het terrein beperkt zijn, waardoor er beperkte afstroming vanuit omliggende gebieden zal zijn. Dergelijke parameters dienen betrokken te worden bij de verdere uitwerking van het plan.
Aan de noordrand van het perceel bevindt zich een watergang, met daaromheen een beschermingszone. In deze beschermingszone zullen met dit plan geen wijzigingen plaatsvinden die de watergang negatief zullen beïnvloeden.
Het aspect water leidt niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
Voorliggend plan voorziet in de bouw van twee extra woningen op het perceel en kan worden ontsloten via De Riet, via de bestaande inrit. Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren 381' kan de verkeersgeneratie per woning worden berekend. Uitgaande van een vrijstaande koopwoning in 'het buitengebied' in weinig stedelijk gebied bedraagt de verkeersgeneratie per woning tussen de 7,8 en 8,6 motorvoertuigen per etmaal. De ontwikkeling is dusdanig kleinschalig van aard (twee nieuwe woningen) dat deze weinig tot geen invloed heeft op de verkeersveiligheid, doorstroming van het verkeer en de bereikbaarheid van naastgelegen percelen.
Aanvullend geldt dat de mogelijkheden tot agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel komen te vervallen. Daarmee verdwijnen ook de bijbehorende verkeersbewegingen, zoals landbouwverkeer en transport gerelateerd aan bedrijfsvoering. Dit draagt bij aan een afname van de totale verkeersdruk op De Riet.
Parkeren vindt plaats op eigen terrein. De parkeerbehoefte is bepaald op basis van het parkeerbeleid van de gemeente Nederweert. In dit beleid is voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Nederweert heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen wordt voor één categorie ‘wonen’. Voor het planvoornemen betekent dat een parkeerbehoefte van 1,5 parkeerplaatsen per woning. Op eigen terrein is voldoende ruimte beschikbaar om in die parkeerbehoefte te voorzien.
De aspecten verkeer en parkeren leiden niet tot beperkingen voor de beoogde herontwikkeling.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig die voor een belemmering kunnen zorgen.
Toetsingskader
Onderdeel van de motivering van de aanvraag, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.
Onderzoek
Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
In bijlage V van het Omgevingsbesluit is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is (J11). In de jurisprudentie is een lijn gezet over wat wel en niet als stedelijk ontwikkelingsproject wordt gezien. Uit een afspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:729) wordt duidelijk dat een bestemmingsplan dat voorziet in de bouw van 12 woningen, gelet op de aard en omvang ervan, niet wordt gezien als stedelijk ontwikkelingsproject. Belangrijk hierbij is dat er sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat de voorziene bebouwing beperkt is. Bij dit voornemen is sprake van de bouw van 2 woningen in ruil voor het slopen van voormalige bedrijfsgebouwen.
Dat betekent dat het opstellen van een mer-beoordeling niet noodzakelijk is. Er is geen sprake van belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu.
Door het slopen van de bedrijfsgebouwen en de bouw van woningen is er juist sprake positieve gevolgen voor het milieu.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 - voor zover nu bekend - de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM's) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAM's is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM- omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie De Riet 4 te Nederweert-Eind, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.TAMHfd22oDeRiet4-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk van het omgevingsplan van de gemeente Nederweert, de hoofdstukken moeten worden gelezen als paragrafen en voor de nummering van de artikelen moet het hoofdstuknummer worden gelezen. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Artikel 1 Toepassingsbereikbepaling
In dit artikel wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-omgevingsplan. In het derde lid worden de regels uit het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
In deze artikelen zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten die zijn opgenomen in paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) van overeenkomstige toepassing verklaard op een omgevingsvergunning die vereist is op grond van dit hoofdstuk. Dit gaat bijvoorbeeld om aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of worden verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod.
In dit artikel is de functie 'Wonen' beschreven. De functie 'Wonen' laat onder andere toe om gronden te gebruiken om te wonen. Onder verboden gebruik is aangegeven welk gebruik niet is toegestaan. Daarnaast is onder bouwactiviteiten aangegeven wat er gebouwd mag worden binnen deze functie.
In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de woningen pas gebruikt mogen worden als verzekerd is dat het erf is ingericht conform het erfinrichtingsplan.
Voor het meest oostelijke gedeelte van het erf is op de verbeelding de aanduiding 'tuin' opgenomen. Dit gedeelte mag alleen een groene invulling krijgen.
De te behouden bedrijfsgebouw is vastgelegd op de verbeelding met de aanduiding 'opslag'. In de regels is daarvoor het beoogde gebruik vastgelegd.
Artikel 9 Waarde - Archeologie
In dit TAM-omgevingsplan is de geldende archeologische bestemming overgenomen.
Artikel 10 Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden
In dit TAM-omgevingsplan is de bufferzone voor hydrologische gevoelige gebieden binnen het plangebied aangegeven met 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden'. Binnen het gebied zijn de gronden, naast de toegelaten functies, aangewezen voor het behoud en herstel van de natte milieuomstandigheden in de natuurgebieden de Groote Peel, Sarsven/de Banen, De Zoom en de Groote Moost.
Artikel 11 Waterstaat - Beschermingszone watergang
In dit TAM-omgevingsplan is de beschermingszone watergang binnen het plangebied aangegeven met 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'. Binnen het gebied zijn de gronden, naast de toegelaten functies, aangewezen voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang. De beschermingszones zijn ook opgenomen in de legger van de primaire wateren van het betreffende waterschap. Op de gronden zijn tevens de gebods- en verbodsbepalingen van de waterschapsverordening van het betreffende waterschap van toepassing.
Artikel 12 Anti-dubbeltelbepaling
De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen.
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels
In dit artikel is geregeld dat ter plaatse van 'Milieuzone - boringsvrije zone' geen activiteiten mogen worden ontplooid die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkvoorziening,
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat er moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit zijn regels als bedoeld in artikel 22.29, eerste lid onder a van dit omgevingsplan.
Artikel 15 Verhouding tussen functies
In dit artikel is de verhouding tussen functies opgenomen. Waar een functie samenvalt met een gebied met waarde geldt primair het bepaalde ten aanzien van de waarde.
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.
De kaart bestaat uit de werkingsgebieden voor de functie 'Wonen' en uit de gebieden met waarden: 'Waarde - Archeologie 5', 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden' en 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'. De regels in dit hoofdstuk zijn aan deze werkingsgebieden gekoppeld, dan wel aan het hele 'plangebied' van de locatie De Riet 4 te Nederweert-Eind.
Op grond van artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit (hierna Ob), moet bij een wijziging van het omgevingsplan aangegeven worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. Ook dient beschreven te worden wat de gemeente met de resultaten heeft gedaan. Bovendien moet een initiatiefnemer in alle gevallen aangeven of participatie heeft plaatsgevonden.
Bij de voorbereiding van dit wijzigingsplan heeft participatie plaatsgevonden in de vorm van een omgevingsdialoog. De resultaten van deze dialoog zijn meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. In Bijlage 4 is het verslag van het omgevingsdialoog opgenomen, waarin de inbreng van de deelnemers en de wijze waarop hiermee is omgegaan, zijn vastgelegd.
Het ontwerp-TAM-IMRO plan heeft voor zes weken ter inzage gelegen. Iedereen heeft daarbij de mogelijkheid gehad binnen die termijn te reageren op het ontwerpplan door middel van het indienen van een zienswijze. Er zijn geen zienswijzen over het ontwerpplan ingediend.
Nadat het TAM-IMRO besluit is vastgesteld, bekendgemaakt en (de dag na bekendmaking) in werking is getreden, staat de rechtsgang open tegen het besluit.
De kosten die gepaard gaan met het plan worden door de initiatiefnemer gedragen. Een exploitatieplan is niet nodig.