direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o De Riet 4 Nederweert-Eind
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.TAMHfd22oDeRiet4-VA01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie De Riet 4, Nederweert-Eind en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22o]) van het omgevingsplan van de gemeente Nederweert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22o] van het omgevingsplan van de gemeente Nederweert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22o.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22o.]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereikbepaling

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie De Riet 4, Nederweert-Eind, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.TAMHfd22oDeRiet4-VA01 zoals vastgelegd op  https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

3.1 omgevingsplan

Het omgevingsplan gemeente Nederweert.

3.2 TAM-Omgevingsplan

Het TAM-Omgevingsplan 'De Riet 4' met identificatienummer NL.IMRO.0946.TAMHfd22oDeRiet4-VA01 

3.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.4 aan huis gebonden bedrijf

een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

3.5 aan huis gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

3.6 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 9.6 van de Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

3.7 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.

3.8 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden).

3.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.10 bestaand

zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.

3.11 bijbehorend bouwwerk

een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.

3.12 bouwen

bouwen als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet.

3.13 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

3.14 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.15 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

3.16 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.17 bouwwerk

bouwwerk als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet.

3.18 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.19 erfafscheiding

een gebouwde voorziening van enig materiaal bedoeld om een tuin of erf af te scheiden.

3.20 gebouw

gebouw als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet.

3.21 gewasbeschermingsmiddelen

gewasbeschermingsmiddelen zijn chemische of biologische stoffen die in de landbouw worden gebruikt voor het beschermen van een gewas tegen schadelijke organismen zoals insecten, schimmels, onkruid en bacteriën.

3.22 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

3.23 huishouden
  • a. één persoon; of
  • b. meerdere personen die een economisch-consumptieve eenheid vormen en die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.
3.24 kampeermiddel
  • a. een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
  • b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is;

één en ander voorzover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Stacaravans worden hiertoe niet gerekend.

3.25 landschappelijke inpassing

Landschappelijke inpassing is het aanpassen of vormgeven van een gebouw, terrein of ontwikkeling met groenvoorzieningen en landschapselementen zodat deze op een ruimtelijk verantwoorde en visueel passende te integreren in hun omgeving, zodat het landschapsbeeld behouden of versterkt wordt.

3.26 landschapstuin

een landschapstuin is een grote tuin die zo is aangelegd dat de indruk van een natuurlijk landschap ontstaat, o.a. door de aanleg van verschillende landschapselementen, vijvers, rotspartijen en kronkelige paden.

3.27 peil
  • a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
3.28 voorgevelrooilijn

een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m ter weerszijden van die voorgevel.

3.29 wonen

het gehuisvest zijn van één huishouden in een woning.

3.30 woning

een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in artikel 4.1 tot en met 4.5.

4.1 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bebouwing onder de begane grondvloer worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

4.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

7.2 Functieomschrijving

Een als ‘Agrarisch’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. landschapstuin
  • c. versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
  • d. onverharde of semi-verharde paden;
  • e. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. extensieve dagrecreatie;
  • h. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifiek vorm van groen - landschappelijke inpassing', landschappelijk inpassing zoals bedoeld in artikel 8.4.4.
  • i. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zone beperkingen gewasbeschermingsmiddelen’ een spuitvrije zone.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

7.3.1 Algemeen

Op de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de ter plaatse toegestane functie(s), waarbij de volgende beoordelingsregels gelden.

7.3.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

Buiten de aanduiding bouwvlak zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van het agrarisch grondgebruik, gebruik als landschapstuin en/of recreatief medegebruik, met een maximale hoogte van 2 m en een maximale oppervlakte van 10 m2, danwel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m2 per bouwwerk;

7.3.3 Maatwerkvoorschriften
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de plaats en afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    • a. bebouwing;
    • b. verharding;
  • 2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met:
    • a. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
    • b. stedenbouwkundige kwaliteit;
    • c. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • d. de milieusituatie;
    • e. de verkeersveiligheid;
    • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • g. de sociale veiligheid;
    • h. de externe veiligheid;
    • i. de hemelwaterproblematiek.
7.4 Specifieke functieregels voor gebruik
7.4.1 Algemeen

Tot een met de functie 'Agrarisch' strijdig gebruik, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 7.2, meer in het bijzonder:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • b. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  • c. het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten;
  • d. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing

Het gebruik van de gronden en bouwwerken conform artikel 7.2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • a. de maatregelen in het landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing', binnen één jaar nadat de overtollige voormalige agrarische bebouwing is gesloopt en de mestputten zijn verwijderd, wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
7.4.3 Specifiek strijdig gebruik van gronden in verband met de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
  • a. Onder gebruik in strijd met dit plan wordt verstaan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – zone beperkingen gewasbeschermingsmiddelen', met uitzondering van incidentele handmatige pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde spuitdop uitsluitend ten behoeve van onkruidbestrijding.
  • a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt het gebruik van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – beperkingen gewasbeschermi

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen in een (burger)woning;
  • b. de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, overeenkomstig de bepalingen uit artikel 8.4.2;
  • c. statische opslag van caravans, campers en oldtimers en onderhoud en reparatie daarvan uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van wonen - opslag bedrijf aan huis' tot een oppervlakte tot een oppervlakte van ten hoogste 600 m²;
  • d. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifiek vorm van groen - landschappelijke inpassing', landschappelijk inpassing zoals bedoeld in artikel 8.4.4,

met de daarbij behorende

  • e. tuinen, erven en verhardingen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. speelvoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

8.3.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen woningen, inclusief bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

8.3.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

Voor de bouwwerken gelden de volgende eisen:

  • 1. woningen, inclusief bijbehorende bouwwerken;
plaatsing   uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van wonen - bedrijf aan huis opslag' tevens een gebouw is toegestaan ten behoeve van de functie zoals bedoeld in artikel 7.2, onder sub c.  
dakhelling   minimaal 12°; deze eis geldt niet voor bijgebouwen  
aantal woningen   één, tenzij anders op de verbeelding aangegeven  
inhoud (woning)   maximaal 469 m3 of de bestaande inhoud indien deze groter is.  
woningtype   éénlaags met kap  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens voor woningen   minimaal 3 m  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens voor bijbehorende bijgebouwen   minimaal 3 m  
goothoogte vrijstaande bijgebouwen   maximaal 3,20 m  
bouwhoogte vrijstaande bijgebouwen   maximaal 5,50 m  
afstand tot woning voor vrijstaande bijgebouwen   maximaal 20 m uit de dichtstbijzijnde gevel  

  • 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
plaatsing   uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak  
bouwhoogte erfafscheidingen   maximaal 2 m; erfafscheidingen zijn ook vóór de voorgevelrooilijn toegestaan tot een bouwhoogte van max. 1 m.  
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   maximaal 6 m  
oppervlakte   maximaal 30 m2  

  • 3. vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits dit plaatsvindt op de bestaande fundamenten;
  • 4. in afwijking van lid 2 zijn erfafscheidingen toegestaan buiten het bouwvlak.
8.3.3 Maatwerkvoorschriften
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de plaats en afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    • a. bebouwing;
    • b. verharding;
  • 2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met:
    • a. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
    • b. stedenbouwkundige kwaliteit;
    • c. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • d. de milieusituatie;
    • e. de verkeersveiligheid;
    • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • g. de sociale veiligheid;
    • h. de externe veiligheid;
    • i. de hemelwaterproblematiek.
8.3.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging - bijbehorende bouwwerken
  • 1. Er mag worden afgeweken van het bepaalde in 8.3.2 zodat de bouw van bijbehorende bouwwerken plaatsvindt op een kortere afstand dan 3 m van de perceelsgrens.
  • 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
    • a. deze kortere afstand noodzakelijk is;
    • b. het perceel onvoldoende ruimte biedt om de bebouwing op minimaal 3 meter te realiseren;
    • c. deze kortere afstand vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
    • d. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de belangen van naburige percelen;
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
8.3.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging - vervangende nieuwbouw
  • 1. Er mag worden afgeweken van het bepaalde in 8.3.2 dat het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten is toegestaan.
  • 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
    • a. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
    • b. de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt;
    • c. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan.
    • d. naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
8.3.6 Specifieke bouwregel

Gedurende de periode van sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing en bouw van de twee nieuwe woningen, en uiterlijk tot 5 jaar na het onherroepelijk worden van dit plan, zijn twee tijdelijke woonverblijven toegestaan in de vorm van een tiny house of vergelijkbaar gebouw met elk een oppervlakte van maximaal 80 m².

8.4 Specifieke functieregels voor gebruik
8.4.1 Algemeen

Tot een met de functie 'Wonen' strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 7.2, meer in het bijzonder:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • b. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  • c. het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
  • d. het gebruik van opstallen voor de huisvesting van arbeidsmigranten;
  • e. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
8.4.2 Aan-huis-verbonden-beroep/bedrijf
  • 1. Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep of een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
    • a. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
    • b. er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
    • c. geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
    • d. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten;
    • e. op eigen terrein wordt voorzien in de nodige parkeergelegenheid.
  • 2. In afwijking van lid 1 is ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van wonen - bedrijf aan huis opslag', statische opslag van caravans, campers en oldtimers met onderhoud en reparatie tot een oppervlakte van ten hoogste 600 m² als aan-huis-gebonden-bedrijf toegestaan.
8.4.3 Specifieke functieregels gebruik met nadere afweging
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 8.4.1 onder d;
  • 2. Een omgevingsvergunning om het gebruik van een bijbehorend bouwwerk voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf toe te staan, als bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als:
    • a. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
    • b. er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen tot een maximum van 75 m2;
    • c. geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
    • d. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten;
    • e. op eigen terrein wordt voorzien in de benodigde parkeergelegenheid;
    • f. naar het oordeel van het bevoegd gezag de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
8.4.4 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing

Het gebruik van de gronden en bouwwerken conform artikel 8.2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • a. de maatregelen in het landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’, binnen één jaar nadat de overtollige voormalige agrarische bebouwing is gesloopt en de mestputten zijn verwijderd, wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Artikel 9 Waarde - Archeologie

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie.

9.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor de bescherming van de in grond aanwezige archeologische waarden.

9.3 Bouwregels
9.3.1 Algemeen

Op de tot 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

9.3.2 Uitzondering op het verbod

Het bepaalde in lid 9.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van een gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld;
  • b. de bouw van twee nieuwe woningen, de bouw van een bijgebouw van, of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een bruto-oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 2.500 m2;
  • c. bouwwerken ten dienste van de in lid 9.1 genoemde doeleinden en ten dienste van een overige aan deze gronden toegekende functie(s), voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld.
9.4 Maatwerkvoorschriften

Over het bepaalde in 9.3.2 kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op, of binnen een afstand van 25 m tot gebieden die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie', zulks ter voorkoming van onevenredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van het betreffende waardevolle terrein, maar ook omdat de exacte begrenzing van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaat.

9.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het gebied 'Waarde - Archeologie' wordt in het geval de aanvraag betrekking heeft op het bouwen en/of vergroten van bouwwerken van/met meer dan 2.500 m2 in aanvulling op artikel 22.35 door de aanvrager een rapport overlegd waarin naar oordeel van het bevoegd gezag:

  • a. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.6 Vergunningvoorschriften bouwactiviteit

Het bevoegd gezag kan één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.5:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunningvoorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
9.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.7.1 Algemeen

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 2.500 m2 of meer:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,4 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
  • i. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,4 m.

9.7.2 Uitzonderingen op het verbod

Het in lid 9.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • b. reeds in uitvoering zijn op tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. grondwerkzaamheden in het kader van het slopen van gebouwen;
  • d. het normaal onderhoud en beheer betreffen.
9.7.3 Afwegingskader

De in lid 9.7.1 genoemde vergunning wordt verleend als:

  • a. uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
  • b. uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunningvoorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.

Artikel 10 Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden'.

10.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud en herstel van de natte milieuomstandigheden in de natuurgebieden de Groote Peel, Sarsven/de Banen, De Zoom en de Groote Moost.

10.3 Bouwregels
10.3.1 Algemeen

Op de voor 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

10.3.2 Uitzonderingen op het verbod

Het bepaalde in lid 10.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. bouwprojecten met een grondbeslag van niet meer dan 100 m2;
  • b. bouwprojecten waarvoor een reeds een omgevingsvergunning is verleend en waarvoor advies is ingewonnen bij het Waterschap Peel en Maasvallei;
  • c. binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.
10.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
  • 1. Er mag worden afgeweken van het bepaalde in 10.3.1 met een omgevingsvergunning, mits de bouw ten dienste is van en conform de overige voor deze gronden aangewezen functie(s).
  • 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de natte milieuomstandigheden in de in lid 10.2 genoemde natuurgebieden geen bezwaar bestaat, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het afgraven, egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  • b. het diepploegen of diepwoelen dieper dan 0,30 m;
  • c. het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk;
  • d. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • e. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van waterlopen.
10.5.2 Uitzonderingen op het verbod

Het in sublid 10.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. ten dienste van de in sublid 10.3.2 genoemde (bouw)werkzaamheden;
  • d. binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.
10.5.3 Nadere afweging

Een in sublid 10.5.1 genoemde vergunning wordt verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen bezwaar of nadeel ontstaat voor de bescherming van natte milieuomstandigheden, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.

Artikel 11 Waterstaat - Beschermingszone watergang

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'.

11.2 Functieomschrijving

De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor:

  • a. de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang;
  • b. met dien verstande dat de beschermingszones zijn opgenomen in de legger van de primaire wateren van het betreffende waterschap. Op de gronden zijn tevens de gebods- en verbodsbepalingen van de waterschapsverordening van het betreffende waterschap van toepassing.
11.3 Bouwregels

Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

11.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
  • 1. Er mag worden afgeweken van het bepaalde in 11.3 met een omgevingsvergunning, mits de bouw ten dienste is van en conform de overige voor deze gronden aangewezen functie(s).
  • 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de watergang, en onder de voorwaarden dat:
    • a. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van de in lid 11.2 bedoelde watergang;
    • b. de beslissing met betrekking tot de afwijking aan de beheersinstantie wordt meegedeeld.
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • b. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
11.5.2 Uitzonderingen op het verbod

Het in sublid 11.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
11.5.3 Nadere afweging

Een in sublid 11.5.1 genoemde vergunning wordt verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de watergang. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan de beheersinstantie van de bedoelde watergang.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 Milieuzone - boringsvrije zone

Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - boringsvrije zone' mogen geen activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteiten in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 m onder maaiveld.

Artikel 14 Overige regels

14.1 Parkeergelegenheid
  • 1. De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
  • 2. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en/of het wijzigen van het gebruik wordt aan de hand van het ‘Parkeerbeleid gemeente Nederweert’ of het op dat moment geldend parkeerbeleid bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
14.2 Waterberging

Het gebruik van gronden en gebouwen binnen de kaders van dit omgevingsplan is uitsluitend toegestaan als binnen het plangebied van dit bestemmingsplan is voorzien in een waterbergingsvoorziening van voldoende omvang en deze voorziening in stand wordt gehouden. De capaciteit van de waterbergingsvoorziening wordt als volgt berekend: minimaal 100 mm per m² toename bebouwd/verhard oppervlak.

Artikel 15 Verhouding tussen functies

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt eenmalig een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
16.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met dit plan voor inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.