Regels
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Ommelpad 16 te Ospel en vormt een juridisch nieuw hoofdstuk (Hoofdstuk 22f) van het omgevingsplan van de gemeente Nederweert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening
www.ruimtelijkeplannen.nl. het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven, deel van het Omgevingsplan (hierna: ‘dit deel’) weergegeven hoofdstukken, moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22f] van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikelnummer ‘[22f]’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22f]’ gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik
- De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 voor zover het géén milieugevoelig object betreft, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
- De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Ommelpad 16 Ospel , waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.TAMHfd22fOmmelpd16-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage l bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage l bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage l bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage l bij het Omgevingsbesluit en bijlage l bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
3.1 omgevingsplan
het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert.
3.2 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Ommelpad 16 Ospel met identificatienummer NL.IMRO.0946.TAMHfd22fOmmelpd16-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.
3.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
3.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
3.5 aan huis gebonden bedrijf
een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
3.6 aan huis gebonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
3.7 achtergrondmuziek
Muziek die bedoeld is om niet direct of bewust naar te luisteren, maar die louter tot doel heeft sfeerverhogend te werken, waarbij het geluidniveau op 1 meter van de luidsprekers maximaal 70 dB(A) bedraagt.
3.8 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen), uitsluitend in de vorm van een akkerbouwbedrijf.
3.9 agrarisch bouwvlak
de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – akkerbouw’.
3.10 agrarische bedrijfswoning bewoond door burgers
een agrarische bedrijfswoning die op grond van dit bestemmingsplan c.q. door het verlenen van een ontheffing/afwijking op grond van dit bestemmingsplan bewoond mag worden door burgers, wordt gelijk gesteld aan een plattelandswoning zoals bedoeld in artikel 1.1.a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3.11 akkerbouwbedrijf
een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig telen van gewassen en afhankelijk is van de grond als productiefactor waarbij het bedrijfsmatig houden van dieren niet is toegestaan.
3.12 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.13 bebouwde deel van de bouwkavel
dat deel van de agrarische bouwkavel waarop alle gebouwen en andere bouwwerken zoals bedrijfswoning, stallen, loodsen, waterbassins, mestopslag, (folie)kassen, schaduwhallen, silo's en permanente teeltondersteunende voorzieningen opgericht dienen te worden.
3.14 bebouwingsconcentratie
bebouwingsclusters en/of bebouwingslinten, zoals aangegeven op de verbeelding.
3.15 bedrijfswoning
een woning, in of bij een bedrijf, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
3.16 bestaand
zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
3.17 bijgebouw
een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.
3.18 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
3.19 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
3.20 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
3.21 bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel.
3.22 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
3.23 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
3.24 broedseizoen
de periode in een jaar van 15 maart t/m 15 juli.
3.25 dagperiode
dagperiode zoals gehanteerd in het Activiteitenbesluit milieubeheer en diens opvolgers.
3.26 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
3.27 evenement
elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, niet vallend onder de reguliere uitoefening van de ter plaatse geldende functieaanduiding of bestemming. Een activiteit die zich enkel richt op de natuurbeleving, zonder verdere verstorende elementen dan de aanwezigheid van mensen, wordt niet beschouwd als een evenement.
3.28 extensieve dagrecreatie
recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen; onder extensieve (dag)recreatie vallen geen gemotoriseerde sporten.
3.29 functiegrens
de grens van een functievlak.
3.30 functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
3.31 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
3.32 groenvoorzieningen
groenvoorzieningen zijn het geheel van de aanplant in een gebied dan wel het aanbrengen of voorzien van groen.
3.33 hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
3.34 inpandige mestopslag
opslag van mest in een gesloten gebouw, dat wil zeggen met vier wanden en een deur voor aan- en afvoer. Een vorm van (natuurlijke) ventilatie is aanwezig. Maar dit betekent niet dat een wand grotendeels open is.
3.35 kampeermiddel
- een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
- enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is.
3.36 kas
een gebouw, bestaande uit glas of ander licht-doorlatend en transparant materiaal, dienend tot het kweken of
trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten.
3.37 landschapselement
punt-, lijn- en vlakelement met een maximale grootte van 5 ha, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving.
3.38 mestbewerking/-verwerking
De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding.
3.39 nevenactiviteiten
een activiteit die naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit (agrarisch bedrijf) ter plekke, zoals een speeltuin, kinderopvang, boerengolf, educatieve doeleinden.
3.40 nieuwvestiging
het vestigen van een bedrijf, waaronder begrepen zowel vestiging op een bestaand als een nieuw bouwvlak.
3.41 omschakeling
omzetten van een bedrijfstype in een ander bedrijfstype.
3.42 opslag
het bewaren van goederen, bijvoorbeeld in een loods.
3.43 onbebouwde deel van de bouwkavel
dat deel van de agrarische bouwkavel waarop containervelden, tijdelijke hoge boogkassen, tijdelijke regenkappen en lage boogkassen opgericht dienen te worden.
3.44 peil
voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:
de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
De gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
3.45 recreatief medegebruik
vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.
3.46 stiltegebied
stiltegebieden zijn milieubeschermingsgebieden waarin het aspect stilte bijzondere bescherming nodig heeft, aangezien het anders verloren dreigt te gaan. Stiltegebieden worden door de provincies op grond van artikel 4.9 van de Wet milieubeheer vastgelegd in het provinciaal milieubeleidsplan. Tot de gebieden behoren tenminste:
- de gebieden die krachtens de Wet natuurbescherming zijn aangewezen als beschermd natuurmonument of als staatsnatuurmonument, en
- de gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfsplaats voor watervogels (Conventie van Ramsar (1971), Trb. 1975, 84).
3.47 teeltondersteunende voorzieningen
uitgespreid afdekmateriaal, afdekmateriaal met ondersteunende constructie (lage, niet menstoegankelijke tunnels en tijdelijke menstoegankelijke tunnels), bestemd voor vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen- en boomteelt.
3.48 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
overkapping van de teelt, welke maximaal 6 maanden of korter in het jaar aanwezig is (al dan niet in een
aaneengesloten periode).
3.49 verbeelding
de verbeelding behorende bij dit plan met idn-nummer NL.IMRO.0946.TAMHfd22fOmmelpd16-VA01.
3.50 voorgevelrooilijn
een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m. ter weerszijden van die voorgevel.
3.51 watergang
natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan worden.
3.52 waterstaat
toestand van het oppervlakte- en grondwater.
3.53 woning
een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.
3.54 woonunit
een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
Voor de meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op artikel 22.24 van het Omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen en zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hier niet van is afgeweken in het eerste lid tot en met het zevende lid.
4.1 dakhelling
de dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
4.2 goothoogte
de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
4.3 inhoud van een bouwwerk
de inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
4.4 bouwhoogte van een bouwwerk
de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
4.5 oppervlakte van een bouwwerk
de oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
4.6 hoogte van een windturbine
de hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
4.7 50 en 100 meter rooilijn
de 50 en 100 meter rooilijn wordt gemeten vanuit de dichtstbijgelegen rijbaan van de (rijks)weg, waarbij de toe- en afrit ook als rijbaan beschouwd worden.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoel in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
2 Functies en activiteiten
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Agrarisch’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
- agrarisch grondgebruik;
- de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf ter plaatse van de functieaanduiding ‘akkerbouw’;
- een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’;
- landschappelijke inpassing conform het landschappelijke inpassingsplan ‘Ommelpad 16 Ospel’ d.d. 14-11-2025, ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Ommelpad 16 Ospel’ en overeenkomstig de bepaling in subsubparagraaf 7.4.3;
- de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, overeenkomstig de bepalingen uit subsubparagraaf 7.4.2;
- versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
- verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
- waterhuishoudkundige doeleinden;
- groenvoorzieningen;
- extensieve dagrecreatie, inclusief semi-verharde parkeervoorzieningen.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
7.3.1 Algemeen
Op de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste van de functie, met dien verstande dat:
- er bouwvlak met functie ‘Agrarisch’ is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan;
- buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van het agrarisch grondgebruik en/of recreatief medegebruik, met een maximale hoogte van 5 m en een maximale oppervlakte van 100 m2, danwel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m2 per bouwwerk.
7.3.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken
- gebouwen worden alleen gebouwd binnen de aanduiding ‘bouwvlak’;
- de oppervlakte aan parkeervoorzieningen ten behoeve van extensieve dagrecreatie mag per locatie maximaal 250 m2 bedragen.
Voor de bouwwerken gelegen binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ met functie ‘Agrarisch’ als bedoeld in
subsubparagraaf 7.3.2 sub a, gelden de volgende beoordelingsregels:
- bedrijfsgebouwen:
goothoogte | max. 7 m. |
bouwhoogte | max. 10 m. |
dakhelling | min. 12° |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens | min. 5 m. |
- bedrijfswoningen:
dakhelling | min. 12° |
inhoud, inclusief bijgebouwen t.b.v. privégebruik | max. 1.100 m3 |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens | min. 5 m. |
- bijgebouwen bij de bedrijfswoning:
goothoogte | max. 3,20 m. |
bouwhoogte | max. 5,50 m. |
afstand tot zijdelingse perceelsgrens | min. 5 m. |
afstand tot de bedrijfswoning | max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel |
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
| | bouwhoogte | inhoud | afstand tot zijdelingse perceelsgrens |
mestsilo's | max. 8,5 m. | max. 2.500 m3 | min. 5 m. |
overige silo's | max. 12 m. | n.v.t. | min. 5 m. |
erfafscheidingen | max. 2 m. | n.v.t. | n.v.t. |
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde | max. 4,5 m. | n.v.t. | n.v.t. |
- als specifieke nevenactiviteit bij agrarische bedrijven is de verkoop van streekeigen producten tot max. 200 m2 toegestaan;
- overige nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven zijn niet toegestaan, behoudens het bepaalde in artikel 7.2 onder c;
- verhardingen, niet zijnde inritten tussen de weg en het bedrijf, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.
7.3.3 Maatwerkvoorschriften
- het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de:
- bebouwing;
- verhardingen.
- deze maatwerkvoorschriften kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
- de natuurlijk en/of landschappelijke waarden van het gebied;
- stedenbouwkundige kwaliteit;
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid;
- de externe veiligheid;
- de hemelwaterproblematiek.
- voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van agrarische ontwikkelingen, dient bij de aspecten natuurlijk en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 10 in acht te worden genomen.
- voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van ontwikkelingen bij niet-agrarische bedrijven en recreatiebedrijven, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 10 in acht te worden genomen.
7.3.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 en staan een vergroting van de inhoud van een burger- of bedrijfswoning, inclusief bijgebouwen tot 1.400 m3 toe, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- sprake is van een samenhangend geheel, waarbij de woning tezamen met de uitbreiding een eenheid dient te vormen;
- de uitbreiding planologisch aanvaardbaar is;
- de uitbreiding niet voor/ aan de voorgevel plaatsvindt;
- de uitbreiding niet zodanig is dat woningsplitsing via eenvoudige bouwkundige ingrepen mogelijk wordt;
- op grond van het bepaalde in artikel 10 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd.
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 en staan het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten toe, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
- de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3 m. bedraagt;
- een overeenkomst inzake nadeelcompensatiemet de gemeente wordt aangegaan.
Aanvullend afwegingskader
Een in
subsubparagraaf 7.3.4 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.4 Specifieke functieregels voor gebruik
7.4.1 Algemeen
Tot een met de functie ‘Agrarisch’ strijdig gebruik, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in
artikel 7 lid 2 , meer in het bijzonder:
- het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterrein of kleinschalige campings – behoudens het bepaalde in, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
- het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
- het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel;
- het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, uitsluitend:
- tot een oppervlakte van 200 m2 per agrarisch bedrijf, mits geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking en er geen detailhandel plaatsvindt anders dan verkoop van lokaal geproduceerde streekeigen producten.
- het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/- verwerking;
- het gebruik van de bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
- het gebruik van de bedrijfsgebouwen en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
- het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;
- het gebruik van de agrarische bedrijfswoning voor burgerbewoning;
- het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
7.4.2 Aan huis gebonden beroep en/of bedrijf
Het gebruik van een (bedrijfs-)woning voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
- de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
- er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
- er geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
- geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
7.4.3 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing en hemelwaterinfiltratie
Het gebruik van de gronden en bouwwerken conform
artikel 7 lid 2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de maatregelen in het landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 22f.1 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Ommelpad 16 Ospel’, d.d. 14-11-2025, uiterlijk één jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan zijn uitgevoerd en duurzaam in stand worden gehouden;
- indien getuigend van een minimaal gelijkwaardige (landschappelijke) kwaliteit kan per besluit de landschappelijke inpassing gewijzigd worden. hiertoe dient een landschappelijk inpassingsplan ter goedkeuring aan het college van burgemeester en wethouders te worden voorgelegd.
7.4.4 Specifieke functieregels gebruik met nadere afweging
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub f en staan toe dat de agrarische bebouwing gebruikt wordt ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de huisvesting enkel plaatsvindt in de bestaande bebouwing, met dien verstande dat in afwijking hiervan oprichting van extra bebouwing is toegestaan, mits deze passend is bij de bestaande bedrijfsgebouwen, voldaan wordt aan het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.2 en sprake is van landschappelijke inpassing van de bebouwing;
- een dergelijke huisvesting noodzakelijk is vanuit het oogpunt van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarische bedrijf;
- de huisvesting enkel werknemers betreft die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;
- sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- het gebruik dient te worden beëindigd, zodra de behoefte aan tijdelijke huisvesting ter plaatse niet meer aan de orde is.
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub g en staan toe dat bijgebouwen worden gebruikt ten behoeve van mantelzorg, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- sprake is van een mantelzorgindicatie;
- de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van de hoofdbebouwing;
- sprake dient te zijn van een ondergeschikte functie bij de woning;
- er geen tweede woning mag ontstaan;
- het gebruikt dient te worden beëindigd, zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.
- het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub i en staan toe dat de agrarische bedrijfswoning wordt gebruikt voor bewoning door burgers, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de bewoning is aangevangen na 1 september 2007;
- het betreft een bestaande woning die binnen een agrarisch bouwvlak ligt;
- er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- er mag geen (extra) hinder of belemmering worden veroorzaakt voor een bedrijf waarbij de woning hoort alsmede voor omliggende bedrijven.
Aanvullend afwegingskader
Een in
subsubparagraaf 7.4.3 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
- er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid en infrastructuur;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid.
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Algemene gebruiksactiviteiten
- een evenement is verboden in een natuurbestemming, in een Natura 2000 gebied en in een stiltegebied
- in een afstand van 101 tot 200 meter tot een Natura 2000-gebied zijn enkel die evenementen toegestaan die voldoen aan alle voorwaarden in dit lid:
- zonder muziek, of enkel achtergrondmuziek, en
- enkel in de dagperiode, en
- met een maximum bezoekersaantal van 100, en
- met een duur van maximaal 5 dagen inclusief op- en afbouw.
- overige evenementen zijn buiten het broedseizoen toegestaan in een afstand van 201 tot 400 meter tot een Natura 2000-gebied;
- overige evenementen zijn binnen het broedseizoen toegestaan in een afstand groter dan 400 meter tot een Natura 2000-gebied;
- daar waar evenementen zijn toegestaan, zijn maximaal drie evenementen per jaar toegestaan per perceel, en in een straal van 200 meter rondom dat perceel;
- daar waar evenementen zijn toegestaan is de duur van één evenement, inclusief op- en afbouw, niet meer dan vijftien dagen, tenzij in dat lid specifiek anders bepaald.
Artikel 10 Kwaliteitsregels
10.1 Algemeen
Het TAM-omgevingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk. Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering worden instrumenten ingezet die erop gericht zijn om de ontwikkelingen te combineren met die benodigde kwaliteitsverbetering.
Deze kwaliteitsverbetering vindt via een tweetal benaderingen plaats:
- Ruimtelijke kwaliteit via het instrument basispakketten (voorheen BOM+);
- Ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage.
De ruimtelijke kwaliteit via het instrument basispakketten geldt ten aanzien van agrarische bedrijven. Voor zover sprake is van uitbreiding van verharding en bebouwing binnen het bouwvlak kan het instrument worden ingezet via de nadere eisenregeling. Voor zover het betreft het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf dan wel bouwvlakuitbreiding of nieuwvestiging van agrarische bedrijven en omschakeling naar niet-grondgebonden agrarische bedrijven, wordt het instrument ingezet in het kader van de vergunningplicht voor het afwijken.
De ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage geldt voor niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. Voor zover het betreft:
- ontwikkelingen buiten het bouwvlak;
- een meer ingrijpende uitbreiding van niet-agrarische bedrijven/recreatiebedrijven;
- het toevoegen van nevenactiviteiten.
10.2 Ruimtelijke kwaliteit via het instrument basispakketten
10.2.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor het afwijken en nadere eisenregels, onder de voorwaarde dat - voor zover het betreft ontwikkelingen ten behoeve van agrarische bedrijven - naast de reeds in de betreffende regels opgenomen voorwaarden.
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een drietal pakketten, te weten:
- verplicht basispakket;
- basispakket-plus;
- basispakket-extra.
In de volgende tabel is aangegeven wanneer de diverse pakketten verplicht zijn en wanneer advies moet worden ingewonnen bij de Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert en Leudal.
| | Basispakket | Basispakket-plus | Basispakket-extra | Advies BOM+ adviescommissie |
Uitbreiding bebouwing of verharding binnen bouwvlak | | | Vrijwillig | Nee |
Uit de tabel blijkt dat het basispakket verplicht is. Het basispakket-plus is bij zwaardere ingrepen verplicht. Het basispakket-extra is niet verplicht, maar kunnen als vervanging worden ingezet voor het basispakket-plus.
In de volgende artikelleden is uiteengezet welke (tegen)prestaties onderdeel vormen van het betreffende pakket. Om te komen tot een goede toepassing van de (tegen)prestaties, dienen alle fysieke omgevingscomponenten, die samenhangen met de beoogde agrarische bedrijfsontwikkeling, in ogenschouw te worden genomen, te weten: water, erosie, landschappelijke inpassing, cultuurhistorie, natuur en landschap, milieu, ontstening/ontglazing en veiligheid/overstroming.
10.2.2 Basispakket
In het kader van het basispakket dienen de volgende randvoorwaarden in acht te worden genomen:
- er dient sprake te zijn van een inpassing van de nieuwe bebouwing/verharding op basis van een inpassingsplan, waarbij een en ander is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke inpassing en ruimtelijke inpassing);
- herinrichten bouwkavel onder meer met het oog op compact bouwen, de functionaliteit van de bebouwing en het herschikken van de bebouwing;
- voorzieningen ter voorkoming van problematiek op het gebied van hemelwater als gevolg van nieuwe bebouwing/verharding (water- en erosie-aspecten). Hierbij dient uit te worden gegaan van afkoppeling van hemelwater, waarbij afhankelijk van de situatie sprake van infiltratie of retentie kan zijn.
10.2.3 Basispakket-plus
In het kader van het basispakket-plus dient aanvullend op het basispakket voldaan te worden aan één of meerdere van de onderstaande componenten, afhankelijk van het agrarische bedrijfstype en de in het geding zijnde omgevingswaarden:
- architectonische vormgeving van de nieuw op te richten bebouwing;
- voorzieningen ter voorkoming van problematiek op het gebied van hemelwater, als gevolg van bestaande bebouwing/verharding;
- opruimen oude gebouwen/verharding;
- maatregelen op het gebied van veiligheid/overstroming in beekdalen;
- herinrichten bouwkavel onder meer met het oog op compact bouwen, de functionaliteit van de bebouwing en het herschikken van de bebouwing;
- het aanbrengen van extra milieu-reducerende maatregelen op het gebied van geluid, geur, ammoniak, stof of trilling;
- voor intensieve veehouderij bij meerdere bedrijfslocaties: beste locatiemethode gericht op afbouw van de tweede en/of volgende locaties, waarbij op een vast te leggen moment sloop van de gebouwen zal plaatsvinden.
10.2.4 Basispakket-extra
Op verzoek van de initiatiefnemer/ondernemer kan worden gekozen voor maatregelen buiten het bouwvlak, met name gericht op bedrijfsgronden, waarbij deze maatregelen in voorkomende gevallen de onderdelen van het basispakket-plus kunnen vervangen. Hierbij kan gedacht worden aan:
- aanvullende maatregelen op het gebied van waterbeheer (kwalitatief, kwantitatief, grondwater, oppervlaktewater);
- aanvullende maatregelen op het gebied van erosie (inzaaien grasland op hellingen, aanleggen van lijnvormige landschapselementen);
- extra maatregelen op vlak van inrichting/beheer van natuur en landschap;
- ontsluiting/openstelling recreatief medegebruik en versterking/beheer cultuurhistorische relicten;
- duurzaamheidsaspecten;
- sloop van bedrijfsgebouwen elders;
- andere, nog niet genoemde mogelijkheden die de ondernemer in zijn situatie ziet.
10.3 Ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage
10.3.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in de regels van dit TAM-omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor het afwijken onder de voorwaarde, dat naast de reeds genoemde voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de bepalingen omtrent het leveren van een kwaliteitsbijdrage, waarbij het gaat om de volgende doelstellingen en bijdragen.
10.3.2 Functie Agrarisch
Binnen de functie Agrarisch is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het versterken van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur/identiteit.
Deze doelstelling kan worden door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:
- er dient sprake te zijn van een inpassing van de nieuwe bebouwing/verharding op basis van een inpassingsplan, waarbij een en ander is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke inpassing en ruimtelijke inpassing);
- versterking omliggende openbare ruimte;
- realiseren of versterken van landschappelijke waarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
- behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
- vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit;
- inpassende beplanting.
Artikel 11 Overige regels
11.1 Afstand bebouwing tot (spoor-)wegen en kanalen
11.1.1 Algemeen
Het is verboden nieuwe bebouwing te situering binnen een afstand van:
- 30 m. uit het hart van de weg langs gebiedsontsluitingswegen;
- 15 m. uit het hart van erftoegangswegen en onverharde wegen.
11.2 Gebiedsaanduiding milieuzone – boringsvrije zone
11.2.1 Algemeen
Ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘Boringsvrije zone’ mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteit in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.
11.3 Parkeernormen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in de publicatie ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering, publicatie 744 (augustus 2024)’ en de opvolgers daarvan.
Artikel 12 Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
Artikel 13 Overgangsrecht
13.1 Overgangsrecht bouwwerken
13.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
13.1.2 Afwijking
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van
subsubparagraaf 13.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in
artikel 13 lid 1 met maximaal 10 %.
13.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
artikel 13 lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
13.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
13.2.2 Verbod
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in
subsubparagraaf 13.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
13.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in
subsubparagraaf 13.2.1, na de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
13.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in
subsubparagraaf 13.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan/omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.