| Plan: | Bredeweg ong. Nederweert |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0946.BPBredewegOng-VG01 |
Ter plaatse van de locatie gelegen op de hoek Bredeweg-Hinkert te Nederweert liggen gronden met een woonbestemming. Initiatiefnemer heeft het voornemen om ter plekke twee levensloopbestendige woningen te realiseren. De nu nog aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouwen ter plekke worden daarvoor gesloopt.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied
Het realiseren van de nieuwe woningen is op grond van het ter plekke geldende beheersverordening 'Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk' niet toegestaan. De gronden hebben weliswaar een woonbestemming, doch de voor het oprichten van woningen noodzakelijke bouwvlakken ontbreken. De gemeente heeft kenbaar gemaakt onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het voornemen.
Teneinde het voornemen te kunnen faciliteren, dient een separate bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de bestemmingsplanwijziging.
In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het plan beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het plan.
Het plangebied is gelegen op de hoek van de Bredeweg-Hinkert midden in het dorp Nederweert.
Luchtfoto met aanduiding plangebied en uitsnede met omvang plangebied
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Nederweert - sectie A - nummers 4561, 6844, 6846, 6847 en een gedeelte van 6845. In onderstaande kadastrale kaart is de bestaande kavelindeling weergegeven.
Kadastrale kaart met aanduiding percelen (bestaande situatie)
De planlocatie is gelegen in de kern van het dorp Nederweert op grond waarvan ter plekke planologisch gezien al geruime tijd de bestemming 'Wonen' van toepassing is. De gronden waren in gebruik als tuin bij de reeds gesloopte woning welke lag aan de Bredeweg 32. De directe omgeving wordt gekenmerkt door veel reguliere vrijstaande woningen. De bestaande situatie ter pleke van het plangebied wordt weergeven aan de hand van navolgende foto's.
Obliek - zuidaanzicht plangebied
Obliek - noordaanzicht plangebied
Het aanzicht vanaf de straat wordt weergeven aan de hand van navolgende foto's (bron: Google Streetview, april 2022)
Streetview 1
Streetview 2
Het voornemen is om ter plaatse van onderhavige locatie twee levensloopbestendige woningen te realiseren met behoud van de terplaatse aanwezige monumentale boom . Daartoe worden de bestaande bijgebouwen volledig gesloopt.
Ten behoeve van het voornemen zullen de huidige kavelvormen wijzigen. Op kavel A 6845 is recent al een nieuwe woning gebouwd. Op die locatie lag al een bouwvlak. De vormverandering van de kavels is noodzakelijk omdat ze in de huidige situatie niet geschikt zijn om twee volwaardige woningen te realiseren. De bestaande en de nieuwe perceelsindeling is in onderstaande afbeeldingen gevisualiseerd.
Kadastrale kaart met aanduiding plangebied (bestaande situatie)
De percelen ter plaatse van de twee boogde woningen (sectie A nrs. 4561, 6844, 6846, 6847 en 6845 ged.) hebben een gezamelijk oppervlakte van circa 1.690 m². De omliggende woonpercelen variëren sterk in oppervlakte (vanaf ca. 300 m² tot meer dan 1.000 m2), waarmee de beoogde omvang van de (nieuwe) kavels van circa 365, 380 en 1.300 m² passend zijn binnen de bestaande verkaveling. De nieuwe kavelindeling is in onderstaande afbeelding weergegeven.
Situatietekening nieuw (inclusief nieuw kavelindeling)
Ten behoeve van het bouwplan worden de bestaande bijgebouwen gesloopt. Voorts is ter plaatse van onderhavige locatie een monumentale boom aanwezig welke behouden dient te worden. In onderstaande afbeelding zijn de te slopen gebouwen en de te behouden monumentale boom gevisualiseerd.
Afbeelding te slopen bebouwing en te behouden boom
Ieder nieuwbouwplan gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. Beoordeeld dient te worden of de effecten die optreden vanuit ruimtelijk-visueel oogpunt aanvaardbaar zijn.
Op onderhavige locatie is momenteel sprake van een braakliggend terrein met daarop restanten van voormalige agrarische bebouwing. De nieuwe bebouwing op de hoek Bredeweg - Hinkert wordt geschakeld met de naastgelegen reeds gerealiseerde woning. Het andere perceel aan de noordzijde wordt voorzien van een vrijstaande levensloopbestendige woning.
De tweede halfvrijstaande woningen vormen een logische voortzetting van het bestaande bebouwingslint langs de Bredeweg. De vrijstaande woning aan de Hinkert wijkt af van het bestaande straatbeeld, aangezien aan deze weg alleen tuinen zijn gelegen. Gezien de diepte van het beoogde woonperceel en de ligging van bijgebouwen aan de overzijde van de weg tegenover de beoogde woning, is de woningbouwontwikkeling passend in het straatbeeld.
Met de boogde ontwikkeling worden bestaande verouderde gebouwen gesloopt. Dit draagt positief bij aan de uitstraling van het gebied. De ruimtelijk-visuele effecten vanwege voorliggend plan worden daarom aanvaardbaar geacht.
Te plaatse van plangebied is de beheersverordening 'Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk', vastgesteld door de gemeenteraad op 18 april 2017, van kracht. Op grond hiervan heeft de locatie de bestemming 'Wonen' met daarin de opgenomen aanduidingen 'bijgebouwen' en 'gevellijn'. Voorts is ter plekke de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3 middelhoog' van toepassing.
Uitsnede kaart planologisch-juridische situatie met aanduiding plangebied
Op grond van de bestemmingsomschrijving binnen de bestemming 'Wonen' dienen woningen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het bouwvlak ter plaatse van onderhavige locatie ontbreekt. Ook is één kavel te beperkt om een volwaardige woning met tuin te kunnen bouwen. Daarnaast wordt het wonen in de vorm van nieuwe woningen aangemerkt als strijdig gebruik als bedoeld in artikel 13.5.1 sub f van de planregels. Gelet op het vorenstaande is het realiseren van twee woningen ter plaatse van onderhavige locatie niet toegestaan.
Er zijn geen binnenplanse afwijkings- en of wijzigingsbevoegdheden van toepassing om het voornemen alsnog te faciliteren.
De gemeente heeft kenbaar gemaakt onder voorwaarden medewerking te willen verlenen aan de beoogde ontwikkeling. In dat verband dient de bestaande bebouwing te worden gesloopt en de aanwezige monumentale boom te worden behouden. De adviesbrief en bijbehorende Collegevoorstel zijn bijgevoegd als Bijlage 1 en Bijlage 2 bij voorliggend plan.
Teneinde het voornemen te kunnen faciliteren, dient een separate bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de nieuwe planologisch-juridische situatie vastgelegd ter plaatse van het plangebied.
Ter plaatse van onderhavige locatie is tevens de paraplubeheersverordening Kernen, vastgesteld door de gemeenteraad van Nederweert op 16 maart 2021, van kracht.
Deze paraplubeheersverordening voorziet in een aanvullend kader voor alle vigerende beheersverordeningen binnen het bebouwde gebied (kernen) van de gemeente Nederweert. Deze paraplubeheersverordening heeft betrekking op de onderwerpen wonen; parkeren; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; bedrijven; afkoppelen hemelwater en bebouwingspercentage. Daarmee wordt beoogd om voor deze aspecten één uniforme regeling op te nemen voor het bebouwde gebied (kernen) van de gemeente Nederweert.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg 2014/2021. Voor wat betreft het regionale beleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025. Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de Structuurvisie Nederweert.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:
In de NOVI zijn de volgende belangrijkste beleidskeuzes opgenomen:
Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met mede overheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.
Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr. 388):
Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.
De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en er geen onderwerpen vanuit de NOVI en Barro op het plangebied van toepassing zijn. Ook gelden er vanuit de Rarro geen beperkingen ten aanzien van het planvoornemen.
Op het moment dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt, dient de provincie te beschikken over een Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De POVI richt zich op de langere termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Maar ook het aspect gezondheid en een gezonde leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie meegenomen.
De POVI zelf kent geen verdere zoneringen. De zoneringen zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Landelijke kern
In de Omgevingsverordening Limburg is het plangebied gelegen in de zone 'bebouwd gebied'. Vanuit beleidsmatig oogpunt in relatie tot voorliggende planontwikkeling is geen sprake van relevante belemmeringen.
Uitsnede kaart 'Duurzame verstedelijking' Omgevingsverordening Limburg
Over 'bebouwd gebied' is in de Omgevngsverordening Limburg het volgende opgenomen.
'De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten.'
Onderhavig planvoornemen past, gezien de aard van de ontwikkeling (wonen), binnen deze beleidsuitgangspunten van de provincie Limburg.
Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale beschermingsgebieden, waartoe op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 specifieke regelgeving geldt.
Uitsnede kaart 'milieubeschermings-gebieden' Omgevingsverordening Limburg 2014 met ligging plangebied
Roerdalslenk zone III
Onderhavige locatie is gelegen in de zone Roerdalslenk zone III op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn toegestaan en dat een melding moet worden verricht indien een boring dieper dan 80 meter onder maaiveld plaatsvindt. Aangezien onderhavig voornemen niet gepaard gaat met dergelijke diepe boringen in de bodem, vormt de ligging in de zone 'Roerdalslenk zone III' geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe (provinciale) omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Daartoe hebben Provinciale Staten van Limburg in december 2021 de Omgevingsverordening Limburg 2021 (OvL2021) vastgesteld. In hoofdzaak is de nieuwe OvL2021 een beleidsneutrale omzetting van de OvL2014. Weliswaar is sprake van een aantal gewijzigde onderwerpen. Dit betreft instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
De inwerkingtreding van de OvL2021 zal gelijktijdig met inwerkingtreding van de Omgevingswet gaan plaatsvinden. Wel worden nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen door de provincie in de geest van de nieuwe OvL2021 beoordeeld. Hoewel het onderwerp wonen ter sprake komt heeft deze instructieregel geen invloed op onderhavige planontwikkeling.
De zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:
“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie verankerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie in de Omgevingsverordening Limburg bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht.
Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Het toetsingscriterium spitst zich toe op de vraag of onderhavige ontwikkeling moet worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, Bro. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nader verduidelijkt. Een woningbouwproject wordt beoordeeld als een stedelijke ontwikkeling, indien twaalf of meer woningen worden gerealiseerd. Aangezien onderhavig voornemen is gericht op het realiseren van twee woningen ter plekke, kan niet worden gesproken van een stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de verdere toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.
Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende planontwikkeling. De ter plaatse van onderhavig plangebied van toepassing zijnde provinciale zonering(en) 'bebouwd gebied' impliceren geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. Voorts is geen sprake van strijdigheid met de uitgangspunten van het beschermingsgebied 'Roerdalslenk III' en eventuele andere beschermingsgebieden. Ook is de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.
De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg hebben naar aanleiding van de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving en het verrichte woningmarktonderzoek een geactualiseerde ontwerp structuurvisie opgesteld waarin concrete afspraken zijn gemaakt voor het woningbouwbeleid in de periode 2022 tot en met 2025. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030. Deze Structuurvisie luidt als volgt: 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025, Bouwen aan de toekomst'.
In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 wordt aangegeven dat in de regio Midden-Limburg wordt gestreefd naar planreductie. Dat heeft echter niet tot gevolg dat het toevoegen van woningen die daadwerkelijk inspelen op de actuele behoefte niet mogelijk is. Ondanks het reduceren van de planvoorraad, is het nog altijd mogelijk om woningen toe te voegen, mits deze tegemoet komen aan de kwalitatieve behoefte. Derhalve wordt in de structuurvisie benadrukt dat gemeenten medewerking kunnen verlenen aan kwalitatief goede woningbouwplannen.
De ambitie van Nederweert, zoals verwoord in de Structuurvisie Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 gaat uit van het realiseren van 75-100 woningen per jaar t/m 2025. De woningbehoefte bestaat grotendeels uit appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen. Voor het bouwen van nieuwe woningen wordt de nadruk gelegd op de toekomstbestendigheid van de woonvoorraad (o.a. levensloopbestendig).
De beoogde nieuwe woningen worden voorzien van een levensloopbestendig programma. De beoogde doelgroep voor de halfvrijstaande woning vormen senioren. Het toevoegen van dergelijke woningen aan de woonvoorraad past daarmee binnen het woonbeleid.
Op 9 november 2010 heeft de gemeenteraad van Nederweert de Structuurvisie Nederweert vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. Nederweert doet dat voor de periode tot 2020 en voor het hele grondgebied van de gemeente. De structuurvisie heeft als doel voor burgers, bedrijven en andere overheden inzichtelijk te maken welke ruimtelijke ontwikkelingen gewenst zijn en op welke wijze de gemeente Nederweert deze ontwikkelingen wenst te realiseren. In de gemeentelijke structuurvisie is het woonbeleid als volgt geformuleerd:
"Het gemeentelijke woningbouwbeleid is opgenomen in de regionale woonvisie (zie onder 3.2). Op grond van demografische gegevens, opgenomen in onze regionale woonvisie, wordt in Nederweert nog een forse groei van het aantal huishoudens verwacht. De behoefte richt zich voor een groot deel op grondgebonden betaalbare koopwoningen voor starters en zelfbouw kavels voor de markt en in mindere mate op patio's voor senioren."
Onderhavig plan voorziet in het realiseren van twee levensloopbestendige woningen ter plaatse van een bestaande woonbestemming. Dientengevolge is sprake van een inbreiding welke wordt ingevuld met een woningtype dat aansluit bij de gemeentelijke woonbehoefte van de gemeente Nederweert.
Als bijlage 1 is het principebesluit van het college van 31 augustus 2022 toegevoegd. In dat principebesluit is de voorwaarden opgenomen dat de op de locatie aanwezige monumentale boom wordt gehandhaafd. Dit gebeurt middels een functieaanduiding op de verbeelding en middels het opnemen van een voorschrift dat deze boom beschermd. Het behoud van die boom is daarmee voldoende verankerd in dit plan.
Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.
Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging danwel indien nieuwe verblijfsruimten worden gerealiseerd, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plekke geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Omdat sprake is van toevoeging van nieuwe verblijfsruimte is een bodemonderzoek uitgevoerd.
Ten behoeve van onderhavig plan is, vanwege het toevoegen van nieuwe verblijfsruimten (de woningen), door Aelmans ECO B.V. een bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Op grond van dit onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:
Bovengrond
Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat diverse lichte overschrijdingen met zware metalen, PAK en/of PCB worden aangetroffen. Voornoemde concentraties overschrijden de achtegrondwaarden, doch niet de bodemindex danwel de interventiewaarden. De aangetroffen overschrijdingen zijn van dien aard, dat deze geen directe belemmeringen opleveren voor de beoogde bouwplannen, daar de overschrijdingen als lichte verontreinigingen bestempeld kunnen worden.
Ondergrond
Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat een gedeelte van de ondergrond de concentratie PCB de achtegrondwaarde overschrijdt, doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. De ondergrond kan deels als klasse industrie (MM 06) en deels als klasse AW2000 grond (MM 07) bestempeld worden.
Grondwater
In het grondwater is een marginaal verhoogde concentratie met xylenen aangetroffen. Voornoemde verontreinigingen zijn dermate marginaal, dat deze geen directe belemmeringen opleveren voor de beoogde bestemmingsplanwijziging en de hiermee samenhangende bouwplannen.
Asbest
Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek, zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Uit de resultaten van één monster (AMM 2) (drupzone kleine stal) blijkt, dat er sprake is van een marginale overschrijding (ruim onder het criteria voor een nader asbestonderzoek).
Ondanks het feit, dat de hypothese verdacht met betrekking tot asbest niet kan worden verworpen, vormen de aangetroffen overschrijdingen geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging en het gebruik ten behoeve van woondoeleinden.
Op grond van het verkennend bodemonderzoek kan gesteld worden, dat ondanks de licht verhoogde concentraties in de grond, dit vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik. Voor wat betreft de onderzoekslocatie, is er geen aanleiding om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de planontwikkeling. Vanwege de diversiteit in bodemlagen dient men er rekening mee te houden, dat voornoemde bodemlagen niet onderling vermengd mogen worden. Bij een tijdelijke uitplaatsing moet de grond na ontgraving in dezelfde volgorde worden herschikt.
Indien sprake is van het realiseren van (nieuwe) geluidgevoelige objecten (zoals woningen), dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van omliggende wegen. Dientengevolge is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4.
Middels een akoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wetgeluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een Hogere Waarde gevolgd dienen te worden.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is echter ook de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. De maximumale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Bredeweg, bedraagt 56 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'matig' en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en eventueel het dak.
In beginsel zou bovenstaande betekenen dat een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel aan de orde zou zijn. Echter kan worden aangenomen dat een gevel van een nieuwbouwwoning een grotere geluidwering heeft dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. Bij toepassing van de juiste materialen en constructies is een binnenniveau van 33 dB te garanderen en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de planontwikkeling.
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.
Aan de overkant van de straat aan de zuidoostzijde van het plangebied (Bredeweg 27) is het bedrijf 'Autobedrijf Jac Smeets' gelegen. Ter plaatse van deze locatie is de bestemming 'Bedrijf' van toepassing op grond waarvan ter plekke bedrijfsactiviteiten uitgeoefend mogen worden die vemeld zijn in milieucategorie 1 en 2 zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Uitgezonderd zijn geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen. Andere specifieke vormen van bedrijvigheid zijn tevens toegestaan indien ter plekke een aanduiding is opgenomen.
Op basis van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering 2009' dient voor dit type bedrijven (SBI-2008: 451, 452, 454) rekening te worden gehouden met een minimale richtafstand van 30 meter voor geluid, 10 meter voor gevaar en 10 meter voor geur.
Als gevolg van voorliggend planontwikkeling wordt de meest zuidoostelijk gelegen woning binnen 30 meter van het betreffende bedrijf gerealiseerd. De afstand van het garagebedrijf tot die woning bedraagt circa 20 meter. In beginsel zou dit betekenen dat niet aan de richtafstand kan worden voldaan.
Gelet echter op de dichterbij het garagebedrijf gelegen woningen aan de Bredeweg 23 en de Burgemeester Greijnmansstraat 16 is onderhavig plangebied niet maatgevend voor de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van de bedrijfsvoering op de locatie Bredeweg 27. De woning Bredeweg 23 bevindt zich op een afstand van circa 15 meter van het garagebedrijf en de woning Burgemeester Greijmansstraat 16 bevindt zich op een afstand van circa 11 meter van het garagebedrijf.
Bij deze dichterbij gelegen woningen dient het garagebedrijf al te voldoen aan de geluidsgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Als bij die woningen aan die geluidsgrenswaarden wordt voldaan dan kan bij de nieuw te realiseren woningen aan de Bredeweg en de Hinkert ook uitgegaan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Beleidsregel omgekeerde werking 5e herziening
In een toets naar het woon- en leefklimaat dient aandacht besteed te worden aan vaste afstanden, voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. In afwijking daarvan wordt in de omgekeerde werking in de dorpskernen en direct aansluitend aan de dorpskernen niet getoetst aan de gemeentelijke geurverordening en gebiedsvisie. Gevoelige functies mogen binnen de geurcontour van agrarische bedrijven mogelijk worden gemaakt zolang er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bedrijven niet door de nieuwe gevoelige functies belemmerd worden en er sprake is van een goede belangenafweging, een en ander zoals in de jurisprudentie bepaald. Dit wordt per geval bekeken, waarbij gelijke plannen gelijk behandeld worden. Dit heeft de volgende reden:
Op 20 juli 2018 heeft Rijksoverheid namelijk de wettelijke geuruitstoot van combiluchtwassers aangepast. Stallen met combiluchtwassers stootten meer geur uit dan eerder bekend. De geurwolken die op de gemeentelijke geurkaarten eerst de randen van de kernen Nederweert, Ospel en Nederweert-Eind bedekten, kwamen er nu ruim overheen, zo bleek uit de evaluatie van de geurverordening en gebiedsvisie van 14 april 2020. Er ontstaat dan de vreemde situatie dat, omringd door tientallen bestaande woningen, een nieuw woningbouwplan niet mogelijk is. Nu de gemeente Nederweert een woningbouwopgave heeft, botst de uitvoering hiervan met onderhavige beleidsregel. Om te kunnen bouwen in de kernen en ongelijkheid in de toepassing van onderhavige beleidsregel te voorkomen wordt de toets omgekeerde werking in de kernen uitgevoerd zoals hierboven beschreven. Dit geldt ook voor de hieronder beschreven aparte toetsingsobjecten, voor zover die zijn gelegen in en direct aansluitend aan de kernen.
Verordening geurhinder en veehouderij
Omdat als gevolg van onderhavig plan het realiseren van een milieugevoelig object (nieuwe woningen) mogelijk wordt gemaakt, dient in het kader van een goed woon- en leefklimaat tevens getoetst te worden aan het aspect geur.
In de directe omgeving van het plangebied liggen geen (agrarische) bedrijven die ten aanzien van het aspect geur relevant zijn voor de beoogde planontwikkeling. Derhalve dient enkel de achtergrond geurbelasting direct rondom het plangebied te worden beschouwd. In dat kader is de kaart 'achtergrond geurbelasting' van de gemeente Nederweert geraadpleegd.
Uitsnede kaart 'achtergrond geurbelasting' Nederweert met aanduiding plangebied
Op grond van de 'Verordening geurhinder en veehouderij' geldt voor het invloedsgebied kernen Nederweert, Ospel en Nederweert-Eind een geurnorm van 1,5 odour units. Volgens de bovenstaande kaart 'achtergrond geurbelasting' ligt de achtergrond geurbelasting op het niveau van 3 tot 7 OuE/m³ (goed). Op grond daarvan kan worden vastgesteld dat, ondanks de licht overschrijding van de norm, ter plaatse van onderhavige locatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor het plan.
Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'.
Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm:
De luchtkwaliteitseisen komen voort uit de Europese Richtlijn voor luchtkwaliteit 2008/50/EG. Dientengevolge zijn de regels van titel 5.2 Wet milieubeheer van toepassing en moeten deze worden getoetst. Voor PM10 is er een jaargemiddelde grenswaarde van 40 ug/m3 die niet mag worden overschreden en er is een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 ug/m3 die niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. Voldaan moet worden aan de wettelijke grenswaarden voor lucht.
Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden.
In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Voorliggend voornemen voorziet in de realisatie van twee woningen en is daarmee dermate kleinschalig, dat het niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
NIBM-tool InfoMil
Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 2.278 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Voorliggend plan voorziet niet in een verkeersgeneratie van dergelijk omvang.
Fijnstof wordt met name uitgestoten door pluimvee, grote varkenshouderijen en industriële bedrijven. In de (directe) omgeving van de planlocatie liggen echter geen grote intensieve veehouderijen en industriële bedrijven. Voorts is in het kader van de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plekke de kaart 'Fijnstof 2020 (PM10)' via atlas Leefomgeving geraadpleegd.
Uitsnede kaart 'Fijnstof (PM10)' met aanduiding plangebied
Uit deze kaart blijkt dat de concentraties PM10 ligt tussen de 16-18 ug/m3. Dat blijft onder de norm voor de grenswaarde van 40 ug/m3 van het jaargemiddelde. Gelet op het feit dat wordt voldaan aan de norm PM10, kan men er vanuit gaan dat eveneens wordt voldaan aan PM2,5 daar die categorie ook onderdeel uitmaakt van PM10.
Daarnaast is in het kader van de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plekke de kaart 'Stikstofdioxide 2020 (NO2)' geraadpleegd.
Uitsnede kaart 'stikstofioxide 2020 (NO2) met aanduiding plangebied
Uit deze kaart blijkt dat de concentraties NO2 ligt tussen de 10-12 ug/m3. Dat blijft tevens onder de norm voor de grenswaarde van 40 ug/m3 voor het jaargemiddelde.
Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Dit besluit is niet van toepassing op voorliggend planontwikkeling.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd (beperkt) kwetsbaar object namelijk twee reguliere woningen. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.
Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, alsook op het vervoer van deze stoffen.
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.
Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.
(Beperkt) kwetsbare objecten
Er moet getoetst worden aan de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants.
Vooropgesteld wordt dat, gelet op de planologische mogelijkheden binnen het huidige planologisch-juridisch kader, de personendichtheid met het beoogde planontwikkeling niet significant toeneemt.
Risicovolle bronnen
Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavig kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
Uitsnede Risicokaart op luchtfoto met aanduiding plangebied
Gelet op de planologische mogelijkheden binnen het huidige planologisch-juridisch kader heeft de woningbouwontwikkeling geen verandering van het plaatsgebonden risico tot gevolg.
Binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied is geen sprake van transportroutes van gevaarlijke stoffen.
Binnen een straal van circa 800 meter rondom het plangebied is geen sprake van transportleidingen van gevaarlijke stoffen.
Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in Hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Daaromtrent zijn in de Erfgoedwet bepalingen opgenomen die de gemeenteraad in acht moet nemen.
Ten behoeve van voorliggend planvoornemens is ten aanzien van het aspect archeologie de gemeentelijke beleidskaart (2016) geraadpleegd.
Uitsnede Archeologische beleidskaart Nederweert met aanduiding plangebied
Op grond van de bovenstaande kaart is voor onderhavig plangebied sprake van 'middelhoge' en 'lage archeologische verwachtingswaarden'.
De middelhoge archeologische verwachtingswaarde zoals geconstateerd in voorgaande paragraaf heeft geleid tot het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' in de geldende beheersverordening ('Waarde - Archeologie 3'). Op basis van deze dubbelbestemming is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk, indien bodemverstorende activiteiten bij een diepte groter dan 40 cm en als de oppervlakte meer bedraagt dan 2.500 m². Van bodemverstorende activiteiten van een dergelijke grootte is bij voorliggend plan geen sprake.
Op basis van de Erfgoedwet geldt echter de verplichting dat, indien tijdens toekomstige graafwerkzaamheden desondanks archeologische materialen en/of sporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gedaan bij het bevoegd gezag (de gemeente Nederweert).
Gelet op bovenstaande uiteenzetting van het aspect archeologie vormt dit geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling.
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
Ter plaatse van het plangebied is reeds een inrit aanwezig die ten dienste stond van de voormalige woning. Ter ontsluiting van het plangebied en de nieuw te realiseren levensloopbestendige woningen dient een in-/uitritconstructie te worden gerealiseerd. Deze in-/uitrit zal aan de oostzijde (Hinkert) en zuidzijde (Bredeweg) van het plangebied worden aangelegd.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie kan gebruik worden gemaakt van de CROW-publicatie 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Het plangebied is gelegen in 'matig stedelijk gebied' en 'schil centrum' op grond waarvan per vrijstaande woning/huurwoning rekening dient te worden gehouden met minimaal 7,6/6,5 en maximaal 8,4/7,3 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Voorliggende ontwikkeling impliceert zodoende een verkeersgeneratie van circa 16 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal.
Verondersteld mag worden dat, gelet op het aantal reeds bestaande woningen dat ontsloten is op deze weg, het genoemde aantal bewegingen een zeer beperkte toename betreft van het totale aantal bewegingen over de Bredeweg/Hinkert. Problemen in de verkeersdoorstroming behoeve derhalve niet te worden verwacht. Verkeerskundige maatregelen vanwege voorliggende ontwikkeling zijn niet noodzakelijk.
Het parkeren ten behoeve van de woningen zal plaatsvinden binnen het plangebied. Op basis van de beheersverordening 'Paraplubeheersverordening Kernen' dient de parkeerbehoefte te worden bepaald aan de hand van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (publicatie 381). Hierbij is uitgegaan van één hoophuis vrijstaand en één huurhuis vrijesector in een matig stedelijk gebied' en 'schil centrum'.
De parkeerbehoefte van de koopwoning/huurwoning betreft minimaal 1,5/1,3 en maximaal 2,3/2,1. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee afgerond minimaal 3 en maximaal 5 parkeerplaatsen. In dat kader wordt er voor elke woning twee parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerplaatsen zijn in onderstaande afbeelding gevisualiseerd.
Situatietekening met aanduiding parkeerplaatsen
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.
Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Nederweert en in het beheergebied van Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor de waterhuishouding en waterveiligheid binnen haar beheergebied. Sinds 1 april 2019 is de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg van kracht.
Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet.
Afvalwater
Het afvalwater als gevolg van de planontwikkeling wordt geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Nederweert. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.
Hemelwater van overhard en semi-verhard terrein
Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.
Hemelwater (dak)verharding
Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening.
Capaciteit hemelwatervoorziening
Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, is het beleid van de gemeente Nederweert leidend. Daaruit vloeit voort dat het hemelwater vallend op de te realiseren dak- en inritverharding tot een bui van 30 mm/m2 op eigen terrein moet worden geïnfiltreerd. Hierbij is van belang dat het bergings-/infiltratiesysteem een overstort op eigen terrein dient te hebben. Door een lijngoot op de grens te plaatsen fungeert deze tevens als overloop. Het hemelwater dat valt op de overige verharding kan afwateren op de onverharde delen van de tuin.
Het voornemen is om ter plaatse van het plangebied twee levensloopbestendige woningen te realiseren. Het oppervlak van de beoogde (dak)verharding van de woningen bedraagt in totaal circa 378 m² welke in onderstaande afbeelding is weergegeven.
Situatietekening met aanduiding oppervlaktes
Om de capaciteit van de beoogde hemelwatervoorziening te kunnen berekenen, wordt uitgegaan van een te bebouwen en verharden oppervlak van circa 378 m². Dit oppervlak impliceert een hoeveelheid te bufferen en af te voeren hemelwater van (378 x 30 =) 11,34 m³.
Gelet op de aanwezige buitenruimte kan worden aangenomen dat afdoende ruimte beschikbaar is om te voorzien in een adquate hemelwaterafvoer. Ten behoeve van de concrete bouwaanvraag zal dit nader gespecificeerd dienen te worden. Dit kan bijvoorbeeld worden vormgegeven door een krattensysteem in de grond dan wel door de aanleg van een infiltratiepoel op het achterterrein (bij de noordelijk gelegen woning).
Opvang schoon hemelwater
In de hemelwatervoorziening dient enkel schoon hemelwater te worden opgevangen, waaraan geen verontreinigde stoffen worden toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkómen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. Een infiltratievoorziening kan in dat opzicht tevens dienst doen als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert.
Voorkomen wateroverlast
Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in het te realiseren gebouw kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.
Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect waterhuishouding geen onoverkomelijke belemmeringen voor voorliggende ontwikkeling.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op respectievelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming.
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij-principe'.
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het plangebied aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is 'Sarsven en De Banen'. Dit betreft een Habitatrichtlijngebied en ligt op ca. 3,1 km afstand ten zuidoosten van het plangebied.
Uitsnede kaart 'Natuur Ovl2014' met aanduiding plangebied
Omdat stikstofemissie mogelijk een effect kan veroorzaken op Natura 2000-gebieden, dient onderzocht te worden of er voor de planontwikkeling een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming nodig is.
Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot veranderingen van de milieusituatie in de natuurgebieden. Voor onderhavig planvoornemen betreft het de uitstoot van stikstof als gevolg van de realisatie en het gebruik ervan. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist als gevolg van de uitstoot van stikstof tijdens de realisatiefase en het gebruik van de woningen na de realisatie.
Derhalve is door Aelmans ROM B.V. een stikstofonderzoek uitgevoerd voor zowel de realisatiefase (incl. sloop) en de gebruiksfase. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 5.
Uit de resultaten van het onderzoek naar de invloed van NOx- en NH3-emissie van de realisatie- en gebruiksfase op Natura 2000-gebieden blijkt, dat er als gevolg van de realisatiefase en de gebruiksfase in de nieuwe situatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is derhalve niet nodig.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is eveneens vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming.
In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing zal worden verleend.
Standaard geldt voor het plangebied de algemene zorgplicht zoals die in Wet natuurbescherming centraal staat (artikel 1.11 Wnb). Dit houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met de ontwikkeling en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt ten allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend.
In de huidige situatie is het plangebied in gebruik geweest als woonbestemming. Binnen het plangebied staat een monumtale boom. Deze boom wordt in het bouwplan behouden. Voorts is de aanwezigheid van beschermde flora & faune ter plekke niet uit te sluiten. In dat kader is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Uit dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Op grond van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van onderhavig plangebied behoeft geen nader onderzoek te worden verricht. Wel dient voorafgaand aan de bouw rekening te worden gehouden met het ecologische werkprotocol.
Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig planontwikkeling.
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen.
Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig).
Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat.
In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag van de omgevingsvergunning/bouwvergunning.
De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende planologisch-juridisch kader aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden.
Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).
Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat.
Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden:
De voorgenomen ontwikkeling, de bouw van twee levensloopbestendige woningen, betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a. Het kostenverhaal is in deze anderszins geregeld. De gemeente sluit met initiatiefnemer een planschadeovereenkomst. Verder worden de ambtelijke kosten gedekt door legeskosten en tot slot zijn alle overige kosten ten gevolge van het bouwplan voor rekening van initiatiefnemer (waaronder aanleg inritten, aansluiting op de openbare nutsvoorzieningen en riolering). Ook eventuele schade aan de openbare ruimte ten gevolge van de bouwwerkzaamheden etc. zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt.
Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning.
Tussen de gemeente Nederweert en de initiatiefnemer van voorliggende planontwikkeling wordt een overeenkomst gesloten, waardoor eventuele voor vergoeding in aanmerking komende planschadeclaims voor rekening komen van initiatiefnemer.
Het bestemmingsplan 'Bredeweg ong. Nederweert' van de gemeente Nederweert bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding.
Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2008' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'.
Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd:
Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.
Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven.
De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan.
Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat:
De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten:
Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan.
Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven.
De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is digitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening.
De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid krijgen om hun visie omtrent het plan te geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
Initiatiefnemer hecht veel waarde aan communicatie met de omgeving. In dat kader is ten behoeve van voorliggend plan een omgevingsdialoog uitgevoerd met de buren in de naaste omgeving. De rapportage van deze dialoog is aan de gemeente toegestuurd. De omwonenden zijn op de hoogte van de plannen en hebben hier geen directe bezwaar tegen.
Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing.
De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Het concept ontwerp bestemmingplan is in het kader van het vooroverleg toegestuurd aan belanghebbende instanties.
Het concept ontwerp bestemmingsplan is aan de provincie Limburg en het Waterschap voorgelegd. Op 21 augustus 2023 heeft de Provincie per mail aangegeven dat het plan is getoetst op de adequate doorwerking van de provinciale belangen en dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
Bij mailbericht van 2 augustus heeft het Waterschap aangegven geen opmerkingen te hebben en akkoord te gaan met het plan. Door het waterschap wordt enkel geadivseerd om de hemelwatervoorziening groter te dimensioneren.
Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg.
De gemeente Nederweert beschikt over een inspraakverordening. Op basis van die verordening hoeft voor voorliggende planontwikkeling geen aanvullende inspraakprocedure te worden doorlopen. De formele procedure, waarin het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage wordt gelegd, geeft voldoende waarborgen voor belanghebbenden om een reactie op de planontwikkeling te geven.
De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen:
Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf 1 december 2023 tot en met 11 januari 2024 voor zienswijzen ter visie gelegen. Binnen de zienswijzenperiode zijn geen zienswijzen ingediend.
Aangezien initiatiefnemer zelf heeft verzocht om een gewijzigde vaststelling en het college en de raad met het wijzigingsvoorstel hebben ingestemd is het plan gewijzigd vastgesteld.
Voor de woning aan de Hinkert-zijde was een verkeerde goot- en bouwhoogte in de regels opgenomen (3,5m respectievelijk 8,5 m). Dit terwijl bij het ontwerp van de woning is uitgegaan van een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 en 10 m. In het kader van de omgevingsdialoog, welke heeft plaatsgevonden voor de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan, is het ontwerp van de woning met een goothoogte van 4,5 meter en 10 meter gepresenteerd. Om een rigoureuze aanpassing van het reeds uitgewerkte en met de omwonenden besproken bouwplan te voorkomen is dit wijzigingsverzoek overgenomen. Dit is verder toegelicht in het 'voorstel aan de raad' dat onderdeel uitmaakt van de planstukken (vaststellingsbesluit).