direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Woningbouwplan Schovetweg Eygelshoven
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Aan de Schovetweg te Kerkrade is een braakliggend terrein gelegen. Voorheen stond op dit terrein een kantoorgebouw van de voormalige mijnbouw. De gebouw bestond uit 3 bouwlagen met een souterrain. Inmiddels is de bebouwing afgebroken en het terrein opgeschoont. Het planvoornemen voorziet concreet in de herontwikkeling c.q getransformeerd van de locatie naar 10 grondgebonden levensloopbestendige huurwoningen. De gemeente heeft zich in principe bereid verklaard medewerking te verlenen aan het initiatief onder de voorwaarden dat uit de planologische-juridische onderzoeken geen overwegende bezwaren naar voren komen en de bestuurscommissie Wonen & Herstructuering van de Stadsregio Parkstad Limburg positief beslist op het verzoek om dit planvoornemen toe te voegen aan de Regionale Woningbouwprogrammering.

Middels het verlenen van een omgevingsvergunning 'Handelen in strijd met regels Ruimtelijke Ordening', kan van het vigerende bestemmingsplan worden afgeweken indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.12, eerste lid, onder 3o van de Wabo, uitgebreide procedure). Door middel van deze ruimtelljke onderbouwin wordt onderbouwd waarom er in het kader van dit planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Situering en begrenzing besluitgebied

Het besluitgebied is gelegen in de bebouwde kom van Eygelshoven, ten noorden van het 'centrum'. Eygelshoven is onderdeel van Kerkrade Noord. Meer specifiek ligt het besluitgebied in het gebied tussen de Torenstraat, Waubacherweg en de spoorlijn Heerlen-Hertzogenrath. De directe omgeving van het besluitgebied bestaat voornamelijk uit woningbouw. Aan de oostzijde van het besluitgebied is het wijkzorgcentrum Laethof en een tweetal kerken gelegen. Aan de zuidzijde ligt het 'centrum' van Eygelshoven met de nodige voorzieningen.

Het besluitgebied is kadastraal bekend als gemeente Kerkrade, sectie N, nummer 2357, 2360 en 432, en heeft een oppervlakte van ongeveer 3.060 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0001.png"

Situering besluit gebied in Kerkrade Noord (Eygelshoven)

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0002.png"

Situering van het besluitgebied in de omgeving. Het rood omlijnde gebied is het besluitgebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het besluitgebied geldt het vigerende bestemmingsplan 'Kerkrade Noord'. Dit bestemmingsplan is door de raad vastgesteld op 15 december 2010. Op basis hiervan hebben de desbetreffende percelen de bestemming 'Wonen' zonder bouwvlak in combinatie met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Tevens is op een gedeelte van het besluitgebied de gebiedsaanduiding 'historische dorpskern' van toepassing.

In gevolge van artikel 12.2.1, aanhef en onder a en b van de bestemming 'Wonen' mogen hoofdgebouwen c.q. woningen uitsluiten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Er zijn geen bouwvlakken aanwezig ter plaatse van het besluitgebied, waardoor er sprak is van strijdigheid met deze bepalingen van het bestemmingsplan. Op basis van artikel 12.2.1 aanhef en onder c van de bestemming 'Wonen' dient de voorgevel van het hoofdgebouw in, dan wel evewijdig, daarbij maximaal 1 meter achter de voor betreffend perceel aangegeven naar de weg gekeerde bouwvlakgrens, te worden aangezet. Een bouwvlakgrens ontbreekt nog zodat hieraan niet kan worden voldaan. Daarnaast dient volgens artikel 12.2.1 aanhef en onder e van de bestemming 'Wonen' de minimale afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen voor de 6 halfvrijstaande woningen (eindwoningen) 3 meter te zijn. Aangezien de realisatie van de woningen al niet is toegestaan omdat een bouwvlak en een naar de weg gekeerde bouwvlakgrens ontbreekt kan hier verder niet aan getoetst worden.

De realisatie van de woningen binnen het besluitgebied zijn derhalve in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om onderhavig planvoornemen mogelijk te maken dient afgeweken te worden van het bestemmingsplan (handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening). Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter onderbouwing voor het planologisch-juridisch mogelijk maken van het planvoornemen middels een omgevingsvergunning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0003.png"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan Kerkrade Noord. Het rood omlijnde gebied is het besluitgebied

1.4 Leeswijzer

  • a. van het besluitgebied en de vigerende beheersverordening omschreven. Hoofdstuk 2 geeft een planbeschrijving waarbij wordt ingegaan op de vergelijking van de huidige situatie met het planvoornemen. In hoofdstuk 3 staat het beleidskader centraal. Hierin wordt gekeken naar beleid op Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 worden milieuaspecten beschreven met o.a. bodemkwaliteit, geluidhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid en bedrijven- en milieuzonering. In hoofdstuk 4 worden tevens de onderwerpen natuur, water, archeologie en cultuurhistorie en verkeer en parkeren toegelicht. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan aan bod. In hoofdstuk 6 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie vergeleken met het planvoornemen. Dit wordt gedaan aan de hand van de ligging van het besluitgebied in breder verband. Vervolgens wordt gekeken naar de ruimtelijke- en functionele structuur, waarna het planvoornemen toegelicht wordt.

2.2 Ligging in breder verband

Het besluitgebied aan de Schovetweg is gelegen in de kern Eygelshoven als onderdeel van Kerkrade Noord, ten noorden van het 'centrum' van Eygelshoven met de nodige voorzieningen. De kern Eygelshoven wordt insloten tussen de Buitenring Parkstaat aan de westzijde en de Duitse grens aan de oostzijde. De noordzijde wordt gekenmerkt door het buitengebied van de gemeente Landgraaf en de zuidzijde door de bebouwing van Kerkrade. De gemeente Kerkrade maakt verder onderdeel uit van de Parkstad regio.

2.3 Ruimtelijke structuur

Het besluit gebied is gelegen aan de Schovetweg. Dit is een doodlopende weg en onsluit uitsluitend de aangrenzende percelen en het appartementencomplex aan het einde van de weg. De Schovetweg sluit aan de oostzijde aan op de Veldhofstraat, zijnde de doorgaande weg door Eygelshoven c.q. Kerkrade in noord-zuidrichting.

De directe omgeving (aangrenzende percelen) van het besluitgebied bestaat veelal uit grondgebonden vrijstaande dan wel geschakelde woningen in twee bouwlagen met kap. Deze woningen zijn geörienteerd op de Veldhofstaat en de Torenstraat. De nokrichting van deze woningen ligt veelal parallel aan de weg. In enkel situaties is deze haaks op de weg gesitueerd. De goot- en bouwhoogte van deze woningen is gedifferentieerd. Een aantal van deze woningen betreffen voormalige agrarische bedrijven in de vorm van een carré-boerderij. Dit zorgt van een versterking van de differentiatie in het straatbeeld van de Veldhofstraat en Torenstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0004.png"

Woningen Veldhofstraat

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0005.png"

Woningen Torenstraat

Aan het einde van de Schovetweg is een appartementencomplex, in het voormalige kantoorgebouw van de mijngebouw, en later de gemeente Eygelshoven, gelegen. Dit appartementencomplex bevat 7 appartementen en bestaat uit 4 bouwlagen met een setback. Op de begane grond zijn de garages gesitureerd en per bouwlaag 2 appartementen met in de setback een penthouse.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0006.png"

Appartementencomplex in voormalig kantoorgebouw van de mijnbouw

Aan de noordzijde grenst het besluitgebied enerzijds aan groen en de spoorlijn in aansluiting op de groene enclave tussen Eygelshoven en Waubacherveld

2.4 Functionele structuur

De directe omgeving (aangrenzende percelen) wordt gekenmerkt door de functie wonen, uitgezonderd aan de noordzijde waar het besluitgebied grenst aan de spoorlijn Heerlen-Herzogenrath. Ten oosten van het besluitgebied, aan de overzijde van de Veldhofstaat is een zorcentrum met maatschapplijke voorzieningen, dienstverlening en woongebouwen gelegen. Verder is aan de zuidzijden, aan de overzijde van de Torenstraat, een kerk en het 'centrum' van Eygelshoven gelegen met diverse winkels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0007.png"

Zorgcentrum Laethof

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0008.png"

Kerk Eygelshoven

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0009.png"

'Centrum' Eygelshoven

Het besluitgebied zelf is braakliggend en heeft momenteel geen concrete functie. In het verleden was het besluitgebied in gebruik als kantoor voor de mijnbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0011.png"

Impressie besluitgebied

2.5 Toekomstige situatie

Het planvoornemen aan de Schovetweg voorziet in de realisatie van in totaal 10 grondgebonden levensloopbestendige woningen voor senioren. De woningen bestaan uit één bouwlaag, zijn plat afgedekt en voorzien van een (kleine) tuin. De woningen zijn onder verdeeld in drie blokken van respectievelijk 2 blokken van 4 woningen en 1 blok van 2 woningen. Deze blokken zijn in een u-vorm gesitueerd rondom de infrastructuur (ontsluiting en parkeren). Verder wordt voorzien in een groenstrook langs de Schovetweg. Het besluitgebied wordt ontsloten via de Schovetweg die weer aansluit op de Veldhofstraat, zijnde de doorgaande weg door Kerkrade. Binnen het besluitgebied wordt voorzien in 17 parkeerplaatsen waardoor iedere woning kan beschikken over een 'eigen' parkeerplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0012.png"

Inrichtingstekening planvoornemen (zie voor vergrote weergave Bijlage 1)

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0013.png"

Artimpressie planvoornemen

De levensloopbestendige woningen hebben een volledig programma op de begane grond. Dit programma bestaat uit een entree/hal, een woonkamer/keuken, 2 slaapkamers, een apart toilet, een badkamer en een (binnen)berging. Daarnaast wordt voorzien in een (kleine) tuin met terras. Ieder woning beschikt daarnaast over een parkeerplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0014.png"

Indeling woning

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Inleiding

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit de plannen voor het besluitgebied weergegeven, omdat deze zoals gezegd mede uitgangspunt voor het lokale maatwerk zullen zijn.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zaak goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI is vooralsnog vastgesteld als structuurvisie, maar heeft straks de status van omgevingsvisie onder de Omgevingswet.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn:

  • De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit.
  • Het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie
  • Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden.
  • Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen.

Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0015.png"

In het NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes. De voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan relevante keuzes worden hierna samengevat weergegeven.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

  • Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen.
  • We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte.
  • We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld.

Duurzaam economisch groeipotentieel

  • De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030.
  • We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland.
  • Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

Sterke en gezonde steden en regio's

  • We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is.
  • Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen.
  • Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse.
  • We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie.
  • We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt.
  • We richten steden en regio's klimaatbestendig in.
  • Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl.
  • Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

  • Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd.
  • Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe.
  • Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief.

Conclusie

Voorliggend planvoornemen sluit goed aan bij de uitgangspunten en keuzes die in de NOVI worden beschreven, door te voorzien in duurzaam ruimtegebruik, waarbij de te realiseren woningen zorgvuldig worden ingepast met oog voor wateropgaven, duurzaamhed, mobiliteit en leefomgevingskwaliteit.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en wordt met het Barro juridisch verankerd. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In totaal gaat het om dertien nationale belangen.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Conclusie

Het planvoornemen raakt geen nationale belangen die het Barro beoogt te beschermen. De bepalingen in het Barro vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Ingevolge artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een toelichting op een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het ruimtelijk plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking.

Stedelijke ontwikkeling?

Alvorens te toetsen aan de hiervoor bedoelde ladder, dient te worden vastgesteld of sprake is van een zogenoemde 'stedelijke ontwikkeling'. Dit begrip is in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit de tot dus ver gevormde jurisprudentie ten aanzien van dit begrip blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt. Is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, dan kan weliswaar sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling, maar kan een dergelijke ontwikkeling als te kleinschalig worden aangemerkt om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is ook relevant in hoeverre het voorheen geldende bestemmingsplan de betreffende ontwikkeling al toestond en in samenhang daarmee of sprake is van een nieuw planologisch ruimtebeslag.

Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel , eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Het voorgenomen planvornemen beoogt de realisatie van 10 grondgebonden levensloopbestendige woningen. Voor het planvoornemen geldt in dit kader dan ook dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft om deze reden niet te worden gemotiveerd. Wel bestaat de algemene verplichting tot het aantonen van nut en noodzaak van het plan.

Behoefte

De Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022 is gebaseerd op een woningbehoefte-onderozek uit 2018., dat weer gebaseerd is op een prognose uit 2017. Begin 2022 is een nieuw woningbehoefe-onderzoek uitgevoerd (Woonbehoefteonderzoek Parkstad Limburg 2022-2032, Stec, 3 februari 2022), waarbij rekening wordt gehouden met een tweetal scenario's, te weten (1) de Progneff 2021 prognose en (2) een migratiescenario, waarbij wordt uitgegaan van het voor de komende 10 jaar doortrekken van de actuele hogere migratie over de afgelopen 5 jaar. Daaruit blijkt dat de prognose Progneff 2021 voor wat betreft de afname van het aantal huishoudens over de periode 2022-2032 kleiner is dan werd aangenomen op basis van de prognose Progneff 2017.(voor heel Parkstad Limburg circa 3.345 ten opzichte van 3.860 tot 3.910). Kort samegevat is mede als gevolg van de verder doorzettende vergrijzing van de huidige bevolking sprake van een toenemende behoeft aan levensloopbestendige c.q. -geschikte (huur)woningen in de vorm van nultredenwoningen. De beoogde doelgroepen voor de te realiseren grondgebonden levensloopbestendige woning zijn met name 55-plussers en senioren die een eengezinswoning achterlaten.

Ook wordt een groot en groeiend gat geconstateerd tussen de (betaalbare) sociale huurwoningen en de alsmaar duurdere koopwoningen, hetgeen doorstromming bemoeilijkt. Om die doorstromming weer beter op gang te brengen is behoefte aan betaalbare woningen gericht op middenhuur. Gelet op de beoogde doelgroep kommen ook eengezinskoopwoningen beschikkbaar voor doorstroming.

Conclusie

Met het planvoornemen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waardoor de ladder voor duuurzame verstedelijking niet aan de orde is. Het planvoornemen voorziet erchter wel in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Het betreffen immers de juiste woningen, op de juiste locatie (dicht bij voorzieningen) voor de juiste doelgroep. Tevens wordt hiermee bewerkstelligd dat de doorstroming op gang komt.

Regionale afstemming

Voorliggend planvoornemen is regionaal afgestemd, op basis waarvan het plan door de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering op d.d. 3 november 2022 ook is toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Limburg

In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie geeft de provincie Limburg haar lange termijn visie (2030-2050). Die heeft betrekking op het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net al waarden als kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders én de samenleving als geheel. De visie bestaat uit een thematisch deel, met thema's als Wonen & Leefomgeving, Economie, Mobiliteit, Land- en tuinbouw en Veiligheid en gezondheid, maar ook uit een gebiedsgericht deel, met een eigen visie voor Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

De provincie onderscheidt in haar visie drie hoofdopgaven:

  • 1. een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als landelijk gebied;
  • 2. een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);
  • 3. klimaatadaptatie en energietransitie

De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden én door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie zelf aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven én inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht.

Concreet ten aanzien van wonen wordt een passend aanbod van woningen nagestreefd in zowel steden als dorpen. De overgangen tussen bebouwde gebieden en het landelijk gebied zijn optimaal ingericht voor stads(kringloop)landbouw, recreatie, natuur- en landschapsbeleving en klimaatadaptieve voorzieningen.

Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Daarbij gaat het om:

  • Het nastreven van een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, waarbij de inrichting en ontsluiting van gebieden uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid.
  • Het centraal stellen van de kenmerken en identiteit van gebieden. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers. Er is dus ruimte voor maatwerk.
  • Meer stad, meer land. We koesteren de variatie in gebieden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en dorpen. Landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden ontwikkeld.
  • Zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. We zetten in op een sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar de volgende generaties. In onze afwegingen betrekken we naast de impact op mens, economie en welvaart ook de impact op de omgeving en het milieu. We streven naar functiecombinaties en benutten bestaande functies optimaal.
  • Procesmatige uitgangspunten voor de beoogde uitvoering en samenwerking met betrokken partners:
    • 1. maatschappelijke opgaven en kansen centraal stellen;
    • 2. (grensoverschrijdende) samenwerking, participatie en eigenaarschap;
    • 3. gebiedsgericht werken;
    • 4. adaptief werken;
    • 5. als één overheid werken.

Thema Wonen en leefomgeving

Een woningaanbod en planvoorraad waarbij vraag en aanbod goed in evenwicht zijn is benoemd als provinciaal belang. Dat evenwicht is nodig op zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. Kortgezegd: voldoende (betaalbare) woningen, op het juiste moment beschikbaar, op de juiste locatie en van de juiste kwaliteit.

De provincie wil het voorgaande graag samen met haar partners invullen. Het streven is een leefomgeving te (blijven) bieden waar mensen zich prettig voelen en waarin mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving, die past bij zowel hun mogelijkheden als hun levensfase. Daarbij gaat het niet alleen om de spreekwoordelijke stenen, maar door in samenhang naar woonopgaven te kijken, leggen we op wijk-/buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee willen we verdere segregatie voorkomen en ruimtelijk sturen door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Zuid-Limburg

Voor Zuid-Limburg schets de provincie als perspectief voor 2050 een regio die haar potentie als ‘Europese schakelregio’ optimaal heeft weten te ontwikkelen. Met een hoge ruimtelijke kwaliteit en een eigen economische kracht, gebruik makend van de gunstige positie tussen de nabijgelegen West-Europese metropolen. Naast snelle verbindingen met de rest van Nederland zijn gelijkwaardige verbindingen gerealiseerd over de grens richting België en Duitsland. Ook is een duurzame, betrouwbare en veilige energievoorziening gerealiseerd, met bijbehorende (grensoverschrijdende) energie- hoofdstructuur. De regio biedt een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren, voor zowel inwoners als toeristen. De regio trekt nieuwe inwoners aan, want het op peil houden van het inwoneraantal draagt bij aan het behoud en het verbeteren van een brede welvaart. Zuid-Limburg heeft zich verder in 2050 ontwikkeld tot een circulaire samenleving, waarin onder andere de Chemelot-site en campus als motor en proeftuin functioneert. De omschakeling naar een niet-fossiele samenleving is ook in de mobiliteitssystemen doorgevoerd.

Zuid-Limburg beschikt voor wat betreft wonen en leven over een uniek en prettig leefklimaat waar twee omgevingen op te zoeken zijn: zowel een snelle stedelijke omgeving als een rustige, ontspannen, natuurlijke en natuurrijke omgeving. Daarnaast zijn er suburbane gebieden die een groen en aantrekkelijk woonmilieu bieden. Bij de ontwikkeling geeft het principe ‘meer stad, meer land’ richting. In het unieke buitengebied zijn de bijzondere landschappelijke kwaliteiten in combinatie met een hoge dichtheid aan cultuurhistorische elementen en een omgeving van onthaasting in stand gehouden, waardoor het gebied van grote waarde is voor de regio. Het (ruimtelijk) raamwerk, waarbij de focus ligt op het borgen van de kwaliteit van het landelijk ebied, de relatie stad-land, duurzame mobiliteit en een klimaatbestendig landschap, is goed op orde. De transformatieopgaven waar Zuid-Limburg voor staat, zijn gerealiseerd en sociale achterstanden ten opzichte van het gemiddelde in Nederland zijn ingelopen.

Uitdagingen en opgaven voor Zuid-Limburg zijn, voor zover relevant voor dit planvoornemen, de kwalitatieve als kwantitatieve opgaven op de woningmarkt en de trage doorstroming. Deze opgaven verschillen binnen Zuid-Limburg echter per (sub)regio. In de dichtbevolkte suburbane woonwijken en kernen in de stedelijke omgeving van onder andere Parkstad kan door transformatie en verdunning een kwaliteitsslag worden gemaakt, gericht op het welzijn van de bewoners. Denk bijvoorbeeld aan het versterken van de groenblauwe structuren en het realiseren van de verduurzamingsopgave, waaronder de warmtetransitie. Ook het voorkomen van wateroverlast in dit stedelijke gebied vraagt nadrukkelijk onze aandacht. Wandelen en fietsen vormen de voornaamste manier van transport in de woonomgeving. De meeste woningen zijn toekomstgeschikt en in de wijken wonen jong en oud door elkaar. Een deel van de oude woningen wordt gesloopt voor klimaat-neutrale nieuwbouw. Een ander deel van de woningen is aangepast aan de nieuwe tijd. Dit wordt met een gecoördineerde aanpak in alle wijken doorgevoerd, zodat alle inwoners in een gezonde omgeving leven en worden aangezet tot een gezonde levensstijl. Het grote aandeel particulier bezit is een extra uitdaging bij het verduurzamen en omvormen van de woningvoorraad.

Toepassing

Het planvoornemen draagt door transformatie van een braakliggend locatie in behouwd gebied nabijhet 'centrum' van Eygelshoven bij aan het behouden en versterken van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving en een duurzaam ruimtegebruik. De voorziene woningbouw voorziet daarbij zowel kwantitatief als kwalitatief in de behoefte, waarover ook regionaal is afgestemd en een akkoord is bereikt.

Conclusie

Gezien het voorgaande past het planvoornemen goed binnen de uitgangspunten van de provinciale omgevingsvisie. Die visie vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de provincie juridische binding te geven. Die verordening is nog gebaseerd op het Provinciale Omgevingsplan 2014 (POL2014), maar de opgenomen instructieregels sluiten nog steeds aan op de huidige Omgevingsvisie, of zijn daar ondertussen op aangepast. Een nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is reeds vastgesteld, maar zal pas worden gepubliceerd en in werking treden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Aangezien de invoering van de Omgevingswet daarna is uitgesteld, zijn de daarin voorziene nieuwe instructieregels middels wijzigingsverordeningen ook toegevoegd aan de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014.

De huidige verordening voorziet in de borging van provinciale belangen die voortvloeien uit het POL en in de juridische borging van de eerder met de Limburgse gemeenten gemaakte bestuursafspraken over c.q. de regionale structuurvisies voor de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie in de Omgevingsverordening Limburg 2014 en is recent aangevuld met regels over huisvesting van internationale werknemers, na-ijlende gevolgen van steenkolenwinning, zonne-energie, intensieve veehouderij, het voorkomen van eventuele verstoringen binnen het zoekgebied voor de Einstein-telescoop en klimaatadaptatie.

Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de huidige verordening (2014) een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het provinciale omgevingsbeleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale omgevingsverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. Voor dit ruimtelijk plan en het besluitgebied waarop het planvoornemen betrekking heeft zijn de navolgende bepalingen uit de verordening (in beginsel) van belang.

Artikel 2.4.2 Wonen

In de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan, zoals een omgevingsvergunning, dat voorziet in de toevoeging van woningen, uit de ruimtelijke onderbouwing dient te blijken dat:

  • het plan past binnen de kaders van de provincie Omgevingsvisie;
  • de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte blijkt uit een actueel, onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • over die behoefte overeenstemming bestaat binnen de regio Zuid-Limburg;
  • het plan is opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg;
  • realisatie is beoogd binnen 5 jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en, wanneer die termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer die mogelijkheden weer komen te vervallen.`

Het planvoornemen bestaat uit de realiatie van 10 grondgebonden levensloopbestendige woning op een braakliggend terrein binnen het bebouwde gebied van Eygelshoven. Op de toetsing aan de Omgeingsvies en de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (als uitweking daarvan) en overig relevant woonbeleid is en wordt ingegaan in de paragrafen 3.3.1, 3.4 en 3.5. Op de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de behoefte is aan de hand van een actueel en onafhankelijk regionaal onderzoek eerder al ingegaan in het kader van de lader van duurzame verstedelijking, namelijk paragraaf 3.2.3. Daaruit blijkt ook dat er regionael overeenstemming is over dit planvoornemen. Voorts is dit plan ook opgenomen in de plancapaciteitsmonitor Limburg voor de beoogde (maximaal) 10 woningen.

Het voornemen is om de woningen binnen vijf jaar te realiseren. Mocht dat onverhopt niet lukken, dan zal er een heroverweging plaatsvinden na inwerkingtreding van de Omgevingswet, in het kader van de transitie van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, naar het omgevingsplan 'nieuwe stijl'.

Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is ook nogmaals geborgd dat in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen. In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking zoals die is geborgd in artikel 3.1.6., lid 2 Bro en daarin is onderbouwd dat daaraan wordt voldaan. De extra trede die door de provincie Limburg is toegevoegd betreft de afweging of het plan kan worden gerealiseerd door herbenutting van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen. Binnen of in de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen monumentale of beeldbepalende panden aanwezig die leegstaand zijn en aan voornoemde uitgangspunten kunnen voldoen.

Artikel 2.16.1 Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning

Deze instructieregel vraagt gemeenten om in de toelichting op een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze rekening is gehouden met na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning. In deze ruimtelijk onderbouwing wordt daar reeds in voorzien, in paragraaf 4.2.3. Daaruit volgen geen belemmeringen voor het planvoornemen.

Artikel 2.18.2 Beschermingsgebied Einstein Telescope

In de verordening is voorzien in een beschermingsgebied ten behoeve van de beoogde realisatie van de zogenoemde Einstein Telescope, om zodoende de vestigingsmogelijkheden voor die telescoop waar mogelijk te verbeteren door interferende activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Onderhavig besluitgebied ligt echter buiten het aangegeven beschermingsgebied.

Artikel 2.19.1 Klimaatadaptatie

Voorts is in de verordening opgenomen dat een plan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte) te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Daarin is voorzien in onder meer paragraaf 3.4.4 van deze ruimtelijke onderbouwing.

Conclusie

Gezien het voorgaande voldoet het planvoornemen aan de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Intergemeentelijke structuurvisie Parkstad Limburg

In 2009 is de intergemeentelijke structuurvisie 'Ruimte voor park en stad' vastgesteld. De structuurvisie bevat het kader voor de door de regiogemeenten gezamenlijk nagestreefde duurzame economische structuurversterking van de regio voor de periode tot 2030, als antwoord op onder meer de bestaande en voorziene sociale problematiek en demografische ontwikkelingen. De bevolkingskrimp die zich binnen de regio voordoet wordt daarbij gezien als kans om de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving duurzaam te versterken. In de periode tot 2030 wordt ingezet op de volgende kwaliteiten:

  • meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, o.a. door een groter contrast van stad en land;
  • een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten;
  • een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen - Centrum als Parkstad - centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen;
  • een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via een Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft.

Deze ambities moeten daarbij vooral worden gezien als een aanzet om samen met betrokken partijen te komen tot kansrijke ideeën, welke vervolgens concreet kunnen worden uitgewerkt. De visie maakt onderscheid in een tweetal structuurdragers, te weten de ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit en de economisch - maatschappelijke ontwikkeling, welke vervolgens zijn uitgewerkt in een viertal hoofdthema's:

  • 1. Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur;
  • 2. Economie - meet vitaliteit vanuit historische en huidige kracht;
  • 3. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking;
  • 4. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid.

Het planvoornemen heeft hoofdzakelijk betrekking op het thema ´Wonen´. Voor dit thema heeft sinds 2009 verdere uitwerking plaatsgevonden in regionale nota's als de regionale woningbouwprogrammeringen, een herstructureringsvisie en een regionale woonstrategie welke allen aan bod zullen komen in het vervolg van dit hoofdstuk. Uitwerking op gemeentelijk niveau heeft vervolgens plaatsgevonden in onder meer stadsdeelvisies, waaronder de Stadsdeelvisie Kerkrade Noord en Oost II:, waarover meer in paragraaf 3.5.1. De lijn is duidelijk:

  • terugdringen overcapaciteit woningbouwontwikkelingen;
  • geen nettotoevoeging aan bestaande voorraad;
  • nieuwbouw uitsluitend voor de juiste doelgroep en van de juiste kwaliteit.

Het planvoornemen past binnen de hiervoor geschetste lijn die als een rode draad door de diverse beleidsdocumenten loopt die betrekking hebben op woningbouw. Hoewel het terugdringen van de overcapaciteit aan woningbouwontwikkelingen en terughoudendheid ten aanzien van het netto laten groeien van de voorraad nog steeds belangrijke aandachtpunten zijn in het huidige beleid, wordt anno 2022 gestuurd op zowel kwantiteit als kwaliteit. Daarbij komt het kortgezegd neer op de beschikbaarheid van de juiste woning, van de juiste kwaliteit op de juiste plek voor de juiste doelgroep en ook op het juiste moment beschikbaar. Daarbij speelt mee dat de inzichten in de demografische ontwikkelingen anders zijn dan ten tijde van het vaststellen van de intergemeentelijke structuurvisie. Dit is verder uitgewerkt in onder meer de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, de Regionale Woonvisie (tevens gemeentelijke woonvisie), de Regionale Woningmarktprogrammering en de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen'. Hier wordt in paragraaf 3.4.2 verder op ingegaan. Daaruit blijkt dat dit plan zowel kwantitatief als kwalitatief voorziet in een goede ruimtelijke ordening en de actuele beleidsmatige en programmatische kaders.

Conclusie

Het planvoornemen sluit goed aan op de uitgangspunten uit de intergemeentelijke structuurvisie parkstad Limburg. De structuurvisie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

3.4.2 Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

Deze regionale structuurvisie (SVWZL) is op 28 september 2016 door de gemeenteraad van Kerkrade vastgesteld. De SVWZL is opgesteld door de 18 Zuid - Limburgse gemeenten (Beek, Brunssum, Eijsden - Margraten, Gulpen - Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth-Onderbanken-Schinnen (nu Beekdaelen), Simpelveld, Sittard - Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal). Deze visie verwoordt de gezamenlijke aanpak van de Zuid - Limburgse gemeenten om te komen tot een excellent woon- en leefklimaat in Zuid - Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid - Limburg hoog in het vaandel heeft. De driedelige opgave die de structuurvisie bevat is:

  • het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot;
  • het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave en;
  • het toevoegen van woonproducten waar een tekort aan is, passend binnen de uitgangspunten van de structuurvisie.

Om invulling te kunnen geven aan deze opgaven zijn een dertiental beleidsafspraken gemaakt. Zo is onder meer afgesproken dat in een subregionale woningmarktprogrammering de toevoegingen en onttrekkingen op basis van de transformatieopgave per gemeente worden vastgelegd, wordt voorzien in het schrappen van harde plancapaciteit aan met name de randen van steden en kernen en in te zetten op herinvulling van cultuurhistorisch waardevol bestaand vastgoed. Tevens is voorzien in een compensatieregeling voor het toevoegen van nieuwe woningen. De transformatieopgave per gemeente staat centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een frictieleegstand van 2%) en de huishoudensontwikkeling. Daarnaast wordt er ingezet op het terugdringen van illegale kamerverhuur en op passende alternatieven voor kwetsbare groepen die behoefte hebben aan goedkope woonruimte.

Concreet voor onderhavig besluitgebied geldt dat sprake is van een transformatielocatie waarbij geen woningen worden gesloop. Zoals volgt uit paragraaf 3.2.3 voorzien de woningen zowel kwantitatief als kwalitatief in de de behoefte. Zoals uit paragraaf 3.4.3 en 3.5.2 van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt past de ontwikkeling ook past binnen de subregionale afspraken en zijn de woningen in de (sub)regionale woningbouwprogrammering opgenomen. Per saldo worden er wel 10 woningen toegevoegd, die op basis van de SVWZL in beginsel moeten worden gecompenseerd.

Evaluatie en beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'

In het tweede kwartaal van 2020 is de SVWZL geëvalueerd. Daaruit is gebleken dat in Zuid-Limburg een minder sterke bevolkingsdaling heeft plaatsgevonden dan vooraf was voorzien. Er is echter ook geconstateerd dat er nog steeds een zeer omvangrijke planvoorraad aan nog te bouwen woningen is. De evaluatie heeft ook een aantal aanbevelingen opgeleverd, waaraan invulling wordt gegeven in de notitie 'Bouwen naar behoefte', waarin het woonbeleid verder vorm wordt gegeven.

Een van de daaruit voortvloeiende acties is reeds in gang gezet, namelijk het stimuleren van de bouw van woningen waaraan dringend behoefte bestaat. Concreet betekent dit in relatie tot de SVWZL dat het compensatiebeleid voor betaalbare, flexibele woningen in kernen en centra nabij voorzieningen wordt versoepeld. Dit heeft zijn beslag gekregen in de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021', die is vastgesteld door de gemeenteraad van Kerkrade op 16 december 2020. Compensatie is gelet op die beleidsregel niet meer aan de orde indien wordt voldaan aan drie criteria:

  • 1. het plan heeft een maatschappelijke meerwaarde;
  • 2. het plan is planologisch aanvaardbaar;
  • 3. het plan is (sub)regionaal afgestemd.

Ad 1)

Er vindt inbreiding in bestaand stedelijk gebied plaats. Het betreft de invulling van een braakliggend terrein met grondgebonden levensloopbestendige woningen nabij het 'centrum' van Eygelshoven op korte afstand van de voorzieningen. Hierdoor is het mogelijk dat ouderen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Het laten braakliggen van de locatie is gezien de omvang en ligging niet wenselijk, waardoor door transformatie naar woningbouw een passende nieuwe invulling biedt en een bijdrage wordt geleverd aan het behouden van en verbeteren van de leefbaarheid.

Ad 2)

Zoals uit deze ruimtelijke onderbouwing volgt is het planvoornemen planologisch aanvaardbaar en wordt als onderdeel daarvan ook onderbouwd dat het plan conform de ladder voor duurzame verstedelijking zowel kwalitatief als kwantitatief voorziet in de behoefte.

Ad 3)

Het planvoornemen is besproken en akkoord bevonden door de Bestuurscommissie Wonen & Herstructurering van Parkstad Limburg, met welk besluit het plan ook is gevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering.

Verder is van belang dat uitvoering van het plan binnen 2 jaar na afstemming op subregionaal niveau wordt vastgelegd in een bestemmingsplan dan wel omgevingsvergunning en vervolgens binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden dat bestemmingsplan dan wel omgevingsvergunning wordt gerealiseerd, aangezien het plan anders zijn status op de subregionale woningmarktprogrammering verliest. Over de uitvoering van het plan zullen afspraken worden gemaakt met de nog te selecteren ontwikkelaar en indien uitvoering onverhoopt uitblijft zal bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan c.q. het omgevingsplan het planvoornemen worden heroverwogen volgens de relevante instructieregels in de provinciale verordening, zoals die in werking treedt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Conclusie

Het planvoornemen voldoet zowel kwalitatief als kwantitatief aan de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid - Limburg. Compensatie van de netto toevoeging aan de woningvoorraad is niet aan de orde, aangezien het plan voldoet aan de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'.

3.4.3 Woonbehoefte onderzoek Pakstad Limburg 2022 - 2032

In opdracht van de Bestuurscommissie Wonen en en Herstructurering van Parkstad Limburg is het 'Woonbehoefte onderzoek Parkstad Limburg 2022 -2032' uitgevoerd. In dit regionale woonbehoefte onderzoek wordt uitgegaan van twee scenario's:

  • 1. een 'basis'-scenario op grond van behoudende migratiecijfers (gemiddeld van de afgelopen 10 jaar). Volgens dit scenario wordt verwacht datdat het aantal huishoudens in de regio de komende 10 jaar met 3.345 huishoudens afneemt, en
  • 2. 2. een 'migratie-scenario', waarbij uitgegaan wordt van een meer actueel migratiesaldo (gemiddelde van de afgelopen 5 jaar). In dit scenario wordt verwacht dat de huishoudensdaling de komende 10 jaar voor een groot deel gecompenseerd wordt door migratie waardoor het aantal huishoudens in de regio og maar afneemt met 450 huishoudens.

Beide scenario's schetsen een positiever beeld dan het vorige regionale woonbehoefte onderzoek uit 2018, waarbij nog sprake was van een huishoudingsdaling van 3.860 huishoudens. Zowel kwalitatief als kwantitatief gezien is er sprake van een grotere behoefte aan nieuwe woningen.

Voor de gemeente Kerkrade betekent dit concreet dat de behoefte de komende 10 jaar vooral uitgaat naar appartementen en nultredenwoningen.

Conclusie

Het planvoornemen voorziet met name in nultredenwoningen voor senioren waardoor het planvoornemen concreet aansluit bij de behoefte zoals dit in dit woonbehoefte onderzoek naar voren komt. Daarnaast heeft de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering van Parkstad Limburg besloten om in te stemmen met de toevoeging van de met dit planvoornemen beoogde maximaal 10 woningen. Daarmee is het plan toegevoegd aan en voldoet het daarmee ook aan de Regionale Woningmarktprogrammering.

3.4.4 Regionale klimaatadaptatiestrategie Parkstad Limburg

Het klimaat verandert en dat is ook merkbaar in Kerkrade. Zo leidt klimaatverandering tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag en drogere zomers. Dat heeft gevolgen voor onder andere onze gezondheid en onze leefomgeving. Daarom is het zaak ook bij ruimtelijke plannen klimaatadaptief bouwen c.q. ontwikkelen als ontwerpprincipe mee te nemen en maatregelen waar nodig dan wel mogelijk te borgen. Dit komt terug in de NOVI en in de provinciale Omgevingsvisie Limburg. Door het Rijk is de opgave om Nederland vóór 2050 klimaatproof te maken vastgelegd in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Door de parkstadgemeenten is samen met het Waterschap Limburg, het Waterschapsbedrijf Limburg en de WaterleidingsMaatschappij Limburg een Regionale Klimaatadaptatiestrategie met uitvoeringsprogramma opgesteld, die is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade op 12 april 2022.

Om aan het voorgaande invulling te kunnen geven is samenwerking en het creëren van bewustwording nodig. Daarbij geven we als gemeente het goede voorbeeld. We benutten daarbij zelf meekoppelkansen en stimuleren anderen dergelijke kansen ook te benutten. De aanpak is ook gebiedsgericht, waarbij per gebied naar functies en kwetsbaarheden wordt gekeken.

Onderhavig besluitgebied is hooggelegen (op het plateau) en met de hoofdfunctie wonen, bestaat de strategie uit het vasthouden van hemelwater en het beperken van hittestress. De omgang met water zal hierna nog nader worden uitgewerkt in de waterparagraaf (zie paragraaf 4.9). Voor wat betreft het voorkomen c.q. beperken van hittestress zal bij de verdere uitwerking van de inrichting van de openbare ruimte en het ontwerp van de woningen worden onderzocht op welke wijze daarop invulling kan worden gegeven. Aandachtspunten daarbij zijn het verkennen van de mogelijkheden om:

  • te voorzien in vegetatiedaken of gevelbeplanting (al dan niet in combinatie met zonnepanelen);
  • naast het behoud van de bestaande bomen waar mogelijk te voorzien in nieuwe bomen;
  • door extra isolatie aan te brengen, een goede kleur- en materiaalkeuze (met name voor gevels van de nieuwbouw op het zuid(oosten) opwarming zoveel mogelijk te voorkomen;
  • op andere manieren schaduw(plekken) te creëren.

De concrete invulling zal dus nog worden onderzocht bij de verdere uitwerking van de bouwplannen en deinrichting van de openbare ruimte. Gelet op het stedenbouwkundig ontwerp wordt daar waar mogelijk al op voorgesorteerd en zal in ieder geval per saldo worden voorzien in een verbetering ten opzichte van de huidige situatie waarin het besluitgebied deels verhard is en braak ligt.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is klimaatadaptatie als ontwerpprincipe meegenomen in de verdere planontwikkeling c.q. -uitwerking.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Kerkrade 2010 - 2020 en Stadsdeelvisie Noord en Oost II

Op 30 maart 2011 is de structuurvisie 'Kerkrade 2010 - 2020' vastgesteld door de gemeenteraad en dit betreft een gemeentelijk strategisch beleidsdocument, waarin op hoofdlijnen de afwegingen en keuzes voor de periode 2010 - 2020 zijn beschreven voor de thema's: landschap en groen, toerisme, recreatie en cultuur, verkeer, voorzieningen, werken en wonen. Het is een richtinggevend document waarin duidelijk wordt welk sociaal, economisch en ruimtelijk beleid de gemeente nastreeft. De visie schetst een beeld van Kerkrade, van haar ontstaan en van de wijze waarop de gemeente samen met inwoners en andere partijen de komende jaren aan de slag wil gaan. De ambitie van Kerkrade is om een Europese en gastvrije stad te zijn die weliswaar kleiner is 'gegroeid' voor wat betreft het aantal inwoners, maar waarbij dat niet ten koste is gegaan van de kwaliteit van leven, wonen en werken.

Ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder een transformatieopgave zoals dit planvoornemen, zijn uitgewerkt in stadsdeelvisies voor de wijken West, Oost (I en II) en Noord, die daarna juridisch worden vastgelegd in bestemmingsplannen.

Het besluitgebied maakt onderdeel uit van de stadsdeelvisie Kerkrade Noord en Oost II. Het belangrijkste doel van de ontwikkelstrategie is het op orde houden van de leefbaarheid en het voorkomen van een ‘gatenkaas’. Bij een gatenkaas zouden verspreid over de stadsdelen overal leegstaande panden, braakliggende terreinen en verpaupering ontstaan met alle gevolgen van dien. Dat is onbeheer(s)baar. Door het benoemen van verschillende gebiedstypen met een eigen verdunningsstrategie kan het effect van de krimp juist een bijdrage leveren aan het versterken van het ruimtelijk raamwerk. Aan de verschillende gebiedstypen zijn de bijbehorende sociaal economische ambities gekoppeld. Daarmee krijgt ieder gebied een eigen kader waarin zowel de ruimtelijke als de sociaal economische kansen zijn vastgelegd.

De ontwikkelstrategie biedt kansen voor het verzilveren van kansen en ambities voor het geval er veel leegstand en verpaupering ontstaat binnen een bepaald gebied(stype). Het werkt ook andersom: wanneer een initiatiefnemer zich aandient, kan de ontwikkelstrategie gebruikt worden bij het bepalen van de ‘beste’ locatie voor een bepaald initiatief. De ontwikkelstrategie helpt daarnaast ook in de keuzes bij het verplaatsen van bestaande programma’s of functies binnen de stadsdelen.

De vijf strategieën die voor de verschillende gebiedstypen zijn benoemd hebben als doel te zorgen voor:

  • dynamische en levendige buurtcentra.
  • aangename en leefbare woonbuurten.
  • het versterken van de beleving van het landschap door het bieden van meer doorzichten en extra toegangen naar natuur- en recreatiegebieden.
  • meer ruimte voor natuurontwikkeling, recreatie, Natura 2000-gebied, (duurzame) energievormen en‘nieuwe’ vormen van landbouw en agrarisch gebruik.
  • meer ruimte voor tijdelijk ruimtegebruik en herbestemming;
  • nieuwe groen/blauwe en recreatieve verbindingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0016.png"

Uitsnede ontwikkelstrategie

Conclusie

Met het invullen van dit braakliggend terrein wordt verpaupering voorkomen. Het planvoornemen draagt met de realisatie van 10 grondgebonden levensloopbestendige woningen nabijn het 'centrum' van Eygelshoven bij aan een aangename en leefbare woonbuurt. Er is sprake van een goede locatie voor dit initiatief. Het planvoornemen is daarmee passend binnen stadsdeelvisie.

3.5.2 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg, Lokale woonvisie gemeente Kerkrade 2017-2021

Deze Woonvisie is op 19 april 2017 door de gemeenteraad van Kerkrade vastgesteld. Het doel van deze Woonvisie is richting geven aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt: het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft de Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties, ingegeven door de herziene Woningwet.

Uit de visie volgt dat de gemeente Kerkrade een grote opgave kent om de woningmarkt gezond te maken. Er is veel sprake van leegstaande woningen en het aantal huishoudens neemt de komende jaren af. Daardoor is er in de toekomt minder behoefte aan woningen. De bestaande woningvoorraad moet worden aangepast op deze ontwikkelingen, zodat vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Zoals volgt uit deze ruimtelijke onderbouwing en dan met name paragrafen 3.2.3 en 3.4.2, voorziet dit plan zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht in de behoefte, rekeninghoudend met de prognoses voor de toekomst en de huidige (plan)voorraad.

Conclusie

Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten uit de Regionale woonvisie (tevens lokale visie).

3.5.3 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (2018)

Als vigerend lokaal beleid ten aanzien van verkeer geldt het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), in januari 2018 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit GVVP is gericht op een integrale afstemming tussen alle facetten op het gebied van verkeer en vervoer, waardoor een optimale harmonie tussen mens, voertuig en weg ontstaat. Dit houdt onder andere het volgende in:

  • een duidelijk, herkenbaar en uniform ingericht wegennet met een logische (hoofd)wegenstructuur (thema bereikbaarheid).
  • een functioneel en herkenbaar ingericht wegennet waar functie, vormgeving en gebruik op elkaar zijn afgestemd, zodat weggebruikers overal weten welk verkeersgedrag van hen wordt verwacht, inclusief educatie en voorlichting (thema verkeersveiligheid).
  • een gastvrij en vriendelijk ingericht en eenduidig parkeersysteem, waarbij de grotere parkeerterreinen goed vindbaar zijn en bij voorkeur gratis geparkeerd kan worden (thema parkeren).
  • het stimuleren van langzaam verkeer, door enerzijds het optimaliseren van fiets- en voetgangersvoorzieningen en anderzijds inzetten op de gedragscomponent door te stimuleren (thema langzaam verkeer).
  • het stimuleren van openbaar vervoer, hetgeen een positieve bijdrage levert aan het ruimtelijk - economisch belang (bereikbaarheid en leefbaarheid) en aan het maatschappelijk belang (thema openbaar verkeer).
  • de leefbaarheid in Kerkrade verbeteren, door de verkeersoverlast waar mogelijk (verder) te beperken (thema leefbaarheid).
  • met de voorgaande zes onderdelen wordt eveneens een duurzamer Kerkrade bewerkstelligd.

Dit GVVP is onder andere gebaseerd op het regionale verkeersbeleid, opgenomen in het in 2011 geactualiseerde Regionaal Verkeer en Vervoersplan (RVVP). Eén van de onderdelen in dit RVVP is een actieplan met een jaarlijks programma verkeerseducatie. Binnen de projecten die in dit actieplan zijn opgenomen, wordt samengewerkt met onder andere het Regionaal Overleg Verkeersveiligheid Limburg (ROVL), Veilig Verkeer Nederland (VVN), de politie en de scholen.

In het GVVP en binnen het aspect parkeren, is opgenomen dat de gemeente Kerkrade zelf de regie houdt over zowel het parkeren op straat als in de parkeergarages. Daarbij wordt het aanbod afgestemd op de vraag, de zogenaamde parkeerbehoefte. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de parkeerbehoefte op eigen terrein c.q. binnen de grenzen van het besluitgebied opgevangen te worden. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is daarbij afhankelijk van de soort en de omvang van de functie(s) die met het planvoornemen mogelijk worden gemaakt. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het gebied waarin de ontwikkeling is gelegen en de eventuele mogelijkheden om parkeerplaatsen dubbel te gebruiken. Daarbij sluit de gemeente aan bij de normen en richtlijnen van het CROW.

Conclusie

In paragraaf 4.6 is het planvoornemen getoetst aan de parkeernormen uit het GVVP. Daaruit volgt dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en onevenredige parkeerhinder wordt voorkomen. In de te verlenenen omgevingsvergunning wordt middels een voorwaarde geborgd dat de betreffende parkeervoorzieningen ook worden gerealiseerd.

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden milieuaspecten beschreven met o.a. m.e.r.-(beoordelings)plicht, bodemkwaliteit, mijnverleden, geluidhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid en bedrijven- en milieuzonering. Vervolgens worden tevens de onderwerpen natuur, water, archeologie en cultuurhistorie alsmede verkeer en parkeren toegelicht.

4.2 Milieu

4.2.1 m.e.r.-(beoordelings)plicht

De nationale m.e.r.-regelgeving is een uitvloeisel van een tweetal Europese richtlijnen: de m.e.r.-richtlijn en de smb-richtlijn (Strategische milieubeoordeling). De implementatie van deze Europese richtlijnen is aan te treffen in:

  • 1. paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 en paragraaf 14.2 van de Wet milieubeheer;
  • 2. het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.).

Deze wetgeving tezamen bepaalt of voor een project of plan een MER (Milieueffectrapport) moet worden opgesteld. Daarbij is het allereerst van belang te kijken of in de betreffende ontwikkeling een activiteit is opgenomen als genoemd in de bijlage van het Besluit m.e.r.

In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat er voor categorieën uit bijlage C direct sprake is van een m.e.r.-plicht, wanneer de activiteiten de genoemde drempelwaarden overstijgen. Bij projecten met een programma boven de drempelwaarden in bijlage D moet eerst beoordeeld worden of er een m.e.r. noodzakelijk is. Dat geldt ook voor projecten die vallen onder een categorie in bijlage D, met een programma onder de drempelwaarde, al is de omvang en opbouw van een dergelijke beoordeling bij die laatste gevallen vormvrij. Voor projecten die vallen onder bijlage D is dus pas na het uitvoeren van een (vorm-vrije) m.e.r.-beoordeling duidelijk of er een MER moet worden opgesteld.

Woningbouw in de vorm van 10 woningen ter plaatse van braakliggend terrein kan worden gekwalificeerd als "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen", zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van bijlage van het Besluit m.e.r. Bij die activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:

  • 3. een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • 4. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;
  • 5. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het planvoornemen valt ruimschoots binnen de gestelde drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of er zodanige belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten dat er een m.e.r.-beoordeling of m.e.r. noodzakelijk is. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteit en de ligging van het besluitgebied binnen het stedelijk gebied (Eygelshoven als onderdeel van Kerkrade Noord) worden er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieuverwacht. Dit blijkt nader uit de volgende paragrafen 4.2 tot en met 4.6. Uit de toetsing van de verschillende milieu- en sectorale aspecten blijkt dat er geen sprak is van significante milieuaspecten. Een nadere m.e.r.-beoordeling is derhalve niet noodzakelijk. De milieuaspecten zijn in dit hoofdstuk voldoende afgewogen.

Vanwege die beperkte omvang van het project, wordt de afweging van de afzonderlijke milieuaspecten (zoals weergegeven in dit hoofdstuk) voldoende geacht en wordt het opstellen van een aanmeldnotitie niet noodzakelijk geacht.

4.2.2 Bodemkwaliteit

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Omdat ter plekke de functie wijzigt wonen onbebouwd naar wonen bebouwd ten behoeve van 10 woningen, is in dat kader een vooronderzoek bodem (Aelmans, rapportnummer E224311.001/ROE, d.d. 2 mei 2023, Bijlage 2) uitgevoerd ter actualisatie van een eerder door Bureau HMAO uitvoerd verificatie bodemonderzoek. Uit deze actualisatie blijkt dat:

  • Uit de voorhanden zijnde historische informatie, zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op een verandering met betrekking tot de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten in de periode na het eerder uitgevoerd onderzoek in 2013.
  • Geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit in de periode na het eerder uitgevoerd onderzoek niet is veranderd.
  • Ter plaatse van het voormalig kantoorgebouw is ondanks dat er in de boringen sporen van puin en baksteen zijn aangetroffen, geen asbestonderzoek uitgevoerd. Wij adviseren dit gezien de toekomstige woonbestemming alsnog uit te voeren.
  • De aangetroffen sterke arseen verontreiniging is nog onder de asfalt laag van de parkeerplaats aanwezig. Voor toekomstige graafwerkzaamheden zal alvorens de werkzaamheden worden uitgevoerd, hier een BUS-melding voor moeten worden opgesteld en bij het bevoegd gezag (Provincie Limburg) worden ingediend.
4.2.3 Mijnverleden

Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans). In de eerste twee zones is bij ontwikkelingen een nader onderzoek naar de geotechnische situatie noodzakelijk. Indien dat uit het betreffende onderzoek blijkt, dan zijn technische, stabiliserende maatregelen nodig bij een ontwikkeling. Voor de zone EK3 gelden in principe geen verplichtingen of belemmeringen, maar wordt een nader onderzoek of het inwinnen van advies van een deskundige omtrent de beoogde constructie van bebouwing wel geadviseerd.

Onderhavig besluitgebied is gelegen binnen de concessiegrens van de staatsmijn Wilhelmina. Uit de rapportage Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg, d.d. 31 augustus 2016, opgesteld door Ingenieurbüro Heitfeld Schetelig GmbH (IHS), volgt dat binnen het besluitgebied geen gebieden zijn aangeduid met één van voornoemde categorieën (EK1-EK2-EK3). Het besluitgebied het EK3-gebied dat ten noorden en westen gelegen is maar maakt hier geen onderdeel van uit.

Wel blijkt uit het kaartmateriaal bij voornoemd rapport dat het plangebied ongeveer 100-200 meter ten oosten van de Feldbiss-breuk ligt en valt daardoor binnen de zone waar mogelijk mogelijk differentiële bodembeweging optreedt. In het plangebied zijn tijdens de actieve mijnbouwperiode drempels en verzakkingen opgetreden. Mijnschachten, ondiepe gangen en winningen alsmede mijngas zijn hier niet van toepassing. Deze informatie geeft echter geen aanleiding te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het plan. Wel zijn dit geografisch zwakke(re) zones, iets om bij de constructie en fundering van nieuwe bebouwing rekening mee te houden. Ook vanwege eventueel mijngas of ongelijkmatige bodemstijging door stijgend grondwater zijn binnen het besluitgebied geen belemmeringen te verwachten, aangezien de mijnen in dit deel van Zuid-Limburg reeds volledig zijn ondergelopen en het besluitgebied niet wordt doorkuist door of is gelegen direct grenzend aan een breuklijn.

Ondankt de geografische zwakke(re) zones vormen voornoemde aspecten geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Bij de concrete uitwerking van de bouwplannen van de woningen is hiermee in voldoende mate rekening gehouden.

4.2.4 Geluidhinder

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenoemde 'geluidgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale geluidsbelasting. De belangrijkste onderwerpen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van wegverkeers- en spoorweglawaai bij de aanleg en wijziging van (spoor)wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van (spoor)wegen.

Met het voornemen worden 10 geludgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het besluitgebied is echter niet gelegen in de de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. De Wet geluidhinder is ook niet van toepasing wanneer woningen gebouwd worden langs een 30 km/h weg of een woonerf. De weg waarlangs de woning gerealiseerd wordt betreft een 30 km/h weg (Schovetweg). Deze weg is dan ook niet zoneplichtig. Echter de wegen in de directe omgeving (Veldhofstraat en Torenstraat) zijn zoneplichtige wegen. Daarnaast grenst het besluitgebied aan de noordzijde aan de spoorlijn Heerlen-Herzogenrath. Gezien de ligging van de te realiseren woningen binnnen de onderzoekszone van deze wegen en spoorlijn is een akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai (Aelmans, rapportnummer M230012.001.002.R1/JME, d.d. 20 september 2023, Bijlage 3) uitgevoerd. Uit dit akoestisch onderzoek is gebleken dat:

  • De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Waubacherweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan overschrijdt.
  • De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Torenstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan overschrijdt.
  • De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Veldhofstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan overschrijdt.
  • De voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB wordt op meerdere locaties overschreden als gevolg van de spoorlijn Heerlen - Herzogenrath. De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stillere treinbakken of raildempers (bronmaatregelen) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van landschappelijke en financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door het spoortraject, bedraagt 56 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'matig' en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en eventueel het dak. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er formeel een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Het is echter aannemelijk dat de gevels van de nieuwbouwwoningen een grotere gevelwering hebben dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. De maximale geluidbelasting ontstaat op de noordgevels van de meest noordelijke woningen. Indien deze gevel als blind uitgevoerd wordt conform tekening dan kan gesteld worden dat met een standaard spouwmuur de benodigde gevelwering ruim wordt gehaald. Bij toepassing van de standaard materialen en constructies is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.2.5 Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van artikel 5.2 Wm is om de mens te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

NIBM

Wanneer een project aangeduid kan worden als 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM), vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer een activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Met name voor de grenswaarden van PM10 en NO2 bestaat in Nederland kans op overschrijdingen. Voor alle andere stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet Milieubeheer grenswaarden bevat, is geen NIBM-grens vastgesteld. Voor deze grenswaarden doen zich geen overschrijdingen voor en zijn geen maatregelen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgenomen.

In de regeling NIBM wordt onder andere aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Het planvoornemen voorziet slechts in een toevoeging van 10 grondgebonden levensloopbestendige woningen aan de bestaande kern Eygelshoven in Kerkrade-Noord. Dit aantal is ruimschoots onder het aantal van 1.500 woningen, hiermee is het planvoornemen aan te merken als NIBM. Dit wordt bevestigd door de NIBM rekentool op basis van een verkeersgeneratie van 86 voertuigbewegingen per etmaal met een aandeel vrachtverkeer van 0%. Dit is overeenkomstig de verkeersgeneratie berekening in de notitie beoordeling stikstof (zie Bijlage 8). Hierbij is uitgegaan van vrijstaande woningen (worstcase). Voor de levensloopbestendige woningen zal de verkeersgeneratie uiteindelijk minder zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0017.png"

NIBM tool

Fijnstof

Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er ook gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de 'Atlas Leefomgeving' geraadpleegd. Uitgaande van kaartmateriaal van het RIVM over 2020 (jaargemiddele) ten tijde van het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwng zijn de volgende cijfers beschikbaar over de luchtkwaliteit binnen het besluitgebied:

  • fijnstof (PM2,5): circa 8,55 µg/m3 (norm is 25, WHO-advieswaarde 2021 is 5 );
  • fijnstof (PM10): circa 14,84 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 15);
  • stikstofdioxide (NO2): circa 10,03 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 10).

Gezien voorgaande cijfers voldoet de kwaliteit aan de norm (EU-grenswaarde), maar niet aan de door de World Health Organisation (WHO), uitgezonderd PM10 wat net voldoet . Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de advieswaardes door de WHO eind 2021 zijn aangescherpt (PM2,5 was 10 µg/m3, PM10 was 20 µg/m3 en NO2 was 40 µg/m3). Aan de tot voor kort geadviseerde waarden wordt dus wel voldaan. Hoewel 2020 in verband met Corona een bijzonder jaar was, waarbij de concentraties van de genoemde stoffen 10 tot 20% lager lagen, was in de jaren daarvoor ook al een daling van die concentraties te zien (bron: Atlas Leefomgeving). Daarnaast wordt in het kader van het Schone Lucht Akkoord, dat ook door de gemeente Kerkrade is ondertekend, gewerkt aan de ambitie om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. Daarbij wordt een gezondheidswinst van 50% in 2030 nagestreefd, ten opzichte van de situatie in 2016.

De aspecten luchtkwaliteit en fijnstof vormen dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.2.6 Externe veiligheid

Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's ter plaatse van het besluitgebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen.

Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken.

Inventarisatie

Om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor de toekomstige gebruikers van het besluitgebied in kaart te brengen is een onderzoek externe veiligheid (Econsultacny, rapportnummer 21837.001, d.d. 8 september 2023, Bijlage 4) uitgevoerd. Uit de inventarisatie blijkt het volgende.

Transport

Op circa 20 meter ten noorden van het besluitgebied is het spoorwegtraject Route 380, Sittard aansl. – Herzogenrath (D) gelegen. Via deze transportroute die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, word een gevaarlijke stof vervoerd. Via dit traject worden jaarlijks 2.670 eenheden in stofcategorie A vervoerd. Het invloedsgebied bedraagt 460 meter.

Het besluitgebied is gelegen binnen 200 meter van het spoor Sittard aansl. – Herzogenrath (D) en bevindt zich binnen het invloedsgebied van stofcategorie A. Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk.

Ook zijn er routes die niet zijn aangewezen als een basisnetroute. Het transport van gevaarlijke stoffen vindt voornamelijk plaats over provinciale wegen. Het gaat voornamelijk om stofcategorie GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Binnen een straal van 355 meter behoudens het basisnet zijn geen transportroutes gelegen die het plan kunnen belemmeren.

Inrichtingen

Op circa 770 meter ten noordwesten van het plangebied is een Seveso-inrichting gelegen. Het besluitgebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de Seveso-inrichting, derhalve levert deze inrichting geen belemmeringen op.

Op een afstand van circa 350 meter ten noordoosten van het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation gelegen. De veiligheidsafstand reikt niet over het plangebied waardoor de inrichting niet relevant is vanuit het oogpunt van externe veiligheid.

Overige risicovolle inrichtingen op een afstand van meer dan 1 kilometer van het plangebied zijn niet relevant.

Buisleidingen

Op circa 155 meter ten noordwesten van het besluitgebied bevindt zich een buisleiding. Het betreft een hogedruk aardgastransportleiding met een diameter van 7 inch en 40 bar werkdruk. De bijbehorende inventarisatieafstand bedraagt 75 meter. Het besluitgebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de buisleiding.

Het plangebied ligt ook op voldoende afstand ten opzichte van de overige leidingen.

Kwantitatieve risicoanalyse spoor

Uit de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie beperkt toeneemt, maar wel onder de 0,1 x oriëntatiewaarde blijft. Het maatgevende scenario als gevolg van een calamiteit op het spoor is een koude en/of warme BLEVE. Conform artikel 9 van het Bevt dient de Veiligheidsregio Zuid- Limburg in de gelegenheid gesteld te worden om advies uit te brengen.

Verantwoording groepsrisico

Voor stofcategorie A moet rekening gehouden worden met de scenario’s fakkelbrand, explosie (koude en/of warme BLEVE) en wolkbrand / gaswolkexplosie. In de volgende alinea's wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Op basis van artikel 9 van het Bevt dient de Veiligheidsregio Zuid-Limburg in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen.

Zelfredzaamheid

Het ontstaan van een koude BLEVE is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt. Bij zowel een koude of warme BLEVE dienen overlevenden de woning te ontvluchten in verband met secundaire branden. Ook door toepassing van risicocommunicatie wordt de zelfredzaamheid verhoogd. Bewoners zijn zich bewust van de risico’s en reageren beter als er een calamiteit optreedt.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om:

  • op tijd ter plaatse te zijn;
  • voldoende opstelplaatsen te hebben;
  • voldoende blusmiddelen te hebben.

Advies veiligheidsregio Zuid-Limburg

Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie niet toeneemt. Het maatgevende scenario als gevolg van een calamiteit op het spoor is een koude en/of warme BLEVE. Conform artikel 9 van het Bevt dient de Veiligheidsregio Limburg-Midden in de gelegenheid gesteld te worden om advies uit te brengen.

In dat kader is advies door de veiligheidsregio Zuid-Limburg (d.d. 18 december 2023, Bijlage 5) uitgebracht. In dit advies worden op basis van een aantal scenario's adviezen gegeven:

  • Hittestralingsscenario's:
    • 1. Pas materialen toe aan de zijden gericht naar het spoor en de daken die de impact van de scenario's op de panden verlagen, zoals:
      • a. gebruik maken van minerale wolisolatie;
      • b. toepassen van brand- en hittewerende beglazing (explosiewegend glas (ER1)), dit is voornamelijk relevant aan de noord-, oost, en westzijde van het pand;
      • c. gebruik maken van houten en stalen kozijnen.
    • 2. Ervoor zorgdragen dat personen inpandig kunnen vluchten van de risicobronnen af. Bij calamiteiten op het spoor dient men de panden via de achterzijde (zuidzijde) te ontvluchten.
    • 3. Maak een noodplan (VVE) en neem daarin de scenario's en de bijbehorende handelingsperspectieven op.
  • Overdruk scenario's:
    • 1. Het toepassen van blinde gevels en anders het reduceren van raamoppervlakken aan met name de noordzijde maar idealiter ook aan de oost- en westzijde van de panden.
    • 2. Het vergrootten van de afstand van de woning tot het spoor. Bij een afstand van minimaal 50 meter zal hooguit lichte schade ontstaan door overdurk, m.u.v. het scenario gaswolkexplosie.
  • Bestrijdbaarheid: het advies is om risicobeheersing te betrekken bij de verdere uitwerking van het plan, op het gebied van bluswater en bereikbaarheid.

Voorgaande punten zijn bij de uitwerking van de bouwplannen zoveel mogelijk meegenomen. Echter gelet op de haalbaarheid van het planvoornemen kunnen niet alle maatregelen worden getrofffen. De volgende maatregelen worden bij de realisatie concreet getroffen:

  • De woningen worden buiten de 30 meter zone gerealiseerd.
  • De woningen worden voorzien van een noodstop van de mechanische ventilatie.
  • De woningen worden waar nodig voorzien van blinde gevels.
  • De woningen worden zodanig gesitueerd en ingericht dat het mogelijk is om van de risicobron af te vluchten.
  • Er wordt een noodplan opgesteld met daarin de scenario's en de bijbehorende handelingsperspectieven. Dit noodplan wordt gedeeld met de toekomstige bewoners.

Verder wordt bij de inrichting van de openbare ruimte risicobeheersing betrokken worden op het gebied van bluswater en bereikbaarheid.

Tot slot wordt door de veiligheidsregio aangegeven dat ondanks het treffen van de geadviseerde maatregelen niet uit te sluiten is dat zich een incident voor zal doen met slachtoffers op de planlocatie en omgeving. Met de hierboven genoemde maatregelen acht het bevoegd gezag het risico op grote aantallen gewonden en doden binnen het voorliggende plangebied voldoende beperkt. In combinatie met de zeer lage kans op een dergelijk incident (groepsrisico < 10% van de oriëntatiewaarde) wordt op basis van de bovenstaande afweging, het restrisico derhalve als acceptabel en voldoende verantwoord geacht door het bevoegd gezag.

4.2.7 Bedrijven en milieuzonering

Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies. Het voorgaande moet op twee manieren getoets worden. Enerzijds wordt gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder, anderzijds wordt gekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Voor de inventarisatie van milieuzonering is de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" leidend. Hierin wordt per bedrijfssoort en soort inrichting aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen dient te worden (de richtafstand). De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend.

Hinder gevoeligheid van het planvoornemen

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 10 grondgebonden levensloopbestendige woningen in een overwegende woonomgeving. Wonen is een hindergevoelige functie. Het planvoorneemn moet om deze reden getoetst worden aan hinderveroorzakende functies in de nabije omgeving van het besluitgebied.

Hinderveroorzakende functies binnen het voornemen

Het planvoornemen voorziet met de realisatie van grondgebonden levensloopbestendige woningen niet in het toevoegen van hinderveroorzakende functies binnen het besluitgebied. Wel worden de woningen voorzien van warmtepompen. In dat kader is onderzocht wat de in de omgeving optredende geluidniveaus zijn ten gevolgen van deze warmte pompen en is dit getoetst aan de geldende geluidnormen. Uit het akoestisch onderzoek warmtepompen (Aelmans, rapportnummer M230012.001.003/JME, 2 juni 2023, Bijlage 6) is gebleken dat voldaan wordt aan de gestelde normen ndien de warmtepompen aan de voorzijde op het dak van de woningen worden gesitueerd, met een bronvermogen gelijk aan, of lager dan het beschouwde type. Het toegestane geluidniveau van 40 dB op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie conform Artikel 3.8 lid 2 van het Bouwbesluit 2012 wordt niet overschreden. Het toegestane geluidniveau van 40 dB, conform Artikel 3.9 lid 3 van het Bouwbesluit 2012, ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op het zelfde perceel gelegen woonfunctie wordt eveneens niet overschreden. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden.

Het besluitgebied is gelegen binnen de kern Eygelshoven als onderdeel van Kerkrade Noord. De hoofdfunctie van de directe omgeving is wonen. Aan de overzijde van de Veldhofstraat is een gemengde bestemming gelegen. Ter plaatse is een zorgcentrum met maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening en woongebouwen gelegen.Een dergelijke voorziening wordt op basis van de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' aangemerkt als milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen het zorgcentrum en het besluitgebied is groter dan de richtafstand die bij een zorgcentrum hoort, door de tussenliggende bebouwing en infrastructuur.

Aan de zuidzijde van het besluitgebied is een maatschappelijke (kerk) en centrumbestemming (detailhandel) gelegen. Dergelijke functies kunnen eveneens aangemerkt worden als milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. Ook hiervoor geldt dat de afstand tussen deze functies en het besluitgebied groter is dan de richtafstand die bij dergelijk functies hoort, door de tussenliggende bebouwing en infrastructuur.

Omgekeerd vormen de grondgebonden levensloopbestendige woningen geen belemmering voor het zorgcentrum, kerk en detailhandel omdat de nieuwe woningen op meer dan 10 meter zijn gelegen en er bestaande woningen reeds op korte afstand gelegen zijn.

Het aspect bedrijven- en mileuzonering levert hiermee geen belemmering op voor het planvoornemen.

4.3 Natuur

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Met de invoering van deze wet zijn drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.

4.3.1 Flora en Fauna

Ondanks het braakliggende karakter van het besluitgebied is door de gemeente Kerkrade aangegeven dat een quickscan flora en fauna noodzakelijk is. In dat kader is dan ook een dergelijke quickscan (NIPA, rapportnumer N230164, d.d. 23 juni 2023, Bijlage 7) uitgevoerd. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming.

Binnen het besluitgebied zelf zijn geen bomen aanwezig die eventueel als rust- en verblijfsplaats kan dienen voor vogels en vleermuizen. Echter dient er wel rekening gehouden te worden met mogelijke verstoring van omliggende gebieden die mogelijk als rust plaats kunnen dienen voor beschermde vogel- en vleermuissoorten. Dit kan voorkomen worden door bijvoorbeeld bouwlampen niet op de aangrenzende bomen en het naastgelegen appartementencomplex te schijnen. De openstootvoegen in de oostelijke gevel van het appartementencomplex mogen niet geblokkeerd worden en er mogen geen hoge obstakels binnen 5 meter van het complex geplaatst worden om eventuele aanvliegroutes vrij te houden.

4.3.2 Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden (gebiedsbescherming) worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de 'Wet natuurbescherming'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0018.png"

Ligging Natura 2000- gebieden Wurmtal, Brunssumerheide en Geleenbeekdal t.o.v. besluitgebied

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn het Wurmtal (oostzijde op 1,25 km), de Brunssummerheide (noord-westzijde op 3,5 km) en het Geleenbeekdal (zuid-westzijde op 6.0 km). Door de kleinschaligheid van het planvoornemen, de ligging binnen de bebouwde kom en de (ruime) afstanden tot omliggende Natura 2000-gebieden of overige natuurgebieden, zal voorliggend planvoornemen geen negatieve invloed hebben op natuurgebieden in de omgeving van het besluitgebied.

4.3.3 Natuur Netwerk Nederland

Ten westen van het besluitgebied is het Natuur Netwerk Nederland gesitueerd. Dit houdt in dat het desbetreffende natuurgebied, dat zich op relatief korte afstand bevindt, onderdeel is van de Limburgse natuurgebieden die samen het Limburgs deel van het Natuur Netwerk Nederland vormen. Dit natuurnetwerk is gelegen in delen van beekdaelen, op hellingen en op veen- en stuifzandgebieden van de hoger gelegen gebieden. Binnen het Natuur Netwerk Limburg wordt ingezet op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur met een bijzonder accent op bedreigde Limburgse dier- en plantsoorten. Daarnaast wordt ingezet op het bieden van mogelijkheden voor natuurbeleving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0019.png"

Ligging besluitgebied t.o.v. omliggend Natuur Netwerk Nederland

Gezien de ligging van het besluitgebied binnen de bebouwde kom, barierre werking van het spoor en de buffering van een stukje buitengebied in relatie tot de minimale omvang en ruimtelijke impact van het plangvoornemen kan gesteld worden dat het planvoornemen een niet in betekenende mate invloed heeft op het omliggende Natuur Netwerking Nederland.

4.3.4 Stikstof

De uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 heeft bepaald dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis gebruikt mag worden voor toestemming voor activiteiten in het kader van de Wnb en dat de “standaard grenswaarde” uit het PAS niet meer gebruikt mag worden. Dit houdt in dat voor planologische procedures en bij de verlening van een omgevingsvergunning een stikstofbeoordeling en, afhankelijk van een stikstofberekening en/of voortoets, mogelijk ook een vergunning Wet natuurbescherming nodig is. Voor elke toename in stikstofneerslag boven de 0,00 mol/ha/jaar, hoe klein dan ook, is een onderbouwing nodig.

Na het wegvallen van het PAS is er gewerkt aan nieuwe wettelijke kaders. In de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel (juli 2021) was een partiële vrijstelling opgenomen met betrekking tot de bouwactiviteiten van een plan of project. Dat betekent dat deze fase buiten beschouwing diende te blijven en enkel de effecten ten aanzien van de gebruiksfase beoordeeld dienen te worden. Op 2 november 2022 is door de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak betreffende het ondergrondse CO2-opslagproject Porthos waarin de vrijstelling van deze bouwactiviteiten ter beoordeling voor lag. De Raad van State heeft in haar uitspraak geoordeeld dat de stikstof die in de bouwfase vrijkomt niet buiten beschouwing mag worden gelaten. Concreet betekent dit dat de bouwvrijstelling geschrapt is en de juridische situatie teruggedraaid is naar het wettelijk kader vóór 1 juli 2021. Dit houdt in dat voor alle plannen en projecten zowel de tijdelijke bouwfase alsook de permanente gebruiksfase beoordeeld dient te worden.

Voor het onderhavige plan is daarom een beoordeling van zowel de bouwactiviteiten (realisatiefase) als de gebruiksfase aan de orde. In dat kader is een notitie beoordeling stikstof (Pouderoyen Tonnaer, project J230012, d.d. 17 maart 2023, Bijlage 8) opgesteld. Onderdeel van deze notitie is zowel een aeriusberekening voor de realisatiefase als de gebruiksfase. Uit de berekeningen voor beide fases volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar.

Het planvoornemen leidt in de realisatie- en gebruiksfase dan ook niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Voor het plan is derhalve geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist.

4.4 Water

Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het besluitgebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen.

Het besluitgebied is momenteel onverhard maar was in het verleden deels verhard. Middels het planvoornemen zal de verharding in het besluitgebied toenemen ten opzichte van de huidige situatie, als gevolg van de realitie van de nieuwe woningen en de aanleg van de benodigde infrastructuur (ontsluiting en parkeren). Derhalve is een watertoets noodzakelijk. Deze paragraaf voorziet hierin.

Waterschap Limburg

Het besluitgebied bevindt zich niet in of in de buurt van een op de legger opgenomen zone of watergang. Ten noorden, oosten en zuiden lopen op enige afstand respectievelijk de Vloedsgraaf, de Anselderbeek en de Strijthagerbeek. Gezien de afstand kan op basis van de leger van het Waterschap Limburg geconclueerd worden dat er in het besluitgebied zelf en de directe omgving van het besluitgebied geen belangen van het waterschap in het geding zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0020.png"

Legger van Waterschap Limburg met ligging besluitgebied t.o.v. primaire watergangen (bron: Waterschap Limburg)

Voorkeursvolgorde

De Nederlandse en de Europese wetgeving beschouwt afvalwater als een afvalstof. In de Wet milieubeheer (Wm) staat hoe men moet omgaan met afvalstoffen en afvalwater. Voor afvalwater dat men loost geldt de afvalstoffenregelgeving. Behalve voor afvalwater dat via een rioolstelsel naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) toe gaat. Daarvoor geldt de afvalstoffenregelgeving niet. Voor afvalwater geldt er een voorkeursvolgorde.

De voorkeursvolgorde (artikel 10.29a van de Wm) geeft aan hoe men in het belang van de bescherming van het milieu met afvalwater moet omgaan. Namelijk:

  • a. Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt.
  • b. Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt.
  • c. Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater.
  • d. Huishoudelijk afvalwater en, voor zover doelmatig en kostenefficiënt, afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden ingezameld en naar "RWZI" getransporteerd.
  • e. Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, wordt hergebruikt.
  • f. Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
  • g. Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d naar een "RWZI" wordt getransporteerd.

Kort samengevat geeft de voorkeursvolgorde aan om huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woningen via het bestaande rioolstelsel, zoals ter plaatse aanwezig onde de bestaande infrastructuur van de Schovetweg te transporteren naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI).

Bergingseis

Door de beoogde realisatie van het planvoornemen neemt het verhard oppervlak toe ten opzichte van de huidige situatie ter plaatse van het besluitgebied. Naar verwachting zal het besluitgebied ongeveer voor driekwart bebouwd en verhard worden door de realisatie van de woningbouwontwikkeling van 10 grondgebonden levensloopbestendige woningen met bijbehorende infrastructuur (ontsluiting en parkeren).

Op basis van de keur geldt een bergingseis van 80 mm. In onderhavige situatie worden de woningen en verhardingen volledig afgekoppeld, wordt het hemelwater opgevangen en vertraagd afgevoerd. Hiervoor wordt binnen het besluitgebied de noodzakelijke infiltratievoorzieningen aangelegd met voldoende bergingscapaciteit waarbij rekening wordt gehouden met het mijnverleden. De 10 grondgebonden levensloop woningen krijgen een eigen infiltratiesysteem met kratten. Daarnaast wordt de infrastructuur door middel van oppervlakkige infiltratie afgekoppeld. Hiervoor worden de noodzakelijke infiltratiekratten onder de ontsluiting en parkeerplaatsen aangelegd. Deze infiltratievoorzieningen zullen voldoen aan de door het waterschap gestelde bergingseis van 80 mm.

4.5 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Voor het besluitgebied geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Kerkrade Noord' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Op basis van deze dubbelbestemming dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwwerken ten behoeve van andere krachtens dit plan voor deze gronden aangewezen bestemmingen, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. Dit is niet van toepassing indien de aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op:

  • a. bouwwerken binnen de aanduiding 'historische dorpskern' waarvan het te bebouwen oppervlak een omvang heeft van maximaal 100 m².
  • b. bouwwerken binnen onderhavige dubbelbestemming doch gelegen buiten de aanduiding 'historische dorpskern' waarvan het te bebouwen oppervlak een omvang heeft van maximaal 150 m².

Het te bebouwen oppervlak van 100 dan wel 150 m2 wordt overschreden middels het planvoornemen. derhalve is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit is bevestigd door de regio archeoloog.

In dat kader is dan ook een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureau- met verkennend booronderzoek (Econsultancy, rapportnummer 21837.002, d.d. 4 oktober 2023, Bijlage 9) uitgevoerd. Uit dit archeologisch onderzoek is het volgende gebleken.

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek geldt er voor het besluitgebied een middelhoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Laat Paleolithicum tot en met de IJzertijd en de Vroege Middeleeuwen en een hoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit de Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

Resultaten inventariserend veldonderzoek

Op basis van de waargenomen bodemverstoringen, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht in het oostelijke deel van het besluitgebied. Ook in het zuidwesten van het besluitgebied waar in het verleden diep onderkelderde bebouwing heeft gestaan worden archeologische waarden niet meer in situ verwacht. Alleen in het noordwesten van het besluitgebied kunnen vanaf 1,7 meter -mv nog archeologische waarden in situ aanwezig zijn.

Advies

Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de grotendeels verstoorde bodemopbouw, wordt geadviseerd om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen van circa 80 cm -mv, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

Mochten in de toekomst in het noordwestelijke deel van het besluitgebied rond boring 4 (met een oppervlakte van circa 860 m2) alsnog bodemingrepen worden uitgevoerd die dieper reiken dan 1,5 meter -mv, dan wordt geadviseerd om hier vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Er zijn met de benodigde bodemingrepen voor het planvoornemen dan ook geen archeologische waarden in het geding, mits de bodemingrepen niet dieper reiken dan 80 cm -mv.

Cultuurhistorie

Voor het besluitgebied geldt dat er geen cultuurhistorie in het gedng is. Het besluitgebied bestaat uit een braakliggend terrein zonder bebouwing of beplanting. In de omgeving van het besluitgebied zijn wel enkele gebouwen gelegen met cultuurhistorische waarden. Echter deze bebouwing is op enige afstand van het besluitgebied gelegen. Daarnaast is het planvoornemen een relatief solitair en op zichzelf staand plan. Er is geen directe relatie met de cultuurhistorische bebouwing in de omgeving.

Verder zijn er in de directe omgeving van het besluitgebied geen objecten, zoals historische laanbeplanting, monumentale bomen dan wel kapelletjes of kruisbeelden, aanwezig die enige cultuurhistorische waarden hebben.

Er zijn derhalve geen cultuurhistorische waarden in het geding ten gevolge van het planvoornemen.

4.6 Verkeer en parkeren

De parkeernorm voor grondgebonden levensloopbestendigen woningen in de gemeente Kerkrade bedraagt op basis van het Gemeentelijk Verkeers- en VervoersPlan 1,7 parkeerplaatsen per woning. Uitgaande van 10 grondgebonden levensloopbestendige woning dient te worden voorzien in een parkeerbehoefte van 17 parkeerplaatsen. In de openbare ruimte wordt als onderdeel van de infrastructuur voorzien in de aanleg van 17 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voorzien in de noodzakelijke hoeveelheid parkeerplaatsen op eigen terrein op basis van de gemeentelijke parkeernorm.

Als gevolg van het planvoornemen neemt de verkeersgeneratie toe. Dit zal ongeveer 86 verkeersbewegingen worst case) per etmaal bedragen (zie oo paragraaf 4.2.5). Het besluitgebied wordt door middel van een in-/uitritconstructie aangesloten op de Schovetweg. Dit is een relatief smalle weg maar van voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen vanuit het besluitgebied af te wentelen richting de Veldhofstraat. Wel dient er de nodige aandacht te zijn voor de verkeersveiligheid vanwege het smalle profiel van de Schovetweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0928.OVSCHOVETWEG-VG01_0021.png"

Huidig straatprofiel Schovetweg

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Inleiding

Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en sectorale aspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat.

Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden:

  • het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd;
  • het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden;
  • het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden;
  • het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen;
  • het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel.

In onderhavige situatie is er een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten, waarin nadere afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de kosten voor de realisatie van het plan en eventuele planschade. Hiermee zijn de kosten in voldoende mate anderzins verzekerd. Het opstellen van een exploitaiteplan is daarmee niet aan de orde.

5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Als gevolg van de herstructurering c.q. transformatie van een braakliggend terrein naar een woonlocatie is sprake van een kwaliteitsverbetering ter plaatse het besluitgebied. Door het realiseren van 10 grondgebonden levensloopbestendigen huurwoningen in een groen woon- en leefklimaat zal de ruimtelijke kwaliteit in de (directe) omgeving toenemen. De effecten van het planvoornemen op de (directe) omgeving mogen, mede op basis van de in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven aspecten, als zeer beperkt en toelaatbaar worden beschouwd. Het plan voorziet in een zorgvuldige stedenbouwkundige inpassing van de woningen, waarbij deze naar woningtype en grootte voldoende goed op de omgeving aansluit. Als zodanig vormt het planvoornemen een positieve toevoeging aan de plaatselijke ruimtelijke kwaliteit. Op grond hiervan wordt de maatschappelijke haalbaarheid van het planvoornemen als voldoende gegarandeerd beschouwd.

Het planvoornemen is voorgelegd aan de omwonenden (apparementecomplex met 7 appartementen. villacomplex met 9 appartementen en woning hoek Schovetweg). Daaruit is naar voren gekomen dat sommige omwonenden geïnteresseerd zijn in de woningen die ontwikkeld worden.

Wel zal het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning gedurende een periode van zes weken ter visie liggen. Belanghebbenden kunnen in die periode eventueel een zienswijze naar voren brengen. Nadat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning heeft verleend, kan gedurende zes weken door belanghebbenden mogelijk in beroep worden gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 De te volgen procedure

Deze ruimtelijke onderbouwing voor de realisatie van 10 grondgebonden levensloopbestendige huurwoningen ter plaatse van een braakliggend terrein aan de schovetweg is opgesteld als onderdeel van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° van de Wabo. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat twee procedures voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, te weten de reguliere en de uitgebreide procedure. In het onderhavige geval, waarbij afgeweken wordt van het vigerende bestemmingsplan dient de uitgebreide procedure te worden gevolgd.

6.2 Vooroverleg

De provincie Limburg vindt het toevoegen van woningen aan de bestaande woningvoorraad een provinciaal belang. In dat kader zou een apart (woonbehoefte)onderzoek uitgevoerd moeten worden. De gemeenten in de regio Parkstad, waaronder kerkrade valt, beschikken al jaren over een dergelijk onderzoek. Sinds begin 2022 is dit onderzoek zelfs herijkt en vastgesteld (woonbehoefte onderzoek Parkstad Limburg 2022 - 2032). De woningen die met dit planvoornemen gerealiseerd gaan worden sluiten aan bij de behoefte die in dit onderzoek naar voren komt. Dit is de onderbouwing voor de behoefte van onderhavige woningen.

6.3 Verlening omgevingsvergunning

Het ontwerpbesluit heeft, inclusief deze ruimtelijke onderbouwing, conform de uitgebreide procedure van 23 februari 2024 tot en met 5 april 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen. In dat kader zijn er geen zienswijzen ingediend. De vergunning is door het collge van burgemeester en wethouders op 24 april 2024 verleend.