| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22X [Teelebeek Milsbeek] |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0907.TI22XTeelebeekMIL-VA01 |
De initiatiefnemer is voornemens om 105 woningen te realiseren ter plaatse van het noordelijke deel van een nog aanwezig agrarische restperceel, ter hoogte van de Teelebeekstraat, centraal in de bebouwde kom van Milsbeek. Op 25 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep besloten om, onder voorwaarden, in principe medewerking te verlenen aan dit initiatief.
Voor de ontwikkeling van het gehele plangebied is, voor het grootste deel, gekozen voor een globale functie. Deze opzet maakt het mogelijk om de definitieve stedenbouwkundige verkaveling van de nieuwe woonbuurt in een later stadium op ondergeschikte onderdelen te wijzigen en – waar nodig - te verfijnen.
Onderhavig TAM-omgevingsplan ziet op het planologisch mogelijk maken van deze ontwikkeling in de kern van het dorp Milsbeek, in de gemeente Gennep. Het TAM-omgevingsplan maakt na vaststelling onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Gennep.
Inleiding
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planwijziging beschreven.
Huidige situatie
In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie toegelicht, zowel planologisch als feitelijk.
Toekomstige situatie
In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie toegelicht, zowel planologisch als feitelijk.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 4 gaat in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de resultaten van het vooroverleg en het participatietraject.
Visie en beleid
In de hoofdstukken 5 en 6 worden onder meer het (beleids)kader en de milieu- en omgevingsaspecten uiteengezet.
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)
In hoofdstuk 8 wordt in het kader van de belangenafweging ingegaan op het feit of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor de gronden in het plangebied geldt het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Gennep in werking getreden op 1 januari 2024. Dit tijdelijke omgevingsplan omvat het voormalige bestemmingsplan 'Kern Milsbeek 2012', vastgesteld op 26 juli 2013. Hierin heeft het plangebied de functie: 'Agrarisch'. De beoogde ontwikkeling van 105 woningen past niet binnen het omgevingsplan.
Huidige planologische situatie in plangebied (blauwe omkadering)
Voor het gehele plangebied geldt de gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 4'. De regels die daarvoor gelden zijn verder toegelicht in paragraaf 6.3.
Overige regels uit het tijdelijke omgevingsplan die gelden zijn opgenomen in de paraplubestemmingsplannen: 'Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemeente Gennep - digitaal' vastgesteld op 4 juni 2018, en 'Thematische herziening verbod kamerbewoning' vastgesteld op 18 december 2023. Deze onderdelen zullen behandeld worden in paragraaf 6.13 respectievelijk hoofdstuk 5.
Het plangebied betreft de kadastrale percelen bekend als gemeente Ottersum sectie D, 2.837 (deels), 3.735 (deels), 3.736, 4.206, 4.898 en 4.880, gelegen aan weerszijden van de Teelebeekstraat in Milsbeek. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 35.000 m². Het betreffen agrarische gronden overwegend in gebruik als weiland. Ten oosten van de Teelebeekstraat is een deel van het betreffende kadastrale perceel in gebruik voor enkele volkstuinen.
Globale ligging plangebied, centraal in de kern Milsbeek (rode pointer, bron: maps.google.nl)
Het plangebied is gelegen binnen het gebied dat op hoofdlijnen omgeven wordt door de straten Heiveld (noordzijde), Langstraat (zuidzijde) en de Kerstenberg (westzijde). De Teelebeekstraat vormt voor het grootste deel van het plangebied de oostelijke grens, met uitzondering van één perceel dat ten oosten van deze straat is gelegen.
Rondom het plangebied (buiten de agrarische gronden in het plangebied) liggen uitsluitend woonpercelen, met ten oosten van het oostelijke perceel de nieuwbouwontwikkeling 'Vallei van Milsbèk' in de kern Milsbeek. Het plangebied sluit hier direct op aan.
Begrenzing plangebied en kadastrale gegevens (rode omkadering)
In het plangebied komt, met uitzondering van 1 klein bijgebouw in de zuidwestelijke hoek (achter Langstraat 42 en 46) en wat kleine gebouwen ter plaatse van de oostelijke volkstuinen, geen bebouwing voor.
Vogelperspectief agrarische percelen binnen plangebied
Op hoofdlijnen worden de verschillende delen van het plangebied als volgt gebruikt:
In de toekomstige situatie zal het grootste deel van het plangebied de globale functie 'Woongebied' krijgen, om alle voorziene woningen mogelijk te maken. Daarvoor komen er bouwvlakken ter plaatse van de nieuwe bebouwing en worden de woningtypes, woningaantallen en goot- en bouwhoogten met aanduidingen vastgelegd. Binnen deze functie zijn ook wegen, parkeerplaatsen, groen en water mogelijk.
Alleen de rijlopers van de wegen zelf worden direct voorzien van de functie 'Verkeer'. De grote groenzones binnen het plangebied worden voorzien van de functie 'Groen'.
Alle woningen ten westen van de Teelebeekstraat zullen in de toekomstige situatie via de Kerstenberg ontsloten worden. De appartementen ten oosten van de Teelebeekstraat zullen via het oostelijke nieuwbouwplan ontsloten worden.
Stedenbouwkundig plan
Er worden in het plangebied maximaal 105 woningen gerealiseerd in een mix van woningtypen:
Stedenbouwkundig plan (Bron: Buro Waalbrug, d.d. 30 oktober 2025)
De bebouwing heeft een gevarieerd karakter, wat tot uitdrukking komt in maat, schaal en architectuur van de woningen. De nieuwe woningen worden (met uitzondering van het appartementengebouw) uitgevoerd met een kap) en oriënteren zich op de straten of groenzones rondom de bouwblokken of het hofje centraal in het plangebied. Een deel van de woningen (in ieder geval de sociale huurappartementen) zal ook levensloopgeschikt worden uitgevoerd.
Alle woningen ten westen van de Teelebeekstraat worden via de Kerstenberg ontsloten. De sociale huurappartementen ten oosten van de Teelebeekstraat zullen via het oostelijke nieuwbouwplan ontsloten worden, via het verlengde van de straat Aardewerk.
Bij alle 2-onder-1-kapwoningen en enkele hoekwoningen worden parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. De overige parkeerplaatsen komen op maaiveld in de openbare ruimte. Voor de parkeerbalans wordt verwezen naar subparagraaf 6.13.2.
Programma
Uitwerking woningbouwprogramma (Bron: Buro Waalbrug, d.d. 30 oktober 2025)
Op basis van het meest actuele stedenbouwkundig plan wordt het volgende programma met 105 woningen gerealiseerd:
De grondgebonden woningen bestaan overwegend uit 2 bouwlagen met kap, met uitzondering van de eerste blokken met woningen aan de zijde van de Kerstenberg, die uit 1 bouwlaag met kap zullen bestaan. Het appartementengebouw met sociale huurappartementen zal bestaan uit 3 bouwlagen.
Om de nodige flexibiliteit te behouden, is het woningbouwprogramma niet in een keurslijf gegoten. Dat betekent dat binnen de functie 'Woongebied' zowel twee-aaneengebouwde als aaneengebouwde woningen kunnen worden gebouwd, met dien verstande dat het aantal nieuwe woningen nooit meer dan 105 mag bedragen (= optelling van alle aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden' binnen de functie 'Woongebied'). De gestapelde woningen kunnen alleen in het deelgebied ten oosten van de Teelebeekstraat gerealiseerd worden.
De meest recente stedenbouwkundige uitwerking van het gebied, vormt nadrukkelijk geen blauwdruk. De verkaveling en differentiatie in het woningbouwprogramma is indicatief en kan op onderdelen nog wijzigen.
Klimaatadaptatie en biodiversiteit
Centraal in het westelijke deel van het plangebied zijn enkele bredere groenzones opgenomen, waar ruimte is voor een speeltoestel en/of een bankje.
De Teelebeekstraat blijft net als in de huidige situatie een langzaamverkeersverbinding met een weerszijden (ter hoogte van het plangebied) een wat bredere groenzone. Op navolgende klimaatadaptieve maatregelen weergegeven:
Beeldkwaliteit
Er is een beeldkwaliteitplan opgesteld voor de nieuwe woningen in het plangebied. Dit plan is als bijlage 1 bij de motivering gevoegd. Alle woningen worden uitgevoerd in een landelijke architectuurstijl met baksteen als basis en houten accenten, waarbij de architectuur en de materialisatie nader zijn uitgewerkt en er referentiebeelden zijn opgenomen.
Het TAM-omgevingsplan vormt de juridische uitwerking van de stedenbouwkundige schets. Deze wordt parallel aan de procedure voor het TAM-omgevingsplan verder uitgewerkt tot een meer definitief gebouwontwerp. Het TAM-omgevingsplan wordt voor vooroverleg aan instanties voorgelegd en in vorm van participatie aan de omgeving gepresenteerd.
In het kader van het vooroverleg is het ontwerp TAM-omgevingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg en het Waterschap Limburg. In het kader van de zienswijzen hebben beide organisaties een reactie gegeven. Deze zijn in de zienswijzennota (zie bijlage 3) van een gemeentelijke reactie voorzien.
Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld 'het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen'. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het initiatief.
Er is een informatiebijeenkomst gehouden op 14 april 2025. Daarnaast hebben zowel de initiatiefnemer alsmede de gemeente diverse gesprekken gevoerd met omwonenden.
Op 18 november 2025 is een tweede informatieavond gehouden met direct omwonenden van het plangebied waarin het aangepaste woningbouwplan is gepresenteerd met uitleg van de doorgevoerde aanpassingen naar aanleiding van de eerdere participatie.
Het verslag van deze omgevingsdialoog is als bijlage 2 bij de motivering gevoegd.
Het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft in het kader van de zienswijzenprocedure van donderdag 11 december 2025 tot en met woensdag 21 januari 2026 (gedurende 6 weken) voor iedereen ter visie gelegen. Er zijn tijdens deze periode 2 zienswijzen ingediend. Deze zijn in de zienswijzennota (zie bijlage 3) van een gemeentelijke reactie voorzien.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI 3 afwegingsprincipes:
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.
Naast de nationale omgevingsvisie (NOVI) kent de Rijksoverheid ook het 'Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)'. Deze is inwerking getreden gelijktijdig met de Omgevingswet. Het Rijk heeft vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, deze worden middels instructieregels voorgeschreven aan lokale overheden. Het gaat hierbij om het beschermen van nationale belangen.
In afdeling 5.1 zijn instructieregels opgenomen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze instructieregels gaan over:
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders de Minister namelijk vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te vragen.
Planspecifiek
Het plan behelst het realiseren van 105 woningen. Hiervoor gelden specifieke instructieregels die zijn opgenomen in het Bkl, die de nationale belangen beschermd. De toetsing aan die belangen, zoals Natura-2000, het waterbelang, (cultureel) erfgoed en de Ladder voor duurzame verstedelijking is beschreven in hoofdstuk 6. Hierin zijn alle omgevingsaspecten getoetst aan landelijk beleid. Het plangebied valt bovendien niet binnen het deel van het rivierbed waarop de Beleidsregels grote rivieren (per 1 februari 2025) van toepassing is. Conclusie is dat deze aspecten geen belemmering vormen voor de ontwikkeling.
Deze beleidsregels bevatten een kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid - vanuit rivierkundig én ruimtelijk oogpunt - van nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren. Het uitgangspunt van de Beleidsregels grote rivieren is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater, onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden, en het bieden van voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor overheden om te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beleidsregels gaan uit van een eigen risico en verantwoordelijkheid ten aanzien van ontstane schade door hoog water voor activiteiten in het rivierbed.
Planspecifiek
Onderhavig plangebied is navolgend weergegeven op het kaartbeeld behorend bij de Beleidsregels grote rivieren 2025:
Uit dit kaartbeeld volgt dat het plangebied onderdeel is van het deel van het rivierbed waar de beleidsregels grote rivieren 2025 niet van toepassing zijn. Het plangebied is gelegen buiten het beperkingengebied, ook wel aangeduid als 'vrijgestelde gebieden'.
Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er wel hoogwater optreden. Bouwen in deze in het rivierbed gesitueerde ‘vrijgestelde gebieden’ gebeurt net als elders in het rivierbed op eigen risico. Ingeval van hoogwaterschade wordt zowel door het Rijk als de gemeente geen recht op schadevergoeding erkend.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030 - 2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het 'Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).' De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030 - 2050 geschetst.
In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit 2 delen:
De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema's in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn.
Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën:
Wonen en leefomgeving
De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma's, agenda's en instrumenten noodzakelijk.
Planspecifiek
Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. De beoogde ontwikkeling sluit hier bij aan en betreft een intensivering van de kern Milsbeek binnen bestaand stedelijk gebied (zie hierna in subparagraaf 5.2.2). Dit past bij de beleidskeuze van de provincie om de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal te benutten. Verder is het beoogde woningbouwplan in lijn met de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024 (zie subparagraaf 5.3.1).
De beoogde ontwikkeling omvat in lijn met de omgevingsvisie zowel betaalbare, als levensloopgeschikte woningen. De woningen worden duurzaam en energiezuinig gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen.
Er is hiermee sprake van een duurzame verstedelijking. Er wordt verder aangesloten bij de gemeentelijke woonvisie, zoals onderbouwd in subparagraaf 5.4.2. Daarmee past het voornemen binnen de Provinciale Omgevingsvisie.
In de provinciale omgevingsverordening van de provincie Limburg wordt het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. In het hoofdstuk Ruimte staan de onderdelen uitgewerkt die van belang zijn voor de ontwikkelingen in de openbare ruimte. De instructies die de provincie (en het Rijk) opleggen, dienen in acht te worden genomen door de gemeentebesturen bij het opstellen en vaststellen van omgevingsplannen en afwijkingen daarvan.
Planspecifiek
Uit de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied valt binnen de gebiedsaanwijzing 'landelijke kernen':
Daarmee is het plangebied onderdeel van het bestaand bebouwd gebied. In artikel 12.1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als:
Omdat de ontwikkeling van 105 woningen in de kern Milsbeek past binnen de regionale en de gemeentelijke woonvisie, zoals onderbouwd in subparagrafen 5.3.1 en 5.4.2, er overeenstemming is binnen de regio en de woningen vanaf 2027 t/m 2031 (binnen 5 jaar) worden gerealiseerd, wordt aan het bepaalde in artikel 12.1 voldaan. Het plan is in het regionale overleg d.d. 7 april 2025 afgestemd en akkoord bevonden, waarmee aan dit artikel wordt voldaan.
Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere relevante specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsverordening. Vandaar dat het voornemen past binnen de Omgevingsverordening.
Vanuit het beleidskader ‘Leefbare Steden en Dorpen 2024 - 2027’ versterkt de provincie de leefbaarheid door middel van het Leefbaarheidsfonds te investeren in de fysieke leefomgeving, door de juiste omstandigheden te creëren voor de realisatie van een woningvoorraad die aansluit op de behoefte van de regio en door te sturen op samenhangende ruimtelijke keuzes voor meer omgevingskwaliteit.
Om het nationale woningtekort terug te dringen tot een gezond evenwicht, zet het Rijk met het Programma Woningbouw in op de realisatie van 981.000 woningen tot en met het jaar 2030. De Limburgse bijdrage daaraan is vervat in de Woondeal Limburg, waarin is afgesproken dat er tot en met 2030 minimaal 26.550 woningen worden gerealiseerd. Daarvan zal minstens 2/3 gerealiseerd moeten worden in het betaalbare segment op basis van de landelijke definitie (sociale huur, midden huur en koop tot € 390.000,-, prijspeil 2024). Deels wordt gebouwd ter vervanging van bestaande woningen en deels betreft het nieuwe toevoegingen aan de bestaande voorraad. Limburg heeft in de Woondeal bovendien aangegeven 20.000 woningen extra te willen bouwen, daar waar het andere Provincies niet lukt, of waar zich kansen aandienen.
In relatie tot de volkshuisvestingsopgave wil de provincie op termijn bereiken dat er in Limburg passende woonruimte is voor iedereen die in Limburg een woning zoekt. Hiertoe stelt de provincie 3 doelen met 2 subdoelen voor het Provinciaal beleid tot 2027:
De komende tijd worden de bouwplannen voor Limburg verder uitgewerkt. Gemeenten, regio, provincies en het Rijk werken samen met woningbouwcorporaties en marktpartijen om dit proces te versnellen. De provincie ondersteunt gemeenten hierbij door partijen aan elkaar te verbinden, kennis te delen en te ondersteunen.
Planspecifiek
Het voorliggende woningbouwinitiatief wordt gerealiseerd op nog grotendeels in agrarisch gebruik zijnde percelen in de kern Milsbeek, binnen bestaand stedelijk gebied. Het beoogde woningbouwplan voldoet aan het gestelde uitgangspunt dat 2/3 van de woningen betaalbaar moet zijn (74 van de 105 woningen, zijnde circa 70 %). De beoogde duurzame nieuwbouwwoningen zijn energiezuinig (gasloos) en voldoen daarmee beter aan de behoefte van de toekomst. Er worden deels (21 stuks) levensloopgeschikte woningen gerealiseerd en er wordt voorzien in de kwalitatieve behoefte aan goedkopere woningen (betaalbaar en bereikbaar, waarvan 37 sociale huurwoningen en 6 sociale koopwoningen).
In de gemeente Gennep, en specifiek de kern Milsbeek, is bovendien een grote vraag naar woningen die inspelen op de behoefte van starters en senioren. Het woningbouwprogramma in het plangebied sluit hier goed op aan.
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
De Regionale Woonvisie Noord-Limburg geeft richting aan het woonbeleid voor de komende 4 jaar. Samen met alle partners (corporaties, huurderbelangenverenigingen, ontwikkelaars, makelaars, zorginstellingen et cetera) is de opgave voor Noord-Limburg bepaald. Ten eerste is in de visie de mismatch tussen woningbehoefte en woningvoorraad in kaart gebracht. Daarbij wordt gestuurd op het aanpassen van de bestaande voorraad op de woonvraag en nieuwbouw dient toegespitst te worden op de toekomstige woningbehoefte. Ten tweede heeft de zoektocht om alle doelgroepen (zoals o.a. zorgdoelgroepen, internationale werknemers en woonwagenbewoners) een plek te geven binnen onze woningmarkt de aandacht.
In het uitvoeringsprogramma zijn de volgende acties opgenomen die in de komende regiovisieperiode worden opgepakt:
De regionale kwalitatieve richtlijnen zijn leidend om de woningbouwplannen te toetsen en deze worden lokaal uitgewerkt. Initiatieven groter dan 10 woningen worden regionaal afgestemd en er wordt gescreend op in hoeverre deze passen binnen de kwalitatieve woonbehoefte.
Mogelijkheden van de transformatie van de bestaande woningvoorraad worden onderzocht. Daarbij worden prestatieafspraken gemaakt met de corporaties en wordt er bij de particuliere woningbezitter bewustwording gecreëerd over levensloopgeschiktheid en duurzaamheid.
Kwetsbare woningen worden op termijn uit de voorraad gehaald en tijdelijke experimentele woonvormen worden gefaciliteerd en gestimuleerd.
Huisvesting voor woonwagenbewoners, internationale werknemers, woonurgenten, ouderen, starters, economisch dak- en thuislozen en vergunninghouders krijgt extra aandacht. Bijvoorbeeld wordt voor ouderen gestimuleerd om woningen te verduurzamen of levensloopgeschikt te maken en wordt lokaal voor starters nieuwbouw toegevoegd.
Leefbaarheid heeft de aandacht bij de gemeenten en maken onderdeel uit van de prestatieafspraken met de corporaties.
Er worden prestatieafspraken gemaakt over de benodigde omvang van de sociale huurvoorraad en knelpunten worden gemonitord.
De mogelijkheden om de middenhuur te stimuleren worden onderzocht waarbij gebruik wordt gemaakt van landelijke en provinciale regelingen en instrumenten.
Woningbouw in kleine kernen richt de gemeente vooral op doorstroming.
Planspecifiek
Het voorliggende woningbouwinitiatief op nog grotendeels in agrarisch gebruik zijnde percelen in de kern Milsbeek voldoet aan de gestelde uitgangspunten. De beoogde duurzame nieuwbouwwoningen zijn energiezuinig en voldoen daarmee beter aan de behoefte van de toekomst. Er worden deels levensloopgeschikte woningen gerealiseerd en er wordt voorzien in de kwalitatieve behoefte aan goedkopere woningen (betaalbaar en bereikbaar, waarvan 37 sociale huurwoningen en 6 sociale koopwoningen). Zie voor exacte verdeling van de woningen die is afgesproken met de gemeente subparagraaf 5.4.2.
Verder zijn er voor dit plan afspraken gemaakt met corporaties zodat verzekerd wordt dat de woningen voor de sociale huursector worden gebouwd.
In het plangebied zijn geen regionale belangen in het geding.
Op 23 september 2019 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Gemeente Gennep "Samen maken we Gennep" vastgesteld. De visie laat zien hoe Gennep sterker, mooier, gezonder en nog krachtiger gemaakt kan worden. De omgevingsvisie is in samenwerking met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners opgesteld. Hieruit zijn vier speerpunten naar voren gekomen:
Belangrijke opgave voor de gemeente Gennep is het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het definiëren van het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' hanteert de gemeente de volgende vier waarden:
Uit de omgevingsvisie blijkt dat het plangebied in het deelgebied 'De Kernen' is gelegen. Over Milsbeek wordt beschreven dat Milsbeek is ontstaan als lintdorp op de oever van de Kroonbeek, tussen de stuwwal van de St Jansberg, het Reichswald en de rivier de Maas. Het dorp heeft enkele historische linten (Langstraat, Oude Baan en Bloemenstraat), waartussen het dorp in blokvormige wijken is uitgebreid. Het dorp heeft een wat onduidelijke bebouwingsstructuur. Het dorp wordt ontsloten via de Rijksweg en de Zwarteweg. Kenmerkend voor Milsbeek zijn de parochiekerk OLV van Bijstand met de begraafplaats, de open plek in het dorp en de oude pottenbakkerij. Ten zuiden van de Rijksweg liggen het bedrijventerrein Ovenberg en de woonwijk Sprokkelveld. Nabij Milsbeek biedt de verlaten oude steenfabriek kansen voor versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Een ander relevant onderdeel van de Omgevingsvisie is het gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM). Om de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving te waarborgen, wordt een vergoeding gevraagd voor het realiseren van woningbouw.
Planspecifiek
Op de speerpuntenkaart is het plangebied aangeduid als onderdeel van de bestaande kern van Milsbeek. Na afronding van de nieuwbouwwijk ‘Vallei van Milsbèk’ (77 woningen in aanbouw, verwachte oplevering eind 2025), is er geen grotere nieuwbouwwijk meer in ontwikkeling in de kern Milsbeek, waar nieuwe woningen gerealiseerd kunnen worden, om de kern een krachtige woningbouwimpuls te geven.
De beoogde grondgebonden woningen in het plangebied ten westen van de Teelebeekstraat worden gesitueerd in meerdere bouwblokken zodat het plangebied stedenbouwkundig gezien makkelijk doorkruisbaar is. De appartementen ten oosten van de Teelebeekstraat worden ontsloten via de eerder genoemde nieuwbouwwijk. Er komt geen doorgaande autoverbinding over de Teelebeekstraat, maar dit blijft net als in de huidige situatie een langzaamverkeersverbinding.
Daarnaast voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een groot aanbod aan sociale en betaalbare woningen (74 (circa 70 %) van 105 woningen), waaraan momenteel een grote, nog steeds groeiende behoefte bestaat bij zowel starters als senioren. Het aanbod aan levensloopgeschikte woningen wordt sowieso met 21 woningen uitgebreid (= 20 % van 105 woningen). Zodoende draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan het behoud en de ontwikkeling van de leefbaarheid in de kern Milsbeek.
Op grond van de Omgevingsvisie Gennep is voor dit woningbouwplan een kwaliteitsbijdrage in het kader van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) verschuldigd. De gemeente heeft echter besloten om het vragen van deze bijdrage tijdelijk op te schorten t/m 31 december 2025. Voor dit plan wordt daarom geen kwaliteitsbijdrage gevraagd.
Het voorliggende woningbouwplan is daarmee in lijn is met het gestelde in de gemeentelijke Omgevingsvisie.
De gemeenteraad heeft de woonvisie op 30 september 2024 vastgesteld. Met deze visie wil de gemeente een gemeente creëren waar wonen en zorg hand in hand gaan, waar mensen van alle leeftijden en achtergronden kunnen wonen en waar niemand achterblijft. De gemeente wil een uitstekend woonklimaat realiseren voor bestaande en toekomstige inwoners door te sturen op voldoende en betaalbare woningen, van de juiste kwaliteit op een geschikte locatie.
De gemeente heeft de ambitie om 800 woningen tot 2030 te bouwen en wil een woningmarkt die voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek biedt. Rekening houdend met minimaal 30% overprogrammering (1.040 woningen) in verband met mogelijke planuitval c.q. -vertraging. Hiervan zijn 155 woningen (exclusief overprogrammering) voorzien in de kern Milsbeek.
De gemeente zet in op de realisatie van toekomstbestendige woonsegmenten die aansluiten bij de huishoudensontwikkeling. De prognoses van de huishoudensontwikkeling laten zien dat de huidige en toekomstige woningvraag leidt tot een groeiopgave van het aantal woningen. Hoewel de gemeente zich bewust is van de uitdagingen rondom het voorspellen van migratiepatronen, omarmt zij een aanvullend optimalisatiescenario dat rekening houdt met een mogelijk hogere instroom door migratie. Tegelijkertijd streeft de gemeente ernaar om het woningtekort terug te brengen tot slechts 2%, in lijn met de ambitieuze nationale woningbouwdoelstellingen. Vanzelfsprekend worden de ontwikkelingen in de woningmarkt en de bestaande voorraad tussentijds goed in de gaten gehouden, zodat bijgestuurd kan worden als dat nodig is.
Voor een gezonde woningmarkt werkt de gemeente aan een woningaanbod dat kwalitatief én kwantitatief aansluit op de toekomstige woonbehoefte. De gemeente wil insteken op een divers woningaanbod, om zowel voor ouderen als jongeren voldoende toegankelijke woningen te hebben. De uitdaging ligt voor een groot deel in het bestaande vastgoed, waarbij (stimulering van het) verduurzamen en mogelijkheden voor woon-zorgcombinaties belangrijke opgaven zijn. De aanpak van de bestaande voorraad blijft dan ook prominent op de agenda staan. Woningbouwinitiatieven moeten zorgvuldig afgewogen worden, zeker in het licht van de bestaande overcapaciteit ten aanzien van enkele woonsegmenten in een aantal kernen.
De gemeente wil nieuwbouw die inspeelt op de kwalitatieve vraag, woningtypen die nu nog onvoldoende aanwezig zijn en waar de komende jaren behoefte aan blijft. Het accent ligt daarbij op:
Planspecifiek
In nauw overleg met de gemeente is er een stedenbouwkundig schetsplan van 105 woningen ontstaan en uitgewerkt met daarin het volgende programma:
Bijna 20 % (21 stuks) van de woningen wordt sowieso levensloopgeschikt uitgevoerd. Dit woningbouwprogramma voldoet aan de uitgangspunten van de Woonvisie Gennep en de Woondeal Limburg. Het woningbouwprogramma biedt sowieso een acceptabele mix aan woningtypen. Daarnaast zijn er gesprekken met woningcorporatie Destion om de sociale huurwoningen in het plan te waarborgen. Kortom, met dit plan worden woningen gerealiseerd waaraan in Milsbeek en de gemeente Gennep grote behoefte bestaat.
Per kern hebben inwoners, dorps-, wijkraden en verenigingen een voorzieningenplan opgesteld. In enkele gevallen werd gekozen om de (maatschappelijke) voorzieningen op te nemen in een breder dorps- of wijkontwikkelingsplan.
In het Voorzieningenplan Milsbeek 2018 is voor het onderdeel wonen en woonomgeving beschreven dat Milsbeek aantrekkelijk is voor gezinnen met kinderen uit Nijmegen. Nieuwkomers zullen vooral naar het bestaande woningaanbod kijken. Om daar ruimte in te maken moeten er wooneenheden voor ouderen komen voor het moment, dat deze hun huis te groot en te bewerkelijk gaan vinden, waardoor doorstroming en verjonging wordt gerealiseerd. Daarnaast biedt het aanbod ook te weinig mogelijkheden voor jongeren, die in Milsbeek willen blijven wonen. In feite betekent dit, dat er gekeken moet worden voor woningen voor zowel jongeren als ouderen. Het woningaanbod sluit momenteel niet aan op de behoefte.
Planspecifiek
De punten uit het voorzieningenplan onderstrepen de onderdelen uit de omgevingsvisie en woonvisie. Dit plan stuurt op het toevoegen van woningen waar behoefte aan is: woningen voor starters en senioren.
In 2023 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie Gennep 2040 opgesteld. In deze visie geeft de gemeente een inkijkje van hoe een 'duurzaam Gennep' er in 2040 uitziet, welke stappen de gemeente moet zetten om daar te komen, en wie welke rol heeft. Technologieën en inzichten op het gebied van duurzaamheid zijn voortdurend in ontwikkeling. Daarom is de visie geen statisch document, maar wordt deze met enige regelmaat herzien. De doelstellingen voor 2040:
Planspecifiek
De doelstellingen uit de duurzaamheidsvisie worden zo goed mogelijk geadopteerd in het stedenbouwkundig plan en de verdere (duurzame) uitwerking van het woningbouwplan. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 6.5.
In de Parkeervisie Gennep 2024 staat toegelicht hoe de parkeeropgave aansluit bij de ambities van de gemeente Gennep. Het basisprincipe hierbij is 'De juiste parkeerder op de juiste plek.' Deze ambitie is in onderstaande visiepunten uitgewerkt:
Naast de algemene visiepunten, zijn er nog enkele specifieke thema's op het gebied van parkeren die spelen in de gemeente Gennep. De eerste hiervan is dat de ontheffingscriteria van de blauwe zone strenger worden beoordeeld. Ten tweede is het parkeren van vrachtwagens binnen de bebouwde kom niet wenselijk, vanwege de overlast en het grote ruimtebeslag.
Gelijktijdig met het vaststellen van de Parkeervisie Gennep 2024, is ook de nieuwe nota parkeernormen Gennep vastgesteld. Hierin staan de gemoderniseerde parkeernormen vastgesteld voor een ontwikkeling.
Planspecifiek
Aan de hand van de parkeervisie en het parkeerbeleid van Gennep is de parkeerbalans inzichtelijk gemaakt. Uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat er voldoende ruimte is op maaiveld (op eigen terrein en in de openbare ruimte) om in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien.
Hiermee wordt aan de parkeervraag voldaan en wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Gennep.
Verdere toepassing van het verkeer- en parkeerbeleid is beschreven in paragraaf 6.13.
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
De beoogde woningbouwontwikkeling past binnen het beleidskader van de verschillende overheidslagen.
Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van technische onderzoeken met conclusies. Alleen de voor het plangebied relevante milieuaspecten worden beschreven. Aan het eind van elke paragraaf volgt een conclusie met betrekking tot het aspect.
De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Uit dien hoofde moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt in de regelgeving een vooronderzoek genoemd.
Er is een vooronderzoek gedaan in de vorm van een nota van toelichting. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de motivering gevoegd.
Op basis van deze nota van toelichting kan gesteld worden dat het gehele plangebied verdacht is op diverse soorten ontplofbare oorlogsresten met als 'zwaarste munitieartikel' een Britse 3,7 inch-brisantgranaat. De mogelijk aan te treffen ontplofbare oorlogsresten kunnen direct onder het maaiveld liggen tot maximaal 1 meter minus het maaiveld.
Gezien de aard van de voorgenomen werkzaamheden is het advies dat er een oppervlaktedetectie wordt uitgevoerd: het opstellen van een risicoanalyse zal immers geen verandering brengen in de status van het onderzoeksgebied (dat blijft ook na uitvoering van een risicoanalyse verdacht op de mogelijke aanwezigheid van de genoemde munitiesoorten).
In het kader van het bouwrijp maken, zal er na afloop van de planologische procedure, een oppervlaktedetectieonderzoek worden uitgevoerd.
Het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand van vastgoed te voorkomen is de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) onder de Omgevingswet gecontinueerd en als instructieregel opgenomen in artikel 5.129g Bkl. Deze regel bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. De behoefte aan die nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarmee worden aangetoond. Alleen wanneer het gaat om een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling moet de Laddertoets worden uitgevoerd.
Voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan komen. In artikel 5.129g Bkl staat dat het stedelijk gebied ook het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied bevat. Door deze formulering is dat stedelijk gebied hetzelfde gebied als onder het Besluit ruimtelijke ordening.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is.
Met dit plan wordt de realisatie van maximaal 105 woningen mogelijk gemaakt op een binnenstedelijke locatie. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling, die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Afbakening verzorgingsgebied
Voor de onderbouwing van de woningbehoefte is gekeken naar de afbakening van het relevante verzorgingsgebied. Uit het Woonzorgbehoefteonderzoek van Stec Groep (2023) blijkt dat circa 53% van de binnenlandse verhuizingen binnen de gemeente Gennep plaatsvindt. Daarnaast zijn er sterke verhuisrelaties met omliggende gemeenten zoals Land van Cuijk (Noord-Brabant), Nijmegen (Gelderland), Mook en Middelaar en Berg en Dal. De woningmarktregio overschrijdt daarmee de provinciegrens.
Vooral jonge huishoudens (alleenstaanden en stellen tot 35 jaar) verhuizen naar Gennep, zowel vanuit andere gemeenten als het buitenland. Op basis hiervan vormen de gemeente Gennep en de direct omliggende gemeenten het primaire verzorgingsgebied, met Nijmegen als aanvullend secundair verzorgingsgebied.
Kwantitatieve woningbehoefte
De beoogde ontwikkeling van 105 woningen voorziet nadrukkelijk in een kwantitatieve behoefte.
| Jaar | Aantal huishoudens | Ontwikkeling t.o.v. 2023 (#) | Ontwikkeling (%) |
| 2023 | 7.515 | - | - |
| 2030 | 7.615 (basisscenario) | +100 | + 1% |
| 8.805 (optimalisatiescenario) | +1.290 | +17% |
* Het basisscenario is gebaseerd op de Progneff2021-prognose, terwijl het optimalisatiescenario uitgaat van hogere migratie-instroom en het inlopen van het woningtekort conform landelijke woningbouwambities.
Kwalitatieve behoefte
Het initiatief voorziet ook in een kwalitatieve behoefte, met een gevarieerd aanbod voor diverse doelgroepen, waaronder starters en senioren:
Het plan voorziet daarmee in zowel een kwalitatieve als kwantitatieve regionale woningbehoefte en sluit aan bij de regionale woningbouwafspraken. De ontwikkeling draagt bij aan het actuele woningtekort en versterkt de woningvoorraad in Milsbeek en de gemeente Gennep.
Op basis van de onderbouwing van de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte, de afbakening van het verzorgingsgebied en de aansluiting op gemeentelijk en regionaal beleid, vormt het aspect 'ladder voor duurzame verstedelijking' geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen.
Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen zijn doorvertaald in archeologische aanduidingen. Als het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Het plangebied rondom de Teelebeekstraat in Milsbeek valt binnen de aanduiding 'Waarde - archeologie 4'. Voor het bouwen op locatie moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd als er bouwwerken worden gerealiseerd met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm. Onderhavig initiatief overschrijdt deze maximum oppervlakte. Er is daarom een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 bij de motivering gevoegd.
Gekozen vervolginsteek
In vrijwel het gehele plangebied zullen in meer of mindere mate graafwerkzaamheden plaatsvinden ten behoeve van de aanleg van funderingen, waterpartijen, kabels/leidingen en overige terreininrichting. De diepte van de ingrepen ligt veelal tussen 50-100 cm -Mv. Voor de aanleg van waterpartijen en riolering zal iets dieper worden gegraven (150 en 300 cm -Mv). De kans dat hierbij archeologische resten worden verstoord, is groot. In het gehele plangebied is sprake van een hoge verwachting vanaf 20 - 55 cm -Mv. Geadviseerd wordt om in het gebied een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, karterende/waarderende fase) uit te voeren. Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk die op voorhand door de bevoegde overheid, in deze de gemeente Gennep, moet worden goedgekeurd.
Cultuurhistorie
Om de cultuurhistorische waarden op of nabij het plangebied te beschouwen is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg bekeken. Hieruit blijkt dat er geen hoge cultuurhistorische waarden voorkomen in het plangebied. Daarnaast is het plangebied, uitgezonderd 1 klein vervallen bijgebouw, niet bebouwd. Er zijn zodoende geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in het plangebied.
Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorisch waardevolle panden of structuren.
De aspecten 'archeologie', na afronding van het proefsleuvenonderzoek, en cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:
Bodemgevoelige gebouwen
Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bodemgevoelige locaties
Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
De gemeente kan in het omgevingsplan aanvullende locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen. In de gemeente zijn dergelijke locaties vooralsnog niet aangewezen.
Omgevingsplan
Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl).
Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn.
Om inzicht te krijgen in de waarden van de bodem is onderzoek verricht in de vorm van een verkennend bodemonderzoek, inclusief geohydrologisch onderzoek. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 6.
Middels het voorliggende onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locaties (inclusief asbest ter plaatse van de voormalige bebouwing, inclusief druppelzone en volkstuinen) op de locatie aan de Heiveld ong. te Milsbeek, ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling, in voldoende mate vastgesteld.
Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat voor wat betreft de onderzochte grond, grondwater en asbest in grond op basis van onderhavig (bodem)onderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt verder geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen herontwikkeling op de locatie. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die dan nog gebruikt wordt, wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Uitgangspunt is dat bij nieuwbouw alle daken zoveel mogelijk vol komen te liggen met zonnepanelen. Alle (nieuwe) daken moeten dan ook geschikt zijn voor zonnepanelen. Nieuwbouw moet aardgasvrij gerealiseerd worden.
In het kader van natuurinclusief bouwen wordt er bewust ruimte gemaakt voor biodiversiteit op, aan of in een gebouw of de omgeving, zodat er meer verschillende planten- en diersoorten kunnen leven, bijvoorbeeld in de vorm van nestkasten.
Door in het ontwerp rekening te houden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering wordt de leefbaarheid van de nieuwe woningen in de toekomst gegarandeerd. Deze verwachte gevolgen zullen het meest merkbaar zijn in een toenemende regenintensiteit enerzijds en een toenemende droogte en hitte anderzijds. Aspecten die gaan over water en biodiversiteit worden beschreven in paragrafen 6.6 en 6.14.
Het plan bevat de realisatie van woningen die niet vallen onder milieubelastende activiteiten. Voor het realiseren van de woningen wordt er gestreefd naar een energiezuinig plan waarin energiebesparende maatregelen worden genomen. Denk aan het gebruik van zonnepanelen. In het kader van het natuurinclusief bouwen wordt er voorzien in nestkasten.
De woningen in het plangebied worden duurzaam en energiezuinig gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen. De daken van de woningen worden afgekoppeld en al het hemelwater kan infiltreren op een locatie in het plangebied. Uit het geohydrologisch onderzoek (zie bijlage 6) blijkt namelijk dat de zandlaag op een diepte van 0,6 m -mv tot 0,9 m -mv zeer goed doorlatend (> 10 m/dag) is en zodoende geschikt voor infiltratie via een wadi, koffer/krat en open verharding. Wel moet rekening gehouden te worden met de dieper gelegen kleilagen.
Uiteraard worden de woningen gasloos uitgevoerd en er zal daarnaast sprake zijn van goede isolatie, lage temperatuur verwarming, een warmtepomp en er worden zonnepanelen op het dak geplaatst om de nodige energie op te wekken.
In het kader van natuurinclusief bouwen worden er 10 à 20 inbouwnestkasten voor huismussen gerealiseerd in het nieuwbouwplan.
Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow).
Zorgplicht
De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn. Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten.
Soortenbescherming
Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.
De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming
Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:
Natura 2000
Artikel 2.15a Ow bevat de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
Soortenbescherming
Om het (mogelijke) effect van dit initiatief op soorten in te kunnen schatten is een Quickscan Flora en Fauna noodzakelijk.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming heeft betrekking op NatuurNetwerk Nederland (NNN) en de Natura2000 gebieden. Dit is een belangrijk ruimtelijk kader om goed in beeld te hebben, omdat het betrekking heeft tot stikstof.
Houtopstanden
Wanneer er bomen en/of bos gekapt moet worden gekapt voor het initiatief, bestaat er mogelijk een meldingsplicht bij de provincie. Hierbij kan mogelijk een compensatieplicht gelden.
Voor de beoogde ontwikkeling is een Quickscan Natuur uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 7 bij de motivering gevoegd.
Houtopstanden
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Wel zullen enkele bomen gekapt moeten worden om de beoogde woningbouwplannen te kunnen realiseren. Het gaat hierbij om een bomenlaan/ bosschage tussen deelgebied B en D en enkele solitaire bomen tussen deelgebied B en C uit de quickscan natuur. In totaal betreft het circa 8 bomen. Daarnaast zullen stukken struweel met lage boomvormers in deelgebied D worden verwijderd.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Limburg, de Groenblauwe mantel, de natuurbeekzone en de Beschermingszone Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Op een afstand van circa 400 m is het Natuurnetwerk Limburg gelegen. Op een afstand van circa 50 m ligt de Groenblauwe Mantel en op een afstand van circa 630 m ligt de Natuurbeekzone. Voor provinciaal beschermde gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader biedt.
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 560 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 105 woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden en haar instandhoudingsdoelstellingen per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, moet vooraf een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator of een ecologische voortoets uitgevoerd worden. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 8 bij de motivering gevoegd.
Uit de projectberekening van de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (er is zelfs sprake van een kleine stikstofdepositie-afname van 0,18 mol N/ha/jaar op een of meerdere hexagonen binnen het Natura 2000-gebied 'Sint Jansberg').
Uit de projectberekening van de aanlegfase samen met een gedeelte van de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (er is zelfs sprake van een kleine stikstofdepositie-afname van 0,11 mol N/ha/jaar op een of meerdere hexagonen binnen het Natura 2000-gebied 'Sint Jansberg').
Uit de projectberekening van de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (er is zelfs sprake van een kleine stikstofdepositie-afname van 0,12 mol N/ha/jaar op een of meerdere hexagonen binnen het Natura 2000-gebied 'Sint Jansberg').
Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de planontwikkeling.
Soortenbescherming
Er moeten enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet met aanvullend onderzoek worden vastgesteld of het plangebied een relevante functie heeft voor huismus, marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel), steenuil en grote vos (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang, er is sprake van een reden van sociale of economische aard, er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen is hiertoe uitvoerbaar). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zou kunnen worden. Hiermee mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Algemene zorgplicht
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
Specifieke zorgplicht
Het aspect 'ecologie en natuur' vormt, mits uit het aanvullend onderzoek geen zaken naar bijzonderheden naar voren komen danwel een ontheffing wordt verleend, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor:
Geluidgevoelige gebouwen
Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties.
Geluidaandachtsgebieden
In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:
| Geluidbronsoort |
Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl) |
Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl) |
|||
|
Provinciale wegen Rijkswegen |
50 Lden | 65 Lden | |||
|
Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 Lden | 70 Lden | |||
| Hoofdspoorwegen | 55 Lden | 70 Lden | |||
| Industrieterreinen | 50 Lden | 60 Lden | |||
| 40 Lnight | 50 Lnight | ||||
De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.
Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven.
Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:
| Aantal rijstroken | Maximum snelheid weg (km/u) | Breedte zone (m) | |
| 1 of 2 | 30 of minder | 100 | |
| 1 of 2 | meer dan 30 | 200 | |
| 3 of meer | 350 | ||
Geluid door activiteiten
Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.
Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt.
Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
| Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw | 07.00 - 19.00 uur | 19.00 - 23.00 uur | 23.00 - 7.00 uur | ||
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen | - | 70 dB(A) | 70 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden | - | 65 dB(A) | 65 dB(A) | ||
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.
Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
| Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen | 07.00 - 19.00 uur | 19.00 - 23.00 uur | 23.00 - 7.00 uur | ||
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen | - | 55 dB(A) | 55 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden | - | 45 dB(A) | 45 dB(A) | ||
Op basis van geluidaandachtsgebieden wordt bepaald welke (spoor)wegen en industrieterreinen moeten worden betrokken bij het bepalen van het geluid op de gewenste woningen.
Wegverkeerslawaai
In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is het onderzoek naar het geluid door het wegverkeer op de te realiseren woningen beschreven. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 9 bij de motivering gevoegd.
Toetsing standaardwaarden en grenswaarden
Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 47 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden.
Gevelwering en woon- en leefklimaat
Benodigde gevelwering
Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 47 dB ter plaatse van de westgevel van het meest zuidwestelijke blok rijwoningen. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 20 dB. Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de woningen is niet nodig.
Woon- en leefklimaat
De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als "Zeer goed". Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in subparagrafen 3.3.1 en 3.3.2 van het onderzoek kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Spoorwegverkeerslawaai
Omdat er geen spoorlijnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen hoeft dit aspect niet nader beschouwd te worden
Industrieterreinen (geluid door activiteiten)
Voor dit aspect wordt verwezen naar paragraaf 6.10 Milieuzonering.
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.
Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:
Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal 105 woningen mogelijk en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging. Dit wordt bevestigd door een berekening met de NIBM-tool (d.d. 14 april 2025), waarbij gebruik is gemaakt van de cijfers uit het verkeersonderzoek (zie bijlage 10), waarbij is uitgegaan van een gemiddelde weekdag:
Bestaande luchtkwaliteit
Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt (50052969_15989979) op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de Rijksweg, niet worden overschreden. De waardes bedragen respectievelijk 11,3 µg/m3 voor NO2, 14,7 µg/m3 voor PM10 en 8,2 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. Uit het CIMLK blijkt dat er sprake is van 6,0 overschrijdingsdagen in 2023, waarmee ruimschoots aan de norm wordt voldaan.
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen dient te worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Geurgevoelige gebouwen
De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt:
Geurveroorzakende activiteiten
Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in:
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen omliggende agrarische bedrijven en het plangebied al andere gevoelige (woon)functies gelegen vanwege de ligging in de bebouwde kom. Deze (woon)functies zijn maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.
In oktober 2024 is de nieuwe VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' uitgebracht. Er wordt in deze handreiking geen gebruik meer gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten.
In de directe omgeving van het plangebied komen uitsluitend burgerwoningen voor en geen niet-woonfuncties met een hindercontour die tot in het plangebied reikt.
Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige functies in de nabijheid van functies, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico's voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.
Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige nieuwe functie aangehouden van 50 m. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State als 'in het algemeen niet onredelijk' bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar deugdelijk gemotiveerd van kan worden afgeweken.
Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Woningen met bijbehorende tuinen worden als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 m wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de (fruit)boomteler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden.
In dit geval zijn er 50 m rondom het plangebied geen locaties aanwezig waar eventueel gewerkt kan worden met gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn wel nog op meerdere locaties rondom het plangebied weides ten behoeve van het hobbymatige houden van dieren aanwezig. Op kadastraal perceel 4862 (ten noorden van het beoogde woongebouw met sociale huurwoningen ten oosten van de Teelebeekstraat) is daarnaast een woningbouwontwikkeling ingezet met 3 vrijstaande woningen (ontwerp TAM-omgevingsplan ter visie t/m 19 november 2025, zodat ter plaatse sowieso niet meer met gewasbeschermingsmiddelen gewerkt mag worden.
Het aspect 'spuitzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:
Plaatsgebonden risico
Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6-contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden.
Groepsrisico: aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden voor branden, explosies en gifwolken.
Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen.
Op navolgende afbeeldingen is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van activiteiten met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen.
Uitsnede risicokaart met globale begrenzing plangebied (blauwe omkadering)
Kwetsbaarheid
De beoogde woningen betreffen kwetsbare gebouwen.
Plaatsgebonden risico
Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van locatiegebonden risicobronnen, transportroutes en/of buisleidingen. De meest nabij gelegen risicobronnen betreffen de transportroute over de Maas, een propaantank bij C.N.C. Grondstoffen op Kampveld 10 (bedrijventerrein Ovenberg) en een propaantank bij Cornelissen B.V. op Onderkant 14. Deze risicobronnen liggen op ruime afstand van het plangebied.
Groepsrisico: aandachtsgebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied.
Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Er is een verkeersonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 10 bij de motivering gevoegd.
Verkeersverschuivingen
De totale verkeersgeneratie van Heiveld fase 2 bedraagt (naar boven afgerond op 50-tallen) circa 750 motorvoertuigen/etmaal op werkdagen. Hiervan ontsluiten circa 650 motorvoertuigen op de Kerstenberg en circa 100 motorvoertuigen/etmaal op de Vuurtest. Het verkeer dat op de Kerstenberg ontsluit komt grotendeels (70%) op de Langstraat terecht. Het overige deel zal naar verwachting via het Heiveld ontsluiten. Het grootste deel van het verkeer rijdt vervolgens verder richting de Zwarteweg (45%); een kleiner deel (25%) kiest een route richting het westen. Verkeer in de richting van Gennep, zal grotendeels via de Langstraat naar de Zwarteweg rijden. Een klein deel van het verkeer met een noordelijke bestemming in de richting van Nijmegen, kan via de Langstraat en de Vagevuurweg naar de Rijksweg rijden.
Kruispuntafwikkeling
Met behulp van de Kruispuntwijzer is de verkeersafwikkeling van de volgende twee kruispunten geanalyseerd:
Uit de kruispuntberekeningen komt naar voren dat beide kruispunten het verkeer goed kunnen verwerken in zowel de referentiesituatie 2040 (met fase 1; zonder fase 2 Heiveld) als in de plansituatie 2040 (met fase 1 en 2 Heiveld). In de ochtend- en avondspits is voldoende restcapaciteit aanwezig om de extra verkeersbewegingen af te wikkelen.
Verkeersveiligheid
Met behulp van de Wegenscan is op enkele wegvakken de verkeersveiligheid geanalyseerd.
Op de Kerstenberg is op basis van het huidige wegprofiel sprake van voldoende restcapaciteit om de extra verkeersbewegingen op verkeersveilige wijze op te vangen. Een aandachtspunt betreft de gemeten gereden snelheid (verkeerstelling juni 2025). Hieruit blijkt dat de gereden snelheid (V85) circa 10 km/u hoger ligt dan is toegestaan. Het aanbrengen van extra verkeersremmende maatregelen (bijvoorbeeld verhoogde wegaansluiting bij ontsluiting Heiveld fase 2) kan hierbij mogelijk een oplossing bieden. Daarnaast is het, bij realisatie van Heiveld fase 2, wenselijk een kwalitatief goed voetpad (minimaal 1,8 m breed) aan te brengen aan de oostzijde van de weg.
Gezien de huidige weginrichting van Heiveld, is de indicatieve streefintensiteit van 1.500 motorvoertuigen per etmaal aan de hoge kant. Een lagere streefintensiteit is wenselijk, gezien het ontbreken van een volwaardig voetgangersvoorziening. Met de ontwikkeling Heiveld fase 2 worden er naar verwachting circa 1.050 motorvoertuigen per etmaal verwacht. Dit past binnen de indicatieve streefintensiteit en is ook lager dan deze streefintensiteit. Daarbij wordt de verkeersintensiteit op Heiveld de komende jaren gemonitord en indien nodig kunnen aanvullende maatregelen getroffen worden.
Op de Langstraat voldoet de huidige inrichting naar verwachting goed bij de te verwachten verkeersintensiteiten en wordt geen verkeersonveiligheid verwacht. In feite geldt hetzelfde voor de Zwarteweg. De weg is dusdanig ingericht dat de toekomstige intensiteiten zowel met als zonder de ontwikkeling van Heiveld fase 2 veilig kunnen worden opgevangen. Monitoring is echter wel wenselijk.
Analyse langzaam verkeer
In de analyse voor langzaam verkeer kwamen een aantal hoofdroutes voor fietsers en voetgangers naar voren. Op het oostelijke deel van het Heiveld is geen apart trottoir aanwezig; fietsers en voetgangers delen hier de rijbaan. Idealiter wordt een trottoir voorzien, maar de beschikbare ruimte binnen het bestaande profiel is beperkt. Gezien de verwachte loopstromen vanuit het plangebied, vooral in zuidelijke richting via de Langstraat (waar de belangrijkste bestemmingen liggen), is het aandeel voetgangers op het Heiveld naar verwachting beperkt. Richting sportvelden en Groesbeek wordt naar verwachting bovendien primair gebruikgemaakt van de langzaamverkeersroute over het Verloren Land, waar een knip voor gemotoriseerd verkeer zorgt voor een veilige en comfortabele inrichting voor fietsers en voetgangers. Het ontbreken van een trottoir op het Heiveld is daarmee een aandachtspunt, maar geen directe noodzaak; de gemengde inrichting is toereikend voor het verwachte gebruik. Wel is het raadzaam de verkeerssituatie op het Heiveld te monitoren.
Het parkeerbeleid van de gemeente, dat voorschrijft hoeveel parkeerplaatsen moeten worden aangelegd bij een ontwikkeling is gebaseerd op de 'Parkeervisie Gennep' die op 15 april 2024 is vastgesteld. Voor de uitgangspunten voor het berekenen van de verkeersaantrekkende werking is de ‘Parkeervisie Gennep’ doorvertaald in de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024'. Hierin is vastgelegd hoe de gemeente Gennep omgaat met parkeren bij bouwontwikkelingen. Voor parkeren worden de fiets- en autoparkeereisen opgenomen. Deze parkeereis geeft de omvang van de parkeervraag aan en hoe het parkeren wordt opgelost.
De beleidsnota stelt dat de hele gemeente Gennep ‘weinig stedelijk’ is. De ligging van de bouwontwikkeling bepaalt welke autoparkeernormen van toepassing zijn. Daarbij maakt de gemeente onderscheid in onderstaande gebieden:
Het plangebied maakt deel uit van de bebouwde kom van Milsbeek.
Parkeerbehoefte
Er is op basis van het stedenbouwkundige (voorbeeld)plan in de beoogde ontwikkeling met 105 woningen, waarvan 37 sociale huurwoningen, sprake van de navolgende parkeerbehoefte:
In totaal bedraagt de parkeerbehoefte daarmee 197,1 afgerond 198 parkeerplaatsen
In het stedenbouwkundige (voorbeeld)plan zijn 146 openbare parkeerplaatsen opgenomen en daarnaast 52 parkeerplaatsen op eigen terrein (uitgaande van berekeningsaantallen). Per saldo wordt daarmee voorzien in 146 + 52 = 198 parkeerplaatsen en wordt aan de geldende parkeernorm voldaan.
De aspecten 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Waterschap Limburg
Bij plannen voor nieuwbouw of herstructurering in de gemeente en het opstellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Limburg. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in de beleidsnota ‘Wateradvies 2020’ Deze beleidsnota bevat uitgangspunten waaraan het omgevingsplan aan moet voldoen. Toetsing aan deze punten vindt hieronder plaats:
Gemeentelijk rioleringsplan Gennep 2020 - 2024
Op 11 september 2019 heeft de gemeente Gennep het Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 gepubliceerd. Het document beschrijft op hoofdlijnen hoe invulling wordt gegeven aan de rioleringszorg. Het betreft een visie en strategie voor de lange termijn. Voor nieuwbouwprojecten hanteert de gemeente het principe dat afvalwater en hemelwater gescheiden moeten worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. Hierbij heeft het vasthouden van hemelwater de voorkeur, maar het bergen van hemelwater op het terrein heeft de voorkeur boven het afvoeren van water. In nieuwe gebieden met een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel (apart riool voor de inzameling en afvoer van hemelwater) moet het hemelwater op het hemelwaterstelsel aangesloten zijn. Het hemelwater wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk geïnfiltreerd op eigen terrein. Hieraan stelt de gemeente onder andere de volgende eisen:
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater in de vorm van watergangen, waterplassen of regenwaterbuffers aanwezig. In de nieuwe situatie zal dit ook niet het geval zijn. De uitvoeringsregels uit de Waterschapsverordening van het waterschap ten aanzien van werkzaamheden in of langs oppervlaktewateren zijn dus niet van toepassing.
Waterkwaliteit
Uitlogende bouwmaterialen bij dakgoten, regenpijpen, dakbedekking, gevelbekleding vormen een belangrijke bron van verontreiniging van het oppervlaktewater en het grondwater, zeker omdat het verharde oppervlak wordt afgekoppeld en het regenwater in de bodem infiltreert. Bij de realisatie van het plan worden daarom niet-uitlogende bouwmaterialen toegepast.
Oppervlakteverharding
Er is met het plan sprake van een toename van extra oppervlakteverharding. Er is daarom een beknopte watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 11 bij de motivering gevoegd.
Er zijn binnen het plangebied voldoende mogelijkheden om het hemelwater te bergen. Er wordt uitgegaan van een duurzaam watersysteem dat afvloeit naar bijvoorbeeld een wadi. Er vindt bij voorkeur geen afvoer van hemelwater naar het riool plaats. Er is een uitgebreide watertoets in uitvoering, waarvan de resultaten uiterlijk tussen de ontwerpfase en de vaststellingsfase van dit TAM-omgevingsplan aan deze motivering worden toegevoegd.
Riolering
Voor nieuwbouwprojecten hanteert de gemeente het principe dat afvalwater en hemelwater gescheiden moeten worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. In nieuwe situaties is het uitgangspunt dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater wordt ingezameld, vastgehouden of afgevoerd. In nieuwe gebieden met een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel (apart riool voor de inzameling en afvoer van hemelwater) moet het hemelwater op het hemelwaterstelsel aangesloten zijn. Het hemelwater wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk geïnfiltreerd op eigen terrein.
Binnen het plangebied wordt het hemelwater gescheiden van het afvalwater, door middel van infiltratie op eigen terrein. Uitgangspunt is dat er gestreefd moet worden naar een gescheiden riolering.
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet moet dit aspect breed worden gemotiveerd.
Bij deze motivering moeten de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet (zoals duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu) breed worden gemotiveerd en toegelicht en aangegeven hoe de voor de beoogde ontwikkeling relevante aspecten zich verhouden tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet worden beargumenteerd dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem en zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd.
In het Bbl zijn enkele regels opgenomen die betrekking hebben op de rookgassen van verbrandingstoestellen (zie art. 4.138 Bbl). Het toepassingsbereik hiervan is beperkt tot de aanleg van verbrandingstoestellen en ook de oogmerken zijn beperkt. Over de aanleg van kachels en open haarden kan de gemeente in een omgevingsplan regels stellen over het gebruik van kachels en open haarden. Het oogmerk is dan het beschermen van de gezondheid van omwonenden (en van het milieu).
Een gezonde leefomgeving kan in een aanzienlijke mate bijdragen aan een goede volksgezondheid. De Omgevingswet vergroot de mogelijkheden om een gezonde leefomgeving integraal door te vertalen naar de gemeentelijke uitvoeringspraktijk. Beschikbaarheid en inrichting van aantrekkelijk ingerichte plekken dragen bij aan het verminderen van de kans op eenzaamheid en stressgerelateerde klachten en dragen bij aan de fysieke fitheid (stimuleren van voldoende beweging, minder ziekteverzuim), sociale cohesie (ontmoeting) en kwaliteit van leven (bereikbaarheid, leefbaarheid, zelfredzaamheid).
Gemeenten hebben veel invloed op de fysieke leefomgeving op het gebied van water, groen, maar ook de situering van voorzieningen voor sport- en speelbeleid. Zo kunnen gemeenten groen bevorderen en ruimte bieden voor voorzieningen in het groen gericht op sport en bewegen. Denk aan goede wandel-, hardloop-, fiets-, OV-, en skeelerroutes, maar ook het stimuleren van traplopen, buitenspelen, en een goede inrichting van voetpaden (met vlakke ondergrond) groener inrichten van (stenige) schoolpleinen, gezonde voeding, het zorgen voor schaduw en verkoeling door groenaanleg, en de aanleg van geveltuinen, postzegelparken, of moestuinen. Het bevorderen van recreatie in de openbare ruimte is hierin een belangrijk speerpunt.
Belangrijk is daarbij het verkeer 'gezond' te maken door gemotoriseerd vervoer te beperken of af te schermen, bijvoorbeeld met langzaam-verkeersroutes. Gezonde mobiliteit zorgt voor een betere milieukwaliteit, zoals een lagere geluidsbelasting, minder luchtverontreiniging (CO2-uitstoot) en hinder (lawaai, geur) en een betere verkeersveiligheid. Bedrijven die overlast geven, of veiligheids- en gezondheidsrisico's met zich meebrengen moeten juist beperkt of geconcentreerd worden. Ook een prettig en gezond binnenklimaat in gebouwen en woningen is voor iedereen belangrijk.
In een buurt waar wonen, werken en een gevarieerd aanbod van voorzieningen (op het gebied van zorg, winkelen, ontspanning, ontwikkeling) goed gemengd zijn, wordt meer bewogen omdat het aantrekkelijker is om lopend of met de fiets een locatie te bereiken. Goede functiemenging draagt bovendien bij aan levendigheid en het ontmoeten van buurtgenoten en versterkt daarmee de saamhorigheid en sociale cohesie in een wijk. Ook dienstverlenende en detailhandelsbedrijven kunnen de werkgelegenheid en levendigheid van een buurt vergroten.
Tenslotte sluiten levensloopgeschikte woningen aan op belangrijke maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Zo kan het met aangepaste regelgeving bijvoorbeeld gemakkelijker worden gemaakt om woningen aan te passen of een mantelzorgwoning toe te staan. Via regels voor de omgeving kunnen zaken als toegankelijkheid en voorzieningen worden geregeld.
Het voorliggende initiatief betreft een woningbouwplan met (grotendeels) levensloopgeschikte woningen, dat zelf geen schade veroorzaakt op het gebied van gezondheid. Verder ligt het plangebied op meer dan 2 km van de dichtstbijzijnde geitenhouderij. De meest nabij gelegen geitenhouderij is gelegen aan de Nijmeegseweg 43 in Gennep, op circa 2,8 km van het plangebied.
Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan daarmee gewaarborgd worden, zeker in relatie tot andere overwegingen zoals volkshuisvestelijke belangen. Er bestaat een grote behoefte aan de bouw van sociale en betaalbare huur- en koopwoningen en aan het belang om extra woningen te bouwen wordt veel gewicht toegekend.
Het aspect 'gezondheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de strategische milieubeoordeling (SMB-richtlijn), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Voor het bepalen of een plan eventueel m.e.r.-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-m.e.r.-beoordeling twee mogelijke resultaten:
Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen:
In bijlage V van het omgevingsbesluit zijn projecten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Hierin is de toetsing voor projecten waarvoor een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt opgenomen. Het ontwikkelen van een woonlocatie met 105 woningen voldoet aan de omschrijving onder kolom 1 onder J11: “Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”. Kolom 2 is in dit geval 'niet van toepassing' waarmee er geen sprake is van een m.e.r.-plicht. Op grond van kolom 3 is voor een wijziging van een omgevingsplan sprake van een plan-m.e.r.-plicht, tenzij aan voorwaarden wordt voldaan om te volstaan met een plan-m.e.r.-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en 5 Ow). Indien het project een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente bevat, of indien het een kleine wijziging van de regels van het omgevingsplan bevat - en er dus geen aanzienlijke milieugevolgen te verwachten zijn - kan volstaan worden met een plan-m.e.r.-beoordeling rekening houdend met de criteria van bijlage II van de SMB-richtlijn.
Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan gemeente Gennep en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau. De gemeenteraad is voor onderhavig TAM-omgevingsplan het bevoegd gezag. Op grond van het gestelde in Hoofdstuk 6 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent en kan worden volstaan met het uitvoeren van een beknopte 'm.e.r.-beoordeling'.
| Kenmerken van het plan | |
| Omvang van het project | J11: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Initiatief: het realiseren van 105 woningen op een oppervlakte van circa 3,5 ha. |
| Cumulatie met andere projecten | Er is geen sprake van cumulatie van milieueffecten met andere projecten |
| Gebruik natuurlijke hulpbronnen | Realisering van de voorgenomen activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. |
| Productie afvalstoffen | Zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Voor wat betreft de afvoer van huishoudelijk afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke resteffecten die aanleiding zouden geven tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure |
| Verontreiniging en hinder |
Bodem
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarde aangetoond. De signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering wordt niet overschreden. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of sanerende maatregelen wordt niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Geluid Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 39 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Milieuzonering Het plangebied ligt geheel buiten de gebruiksruimte van bedrijven in de omgeving. Luchtkwaliteit Het plan draagt niet in betekende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. De aanwezige achtergrondconcentraties inclusief toename van de voorgenomen activiteiten blijven ruimschoots onder de grenswaarden Omgevingsveiligheid Uit de uitgevoerde risico-inventarisatie is gebleken dat er in de directe omgeving geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen of risicovolle inrichtingen zijn. Waterhuishouding Er zijn binnen het plangebied voldoende mogelijkheden om het hemelwater te bergen. Er is een uitgebreide watertoets in uitvoering, waarvan de resultaten uiterlijk tussen de ontwerpfase en de vaststellingsfase van dit TAM-omgevingsplan aan deze motivering worden toegevoegd. Ecologie en natuur In de uitgevoerde quickscan Natuur is geconcludeerd dat er voor de bescherming van diersoorten ten behoeve van marterachtigen, grote vos, huismus en steenuil aanvullend onderzoek benodigd is om de aan- of afwezigheid van deze diersoorten vast te stellen. In de daarvoor geschikte perioden zal het aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Daarnaast is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit de projectberekeningen (verschilberekeningen) van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase afgezet tegen de referentiesituatie blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er voor de aanlegfase en gebruiksfase dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Archeologie Uit het archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek blijkt dat in het gehele plangebied sprake is van een hoge verwachting vanaf 20-55 cm -Mv. Het advies is om in het gebied een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, karterende/waarderende fase) uit te voeren. Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk die op voorhand door de bevoegde overheid, in deze de gemeente Gennep, moet worden goedgekeurd. |
| Risico voor ongevallen | De beoogde ontwikkeling van het gebied zorgt niet voor een toename van risico's in de omgeving. Er worden geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. |
| Plaats van de projecten | |
| Bestaand grondgebruik | Het plangebied bestaat uit agrarische gronden, deels in gebruik als volkstuin. Met de beoogde woningbouwontwikkeling komen zowel de agrarische functie als de volkstuinfunctie te vervallen. |
| Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied | Niet van toepassing |
| Opname vermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang. | - Wetlands: niet van toepassing - Kustgebieden: niet van toepassing - Berg- en bosgebieden: niet van toepassing - Reservaten en natuurparken: niet van toepassing - Habitat-/vogelrichtlijngebieden: niet van toepassing (zie ecologie en natuur) - Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid. Nee. - Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: niet van toepassing |
| Kenmerken van het potentiële effect | |
| Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) | Niet van toepassing |
| Grensoverschrijdend karakter | Niet van toepassing |
| Orde van grootte en complexiteit effect | Niet van toepassing |
| Waarschijnlijkheid effect | Niet van toepassing |
| Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect | Niet van toepassing |
Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade c.q. nadeelcompensatie is geregeld. Daarnaast worden er afspraken gemaakt over de benodigde aanpassingen in het openbaar gebied buiten het plangebied. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.
Het initiatief is zoals beschreven in hoofdstuk 4 middels participatie voorgelegd aan de omgeving. Met de participatie is voldaan aan de vereiste om participatie te voeren bij een wijziging omgevingsplan. Het initiatief is inhoudelijk een plan dat past binnen de gemeentelijke kaders en past op de locatie in de kern van Milsbeek. Het initiatief past binnen de woonvisie en woonagenda door de toevoeging van woningen voor zowel starters als senioren en de toevoeging van een substantieel deel aan sociale huurwoningen.
Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan de aspecten voor de fysieke leefomgeving en milieu waarin is geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan. Er is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Ook moeten alle regels in het omgevingsplan samen leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In hoofdstuk 6 zijn de aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu afgewogen waarin wordt beargumenteerd waarom het plan uitvoerbaar wordt geacht. Daarnaast wordt het plan ook maatschappelijk (participatie) en economisch (financieel) haalbaar geacht. Concluderend kan worden gesteld dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.