| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U Wethoudershof ong. Heijen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0907.TI22UWethoudhHEI-VA01 |
Aanleiding voor deze motivering is het planvoornemen om aan de Wethoudershof, binnen de bebouwde kom van Heijen, zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) te realiseren, inclusief ontsluiting, groenvoorzieningen en parkeerplaatsen. De zes woningen zullen worden gerealiseerd in twee blokken met drie woningen. Alle zes woningen worden aangeboden als levensloopbestendige sociale huurwoningen. Het betreft een afronding van de eerder gerealiseerde woningen aan de Wethoudershof, waardoor er een 'verbinding' ontstaat tussen de Hoofdstraat en Kasteelstraat. Deze 'verbinding' wordt gevormd door de aanleg van een voetpad voor de woningen in combinatie met de inrichting van de openbare ruimte met ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen. De bestaande jeu-de-boulesbaan tussen de bestaande en nieuwe woningen blijft behouden.
Het plangebied is in het geldende omgevingsplan niet voorzien van de functie ‘Wonen’ in combinatie met een bouwvlak. Hierdoor passen de beoogde woningen qua aantal, bouwvolume, woningtypologie en parkeervoorzieningen niet binnen de huidige planologische en juridische mogelijkheden.
Om de realisatie van het planvoornemen mogelijk te maken, dient het omgevingsplan van de gemeente Gennep voor het plangebied te worden gewijzigd. Het inrichtingsplan vormt daarbij het uitgangspunt voor het TAM-omgevingsplan.
Het plangebied bevindt zich aan de Wethoudershof te Heijen. Heijen is een dorpskern in de gemeente Gennep, gelegen in de Nederlandse provincie Limburg. Het plangebied ligt aan de westelijke zijde van Heijen, tussen de Hoofdstraat in het oosten en de Kasteelstraat in het westen. De Kasteelstraat maakt deel uit van een stratenstelsel ten westen van de Hoofdstraat, waarin ook de Wethoudershof is gelegen.
Het planvoornemen heeft betrekking op een deel van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Gennep, sectie G, nummer 939, met een totaal oppervlak van circa 3.068 m². Het plangebied heeft een oppervlak van circa 2.850 m².
Ligging plangebied in breder verband
Luchtfoto met kadastrale gegevens en de begrenzing van het plangebied (rood kader)
Na dit inleidende hoofdstuk is de opbouw van de voorliggende ruimtelijke motivering als volgt:
Het plangebied aan de Wethoudershof, bevindt zich in de westelijke helft van de bebouwde kern van het dorp Heijen. Heijen maakte voor de toevoeging aan Gennep in 1973, deel uit van de gemeente Bergen. De plaats ligt hemelsbreed 21 kilometer ten zuiden van Nijmegen en 16 kilometer ten noorden van Venray. Op 1 januari 2023 telde Heijen 2.520 inwoners.
Reeds omstreeks 500 v.Chr. was er sprake van bewoning op de Diekendaal. In 1682 werd, voor zover bekend, Diekendaal voor het eerst op een landkaart ingetekend. Heijen was een eigen heerlijkheid met een schepenbank. Het gebied maakte deel uit van het Hertogdom Kleef. Reeds in 1288 werd het Huis Heijen vermeld, in de nabijheid waarvan het dorp zich ontwikkelde.
Ligging plangebied ten opzichte van de kern Heijen
Heijen ligt aan de Maas op een hoogte van ongeveer 14 meter. Ten westen van Heijen ligt een uiterwaard, waar ook het Huis Heijen zich bevindt. Een Maasbocht is door het rechttrekken van de Maas verdwenen. Ten zuidoosten ligt nog een oude Maasarm, het Lange Ven. Ten noorden van Heijen ligt een industriehaven met bedrijventerrein. Ten oosten van Heijen ligt het Heijense Bos, een naaldbosgebied op rivierduin, wat aansluit op het bungalowpark Het Heijderbos.
Ten zuiden van Heijen loopt de Rijksweg 77 en ten zuiden daarvan ligt, op Heijens grondgebied, de buurtschap Diekendaal, eveneens met een camping en een bungalowpark.
Luchtfoto met zicht op de Wethoudershof
De directe omgeving (noord-, zuid- en westzijde) wordt gekenmerkt door woningen op ruime woonpercelen in twee bouwlagen met kap. Tussen de woningen liggen daarnaast nog enkele andere functies.
In 2018 is het bestemmingsplan ‘Kasteelstraat-Hoofdstraat Heijen’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan heeft ertoe geleid dat er ten westen van de Hoofdstraat in totaal 14 woningen met bijbehorende voorzieningen (ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen) mogelijk zijn gemaakt. Het plangebied maakt onderdeel uit van dit nieuwbouwproject.
In het genoemde plan is aangegeven dat het resterende deel van het perceel, tussen het inmiddels gerealiseerde wooncluster en de Kasteelstraat, in de toekomstige situatie een groene invulling krijgt. Voor dit deel waren destijds nog geen concrete plannen uitgewerkt. De bestemming aldaar is ‘Groen’. Dit deel betreft het plangebied waarop de voorliggende motivering betrekking heeft.
Het plangebied is in de huidige situatie, op enkele bomen na, nog niet voorzien van passende groene invulling. Inmiddels zijn er andere concrete plannen voor het plangebied, waardoor het perceel ter plaatse van de beoogde woningen braakliggend is.
De huidige Wethoudershof
Zicht op het plangebied vanaf de Kasteelstraat
Zoals hierboven omschreven heeft het plangebied in de huidige situatie voor het overgrote deel de functie ‘Groen’. Om de zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) ter plaatse mogelijk te maken, dient de functie te worden gewijzigd van 'Groen' naar 'Wonen'.
Omdat er voor het plangebied eerder nog geen concrete plannen waren uitgewerkt, is destijds besloten om het plangebied een groene invulling te geven. Gezien de woningnood is het de gemeente Gennep nu echter voornemens om op het onbebouwde terrein woningen te realiseren. Omdat het planvoornemen voor het plangebied in de afgelopen jaren is gewijzigd, is het plangebied nog niet ingericht met een passende groene invulling.
Met het planvoornemen wordt voorzien in zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) in twee blokken van drie woningen in 1 bouwlaag met kap. Alle zes de woningen worden aangeboden als levensloopbestendige sociale huurwoningen. Voor de woningen wordt een voetpad aangelegd voor de ontsluiting van de woningen. Tevens wordt de openbare ruimte aansluitend op de bestaande infrastructuur uitgebreid en ingericht met bijbehorende voorzieningen ten dienste van deze woningen, zoals ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen. De bestaande jeu-de-boulesbaan naast nummer 13-17 blijft behouden en wordt in het geheel ingepast.
Hieronder is een uitsnede opgenomen van het inrichtingsplan met de inrichting van de openbare ruimte (ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen). Een gedetailleerde versie is opgenomen als Bijlage 1 Inrichtingsplan met inrichting openbare ruimte.
Uitsnede inrichtingsplan met inrichting openbare ruimte
De woningen zullen levensloopbestendig worden gerealiseerd. De begane grond van de woningen bestaat uit een entree met toilet, een woonkamer/keuken en slaapkameer met aangrenzend een badkamer. In eerste instantie zijn de woningen bedoeld voor senioren, net als de bestaande woningen in de Wethoudershof. Het planvoornemen sluit hierbij aan bij het bestaande hofje.
Plattegrond begane grond woningen
Impressies woningen
De toekomstige woningen worden in oostelijke richting ontsloten, via de bestaande Wethoudershof die aansluit op de Hoofdstraat. Om de benodigde ontsluiting en parkeervoorzieningen in combinatie met groenvoorzieningen te realiseren, zal de bestaande parkeerplaats moeten worden aangepast. De parkeerplaatsen ten behoeve van de woningen vallen grotendeels binnen de bestaande verkeersfunctie. Wel is het nodig om de vormgeving aan te passen.
Voor wat betreft de parkeervoorzieningen worden in het inrichtingsplan voorzien in 17 parkeerplaatsen. Daar tegenover staat dat er 6 bestaande parkeerplaatsen verdwijnen. Per saldo neemt het aantal parkeerplaatsen met 11 parkeerplaatsen toe, terwijl op basis van de parkeernormen slechts 9 parkeerplaatsen nodig zijn (paragraaf 5.2.3). De twee extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd omdat de omwonenden tijdens de omgevingsdialoog hebben aangegeven dat het altijd erg vol is met parkeren. Met deze twee extra parkeerplaatsen wordt tegenmoet gekomen aan de wens van de omwonenden om de 'parkeerdruk' aan de Wethoudershof te verlagen.
Inrichting openbare ruimte met ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen
De planologisch-juridische situatie van het plangebied is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Gennep, dat in werking is getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke deel van het 'Omgevingsplan gemeente Gennep' komt ter plaatse van het plangebied voort uit het voorgaande bestemmingsplan 'Kasteelstraat-Hoofdstraat Heijen', vastgesteld op 29 januari 2018.
Op basis van het bestemmingsplan ‘Kasteelstraat-Hoofdstraat Heijen’ heeft het plangebied de functies ‘Groen’ en ‘Verkeer’. De groenfunctie is bedoeld voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting. Het gebruik van de grond voor parkeren wordt beschouwd als strijdig gebruik van de groenfunctie. De verkeersfunctie is daarentegen voornamelijk bedoeld voor parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, alsook voor verharde en onverharde wegen en straten met maximaal 2x1 rijstroken, wandel- en (brom)fietspaden, met een functie die voornamelijk gericht is op verblijf en de afwikkeling van het doorgaande verkeer.
Naast de hoofdfuncties is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Dit betekent dat het plangebied ook bedoeld is ter bescherming van eventueel archeologisch erfgoed.
Daarnaast zijn de paraplubestemmingsplannen 'Thematische herziening verbod kamerbewoning' (vastgesteld op 18 december 2023) en Paraplubestemmingsplan 'Parkeren Gemeente Gennep – digitaal' (vastgesteld op 4 juni 2018) van toepassing. Deze paraplubestemmingsplannen brengen verder geen specifieke belemmeringen met zich mee voor het plangebied.
In de huidige situatie is het plangebied nog onbebouwd en ingericht als groen, waardoor kamerbewoning niet aan de orde is. De toekomstige woningen bieden, gezien het beperkte oppervlak, geen mogelijkheid tot kamerbewoning. In paragraaf 5.2 wordt het planvoornemen getoetst aan het geldende parkeerbeleid.
Uitsnede (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (voormalig bestemmingsplan Kasteelstraat-Hoofdstraat Heijen) met situering van het plangebied ten behoeve van 6 woningen incl. voorzieningen (rode contour)
Hieronder zijn regels ten aanzien van de groen- en woonfunctie opgenomen die de bestaande gebruiks- en bouwmogelijkheden op basis van artikel 3 'Groen' en artikel 4 'Verkeer' en goed samenvatten.
Artikel 3 Groen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap.
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor parkeren.
Artikel 4 'Verkeer'
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
Het planvoornemen voorziet in het realiseren van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden), inclusief de benodigde ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen. Op basis van de bouwregels voor de functies ‘Verkeer’ en ‘Groen’ blijkt dat het realiseren van gebouwen in de vorm van woningen niet is toegestaan. Voor de functie ‘Groen’ geldt tevens dat de gronden niet mogen worden gebruikt voor parkeren. Het realiseren en gebruiken van de woningen voor de functie ‘Wonen’ is op basis van de bestaande functies met bijbehorende bouw- en gebruiksregels niet mogelijk. Ook de inrichting van de openbare ruimte in de vorm van ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen is op basis van de functie 'Groen' niet mogelijk.
Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, moet worden afgeweken van de geldende planologisch-juridische regeling. Het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied met de functies ‘Verkeer’ en ‘Groen’ zal daarom worden gewijzigd naar de gewenste situatie, waarbij sprake is van sociale reguliere huurwoningen in de vorm van twee blokken van drie woningen met de bijbehorende voorzieningen zoals ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen in combinatie met eventuele hemelwatervoorzieningen.
In de toekomst zal het plangebied bestaan uit de functies ‘Wonen’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’. De woonfunctie betreft het gebied ter plaatse van de woningen met tuinen, de groenfunctie betreft de groenvoorziening langs de Kasteelstraat aan de westelijke plangrens, en de verkeersfunctie betreft de paden, ontsluiting en parkeerplaatsen. Deze wijziging van het omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt door middel van een TAM-omgevingsplan.
‘TAM’ staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Met een TAM-omgevingsplan is het mogelijk om met de IMRO-standaard voor bestemmingsplannen en bijbehorende software het omgevingsplan te wijzigen.
Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is onderkend dat de planapplicaties voor het maken en publiceren van het omgevingsplan in combinatie met het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) vaak nog onvoldoende functioneren. Daarom is het TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt.
Dit TAM-omgevingsplan is dus opgesteld op basis van de IMRO-standaard voor bestemmingsplannen. Juridisch is het een wijziging van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan wordt een apart hoofdstuk (22N) van het tijdelijke omgevingsplan. Uiteindelijk zal het verwerkt worden in het definitieve omgevingsplan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.
De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Met de NOVI wordt vooral gestuurd op inbreiding in plaats van uitbreiding. Dit planvoornemen is in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, die beoogt woningen te realiseren binnen stedelijk gebied. Een belangrijk aspect van de NOVI is het creëren van prettige woonmilieus (prioriteit 3: 'Sterke en gezonde steden en regio's') en aandacht voor klimaatadaptatie (prioriteit 1).
Met dit planvoornemen worden 6 grondgebonden levensloopbestendige sociale huurwoningen, verdeeld over twee blokken van drie woningen, gerealiseerd in het bestaande bebouwde gebied van de Heijen. De woningbouwontwikkeling sluit aan bij de bestaande woningen aan de Wethoudershof. Door de realisatie van het plan en de verdere invulling van de openbare ruimte (ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen) ontstaat er een afgerond en samenhangend geheel.
Doordat de woningen stedenbouwkundig worden ingepast, doen de zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) geen afbreuk aan de bestaande identiteit van de buurt. De woningen zullen hierdoor passend zijn in relatie tot de omgeving en binnen de ruimtelijke structuur van Heijen.
Door de centrale ligging van de woningen wordt een sociaal netwerk geboden en bevinden voorzieningen zich op korte afstand. Naast het feit dat de woningen voorzien in de woningbehoefte, dragen ze ook bij aan een prettig woonmilieu voor de toekomstige bewoners door de daadwerkelijke invulling van het plangebied en de afronding van de woonwijk ter plaatse van de Wethoudershof.
Gezien de grote woningbehoefte, en met name de vraag naar levensloopbestendige sociale huurwoningen in de regio Gennep, is er sprake van duurzame groei. Het planvoornemen speelt in op deze vraag en zal de doorstroming op de woningmarkt bevorderen. De woningen zullen bovendien klimaatbestendig worden gerealiseerd, met aandacht voor een duurzame energievoorziening. Dit draagt bij aan een duurzame ontwikkeling op de lange termijn.
Conclusie
Samenvattend kan worden gesteld dat het planvoornemen wenselijk is. Er zijn geen rijksbelangen in het geding, waardoor er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan:
Toetsing
Voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan zijn de onderstaande categorieën van toepassing:
Omgevingsbesluit
In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor het Omgevingsbesluit is er in dit geval sprake van het volgende:
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Voor het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) betreft dit:
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Voor het Besluit activiteiten leefomgeving (Bkl) betreft dit:
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Voor het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) betreft dit:
In Hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving behandeld. Aan de hand van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving wordt aangetoond dat er wordt voldaan aan de sectorale aspecten die voortvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Voor zover de instructieregels relevant zijn voor het voorliggend planvoornemen, worden deze regels in Hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld. Uit deze toets blijkt dat het planvoornemen past binnen de kaders uit deze AMvB's.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De Ladder voor duurzame stedelijk ontwikkeling is opgenomen als een instructieregel voor het omgevingsplan, specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, van kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een wijziging van het omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.
Het beoogde en huidige planologische regime moeten bij toepassing van de Ladder met elkaar vergeleken worden. De kwantitatieve én kwalitatieve behoefte van het planvoornemen moet worden bepaald op het niveau van het verzorgingsgebied van het planvoornemen.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Binnen het plangebied is er sprake van een nieuwe ontwikkeling in de vorm van de realisatie van zes nieuwe wooneenheden. Doordat er sprake is van de toevoeging van slechts zes extra woningen, wordt de drempelwaarde van 12 woningen bij woningbouw niet overschreden. Om deze reden is er geen sprake van een ladderplichtig planvoornemen in de context van de ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling. De marktvraag en behoefte hoeven hierdoor niet te worden onderbouwd. Verdere toetsing aan de ladder voor stedelijke ontwikkeling is niet noodzakelijk.
Op basis van bovenstaande beoordelingen kan er worden geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen in lijn is met het Rijksbeleid en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie van de provincie Limburg vastgesteld. De omgevingsvisie Limburg op 25 oktober 2021 in werking getreden.
De omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de omgevingsvisie meegenomen. In de omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, wonen, werklocaties, agrarische bedrijven).
Bovengenoemde onderwerpen worden verdeeld in een drietal hoofdopgaven.
De omgevingsvisie is geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kunnen nog keuzes worden gemaakt. Daarbij kiest de provincie Limburg voor maatwerk en dient er rekening gehouden te worden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Als er afwegingen gemaakt moeten worden, worden deze gemaakt op basis van onderstaande Limburgse principes:
Toetsing
Met het planvoornemen wordt bijgedragen aan de eerste hoofdopgave: het creëren van een aantrekkelijke, sociale en veilige samenleving. Door de realisatie van zes levensloopbestendige sociale huurwonigen (grondgebonden), wordt hieraan bijgedragen, doordat er een nieuwe, aantrekkelijke en veilige woonlocatie wordt gecreëerd die aansluit op de eerdere woningbouwontwikkeling aan de Wethoudershof en past in de bestaande ruimtelijke structuur. In eerste instantie zijn de woningen beoogd voor senioren net als de bestaande woningen aan de Wethoudershof. Het planvoornemen sluit hierbij aan bij het bestaande hofje.
Doordat de woningen aansluiten bij de bestaande woningen aan de Wethoudershof, wordt de identiteit van het gebied gerespecteerd en versterkt. De woningbouw sluit aan op de overwegende woonfuncties in de directe omgving van het plangebied, waardoor er met het planvoornemen een afgerond geheel van de kern van Heijen ontstaat. Daarnaast wordt de uitstraling van de bestaande Wethoudershof verbeterd door het inrichten van de openbare ruimte.
Bovendien zijn de procesmatige uitgangspunten van 'maatschappelijke opgaven', 'gebiedsgericht werken' en 'adaptief werken aan opgaven' van toepassing. Door de bouw van bijna energieneutrale woningen, welke voldoen aan de meest recente eisen op het gebied van woningbouw en duurzaamheid, met duurzame waterberging en ruimte voor klimaatadaptatie, worden er toekomstbestendige woningen gecreëerd.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de Omgevingsvisie.
Noord-, Midden- en Zuid-Limburg hebben daarnaast elk een eigen regiovisie samengesteld binnen de Omgevingsvisie Limburg. In de afzonderlijk Regiovisies wordt het regioprofiel geschetst, een toekomstbeeld voor 2030-2050 gegeven en ingegaan op specifieke, regio gebonden uitdagingen en opgaven per thema.
Uitsnede Omgevingsvisie Limburg - Regio Noord-Limburg
Het plangebied is op basis van de regiokaart aangeduid als landelijke kern. Wat Heijen verder kenmerkt is de aanduding in de vorm van een anker, wat staat voor 'havens en bargeterminal. Door Heijen loopt tevens de N271, aangeduid als 'toeristisch-recreatieve assen'. Ten noorden van Heijen ligt Gennep, aangeduid met een rode stip. Deze rode stip staat voor een 'grotere kern met regiofunctie'.
Aan de oostkant Heijen bevindt zich het gebied aangeduid als 'landelijk gebied ' en 'oostflank'. Tevens is hier een tractorsymbool opgenomen, dat staat voor 'agrofood'. Met 'oostflank' wordt het groene bosrijke gebied aan de oostgrens van Limburg bedoeld. Ten westen van Heijen bevindt zich de aanduding 'vervoer over water', hier stroomt rivier de Maas. Ten zuiden van de snelweg A77, ten zuiden van Heijen, bevindt zich het gebied aangeduid als 'Maas en Maasvallei'. Op basis van deze weergave kan worden geconcludeerd dat Heijen wordt omgeven door diverse kernkwaliteiten, waardoor het een veelzijdige en karakteristieke plaats vormt binnen de regio.
De regiovisie beschrijft onder andere het huidige profiel van de regio, welke van belang is om in de toekomst in stand te houden. De maasduingemeenten Gennep en Nieuw Bergen worden eveneens benoemd. Deze sluiten aan bij de op (be)leefkwaliteit gerichte Noord-Zuid-as. De focus ligt hier op het unieke, natuurlijke karakter van het gebied en op wonen en recreëren.
Daarnaast zijn er verschillende uitdagingen en opgaven opgesteld in de vorm van vijf pijlers:
De betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Voor sommige doelgroepen nemen kansen op de woningmarkt steeds meer af. Dit komt door stijgende huurprijzen en hoge inkomenseisen, lossere arbeidsrelaties, passend toewijzen, hogere studieschulden, strengere hypotheekeisen en weinig doorstroming. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woonconcepten.
Met betrekking tot de pijler 'Vitale en gezonde bewoners en hun leefomgeving' wordt ook ingegaan op de transformatie van de woningvoorraad. Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig én verduurzaamd worden. Getalsmatig zijn er voldoende woningen en liggen er meer dan genoeg plannen klaar. Kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen.
Hierbij is speciale aandacht nodig voor het toenemend aantal senioren, bijzondere doelgroepen (waaronder woonurgenten en internationale werknemers), verduurzaming en de beschikbaarheid van betaalbare woningen. Daarbij kiest de gemeente primair voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkt voor uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen.
Om Noord-Limburg te beschermen tegen overstromingen, wateroverlast en droogte en om te zorgen voor een ecosysteem in balans, zet de regio in op een robuust en toekomstgericht watersysteem. Daarnaast speelt de energietransitie een belangrijke rol in de regiovisie.
Toetsing
Met het planvoornemen wordt een woningbouwontwikkeling van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) gerealiseerd, ter plaatse van een onbebouwd perceel binnen de bebouwde kern van Heijen.
Deze woningen worden aangeboden als sociale huurwoninen en zijn in eerste instantie bedoeld voor senioren. De woningen zouden echter ook kunnen dienen voor starters en 1-2 persoonshuishoudens. De woningen worden binnen de bestaande kern gerealiseerd, waardoor er sprake is van inbreiding. De woningvoorraad van Heijen wordt door de realisatie van deze kleinschalige sociale huurwoningen uitgebreid met woningen die aansluiten bij de concrete vraag.
Doordat hemelwater bij het planvoornemen wordt afgekoppeld en aangesloten op het aanwezige infiltratieriool van de gemeente, wordt de waterrobuustheid van de omgeving geborgd. Daarnaast worden de woningen energieneutraal en gasloos gerealiseerd, waardoor het planvoornemen aansluit bij de ambities van de energietransitie.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de Regiovisie Noord-Limburg die onderdeel uitmaakt van de Omgevingsvisie Limburg.
Wanneer de provincie vindt dat bindende regels noodzakelijk zijn voor de uitvoering van specifieke beleidsaspecten uit de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, worden deze vastgelegd in de omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben de nieuwe omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022.
De omgevingsverordening omvat alle provinciale regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Deze regels zijn direct van toepassing op alle inwoners, bedrijven en specifieke doelgroepen in de provincie. Deze regels geven aan welke voorwaarden er zijn voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten.
In de omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
Bij de verordening horen een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de omgevingsverordening van toepassing zijn.
Toetsing
Uitsnede Omgevingsverordening Limburg met ligging in de landelijke kern
Het plangebied ligt op basis van de kaarten behorend bij de Omgevingsverordening Limburg, die raadpleegbaar zijn via 'Regels op de kaart', in een zone die is aangemerkt als 'landelijke kernen (rood)'.
Daarnaast geldt ter plaatse van het plangebied ook de aanduiding 'overstromingskansgebied E (1:100 jaar)'. Daarnaast zijn de regels uit de paragrafen 'wonen' en 'klimaatadaptatie' van belang voor het planvoornemen.
Doordat sprake is van het toevoegen van woningen (6 stuks) zijn de instructieregels van wonen het zwaarstwegend. In paragraaf 12.1.1. 'Wonen' zijn onder artikel 12.1.1. instructieregels voor nieuwe planvoorraad wonen opgenomen.
De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:
In paragraaf 4.2.1 is getoetst aan de hoofdstukken uit de provinciale omgevingsvisie. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) aan de Wethoudershof te Heijen. De zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) sluiten volledig aan bij de huidige marktvraag voor senioren, starters en 1-2 persoonshuishoudens. Het planvoornemen sluit aan bij de bestaande woningen aan de Wethoudershof en zorgt voor een afronding van het hofje.
Aangezien het slechts om zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) gaat die aansluiten bij de bestaande woningen aan de Wethoudershof, is het planvoornemen passend in de omgeving en het straatbeeld. Doordat parkeren volledig binnen het plangebied wordt opgelost en twee extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd, heeft het planvoornemen een positief effect op de parkeerdruk in de omgeving.
De nieuwe woningen voorzien in de regionale woonbehoefte. Met het planvoornemen worden zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) toegevoegd aan de woningvoorraad. Deze woningen zijn met name geschikt en beoogd voor senioren, maar ook voor starters en 1-2 persoonshuishoudens. Door het planvoornemen komt een kleine verschuiving op de woningmarkt tot stand. De zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) hoeven niet regionaal afgestemd te worden. Limburgse gemeenten dienen woningen vanaf een aantal van 10 woning regionaal af te stemmen. Wel worden de woningen opgenomen in de plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg. Ter motivering van sub e, geldt dat de woningen binnen 5 jaar na de vergunningverlening zullen worden gerealiseerd.
In de navolgende motivering, wordt het initiatief verder getoetst aan de regels in de omgevingsverordening voor het realiseren van nieuwe woningen. In paragraaf 4.2.1 en 4.4.1 wordt aangetoond dat het planvoornemen aansluit bij de provinciale en gemeentelijke visies. In Hoofdstuk 5 wordt het planvoornemen getoetst aan de overige regels uit de omgevingsverordening.
In paragraaf 3.2.3. worden onder artikel 3.5 regels genoemd met betrekking tot klimaatadaptatie.
Er dient een beschrijving van de risico's op het gebied van wateroverlast, overstroming en droogte aanwezig te zijn. Dit wordt nader gemotiveerd in paragraaf 5.11. Het plangebied is gelegen in een gebied met een laag klimaatrisico, zie hiertoe paragraaf 5.12.2. De omgeving biedt voldoende verkoeling. In het planvoornemen is daarnaast aandacht besteed aan een goede isolatie en schaduwwerking om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Daarnaast is de overstromingskans van het plangebied zeer klein.
De plangebied is gelegen in 'Overstromingskansgebied E (1:100 jaar)'. Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde.
Met betrekking tot het planvoornemen zal het aspect wateroverlast behandeld worden in paragraaf 5.11.
Conclusie
Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de provinciale omgevingsverordening Limburg. Het planvoornemen is passend binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie en er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regionale woondeals zijn regionale uitwerkingen van de Nationale Woon- en Bouwagenda. Hierin staan de oorzaken van de wooncrisis en de doelstellingen en de aanpak voor de komende jaren. Het beleid is erop gericht om het woningtekort op te lossen door 900.000 goede nieuwe woningen te bouwen tot 2030.
In maart 2023 hebben zowel minister Hugo de Jonge, de Provincie en gemeente, als een aantal woningcorporaties en het Waterschap Limburg hun handtekening onder de Woondeal Limburg gezet. In de Woondeal staat dat er in Limburg 26.550 woningen bij komen, waarvan het grootste deel in de sociale huur, de middenhuur en de betaalbare koop. In nauwe samenwerking gaan verschillende partijen aan de slag om deze Woondeal te realiseren.
In de Woondeal is aangegven dat nieuwe woningbouwplannen dienen te voorzien in 2/3 betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huur. Iedere gemeente neemt hierin haar eigen verantwoordelijkheid. Met deze aanpak moeten dorpen en steden in Limburg leefbaar worden gehouden.
Gennep / Heijen
Noord-Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 5.239 woningen, waarvan 2.654 (51%) in het betaalbare segment. Voor de gemeente Gennep is er in de Woondeal aangegeven dat er tot 2025 in totaal 390 woningen dienen te worden gerealiseerd.
In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijze dat minimaal 2/3 betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen. De programmering van de tweede termijn (2025 – 2030) is structureel onderwerp van gesprek op de regionale woontafel.
De woningbouwopgaven en -kansen worden voor de tweede termijn (2025 – 2030) nog nader geduid voor de regio Noord-Limburg middels een op te stellen ‘Toekomstvisie wonen Noord-Limburg’.
Toetsing
Met het planvoornemen worden zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) toegevoegd aan de kern Heijen. Om ervoor te zorgen dat senioren zo lang mogelijk prettig en gezond thuis kunnen blijven wonen, zijn er voldoende geschikte woningen voor senioren nodig. De woningen zullen om deze reden levensloopbestendig worden gerealiseerd. In eerste instantie zijn de woningen daarnaast beoogd voor senioren net als de bestaande woningen de Wethoudershof. Het planvoornemen sluit hierbij aan bij het bestaande hofje. Alle zes woningen worden aangeboden als levensloopbestendige sociale huurwoning (grondgebonden).
Het planvoornemen doelt naast de senioren op aandachtsgroepen van de Woondeal Limburg (starters, 1-2 persoonshuishoudens) die behoren tot de categorie sociale huur.
Voor kleine woningbouwontwikkeling tot tien woningen geldt dat deze niet regionaal afgestemd dienen te worden. Wel geldt voor het planvoornemen dat de woning reeds zijn opgenomen in de plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg. Naast dat het planvoornemen bijdraagt aan de planvoorraad, is het streven om energieneutrale en duurzame woningen te realiseren.
Conclusie
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen aansluit op de Woondeal Limburg en hieraan een goede bijdrage levert.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden alle regels die het waterschap binnen haar beheergebied stelt over de fysieke leefomgeving, opgenomen in de Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening is de opvolger van de Keur. De Keur is een verordening met de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende gemalen, stuwen, sluizen, enz.
In de Waterschapsverordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in het werkgebied van Waterschap Limburg. Met deze regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden in de provincie Limburg. Bepaalde activiteiten bij het water of een dijk mogen bijvoorbeeld alleen worden uitgevoerd wanneer een melding wordt gedaan of wanneer het watschap hiervoor een vergunning heeft verleend.
De Waterschapsverordening bevat een verbod op het lozen in een oppervlaktewater zonder vergunning of vrijstelling. Denk hierbij aan activiteiten die niet plaatsgebonden zijn, activiteiten die kortdurend zijn of activiteiten waarbij geen sprake is van bedrijvigheid. Bijvoorbeeld:
Een vergunning wordt verleend door het waterschap en moet worden aangevraagd via de aanvraagmodule van het Omgevingsloket.
Toetsing
Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen belangen van het waterschap aanwezig in de vorm van watergangen of waterkeringen. Bij het voorliggende planvoornemen wordt geen hemelwater of afvalwater op oppervlaktewater geloosd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar het bestaande rioolstelsel onder de aangrenzende wegen. Het hemelwater van de woningen zal worden afgekoppeld van het rioolstelsel en op dezelfde wijze afgevoerd worden als de overige woningen aan de Wethoudershof, namelijk door de nieuwe woningen aan te sluiten op het aanwezige infiltratieriool van de gemeente.
Het planvoornemen heeft daarnaast geen betrekking op het onttrekken van oppervlaktewater of grondwater, noch op het uitvoeren van activiteiten in een 'beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk'.
Conclusie
Het planvoornemen is hiermee in lijn met de Waterschapsverordening Limburg.
Op 23 september 2019 is de omgevingsvisie van Gennep 'Samen maken we Gennep’ door de gemeenteraad vastgesteld. De samenleving is volop in beweging. Denk aan de klimaatverandering en de overgang naar duurzame energie, de toenemende technologisering en digitalisering, veranderingen in de bevolkingsopbouw en schaalvergroting in de landbouw. Allemaal ontwikkelingen die invloed hebben op het dagelijks leven. Ook de maatschappelijke verhoudingen veranderen, net als de rol van de overheid. Inwoners en bedrijven nemen steeds meer zelf het initiatief om vraagstukken op te pakken. De gemeente stimuleert en faciliteert steeds meer. Dit sluit aan bij de Omgevingswet.
Met de slogan ‘Samen maken we Gennep’ stelden de gemeente en inwoners een integrale omgevingsvisie op, die de nadruk legt op ‘samen’.
In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente Gennep wat haar visie op de fysieke leefomgeving is voor de komende 10 tot 15 jaar. De gemeente kan daarbij niet zonder de inbreng van en samenwerking met haar inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners.
Voor de omgevingsvisie zijn vier speerpunten opgenomen, namelijk:
Deelgebied 'Kernen' en de kern Heijen
In de omgevingsvisie maakt het plangebied onderdeel uit van het deelgebied 'Kernen'. In Gennep liggen vijf kernen: de 'stad' Gennep en de dorpen Heijen, Milsbeek, Ottersum en Ven-Zelderheide. Daarnaast zijn er nog enkele buurtschappen aanwezig, namelijk De Looi, Aaldonk, Zelder, Smele en Hekkens. De stad 'Gennep' vormt een cultuurhistorische parel en speelt een centrale rol in het voorzieningenniveau van de gemeente Gennep. Voor de dorpen staan de kleinschaligheid en de actieve gemeenschap centraal. Tussen de kernen bestaan verschillen in ruimtelijke kwaliteit en karakter, maar de kernen kennen allemaal een grote saamhorigheid. Uit de kernkwaliteiten blijkt deze diversiteit én de grote gemeenschapszin.
Voor Heijen worden de volgend kernkwaliteiten genoemd:
Heijen heeft een dorps karakter. Er is een grote saamhorigheid, zonder dat het gesloten aanvoelt. De inwoners zijn voornamelijk van lokale herkomst.
Kansen en ambities die gerealiseerd kunnen worden, en opgaven die benoemd kunnen worden, zijn onder andere:
Toetsing
Met het planvoornemen worden zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) voor voornamelijk senioren gerealiseerd. Het gaat om kleine zelfstandige woningen. Doordat de woningen aansluiten op de bestaande bebouwingsstructuur aan de Wethoudershof, wordt de bestaande ruimtelijke structuur gerespecteerd. De Wethoudershof betreft een doodlopend hofje, waar met name bestemmingsverkeer komt.
Het plangebied ligt op basis van de omgevingsvisie niet in het historische stratenpatroon met historische lintbebouwing. De cultuurhistorische waarden worden door het planvoornemen dan ook niet aangetast. Bovendien wordt de stratenstructuur met het planvoornemen niet aangepast. Wel vindt een afronding van de openbare ruimte als onderdeel van het planvoornemen ter plaatse plaats. In de omgeving van het plangebied is geen cultuurhistorische bebouwing aanwezig, waardoor het planvoornemen hieraan geen afbreuk doet. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 5.4.
Doordat het planvoornemen in het bebouwde gebied van de kern Heijen wordt gerealiseerd, kunnen de toekomstige bewoners optimaal gebruikmaken van de commerciële en maatschappelijke voorzieningen. De aanwezigheid hiervan heeft een positief effect voor de bewoners. Door de realisatie van de zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) wordt daarnaast het draagvlak voor de voorzieningen binnen de kern Heijen vergroot.
Het planvoornemen sluit het beste aan bij het eerste punt genoemd onder de kansen en ambities. Met het planvoornemen worden vraag en aanbod van woningen kwalitatief en kwantitatief optimaal op elkaar afgestemd. Dit komt met name doordat de woningen als levensloopbestendige sociale huurwoningen worden aangeboden. Doordat de woningen vallen onder sociale huur, kunnen ze als betaalbaar worden beschouwd. Daarnaast zijn de woningen in eerste instantie bedoeld voor senioren. Doordat senioren kleiner gaan wonen komt een doorstroom op de woningmarkt op gang, wat wederom kansen biedt voor starters, alleenstaanden of een- à tweepersoonshuishoudens.
Uitsnede Omgevingsvisie Gennep - Kenmerken van het deelgebied 'Kernen'
Conclusie
Het planvoornemen past dan ook binnen de ruimtelijke ambities van de gemeente zoals omschreven in de Omgevingsvisie Gennep.
Gemeenten moeten ervoor zorgen dat bij een nieuw planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De gemeente mag een wijziging van het omgevingpslan alleen uitvoeren met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ gaat het om het vinden van een balans tussen ‘beschermen en benutten’. Onder ‘functie’ kan worden verstaan het gebruiksdoel of de status (bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.
Het gaat bij een wijziging van het omgevingsplan immers niet meer uitsluitend over een goede ruimtelijke ordening, maar over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit brengt een bredere kijk op de leefomgeving met zich mee, onder meer vanuit het oogpunt van milieu, duurzaamheid en gezondheid. De ruimtelijke onderbouwing wordt zodoende opgevolgd door een 'onderbouwing van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Vaak wordt de term Goede Onderbouwing Fysieke Leefomgeving (GOFLO) hiervoor gebruikt.
In de GOFLO kunnen de volgende onderwerpen aan de orde komen:
De relevante onderwerpen komen hieronder aan bod, om aan te tonen dat er sprake is van een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk zal elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd worden.
In het kader van de wijziging van het omgevingsplan dient aangetoond te worden dat het planvoornemen niet leidt tot ongewenste situaties op het gebied van verkeer en parkeren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten verkeer- en parkeeraspecten in kaart worden gebracht. Hierbij zijn de verkeersgeneratie, verkeersveiligheid, ontsluiting en parkeerbehoefte van belang.
Voor verkeer en parkeren zijn er echter geen omgevingswaarden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Gemeenten hebben de mogelijkheid om gemeentelijke verkeers- en vervoersplannen en parkeerbeleid te vertalen in een gemeentelijk omgevingsplan. Hiervoor moeten zij zelf invulling geven aan de omgevingswaarden, conform artikel 2.9 van de Wet.
In de Nota Parkeernormen 2024 van de gemeente Gennep wordt niet ingegaan op de verkeercijfers. Om de effecten van het planvoornemen op de verkeersgeneratie te beoordelen, is op basis van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROW-publicatie Verkeerscijfers 2024 de verkeersgeneratie van de toe te voegen woningen bepaald.
Het plangebied bevindt zich op basis van de Parkeernota in het 'bebouwde gebied' en is aangemerkt als ‘weinig stedelijk’.
Voor de woningen is aangesloten bij de categorie 'huurwoning, sociale huur'. Hiervoor bedraagt de maximale verkeersgeneratie 5,2 verkeersbewegingen per woning.
In de huidige situatie is het plangebied nog niet bebouwd. Door het planvoornemen zal de verkeersgeneratie op de Wethoudershof en omliggende wegen toenemen met maximaal 31,2 verkeersbewegingen (6 woningen x 5,2 verkeersbewegingen) per etmaal. Gezien de beperkte toename zal het verdeeld over de dag, het gaan om slechts enkele verkeersbewegingen per uur. De toekomstige verkeersbewegingen zullen opgaan in het dagelijkse verkeer van de aangrenzende wegen.
Een geringe verkeerstoename als gevolg van het planvoornemen zal ook in de toekomst naar verwachting geen probleem vormen. De aangrenzende Hoofdstraat heeft gezien de functie als gebiedsontsluitingsweg nog voldoende capaciteit om deze (beperkte) toename aan verkeersbewegingen te kunnen opvangen.
De omliggende wegen bieden voldoende capaciteit om de toekomstige verkeersbewegingen op een veilige manier op te vangen. Het planvoornemen zal derhalve niet leiden tot verkeershinder.
Daarnaast brengt het planvoornemen geen significante wijzigingen in de verkeerssituatie met zich mee. De openbare ruimte van de Wethoudershof wordt verder uitgebreid en afgerond. De nieuwe woningen zullen, net als de bestaande woningen aan de Wethoudershof, worden ontsloten via de inrit aan de Hoofdstraat.
De inrit naar de Wethoudershof is in de huidige situatie al breed en overzichtelijk vormgegeven. Hieronder is de toegang vanaf de Hoofdstraat tot de Wethoudershof in de huidige situatie te zien. Doordat er zich op de kruising met de Nieuwwijkstraat een verkeersdrempel bevindt, is ter hoogte van de inrit sprake van langzaam rijdend verkeer. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.
Situering bestaande ontsluiting plangebied
Met het planvoornemen wordt dus geen nieuwe en onbekende verkeerssituatie gerealiseerd, aangezien de vormgeving aansluit op de openbare ruimte van de bestaande Wethoudershof. Op deze wijze is het voor de bewoners en bezoekers duidelijk waar de parkeerplaatsen zich bevinden en zal er geen verwarring ontstaan en auto's op de daarvoor voorziene plaatsen parkeren. Doordat een overzichtelijke situatie op straat gehandhaafd blijft, blijft de verkeersveiligheid geborgd.
Het aspect ‘Verkeer’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Binnen de gemeente Gennep gelden verschillende beleidsstukken die betrekking hebben op parkeren. De belangrijkste aandachtspunten worden hieronder besproken in relatie tot de betreffende beleidsstukken.
De parkeervisie Gennep is vastgesteld op 15 april 2024. Het basisprincipe van deze visie luidt 'de juiste parkeerder op de juiste plek'.
Er wordt gekozen voor een vraagvolgend parkeerbeleid. Vraagvolgend parkeerbeleid betekent dat er gezorgd wordt voor parkeerplaatsen op die plekken waar er behoefte aan is én waar er mogelijkheden zijn om deze te maken. Dit is vooral van toepassing op het centrumgebied van Gennep, waarvoor een parkeerdrukonderzoek is uitgevoerd. Voor het buitengebied geldt dat vraag naar parkeerplekken een stuk lager ligt.
Parkeren dient in eerste instantie op eigen terrein opgelost te worden. Daarnaast moet het mogelijk zijn om bestaande autoparkeerplaatsen te benutten voor de parkeervraag van nieuwe woningen en voorzieningen.
Toetsing
De benodige parkeerplaatsen voor het planvoornemen worden binnen het plangebied gesitueerd. Het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt bepaald op basis van de geldende plaatselijke parkeernormen.
De parkeerplaatsen worden binnen de verkeersfunctie op een centrale parkeerplaats ten zuiden van de woningen worden gerealiseerd. Hiertoe wordt de bestaande openbare ruimte met parkeerplaatsen aan de Wethoudershof in westelijke richting uitgebreid. De parkeerplaats aan de Wethoudershof is te bereiken via de bestaande inrit aan de Hoofdstraat. In totaal voorziet het planvoornemen in 11 extra parkeerplaatsen (17 nieuwe parkeerplaatsen minus 6 bestaande parkeerplaatsen).
In deze Nota Parkeernormen is vastgelegd hoe binnen de gemeente Gennep wordt omgegaan met parkeren bij bouwontwikkelingen: het bouwen, vernieuwen, veranderen of vergroten van een gebouw. Dan gaat het om de parkeernormen zelf, maar ook om hoe deze worden toegepast. In 2024 is de gedateerde parkeernota uit 2016 vervangen. Met een actualisatie van de ‘Gennepse’ Nota Parkeernormen wil de gemeente het volgende bereiken:
Bij het toepassen van de parkeernormen is het uitgangspunt dat er niet minder parkeerplaatsen voor auto en fiets gerealiseerd mogen worden dan de parkeernormen aangeven. De parkeernormen zijn dus bepalend voor het minimaal aantal te realiseren parkeerplaatsen ten behoeve van het planvoornemen. Er mogen wel meer fiets- en autoparkeerplaatsen worden aangelegd dan er volgens de parkeernormen nodig zijn.
Planspecifieke beoordeling
De stedelijkheidsgraad van een gemeente heeft invloed op het autobezit en -gebruik. De mate van stedelijkheid wordt uitgedrukt in het aantal adressen per vierkante kilometer. In Gennep zijn dat er ruim 600 per vierkante kilometer. Daarom is voor de bepaling van de parkeernormen uitgegaan van de categorie ‘weinig stedelijk’. Het plangebied ligt bovendien binnen het ‘bebouwde gebied’. Bij de functie wonen bestaat de parkeernorm uit een deel voor bewoners en een deel voor bezoekers. Het aandeel bezoekersparkeerplaatsen in de bebouwde kom en het centrum bedraagt 0,2 per woning.
Parkeernormen gebaseerd op CROW-functie Huis, huis, sociale huur
Met het planvoornemen worden zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) gerealiseerd. Voor het planvoornemen wordt aangesloten bij de categorie 'Woning sociale huur'. Het vereiste aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd op basis van de parkeernota.
Voor de sociale huurwoningen dienen 1,5 parkeerplaatsen per woning te worden voorzien, bestaande uit 1,3 parkeerplaatsen voor de bewoners en een bezoekersaandeel van 0,2.
| Aantal | Categorie | Bewoners | Bezoekeers | Parkeernorm | |
| 6 | Sociale huur | 1,3 | 0,2 | 1,5 | |
| Totaal | 7,8 | 1,2 | 9,0 | ||
Tabel aantal parkeerplaatsen
Het planvoornemen voorziet in de openbare ruimte in nieuwe 17 parkeerplaatsen. Daar tegenover staat dat er 6 bestaande parkeerplaatsen verdwijnen. Per saldo neemt het aantal parkeerplaatsen met 11 parkeerplaatsen toe, terwijl op basis van de parkeernormen slechts 9 parkeerplaatsen nodig zijn. De twee extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd omdat de omwonenden tijdens de omgevingsdialoog hebben aangegeven dat het altijd erg vol is met parkeren. Met deze twee extra parkeerplaatsen wordt tegenmoet gekomen aan de wens van de omwonenden om de 'parkeerdruk' aan de Wethoudershof te verlagen.
Hiermee voldoet het planvoornemen aan de parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen.
Met het planvoornemen worden ten behoeve van de woningen per saldo 11 parkeerplaatsen gerealiseerd in de openbare ruimte. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de Parkeernota Gennep 2024. Het aspect 'Parkeren' vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De aspecten 'Verkeer' en 'Parkeren vormen geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Hierna wordt beschreven welke waarden binnen onderhavig plangebied gelden en of de aanwezige bodemkwaliteit hieraan voldoet.
Tijdens de eerdere bestemmingsplanprocedure ten behoeve van de realisatie van de bestaande woningen aan de Wethoudershof is ter plaatse van het plangebied door Terra Milieu BV een verkennend bodemonderzoek (rapportnr. TM16-408; d.d. 7 november 2016; Bijlage 2) uitgevoerd.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten werd geconcludeerd dat in de grond een verhoging van PAK’s (10 VROM) ten opzichte van de Achtergrondwaarde wordt aangetroffen. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en gaven toen geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Het grondwater is destijds niet bemonsterd, aangezien het grondwater dieper dan 5 meter werd aangetroffen.
Op basis van dit bodemonderzoek waren er geen belemmeringen met betrekking tot de geplande nieuwbouw en de daaraanverbonden functiewijziging.
Weergave boorpunten van het uitonderzoek uit 2016 en de ligging van het plangebied
Gezien de verstreken periode tussen 2016 en 2025 is ten behoeve van dit planvoornemen aanvullend op dit bodemonderzoek een historisch bodemonderzoek/vooronderzoek conform NEN5725 (Aelmans, rapportnummer AMV251166.003/RHE, 4 september 2025, Bijlage 3) uitgevoerd. Hierin wordt geconstateerd dat uit voorgaande bodemonderzoeken op/nabij de onderzoekslocatie volgt dat de bovengrond licht verontreinigd is met kwik, lood, minerale olie, PAK en PCB. Op basis van de bekende gegevens kan de onderzoekslocatie als onverdacht op het voorkomen van sterke verontreinigingen beschouwd worden. De verwachte bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond voldoen respectievelijk aan de klasse Industrie en de klasse Landbouw/natuur. Er is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetroffen in de voorgaande bodemonderzoeken nabij de onderzoekslocatie. Echter is in één van de proefboringen een bodemvreemde bijmenging in de vorm van matig puin aangetroffen waarvan de oorsprong/herkomst onbekend is. Hierdoor dient de onderzoekslocatie formeel als verdacht op het voorkomen van asbest te worden beschouwd.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Wel dient een verkennend asbestonderzoek plaats te vinden om te achterhalen of de aangetroffen bijmenging met puin al dan niet asbest bevat. Dit verkennend asbestonderzoek is (Aelmans, rapportnummer AMV251166.001.005/RHE , 23 december 2025, Bijlage 4) uitgevoerd. In dit verkennend asebstonderzoek wordt geconcludeerd dat naar aanleiding van de visuele en analytische bevindingen er geen directe belemmeringen met betrekking tot de bestemmingswijziging zijn. Ter plaatse van boring 11 (parkeerplaats) is in de bovengrond een bodemlaag aangetroffen, welke volledig uit repac bestaat. Daar de parkeerplaats recentelijk is aangelegd (na 2000), geldt de aanname dat zich hierin geen asbest bevindt. Verder is analytisch geen asbest boven de detectielimiet aangetroffen. Hierdoor kan worden gesteld, dat er ter plaatse geen sprake is van een asbestverontreiniging. Het plangebied kan als onverdacht worden beschouwd met betrekking tot het voorkomen van asbest.
Conclusie
Er mag op basis van het bovenstaande worden aangenomen dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het planvoornemen, mits er geen sprak is van een eventuele 'asbestverontreiniging'. Er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De gemeente moet bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Archeologie
De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Deze regels hebben betrekking op beschadiging, het conserveren en in stand houden van archeologische monument.
Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m² in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.
Cultuurhistorie
Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.
Hieronder wordt beschreven op welke manier wordt omgegaan met archeologie en cultuurhistorische waarden.
Rijksbeleid
Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke ontwikkelingen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek.
Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Omgevingswet.
Provinciaal beleid
De verantwoordelijkheid voor een groot deel van het archeologisch erfgoed ligt bij de gemeenten. De betrokkenheid van de Provincie beperkt zich tot archeologische waarden van provinciaal belang. De zogenaamde archeologische aandachtsgebieden, representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met grote kans op archeologische vondsten. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 gemeenten in Limburg.
De provincie geeft aan hierin keuzes te moeten blijven maken. Want niet alle vindplaatsen zijn even belangrijk, en niet alle waardevolle vindplaatsen kunnen behouden blijven. Er zijn dus wel ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk in de geselecteerde gebieden. Maar alleen als er in een vroegtijdig stadium goed archeologisch onderzoek wordt verricht. En in alle gevallen zal afstemming met de gemeente plaatsvinden.
In 2014 zijn de archeologische aandachtsgebieden vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). De archeologische aandachtsgebieden zijn met de inwerkingtreding van de omgevingswet (per 1 januari 2024) 1 op 1 doorvertaald naar de Omgevingsverordening Limburg. In de Omgevingsverordening Limburg heeft de Provincie gebieden aangewezen die bijzondere bescherming nodig hebben.
Gemeentelijk beleid
In sommige delen van een gemeente is de kans klein dat er zich archeologische sporen bevinden. In andere delen is die kans (soms aanzienlijk) groter. De gemeente Gennep heeft die zogeheten ‘verwachtingswaarden’ in kaart gebracht en op die archeologische beleidskaart staat ook aangegeven waar vondsten zijn gedaan. De kaart is vooral van belang voor degenen die van plan zijn te gaan bouwen of te gaan ontwikkelen en willen weten of zij al dan niet verplicht zijn tot het doen van archeologisch (voor-)onderzoek. Bij de kaart hoort een beleidsnota waarin staat wanneer de gemeente Gennep archeologisch onderzoek verplicht stelt. Daarbij is de verwachtingswaarde van een gebied (de kans op het aantreffen van archeologische resten) bepalend.
Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
Op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart is het plangebied door middel van 'Waarde - Archeologie 3' aangeduid als een locatie met een archeologische waarde. Voor gebieden met archeologische waarde geldt een drempelwaarde. Er is er een onderzoeksplicht bij het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter en een oppervlakte van 100 m² of meer.
Het plangebied heeft een oppervlak van 2.850m². Bij de geplande werkzaamheden ten behoeve van de te realiseren woningen zal de drempelwaarde van 100m² en 30cm waarschijnlijk worden overschreden.
Wanneer de nieuwe bouwwerken c.q. woningen, net als de inmiddels gerealiseerde woningen aan de Wethoudershof, ook archeologievriendelijk of archeologiesparend gebouwd worden of wanneer de toekomstige bodemingrepen de aanwezige - en in 2009 aangetoonde behoudenswaardige - archeologie niet (onevenredig) verstoren, kan het planvoornemen zonder archeologisch vervolgonderzoek (Opgraven dan wel Behoud ex situ) worden gerealiseerd. Voor archeologievriendelijk bouwen is het met name van belang dat er in de toekomst nog een graafmachine tussendoor kan, zodat toekomstig onderzoek mogelijk is. Gebruikelijke maat is dat heipalen minimaal 3,20 meter uit elkaar moeten staan. Bij de bouw van de woningen wordt hier rekening mee gehouden.
Voor het plangebied wordt volstaan met de in stand houding van de algemene zorgplicht. Eventuele vondsten bij graafwerkzaamheden dienen te worden gemeld bij het bevoegd gezag, de gemeente Gennep.
Het aspect 'Archeologie' vormt geen belemmering van het planvoornemen, mits archeologievriendelijk of archeologiesparend wordt gebouwd. Op basis van het voorgaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.
De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is. In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat onderwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
De gemeente Gennep hecht waarde aan haar karakteristieke bebouwing en waardevolle elementen. Beeldbepalende panden en andere cultuurhistorisch waardevolle objecten in het plangebied dienen dan ook zoveel mogelijk behouden te blijven, omdat ze bijdragen aan een positieve belevingswaarde van de gemeente.
Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg blijkt dat het plangebied in de cultuurhistorische kern van Heijen is gelegen. De kern bevindt zich rondom de oude begraafplaats. Ten zuidwesten van de kern bevindt zich de historische buitenplaats rondom Huys Heijen.
Qua cultuurhistorische structuur van de kern is met name de Hoofdstaat van cultuurhistorische belang voor Heijen. Deze weg is ouder dan 1806. Langs deze weg staan ook enkele monumentale gebouwen. Aan de Hoofdstraat 26 en 32 zijn daarnaast twee woonhuizen aangemerkt bij een Monument Inventarisatie Project (MIP).
In de directe omgeving en binnen het plangebied bevinden zich geen monumentale gebouwen. Wel zijn de wegen waaraan het plangebied is gelegen van cultuurhistorische waarde. Het plangebied zelf is onbebouwd en heeft verder geen enkele cultuurhistorische waarden.
Voor wat betreft het planvoornemen worden geen negatieve cultuurhistorische effecten verwacht. Het planvoornemen sluit zoveel mogelijk aan bij de cultuurhistorische elementen. De ontsluiting van het plangebied hoeft niet te worden aangepast en blijft ongewijzigd. Met het planvoornemen wordt aangesloten bij het bestaande deel van de Wethoudershof. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd in aansluiting op de bestaande infrastructuur van de Wethoudershof.
Door de kleinschaligheid van het planvoornemen en het behoud van de groenfunctie aan de westelijke zijde van het plangebied, doet het planvoornemen geen afbreuk aan eventuele cultuurhistorische waarden voor zover aanwezig in de omgeving van het plangebied.
Uit bovenstaande toetsing is gebleken dat het cultureel erfgoed niet wordt aangetast en geen belemmeringen oplevert voor de onderhavig planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De aspecten 'Archeologie' en 'Cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.
Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).
Beoordeling of sprake is van een geluidgevoelig gebouw en/of geluidgevoelige ruimte
Voor de toekomstige woningen, geldt dat sprake is van een woonfunctie. Voor woonfuncties geldt dat er sprake is van geluidgevoelig gebouwen. Doordat sprake is van een nieuwe ontwikkeling dient er te worden aangetoond dat in de geluidgevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.
Beoordeling of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied: (spoor)weg of industrie
Het plangebied is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Hoofdstraat, Nieuwwijkstraat, Kasteelstraat en Wethoudershof. Ter hoogte van het plangebied hebben deze wegen een maximumsnelheid van 30 km/u.
Gezien de afstand tot de omliggende industrie, ligt het plangebied niet in het geluidaandachtsgebied 'geluidzone - industrie'. Ook is spoorweglawaai niet van toepassing.
Vanwege de ligging in de geluidaandachtsgebieden is door Aelmans een akoestisch onderzoek naar de gevelberekening (rapportnummer ROM250142.001.003/CPO , d.d. 7juli 2025, Bijlage 5) uitgevoerd. Uit de toets in het kader van de gevelbelasting is gebleken dat het geluid ten gevolge van het wegverkeer op de gemeentewegen de standaardwaarde van 53 dB op geen enkele gevel overschrijdt. Om deze reden hoeft het gecumuleerde geluid en gezamenlijk geluid dan ook niet bepaald te worden.
Omdat het gezamenlijk geluid kleiner of gelijk is aan 53 dB, is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd.
Gelet op de resultaten van het bovenstaande akoestische onderzoek wordt geconcludeerd dat het aspect 'Geluid' geen belemmeringen voor het planvoornemen oplevert. Op basis van het bovenstaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient rekening te worden gehouden met geluid, stof, licht en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties. Bij de toedeling van functies aan locaties, wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu.
De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties.
Daarbij kan de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' van de VNG gehanteerd worden. De gemeente heeft dit vooralsnog echter niet uitgewerkt voor haar grondgebied in het omgevingsplan. Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in onderstaande paragraaf de Bedrijven- en milieuzonering getoetst via de methode van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.
Tabel met richtafstanden
Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een intensief gebruikt gebied met veel functies en "bedrijvigheid" wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft onder andere te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting. De VNG-uitgave hanteert twee omgevingstypes: 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.
Bij het planvoornemen, ten behoeve van de realisatie van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) met bijbehorende voorzieningen (ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen), wordt de functie 'Groen' in het omgevingsplan gewijzigd ten behoeve van de functie 'Wonen' en 'Verkeer' middels onderhavig TAM-omgevingsplan. Een beperkt deel van het plangebied zal de functie 'Groen' behouden.
De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een 'gemengd gebied', omdat de omgeving van het plangebied uit een mix aan functies bestaat. Zoals blijkt uit het aspect geluid (paragraaf 5.4), ligt het plangebied niet binnen de ‘geluidzone - industrie’.
Aan de noordzijde van het plangebied is de functie ‘Gemengd’ gelegen. De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor dienstverlening, detailhandel en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’. Op basis van de VNG-richtafstandenlijst geldt voor detailhandel en dienstverlening een richtafstand van 10 meter. Aangezien sprake is van een gemengd gebied, kan deze afstand worden teruggebracht naar 0 meter. De functies ‘Gemengd’ en ‘Wonen’ kunnen in dit geval dus naast elkaar bestaan.
Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich bovendien een functie ‘Dienstverlening’. Uit de behandeling van de functie ‘Gemengd’ blijkt dat de functies ‘Dienstverlening’ en ‘Wonen’ in een gemengd gebied naast elkaar kunnen bestaan.
Ten noordoosten van het plangebied is een bedrijfsfunctie in de vorm van een nutsvoorziening gelegen. Zulke nutsvoorzieningen kunnen grenzen aan woonfuncties zonder belemmeringen te veroorzaken. Deze kleine bedrijfsfunctie bevindt zich op ruim 16 meter van het plangebied.
Op circa 50 meter ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich eveneens een gemengde functie en een horecafunctie. Ter plaatse is horeca toegestaan tot en met categorie 2. Voor cafés en restaurants geldt een richtafstand van 10 meter. Gezien de gemengde omgeving kan ook deze richtafstand worden teruggebracht, waardoor wonen en horeca in deze vorm naast elkaar kunnen bestaan.
Op basis van de afstand tussen het plangebied en de omliggende functies, zoals hierboven beschreven, kan worden geconcludeerd dat deze functies geen belemmeringen vormen voor het planvoornemen. De functies bevinden zich op voldoende afstand om het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen te waarborgen.
Ook omgekeerd zal het planvoornemen geen belemmering vormen voor de omliggende functies, omdat reeds bestaande woningen op kortere afstand van deze functies liggen en daarmee maatgevend zijn.
Het aspect 'Bedrijven en Milieuzonering' vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Op basis van het voorgaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij een evenwichtige toedeling van functies in het omgevingsplan dient ook rekening gehouden te worden met de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
De voorliggende afwijking van het Omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van het planvoornemen zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid voor het planvoornemen beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De resultaten hiervan zijn navolgend beschreven.
De aandachtsgebieden NO2 en PM10 en de aandachtsgebieden PM10 staan in artikel 5.51, lid 2 & 3 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De aandachtsgebieden PM10 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit.
Aandachtsgebieden NO2 en PM10 en aandachtsgebieden PM10
Toetsing
Het planvoornemen in de vorm van woningbouw maakt geen milieubelastende activiteiten mogelijk. Ook is het plangebied niet gelegen in een van de bovengenoemde aandachtsgebieden. Het planvoornemen zorgt bovendien niet voor een verhoging van de concentratie fijnstof (en stikstofdioxide) in de aandachtsgebieden.
Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties:
Toetsing
Het planvoornemen betreft de realisatie van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden). Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken, wordt het omgevingsplan van de gemeente Gennep, gewijzigd ten behoeve van de functie 'Wonen' en 'Verkeer'.
Bij een woon- en verkeersfunctie is er geen sprake van milieubelastende activiteiten, waardoor een verplichte beoordeling van de luchtkwaliteit niet aan de orde is.
De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).
Toetsing
Er is met de realisatie van woningen geen sprake van een verhoogde blootstelling, omdat deze niet in een aandachtsgebied zijn gelegen. Uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling c.q. het plangebied. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert veel lagere concentraties fijnstof voor een gezonde leefomgeving. Zij adviseren sinds 22 september 2021 de volgende normen: 15 µg/m³ PM10 en 5 µg/m³ PM2,5.
Voor deze motivering wordt rekening gehouden met de nieuwe Europese normen. De nieuwe Europese normen gelden vanaf 2030 en vallen dus in de termijn van 10 jaar voor deze huisvesting. Met ingang van de nieuwe normen in 2030 worden de huidige Europese normen als volgt aangescherpt.
Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van kaarten van de Atlas Leefomgeving, een initiatief van de Rijksoverheid. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Om de huidige stikstofdioxide en fijnstof concentraties in beeld te brengen zijn de volgende meest recente luchtkwaliteitskaarten van Atlas Leefomgeving geraadpleegd:
Uitsnede kaart Stikstofdioxide 2023 (NO2) - score 9,93 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uitsnede kaart Fijnstof 2023 (PM2,5) - Score 9,11 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uitsnede Fijnstof 2023 PM10 - Score 17,01 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uit bovenstaande kaarten blijkt dat de toekomstige, strengere Europese grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 binnen het plangebied niet worden overschreden. De bijdrage van het planvoornemen op de luchtkwaliteit is verwaarloosbaar/niet aanwezig en er wordt geen NO2, PM10 of PM2,5 producerende activiteit met het planvoornemen mogelijk gemaakt.
Voor fijnstof (PM2,5 en PM10) geldt dat de concentratie met 9,11 en 17,01 µg/m³ boven de WHO-advieswaarden liggen. Deze concentratie blijft echter ruim binnen de vanaf 2030 gestelde Europese normen van maximaal 10 µg/m³ voor PM2,5 en 20 µg/m³ voor PM10 en vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen.
Derhalve kan dan ook gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied aan de Wethoudershof, waar de woningen zijn voorzien.
Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide en fijnstof niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.
Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De beoogde activiteit betreft de realisatie van woningen en valt dus onder de standaardgevallen.
Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal:
Toetsing
Bij dit planvoornemen is sprake van de realisatie van slechts zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden). Het planvoornemen kan dus worden geclassificeerd als een standaardgeval. Het planvoornemen blijft met zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) ruim onder de 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg, waardoor de NIBM-regeling van toepassing is.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.
In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur als gevolg van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' dient te zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.
In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan.
Het aspect 'Geur' is voor voorliggend plan niet aan de orde, omdat er geen (intensieve) veehouderijen in de directe omgeving van het plangebied zijn gelegen.
De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich aan de Kasteelstraat 12 te Heijen. Het gaat hierbij om een rundveehouderij met circa 45 runderen. De stal ligt op ongeveer 75 meter ten noordwesten van het plangebied. Op circa 490 meter ten zuiden van het plangebied, aan de Hoofdstraat 44A, bevindt zich een paardenhouderij. Verderop, op circa 2,2 kilometer ten noordoosten, ligt aan de Siebengewaldseweg 12 te Ottersum een varkenshouderij. Op ongeveer 2,4 kilometer ten zuidoosten, aan de Langeven 8 in Heijen, is een pluimveehouderij met leghennen gevestigd. De overige veehouderijen in de omgeving zijn paardenhouderijen.
Op basis van de VNG-lijst geldt voor het fokken en houden van rundvee een richtafstand van 100 meter voor geur. Voor het houden van legkippen en varkens is dit 200 meter, terwijl voor het houden van paarden een richtafstand van 50 meter geldt.
Gezien de grote afstand tot de meeste veehouderijen is alleen de rundveehouderij aan de Kasteelstraat 12 relevant voor het voorliggende plan. Deze betreft een kleine rundveehouderij met 45 dieren, gelegen binnen de bebouwde kom van Heijen. Voor rundveehouderijen die van oudsher binnen kernen zijn gevestigd, wordt doorgaans een richtafstand van 50 meter voor geur aangehouden. In dit geval kan deze richtafstand ook worden gemotiveerd door de overheersende windrichting. De rundveehouderij ligt ten noordwesten van het plangebied, terwijl de wind meestal uit zuidwestelijke richting waait. Hierdoor wordt de geur doorgaans weg van de geurgevoelige objecten gevoerd.
Daarnaast liggen er in de huidige situatie al woonfuncties op korte afstand van de veehouderij. Deze woonfuncties zijn maatgevend voor het bedrijf, waardoor uitbreidingen hier al door worden beperkt. Afgezien van deze bovengenoemde veehouderijen bevinden zich op kortere afstand daarnaast geen andere geurveroorzakende functies.
Ligging veehouderijen in de omgeving van het plangebied
Eventueel hinderveroorzakende geurbelastende functies zijn op voldoende afstand van het plangebied gelegen en daarmee is het aspect 'Geur' niet aan de orde. Om deze reden is geen geuronderzoek noodzakelijk. Er is dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het bevoegd gezag dient een afweging te maken of vanwege (onzekere) gezondheidsrisico's voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn. Voorbeelden om uit voorzorgsmaatregelen te nemen zijn de gezondheidseffecten van geitenhouderijen, hoogspanningsleidingen en gewasbeschermingsmiddelen aangezien er effecten zijn gevonden. Onduidelijk is nog waar deze effecten precies vandaan komen. In navolgende paragrafen worden de belangrijkste gezondheidsaspecten benoemd.
Aangehouden wordt een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt is dat sprake dient te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden.
Vooruitlopend daarop is in de Provincie Noord-Brabant door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderijen en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0' uitgebracht. Deze tool wordt in Noord-Brabant ingezet, in Limburg biedt deze tool geen wettelijke grondslag en wordt hierdoor alleen als indicatie gebruikt.
Bij endotoxinen is vooral de afstand tot intensieve varkenshouderijen en pluimveehouderijen van belang. Beoordeeld moet worden of voldaan wordt aan de advieswaarde van 30 EU/m³. De mogelijkheid bestaat dat door cumulatie deze grenswaarde wordt overschreden. Op basis van de afstanden wordt dit echter niet verwacht.
Op basis van de beoordeling in paragraaf 5.8 blijkt dat de dichtstbijzijnde rundveehouderij zich op circa 75 meter afstand van het plangebied bevindt. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij bevindt zich op circa 2,4 kilometer ten zuidoosten van het plangebied en de dichtstbijzijnde varkenshouderij bevindt zich op ruim 2,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied.
Pluimveehouderijen en varkenshouderijen zijn de belangrijkste bronnen van endotoxinen. Aangezien de dichtstbijzijnde varkenshouderij en pluimveehouderij zich op meer dan twee kilometer afstand bevindt, kan worden geconcludeerd dat er zich in de onmiddellijke omgeving van het onderhavige plangebied geen kippen- of varkenshouderijen bevinden.
Gezien de afstand kan worden geconcludeerd dat endotoxine geen belemmering vormt voor het realiseren van het planvoornemen. De aanwezige veehouderijen in de omgeving hebben geen negatieve invloed op toekomstig woon- en leefklimaat van de nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied.
Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.
Omwonenden binnen 1,5 tot 2 kilometer afstand van een geitenhouderij hebben een verhoogd risico op een longontsteking.
Er wordt een consistent verband gevonden tussen de aanwezigheid van (melk)geitenhouderijen op afstanden van 1,5 tot 2 kilometer en een verhoogd risico op longontsteking. Boven de 1,5 kilometer neemt het risico exponentieel af, waardoor het risico boven de 2 kilometer nihil is.
Binnen twee kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Mogelijke geitenhouderijen in de omgeving vormen gezien de afstand van meer twee kilometer tot het plangebied geen risico's voor de gezondheid van de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt dus een belangrijke rol en dient zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.
Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving.
Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.
Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken.
Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in de functie 'Wonen' voor het realiseren van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden). De dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningsleiding bevindt zich op circa 2,2 kilometer ten noorden van het plangebied. Bij deze leiding is sprake van een 150 kV-leiding met een rekenafstand van 2x60 meter. Op circa 6,0 kilometer ten westen van het plangebied bevindt zich een 380 kV-leiding met een rekenafstand van 2x110 meter.
Ligging plangebied t.o.v. hoogspanningsverbindingen
Magneetvelden
Het Rijk adviseert aan het bevoegd gezag om bij het toelaten van nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen of het wijzigen van bestaande hoogspanningsverbindingen rekening te houden met magneetvelden. De magneetvelden zijn mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Gezien de ligging van de toekomstige woningen buiten de rekenafstanden van de betreffende hoogspanningsverbindingen is dit niet aan de orde.
Geluid
De bovengrondse delen van de hoogspanningsverbinding kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen. Ook hiervoor geldt dat de ligging van de toekomstige woningen buiten de rekenafstanden is en derhalve het geluid afkomstig van de hoogspanningsverbinden niet aan de orde is.
Conclusie
De bovengrondse hoogspanningsleidingen bevinden zich op voldoende afstand van het plangebied. De hoogspanningsverbindingen vormen geen belemmering voor het planvoornemen, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met de risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of senioren, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Heijen. Het plangebied bevindt zich in de westelijke helft van de kern. De dichtstbijzijnde agrarische functie is gelegen aan de achterzijde van Kasteelstraat 16 op ongeveer 50 meter van de toekomstige woonfuncties. Deze agrarische gronden zijn in gebruik als weiland. Het betreft een zogenaamde 'huiswei' waar in de afgelopen periode geen gewassen zijn geteeld en daarmee ook geen gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt. Daarnaast biedt de bestaande bebouwing van Kasteellaan 16 en 18 de nodige afscherming mocht er al sprake zijn van het gebruik van eventuele gewasbeschermingsmiddelen.
'Huiswei achterzijde Kasteelstraat 16 en 18
Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied, op basis van langdurig gebruik als weiland, afstand en afschermende bebouwing, geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen ontstaan door het gebruik van (eventuele) gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van agrarische gronden. Er is daardoor sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken.
Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.
Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd.
De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Deze zijn nader uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan.
Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gennep zijn de relevante bijdragen aan positieve gezondheid geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van het planvoornemen nader beoordeeld.
Het planvoornemen om het plangebied een andere invulling te geven, draagt bij aan een verbetering van het leefklimaat voor de toekomstige bewoners. Door de toekomstige woningen op basis van de nieuwste standaard te realiseren, wordt gezorgd voor een comfortabele, energie-efficiënte woonomgeving die de gezondheid en het welzijn van de bewoners ten goede komt.
De woningen worden gesitueerd in een groene omgeving met ruime mogelijkheden voor fiets- en wandelroutes langs de Maas, het Heijense bos en de Maasduinen. Deze mogelijkheden nodigen uit tot een actieve levensstijl. Het wonen dicht bij natuurgebieden biedt de bewoners niet alleen rust, maar stimuleert hen ook om vaker naar buiten te gaan. Wetenschappelijk is bewezen dat de aanwezigheid van groen bijdraagt aan de gezondheid.
Ondanks de nabijheid van groene ruimte, biedt de ligging van het plangebied in de kern Heijen alle mogelijkheden voor een zelfvoorzienend leven. Het centrum van Gennep ligt op ongeveer 2,8 kilometer ten noorden van het plangebied. Naast Gennep bevinden zich meerdere grotere plaatsen in de directe omgeving. In Gennep bevinden zich diverse winkels, restaurants, cafés en andere voorzieningen. Het dorp Heijen en de omgeving bieden zowel voor starters als voor senioren veel ontmoetingsmogelijkheden. De korte afstand tot de voorzieningen nodigt uit om de auto te laten staan en gebruik te maken van de fiets wat een postitief effect heeft op de gezondheid.
De woningen zijn in eerste instantie beoogd voor senioren. Het is daarom van belang dat de woningen aansluiten op de wensen en behoeften van senioren. De woningen bieden senioren de kans om kleiner te wonen, in de nabijheid van vrienden en familie. Hierdoor blijft het sociale vangnet bestaan.
Op basis van bovenstaande toetsingen voldoet onderhavig planvoornemen aan de eisen van het omgevingsaspect 'Gezondheid'. Er zijn geen belemmeringen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.
Ten behoeve van het planvoornemen zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de realisatie van de woningen ter plaatse van het plangebied beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.
Algemeen
Plaatsgebonden risicocontour
Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.
Groepsrisico
Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.
Weergave aandachtsgebieden
Toetsing
De te realiseren woningen zijn kwetsbare gebouwen. In de huidige situatie is het plangebied nog niet bewoond. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) met een oppervlak van ongeveer 50 m². In principe is er sprake van een- à tweepersoonshuishoudens. Gemiddeld kan er uitgegaan worden van 1,5 personen per woning.
Binnen het plangebied worden dus zes woningen toegevoegd. Uitgaande van een gemiddeld huishouden, neemt het aantal personen binnen het plangebied toe met circa negen personen ten opzichte van de huidige situatie. Gezien het gaat om de bewoonde kern van Heijen is dit slechts een (zeer) beperkte toename. Echter het betreffen (overwegend) senioren die mogelijk niet volledig zelfredzaam zijn.
De risicokaart geeft een overzicht van de huidige risico's in de directe omgeving van het betreffende plangebied.
Uitsnede Atlas Leefomgeving met ligging plangebied aangeduid als rode stip
Toetsing aan de hand van de risicokaart
Na raadpleging van de Kaart Veilige Omgeving (Bron: Atlasleefomgeving.nl) zijn de volgende risicobronnen van invloed op onderhavige wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gennep.
Transportroutes
De dichtstbijzijnde gevaarlijke transportroute betreft rivier de Maas, gelegen op 690 meter ten westen van het plangebied. Deze waterweg wordt gevolgd door de rijksweg A77, op circa 950 meter ten zuiden van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten de PR-10-6-contour en de aandachtsgebieden (brand, explosie en gifwolk). Gezien de afstand tot zowel de snelweg als de rivier de Maas, worden dan ook geen belemmeringen verwacht voor de veiligheid binnen het plangebied met betrekking tot transportroutes.
Risicovolle milieubelastende activiteiten (MBA's)
Op circa 1,7 kilometer ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een propaangasopslagtank bij Camping De Bloksberg. Een tweede propaangasopslagtank bevindt zich op circa 1,5 kilometer ten zuidoosten, ter plaatse van Camping Het Heijderbos. Verder bevinden zich in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen, zoals tankstations of opslagtanks. Gezien de afstand van meer dan 1 kilometer hebben deze propaangasopslagtanks geen invloed op het plangebied.
Leidingen
De dichtstbijzijnde aardgasleiding van de Gasunie ligt op circa 2,3 kilometer ten noorden van het plangebied. Er lopen geen boven- of ondergrondse leidingen door het plangebied die planologische bescherming genieten. Er is dan ook geen sprake van (planologische) beschermingszones of belangen van derden op dit gebied.
Geconcludeerd kan worden dat er op basis van het bovenstaande geen transportroutes, inrichtingen of leidingen zijn die in het kader van omgevingsveiligheid nader moeten worden beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen een van de voor externe veiligheid doorslaggevende aandachtsgebieden.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor de onderhavig planvoornemen en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Water is een essentieel onderdeel van onze hedendaagse leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat voor nieuwe ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:
Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. Voor het plangebied zijn de volgende beleidsstukken van belang:
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangetoond op welke wijze rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Hieronder worden eventuele gevolgen voor de waterhuishouding, veroorzaakt door het planvoornemen, beknopt besproken.
Het plangebied is gelegen aan de westelijke kernrand van de bebouwde kern van Heijen. Doordat het plangebied voor de bestaande woningen reeds in 2020 bouwrijp is gemaakt, varieert het maaiveld nauwelijks in hoogte. De maaiveldhoogte ligt tussen de +14,70 m NAP en +15,10 m NAP. De gemiddelde hoogte van het plangebied ligt hiermee op circa +14,90 m NAP. De Kasteelstraat ten westen ligt op een hoogte van circa +14,0 m NAP. De Hoofdstraat bevindt zich op circa +15,0 m NAP. De woningen zullen uiteindelijk net als de bestaande woningen aan de Wethouderhofs worden gerealiseerd op het straatniveau van de Hoofdstraat/ Wethoudershof.
Het plangebied bevindt zich op een bodemsoort die bekend staat als ‘Hoge bruine enkeerdgronden; grof zand’ (vormsubgroep: bEZ30). Dit betreft dikke eerdgronden met een esdek van zand, een hoge ligging ten opzichte van het grondwater (Gt IV en hoger), en een bruine minerale eerdlaag. De bovengrond bestaat uit grof zand.
De hoge ligging ten opzichte van het grondwater en de grove zandsamenstelling van dit bodemtype heeft een gunstig effect op de infiltratiecapaciteit van de bodem.
Bodemtypologie op korte afstand van het plangebied met aanduiding van het plangebied (bron: Bodemdata.nl)
Aangezien het plangebied tot de kern van Heijen behoord en het bebouwde gebied door de jaren heen is geroerd, zijn de oorspronkelijek geomorfologische eigenschappen niet meer van toepassing. Het plangebied bevindt zich ten noorden van een 'Dalvlakterras' (vormsubgroep: E44). In riviervlakten kunnen door verschillende fasen van insnijding op verschillende niveaus0 terrasvormen voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn te vinden bij Baarlo in Midden-Limburg. Binnen de vormsubgroep worden verschillen tussen terrasniveaus aangegeven. Op de wat hogere terrassen in de dalvlakte ligt dikwijls een pakket dekzand.
Geomorfologische kaart met aanduiding plangebied en ligging van de landduinen (bron: Bodemdata.nl)
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ligt op ongeveer 166 cm onder het maaiveld, terwijl de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) zich op meer dan 250cm onder het maaiveld bevindt. Op basis van deze waarden is het plangebied ingedeeld in grondwatertrap VIIId, wat betekent dat het grondwater zich meestal op een diepte van meer dan 2 meter onder het maaiveld bevindt.
Binnen het plangebied zijn geen primaire of secundaire waterschapsbelangen aanwezig. Het dichtstbijzijnde primaire waterschapsbelang betreft een waterkering, welke is gelegen op ongeveer 90 meter ten westen van het plangebied aan de Kasteelstraat. Een waterkering is een object dat als functie het tegenhouden van (oppervlakte)water heeft. Deze waterkering dient ervoor om de kern Heijen te beschermen tegen mogelijk oppervlaktewater afkomstigen van de rivier de Maas. De dichtstbijzijnde secundaire watergang is Hoogbroeksegraaf, op ongeveer 120 meter afstand ten zuidwesten van het plangebied.
Uitsnede legger Waterschap Limburg met aanduiding van het plangebied
Huidige situatie
In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en bestaat het voornamelijk uit een weide met enkele bomen. Het water infiltreert ter plaatse rechtstreeks in de bodem rondom de bomen. Ook bij hevige regenval wordt er geen stagnerend regenwater op het maaiveld waargenomen. Het hemelwater infiltreert dus in voldoende mate binnen het plangebied.
Toekomstige situate
Het plangebied zal in de toekomstige situatie overwegend worden verhard door de realisatie van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) en de aanleg van parkeerplaatsen ter plaatse van de openbare ruimte.
Op basis van het beleid van de gemeente Gennep mag er geen overlast door hemelwater voor derden ontstaan. De hemelwaterbering dient daarom te voldoen aan de norm T=100 (eens in de 100 jaar een bui met 84 mm neerslag). Om dit op te vangen dient een voorziening op eigen terrein gemaakt te worden volgens het gemeentelijk beleid (Gemeentelijk Rioleringsplan).
Net als bij de eerdere woningbouwontwikkeling aan de Wethoudershof zal met dit planvoornemen eveneens worden aangesloten op het reeds aanwezige infiltratieriool voor hemelwater. Dit is van voldoende capaciteit om het hemelwater van deze nieuwe woningen op te vangen.
Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van het planvoornemen zal het aanbod van vuilwater wijzigen, doordat het perceel in de huidige situatie nog niet bewoond is.
Het planvoornemen leidt tot de toevoeging van zes huishoudens aan het rioolstelsel. Het vuilwater (de zogenaamde droogweerafvoer, DWA) van de toekomstige woningen zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande gescheiden rioolstelsel voor vuilwater onder de Wethoudershof.
De kosten voor de aansluiting op het gescheiden vuilwaterriool komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er wordt geen negatief effect op het rioolstelsel verwacht omdat de capaciteit van het vuilwaterriool ter hoogte van het plangebied van voldoende capaciteit is.
Met dit planvoornemen wordt, net als de bestaande woningen aan de Wethoudershof, aangesloten op het reeds aanwezige hemelwaterinfiltratieriool met voldoende capaciteit. De nieuwe woningen wordt daarnaast aangesloten op het bestaande rioolstelsel ter plaatse van de Wethoudershof voor de afvoer van het vuilwater.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.
Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.
Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Voor de realisatie van de nieuwe levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) wordt de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en energie toegepast. De nieuw te realiseren woningen zullen klimaatneutraal functioneren. De toekomstige woningen wordt door middel van een berekening getoetst aan de BENG-norm.
De BENG staat in dit geval voor 'bijna-energieneutraal gebouw'. Sinds 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland 'bijna-energieneutraal' zijn. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld een zonneboiler voor warm water, een warmtepomp, of zonnepanelen voor elektriciteit, waardoor de woning zelfvoorzienend wordt.
Naast de BENG-norm wordt er ook aandacht besteed aan een toekomstbestendige waterberging en duurzaam materiaalgebruik. Hiermee wordt met het planvoornemen voldoende invulling gegeven aan de energietransitie.
Het aspect 'Duurzaamheid' vormt geen belemmering voor het planvoornemen, waardoor er spake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hittestress in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.
Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Stedelijk hitte-eilandeffect (UHI)' geraadpleegd. Op deze kaart wordt weergegeven waar de risico's van klimaatverandering hoog zijn. De kaart toont het temperatuurverschil tussen stedelijke en landelijke gebieden in Nederland.
Gebouwen, huizen, wegen en stenen houden veel warmte vast. Dit fenomeen wordt ook wel het stedelijk hitte-eilandeffect, of urban heat island effect (UHI), genoemd. De kaart laat het gemiddelde temperatuurverschil in graden Celsius (°C) zien tussen stedelijke en landelijke gebieden. Hoe blauwer de kleur, hoe lager het temperatuurverschil in vergelijking met de landelijke omgeving. Hoe geler of roder de kleur, hoe groter het temperatuurverschil vergeleken met de landelijke omgeving. Grote steden zijn op de kaart daarom duidelijk te herkennen aan de rode en gele vlekken. Ook kleinere woongebieden verschijnen vaak als lichtblauwe en gele plekken.
Doordat het plangebied zich in een landelijke omgeving bevindt, wordt geen significant klimaatrisico verwacht met betrekking tot temperatuurstijgingen. Het temperatuurverschil bedraagt, op basis van de kaart, ongeveer 0,4 graden. Het plangebied is hiermee vergelijkbaar met een plattelandsgebied. Er is dan ook geen sprake van hittestress ter plaatse. Voor dit plangebied geldt een laag klimaatrisico met betrekking tot temperatuurstijgingen gezien de ligging in een landelijke omgeving, in de directe nabijheid van het aangrenzende buitengebied.
Uitsnede kaart Stedelijk hitte-eiland effect (UHI)
Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Water op straat na een extreme bui' geraadpleegd. Op deze kaart is te zien hoeveel water er na een hevige bui op straat kan komen te staan. Hoe donkerder de kleur, hoe dieper het water in die straat kan staan. De kaart is gemaakt op basis van een rekenmodel, waarbij een regenbui is gebruikt die in het huidige klimaat eens per 100 jaar voorkomt. De meeste schade door hoosbuien treedt op wanneer het water gebouwen (via de stoepen) binnenstroomt.
Uitsnede kaart 'Water op straat na een extreme bui'
Op basis van de bovenstaande kaart is te zien dat na een extreme bui ter plaatse van het plangebied geen water op het maaiveld wordt verwacht. Gezien de hoogteligging is dit ook in lijn der verwachting. Water op straat na een extreme bui zal dus niet voor hinder zorgen binnen het plangebied.
Naast hittestress of water op het maaiveld door extreme buien, bestaan er nog het klimaatrisico's op basis van de kans op overstroming vanuit een rivier, meer of zee. In dit geval is het de kans op overstroming vanuit de rivier de maas. Op basis van de kaarten van Atlas Leefomgeving is er voor het plangebied sprake van een grote kans (>1/30 jaar) op overstroming.
Ligging van de waterkeringen iter plaatse van de groene lijn (A = terugslagklep)
In het verleden zijn langs de westgrens van Heijen waterkeringen gerealiseerd in de vorm van dijken en andere bijzondere waterkerende constructies. In deze waterkeringen zijn afsluitmogelijkheden opgenomen, waarmee deze bij hoogwater kunnen worden afgesloten. Dit gebeurt door middel van schotten of terugslagkleppen.
De meeste dijken in Limburg hebben een norm met een overstromingskans van 1:100 . Dit houdt in dat de dijk dan ontworpen wordt met de kans dat gemiddeld 1 keer in de 100 jaar (of minder) een overstroming voorkomt.
De waterkeringen van Heijen zorgen ervoor dat de overstromingskans wordt teruggebracht van 1:30 naar 1:100 jaar. De kern van Heijen, en daarmee ook het plangebied, is daardoor in voldoende mate beschermd tegen hoogwater als gevolg van de ligging nabij de Maas.
In de toekomst zullen er door klimaatverandering naar verwachting ook meer en langere periodes met droogte voorkomen. Ten aanzien van het planvoornemen worden, gezien de landelijke ligging, geen problemen verwacht met betrekking tot droogte.
Het aspect 'Klimaat(adaptatie)' vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).
Toetsing ligging t.o.v. Natura 2000
Nabij het plangebied zijn meerdere Natura 2000 gebieden gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de 'Maasduinen' op circa 1,7 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Het Natura 2000-gebied 'Zeldersche Driessen' bevindt zich op circa 3,3 kilometer ten noordoosten en Natura 2000-gebied 'Oeffelter Meent' bevindt zich op circa 3,8 kilometer ten noorden van het plangebied.
Globale ligging van het plangebied ten opzichte van de nabijgelegen Natura2000-gebieden
Op basis van bovenstaande weergave, wordt duidelijk dat het planvoornemen niet gelegen is binnen Natura 2000-gebieden en er uitsluitend sprake is van een mogelijke externe werking. Gezien de aard van het planvoornemen en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is geen sprake van verstoring door licht, trilling of verstoring door mechanische effecten. Echter, externe effecten van mogelijke stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten (zie paragraaf 5.13.2.3, Bijlage 7 en Bijlage 8.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.
In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. In Limburg is de aanduiding Natuurnetwerk Limburg.
Toetsing ligging t.o.v. Natuurnetwerk Limburg
Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Limburg ligt op circa 400 meter ten noordoosten van het plangebied. Dit betreft het Heijense bos. Op circa 760 meter ten westen bevindt zich een onderdeel van Natuurnetwerk Nederland langs de rivier de Maas. Op circa 1 kilometer ten zuidoosten van het plangebied ligt nog een bosgebied dat onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Limburg.
Het plangebied maakt hiermee geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Door het planvoornemen zal daarom geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaan.
Vanuit het NNN zijn er geen externe effecten te verwachten. Gezien de lokale aard en beperkte omvang van het planvoornemen, evenals de huidige situatie, zijn negatieve effecten op NNN-gebieden niet te verwachten. Een nadere toetsing is aangezien enkel sprake is van Natuurnetwerk Limburg dan ook niet nodig.
Uitsnede Atlas Leefomgeving met de ligging van het plangebeid ten opzichte van het Natuurnetwerk Limburg
Wettelijk kader
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming. Deze regels gaan op in de Omgevingswet via het aanvullingsspoor natuur. Uitgangspunt is een beleidsneutrale omzetting. Dat betekent dat bij het opstellen van een omgevingsplan/BOPA daarom ook rekening moet worden gehouden met de aanwijzingsbesluiten voor Natura 2000-gebieden (zoals vermeld in artikel 2.44 van de Ow). Dat betekent in voorkomend geval dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen van de met het omgevingsplan en/of BOPA mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn op de instandhoudingsdoelen die zijn vastgelegd in de (relevante) aanwijzingsbesluiten. Deze beoordeling ziet toe op het vaststellen of met het plan of activiteit sprake is van een Natura 2000 activiteit; Activiteit die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Indien significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten of gevolgen anderszins niet significant zijn is er geen sprake van een Natura 2000 activiteit en hoeft deze niet passend beoordeeld te worden. Het vaststellen of er ten aanzien van stikstof sprake is van significante gevolgen voor een Natura 2000 gebied gebeurt middels een voortoets. Onderstaand wordt daaraan invulling gegeven.
Recente jurisprudentie voortoets
Op 18 december 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) uitspraak gedaan in het hoger beroep over intern salderen met ongebruikte stikstofruimte door de Amercentrale in Geertruidenberg en destructiebedrijf Rendac in Son en Breugel (ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923). In de kern komt het erop neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken in de zogenoemde voortoets, dus bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend.
In een voortoets wordt beoordeeld of op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat een project op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft. Van een project is in ieder geval sprake als op een locatie een geheel nieuwe activiteit wordt gerealiseerd. Voor de vraag wanneer de wijziging van een bestaande activiteit een project is, is het Stadt Papenburg-arrest en punt 35 van het AquaPri-arrest van belang. Daaruit volgt dat op het moment waarop, ten opzichte van het bestaande project waarvoor een natuurvergunning is verleend of voor de referentiedatum een milieutoestemming is verleend, geen sprake meer is van de voortzetting van één-en-hetzelfde-project, beoordeeld moet worden of de gewijzigde voortzetting van het bestaande project significante gevolgen kan hebben. De activiteit zoals die na de wijziging wordt voortgezet (inclusief de ongewijzigde onderdelen die worden gecontinueerd) is in dat geval een nieuw project, waarvan beoordeeld moet worden of het significante gevolgen kan hebben.
De gewijzigde rechtspraak van 18 december 2024 over intern salderen geldt óók als intern gesaldeerd wordt met algemene regels voor bemesten. Dat blijkt uit een uitspraak van 28 mei 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak over een woningbouwproject in Egmond aan den Hoef (ECLI:NL:RVS:2025:2404). Om de woningbouw mogelijk te maken is intern gesaldeerd met algemene regels voor bemesten. In de kern komt de uitspraak erop neer dat intern salderen met algemene regels voor bemesten niet meer mag worden betrokken in de zogenoemde voortoets, en dus bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen met algemene regels voor bemesten mag onder voorwaarden wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend, net als intern salderen met een eerder verleende natuurvergunning of milieutoestemming.
Realisatiefase
Het programma bestaat uit het realiseren van 6 levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) aan de Wethoudershof te Heijen. Het betreffen levensloopbestendige woningen in 1 bouwlaag met kap in twee blokken van 3 woningen. Daarnaast wordt de openbare ruimte ingericht met ontsluiting, parkeer- en groenvoorzieningen. Op dit moment is de inzet van mobiele werktuigen nog niet bekend. Derhalve is aansluiting gezocht bij kengetallen. Door WE adviseurs is in opdracht van het Rijk onderzoek gedaan naar een open norm waarbij kengetallen uit referentieprojecten zijn gedestilleerd. Op basis van dit onderzoek geldt voor nieuwbouw een stikstofemissie van 36 gr/m2 GO. Op basis van CBS gegevens omvat een gemiddelde sociale huurwoning een GO van 84 m2. Op basis van het programma, het kengetal en de totaal te realiseren GO leidt dit tot een emissie van 18,1 kg NOx/jaar. Er wordt aangenomen dat er nog 15% aan onvoorziene emissies (en terreinafwerking) aan de orde is. De totale emissiesvracht komt daarmee op 20,8 kg NOx/jaar. Er wordt aangenomen dat er sprake is van 1000 lichte verkeersbewegingen, 750 zware verkeersbewegingen en 250 middelzware verkeersbewegingen op jaarbasis aan bouwverkeer. Van het lichte verkeer wordt verondersteld dat dit langer dan 2 uur ter plaatse is en er daarmee dus sprake is van een koude start.
Gebruiksfase
De woningen worden gasloos uitgevoerd. Daarmee is er in de gebruiksfase enkel sprake van een verkeersgeneratie. Op basis van CROW cijfers is de verkeersgeneratie 5,2 verkeersbewegingen voor een sociale huurwoning. Op basis van het programma komt dit neer op een totale verkeersgeneratie van 32 verkeersbewegingen per etmaal. Er wordt hierbij eveneens een koude start verondersteld.
Aerius berekeningen
De realisatiefase en gebruiksfase zijn doorgerekend met de Aerius calculator. Uit de rekenresultaten volgen geen deposities >0,00 mol/ha/jaar (Bijlage 7 en Bijlage 8).
Conclusies
Het project leidt niet tot significant nadelige effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden. Voor het planvoornemen is daarom geen vergunning voor een Natura 2000 activiteit vereist.
Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden die niet in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).
Toetsing
Het plangebied is gelegen binnen het bebouwde gebied van Heijen. Houtopstanden zijn zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die een oppervlakte van 10 are of meer beslaan, of meer dan 20 bomen (bij rijbeplantingen) omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.
Het plangebied is in de huidige situatie, afgezien van enkele boompjes en gras, niet noemenswaardig begroeid. Op basis van deze definitie is er binnen het plangebied daarom geen houtopstand aanwezig. Eventuele houtopstanden kunnen door de realisatie van het planvoornemen dus niet worden geschaad.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'Houtopstanden' geen belemmering vormt voor het planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'Gebiedsbescherming' vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor het planvoornemen.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Toetsing
De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. Deze definitie zorgt ervoor dat voor het uitvoeren van een activiteit gecontroleerd moet worden of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit:
'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.
Omdat het plangebied ter plaatse van de toekomstige woningen in de huidige situatie slechts beperkt begroeid is, zonder daadwerkelijke houtopstanden, worden geen negatieve gevolgen voor in het wild levende planten of dieren verwacht. Voor het planvoornemen moeten enkele boompjes worden verwijderd.
Omdat er echter sprake is van een functiewijziging van 'Groen' naar 'Wonen' en 'Verkeer', dient in kaart te worden gebracht of zich ter plaatse in het wild levende planten of dieren bevinden. In dit geval is er mogelijk sprake van een flora- en fauna-activiteit. Om deze reden wordt een nader onderzoek naar soortenbescherming noodzakelijk geacht.
Aelmans Milieu heeft, in verband met de voorgenomen nieuwbouw, een Quickscan Flora en Fauna (projectnr. AMO250180; d.d. 18 juni 2025; Bijlage 6) uitgevoerd.
De quickscan heeft tot doel vast te stellen of de beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gespecificeerde soorten.
Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet en het Bal.
Aanbeveling en zorgplicht
Voor de geplande ingreep moeten alle aanwezige bomen worden gerooid. Bomen kunnen tijdens het broedseizoen niet jaarrond beschermde nesten bevatten. Door de geplande ingreep kunnen deze nesten verstoord worden. De werkzaamheden dienen derhalve buiten het broedseizoen (15 maart – 1 augustus) te beginnen. Indien dit niet mogelijk is kan een broedvogelcheck uitgevoerd worden. In de bomen zijn geen gaten of holen aanwezig en zijn voor vleermuizen derhalve ongeschikt als verblijfplaats. De bomen maken geen onderdeel uit van een lijnvormig element.
Onder artikelen 11.6, 11.27 en 11.116 van het Bal zijn specifieke zorgplichten opgesteld. De zorgplicht geldt voor ieder die een activiteit uitvoert waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kan hebben op in het wild levende dieren, planten en bomen maar ook natuurgebieden. Volgens de zorgplicht dient men redelijkerwijs de nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en indien de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt achterwegen te laten. Voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten geldt in praktijk dat onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden.
Het aspect 'Soortenbescherming' vormt op basis de resultaten van de quickscan geen belemmering voor het planvoornemenen er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming.
Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).
De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:
In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
Beoordelingskader project-mer-beoordeling
Het planvoornemen valt onder de categorie J11 zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor deze ontwikkelingen geldt geen mer-plicht (kolom 2). Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt in het kader van een omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). De afwijking van het omgevingsplan middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente en het betreft slechts een beperkte wijziging van de regels van het 'gemeentebrede' omgevingsplan. Om die reden kan in beginsel worden volstaan met m.e.r.-beoordeling. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn:
In deze paragraaf wordt invulling gegeven aan deze drie criteria.
De kenmerken van onderhavig planvoornemen zijn in Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2 van voorliggende ruimtelijke motivering uitgebreid omschreven. Er is hierbij geen sprake van cumulatie met andere projecten. De risico's voor de menselijke gezondheid en het risico van zware ongevallen en/of rampen zijn in Hoofdstuk 5 in overweging genomen en vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
De locatie is op dit moment in gebruik als groenfunctie met enkele boompjes. Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarde, landschappelijke, cultuurhistorische of archeologische waarde.
In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig planvoornemen geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. De locatie, aard en omvang van het planvoornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of significante milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere plan-m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
Op basis van de voorgaande wetgeving werden drempelwaarden gegeven, waarmee op voorhand kon worden bepaald of mogelijk effecten te verwachten zijn. In het voormalige Besluit m.e.r. waren twee lijsten (onderdelen C en D) opgenomen in de bijlage bij dat besluit. Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk was, moest worden bepaald (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschreed, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied lag (3) of er belangrijke milieugevolgen te verwachten waren. Het planvoornemen ziet toe op de volgende activiteiten die waren genoemd in de Bijlage behorende bij het Besluit m.e.r., Onderdeel D:
Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201901439/1/R1) is gezien de zeer beperkte omvang met dit planvoornemen (zes levenloopbestendige sociale huurwoningen) geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft daarmee geen m.e.r.- plichtige activiteit.
Het planvoornemen voor het realiseren van zes levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) is een activiteit die niet is genoemd in het Besluit m.e.r. (onderdeel D 11.2). Gezien de zeer beperkte omvang van het planvoornemen is een m.e.r-beoordeling niet benodigd.
Daarnaast geldt dat bij elke activiteit die leidt tot een toename van stikstofdepositie, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de 'Maasduinen' op circa 1,7 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Natura 2000-gebied 'Zeldersche Driessen' bevindt zich op circa 3,3 kilometer ten noordoosten en Natura 2000-gebied 'Oeffelter Meent' bevindt zich op circa 3,8 kilometer ten noorden van het plangebied.
Ten aanzien van het planvoornemen zijn negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten (zie ook 5.13.2.3, Bijlage 7 & Bijlage 8 ). Het opstellen van een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.
Gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden en is een verdere m.e.r-beoordeling niet noodzakelijk.
Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe bestemmingsplannen meer in procedure gebracht. Tenzij het gaat over een ontwerp (zoals bedoeld in artikel 4.6 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet) dat voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Deze plannen worden nog volgens de oude wetgeving behandeld; Wet ruimtelijke ordening [oud].
Nieuwe plannen die niet voor 1 januari 2024 ter inzage zijn gelegd, dienen volgens de nieuwe wettelijke procedures behandeld te worden.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over een omgevingsplan.
Op basis van artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet bestaat een deel van het omgevingsplan o.a. uit: bestemmingsplannen, beheersverordeningen en wijzigingsplannen. Dit gedeelte van het omgevingsplan valt op basis van artikel 22.1 Omgevingswet in het 'tijdelijk deel' van het omgevingsplan. Daarnaast bestaat het 'tijdelijk deel' uit (rijks)regels die voor 1 januari 2024 golden; artikel 22.2 Omgevingswet. Dit gedeelte wordt ook wel de zogenaamde bruidsschat genoemd.
Iedere gemeente dient in de zogenaamde transitiefase het tijdelijk deel aan te passen en 'omgevingsplan proof' te maken. Hiermee wordt bedoeld dat iedere gemeente het tijdelijk deel dient te verwerken in het (definitieve) omgevingsplan. Deze transitiefase geldt tot 1 januari 2032 en deze transitiefase is bij koninklijk besluit vastgelegd; artikel 22.5 Omgevingswet.
Via de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt om voor ruimtelijke initiatieven het omgevingsplan te wijzigen. Een wijziging van het omgevingsplan vindt plaats via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), de onderhevige wijziging van het omgevingsplan wordt volgens in het Omgevingsloket (de vervanger van ruimtelijkeplannen.nl) opgenomen.
Een (digitale) publicatie van een wijziging van het omgevingsplan wordt (landelijk) geplaatst via de 'Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten; de zogenaamde STOP/TPOD- methode.
Kortom, een publicatie van een wijziging van het omgevingsplan, dient voor de (digitale) raadpleegbaarheid, aan deze (digitale) werkmethode te voldoen.
Indien een gemeente technisch gezien nog niet in staat is om het omgevingsplan te wijzigen volgens de STOP/TPOD- methode, kan gebruik worden gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM).
Deze TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij nog niet aan de nieuwe (publicatie) standaarden kunnen voldoen. De Tijdelijke Alternatieve Maatregel mag worden toegepast tot en met 31 december 2025.
De TAM zorgt ervoor dat bij de wijziging van het omgevingsplan, gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard. Deze standaard werd voorheen gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen [oud]. De IMRO standaard houdt in: Informatiemodel Ruimtelijke Ordening.
Dit betekent dat de (digitale) publicatie van een wijziging van het omgevingsplan wordt gevalideerd via de [oude] IMRO standaarden. Daardoor wordt de wijziging van het omgevingsplan via de IMRO standaarden (digitaal) gepubliceerd.
De TAM dient te voorkomen dat gemeenten geen vertragingen krijgen bij gebiedsontwikkelingen. Dit, indien gemeenten nog niet kunnen voldoen aan de standaarden van de STOP/TPOD- methode.
In de regels worden vijf hoofdstukken onderscheiden, namelijk:
De vijf hoofdstukken worden hierna afzonderlijk nader toegelicht.
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Gennep. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling ter plaatse van de locatie Wethoudershof te Heijen (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige woningbouwontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Het betreft de volgende artikelen:
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en gebruiksactiviteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en gebruiksactiviteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming' op basis van IMRO. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor de woningbouwontwikkeling aan de Wethoudershof te Heijen is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtwege van de gemeente Gennep. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.
Het betreft de volgende artikelen:
In dit hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan zijn de beoordelingsregels voor de bouwactiviteiten opgenomen. Daarin isgesteld dat voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijgebouwen of andere bouwwerken met een dak een vergunningplicht geldt onder welke voorwaarden. Bouwwerken zonder dak zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' met uitzonder ter plaatse van het bouwvlak.
Het betreft de volgende artikelen:
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Dit betreffen met name gebodsbepalingen voor het in standhouden van bepaalden voorzieningen en die gelden voor de gehele locatie van het plangebied.
Het betreft het volgende artikel:
In dit artikel is het overgangsrecht gebruik Artikel 20 opgenomen, zodat het bestaande gebruik altijd voortgezet kan worden.
De verbeelding die is opgesteld voor onderhavig TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding functies zijn te zien die als 'bestemmingen' zijn gedigitaliseerd, en dat specifieke c.q. aanvullende functies, indien aan de orde, als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.
De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
Het is volgens de Omgevingswet (artikel 10.2 Ow) verplicht om vooraf, bij de kennisgeving van het voornemen tot wijziging van (tijdelijke) het omgevingsplan van rechtswege, aan te geven op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan worden betrokken. Vervolgens dient achteraf – in dit geval in voorliggende motivering – te worden aangegeven op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en op welke wijze invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid.
Op maandag 7 juli 2025 was er in de Huiskamer aan de Wethoudershof in Heijen een inloopbijeenkomst voor omwonenden en belangstellenden over dit nieuwbouwproject. De opkomst was hoog. Tijdens de inloopavond bleek dat er veel behoefte is aan nieuwbouwwoningen voor verschillende doelgroepen in Heijen. Er waren dan ook vragen over de woningen zelf en vanaf wanneer en hoe men hiervoor in aanmerking kan komen. Destion organiseert op termijn een informatieavond om antwoord te geven op deze vragen. Zodra de datum hiervan bekend is, deelt Destion dat via een nieuwsbericht op hun website en via de sociale media kanalen. Het verslag van de inloopbijeenkomst d.d. 7 juli 2025 is als Bijlage 9 bijgevoegd.
Conclusie
Met de omgeving is de omgevingsdialoog gevoerd. Hiermee zijn alle relevante belangen in beeld gebracht en afgewogen.
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, wat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende nadeelcompensatie besproken.
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
De grond waarop het planvoornemen is geprojecteerd is momenteel nog eigendom van de gemeente. Voorstel is om de grond voor verkoop aan te bieden aan initiatiefnemer conform de 'Grondprijzenbrief Gennep 2025'. Als het college instemd met deze basishouding wordt een en ander verder uitgewerkt en geborgd in de met initiatiefnemers te sluiten anterieure overeenkomst.
In deze overeenkomst worden dan onder andere afspraken gemaakt over de ambtelijke kosten, de (eventuele) infrastructurele aanpassingen, de mogelijke nadeelcompensatie (voorheen planschade), de huurprijzen van de verschillende categorieën woningen en de groen en civieltechnische inrichting van het terrein en de directe omgeving.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
Voor de beoogde activiteiten in de fysieke leefomgeving dient op grond van artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet een wijziging van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege plaats te vinden. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan is voorliggende motivering opgesteld.
Tegen het planvoornemen, in de vorm van de realisatie van 6 levensloopbestendige sociale huurwoningen (grondgebonden) ten westen van de bestaande woningen aan de Wethoudershof te Heijen bestaan in het kader van de fysieke leefomgeving en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q. randvoorwaarden wordt voldaan:
Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat bij realisatie van het voorliggende planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.
Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 4 december 2025 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze inzagetermijn zijn twee zienswijzen ingediend tegen het ontwerp-omgevingsplan. Deze zienswijzen zijn in de nota van zienswijzen, als bijlage bij het raadsbesluit, samengevat en voorzien van een gemeentelijk standpunt. Op basis hiervan zijn de zienswijzen ongegrond verklaard en leiden de zienswijzen niet tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan.
Daarnaast is er gedurende deze periode nog een reactie ontvangen van Provincie Limburg waarin is aangegeven geen aanleiding te zien om een zienswijze in te dienen.
De gemeente Gennep heeft op 16 maart 2026 besloten om het omgevingsplan (ongewijzigd) vast te stellen.