direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U Wethoudershof ong. Heijen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0907.TI22UWethoudhHEI-VA01

Regels

Preambule

Relatie met Omgevingsplan gemeente Gennep

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Wethoudershof ong. Heijen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22U) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Gennep. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

Leeswijzer regels

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) moet als volgt worden gelezen:

  • a. Regels: Hoofdstuk 22U Wethoudershof ong. Heijen van het Omgevingsplan Gemeente Gennep
  • b. Hoofdstukken: Paragrafen van Hoofdstuk 22U Wethoudershof ong. Heijen van het Omgevingsplan Gemeente Gennep
  • c. Artikelen: Artikel 22U van Omgevingsplan Gemeente Gennep

Hoofdstuk 1 Inleidende regels (Paragraaf 22U.1)

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. Artikel 1.1 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing voor dit hoofdstuk 22U.
  • 2. In aanvulling op artikel 1.1, dan wel in afwijking daarvan gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk 22U de volgende begripsbepalingen:
    • a. Plan: Omgevingsplan van de gemeente Gennep.
    • b. Aan huis verbonden beroep: een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woonruimte wordt uitgeoefend door maximaal twee personen waaronder de gebruik(st)er, waarbij de woonruimte in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden beroep.
    • c. Ander bouwwerk met een dak: een bouwwerk dat is voorzien van een dak en dat niet is aan te merken als hoofdgebouw of als bijgebouw.
    • d. Beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken: beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet en tot het moment dat die beleidsregels zijn vastgesteld wordt daaronder mede verstaan de gemeentelijke welstandsnota als bedoeld in artikel 4.114, lid 1 Invoeringswet Omgevingswet.
    • e. Bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het oorspronkelijk hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het oorspronkelijk hoofdgebouw.
    • f. Bouwgrens: de grens van een bouwvlak.
    • g. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels in dit Hoofdstuk 22N een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
    • h. Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
    • i. Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de functie die aan een perceel is toegekend in dit Hoofdstuk 22N en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
    • j. Huishouden: één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.
    • k. Oorspronkelijk hoofdgebouw: het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd.
    • l. Onzelfstandige woonruimte: woonruimte in een gebouw die niet zelfstandig door een huishouden kan worden bewoond, omdat men afhankelijk is van een of meer wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. Tot de wezenlijke voorzieningen behoren de natte cel, toiletruimte en opstelplaats voor een keuken.
    • m. Sociale huurwoning: Een zelfstandige woning waarvan de kale huurprijs niet meer bedraagt dan de maximale huurprijs voor sociale huurwoningen zoals jaarlijks vastgesteld door het ministering van Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, of de rechtsopvolger daarvan.
    • n. Voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.
    • o. Voorgevelrooilijn: de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.
    • p. Woonsegment: Specifieke categorieën of types van woningen, zoals sociale huurwoningen, betaalbare lage- en midden koopwoningen, enzovoort.
    • q. Zelfstandige woonruimte: Een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor en gelet op de aanwezigheid van alle wezenlijke voorzieningen geschikt is voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit hoofdstuk 22U zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U Wethoudershof ong. Heijen, waarvan de geometrische planobjecten zijn vervat in het gml-bestand NL.IMRO.0907.TI22UWethoudhHEI-VA01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • b. De besluiten als bedoeld in artikel 22.1 onder a van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U Wethoudershof ong. Heijen, zover het regels betreft die zijn opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • c. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U Wethoudershof ong. Heijen niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22U van dit plan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.23 van dit omgevingsplan wordt bij het bouwen van bouwwerken op de volgende wijze gemeten:

  • a. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen;
  • b. goothoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • c. dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak;
  • d. oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en
  • e. straatpeil:
    • 1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; en
    • 2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

Artikel 4 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Normadressaat

Aan de regels in dit Hoofdstuk 22U wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 2 Inhoudelijke regels - Functies en gebruiksactiviteiten (Paragraaf 22U.2)

Artikel 6 Algemeen

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van groenvoorzieningen op de verbeelding voor 'Groen' aangewezen locaties.

7.2 Doelen

De regels in dit Hoofdstuk 22U zijn gesteld voor de voor 'Groen' aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  • c. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  • d. het beheren van watersystemen
  • e. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied.
7.3 Toegestane functies

Op de voor 'Groen' aangewezen functies is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  • b. paden en speelvoorzieningen;
  • c. kunstwerken
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen;
  • f. reclame-voorzieningen van overheidsinstanties in het kader van het algemeen belang.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Toepassingbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verkeersvoorzieningen op de verbeelding voor 'Verkeer' aangewezen locaties.

8.2 Doelen

De regels in dit Hoofdstuk 22U zijn gesteld voor de voor 'Verkeer' aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. een evenwichtige toedeling an functies aan locaties;
  • b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  • c. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  • d. het beheren van watersystemen
  • e. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied.
8.3 Toegestane functies

Op de voor 'Verkeer' aangewezen functies is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a. verharde en onverharde wegen en straten met maximaal 2x1 rijstroken, wandel- en (brom)fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf, en de afwikkeling van het doorgaande verkeer;
  • b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, waaronder een jeu de boules baan met bijbehorend terras en een moestuin;
  • c. kunstwerken;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • f. reclame-voorzieningen van overheidsinstanties in het kader van het algemeen belang.

Artikel 9 Wonen

9.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen op de op de verbeelding voor 'Wonen' aangewezen locaties.

9.2 Doelen

De regels die in dit Hoofdstuk 22U zijn gesteld voor de voor 'Wonen' aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  • c. het beschermen van ruimtelijke en stedenbouwkundige waarden;
  • d. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  • e. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  • f. het beheren van watersystemen;
  • g. het gebruiken van bouwwerken;
  • h. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;
  • i. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  • j. het bieden van voldoende woonruimte;
  • k. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;
  • l. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied.
9.3 Toegestane functies

Op de voor 'Wonen' aangewezen locaties is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a. wonen in een woonruimte en de daarbij behorende tuinen en erven en uitsluitend overeenkomstig dit artikel 9.
9.4 Algemene regels toegestaan gebruik - wonen in een woonruimte

Het gebruik van gronden en gebouwen voor wonen op een voor 'Wonen' aangewezen locatie als bedoeld in artikel 9.3 is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. in een woonruimte woont niet meer dan één huishouden;
  • b. gebruik ten behoeve van onzelfstandige woonruimte is niet toegestaan;
  • c. het aantal zelfstandige woonruimten op de voor 'Wonen' aangewezen locatie mag niet meer bedragen dan door middel van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  • d. per bouwperceel is maximaal één woonruimte toegestaan.
9.5 Algemene regels toegestaan gebruik - aan huis verbonden beroep

Het gebruik van gronden en gebouwen op een voor 'Wonen' aangewezen locatie als bedoeld in artikel 9.3 voor een aan huis verbonden beroep is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. de oppervlakte van de woning en bijgebouwen die wordt gebruikt voor het aan huis verbonden beroep bedraagt maximaal 50 m2;
  • b. het onbebouwde deel van het perceel mag niet worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep, met uitzondering van parkeren.
9.6 Algemene regels toegestaan gebruik - erven en tuinen
  • a. De functie van het bij een woonruimte behorend erf volgt het gebruik van de woonruimte, waarbij geldt dat het erf mag worden ingericht en gebruikt op een wijze die als een normale inrichting en gebruik van het eigen erf wordt beschouwd;
  • b. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval begrepen: parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en verhardingen tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.
  • c. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval niet begrepen het gebruik als stand- of ligplaats voor kampeermiddelen en voor kamerbewoning.
9.7 Algemene regels strijdig gebruik

Het is verboden een bijgebouw bij een woonruimte als zelfstandige of onzelfstandig woonruimte te gebruiken, anders dan op basis van een daarvoor verleende vergunning of anders dan toegelaten op basis van artikel 22.35 van dit omgevingsplan.

9.8 Algemene regels woonsegmentering
  • 1. Het aantal woningen bedraagt minimaal het aantal per woonsegment zoals aangegeven in onderstaande tabel:
    Woonsegment   minimum aantal  
    Sociale huurwoningen   aantal aangegeven op de locatie minimum sociale huurwoningen zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal sociale huurwoningen'  
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor zover het aantal woningen zoals aangegeven in het eerste lid niet in gebruik is genomen.

Hoofdstuk 3 Bouwactiviteiten (Paragraaf 22U.3)

Artikel 10 Algemeen

10.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken op een voor 'Groen' 'Verkeer' en 'Wonen' aangewezen locatie.

10.2 Bouwen ten behoeve van gebruik

Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van het op grond van Paragraaf 22U.2 ter plaatse toegelaten gebruik voor 'Groen' 'Verkeer' en Wonen'.

10.3 Toegelaten bouwactiviteiten

Uitsluitend de volgende bouwwerken mogen worden gebouwd op een voor 'Groen' 'Verkeer' en 'Wonen' aangewezen locatie:

  • 1. bouwwerken als bedoeld in deze paragraaf 22U.3;
  • 2. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
  • 3. bouwwerken als bedoeld paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden.
10.4 Bestaande bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.39 van dit omgevingsplan is voor het in stand houden van een bestaand bouwwerk geen omgevingsvergunning vereist, mits het een feitelijk bestaand bouwwerk betreft dat is gebouwd:

  • a. overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning;
  • b. overeenkomstig algemene regels als opgenomen in dit plan;
  • c. overeenkomstig algemene regels, zoals die golden ten tijde van het bouwen van het bouwwerk en, hetgeen ook kan worden aangetoond.
10.5 Algemene regels - ondergronds bouwen

Voor zover op een locatie op grond van deze paragraaf (paragraaf 22U.3) gebouwen mogen worden gebouwd, mogen gebouwen tevens ondergronds worden gebouwd tot een verticale bouwdiepte van maximaal 4 meter.

10.6 Algemene regels – parkeervoorzieningen
  • 1. Bij het bouwen van een bouwwerk dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub 1, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor afwijking zoals genoemd in de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
10.7 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.34 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van deze paragraaf 22U.3.

Artikel 11 Gebouwen ten behoeve van de functie 'Groen'

11.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een gebouw voor een groenfunctie op een voor 'Groen' aangewezen locatie

11.2 Bouwverbod

Het is verboden om gebouwen te bouwen op een tot 'Groen' aangewezen locatie

11.3 Algemene regels, uitzonderingen bouwverbod

Het verbod voor het bouwen van gebouwen zoals bepaald in artikel 11.2 is niet van toepassing voor het bouwen van een bouwwerk voor een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het gaat om:

  • a. een bouwwerk voor een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
    • 1. niet hoger dan 3 m; en
    • 2. de oppervlakte niet meer dan 15 m2.

Artikel 12 Gebouwen ten behoeve van de functie 'Verkeer'

12.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een gebouw voor een verkeersfunctie op een voor 'Verkeer' aangewezen locatie

12.2 Bouwverbod

Het is verboden om gebouwen te bouwen op een tot 'Verkeer, aangewezen locatie

12.3 Algemene regels, uitzonderingen bouwverbod

Het verbod voor het bouwen van gebouwen zoals bepaald in artikel 12.2 is niet van toepassing voor het bouwen van een bouwwerk voor een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het gaat om:

  • a. een bouwwerk voor een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
    • 1. niet hoger dan 3 m; en
    • 2. de oppervlakte niet meer dan 15 m2.

Artikel 13 Hoofdgebouwen ten behoeve van woonruimte

13.1 Toepassingsbereik
  • 1. Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een hoofdgebouw voor een woonfunctie op een voor 'Wonen' aangewezen locatie.
  • 2. Voor zover het een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak betreft zoals bedoeld in artikel 14 is daarop niet dit artikel, maar artikel 14 van toepassing.
13.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In afwijking van artikel 22.25 van dit omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw voor een woonfunctie te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor 'Wonen' aangewezen locatie.

13.3 Algemen regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • 1. De vergunningplicht als bedoeld in artikel 13.2 is niet van toepassing indien de voorgenomen bouwactiviteit is genoemd in:
    • a. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
    • b. paragraaf 22.2.7.2 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden; of
    • c. paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden.
  • 2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in de genoemde paragrafen wordt verwezen naar artikel 22.25, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 13.2 van dit Hoofdstuk 22U.
  • 3. Artikel 22.22 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
13.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.2 wordt alleen verleend indien:

  • 1. het gebouw wordt gebouwd op gronden die zijn aangewezen als bouwvlak;
  • 2. de bebouwingstypologie van het gebouw betreft:
    • a. aaneengesloten, ter plaatse van de aanduiding aaneengebouwd;
  • 3. de voorgevel van het gebouw in een naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak wordt gebouwd, dan wel op maximaal 4 meter achter die grens;
  • 4. de diepte van het gebouw mag de volledige diepte van het bouwvlak bedragen;
  • 5. De diepte van het gebouw niet minder bedraagt dan:
    • a. 5 meter, ter plaatse van de aanduiding aaneengebouwd.
  • 6. de goothoogte van het gebouw voldoet aan de ter plaatse van de aanduiding maximum goothoogte (m) opgegeven goothoogte;
  • 7. de bouwhoogte van het gebouw voldoet aan de ter plaatse van de aanduiding maximum bouwhoogte (m) opgegeven bouwhoogte;
  • 8. het uiterlijk of de plaatsing van het gebouw, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 9. In afwijking van het bepaalde onder 8 verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.
13.5 Aanvullende beoordelingsregel bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Artikel 22.28 sub c, 22.29 en 22.30 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Bijgebouwen

14.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bijgebouw of een ander bouwwerk met een dak op een voor 'Wonen' aangewezen locatie.

14.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In afwijking van artikel 22.25 van dit omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bijgebouw of een ander bouwwerk met een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor 'Wonen' aangewezen locatie.

14.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • 1. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 14.2 niet van toepassing indien een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak voldoet aan lid 4 van dit artikel.
  • 2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.25, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 14.2 van dit Hoofdstuk 22U.
  • 3. Artikel 22.22 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
  • 4. De uitzondering op de vergunningplicht als bedoeld in lid 1 geldt indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak staat op de grond;
    • b. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw of een vrijstaand ander bouwwerk met een dak bedraagt maximaal 3 meter, de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw of ander aangebouwd bouwwerk met een dak bedraagt maximaal 3,3 meter;
    • c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande andere bouwwerken met een dak in ieder geval wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;
    • d. de dakhelling bedraagt maximaal 55°;
    • e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbouwen en andere bouwwerken met een dak op een bouwperceel bedraagt niet meer dan is weergegeven in onderstaande tabel:
Oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw   Maximale gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen en andere bouwwerken met een dak op een bouwperceel  
Kleiner dan of gelijk aan 100 m2   50% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw  
Groter dan 100 m2 en kleiner dan 300 m2   50 m2 vermeerderd met 20% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw  
Groter dan of gelijk aan 300 m2   90 m2 vermeerderd met 10% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw, tot een maximum van 150 m2  

    • a. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt gebouwd op een afstand van minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.
    • b. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt niet gebouwd aan de naar het openbaar gebied gekeerde zijkant van het hoofdgebouw.
    • c. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt niet gebouwd binnen 1 meter van het openbaar toegankelijk gebied.
    • d. Voor zover het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.
    • e. Het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak ligt aan of bij een hoofdgebouw, niet zijnde:
      • een woonwagen;
      • een tijdelijk bouwwerk;
      • een bouwwerk voor recreatief
14.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.2 wordt alleen verleend indien:
    • a. de bouwhoogte maximaal 5,5 meter bedraagt;
    • b. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en andere bouwwerken met een dak op het bouwperceel niet meer bedraagt dan 150 m2;
    • c. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    • d. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    • e. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    • f. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 2. in afwijking van het bepaalde in lid 1 onder f verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.

Artikel 15 Bouwwerken zonder dak ten behoeve van de functie 'Groen'

15.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bouwwerk zonder dak op een voor 'Groen' aangewezen locatie.

15.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk zonder een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor 'Groen' aangewezen locatie.

15.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • 1. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 15.2 niet van toepassing indien een bouwwerk zonder een dak te bouwen voldoet aan het bepaalde in artikel 15.4.
  • 2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.26, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 15.2 van dit Hoofdstuk 22U.
  • 3. Artikel 22.23 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
15.4 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht bouwwerken zonder dak

De vergunningplicht als bedoeld in artikel 15.2 is niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder dak, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:

  • a. 6 meter, indien het een lichtmast betreft op een voor Groen aangewezen locatie
  • b. 5 meter, indien het een speelvoorziening of kunstwerk betreft
  • c. 3 meter, indien het een ander bouwwerk zonder dak betreft.
15.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.2 wordt alleen verleend indien:
    • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter;
    • b. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    • c. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    • d. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    • e. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 onder e verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.

Artikel 16 Bouwwerken zonder dak ten behoeve van de functie 'Verkeer'

16.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bouwwerk zonder dak op een voor Verkeer' aangewezen locatie.

16.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk zonder een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor 'Verkeer' aangewezen locatie.

16.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • 1. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 16.2 niet van toepassing indien een bouwwerk zonder een dak te bouwen voldoet aan het bepaalde in artikel 16.4.
  • 2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.26, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 16.2 van dit Hoofdstuk 22U.
  • 3. Artikel 22.23 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
16.4 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht bouwwerken zonder dak

De vergunningplicht als bedoeld in artikel 16.2 is niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder dak, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:

  • a. 10 meter, indien het een lichtmast of verkeersinstallatie betreft op een voor Verkeer aangewezen locatie;
  • b. 5 meter, indien het een speelvoorziening of kunstwerk betreft
  • c. 3 meter, indien het een ander bouwwerk zonder dak betreft.
16.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.2 wordt alleen verleend indien:
    • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter;
    • b. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    • c. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    • d. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    • e. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 onder e verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.

Artikel 17 Bouwwerken zonder dak behorende bij woonruimte

17.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bouwwerk zonder dak op een voor 'Wonen' aangewezen locatie.

17.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk zonder een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor 'Wonen' aangewezen locatie.

17.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • 1. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 17.2 niet van toepassing indien een bouwwerk zonder een dak te bouwen voldoet aan het bepaalde in artikel 17.4 dan wel 17.5.
  • 2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.25, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 17.2 van dit Hoofdstuk 22U.
  • 3. Artikel 22.22 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
17.4 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht erf- en perceelsafscheidingen

De vergunningplicht als bedoeld in artikel 17.2 is niet van toepassing voor een erf- of perceelsafscheiding die voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de erf- of perceelsafscheiding is hoger dan 1 meter, maar niet hoger dan 2 meter;
  • 2. de erf- of perceelafscheiding staat op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
  • 3. de erf- of perceelsafscheiding wordt gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
17.5 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht overige bouwwerken zonder dak
  • 1. De vergunningplicht als bedoeld in artikel 17.2 is niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder dak, niet zijnde een erf- of perceelafscheiding, dan bedoeld in artikel 17.3, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.
  • 2. In afwijking van lid 2 is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 17.2 ook niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder een dak, niet zijnde een erf- of perceelafscheiding, dan bedoeld in artikel 17.3, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:
    • a. 6 meter, indien het een lichtmast op een erf of perceel betreft;
    • b. 5 meter, indien het een speelvoorziening of kunstwerk betreft.
17.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.2 wordt alleen verleend indien:
    • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter;
    • b. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    • c. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    • d. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    • e. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 onder e verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.

Hoofdstuk 4 Overige regels (Paragraaf 22U.4)

Artikel 18 Gebodsbepaling in stand houden parkeervoorzieningen

Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit Hoofdstuk 22U dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, dient de betreffende parkeervoorziening als aangegeven in de aanvraag en vervolgens is vergund na de aanleg duurzaam in stand te worden gehouden.

Artikel 19 Waarde - Archeologie 3

19.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het uitvoeren van de volgende activiteiten op een voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locatie:

  • a. het ophogen van de bodem;
  • b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  • f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als natuur zijn bestemd;
  • g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van bos of boomgaard;
  • i. het uitvoeren van grond- en/of graafbewerkingen.
19.2 Doelen

De regels die in dit Hoofdstuk 22U zijn gesteld voor de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • b. het waarborgen van de veiligheid;
  • c. het beschermen van de gezondheid;
  • d. het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
19.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locaties een of meer van de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt;
  • b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 meter bedraagt;
  • f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als natuur zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter, of;
  • g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
  • h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
  • i. het uitvoeren van grond- en/of graafbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt.
19.4 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht

De vergunningplicht als bedoeld in artikel 19.3 is niet van toepassing voor werkzaamheden:

  • a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. het aanbrengen van sleufloze drainage.
19.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.3 wordt alleen verleend indien door het uitvoeren van de aangevraagde activiteit, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer van de leiding en geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het beschermen van de archeologische waarden, aan te tonen door een door de aanvrager te overleggen rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld waarbij aan de vergunning de volgende voorschirten kunnen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
19.6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.273 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.3.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht (Paragraaf 22U.5)

Artikel 20 Overgangsrecht gebruik

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Hoofdstuk 22U en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit hoofdstuk 22U strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Hoofdstuk 22U voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.