| Plan: | Kleefseweg 27-29, Ven-Zelderheide |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0907.BP21121KLE2729VEZ-VA01 |
Op de locatie Kleefseweg 27-29 in Ven-Zelderheide staat momenteel nog het gemeenschapshuis 'de Uitkomst' (nummer 29). De woning (nummer 27) is inmiddels gesloopt. Het gemeenschapshuis 'de Uitkomst' wordt gebruikt door verschillende dorpsverenigingen. De bebouwing op deze locatie is sterk verouderd, en er zijn al geruime tijd plannen om het gemeenschapshuis op een andere multifunctionele locatie onder te brengen. Hiermee dient gezocht te worden naar een nieuwe invulling van de locatie Kleefseweg 27-29. De gemeente heeft het voornemen om op deze locatie woningbouw mogelijk te maken van in totaal 15 woningen, die gericht zijn op starters en doorstromers.
Momenteel rusten op het plangebied de enkelbestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Recreatie'. Binnen deze bestemmingen is het niet mogelijk om woningbouw mogelijk te maken. Er dient daarom een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden om het beoogde woningbouwproject mogelijk te maken. Deze toelichting voorziet in de ruimtelijke onderbouwing van dit bestemmingsplan, waarbij getoetst wordt aan de geldende beleidskaders, milieu- en omgevingsaspecten en economische en maatschappelijke haalbaarheid.
Het plangebied is gelegen aan de Kleefseweg waar het onderdeel uit maakt van de lintbebouwing als onderdeel van de kern Ven-Zelderheide. De locatie is kadastraal bekend als de percelen 1319 en (deels) 1320, sectie E, kadastrale gemeente Ottersum en heeft een oppervlakte van ca. 4.500 m2. De luchtfoto is verouderd: de woning op locatie is in 2020 gesloopt.
Ligging plangebied en kadastrale situatie (Bron: QGis)
Op het plangebied zijn de volgende bestemmingsplannen geldig:
Ven-Zelderheide
Binnen het bestemmingsplan 'Ven-Zelderheide' is het plangebied deels bestemd met de enkelbestemming 'Maatschappelijk' en deels met de enkelbestemming 'Recreatie'. De bestemming 'Maatschappelijk' rust op de zuidelijke gronden van het plangebied ter hoogte van de bebouwing die momenteel gelegen is op het plangebied. Voor deze gebouwen is in het bestemmingsplan een bouwvlak opgenomen met een maatvoering voor een maximum goothoogte van 6 meter. Aan de noordzijde is het plangebied bestemd met de bestemming 'Recreatie', een restant van het oude voetbalveld ten noorden van het plangebied.
Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn maatschappelijke voorzieningen, met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven toegestaan. Onder maatschappelijke voorzieningen wordt daarbij verstaan culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. Hieronder vallen geen woningen.
De gronden ter plaatse van de bestemming 'Recreatie' zijn specifiek bestemd als sportvelden met bijbehorende voorzieningen. Ook hier geldt dat hieronder geen woningen vallen.
Naast deze enkelbestemmingen zijn er nog enkele dubbelbestemmingen op het plangebied gelegen. Over het gehele plangebied zijn archeologische dubbelbestemmingen gelegen. In het zuiden van het plangebied is dit de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en in het noorden van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Daarnaast is voor de noordzijde van het plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' opgenomen.
Paraplubestemmingsplan parkeren Gemeente Gennep
Het Paraplubestemmingsplan parkeren Gemeente Gennep is in 2018 vastgesteld ten behoeve van een uniforme parkeerregeling voor de gehele gemeente Gennep. Directe aanleiding voor dit Paraplubestemmingsplan is de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, waardoor de grondslag voor stedenbouwkundige bepalingen in de gemeentelijke bouwverordening zijn komen te vervallen.
In dit bestemmingsplan worden de parkeernormeringen voor de te realiseren woningen getoetst aan dit Paraplubestemmingsplan parkeren Gemeente Gennep (zie 5.4)
In deze toelichting wordt na dit inleidende hoofdstuk in Hoofdstuk 2 het plangebied en planvoornemen nader beschreven. Vervolgens vindt toetsing van dit planvoornemen plaats aan beleidskaders (Hoofdstuk 3), milieuaspecten (Hoofdstuk 4) en sectorale aspecten (Hoofdstuk 5). In Hoofdstuk 6 wordt de juridische regeling toegelicht. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke haalbaarheid van het planvoornemen toegelicht, en komt in Hoofdstuk 8 de te nemen procedure aan bod.
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kern van Ven-Zelderheide, één van de kleinere kernen binnen het grondgebied van de Gemeente Gennep. Het plangebied is gelegen aan de doorgaande weg door deze kern, de Kleefseweg (N291) en maakt onderdeel uit van de lintbebouwing aan deze weg. De N291 is de doorgaande provinciale weg in dit gebied, die de kern van Gennep verbindt met Kleef over de Duitse grens. Ven-Zelderheide is een grensdorp: de rivier Niers, ten zuidoosten van het plangebied, vormt de landsgrens tussen Nederland en Duitsland.
De kern van Ven-Zelderheide is mede ontstaan langs de Kleefseweg. Het centrale punt van de kern ligt op het kruispunt van de Kleefseweg en de Vensestraat, ten oosten van het plangebied. Bij deze kruising zijn de maatschappelijke voorzieningen van het dorp geclusterd, waaronder een kerk en een basisschool. De bebouwing in de kern bestaat hoofdzakelijk uit lage vrijstaande bebouwing (1-2 bouwlaag met kap).
Omgeving plangebied (ligging aangegeven met rode ster)
Ven-Zelderheide is ontstaan uit de dorpskern Het Ven, het buurtschap Zelder en de heide die daar tussen gelegen was. De scheiding tussen Het Ven en Zelder zijn nog steeds duidelijk aanwezig. Het Zelder wordt als een apart buurtschap gezien, terwijl het Ven en Ven-Zelderheide synoniem aan elkaar geworden zijn. De naam Ven is afkomstig van het plaatselijke dialect voor veen. De naam Zelder is waarschijnlijk afgeleid van sellar, een open plek in het bos, door rooien, in een rivierbocht, namelijk die van de rivier Niers. Het buurtschap Zelder bestaat uit enkele boerderijen en een kapel.
Destijds bestond Het Ven uit de verspreid liggende woningen als lintbebouwing langs de Vensestraat en de Kleefseweg, met de kerk op de plaats waar nu nog de St. Antoniuskapel staat. De Kleefseweg kan dus aangemerkt worden als de belangrijke route waarlangs de lintbebouwing zich heeft ontwikkeld. Het dal aan weerszijden van de Spiekerbeek bestond uit weilanden. Ter plaatse van de huidige bebouwing aan de Kerkvonder was een brug (vonder) over de Spiekerbeek aanwezig.
Tegenwoordig bestaat Ven-Zelderheide uit aan elkaar gegroeide lintbebouwing langs de Kleefseweg en de Vensestraat. Dwars door het dorp loopt nog steeds de Spiekerbeek, een zijstroompje van de rivier de Niers.
Historische ontwikkeling omgeving plangebied (bron: TopoTijdreis)
Het plangebied betreft een perceel gelegen binnen een traditionele structuur van lintbebouwing aan de Kleefseweg. De bebouwing aan de Kleefseweg is gevarieerd qua grootte en positie, maar bestaat grotendeels uit vrijstaande en dubbele woonhuizen ter grootte van 1 á 2 bouwlagen, met een kap. Het openbare profiel is relatief smal t.o.v. de functie van provinciale weg en hoofdstraat van het dorp Ven-Zelderheide. Ook de voortuinen zijn veelal ondiep, waardoor de straat een vrij stenige aanblik krijgt. Dit is zeker het geval ter hoogte van het plangebied. Het plangebied zelf herbergt van oudsher een maatschappelijke functie als gemeentschapshuis binnen het gebied. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door een voetbalveld. Dit voetbalveld is enkel in gebruik door een cafévoetbalvereniging, die niet officieel deelneemt aan een KNVB-competitie.
De aanblik van het plangebied is, in tegenstelling tot de rest van de percelen, sterk versteend. Het terrein voor de voorgevel van het gebouw is nagenoeg geheel verhard. Ook aan de oostzijde van het plangebied is er sprake van verharding voor de parkeervoorzieningen van het gemeenschapshuis. Aan de westzijde van het plangebied is de woning op het perceel reeds in 2020 gesloopt. De gronden waarop deze woning gesitueerd was, liggen momenteel braak.
Luchtfoto van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven (Bron: GeoObeliekViewer)
Aanblik van het gemeenschapshuis; de woning aan de westzijde is in 2020 reeds gesloopt (bron: Google StreetView)
Het planvoornemen op de locatie Kleefseweg 27-29 bestaat uit de sloop van de bestaande (resterende) bebouwing (gemeenschapshuis) op de locatie, om een woonontwikkeling mogelijk te maken van in totaal 15 woningen. De woningen worden in vier bouwblokken gerealiseerd. Aan de zuidzijde van het plangebied worden twee bouwblokken van respectievelijk 4 hoek- en tussenwoningen en 2 half vrijstaande woningen (tweekapper) gerealiseerd. De oriëntatie van deze woningen is met de voorgevel gericht naar de Kleefseweg. Deze woningen worden iets terug gelegd ten opzichte van de Kleefseweg zodat er aan de voorzijde van de woningen ruimte ontstaat voor de aanleg van groen. De voorgevelrooilijn tussen de bestaande woningen nummer 23 en nummer 31 gaat hierdoor trapsgewijs. De overige woningen worden in twee bouwblokken van respectievelijk 5 en 4 woningen (totaal 9 woningen) gerealiseerd. Deze woningen zijn met de voorgevel geörienteerd naar de nieuw te realiseren ontsluiting op het plangebied. Deze bouwblokken van 9 woningen staan haaks op de bouwblokken van de 6 woningen aan de Kleefseweg. De uit te geven kavels op de locatie hebben dezelfde lengtemaat, maar variëren in breedte. De kavelgroottes variëren van een minimum van 112,2 m2 tot een maximum van 264,9 m2. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met kap. De nokrichting loopt parallel aan de ontsluiting. De entree c.q. ontsluiting van het plangebied wordt 'gemarkeerd' door middel van een topgevel van het bouwblok met de 2 halfvrijstaande woningen (tweekapper) aan de Kleefseweg.
De achterzijde van de woningen zal bereikbaar zijn middels een nieuw aan te leggen achterpad (brandgang) dat tussen de bouwblokken en langs de achterzijde van de kavels loopt. De noordzijde van het plangebied wordt ingeruimd voor een groeninpassing met een eventuele speeltuinfunctie. Verder wordt aan de voorzijde van de percelen een beukenhaag aangebracht. De achtertuinen van de 2 halfvrijstaande woningen (twee kapper) wordt voorzien van een hederahaag. Hierdoor krijgen het plangebied en de kavels een groene uitstraling.
Situatietekening planvoornemen op de locatie Kleefseweg 27-29
Woningvoorraad
Met het planvoornemen worden in totaal 15 woningen mogelijk gemaakt. De 7 tussenwoningen en 5 hoekwoningen (totaal 12 woningen) die worden gerealiseerd, zullen in de markt gepositioneerd worden als woningen die geschikt zijn voor de doelgroep starters. Eén hoekwoning en 2 halfvrijstaande woningen (tweekapper) zullen juist in de markt gezet worden voor doorstromers en senioren. Deze hoekwoning zal inclusief garage en parkeervoorziening op eigen kavel voorzien worden.
De nieuwe bebouwing bestaat uit eenvoudige volumes met zadeldaken. Het grootste bouwdeel langs de Kleefseweg krijgt een langskap, aansluitend bij de dominante kaprichting in de omgeving. Eén van de halfvrijstaande woningen bij de entree c.q. ontsluiting van het plangebied (langs de Kleefseweg) wordt voorzien van een dwarskap, waarmee de relatief grote lengte van het bouwblok wordt geleed en de toegang naar de achter gelegen woningen en het sportterrein wordt geaccentueerd. De geleding van de bouwmassa en de kleur en detaillering van de gevel zorgen ervoor dat de bebouwing zich voegt in de schaal en de karakteristiek van de lintbebouwing aan de Kleefseweg. De zijgevel bij de toegang naar het achterterrein wordt behandeld als voorgevel. Hier is ook de entree van de woning voorzien. De architectuur van de woningen is vergelijkbaar met de architectuur van nieuwer gerealiseerde woningen aan de Kleefseweg, waarmee deze woningen passend zijn binnen het bestaande straatbeeld van de Kleefseweg.
Impressies woonontwikkeling aan de Kleefseweg
Landschappelijke inpassing
Binnen het plangebied wordt voldoende ruimte gemaakt om de woningontwikkeling landschappelijk in te passen. Aan alle zijden van het plangebied worden groenzones behouden of groen toegevoegd. Aan de noordzijde wordt de dubbele bomenrij, van ca. 10 meter breed langs het sportterrein, behouden. Ook aan de westzijde wordt deze bomenrij van ca. 10 meter breed behouden. Aan de oostzijde springt de groenstrook iets meer in om ruimte te reserveren voor de parkeervoorzieningen, en wordt de groenstrook ingestoken op een breedte van 2 meter. Aan de zuidzijde van het plangebied (tevens de voorzijde vanuit de Kleefseweg) vindt een zorgvuldige inpassing in de lintbebouwing plaats, in het kader van landschappelijke inpassing. Hier wordt, ter vergroening van het straatbeeld, aan de straatkant ruimte gemaakt voor een groenvoorziening van ruim 5 meter breed tussen de rijweg en het trottoir. Hierdoor schuift het trottoir naar achter op, evenals de voorste perceelsgrens. De voortuinen worden ca. 3 tot 4 meter diep. Langs de voorste perceelsgrens wordt een haag geplant, evenals rondom de achtertuinen van de 2 halfvrijstaande woningen. Om te waarborgen dat deze ook na realisatie van het planvoornemen in stand gehouden worden, is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels om dit planologisch-juridisch te borgen.
In de groenvoorziening aan de Kleefseweg worden 3 bomen geplant, die uit kunnen groeien tot bomen die het straatbeeld verrijken. Langs de toegang naar het achterterrein wordt bestrating verwijderd en vervangen door groenstroken, zodat de aanblik vanaf de Kleefseweg groener wordt.
Parkeren
De parkeervoorzieningen worden voor het grootste gedeelte losgekoppeld van de woonkavels. Aan de oostzijde van het plangebied worden, ter plekke van de huidige parkeervoorzieningen van het gemeenschapshuis, 39 parkeerplaatsen (haaks parkeren) aan de ontsluitingsweg gerealiseerd. Daarnaast wordt er bij één hoekwoning ook nog op de kavel zelf voorzien in een parkeerplaats. Hierdoor wordt voorzien in totaal 40 parkeerplaatsen binnen het plangebied. De aanleg van deze parkeervoorzieningen wordt in par. 5.4 getoetst aan het geldend parkeerbeleid (het Parapluplan Parkeerbeleid Gemeente Gennep).
Op basis van het geldend bestemmingsplan is aan de voorzijde van het plangebied de enkelbestemming 'Maatschappelijk' gelegen en aan de achterzijde de enkelbestemming 'Recreatie' (par. 1.3). Binnen deze bestemmingen is de oprichting van 15 woningen planologisch-juridisch niet mogelijk. Om de woonontwikkeling op de locatie Kleefseweg 27-29 mogelijk te maken, dient daarom het geldend bestemmingsplan 'Ven-Zelderheide' ter plekke van het plangebied herzien te worden.
In de volgende hoofdstukken wordt de wenselijke nieuwe invulling van het plangebied getoetst aan de geldende beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau (Hoofdstuk 3), milieuaspecten (Hoofdstuk 4) en sectorale aspecten (Hoofdstuk 5).
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het Rijk opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting per 1 juli 2022 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes:
Binnen de NOVI wordt aandacht besteed aan het nationaal belang van het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Hierbij wordt benadrukt dat de opwaardering van de woningvoorraad niet alleen een kwantitatieve opgave is. Demografische ontwikkelingen (vergrijzing, huishoudenverdunning, immigratie en asiel), nieuwe keuzes rond verduurzaming en ontwikkelingen in de zorg(behoefte) hebben onder andere ook belangrijke invloed op de woonbehoefte. De komende tien jaar moeten er één miljoen woningen worden gebouwd. Een coalitie van 34 organisaties op het gebied van wonen, bouwen en zorg en welzijn heeft hiervoor, in samenwerking met gemeenten en provincies, een actieplan opgesteld. In de zogenaamde 'Actieagenda Wonen' hebben partijen afgesproken om met een volgend kabinet snel te gaan bouwen.
Het planvoornemen voorziet in het benutten van een locatie met een verouderde maatschappelijke functie voor een woningbouwontwikkeling. Deze woningen zijn georiënteerd op groepen die, gezien de demografische ontwikkelingen, de meeste behoefte hebben aan een betaalbare woning. Met het aanbieden van (betaalbare) koopwoningen aan starters wordt invulling gegeven aan de wens om snel het woningtekort voor deze groep op te vangen. Met de realisatie van woningen voor de oudere doelgroep wordt bovendien bijgedragen aan de doorstroom van de woningmarkt, waardoor er elders meer woningen vrijkomen. Hiermee wordt de woningmarkt beetje bij beetje van het slot af gehaald. Er wordt bovendien invulling gegeven aan deels braakliggende grond, waarmee de ruimtelijke kwaliteit van de kern c.q. lintbebouwing van Ven-Zelderheide verbeterd wordt. Het plan ligt hiermee in lijn met datgene dat bepaald is in de NOVI.
Om de 13 nationale belangen door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden zijn naast de SVIR het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2014) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro, 2014) in werking getreden.
Voor het plangebied is het Rijksbelang “Grote rivieren” relevant. Het noordelijk deel van het plangebied ligt binnen de begrenzing van het rivierbed van de Maas zoals is opgenomen in het Barro. In titel 2.4 van het Barro is de ruimtelijke doorwerking van de Beleidslijn grote rivieren en het Nationaal Waterplan (voor zover het gebieden betreft die daarin worden gereserveerd voor mogelijke toekomstige rivierverruimende maatregelen) geregeld.
De artikelen 2.4.1. t/m 2.4.5 Barro stellen algemene eisen aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen in het rivierbed met als doel te voorkomen dat plannen worden ontwikkeld die een bedreiging vormen voor de waterafvoer of die vergroting van de afvoercapaciteit feitelijk kunnen belemmeren.
Het plangebied is volgens de kaart behorende tot de "Beleidslijn grote rivieren" gelegen binnen een zogenaamde "artikel 6.16-gebied” van het Waterbesluit. Dit zijn gebieden die deel uitmaken van het (waterbergend) rivierbed en bij hoogwatersituaties onder water kunnen staan. Bouwen in deze, in het rivierbed gelegen, artikel 6.16-gebieden geschiedt net als elders in het rivierbed op eigen risico. In geval van hoogwaterschade wordt door zowel het Rijk als de gemeente geen recht op schadevergoeding erkend. In totaal zijn 6 woningen binnen dit waterbed gesitueerd.
In juni 2020 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat echter het besluit genomen om de status rivierbed achter de dijken langs de Maas op te heffen. Enkele passages uit de brief betreffen:
“Zodra een dijk veilig is, dat wil zeggen aan de huidige norm voldoet, en zo nodig is verlegd, vervalt de status rivierbed in het achterliggende binnendijkse gebied. Daarmee is er ook geen reden meer voor uitsluiting van de toepassing van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen voor activiteiten vanaf 19 april 1996 en daarom ben ik voornemens deze te laten vervallen.
"Deze lijn geldt ook voor Thorn-Wessem en de Lob van Gennep. Die gebieden maken we veiliger, maar ze houden eveneens een waterbergende functie die van belang is voor het hele Maassysteem. In het bestuurlijk overleg met de bestuurlijke partners uit de Maas is afgesproken om daar te werken met een aangepast regime van begrensde gebiedsontwikkelruimte in plaats van een individuele vergunningplicht.”
De minister heeft op 30 maart 2021 in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat tussen Rijk en regio overeenstemming is bereikt over de nadere uitwerking van deze ontwikkelruimte in de Lob van Gennep, waarin onderhavig plangebied is gelegen. In de toekomst zijn er daardoor meer mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling in het gebied Lob van Gennep. De status rivierbed komt te vervallen zodra de schop de grond in gaat om de dijk te laten voldoen aan de waterveiligheidsnorm. Dat zal omstreeks 2025 gebeuren.
Met het vervallen van de status rivierbed vervalt voor inwoners en bedrijven ook de individuele vergunningplicht voor bouwwerken op grond van de Waterwet. In plaats daarvan komen er randvoorwaarden in het omgevingsplan (het huidige bestemmingsplan). Dit maakt het voor inwoners en ondernemers in de toekomst eenvoudiger om hun woning of bedrijf te realiseren of uit te breiden. Ook komen na het vervallen van de status rivierbed alle gerealiseerde en nog te realiseren bouwwerken in aanmerking voor schadevergoeding volgens de Wet tegemoetkoming schade bij rampen. Het recht op schadevergoeding na een overstroming wordt hiermee voor iedereen gelijk.
Anno 2021 dienen ontwikkelingen binnen het vergunningplichtig rivierbed getoetst te worden aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (in het ruimtelijk spoor) en aan de Beleidsregels grote rivieren (in het spoor van de Waterwet). Concreet voor dit plan betekent dit dat eventueel verlies aan bergingsruimte dient te worden gecompenseerd. Ten behoeve van het project Koningsven-De Diepen zijn met Rijkswaterstaat afspraken gemaakt over compensatie. Voor de benodigde compensatie van dit bestemmingsplan kan gebruik worden gemaakt van de compensatieruimte die aanwezig is op basis van die afspraken in het kader van Koningsven-De Diepen.
Het rivierbed vormt hiermee geen belemmering voor de realisatie van de 15 woningen.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'motivering duurzame verstedelijking' opgenomen. Het Bro stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen en omgevingsvergunning (handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken.
De Ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden. Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren.
Per 1 juli 2017 zijn een aantal wijzigingen op de eerdere ladder van kracht geworden, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. Op basis van deze gewijzigde tekst geldt in het geval dat het bestemmingsplan c.q. omgevingsvergunning een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dat de toelichting/ruimtelijke onderbouwing een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting/ruimtelijke onderbouwing, aanvullend op de beschrijving van de behoefte, tevens een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Wanneer sprake is van nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de toelichting van het bestemmingsplan/ruimtelijke onderbouwing een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. Deze behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling.
Het planvoornemen voorziet in een woonontwikkeling van 15 woningen. Hierdoor kan gesteld worden dat er sprake is van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. De behoefte voor de woningen dient daarom onderbouwd te worden in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met de realisatie wordt voorzien in een kwalitatieve behoefte, namelijk woningen voor starters en doorstromers. Er is een nadrukkelijk behoefte aan deze woningen om de woningvoorraad van de kern Ven-Zelderheide in balans te houden en te voorzien in betaalbare woningen. In paragraaf 3.3.1 en 3.4.1 is de kwantitatieve behoefte verder verduidelijkt. Hieruit blijkt dat het planvoornemen passend is binnen de geldende woonbeleidskaders. Daarnaast biedt het planvoornemen een nieuwe bestemming voor een verouderde locatie binnen de kern van Ven-Zelderheide, en dus binnen bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen betreft daarmee de juiste woningen voor de juiste doelgroep op de juiste plek. Hiermee vormt de Ladder voor duurzame verstedelijking geen beletsel voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
De nieuwe Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 juli 2022 in werking. De provincie moet dan beschikken over een Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie heeft in dat kader het POL2014 vervangen door de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVl). Deze is vastgesteld op 1 oktober 2021. De POVI richt zich op de langere termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Maar ook het aspect gezondheid en e.en gezonde leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie meegenomen.
De zoneringen op grond van het POL2014 zijn in de POVI overgenomen op de kaart 'Limburgse principes'. In de POVI is onderhavig plangebied, net als in het POL, gelegen in het 'bebouwd gebied' (landelijke kern). Vanuit beleidsmatig oogpunt in relatie tot voorliggend planvoornemen is geen sprake van relevante wijzigingen ten opzichte van het POL2014. Het planvoornemen ligt in lijn met de POVI en kan daarom met betrekking tot de provinciale visie als toekomstbestendig worden geacht.
Uitsnede kaart 'Limburgse principes' POVI met aanduiding plangebied
Voor wat betreft woningbouw, op korte en middellange termijn, zit de grootste opgave in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast verandert de woonvraag waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen (starters en senioren) en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. Voor zover (harde en zachte) planvoorraad voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen waar niet langer behoefte aan is, zal de Provincie in overleg met de gemeenten onderzoeken hoe deze planvoorraad aangepakt kan worden. Hiertoe is reeds in POL2014 een oproep gedaan aan gemeenten, die Limburg breed nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het gevolg is dat woningbouwplannen waaraan dringend behoefte bestaat, niet kunnen worden toegevoegd vanwege een te grote voorraad aan niet meer actuele plannen die niet meer aansluiten bij de behoefte.
Daarnaast zijn ook sociaal-economische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving zijn van belang. Leegstand, criminele activiteiten, ondermijning of verloedering en eenzijdig samengestelde woongebieden hebben invloed op de leefbaarheid en kunnen de kloof in de samenleving vergroten. Gemengde wijken met ruimte voor verschillende leefstijlen dragen bij aan een sterker sociaal weefsel en kunnen bijdragen aan het voorkomen van sociale problemen'.
Het woningbeleid is verder uitgewerkt in de Regionale woonagenda Noord-Limburg (3.3.1) en de Lokale woonvisie gemeente Gennep (3.4.1). Het planvoornemen voorziet in de hiervoor beschreven transformatie van de woningvoorraad door gebruik te maken van een inbreidingslocatie, waarbij de woningen bedoeld zijn voor een specifieke doelgroep (starters, doorstromers). Hiermee wordt de woningvoorraad van de kern Ven-Zelderheide beter in balans gebracht. Tevens draagt het planvoornemen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving door een goede invulling te geven aan de 'vrijkomende' plek als gevolg van de beëindiging van de functie als gemeenschapshuis. Hiermee ligt het plan in lijn met de POVI.
De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.
In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone.
In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Het planvoornemen voorziet in een nieuwe woonontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Er zijn verder geen aspecten van de Omgevingsverordening Limburg die beletsel vormen voor uitvoering van het planvoornemen.
De Regionale woonvisie Noord-Limburg geeft richting aan het woonbeleid voor de komende 4 jaar. In de visie wordt nadrukkelijk de link gelegd tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad. Hierbij wordt de nadruk gelegd op de kwalitatieve opgave en minder op de kwantitatieve opgave. De Regionale woonvisie Noord-Limburg bevat een analyse, waarvan de opgaven kunnen worden samengevat in de volgende twee punten:
Doordat er verschuivingen plaatsvinden in de demografische samenstelling van de bevolking, verandert ook de woonbehoefte kwalitatief. Door de veranderende samenstelling van huishoudens ontstaat een stijgende woonbehoefte aan nultredenwoningen en appartementen. Door in te zetten op de juiste kwaliteit woningen wordt er geprobeerd om de langste keten op het gebied van doorstroming op de woningmarkt te creëren. De Regionale woonvisie hanteert een aantal uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn:
Met het planvoornemen worden 15 woningen toegevoegd in bestaand stedelijk gebied van de kern Ven-Zelderheide. Hierbij vindt bovendien een herontwikkeling plaats van een verouderde locatie, waarmee een koppelkans gerealiseerd wordt. Het planvoornemen betreft een mix van starterswoningen en doorstroomwoningen, zodat in de eigen behoefte van de kern Ven-Zelderheide kan worden voorzien en er een betere balans in de woningvoorraad ontstaat. Hiermee wordt invulling gegeven aan de wens om in de kleine kernen de woningvoorraad op peil te houden en invulling te geven aan de gewenste regionale uitgangspunten. Hiermee kan gesteld worden dat het planvoornemen past binnen de richtlijnen van de regionale woonvisie.
De regionale werkgroep Wonen heeft op 24 augustus 2020 positief geadviseerd op de voorliggende casus.
Het aantal inwoners van de gemeente Gennep daalt sinds 2012. Tegelijkertijd is het zo dat er meer een- en tweepersoonshuishoudens ontstaan en minder gezinshuishoudens. Dit betekent dat, ondanks de bevolkingskrimp, er de komende jaren nog wel behoefte bestaat aan meer woningen. Echter wel beduidend minder woningen dan het aantal woningen van alle woningbouwplannen van projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties, particulieren en de gemeentelijke grondexploitaties in Gennep bij elkaar opgeteld. Bovendien zal er in de toekomst meer vraag zijn naar een ander type woning dan de standaard eengezinswoning. Men kan dan denken aan seniorenwoningen, appartementen, mantelzorgwoningen en studio’s.
Een belangrijk aspect van de lokale woonvisie gemeente Gennep is dat woningtoevoeging in essentie niet meer is toegestaan, mits:
Het planvoornemen voorziet in realisatie van 15 woningen op een inbreidingslocatie binnen het bestaande bebouwde gebied van de kern Ven-Zelderheide. Hiermee wordt een locatie die momenteel in verval is als gevolg van het beëindigen van de maatschappelijke functie ter plaatse, herbestemd naar een woonbestemming die kwalitatief past in de omgeving.
In par. 4.8 van de lokale woonvisie wordt specifiek ingegaan op de woningbouwopgave binnen de kern van Ven-Zelderheide. Specifiek wordt binnen deze kern een kans aangeduid voor een woningbouwprogrammering die aansluit op de toevoeging van eengezinswoningen met een prijs boven de € 250.000. Het planvoornemen voorziet hierin. Hiermee ligt het plan in lijn met de Lokale woonvisie gemeente Gennep 2017-2021.
Op 23 september 2019 heeft de gemeente Gennep de 'Omgevingsvisie gemeente Gennep' gepubliceerd. In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente wat haar visie is op de fysieke leefomgeving voor de komende 10 tot 15 jaar. Dat kan niet zonder de inbreng van en samenwerking met de inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Een belangrijke opgave voor de gemeente is het behouden en versterken van een goed woon- en leef- en werkklimaat. In de zoektocht die volgt vindt de gemeente aansluiting bij het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Voor het definiëren van het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' hanteert de gemeente de volgende vier waarden:
Binnen de kern van Ven-Zelderheide wordt voornamelijk aandacht besteed aan het behoud van een krachtige kern, door realisatie van een aantal opgaven. Deze opgaven worden binnen de Omgevingsvisie als volgt geformuleerd:
Het planvoornemen voorziet in realisatie van woningen, waarmee vraag en aanbod in de woningbouw kwalitatief op elkaar afgestemd worden voor een betere balans in de woningvoorraad. Daarnaast voorziet het planvoornemen in de transformatie van een 'vrijkomende' plek als gevolg van de beëindiging van de functie als gemeenschapshuis. Het planvoornemen als woningontwikkeling sluit goed aan op haar (woon)omgeving.
De verenigingen die nu nog gebruik maken van het gemeenschapshuis worden ondergebracht in een nieuw te realiseren MFC in de kerk in het centrum. Hiermee krijgt de kerk een nieuwe functie en is er sprake van een kwalitatieve opwaardering van deze gemeenschappelijke voorziening in de kern Ven-Zelderheide. Hiermee sluit het planvoornemen aan op datgene wat opgenomen is in de Omgevingsvisie 'Samen maken we Gennep'.
De gemeente Gennep heeft samen met de gemeente Mook en Middelaar een Landschapsontwikkelingsplan opgesteld. Het Landschapsontwikkelingsplan geldt als een belangrijk hulpmiddel voor het garanderen en verbeteren van de kwaliteit van het landschap. Het landschapsontwikkelingsplan geeft de visie van de gemeente weer op het landschap, de bestaande kwaliteiten en gewenste ontwikkeling. In het landschapsontwikkelingsplan zijn verschillende deelgebieden onderscheiden.
In de kaart bij het landschapsontwikkelingsplan is de zone waar voorliggend planvoornemen is voorzien aangeduid als zone voor stimuleren van erfbeplanting en kleine landschapselementen.
In vrijwel het gehele ontginningsgebied en voor een groot deel van de overgangszone is het stimuleren van herstel en aanleg van kleine landschapselementen en erfbeplanting een belangrijke opgave. Met deze opgave krijgt het landschap een directe kwaliteitsimpuls, niet alleen op het gebied van ecologische en natuurwaarden maar ook op cultuurhistorisch en landschappelijk gebied. De opgave bestaat concreet uit herstel en aanleg van bijvoorbeeld singelbeplanting, houtwallen, poelen, bloemrijke akkerranden hagen, knotbomen en hakhoutbosjes. Het streven is de eigenaren te stimuleren erfbeplanting of kleinschalige landschapselementen op hun percelen aan te brengen en te ondersteunen in het beheer van bestaande elementen. In gebieden met een sterk open karakter passen zware opgaande elementen soms niet zo goed. Hier kan gebruik worden gemaakt van elementen die beter passen bij dit open karakter, zoals poelen en akkerranden of een enkele boom. Voor deze opgave hebben beide gemeenten een duidelijke voorbeeldrol door in deze gebieden actief op eigen terrein landschapselementen te ontwikkelen en te onderhouden.
Uitsnede kaart landschapsontwikkelingsplan
Met het planvoornemen wordt vooral aan de voorzijde en randen van het plangebied aandacht besteed aan groeninpassing. Deze groeninpassing is een duidelijke kwaliteitsverbetering ten opzichte van de huidige situatie. In paragraaf 2.4 wordt verder aangegeven hoe met het planvoornemen de omgevingsstructuur gerespecteerd wordt. Gelet hierop levert het Landschapsontwikkelingsplan geen beletsel op voor het planvoornemen.
In dit hoofdstuk worden alle relevante milieu- en omgevingsaspecten voor het plangebied behandeld. Indien er beperkingen uit het plan voortvloeien naar aanleiding van één van de aspecten, dan is hier in dit plan als randvoorwaarde rekening mee gehouden. Een en ander betekent dat het bestemmingsplan in overeenstemming met het criterium van 'een goede ruimtelijke ordening' dient te zijn.
De m.e.r.-regelgeving is erop gericht het milieu een volwaardige plaats in besluitvormingsprocessen te geven. Besluitvorming over ruimtelijke plannen vraagt altijd om een integrale afweging. In bepaalde gevallen is de verplichting opgelegd om de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit evenals alternatieven hiervoor en mogelijke maatregelen, te beschrijven. In deze paragraaf is getoetst of sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Een m.e.r.-toetsing op basis van de beschikbare gegevens levert het volgende resultaat op:
Gelet op de kenmerken van het planvoornemen en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen opgetreden. Ook heeft het planvoornemen geen negatieve effecten op een goede ruimtelijke ordening zoals beschreven in deze milieuparagraaf en de toelichting.
Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder.
Het plan bestaat uit de oprichting van vijftien woningen. Een woning is geen hinderveroorzakend object, maar wel aan te merken als gevoelig object. Toetsing van mogelijke hinder die het planvoornemen veroorzaakt op hindergevoelige functies in de omgeving is daarom niet noodzakelijk. Wel dient ter plekke van de te realiseren woning een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd te worden. Bovendien mag het planvoornemen niet leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering voor omliggende bedrijven.
In de nabije omgeving van de planlocaties liggen geen hinderveroorzakende bedrijven. Wel ligt er ten noorden van het planvoornemen de bestemming 'Recreatie'. Op deze bestemming ligt onder andere een voetbalveld wat een richtafstand heeft, conform de systematiek van het VNG, van 50 meter. Dit voetbalveld wordt echter zeer incidenteel gebruikt door een voetbalteam van het plaatselijke café, er is hiermee geen sprake van een volwaardig veldsportcomplex. Hiermee kan gesteld worden dat deze functie niet hinderveroorzakend is ten opzichte van de nieuw te realiseren woningen. Daarnaast kan gesteld worden dat het plangebied gelegen is aan een (drukke) doorgaande provinciale weg waardoor geen sprake is van het gebiedstype 'rustige woonomgeving', maar van 'gemengd gebied'. Op basis hiervan kan de richtafstand met één stap verkleind worden naar 30 meter. De afstand tussen de rand van het voedbalveld en de zijgevel van de dichtsbijzijnde woning is ook 30 meter. Gezien het feit dat er sprake is van incidenteel gebruik en gemengd gebied door de drukke doorgaande weg waarbij voldaan wordt aan de richtafstand kan het woon- en leefklimaat van de te realiseren woningen gewaarborgd worden.
Tevens ligt er aan de Kleefseweg 26 een cafetaria. Conform de systematiek van de VNG heeft een dergelijke horecavoorziening een richtafstand van 10 meter. De afstand ten opzichte van het plangebied is ongeveer 80 meter en daarmee niet hinderveroorzakend ten opzichte van de nieuw te realiseren woningen.
Het aspect bedrijven en milieuzonering levert daarom geen belemmering op voor het planvoornemen.
Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de ruimtelijke onderbouwing een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.
In dat kader is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting (d.d. 4 augustus 2021, rapportnummer 14360.001). Uit dit onderzoek is het volgende gebleken.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat het plangebied onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een 'verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig' (VED-HE-NL). Zintuiglijk zijn in de bodem in verschillende gradaties puin- en kolengruis aangetroffen. Plaatselijk boring 03 is de bovengrond zwak asfalthoudend en plaatselijk boring 03 en 18 is de bovengrond zwak tot matig baksteenhoudend. Ter plaatse van boring 15 is de bovengrond (traject: 0,2-0,3 m -mv) volledig puinhoudend en ter plaatse van boring 06 (traject: 0,2-0,3 m -mv) is de bovengrond volledig koolashoudend.
Analytisch is de bovengrond ter plaatse van boring 06 traject: 0,0-0,2 m -mv en 0,4-0,6 m -mv sterk verontreinigd met PAK. De bovengrond is verder licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, zink, minerale olie, PCB en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met lood, zink en PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en nikkel.
De vooraf gestelde hypothese dat het plangebied als 'verdacht' dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie bevestigd. Geadviseerd wordt om ter plaatse van de sterke PAK verontreiniging (boring 06) een nader bodemonderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van de verontreiniging.
Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN5707
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat het plangebied onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een 'verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld'.
Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond.
De vooraf gestelde hypothese dat het plangebied als 'verdacht' dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden binnen het plangebied behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.
Verkennend asbest in puin NEN5897
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat het plangebied onderzocht dient te worden volgens de strategie voor 'afgedekte funderingslagen'.
Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond.
De vooraf gestelde hypothese, dat het plangebied als 'verdacht' dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in puin. In geval van grondwerkzaamheden binnen het plangebied behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.
Nader bodemonderzoek
Om de aard en omvang van de PAK verontreiniging inzichtelijk te maken zal een nader bodemonderzoek worden uitgevoerd. Afhankelijk van de aard en omvang van de verontreiniging zal dan een saneringsplan worden opgesteld dan wel een BUS-melding worden gedaan om de verontreiniging te saneren zodat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde 'geluidgevoelige objecten' (zoals woningen) wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting.
Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie soorten geluidsbronnen waarmee bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening mee moet worden gehouden:
Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Wel is de ligging aan de doorgaande weg Kleefseweg een aandachtspunt. Om een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect geluidhinder te garanderen, is door Econsultancy een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting (d.d. 7 september 2021, rapportnummer 14360.005). Uit dit onderzoek blijkt dat ten gevolge van de Kleefseweg de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB wordt overschreden. In het onderzoek wegverkeerslawaai wordt geconcludeerd dat het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig is.
Voor de woningen dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Kleefseweg een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. Verder dient het akoestisch klimaat (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.
De procedure voor de noodzakelijke hogere grenswaarde loopt parallel aan de bestemmingsplanprocedure. Het ontwerp hogere waarde besluit wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader.
De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Ter plaatse van geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.
In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen gelegen. Deze veehouderijen kunnen mogelijk het woon- en leefklimaat ter plekke van de voorziene ontwikkeling aantasten. Verder moet er in het kader van goede ruimtelijke ordening ook gegarandeerd worden dat het planvoornemen omliggende veehouderijen niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Om deze reden is er door Pouderoyen Tonnaer een geur- en gezondheidsonderzoek uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 4 bij deze toelichting (d.d. 1 juli 2021, rapportnummer J203996.004/ELO).
Uit dit onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat voor geur en dat omliggende veehouderijen niet beperkt worden in hun bedrijfsvoering door realisatie van het planvoornemen. Het realiseren van de beoogde woonfunctie binnen het plangebied is met betrekking tot het milieuaspect, toelaatbaar.
In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mens te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.
Wanneer een project aangeduid kan worden als 'Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging (NIBM), vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM (niet in betekenende mate) wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van slechts 15 woningen en blijft daardoor ruimschoots onder de grens van 1.500 woningen. De realisatie van de 15 woningen is daarmee aan te merken als NIBM.
Het aantal verkeersbewegingen waarin het planvoornemen voorziet is berekend in 5.4 (117 mvt/etmaal). Uit de ingevulde NIBM-tool hieronder blijkt ook dat het planvoornemen niet voorziet in een overschrijding van de NIBM-norm.
NSL
Naast dat in het kader van goede ruimtelijke ordening onderbouwd moet worden aangetoond dat het planvoornemen niet voorziet in een significante verslechtering van de luchtkwaliteit, dient ook andersom onderbouwd te worden dat er ter plekke van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Om deze reden is de NSL monitoringstool beschouwd. De kaart van deze rekentool bevat rekenpunten, waarop de concentraties en normoverschrijdingsdagen van verschillende stoffen gemeten zijn (NOx, O3, NO2, PM10, PM2.5).
Ten aanzien van overschrijdingen van de grenswaarde van PM10, geldt dat het aantal normoverschrijdingsdagen ter hoogte van de locatie 6,488 dagen betreft. Dit is lager dan de toegestane grenswaarde van 35 normoverschrijdingsdagen, zoals bepaald in de Wet milieubeheer. Er kan dus geconcludeerd worden dat er ter hoogte van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot fijnstof.
Er kan geconcludeerd worden dat het plan aangemerkt kan worden als NIBM, en dus niet voorziet in een verslechtering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Ook is ter plekke van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor het planvoornemen.
Externe veiligheid heeft betrekking op het risico dat een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Uitsnede risicokaart, met blauw omlijnd het plangebied (Bron: risicokaart.nl)
Om de risicobronnen in de omgeving te inventariseren, is de risicokaart geraadpleegd. Deze bevat onder andere de gegevens van risicovolle inrichtingen, risicovolle transportroutes en buisleidingen. Uit de risicokaart blijkt dat er een risicovolle inrichting, zijnde een propaantank, op 904 meter ten westen van het plangebied is gelegen. De maximale veiligheidafastand voor een propaantank is 25 meter. Gelet hierop levert het aspect externe veiligheid geen belemmeringen op voor het planvoornemen.
Voor de ruimtelijke procedure dient te worden vastgelegd dat het voorgenomen planvoornemen past binnen de geldende natuurwetgeving. Om in beeld te brengen of het planvoornemen in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, zijn hieronder de beschermde gebieden en beschermde soorten beschouwd.
Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het planvoornemen geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelen van Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de goudgroene natuurzone (Limburgse vertaling van het Natuurnetwerk Nederland).
Natura 2000: De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied is een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming).
Het plangebied is op ca. 1,2 kilometer van het Natura 2000-gebied 'Zeldersche Driessen' gelegen en op ca. 4,2 kilometer van het Natura 2000-gebied 'Oeffelter Meent'.
Locatie plangebied (rode 1) en omliggende Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS Calculator)
Ten aanzien van Natura 2000-gebieden is vooral het aspect stikstof van belang. Aangetoond dient te worden dat de grenswaarde van 0,00 mol/ha/j niet overschreden wordt op stikstofgevoelige habitats binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Om deze reden is een notitie beoordeling stikstof uitgevoerd, toegevoegd als Bijlage 1 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat met uitvoering van het planvoornemen er geen blijvende toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ontstaat. Het aspect stikstof levert daarom geen belemmering op voor het planvoornemen. Gezien het plangebied ver van de Natura 2000-gebieden gelegen is, zijn schadelijke effecten door geluid, licht of trillingen ook niet te verwachten.
Goudgroene natuurzone: In Limburg wordt een systematiek van de goudgroene, de zilvergroene en bronsgroene natuurzone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de Provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk.
Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 670 meter ten oosten van het plangebied.
De Wet natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantensoorten. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten. Te allen tijde geldt dat de algemene zorgplicht van toepassing is. Dit houdt in dat handelingen, die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, achterwege moeten blijven.
Om inzicht te krijgen in het mogelijke verblijf van soorten beschermd door de Wet natuurbescherming is door Econsultancy bv. op 3 juni 2021 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 5 bij deze toelichting (rapportnummer 15930.001). Op basis van onderhavige quickscan dient voor uitvoering van de plannen middels nader onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de eventuele functie van het plangebied voor gebouwbewonende vleermuizen en huismus. Dit nader onderzoek zal worden uitgevoerd in de beschikbare onderzoeksperioden voor deze soorten.
Gelet op voorstaande kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen negatieve effecten veroorzaakt op beschermde natuurgebieden. Met betrekking tot soortenbescherming zal nader onderzoek aantonen hoe omgegaan dient te worden met de beschermde soorten die verblijven binnen het plangebied (vleermuizen en huismus). Het aspect soortenbescherming wordt hiermee voldoende geborgd in dit bestemmingsplan.
Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van de woningen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om planologisch-juridisch te borgen dat dit aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd voordat het planvoornemen gerealiseerd wordt.
Door het plangebied lopen geen planologisch relevante leidingen. De leidingen vormen dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel zijn in het straatprofiel van de Kleefseweg de noodzakelijke leidingen voor gas, water, electra en telefonie/internet gelegen. De te realiseren woningen kunnen op deze leidingen worden aangesloten.
Op basis van de Wro en het Bro is de watertoets verplicht bij bestemmingsplannen, inpassingsplannen, buitenplanse omgevingsvergunningen en buiten toepassing verklaringen van beheerverordeningen. Voor overige plannen dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het nationaal bestuursakkoord water. De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de toelichting bij genoemde ruimtelijke plannen en het overleg met de waterbeheerder (wateradvies).
De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening wordt gehouden met eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.
In deze paragraaf wordt de huidige situatie van het watersysteem ter plekke omschreven.
Geomorfologie en grondwatersysteem
Ter plekke van het plangebied is sprake van een bodemclassificatie KRd1 (ooivaaggrond zonder minerale eerdlaag). Hier is sprake van grondwatertrap VIII (GHG > 140 cm, GLG > 160 cm). Het maaiveld ter plekke van het plangebied ligt op een hoogte van ca. 13,5 m + N.A.P.
Oppervlaktewatersysteem
Binnen het plangebied, of in de nabije omgeving van het plangebied, is geen oppervlaktewater gelegen. Wel ligt een deel van het plangebied binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de berging van rivierwater. Dit is omdat de kern van Ven-Zelderheide gelegen is binnen de zogenaamde Lob van Gennep, een uitloopgebied van de Maas dat ten westen van het plangebied ligt. Dit heeft geen directe gevolgen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen (3.1.2).
Verder zijn er geen watergangen of andere belangen van het waterschap Limburg in de directe omgeving van het planvoornemen gelegen.
Hemelwater
Momenteel is er sprake van verharding op het plangebied. Deze verharding betreft in totaal 1.965 m2; de woning op de locatie is reeds gesloopt en deze grond ligt braak. Deze verharding betreft het dorpscentrum, de toegangsweg en de parkeervoorzieningen.
Natuurwaarden
Het plangebied is niet gelegen binnen een natuurbeschermingszone.
Europese Kaderrichtlijn Water (2000):
Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. In de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichtingen per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewater binnen 15 jaar na inwerkingtreding moet voldoen aan een ‘goede ecologische toestand’ (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een ‘goede ecologisch potentieel’(GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.
Waterwet:
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Ook vervangt de Waterwet een groot aantal wetten op het gebied van water. Hieruit is op Rijksniveau een Nationaal Waterplan ontwikkeld. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid.
De provincie Limburg heeft een Regionaal Waterplan opgesteld. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving kunnen gemeenten een verbrede zorgplicht op zich nemen. Deze wetgeving maakt het mogelijk om rioolheffing te heffen voor zuiveringstechnisch werk dat door de gemeente (of waterschap/derde) wordt beheerd op grond van de Gemeentewet.
Nationaal Waterplan 2016-2021:
Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld door het kabinet in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte termijn.
Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’:
Voor de fusie van het Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei in 2017 is gezamenlijk het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Dit Waterbeheerprogramma bevat een beschrijving van de algemene ontwikkelingen en succesfactoren. Daarnaast bevat het waterbeheerprogramma een beschrijving van het regionale watersysteem en afwegingen op het gebied van crisisbeheersing.
Naast dit beschrijvende deel van het waterbeheerprogramma bevat het ook een uitvoeringsprogramma voor de periode 2016-2021. Dit programma is uitgesplitst op het gebied van hoogwaterveiligheid, het regionaal watersysteem, zuiveren en waterketens, crisisbeheersing en beleidsinstrumenten.
Het planvoornemen voorziet in de sloop van de nog aanwezige bebouwing op de locatie Kleefseweg 27-29 en de realisatie van een woonontwikkeling van 15 woningen. Deze ontwikkeling heeft waterhuishoudkundige implicaties, die hieronder toegelicht worden.
Grondwater
Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en het voorkomen van schade aan de volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. Zo nodig dient de drooglegging of ontwatering te worden verbeterd (bijvoorbeeld bij lage ligging plangebied of hoge grondwaterstanden). Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlakte waterpeil ligt.
Gezien het maaiveld van het planvoornemen ruim boven het N.A.P. ligt, is het onwaarschijnlijk dat met het planvoornemen problemen ontstaan met betrekking tot wateroverlast. Op de afvoer van hemelwater binnen het grotendeels verharde plangebied wordt ingegaan onder het kopje hemelwater.
Hemelwater
Momenteel is op het plangebied verharding aanwezig van in totaal 1.965 m2 (zie 5.1.1). Met uitvoering van het planvoornemen wordt deze verharding (miniem) vergroot naar een totaal van 2.155 m2. Hierbij dient gesteld te worden dat in de huidige situatie al rekening is gehouden met de sloop van de woning van ca. 155 m2. Voor het plangebied geldt een normering 1:100 voor wateroverlast, zoals vastgesteld in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Dit betekent dat er op het plangebied een bergingseis is van 100 mm/etmaal. Gezien de geringe toename aan verharding op het plangebied, kan geconcludeerd worden dat ook in de toekomstige situatie aan deze bergingseis voldaan kan worden. Hiervoor wordt in het groen een wadi met voldoende bergingscapaciteit aangelegd. Uitgaande van 2.155 m2 verharding en volledige afkoppeling is dit 216 m3.
Binnen het plangebied, in het bijzonder binnen de groenvoorzieningen, is voldoende ruimte aanwezig om in deze benodigde bergingscapaciteit te voorzien. Daarnaast kunnen de parkeerplaatsen met een half verharding (bijvoorbeeld grastegels) worden uitgevoerd, waardoor deze qua verharding maar voor de helft meetellen. De maatregelen om te voorzien in de benodigde bergingscapaciteit worden civieltechnisch verder uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Vuilwater
De woongebouwen worden ieder individueel aangesloten op de bestaande riolering die aanwezig is op locatie. De gemeente Gennep maakt met de beoogde ontwikkelaar afspraken over deze aansluiting op de riolering.
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er worden dus met uitvoering van het planvoornemen geen beschermde oppervlaktewateren geraakt.
Realisatie van het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.
De op 1 juli 2016 in werking getreden Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 deels vervangen als het gaat om archeologie. In de Erfgoedwet is vastgelegd wat onder cultureel erfgoed (waar archeologie onder valt) wordt verstaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet. Voor een aantal onderdelen (onder andere bestemmingsplannen) is voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen.
Ter inventaristatie van de archeologische waarden en het bepalen van beleid om deze archeologische waarden te beschermen, is op 2009 de Archeologische beleidskaart van de gemeente Gennep vastgesteld. Op deze archeologische beleidskaart is het plangebied aan de zuidzijde aangeduid als 'Waarde - Archeologie 3' en aan de noordzijde als 'Waarde - Archeologie 4'. De woonontwikkeling centreert zich voornamelijk binnen de zone 'Waarde - Archeologie 3'. Hier geldt een onderzoeksplicht voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter. Deze grens voor onderzoeksplicht wordt met uitvoering van het planvoornemen overschreden: een archeologisch vooronderzoek is dus noodzakelijk.
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart Gennep met ligging plangebied
Gezien de te verwachte archeologische waarden binnen het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd.Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 bij deze toelichting (d.d. 20 augustus 2021, rapportnummer 14360.002). Uit dit onderzoek is het volgende gebleken.
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting heeft het plangebied een hoge verwachting voor alle periodes vanaf het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de ondergrond binnen het plangebied bestaat uit een verstoorde bovengrond op intacte rivierklei- en rivier-zandafzettingen. De klei- en zandlagen zijn afgezet gedurende het Pleniglaciaal, door de verschillende rivieren die zich in deze periode rondom en binnen het plangebied bevonden. Het reliëf dat door deze afzettingen is gevormd is vanaf het Holoceen nauwelijks gewijzigd. Archeologische sporen en vondsten werden daarom direct onder het maaiveld verwacht met de vondstenlaag in de eerste 30 centimeter beneden het maaiveld. De bovengrond binnen het plangebied is tot 50-70 centimeter onder het maaiveld verstoord. Ter hoogte van boring 102 zet de verstoring zich mogelijk door tot 140 centimeter onder het maaiveld.
Conclusie
De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek naar beneden bijgesteld. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht.
Advies
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven.
Besluit
Naar aanleiding van de conclusies en het advies uit het archeologisch onderzoek is door de bevoegde overheid het plangebied archeologisch vrijgegeven. Dit houdt concreet in dat de dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie uit het vigerende bestemmingsplan daarmee komen te vervallen.
Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Limburg (met ligging plangebied bij rode pijl)
Om de cultuurhistorische waarden op of nabij het plangebied te beschouwen is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg beschouwd. Hieruit blijkt dat het gebied deel uitmaakt van cultuurlandschap en de Kleefseweg een cultuurhistorisch waardevol lijnelement is (weg ouder dan 1806). Met het planvoornemen wordt het aangezicht van het plangebied opgewaardeerd met een groeninpassing die recht doet aan de lijnstructuur van de Kleefseweg. Deze groenstructuur vervangt de verouderde en vervallen gevel van het huidige gemeenschapshuis en het braakliggend terrein. De te slopen bebouwing van het gemeenschapshuis dateert uit de jaren '70 van de vorige eeuw en heeft geen cultuurhistorische waarden. Er komen met uitvoering van het planvoornemen geen overige cultuurhistorische waarden in het geding. Gelet hierop levert het aspect cultuurhistorie geen belemmering op voor het planvoornemen.
Voor een goede ruimtelijke ordening is een goede infrastructurele onderbouwing van het planvoornemen van belang. In deze paragraaf wordt ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren. Hierbij wordt getoetst aan het geldende toetsingskader van de gemeente, in dit geval het Paraplubestemmingsplan parkeren Gemeente Gennep dat de nota Parkeernormen Gennep 2015 omvat.
Parkeren
In de nota Parkeernormen Gennep 2015 worden in bijlage 3 de parkeernormen verduidelijkt voor verschillende functies binnen de gemeente. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Ven-Zelderheide, waardoor gerekend kan worden met de parkeernormen voor 'rest bebouwde kom'. Voor de functie 'woonhuis' wordt een vaste parkeernorm van 2,0 gegeven, waardoor de ontwikkeling dient te voorzien in minimaal 30 parkeerplaatsen om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormeringen. In paragraaf 2.4 is te zien dat aan deze parkeernormering kan worden voldaan binnen de begrenzing van het plangebied. Binnen het plangebied wordt namelijk in 40 parkeerplaatsen voorzien.
Echter in de 'oude situatie' werd binnen het plangebied ook voorzien in het parkeren voor het voetbalveld aan de noordzijde van het plangebied. Dit voetbalveld wordt , zoals ook al aangegeven in paragraaf 4.3, incidenteel gebruik door een voetbalteam van het plaatselijk café. Er is hiermee geen sprake van een volwaardig veldsportcomplex en de leden van het voetbalteam zijn overwegend woonachtig binnen de kern Ven-Zelderheide. De leden komen overwegend te voet of met de fiets. Alleen de bezoekende ploeg komt met de auto. Het gaat hierbij om een beperkt aantal auto's (maximaal 5 stuks) bij alleen thuiswedstrijden op zaterdag. Aangezien binnen het plangebied voorzien wordt in 40 parkeerplaatsen en op basis van de parkeernorm 30 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn, is er sprake van een 'overschot' van 10 parkeerplaatsen. Gezien het incidentele gebruik en de beperkte parkeerbehoefte kan nog steeds worden voorzien in de noodzakelijke parkeerplaatsen voor het gebruik van het voetbalveld. Daarnaast zijn in de directe omgeving binnen een straal van 100 meter (langs de Kleefseweg) van het plangebied voldoende mogelijkheden om te parkeren.
Verkeer
Naast dat het planvoornemen dient te voldoen aan de geldende parkeernormeringen, moet er ook sprake zijn van een nieuwe aanvaardbare infrastructurele situatie. Gennep wordt conform het CBS aangeduid als een weinig stedelijke gemeente. Wanneer gerekend wordt met de verkeersgeneratienormen voor rest bebouwde kom, weinig stedelijk, kan een verkeersgeneratie verondersteld worden van 7,8 * 15 = 117 verkeersbewegingen/etmaal (maximum).
In de huidige situatie voorziet het dorpscentrum met dezelfde uitgangspunten (en een bvo van ca. 440 m2) in de berekening van de verkeersgeneratie in een verkeersgeneratie tussen de volgende waardes (minimum/maximum):
Dit is, zelfs als uitgegaan wordt van een minimum verkeersgeneratie voor het dorpscentrum, een fors hogere verkeersgeneratie dan in de nieuwe situatie. Er vindt dus met uitvoering van het planvoornemen een afname plaats van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied.
Gezien het plangebied gelegen is aan de doorgaande Kleefseweg en er (naar verwachting) sprake is van een afname van en naar het plangebied, zijn er geen infrastructurele problemen te verwachten en blijft de verkeersveiligheid ter plaatse gewaarborgd. Met het planvoornemen wordt de bestaande toegangsweg naar de locatie gehandhaafd.
Conclusie
Het planvoornemen voldoet aan de parkeernormen zoals gesteld in het Paraplubestemmingsplan parkeren Gemeente Gennep. Ook zijn er geen infrastructurele problemen te verwachten. Gelet hierop levert het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen op voor het planvoornemen.
Op de verbeelding is met behulp van de methode uit SVBP 2012 de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding brengt de planregels in beeld. De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken:
1. Inleidende regels
Dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel 'begripsbepalingen' waarin is toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is 'Wijze van meten', waarin is aangegeven hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten.
2. Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk betreft een nadere verklaring van de regels van de betreffende bestemmingen die op de verbeelding zijn aangegeven. De gehanteerde bestemmingen zijn in paragraaf 6.2 kort toegelicht.
3. Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene bepalingen zijn kort toegelicht in paragraaf 6.3.
4. Overgangs- en slotregels
Binnen de overgangsbepalingen is geregeld dat bouwwerken en plannen die (legaal) bestaan op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt, maar die in strijd zijn met het bestemmingsplan, mogen worden herbouwd mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingplan genoemd. Deze naam moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
Binnen dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen:
De algemene regels omvatten de standaardregels zoals de anti-dubbeltelregel. Voor de regeling binnen dit bestemmingsplan is bovendien het bestaande Gennepse parkeerbeleid opgenomen, als ook de standaard afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels en gebruiksregels.
Naast het toetsen van het bestemmingsplan aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming.
De gemeente is eigenaar van de grond en is voornemens de grond bouwrijp te verkopen ten behoeve van de realisatie van het woningbouwplan. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een grondexploitatie opgesteld. Daarmee is dit plan voorzien van een kostendekking, zijnde de opbrengsten uit grondverkoop. Het opstellen van een exploitatieplan overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening is niet nodig.
Het planvoornemen betreft de realisatie van 15 woningen ter plaatse van een gesloopte woning en het (voormalige) gemeenschapshuis aan de Kleefseweg 27-29 te Ven-Zelderheide. Hierdoor komt de woon- en maatschappelijke functie te vervallen. Er is hierdoor sprake van een kwaliteitsverbetering voor de omliggende woningen. De woningen worden grotendeels gerealiseerd ter plaatse van de voormalige bebouwing en ontsloten vanuit de Kleefseweg zelf en een insteek aan de oostzijde van het plangebied. De ruimtelijke structuur zal hierdoor niet substantieel wijzigen.
Aangezien het planvoornemen ruimtelijk gezien zorgt voor een kwaliteitsverbetering (voorkoming van verpaupering en leegstand) en de woningen invulling geven aan de lokale behoefte naar dergelijke betaalbare woningen voor starters en doorstromers, mag aangenomen worden dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan. Het bestemmingsplan wordt echter wel conform de procedure die voor de herziening moet worden doorlopen ter inzage gelegd.
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. Onderhavige herziening van het bestemmingsplan betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied en het voorkomen van verpaupering en leegstand aan de Kleefseweg 27-29 te Ven-Zelderheide.
Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten:
In het kader van deze procedure kunnen gedurende de ter inzageligging van het ontwerp bestemmingsplan (fase b) zienswijzen worden ingesteld. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.
Tot de voorbereiding van dit bestemmingsplan behoort het overleg met de daarvoor in aanmerking komende instanties. Instanties die blijkens hun werkterrein belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben, worden bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Aangezien het de herontwikkeling betreft van een locatie binnen bestaand bebouwd gebied van een maatschappelijke functie naar woonfunctie zijn er geen rijks- dan wel provinciale belangen in het geding. De woningen voorzien in de lokale behoefte waarbij voorzien wordt in betaalbare woningen voor starters en doorstromers. Een deel van de woningen zijn gelegen binnen het waterbergend rivierbed. Dit leidt zoals aangeven in paragraaf 3.1.2 niet tot overwegende bezwaren. Het bestemmingsplan is dan ook direct als ontwerp ter inzage gelegd.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 30 september 2021 tot en met 10 november 2021, gedurende 6 weken, ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze kenbaar te maken. Op 21 oktober heeft er een informatieavond plaatsgevonden waar belangstellenden geïnformeerd zijn over dit bestemmingsplan en de bijbehorende bestemmingsplanprocedure. In totaal is er één zienswijze ingediend. Het betreft een zienswijze van Rijkswaterstaat. Naar aanleiding van deze zienswijze is de toelichting in paragraaf 3.1.2 aangevuld.
Het bestemmingsplan is in de raadsvergadering van 31 januari 2022 gewijzigd vastgesteld.