direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het verankeren van de functieverandering van meerdere deellocaties van voormalige (intensieve) veehouderijen naar wonen c.q. agrarische bedrijven (niet zijnde veehouderijen, waarbij gebruiksgerichte paardenhouderijen niet aangemerkt worden als veehouderijen) en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22I]) van het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L.). Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22I] van het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L.). In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22I.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22I.]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat (vangnetbepaling)

De regels in afdeling 22.2 van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan), en afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.

1.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.

2.2 aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.99 gehanteerd;

2.3 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij] met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01 van de gemeente Bergen (L.)

2.4 TAM-omgevingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

2.5 omgevingsplan gemeente Bergen (L)

het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;

2.6 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.7 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.8 aangebouwd bijbehorend bouwwerk

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

2.9 aan-huis-verbonden bedrijf

het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten;

2.10 aan-huis-verbonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;

2.11 afhankelijke woonruimte

een (aangebouwd) bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding gehuisvest is;

2.12 agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

gemengd agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf met activiteiten die door de aard functioneel aan het buitengebied gebonden zijn, of waarvan de activiteiten zijn gericht op het buitengebied, zoals een agrarisch technisch hulpbedrijf, gebruiksgerichte paardenhouderij en recreatieve activiteit.

2.13 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden);

2.14 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden);

2.15 archeologisch onderzoek

een onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een certificaat ex artikel 5.1 van de Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA). Een archeologisch onderzoek is slechts afgerond zodra een archeologisch rapport ter goedkeuring aan de gemeente kan worden overlegd.

2.16 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.17 bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd door gebouwen en overkappingen;

2.18 bed & breakfast

het bieden van recreatief nachtverblijf, kortdurend, in de vorm van logies met ontbijt, in het hoofdgebouw of in één van de bestaande bijbehorende bouwwerken;

2.19 bedrijf

elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing van deze regels eveneens als bedrijf aangemerkt;

2.20 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten;

2.21 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering, in overeenstemming met de functie, noodzakelijk is;

2.22 beeldbepalende (monumentale) boom

een uit stedenbouwkundig, landschappelijk, cultuurhistorisch, natuurlijk of ecologisch oogpunt belangrijke boom. Een meestal solitaire, goed geproportioneerde boom (soms in semi-bosverband of op een erf), met een leeftijd van vaak meer dan 100 jaar en een grote omvang; daardoor visueel zeer opvallend;

2.23 bestaand
  • a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of mag worden gebouwd op grond van een bouwvergunning of omgevingsvergunning;
  • b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
2.24 bijbehorend bouwwerk

een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

2.25 bijbehorende voorziening

zaken ter ondersteuning van een adequate bedrijfsvoering, zoals een mestbe- en verwerkingsinstallatie voor het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, luchtwassers, wasplaatsen, weg- en waterbouwkundige voorzieningen danwel energievoorzieningen;

2.26 bijzondere huisvesting

huisvesting in een woning zonder dat sprake is van een regulier huishouden, zoals kamerverhuur, huisvesting van seizoensarbeiders en bijzondere woonvormen voor mensen met sociale, lichamelijke of geestelijke beperkingen waarvoor de woningen beschikken over speciale voorzieningen danwel waarbij de bewoners professionele ondersteuning kunnen krijgen om zelfstandig te kunnen wonen;

2.27 bos

een grondoppervlakte waarvan bomen en houtachtige struiken de belangrijkste structuur uitmaken, waartoe een eigen flora en fauna behoort, en die verder als levensgemeenschap gekarakteriseerd wordt door bestendigheid, wederzijdse beïnvloeding en inwerking op de omgeving;

2.28 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.29 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.30 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd en dat een oppervlakte beslaat van meer dan 50 % van het grondvlak van het hoofdgebouw, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

2.31 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.32 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel;

2.33 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.34 bouwwerk

een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van functie hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;

2.35 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk en/of gebied of beplanting toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van gronden en gebouwen, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegenpatronen of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan:

  • a. de stedenbouwkundige waarden of waarden van de gebouwde (of: bebouwde) omgeving;
  • b. de landschapswaarden, natuurlijke waarden, aardkundige waarden of historisch-geografische waarden.
2.36 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.37 energieopwekking voor eigen gebruik

het opwekken van duurzame energie teneinde (geheel of gedeeltelijk) te kunnen voorzien in het energieverbruik van de ter plaatse toegelaten gebruiksactiviteiten van het ter plaatste gevestigde huishouden c.q. bedrijf;

2.38 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het TAM-omgevingsplan deze inrichting niet verbiedt;

2.39 erf- en terreinafscheiding met een open constructie (niet zijnde gaasnet hekwerk)

een erf- of terreinafscheiding met een constructie die voor ten minste 80% open is, zoals palen met draad en hekwerken met planken waarbij voldoende ruimte tussen de planken vrij blijft;

2.40 extensief recreatief medegebruik

recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving, zoals wandelen, vissen en fietsen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, bankjes, of een loopbrug;

2.41 gebouw

een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.42 gebruiksgerichte paardenhouderij

het houden van paarden en pony´s ten behoeve van het gebruiken van deze dieren, zoals ten behoeve van pensionstallen, verhuurbedrijven, rijscholen en maneges.

2.43 geomorfologische waarden

landschappelijke waarden, die samenhangen met de ontstaansgeschiedenis van de grond en die herkenbaar zijn in het bodemreliëf;

2.44 groenvoorziening

ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen, erfbeplantingen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren;

2.45 herbouw

het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was;

2.46 hoofdgebouw

een gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

2.47 huishouden

een persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;

2.48 hydrologisch neutrale ontwikkeling

een ontwikkeling waarbij maatregelen worden getroffen zodat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding ten opzichte van de uitgangssituatie. Dit betekent in ieder geval dat in de nieuwe situatie geen hemelwater wordt afgevoerd, maar dat dit lokaal wordt geïnfiltreerd en/of gebruikt;

2.49 inrichtingsplan

een plan, bestaande uit één of meer kaartbeelden, indien nodig vergezeld van een toelichtende tekst, waarin de landschappelijke inpassing en, voor zover vereist, de ruimtelijke kwaliteitsverbetering zijn vastgelegd in relatie tot de nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden;

2.50 kampeermiddel

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, een chalet of een trekkershut, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

2.51 kampeerterrein

een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;

2.52 kunstwerk

een overig bouwwerk ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;

2.53 kwaliteitscommissie

de commissie (of diens opvolger) belast met de advisering van het bevoegd gezag over de landschappelijke inpassing van (bouw-)activiteiten en compensatie- maatregelen. Een en ander zoals vastgelegd in de 'Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022';

2.54 landbouwhuisdier

zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;

2.55 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur. De volgende (landschaps)elementen maken hier in elk gevel deel van uit: houtsingels, houtwallen, laanbeplantingen, oude akkers en monumentale, beeldbepalende bomen;

2.56 landschappelijke inpassing

inpassing in het omringende landschap door bij de situering van bebouwing in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen;

2.57 locatiegrens

de grens van een locatievlak;

2.58 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak die is aangewezen voor een gebruiksdoel;

2.59 mestbassin

een reservoir of een aarden put bekleed met folie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven en wordt omgeven door een grondwal ten behoeve van de opslag van drijfmest;

2.60 mestbewerking

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding;

2.61 mestverwerking

de behandeling van dierlijke mest zonder noemenswaardige veranderingen aan het product teweeg te brengen, zoals mengen, roeren, homogeniseren en verwijderen van vreemde objecten;

2.62 milieucategorie

een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.

2.63 natuurlijke waarden

waarden in verband met de aanwezigheid van of potentiële mogelijkheden voor bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid, zeldzaamheid, natuurlijkheid, ongestoordheid en kenmerkend voor het gebied;

2.64 natuurgebied

een gebied met opvallende eigenschappen als het gaat om flora, fauna, geologische of landschappelijke gesteldheid, zoals tot uiting komt in een grote uitgestrektheid of biodiversiteit. Voorbeelden zijn beschermde landschappen en nationale parken;

2.65 nieuwbouw

het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan geen bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was;

2.66 nutsvoorziening

een bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport, de telecommunicatie, het transport van drinkwater en afvalwater en daarmee vergelijkbare voorzieningen, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuis en een verdeelstation;

2.67 ondergeschikte detailhandel

detailhandel die als activiteit naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de volgens het TAM-omgevingsplan toegestane hoofdfunctie;

2.68 ondergeschikte horeca

horeca die als activiteit naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de volgens het TAM-omgevingsplan toegestane hoofdfunctie;

2.69 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden

werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden;

2.70 onderkomens

voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun functie onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, chalets, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf;

2.71 opslag

het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel;

2.72 oude akkers

agrarische gronden, tenminste sedert de middeleeuwen in gebruik als akker, zowel in combinatie als grote velden of als kleinere kampen; altijd gelegen op de drogere en van nature meest voedselrijke grond;

2.73 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enig omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

2.74 overkapping

een overig bouwwerk omsloten door maximaal 3 wanden waarvan maximaal 1 eigen wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport;

2.75 paardenbak

een onoverdekt terrein, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining, bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden;

2.76 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

2.77 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de kruinstrook van die weg;
  • b. voor bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'peil': de hoogte ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP) zoals aangegeven door middel van de aanduiding 'peil';
  • c. in andere gevallen en voor overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • d. voor stacaravans: de bovenzijde van de begane grondvloer.
2.78 permanente bewoning

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

2.79 plattelandswinkel

een winkel waarin verkoop plaatsvindt van agrarische producten die ter plekke of in de directe omgeving van de plattelandswinkel vervaardigd of bewerkt worden.

2.80 plattelandswoning

een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en die niet wordt beschermd tegen de milieugevolgen van het (voorheen) bijbehorend agrarisch bedrijf; e.e.a. zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving voor 'gebouwen met een voormalige functionele binding'.

2.81 recreatiewoning

een gebouw of gedeelte van een gebouw dat periodiek dient als recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben;

2.82 reëel agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf dat nu of op redelijke termijn voldoende werk en inkomen kan opleveren voor één volwaardige arbeidskracht die in duurzaam hoofdberoep aan het bedrijf is verbonden;

2.83 ruimtelijke kwaliteitsverbetering

verbetering van de kwaliteit van het buitengebied als tegenprestatie voor een ruimtelijke ontwikkeling, die verder gaat dan een landschappelijke inpassing van die ruimtelijke ontwikkeling, door het treffen van fysieke maatregelen die de stedenbouwkundige, landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en/of recreatieve waarden van het buitengebied versterken, waaronder de aanleg van natuur, de aanleg of het herstel van landschapselementen, de renovatie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, de sloop van bebouwing en het verwijderen van verharding;

2.84 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.85 stacaravan

een zelfstandig verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, die gedurende meerdere jaren op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en als kampeermiddel valt aan te merken;

2.86 standplaats

onder een standplaats wordt verstaan:

vaste standplaats:
een plaats die op een vaste dag in de week, vaste dagen in de week, of de gehele week zijn aangewezen voor het innemen gedurende het hele jaar. De frequentie van het aantal dagen in de week is ondergeschikt, maar kent wel een minimum van één volledige dag.

incidentele standplaats:
een plaats op een locatie die voor een vooraf bepaalde duur van maximaal 28 dagen per kalenderjaar op één of meerdere dagen, maximaal 6 aaneengesloten, in de week wordt ingenomen.

2.87 stedenbouwkundig beeld

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte;

2.88 stedenbouwkundige waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situering en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied (tot uitdrukking komend in de bouwmassa, hoogtematen, dakvorm en gevelopbouw);

2.89 teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen. Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, containervelden, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten. Onder teeltondersteunende voorzieningen worden geen kassen verstaan;

2.90 tuin

niet bebouwde grond, die is ingericht met planten zoals gras, bloemen, struiken en bomen en waarvan de volgende voorzieningen deel kunnen uitmaken: paden, verhardingen, vijvers, sloten en parkeervoorzieningen;

2.91 veehouderij

een agrarisch bedrijf waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt door het houden van landbouwhuisdieren;

2.92 voorgevel
  • a. de naar de weg gekeerde, en op de weg georiënteerde zijde van een gebouw;
  • b. indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel: de naar de weg gekeerde gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
2.93 voorgevelrooilijn

de denkbeeldige lijn die getrokken kan worden langs de voorgevel van het hoofdgebouw;

2.94 waterbassin

een voorziening, al dan niet een bouwwerk zijnde, ten behoeve van de opslag of buffering van water;

2.95 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, en inlaten;

2.96 wonen

het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden;

2.97 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;

2.98 woonunit

een geprefabriceerd, demontabel en/of relatief eenvoudig te verwijderen gebouw, bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht (met de basisvoorzieningen) ten dienste van woonverblijf;

2.99 woonwagen

een voor bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 Meetbepalingen

in aanvulling op en, indien van toepassing, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Bergen, gelden de meetbepalingen van Artikel 3:

3.2 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

3.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 bouwhoogte van een windmolen
  • horizontale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de ‘straal’ (=diameter x 0,5) van de rotor.
  • verticale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de rotorhoogte.

Ashoogte: de hoogte gemeten vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein.

3.5 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.6 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.8 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren).

3.9 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

3.10 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.11 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. locatiegrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Agrarisch

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch.

4.2 Functieomschrijving
4.2.1 Algemeen

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch heeft de volgende functies:

  • a. de uitoefening van een reëel agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen;
  • b. agrarisch grondgebruik;
  • c. beweiden van grasland;
  • d. teeltondersteunende voorzieningen die geen bouwwerken zijn;
  • e. een boerderijwinkel;
  • f. bedrijfswoningen met bijbehorend erf en tuin;
  • g. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen;
  • h. aan-huis-verbonden bedrijven met de daarbij behorende voorzieningen;
  • i. ondergeschikte horeca;
  • j. extensief (dag)recreatief medegebruik;
  • k. groenvoorzieningen en water;
  • l. paden en wegen;
  • m. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • n. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden, zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 5 opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omschreven in de in bijlagen 6 en 7 opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden (geomorfologie), waarbij het bepaalde in artikel 12 van toepassing is;
  • o. behoud en herstel van elementen met landschappelijke waarde zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 8 opgenomen Kaart Landschappelijke waarden, waarbij het bepaalde in artikel 13 van toepassing is.

4.2.2 Nadere detaillering
a Boerderijwinkel

Het maximum oppervlak van een boerderijwinkel als bedoeld in artikel 4.2 onder e bedraagt 30 m2.

b Aan-huis-verbonden-bedrijf
  • a. Een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in artikel 4.2 onder h is een bedrijf uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als Bijlage 1 aan de regels is toegevoegd;
  • b. Het maximum oppervlak van een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in artikel 4.2 onder h bedraagt 60 m2 en moet qua aard en uitstraling ondergeschikt zijn aan het agrarische bedrijf.

c Ondergeschikte horeca

Ondergeschikte horeca als bedoeld in artikel 4.2 onder i is horeca uit categorie 1 tot een oppervlak van maximaal 30 m2, alsmede een terras tot een oppervlak van maximaal 30 m2;

4.3 Gebruiksactiviteit
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die:

  • a. niet ten dienste staat van de in artikel 4.2.1 genoemde functies van de gronden; en
  • b. niet in overeenstemming is met de in artikel 4.3.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.

4.3.2 Teeltondersteunende voorzieningen

Teeltondersteunende voorzieningen die geen bouwwerken zijn, zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan.

4.3.3 Paardenbakken

Paardenbakken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.

4.3.4 Veehouderijen
  • a. Het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven als zijnde een veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - veehouderij' is uitgesloten met uitzondering van:
    • 1. Het houden van paarden binnen een gebruiksgerichte paardenhouderij;
    • 2. Het hobbymatig houden van dieren;
  • b. De ammoniakemissie afkomstig van het houden van dieren, voor zover toegestaan op basis van het bepaalde onder a, mag niet hoger zijn dan de ammoniakemissie zoals bepaald in bijlage 2 voor de betreffende bedrijfslocatie met vermelde diercategorieën en dieraantallen.

4.4 Bouwactiviteit
4.4.1 Algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 4.2.

4.4.2 Beoordelingsregels
a Bouwwerken binnen het bouwvlak - bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor bedrijfsgebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak, gelden de volgende regels:

  • a. de voorgevels van bedrijfsgebouwen en overkappingen moeten in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van bedrijfsgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  • c. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 13 m;
  • d. bedrijfsgebouwen moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°.

b Bouwwerken binnen het bouwvlak - bedrijfswoning(en)

Voor bedrijfswoningen binnen het bouwvlak, gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  • b. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • c. de voorgevel van de bedrijfswoning moet in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • d. in geval van herbouw moet het aantal woningen gelijk blijven en moet de bedrijfswoning op de bestaande locatie terug gebouwd worden.
  • e. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  • f. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • g. een bedrijfswoning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15º;
  • h. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 800 m³, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning reeds groter is in welk geval de bestaande inhoud als maximum geldt.

c Bouwwerken binnen het bouwvlak - bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen binnen het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, mag niet meer bedragen dan 125 m²;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag, aanvullend op de oppervlakte zoals bepaald onder a, niet meer bedragen dan 30 m²;
  • c. bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden opgericht;
  • d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • f. bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°.

d Bouwwerken binnen het bouwvlak - Silo's en platen
  • a. Voor het bouwen van silo's en platen gelden de volgende regels:
    • 1. mestsilo's, voersilo's, sleufsilo's en watersilo's, alsmede mest- en voerplaten zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
    • 2. de goothoogte van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 5 m;
    • 3. de doorsnee van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 27 m;
    • 4. de bouwhoogte van een voedersilo mag niet meer bedragen dan 12 m;
    • 5. de bouwhoogte van een sleufsilo mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a zijn bestaande (mengvoer- maar ook overige) silo's en andere bouwwerken, niet zijnde teeltondersteunende voorzieningen, toegestaan indien die legaal zijn gerealiseerd.

e Bouwwerken buiten het bouwvlak - Veldschuren en schuilgelegenheden

Voor het bouwen van veldschuren en schuilgelegenheden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50 m² per agrarisch bedrijf;
  • b. de afstand van de bouwwerken tot de gronden met de functie 'Verkeer' moet ten minste 25 m bedragen in geval van provinciale wegen;
  • c. de goothoogte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • d. de bouwhoogte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • e. de bouwwerken worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°.

f Bouwwerken binnen en buiten het bouwvlak - bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken ten behoeve van de bewerking en/of verwerking van mest afkomstig van derden zijn niet toegestaan;
  • b. teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • c. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen of hekwerken binnen het bouwvlak bedraagt:
    • 1. voor de voorgevelrooilijn 1 m;
    • 2. achter de voorgevelrooilijn 2 m.
  • d. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen of hekwerken buiten het bouwvlak bedraagt 1,5 m met dien verstande dat erfafscheidingen of hekwerken moeten bestaan uit een open constructie;
  • e. de maximum bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.

4.4.3 Afwijken van de beoordelingsregels
a Sleufsilo's
  • a. Het bevoegde gezag is bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 d onder a teneinde sleufsilo's, in de zin van bouwwerken, buiten het bouwvlak op te richten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. er is aangetoond dat de sleufsilo's niet gerealiseerd kunnen worden binnen het bouwvlak;
    • 2. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
    • 3. de sleufsilo's worden aansluitend aan het bouwvlak opgericht;
    • 4. de sleufsilo's worden niet voor (het verlengde) van de voorgevel opgericht;
    • 5. de sleufsilo's worden landschappelijk ingepast;
    • 6. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m;
    • 7. er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
  • b. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit Omgevingsplan de gegevens en bescheiden verstrekt die voor het bevoegd gezag noodzakelijk zijn om de beoordeling aan de voorwaarden van lid a te kunnen doen.

b Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
  • a. Het bevoegde gezag is bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 f onder b teneinde tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, in de zin van bouwwerken, buiten het bouwvlak op te richten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. er is aangetoond dat het redelijkerwijs niet mogelijk is de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren binnen het bouwvlak';
    • 2. de voorzieningen uitsluitend aanwezig zijn zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden;
    • 3. de landschappelijke waarden, met name in de zin van de karakteristieke openheid van agrarisch gebied met weinig bebouwing, niet onevenredig mogen worden aangetast;
    • 4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    • 5. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond;
    • 6. de maximum bouwhoogte van boogkassen bedraagt 4 m.
  • b. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit Omgevingsplan de gegevens en bescheiden verstrekt die voor het bevoegd gezag noodzakelijk zijn om de beoordeling aan de voorwaarden van lid a te kunnen doen.

4.4.4 Maatwerkvoorschriften

Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit;
  • b. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  • c. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  • d. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  • e. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.

4.5 Omgevingsplanactiviteit
4.5.1 Aan-huis-verbonden bedrijf en nevenactiviteiten
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:
    • 1. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan deze bedrijfsactiviteiten;
    • 2. het uitoefenen van ondergeschikte nevenactiviteiten naast de agrarische bedrijfsfunctie, in de zin van een bed & breakfast of een plattelandswinkel.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van de gronden worden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. een en ander is uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar;
    • 3. er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen;
    • 4. het betreft een nevenactiviteit bij een functionerend agrarisch bedrijf;
    • 5. er ontstaat geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen;
    • 6. de bedrijfsoppervlakte die voor alle nevenactiviteiten tezamen wordt benut, bedraagt maximaal 30 % van het totale bedrijfsoppervlak van de bedrijfsgebouwen;
    • 7. er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking;
    • 8. er wordt zorg gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    • 9. parkeren vindt op eigen terrein plaats;
    • 10. er vindt geen buitenopslag en/of buitenstalling plaats;
    • 11. voor bed & breakfast gelden daarnaast de volgende voorwaarden:
      • er is geen sprake van zelfstandige ruimten/units met eigen keukenblok;
      • er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor het nuttigen van het ontbijt;
      • degene die gebruik maakt van de hoofdbestemming, is ook degene die de bed & breakfast exploiteert;
      • het aantal kamers bedraagt maximaal 3 en het aantal bedden binnen de voorziening bedraagt maximaal 6;
      • de maximale oppervlakte van een kamer bedraagt 50 m2;
      • de bed & breakfast mag worden opgericht in het hoofdgebouw of een bestaand bijbehorend bouwwerk.
    • 12. de verkoopvloeroppervlakte van een plattelandswinkel mag niet meer bedragen dan 200 m2.

4.5.2 Plattelandswoning
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de bestaande agrarische bedrijfswoning te gebruiken als plattelandswoning;
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het agrarisch bedrijf waartoe de woning behoorde, wordt voortgezet;
    • 2. er wordt aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de woning.

4.5.3 Paardenbakken
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak;
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan;
    • 2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden;
    • 3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
    • 4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    • 5. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
      • de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
      • afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.

4.5.4 Ondergeschikte horeca
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het vergroten van de oppervlakte voor ondergeschikte horeca uit categorie 1 of voor het toestaan van ondergeschikte horeca uit categorie 2.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het gebruik moet aanvaardbaar zijn vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk, milieuhygiënisch en cultuurhistorisch perspectief;
    • 2. er mag geen beperking ontstaan voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen;
    • 3. degene die gebruik maakt van de hoofdbestemming, is ook degene die de horeca uitoefent;
    • 4. er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking;
    • 5. parkeren vindt plaats op eigen terrein;
    • 6. de bedrijfsoppervlakte die voor horeca wordt benut, bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak aan gebouwen, tot een maximum van 50 m2;
    • 7. het gebruik van de grond (anders dan voor bebouwing) ten behoeve van horeca bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak van het perceel, tot een maximum van 50 m2.

4.5.5 Bijzondere huisvesting
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning het hoofdgebouw te gebruiken voor bijzondere huisvesting.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het aantal te huisvesten werknemers maximaal 10 bedraagt;
    • 2. parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

4.6 Aanlegactiviteit
4.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten buiten het bouwvlak uit te (laten) voeren:

  • a. het dempen, graven en vergraven van watergangen en het aanleggen van dammen en bruggen;
  • b. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m2 per agrarisch bedrijfsperceel;
  • c. het aanleggen van waterbassins en mestbassins voor zover deze niet zijn aan te merken als bouwwerken;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de functie gerichte gebruik van de grond.
  • e. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  • f. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging.

4.6.2 Uitzondering vergunningplicht

Het in 4.6.1 genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden:

  • a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding het plan legaal in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.

4.6.3 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:

  • a. door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied;
  • b. er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn;
  • c. en voor zover de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden op of in de gronden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 8 opgenomen Kaart Landschappelijke waarden.

Artikel 5 Wonen

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen.

5.2 Functieomschrijving
5.2.1 Algemeen

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk;
  • c. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk;
  • d. erven en tuinen;
  • e. groenvoorzieningen en water;
  • f. paden en wegen;
  • g. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 5 bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omschreven in de in de bijlagen 6 en 7 bij deze regels opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden (geomorfologie).

5.2.2 Nadere detaillering
a Aantal woningen en soort woningen

Per locatievlak dat is aangewezen als wonen is maximaal één woning toegestaan.

5.3 Gebruiksactiviteit
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die:

  • a. niet ten dienste staat van de in artikel 5.2.1 genoemde functies van de gronden; en
  • b. niet in overeenstemming is met de in artikel 5.2.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.

5.4 Bouwactiviteit
5.4.1 Algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 5.2.

5.4.2 Beoordelingsregels
a Woningen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

  • a. indien binnen een locatievlak een bouwvlak aanwezig is, mogen woningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de inhoud van een woning, exclusief bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 800 m³, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, in welk geval die bestaande vergunde inhoud als maximum geldt;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b geldt de inhoudslimiet van 800 m3 niet voor langgevelboerderijen en voor cultuurhistorisch en/ of architectonisch waardevolle bebouwing die qua bouwmassa één geheel vormt met het hoofdgebouw, met dien verstande dat deze bedrijfsruimten bij de woning mogen worden getrokken, waarbij het aantal woningen gelijk moet blijven;
  • d. de goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  • e. de bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • f. bij aangrenzende locatievlakken die zijn aangewezen als 'Wonen' moet de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 5 m bedragen;
  • g. de woning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°;
  • h. in geval van herbouw moet het aantal woningen gelijk blijven en moet de woning op de bestaande locatie binnen het locatievlak worden terug gebouwd;
  • i. in geval van nieuwbouw moet de voorgevel van een woning worden gebouwd op minimaal 3 m achter de naar de weg gekeerde grens van het locatievlak.

b Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 125 m² met dien verstande dat:
    • 1. indien sprake is van voormalige agrarische bedrijfsruimten op het bouwperceel van meer dan 125 m2 (al dan niet na gedeeltelijke sloop daarvan) er geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht.
    • 2. indien sprake is van voormalige agrarische bedrijfsruimten op het bouwperceel van minder dan 125 m2 (al dan niet na gedeeltelijke sloop daarvan) dan mag de gezamenlijke oppervlakte van de voormalige agrarische bedrijfsruimten en de vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 125 m2;
  • b. bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de woning worden opgericht;
  • c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • e. de bijbehorende bouwwerken moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°;
  • f. voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende regels:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag, aanvullend op de oppervlakte zoals bepaald in artikel 6.4.2 b onder a, niet meer bedragen dan 30 m2;
    • 2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan 4 m;
  • g. indien de bestaande maatvoering (inhoud, oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte) van de bijbehorende bouwwerken afwijkt van het bepaalde onder a t/m f geldt de bestaande maatvoering als maximum maatvoering.

c Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • c. voor overkappingen gelden de regels zoals opgenomen in artikel 6.4.2 b onder f;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, niet zijnde zonnepanelen, mag niet meer bedragen dan 5 m.

5.4.3 Maatwerkvoorschrift

Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit;
  • b. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  • c. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  • d. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  • e. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.

5.5 Afwijken van beoordelingsregels
5.5.1 Vergroten woning en bijbehorende bouwwerken
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 6.4.2 a en artikel 6.4.2 b voor het vergroten van de inhoud van een woning en/of het vergroten van de toegestane oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, mits:
    • 1. het locatievlak dat is aangewezen als 'Wonen' voor ten hoogste 20 % wordt bebouwd, tot een absoluut maximum van 1.000 m2;
    • 2. de verruiming van de bouwmogelijkheden aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk en cultuurhistorisch oogpunt;
    • 3. sprake is van een goede landschappelijke inpassing en van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering die in verhouding staat tot de verruiming van de bouwmogelijkheden, waarvoor geldt dat:
      • ten behoeve van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitsverbetering een inrichtingsplan wordt opgesteld waarmee burgemeester en wethouders instemmen;
      • het inrichtingsplan moet voldoen aan het keuzemenu voor ontwerpprincipes cultuurhistorische waarden en landschapselementen zoals opgenomen in de bijlage 9 bij deze regels;
      • burgemeester en wethouders ten behoeve van de beoordeling van het inrichtingsplan advies kunnen inwinnen bij de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit.
    • 4. de bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd;
    • 5. de verruiming van de bouwmogelijkheden vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is;
    • 6. de verruiming van de bouwmogelijkheden niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 7. de natuurlijke waarden niet worden aangetast;
    • 8. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
  • b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

5.5.2 Verplaatsing woning
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 a onder i voor het verplaatsen van de locatie van de woning bij herbouw, mits:
    • 1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is;
    • 2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden;
    • 3. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 4. voldaan wordt aan de bepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving op het gebied van geluidhinder.
  • b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

5.5.3 Splitsing woning
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.2.2 a voor het splitsen van bestaande hoofdgebouwen in meerdere wooneenheden, mits:
    • 1. splitsing uitsluitend is toegestaan indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; of hiervan sprake is kan in overleg met de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit worden bepaald;
    • 2. de bouwmassa niet toeneemt;
    • 3. de woningen afzonderlijk een inhoud van ten minste 450 m3 hebben;
    • 4. de oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor de gesplitste woningen tezamen niet meer bedraagt dan de oppervlakte die voor de oorspronkelijke woning is toegestaan op grond van het bepaalde in artikel 5.4.2 a;
    • 5. woningsplitsing in combinatie met herbouw niet is toegestaan;
    • 6. de woningsplitsing niet leidt tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven;
    • 7. de woningsplitsing vanuit milieuhygiënisch en natuurlijk oogpunt aanvaardbaar is.
  • b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

5.5.4 Verkleining afstand tot zijdelingse perceelsgrens
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 a onder g om het bouwen van hoofdgebouwen op een kleinere afstand van de zijdelingse perceelsgrens toe te staan, mits:
    • 1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is;
    • 2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden;
    • 3. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 4. voldaan wordt aan de bepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving op het gebied van geluidhinder.
  • b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

5.5.5 Bouwen voor de voorgevelrooilijn
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 b onder b om het bouwen van bijbehorende bouwwerken voor de voorgevelrooilijn toe te staan, mits:
    • 1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is;
    • 2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden;
    • 3. ten behoeve van de beoordeling van de stedenbouwkundige en planologische aanvaardbaarheid en landschappelijke waarde, advies kan worden ingewonnen bij de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit;
    • 4. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 5. voldaan wordt aan de bepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving op het gebied van geluidhinder.
  • b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

5.5.6 Zonnepanelen
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 5.4.2 c om het bouwen van zonnepanelen bij de woning toe te staan, mits:
    • 1. het gaat om grondgebonden zonnepanelen binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 10 bij deze regels opgenomen 'geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' dan wel diens rechtsgeldige opvolger;
    • 2. wordt aangetoond dat de zonnepanelen niet op het dak kunnen worden geplaatst vanwege de constructie of beschikbare ruimte;
    • 3. de oppervlakte aan zonnepanelen niet meer bedraagt dan noodzakelijk om in de eigen energiebehoefte te voorzien;
    • 4. wordt voorzien in een passende landschappelijke inpassing;
    • 5. er geen hinder ontstaat voor nabijgelegen woningen en het verkeer.
  • b. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder a, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid a.

5.6 Omgevingsplanactiviteit
5.6.1 Horeca als nevenactiviteit
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen te gebruiken voor horeca als nevenactiviteit.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. uitsluitend horeca in de categorie 1 is toegestaan;
    • 2. het gebruik moet aanvaardbaar zijn vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk, milieuhygiënisch en cultuurhistorisch perspectief;
    • 3. er mag geen beperking ontstaan voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen;
    • 4. degene die gebruik maakt van de hoofdfunctie, is ook degene die de horeca uitoefent;
    • 5. er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking;
    • 6. parkeren vindt plaats op eigen terrein;
    • 7. de bedrijfsoppervlakte die voor horeca wordt benut, bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak aan gebouwen, tot een maximum van 50 m2;
    • 8. het gebruik van de grond (anders dan voor bebouwing) ten behoeve van horeca bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak van het perceel, tot een maximum van 50 m2.

5.6.2 Aan-huis-verbonden bedrijf en nevenactiviteiten
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te oefenen:
    • 1. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan deze bedrijfsactiviteiten;
    • 2. een ondergeschikte nevenactiviteit in de zin van een bed & breakfast;
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van de gronden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. een en ander uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
    • 3. er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn;
    • 4. het een nevenactiviteit betreft en de woonfunctie de overheersende functie blijft;
    • 5. geen beperking ontstaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen;
    • 6. de oppervlakte die voor alle nevenactiviteiten tezamen wordt benut, mag maximaal 30% van het totale oppervlak van de gebouwen bedragen;
    • 7. er geen sprake is van een grote verkeersaantrekkende werking;
    • 8. er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    • 9. parkeren op eigen terrein plaatsvindt;
    • 10. geen buitenopslag en/of buitenstalling plaatsvindt;
    • 11. voor een bed & breakfast gelden daarnaast de volgende voorwaarden:
      • er is geen sprake van zelfstandige ruimten/units met eigen keukenblok;
      • er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor het nuttigen van het ontbijt;
      • degene die gebruik maakt van de hoofdfunctie, is ook degene die de bed & breakfast exploiteert;
      • het aantal kamers bedraagt maximaal 3 en het aantal bedden binnen de voorziening bedraagt maximaal 6;
      • de maximale oppervlakte van een kamer bedraagt 50 m2;
      • de bed & breakfast mag worden opgericht in het hoofdgebouw of een bestaand bijbehorend bouwwerk.

5.6.3 Paardenbakken
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan;
    • 2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden;
    • 3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
    • 4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    • 5. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
      • de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
      • afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.

5.6.4 Bijzondere huisvesting
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning het hoofdgebouw te gebruiken voor bijzondere huisvesting.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het aantal te huisvesten werknemers maximaal 10 bedraagt;
    • 2. parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 6 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01.

Artikel 7 Aanvraagvereisten

  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L), zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in artikel 22.286 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Bouwactiviteit - algemeen

9.1 Ondergronds bouwen - algemeen
9.1.1 Ondergrondse werken en werkzaamheden

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

9.1.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; indien geen bouwvlak is opgenomen, dan zijn ondergrondse bouwwerken uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw;
  • b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden.

9.1.3 Afwijken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 9.1.2 onder c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 6,5 meter onder peil onder de voorwaarden dat:

  • a. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

9.2 Hydrologisch neutraal bouwen

Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. De aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening moet op eigen terrein plaats vinden en in stand te worden gehouden.

9.3 Parkeren
9.3.1 Beoordelingsregel parkeren op eigen terrein
  • a. Indien uit het gebruik van een bouwwerk een behoefte aan parkeergelegenheid voortvloeit kan alleen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) worden verleend, indien op het bijbehorende bouwperceel in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
  • b. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L).

9.3.2 Afwijken beoordelingsregel parkeren op eigen terrein

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) te verlenen in afwijking van 9.3.1indien:

  • a. er voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied is, of;
  • b. er door andere omstandigheden mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of het bouwwerk zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    • 2. de woon- en leefsituatie.

Artikel 10 Gebruiksactiviteit - algemeen

10.1 Verboden gebruik

Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:

  • a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie;
  • b. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens als coffeeshop;
  • c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan;
  • d. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • e. het inpandig of in de openlucht opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • f. het inpandig of in de openlucht opslaan en/of opgeslagen houden van goederen behoudens voor zover inherent is aan het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • g. het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor tijdelijke of permanente bewoning, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan.
  • h. het innemen van een ligplaats met een vaartuig, waarbij ter plaatse sprake is van horeca-activiteiten, of met een vaartuig dat gebruikt wordt ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie.

10.2 Landschappelijke inpassing (voorwaardelijke bepaling)

Voor de hierna genoemde locaties is het gebruik van de toegevoegde bouw- en/of gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende omgevingsplan, zoals dat gold op de datum van het besluit over het inpassingsplan zoals opgenomen in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van een landschappelijke inpassing en/of van sloop van bebouwing overeenkomstig het inpassingsplan zoals genoemd in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:

  • a. De inpassing wordt gerealiseerd overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel en wordt vervolgens in stand gehouden;
  • b. De sloop vindt plaats overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel.

Tabel landschappelijke inpassing

locatie/adres   datum wijzigingsbesluit omgevingsplan   inpassingsplan en/of sloopverplichting   moet zijn gerealiseerd op  
Beltweg 10   12 mei 2026   sloop en/of inpassing moet geschieden overeenkomstig het inpassingsplan, zoals bij deze regels gevoegd als bijlage 3   1 jaar na onherroepelijk worden TAM-omgevingsplan  
Koekoek 4 en 6   12 mei 2026   sloop en/of inpassing moet geschieden overeenkomstig het inpassingsplan, zoals bij deze regels gevoegd als bijlage 4   1 jaar na onherroepelijk worden TAM-omgevingsplan  

Artikel 11 Afwijken - algemeen

11.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 met betrekking tot:

  • a. de in de regels gegeven (inhouds)maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de regels, en toestaan dat het locatievlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft tot een maximale afmeting van 3 m;
  • c. de regels ten aanzien van de dakhelling van de kap van gebouwen, indien het stedenbouwkundig beeld zich hiervoor leent ten behoeve van een bijzonder gebouw;
  • d. de regels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken, en toestaan dat de bouwhoogte van overige bouwwerken wordt vergroot:
    • 1. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 65 m boven NAP, onder de voorwaarden dat:
      • deze passen binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld ter plaatse;
    • 1. ten behoeve van speelvoorzieningen, beeldende kunst en dergelijke tot maximaal 10 m;
    • 2. ten behoeve van de bouw van andere overige bouwwerken tot 8 m;
  • e. de situering en de begrenzing van bouwpercelen dan wel locatievlakken of functievlakken indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de ingekomen aanvragen nodig zijn ter uitvoering van een plan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak, met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd.
  • f. het gebruiken van bouwwerken en gronden, waarop krachtens de regels van dit TAM-omgevingsplan niet mag worden gebouwd, ten behoeve van de realisering van voorzieningen voor duurzame-energieopwekking, zoals passieve, actieve en fotovoltaïsche zonne-energie en kleinschalige windmolens, waarbij geldt dat:
    • 1. de energieopwekking voor eigen gebruik is;
    • 2. de voorzieningen voor duurzame-energieopwekking worden opgericht binnen een zone van maximaal 100 m aansluitend aan een agrarisch locatievlak dan wel het functievlak 'Bedrijf', 'Recreatie', 'Sport' of 'Wonen';
    • 3. de bouwhoogte van windmolens maximaal 15 m mag bedragen;
    • 4. de bouwhoogte van overige voorzieningen voor duurzame-energieopwekking maximaal 5 m mag bedragen;
    • 5. grondgebonden zonnepanelen uitsluitend zijn toestaan binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 10 bij deze regels opgenomen 'geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' danwel diens rechtsgeldige opvolger;
    • 6. windmolens moeten worden uitgeschakeld bij een snelheid van < 6 m/s;
    • 7. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van de belangen van omwonenden;
    • 8. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van landschappelijke, natuurlijke en/ of cultuurhistorische waarden.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 12 Cultuurhistorische waarden

12.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

12.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in bijlage 5 zijn aangewezen als Cultuurhistorische waarden en in bijlagen 6 en/of 7 zijn omschreven.

12.3 Functieomschrijving

Een locatie die in bijlage 5 is aangewezen als Cultuurhistorische waarden en in bijlagen 6 en/of 7 zijn omschreven heeft mede als functie het behoud en de bescherming van cultuurhistorische waarden.

12.4 Aanlegactiviteit
12.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op of in de gronden, zoals die zijn aangewezen op de in bijlage 5 bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/ of diepploegen van gronden;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het aanleggen of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren;
  • d. het verwijderen van cultuurhistorische elementen;
  • e. het verwijderen van (historische) zandwegen;
  • f. het aanleggen en/of verharden van paden en wegen, parkeerplaatsen en/of andere oppervlakteverharding;
  • g. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering;
  • h. het doorbreken, wijzigen en/of verleggen van bestaande wegen, paden en/of andere (infra)structuren;
  • i. het toevoegen van natuur-/landschapselementen en/of kunstwerken die de in artikel 12.4.1 in de aanhef genoemde aanwezige waarden aan het zicht onttrekken of verstoren, of anderszins schade toebrengen.

12.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 12.4.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen;
  • b. die reeds legaal in uitvoering of vergund waren op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. die plaatsvinden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en bodemgebruik;
  • d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van gebouwen en terreinen met cultuurhistorische en aardkundige waarden.

12.4.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12.4.1 wordt alleen verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

12.4.4 Voorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12.4.1 voorschriften verbinden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren zullen gaan.

Artikel 13 Landschappelijke waarden

13.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

13.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in bijlage 8 zijn aangewezen als Landschappelijke waarden.

13.3 Functieomschrijving

Een locatie die in bijlage 8 is aangewezen als Landschappelijke waarden heeft mede als functie het behoud en de bescherming van landschappelijke waarden.

13.4 Aanlegactiviteit
13.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op of in de gronden, zoals die zijn aangewezen op de in bijlage 8 bij deze regels opgenomen Kaart Landschappelijke waarden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/ of diepploegen van gronden;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verwijderen van (historische) zandwegen;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging.

13.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 13.4.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering of vergund waren op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. die plaatsvinden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en bodemgebruik;
  • d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van landschappelijke waarden.

13.4.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 13.4.1 wordt alleen verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de landschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

13.4.4 Voorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 13.4.1 voorschriften verbinden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren zullen gaan.

Artikel 14 Waarde - Archeologie 5

14.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

14.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologie 5.

14.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 5 heeft mede als functie het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

14.4 Bouwactiviteit
14.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten
  • a. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit Omgevingsplan moet de aanvrager een rapport overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
  • b. In afwijking van het gestelde onder a hoeft de aanvrager van een omgevingsvergunning geen rapport als bedoeld onder a te overleggen, indien:
    • 1. naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld;
    • 2. naar oordeel van het bevoegd gezag een schriftelijke verklaring dan wel een onderzoek naar de verstoorde bodemlagen aantoont dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte;
    • 3. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m2;
    • 4. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm onder maaiveld;
    • 5. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk met een bruto oppervlakte van meer dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van niet meer dan 40 cm onder maaiveld;
    • 6. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte tot 3 m;
    • 7. er sprake is van een reeds legaal in uitvoering zijnde bouwwerk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Omgevingsplan;
    • 8. er sprake is van een bouwwerk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

14.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften
  • a. Indien uit het onder artikel 14.4.1 onder a genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in artikel 14.4.1 onder b sub 1, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  • b. In afwijking van het gestelde onder a verbindt het bevoegd gezag de bedoelde voorwaarden niet aan de omgevingsvergunning, indien de aanvraag betrekking heeft op:
    • 1. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m2;
    • 2. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 2.500 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm onder maaiveld;
    • 3. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van meer dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van niet meer dan 40 cm onder maaiveld;
    • 4. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte tot 3 m;
    • 5. een reeds legaal in uitvoering zijnde bouwwerk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Omgevingsplan;
    • 6. een bouwwerk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

14.5 Aanlegactiviteit
14.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:

  • a. grondwerkzaamheden, zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden;
  • b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
  • c. waterhuishoudkundige ingrepen zoals het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
  • e. het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
  • f. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  • g. het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het omzetten van gras of akkerland in grond voor de teelt van laanbomen;
  • i. oppervlakteverhardingen;
  • j. het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 m bedragen;
  • k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
  • l. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • m. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.

14.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 14.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. met een verstoringsoppervlakte van ten hoogste 100 m², tenzij het werkzaamheden betreffen genoemd onder artikel 14.5.1 sub h, l en m;
  • b. met een verstoringsoppervlakte van ten hoogste 100 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm onder maaiveld tenzij het werkzaamheden betreffen genoemd onder artikel 14.5.1 sub h, l en m;
  • c. werkzaamheden met een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m² en een verstoringsdiepte van niet meer dan 40 cm onder maaiveld;
  • d. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • e. het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • f. het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,40 m onder maaiveld wordt geroerd;
  • g. plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • h. een reeds legaal in uitvoering zijnde werk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • i. een werk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
  • j. Het verbod als bedoeld in artikel 14.5.1 is ook niet van toepassing indien:
    • 1. de werkzaamheden vooraf bij burgemeester en wethouders zijn gemeld, voorzien van een overeenkomstig de eisen van burgemeester en wethouders uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan de diepte van het akkerdek, en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder artikel 14.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop burgemeester en wethouders op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist;
    • 2. de werkzaamheden vooraf bij burgemeester en wethouders zijn gemeld, voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder artikel 14.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop burgemeester en wethouders op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist.

14.5.3 Aanvraagvereisten
  • a. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning moet de aanvrager voor de toetsing aan dit Omgevingsplan in ieder geval een rapport overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  • b. Een rapport als bedoeld onder a is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
  • c. Een rapport als bedoeld onder a is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag een schriftelijke verklaring dan wel een onderzoek naar de verstoorde bodemlagen aantoont dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte.

14.5.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien uit het rapport als bedoeld in artikel 14.5.3 onder a genoegzaam blijkt dat:

  • a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
  • c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.

14.5.5 Voorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  • d. Indien het bepaalde onder c van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
15.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

15.1.2 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eenmalig afwijken van het bepaalde in artikel 15.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 15.1.1 met maximaal 10%.

15.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het Omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan.

15.2 Overgangsrecht gebruik
15.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

15.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

15.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

15.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het Omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan.