direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I [verzamelplan beëindigingsregelingen veehouderij]
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In de gemeente Bergen (L.) liggen verschillende veehouderijlocaties waarvoor de veehouder heeft aangegeven de veehouderijactiviteiten te willen beëindigen. Voor de onomkeerbare sluiting van de veehouderijen is subsidie aangevraagd in het kader van de toen openstaande beëindigingsregelingen voor de structurele aanpak van de te hoge stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden voor soorten in Natura 2000-gebieden.

In dit verzamelplan zijn meerdere initiatieven gebundeld waarbij op de betrokken locaties niet langer een veehouderij kan worden gevestigd. Eén subsidievoorwaarde is dat het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de te verlaten veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd.

Omdat het relatief eenvoudige planologische wijzigingen zijn en de milieuhygiënische kwaliteit op alle deellocaties verbetert, onder meer als gevolg van de afname van de emissies van ammoniak, geur en fijnstof kiest de gemeenteraad ervoor om meerdere locaties in één verzamelplan op te nemen waardoor deze ook beter in onderlinge samenhang kunnen worden beoordeeld.

Onderhavig plan heeft betrekking op de volgende deellocaties:

Beltweg 10 Siebengewald  
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv)  
Op grond van de Lbv geldt voor deelnemers de voorwaarde dat na beëindiging van de veehouderijactiviteiten de toestemming niet meer mag bedragen dan de werkelijke stikstofemissie van het nieuwe project, met een maximum van 15% van de eerder toegestane stikstofemissie op projectniveau.
Wanneer de emissies van NH3 en NOx in de referentiesituatie op projectniveau worden vergeleken met de benodigde ruimte, geldt dat 14,97 % (= 535,6 kg NH3) van de bestaande toestemming (= 3.607,8 kg NH3) nodig is om de nieuw toe te laten activiteiten van het nieuwe project te mitigeren. Aangezien dit gelijk of minder is dan 15% voldoet de aanvrager daarmee aan de voorwaarden van de Lbv.  
De huidige toegelaten activiteiten betreffen het exploiteren van een intensieve veehouderij (varkenshouderij) met daarbij het op kleine schaal het houden van paarden en akkerbouw.  
De activiteiten die worden voortgezet betreffen de akkerbouwactiviteiten en het exploiteren van een paardenhouderij in gebruiksgerichte vorm (19 volwassen paarden (HL1.100) en 10 paarden in opfok (HL2.100)).  
De activiteiten die niet langer worden toegelaten betreffen het exploiteren van een intensieve veehouderij (varkenshouderij). Deze activiteiten worden beëindigd.  
De nieuw toe te laten activiteiten betreffen een uitbreiding van de paardenhouderij in gebruiksgerichte vorm tot maximaal:
- 50 Volwassen paarden (> 3 jaar), HL1.100, 5,0 kg NH3 per dier, totaal 250 kg NH3
- 136 Paarden in opfok (< 3 jaar), HL2.100, 2,1 kg NH3 per dier, totaal 285,6 kg NH3  

Koekoek 4 en 6 Siebengewald  
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus)  
Op grond van de Lbv-plus geldt voor deelnemers de voorwaarde dat na beëindiging van de veehouderijactiviteiten de toestemming niet meer mag bedragen dan de werkelijke stikstofemissie van het nieuwe project, met een maximum van 15% van de eerder toegestane stikstofemissie op projectniveau.
Wanneer de emissies van NH3 en NOx in de referentiesituatie op projectniveau worden vergeleken met de benodigde ruimte, geldt dat er vrijwel 0 % van de bestaande toestemming nodig is om de nieuw toe te laten activiteiten van het nieuwe project te mitigeren. Beide om te zetten bedrijfswoningen c.q. plattelandswoningen zijn namelijk al in gebruik. Aangezien dit gelijk of minder is dan 15 % voldoet de aanvrager daarmee aan de voorwaarden van de Lbv-plus.  
De huidige toegelaten activiteiten betreffen het exploiteren van een intensieve veehouderij (varkenshouderij).  
Er zijn geen activiteiten die worden voortgezet, behalve het blijven bewonen van voornoemde woningen.  
De activiteiten die niet langer worden toegelaten betreffen het exploiteren van een intensieve veehouderij (varkenshouderij). Deze activiteiten worden beëindigd.  
Er zijn geen nieuw toe te laten activiteiten.  

Voor alle deellocaties zal het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) worden gewijzigd. Gedurende de overgangsfase zal een wijziging van het omgevingsplan verlopen middels de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ofwel een TAM-omgevingsplan.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit meerdere deellocaties in het buitengebied van Bergen (L.), die navolgend zijn weergegeven. Voor de exacte begrenzing van de deellocatie wordt verwezen naar de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan.

1.2.1 Beltweg 10

Deze deellocatie is gelegen aan de Beltweg 10 in Siebengewald en staat kadastraal bekend als gemeente Bergen L, sectie R, nr. 28 (deels):

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0001.png"

Globale ligging deellocatie in groter verband (rode druppel, bron: maps.google.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0002.png"

Globale begrenzing deellocatie (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.2.2 Koekoek 4 & 6

Deze deellocatie is gelegen aan de Koekoek 4 & 6 in Siebengewald en staat kadastraal bekend als gemeente Bergen L, sectie R, nr's 248, 562, 967 en 968:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0003.png"

Globale ligging deellocatie in groter verband (rode druppel, bron: maps.google.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0004.png"

Globale begrenzing deellocatie (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend omgevingsplan

Voor de gronden in het plangebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Bergen (L), in werking getreden op 1 januari 2024. Dit tijdelijke deel van het omgevingsplan omvat het voormalig bestemmingsplan 'Buitengebied 2018', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 12 november 2018. Ook omvat het tijdelijke deel van het omgevingsplan het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 13 december 2022. Dit laatste bestemmingsplan is een partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ en doet aanpassingen aan de verbeelding en de planregels van dat bestemmingsplan. De herziening heeft alleen betrekking op de te wijzigen onderdelen; voor het overige zijn de verbeelding en regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ ongewijzigd van toepassing gebleven.

1.3.1 Beltweg 10

In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' in combinatie met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', is deze deellocatie voorzien van de functie 'Agrarisch (artikel 3)'. Het grootste deel van de deellocatie is voorzien van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij'. Aan de zuidzijde van de deellocatie is een deel van de functie 'Agrarisch' nu niet voorzien van een bouwvlak.

Daarnaast zijn de west- en zuidzijde voorzien van de gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 5 (artikel 35)'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0005.png"

Uitsnede tijdelijk deel van het omgevingsplan met globale begrenzing deellocatie (rode omkadering)

Om de aanduiding 'intensieve veehouderij' te kunnen laten vervallen, uit te kunnen sluiten dat er plaatse nog langer een veehouderij kan worden geëxploiteerd en ter plaatse op de beoogde locatie de gewenste gebruiksgerichte paardenhouderij te kunnen starten (met vormverandering van het bouwvlak) moet het omgevingsplan worden gewijzigd.

1.3.2 Koekoek 4 & 6

In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' in combinatie met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', is deze deellocatie voorzien van de functie 'Agrarisch (artikel 3)'. Het grootste deel van de deellocatie is voorzien van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij'. Het overgrote deel van de rest van de deellocatie (om het bouwvlak heen) is voorzien van de aanduiding 'erf'. Alleen aan de noordzijde van de deellocatie is een deel van de functie 'Agrarisch' nu niet voorzien van een bouwvlak.

Aanvullend hierop is het bouwvlak voorzien van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 2'. Dit betreft de bedrijfswoning binnen het grote agrarisch bouwvlak op nr. 4 en de plattelandswoning binnen het kleine agrarisch bouwvlak op nr. 6. Dit kleine bouwvlak is tevens voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' en is via de figuur 'relatie' met het grote bouwvlak verbonden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0006.png"

Uitsnede tijdelijk deel van het omgevingsplan met globale begrenzing deellocatie (rode omkadering)

Om uit te sluiten dat er plaatse nog langer een veehouderij kan worden geëxploiteerd en beide bestaande woningen ter plaatse als burgerwoning gebruikt kunnen worden, moet het omgevingsplan worden gewijzigd. Beide agrarische bouwvlakken komen te vervallen en beide burgerwoningen krijgen de functie 'Wonen'.

1.4 Leeswijzer

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de functies in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde functies zijn opgenomen. Het TAM-omgevingsplan gaat vergezeld van een motivering waarin de achtergronden van het TAM-omgevingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het TAM-omgevingsplan. In de motivering worden de keuzes die in het TAM-omgevingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De motivering kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planwijziging beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie in de deellocaties.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op het kostenverhaal en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Beltweg 10

De deellocatie Beltweg 10 in Siebengewald betreft een intensieve veehouderij (varkens) met daarbij op kleine schaal het houden van paarden en akkerbouw.

Op deze locatie is de volgende bebouwing aanwezig, zie navolgende afbeelding:

  • 1. Bedrijfswoning;
  • 2. Varkensstallen (circa 3.900 m²);
  • 3. Werkplaats/opslagloods/huisvesting paarden (circa 785 m²);
  • 4. Rijbak (circa 1.200 m²)
  • 5. Mestbassin;
  • 6. Vaste mestopslag;
  • 7. Sleufsilo.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0007.png"

Inmiddels (anno 2026) zijn alle varkensstallen gesloopt.

Conform de geldende milieutoestemming voor het bedrijf mogen er op het bedrijf 2.151 vleesvarkens, 3.352 biggen, 765 guste en dragende zeugen, 160 kraamzeugen, 3 dekberen. 19 volwassen paarden en 10 paarden in opfok gehouden worden.

2.1.2 Koekoek 4 & 6

De deellocatie Koekoek 4 & 6 in Siebengewald betreft een intensieve veehouderij (varkens).

Op deze locatie is de volgende bebouwing aanwezig, zie navolgende afbeelding:

  • 1. Bedrijfswoning (nr. 4, oostzijde);
  • 2. Plattelandswoning (nr. 6, westzijde);

Zoals te zien op navolgende luchtfoto uit 2025 zijn alle agrarische bedrijfsgebouwen op deze locatie inmiddels gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0008.png"

Conform de geldende milieutoestemming mogen er op het bedrijf 3.648 vleesvarkens, 1.600 biggen, 396 guste en dragende zeugen, 120 kraamzeugen en 4 dekberen in opfok gehouden worden.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Beltweg 10

De beoogde ontwikkeling bestaat uit:

  • Het compleet stoppen met de (intensieve) varkenshouderij en het slopen van circa 3.770 m² aan stallen;
  • Het in beperkte mate van vorm veranderen van het bouwvlak, aangepast op de gewijzigde situatie;
  • Het uitbouwen van de gebruiksgerichte paardenhouderij;
  • Het uitbouwen van de akkerbouwtak.

Gebruiksgerichte paardenhouderij
In de beoogde situatie worden de opstallen en faciliteiten die al op de locatie aanwezig zijn verhuurd aan andere hippische ondernemers. Dit betreffen opfokstallen en handelsstallen die deze ondernemers (deels) afnemen. De initiatiefnemer neemt de verzorging van de paarden op zich. Het betreffen nadrukkelijk geen individuen en particulieren die de accommodatie voor recreatieve doeleinden gebruiken of op regelmatige basis hun paard komen bezoeken. Aangezien de voorzieningen voor paarden al grotendeels op de locatie aanwezig zijn is dit bedrijfseconomisch interessant en binnen afzienbare tijd rendabel. Omdat de fokkerij activiteiten niet op de locatie worden uitgevoerd, is het (gebruiksgericht) houden van paarden passend binnen de voorwaarden van de Lbv-plus regeling.

Op de deellocatie is al een buitenrijbak aanwezig. In de beoogde situatie worden een binnenrijbak, paddocks en een stapmolen gerealiseerd ten behoeve van de bedrijfsvoering. Deze bouwwerken behoren tot de functionele bedrijfsmatige activiteiten. Op elke reguliere paardenhouderij is een rijbak noodzakelijk om paarden in een veilige omgeving te trainen. Een rijbak biedt ruimte om jonge paarden te laten wennen aan menselijke interactie en basiscommando’s. Voor de paarden die de basiscommando’s beheersen wordt een rijbak gebruikt voor (wedstrijd-)training van conditie en opbouw van spieren. Het is uiteraard het prettigst om de paarden buiten te trainen, maar de binnenpiste zorgt ervoor dat de paarden met de steeds extremer wordende weersomstandigheden (hitte, regen én vorst) te allen tijden getraind kunnen worden.

Faciliteiten als een stapmolen zijn benodigd om de paarden voldoende beweging te bieden buiten de reguliere training. De stapmolen kan gebruikt worden om de paarden op een gecontroleerde manier extra te laten stappen. Dit heeft een positief effect op de pezen en spieren. Tevens kan de stapmolen gebruik worden als ‘cooling down’ na een training waardoor verzuring van de spieren wordt voorkomen.

Een paddock is benodigd zodat, vooral in de winter, de paarden naar buiten kunnen wanneer de wei vanwege de weersomstandigheden niet meer begaanbaar is. Hierdoor blijven de paarden hun bewegingsvrijheid houden en kunnen zij hun energie kwijt. Paddocks bieden een welkome afwisseling en helpen verveling en daarmee samenhangende gedragsproblemen te voorkomen. Paddocks kunnen beter worden onderhouden en beheerd dan een wei en bieden daarmee een veiligere ondergrond voor de paarden wat het risico’s op uitglijden en blessures verkleind.

Voor een paardenhouderij zijn grote hoeveelheden hooi, stro en brok nodig. Dit zal worden opgeslagen in één van de twee nieuwe bedrijfsgebouwen. Deze bedrijfsbouwen zijn noodzakelijk omdat hooi en stro vatbaar zijn voor vocht. Dit leidt tot schimmelvorming en bederf. Wanneer hooi en stro overdekt worden opgeslagen, wordt er minder verspild en blijft de voedingswaarde beter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0010.png"

Akkerbouw
De andere tak van het agrarische bedrijf betreft akkerbouw. Een deel van de nieuwe bedrijfsgebouwen is nodig om een veilige plek te bieden aan de dure en essentiële uitrusting voor akkerbouw, en om deze te beschermen tegen diefstal en weersinvloeden. Daarnaast bieden de bedrijfsgebouwen ruimte om onderhoud en reparaties te verrichten aan de machines. Voor akkerbouw zijn naast machines ook productiemiddelen zoals zaden en meststoffen nodig die opgeslagen kunnen worden in een bedrijfsgebouw.

Landschappelijke inpassing
Om kwaliteitsverbetering te garanderen zal het initiatief zorgvuldig landschappelijk worden ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld in aansluiting op het Landschapsplan gemeente Bergen. Dit inpassingsplan zal in de plaats komen van het eerder opgestelde landschappelijke inpassingsplan voor de toenmalige uitbreiding van de veehouderij. Dat oude inpassingsplan, dat als bijlage bij het voormalige bestemmingsplan 'Buitengebied 2018 (inclusief 1e herziening)' is opgenomen, is nooit gerealiseerd en moet te zijner tijd nog uit het omgevingsplan gemeente Bergen L verwijderd worden.

Het nieuwe inpassingsplan bestaat uit diverse bestaande en nieuw aan te planten landschapselementen. De landschapselementen die aanwezig zijn, aangelegd en onderhouden gaan worden zijn:

  • Knip- en scheerhagen (bestaand en nieuw);
  • Landschapsbomen (bestaand en nieuw);
  • Houtsingel (nieuw);
  • Knotbomen (nieuw);
  • Infiltratiegreppels (nieuw).

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0011.png"

2.2.2 Koekoek 4 & 6

De beoogde ontwikkeling bestaat uit:

  • Het compleet stoppen met de (intensieve) varkenshouderij;
  • Het omzetten van de bestaande bedrijfswoningen en de bestaande plattelandswoning naar 2 burgerwoonpercelen;
  • Het verhuren van de resterende agrarische gronden voor agrarische activiteiten van derden.

Op navolgende afbeelding is deze toekomstige situatie weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0012.png"

Landschappelijke inpassing
Om kwaliteitsverbetering te garanderen zal het initiatief zorgvuldig landschappelijk worden ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld in aansluiting op het Landschapsplan gemeente Bergen. Dit inpassingsplan zal in de plaats komen van het eerder opgestelde landschappelijke inpassingsplan voor de toenmalige uitbreiding van de voormalige veehouderij. Dat oude inpassingsplan, dat als bijlage bij het voormalige bestemmingsplan 'Buitengebied 2018 (inclusief 1e herziening)' is opgenomen, is nooit gerealiseerd en moet te zijner tijd nog uit het omgevingsplan gemeente Bergen L verwijderd worden.

Het inpassingsplan bestaat uit diverse bestaande en nieuw aan te planten landschapselementen. De landschapselementen die aanwezig zijn, aangelegd en onderhouden gaan worden zijn:

  • Knip- en scheerhagen (bestaand en nieuw);
  • Vrijstaande inheemse bomen (bestaand).

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0013.png"

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Planspecifiek
De voorgenomen planologische wijziging waarbij meerdere veehouderijen in de gemeente Bergen (L.) stoppen met het houden van landbouwhuisdieren zorgt voor een toekomstbestendiger landelijk gebied. Hiermee wordt invulling gegeven aan prioriteit nr. 4 van de NOVI.

3.1.2 Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten van Limburg de 'Provinciale Omgevingsvisie Limburg' vastgesteld. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 - 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.

Hoofdopgaven
In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:

  • Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied;
  • Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);
  • Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:

  • Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;
  • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de 3 regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Limburgse principes en algemene zonering
Bij (nieuwe) ontwikkelingen kiest de provincie voor maatwerk en daarbij wordt rekening gehouden met het karakter en de mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. De afweging vindt plaats op basis van de onderstaande Limburgse principes:

  • een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
  • meer stad, meer land
  • zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden; boven- én ondergronds.

Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering (landelijke gebieden, bebouwde gebieden en infrastructuren). Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond; de geomorfologie en het watersysteem en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia.

Buitengebied
De land- en tuinbouw is als belangrijkste gebruiker en beheerder van het buitengebied van groot belang voor het aanzien en de kwaliteit van het cultuurlandschap en het leefklimaat. Ook in de toekomst wil de provincie in Limburg een gunstig ondernemersklimaat voor de land- en tuinbouw bieden. In verbinding en samenwerking met andere kennisregio’s wordt hier de nieuwe standaard ontwikkeld voor moderne, duurzame en circulaire, vraaggestuurde land- en tuinbouw, die in balans is met en bijdraagt aan een gezonde en duurzame leefomgeving. Met deze ambitie kiest Limburg, in lijn met het nationale beleid, voor een betekenisvolle transitie in de agrifoodsector. In het buitengebied liggen grote transitieopgaven in verband met de problemen rondom onder andere stikstof en fijnstof.

Om landschappelijke kwaliteit te behouden en verrommeling te voorkomen, stimuleert de provincie ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s):

  • agrarisch hergebruik;
  • herbestemmen buiten sector;
  • sloop (met uitzondering van beeldbepalende/monumentale en karakteristieke bebouwing), waarbij de mogelijkheden worden bepaald door het potentieel van het vastgoed en de omgeving, vanuit het principe juiste ontwikkeling op de juiste locatie.

Het grote aantal stoppers en de beperkte herbestemmingsmogelijkheden hebben meer leegstand tot gevolg. Dit zorgt voor een situatie waarbij sloop de nieuwe opgave wordt, om verpaupering en ondermijnende activiteiten in het buitengebied en de bijbehorende maatschappelijke kosten te voorkomen.

Planspecifiek
Alle deellocaties maken deel uit van het 'buitengebied'. Het buitengebied betreft onder meer de landelijke gebieden op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, die geen onderdeel zijn van het Natuurnetwerk of de groenblauwe mantel. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk.

Met het planologisch vastleggen van de door de initiatiefnemers gewenste wijzigingen als gevolg van hun deelname aan de diverse beëindigingsregelingen die de Rijksoverheid de afgelopen jaren heeft opengesteld, wordt een bijdrage geleverd aan de zo gewenste betekenisvolle transitie in de Limburgse landbouwsector en het verbeteren van de omgevingskwaliteit van het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'.

Beltweg 10
Op deze deellocatie is sprake van een combinatie van agrarisch hergebruik en sloop van de voormalige varkensstallen. Ter plaatse wordt de bestaande intensieve veehouderij beëindigd en er komt een gebruiksgerichte paardenhouderij met akkerbouwtak voor terug met een reductie van minimaal 85 % van de stikstofruimte, bedoeld voor natuurherstel in Natura 2000-gebieden.

Koekoek 4 & 6
Op deze deellocatie is sprake van sloop. Ter plaatse komt de bestaande intensieve veehouderij te vervallen (agrarisch bouwvlak verdwijnt) en worden de 2 bestaande woningen, een bedrijfswoning en een plattelandswoning, omgezet naar 2 burgerwoningen. De resterende bebouwing op deze deellocatie is inmiddels gesloopt.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg

De Omgevingsverordening is op 1 januari 2024 in werking getreden en vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. Op 3 februari 2025 heeft de laatste wijziging plaatsgevonden. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Limburg. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Planspecifiek
De provincie streeft naar en vervult een regierol bij het terugdringen van emissies en het verbeteren van de omgevingskwaliteit en leefbaarheid rondom (intensieve) veehouderijen. De provincie gaat de aanpak van kwetsbare gebieden zoals Natura 2000-gebieden, Wet Ammoniak en Veehouderijgebieden, extensiveringsgebieden, de groenblauwe mantel (beek- en rivierdalen) en het Nationaal Landschap Zuid-Limburg integraal herijken. Naast de sterke overlap in deze kwetsbare gebieden zijn er meervoudige doelen te bereiken door een gebiedsgerichte benadering. Hierbij zijn natuur-, water-, landschappelijke- en milieukundige doelen leidend voor onze keuzes. Gebiedsgerichte inzet van bestaande middelen kan een multipliereffect teweeg brengen.

De provincie faciliteert en ondersteunt omvorming naar meer extensieve vormen van land- en tuinbouw. Sturing op dieraantallen gebeurt via de doorwerking van wet- en regelgeving vanuit het Rijk. Ook kijkt de provincie naar de mogelijkheid om in te spelen op kansen die ontstaan bij het stoppen van bedrijven als gevolg van rijksregelgeving en autonome ontwikkelingen.

Beltweg 10
In de Omgevingsverordening maakt deze deellocatie onderdeel uit van het 'buitengebied'. In de verordening zijn alleen regels opgenomen over de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen. Op deze deellocatie vindt echter juist het omgekeerde plaats. Ter plaatse komt de bestaande intensieve veehouderij te vervallen en er komt een gebruiksgerichte paardenhouderij met akkerbouwtak voor terug met een reductie van minimaal 85 % van de stikstofruimte, bedoeld voor natuurherstel. De bestaande bedrijfswoning blijft als zodanig in gebruik.

Koekoek 4 & 6
In de Omgevingsverordening maakt deze deellocatie onderdeel uit van het 'buitengebied'. In de verordening zijn alleen regels opgenomen over de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen. Op deze deellocatie vindt echter juist het omgekeerde plaats. Ter plaatse komt de bestaande intensieve veehouderij te vervallen en worden 2 bestaande woningen, een bedrijfswoning en een plattelandswoning, omgezet naar 2 burgerwoningen. Per saldo blijft het aantal woningen gelijk.

3.2.3 Conclusie

De beoogde ontwikkelingen in het plangebied dragen bij aan het halen van de provinciale doelen op het gebied van extensivering van de (intensieve) veehouderij. In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Bergen 2030

In de afgelopen jaren is ook in de gemeente Bergen veel veranderd op het gebied van onder andere bevolkingsopbouw, duurzaamheid en economie. Daarom heeft de gemeenteraad op 23 april 2019 de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen.

De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst Gemeente Bergen voortaan aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie:

  • 1. De meest toekomstbestendige gemeente;
  • 2. Energie onafhankelijk in 2030;
  • 3. Landschap en landbouw in balans;
  • 4. Waterbeheer op maat;
  • 5. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit;
  • 6. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen;
  • 7. Afstemmen woningvoorraad op vraag;
  • 8. Voorzieningen bereikbaar houden;
  • 9. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving;
  • 10. Leefklimaat in de dorpen verbeteren.

De gemeente Bergen kent diverse agrarische bedrijven met een belangrijke bijdrage aan een effectieve voedselvoorziening en de lokale economie. Verschillende agrarische bedrijven hebben daarbij ook aandacht voor duurzaamheidsaspecten en geven daar invulling aan.

Schaalvergroting van de landbouw is het gevolg van economische ontwikkelingen en die manifesteren zich in zowel de bedrijfsomvang, de bedrijfsvoering, de bouwvlakken alsmede de perceelsgrootte. Alleen in de (jonge ontginnings)landschappen aan de oostzijde van de gemeente is een dergelijke verdergaande schaalvergroting in ruimtelijke zin nog in te passen, in andere landschappen leidt dit tot toenemende problemen. Voor de delen van de gemeente buiten de (jonge ontginnings)landschappen is het beleid gericht op diversiteit, duurzaamheid en kleinschaligheid. Er worden in die delen kansen gezien in de combinatie van duurzaamheid, regionale voedselproductie en behoud en herstel van de kleinschalige, diverse landschappen.

Planspecifiek

Beltweg 10
Uit de visiekaart blijkt dat de deellocatie is aangemerkt als 'primair agrarisch landschap'. In dit gebied is ruimte voor grootschalige landbouw en beperkt ruimte voor intensieve veehouderij. Ter plaatse komt de bestaande intensieve veehouderij te vervallen en er komt een gebruiksgerichte paardenhouderij met akkerbouwtak voor terug met een reductie van minimaal 85 % van de stikstofruimte, bedoeld voor natuurherstel. Daarmee wordt op passende wijze invulling gegeven aan grootschalige landbouw en komt de intensieve veehouderij ter plaatse te vervallen. Landschap en landbouw komen zo meer in balans en er wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van natuurwaarden en biodiversiteit vanwege de afname van de stikstofdepositie.

Koekoek 4 & 6
Uit de visiekaart blijkt dat de deellocatie is aangemerkt als 'primair agrarisch landschap'. In dit gebied is ruimte voor grootschalige landbouw en beperkt ruimte voor intensieve veehouderij. Ter plaatse komt de bestaande intensieve veehouderij te vervallen en worden de bestaande bedrijfswoning en plattelandswoning omgezet naar 2 burgerwoningen. Daarmee komen de agrarische gronden achter beide woningen aan de Koekoek beschikbaar voor andere agrariërs om gewassen op te verbouwen. Landschap en landbouw komen zo meer in balans en er wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van natuurwaarden en biodiversiteit vanwege de afname van de stikstofdepositie.

3.3.2 Conclusie

De beoogde ontwikkelingen in het plangebied dragen bij aan het halen van de gemeentelijke ambities op het gebied van extensivering van de (intensieve) veehouderij. In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.4 Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.

Hoofdstuk 4 Aspecten fysiek leefomgeving en milieu

Omdat in alle deellocaties van het plangebied sprake is van een substantiële afname van de hoeveelheid agrarische activiteiten, danwel het compleet beëindigen daarvan, en er geen extra woningen worden gerealiseerd (= geen toename personendichtheid), zal er per saldo sprake zijn van een forse vermindering van de milieubelasting (geur, verkeer, geluid, luchtkwaliteit, stikstof) vanuit de deellocaties op de omgeving.

Daarom worden in dit hoofdstuk alleen die milieu- en omgevingsaspecten besproken die relevant zijn, zoals waterhuishouding en archeologie. Ook wordt er specifiek ingegaan op de gebiedsbescherming als onderdeel van het aspect natuur voor die locaties waar met gebruikmaking van maximaal 15 % van de vergunde stikstofrechten sprake is van een bedrijfsmatige vervolgfunctie.

4.1 Waterhuishouding

4.1.1 Regelgeving

De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.

Beleid Waterschap
Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022, het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2020 – 2025, het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, de Omgevingsverordening Limburg (2021), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.

Gemeentelijk beleid
Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

4.1.2 Doorvertaling planvoornemen

Op de deellocatie Koekoek 4 & 6 neemt de hoeveelheid verhard oppervlak fors af, zodat het aspect water hier niet nader beschouwd hoeft te worden.

Beltweg 10

Huidige situatie

Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak
In de bestaande situatie is de deellocatie grotendeels bebouwd en verhard.

Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden
Zoals het omgevingsplan gemeente Bergen (L) en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt de deellocatie niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.

Huidige verwerking hemelwater
In de huidige situatie valt het hemelwater grotendeels op daken en de aanwezige terreinverharding en stroomt af naar de omliggende agrarische gronden en een bestaande zaksloot aan de zijde van de Beltweg.

Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit
Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op het gemeentelijke riool.

Aanwezig oppervlaktewater
Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de deellocatie.

Grondwaterstanden en maaiveldhoogte
Op basis van de kaarten behorende bij de landelijke bodemkaart (Bron: https://bodemdata.nl/basiskaarten) is de deellocatie aangewezen als 'Vorstvaaggronden; grof zand'. De actuele grondwaterstand is niet te achterhalen via het grondwatermonitoringsnet dat beschikbaar is via https://www.broloket.nl/ondergrondgegevens.

Volgens de klimaateffectatlas (https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer) ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand op de deellocatie op 0,6 m onder het huidige maaiveld.

De bestaande maaiveldhoogte ligt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op circa 15,5 m +NAP.

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

Planbeschrijving
In paragraaf 2.2 is de beoogde inrichting van de deellocatie weergegeven.

Ontwerp nieuw watersysteem

Hemelwater
Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de deellocatie zelf te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025.

Op de deellocatie is er sprake van een afname in bebouwd oppervlak. De nieuw gebouwde oppervlakte betreft 3.200 m², zie navolgende tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25004H22IBUI-VA01_0014.png"

Dit betekent dat voor de nieuw gebouwde oppervlakte van 3.200 m² moet worden voorzien in een vorm van hemelwaterberging met een totale capaciteit van 60 liter maal 3.200 m² = 192.000 liter = 192 m³. De waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van infiltratiegreppels. Er worden 3 nieuwe infiltratiegreppels gerealiseerd, met een afmeting van a) 41,4 m x 2 m, b) 56,4 x 2,0 m en c) 33,0 m x 2,0 m. Deze greppels worden elk 1,0 m diep, zodat in totaal 66,0 + 82,8 + 112,8 = 261,8 m³ water opgevangen kan worden. Dit is voldoende om het hemelwater te bergen zoals bedoeld in de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022.

Afvalwater
Het initiatief betreft een functiewijziging van de bestaande bebouwing en nieuwbouw. Er wordt niets gewijzigd aan de bestaande waterhuishoudkundige situatie van het huishoudelijk afvalwater.

Het afvalwater van een paardenhouderij beperkt zich enkel tot het water wat gebruikt wordt om de paarden te wassen of de stallen te zuiveren. Dit afvalwater wordt geloosd op het al aanwezige mestbassin.

Grondwater
De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand op de deellocatie.

Waterkwaliteit en beheer
Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend niet-uitlogende bouwmaterialen voor het bouwen van de nieuwe bedrijfsgebouwen worden gebruikt.

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Archeologie & cultuurhistorie

4.2.1 Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).

De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen.

Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.2.2 Doorvertaling planvoornemen

Archeologie

Beltweg 10
Op de verbeelding van het tijdelijke omgevingsplan is op deze deellocatie aan de uiterste zuidzijde van het nieuwe bouwvlak voorzien van een archeologische gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 5'. Dit komt overeen met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5) op de archeologische beleidskaart van de gemeente.

Uit de bijbehorende juridische regels blijkt dat er geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden op deze deellocatie, omdat er binnen het aangepaste bouwvlak, ter plaatse van deze gebiedsaanwijzing, geen nieuwe bebouwing wordt opgericht en er daarmee dus ook geen sprake is van een bodemverstoring die groter is dan 2.500 m² en waarbij de verstoringsdiepte meer dan 40 cm onder maaiveld is.

Koekoek 4 & 6
Op deze deellocatie is geen sprake van een archeologische gebiedsaanwijzing. Daarom hoeft er ook hier geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Dit komt overeen met een lage archeologische verwachting (categorie 6) op de archeologische beleidskaart van de gemeente.

Bovendien is op deze deellocatie inmiddels alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en worden alleen beide al bestaande voormalige (bedrijfs)woningen met bijbehorende bouwwerken gehandhaafd. Er wordt geen extra bodem geroerd als gevolg van de beoogde planologische wijziging naar (burger)wonen.

Cultuurhistorie
Op de deellocatie Beltweg 10 zijn geen cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle elementen aanwezig.

Koekoek 4 & 6
Op deze deellocatie zijn meerdere waardevolle landschapselement aanwezig. De belangrijkste betreft een rij met Zomereiken die behouden blijft en als zodanig in de landschappelijke inpassing van het woonperceel Koekoek 4 is opgenomen.

De overige waardevolle landschapselementen betreffen een houtwal respectievelijk een houtsingel met Zomereiken aan de noord- respectievelijk de noordoostzijde van de agrarische gronden binnen deze deellocatie. Zowel de houtwal als de houtsingel blijven gehandhaafd.

4.2.3 Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Ecologie

4.3.1 Regelgeving

Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow).

Zorgplicht
De zorgplicht is in de Omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (artikel11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn. Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten.

Soortenbescherming
Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.

De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Gebiedsbescherming
Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Stikstofdepositie
Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).

4.3.2 Doorvertaling planvoornemen

Soortenbescherming
De beoogde planologische wijzigingen hebben op geen van de deellocaties effect op het gebied van soortenbescherming. Alle agrarische opstallen die gesloopt moeten worden in het kader van de verschillende beëindigingsregelingen, zijn al gesloopt of worden dat op korte termijn.

Gebiedsbescherming

Passende beoordeling
Wanneer een nieuwe activiteit depositie veroorzaakt op stikstofgevoelige leefgebieden of habitats binnen Natura 2000-gebieden, is een passende beoordeling noodzakelijk. Deze kan deel uitmaken van de planmotivering. Er zijn 2 uitzonderingen:

  • Indien de nieuwe activiteiten middels een (onherroepelijke (ECLI:NL:RVS:2016:1515 ro 49.9) omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (natuurvergunning) al zijn toegestaan hoeft er ingevolge artikel 16.53c, tweede lid, van de Omgevingswet geen passende beoordeling te worden opgesteld. Dan moet die vergunning één-op-één worden ingepast in het plan door middel van een planregeling die niet meer stikstofemissie mogelijk maakt dan de activiteiten die zijn vergund in de omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit.
  • Indien voor de nieuwe activiteiten op basis van een ecologische onderbouwing significante effecten op voorhand (in de voortoets) kunnen worden uitgesloten.

De beoogde nieuwe activiteiten veroorzaken (deels) emissies van ammoniak en/of stikstofoxiden die leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden.

Stikstofdepositie aangevraagde functies

Beltweg 10
Op deze deellocatie worden in onderhavig plan nieuwe functies toegelaten. Het maximaal gebruik van de nieuwe mogelijkheden leidt tot een toename van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige beschermde natuurwaarden in Natura 2000-gebieden:

Om de depositie van de aangevraagde activiteit te mitigeren gaat de aanvraag uit van intern salderen vanuit de referentiesituatie op de betreffende locaties.

Op planniveau is de referentiesituatie de feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ECLI:NL:RVS:2020:1110.

De uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:683 r.o. 15.5, leert dat het niet noodzakelijk is om bij het bepalen van de peildatum de datum van vaststelling van het plan te hanteren. Bij het bepalen van het peilmoment kan, onder voorwaarden, worden uitgegaan van de datum van het opstellen van de passende beoordeling.

De Afdeling heeft in de uitspraken van 18 december 2024 geoordeeld dat bij projecten ook intern salderen moet worden aangemerkt als mitigerende maatregel. De Afdeling is in die uitspraken of daarna niet ingegaan op de vraag of bij plannen intern salderen ook een mitigerende maatregel is die in een passende beoordeling moet worden betrokken. In de arresten van het Hof van Justitie dat de Afdeling noemt, gaat het om zowel projecten als plannen. Daarom gaan we ervan uit dat ook voor plannen de Afdeling nu artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn zo uitlegt, dat ook intern salderen bij plannen een mitigerende maatregel is. Dat betekent dat hiervoor een passende beoordeling nodig is.

Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 24.2 van de uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:1960, acht de Afdeling het in beginsel niet aanvaardbaar om in een passende beoordeling in het kader van de interne saldering activiteiten mee te nemen in de referentiesituatie die al zijn geëindigd vóór de gehanteerde peildatum, tenzij onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. In dat kader kan dus ook een eerder objectief te bepalen moment als peilmoment gelden. In het kader van de beëindigingsregelingen kan dit bijvoorbeeld de datum van het schriftelijke verzoek tot wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de nieuwe activiteit zijn. Dat verzoek moet dan wel worden ingediend voordat de veehouderij feitelijk wordt beëindigd.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij plannen bij het inzetten van mitigerende maatregelen getoetst moet worden aan het additionaliteitsvereiste. Dit betekent dat moet worden onderbouwd dat de (gedeeltelijke) beëindiging van de veehouderijlocatie niet nodig is als instandhoudingsmaatregel voor het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden (artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn) en ook niet nodig is als passende maatregel om verslechteringen of verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen (artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn). Als de Afdeling intern salderen ook bij plannen als mitigerende maatregel aanmerkt, zal dit ook tot gevolg hebben dat moet worden voldaan aan het additionaliteitsvereiste.

Gelet op de urgentie om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) 'Maasduinen' blijvend te verminderen zou de voorliggende mitigerende maatregel als een potentiële instandhoudingsmaatregel of passende maatregel kunnen worden gezien. Het toelaten van onderhavige activiteit hangt echter onlosmakelijk samen met de beëindiging van de veehouderij op de deellocatie 'Beltweg 10 in Siebengewald' en de aanpassing van het omgevingsplan waardoor op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd. De definitieve beëindiging van veehouderijactiviteiten en de beoogde nieuw toe te laten activiteit veroorzaken gezamenlijk een emissiereductie van minimaal 85 % ten opzichte van de referentiesituatie.

De Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) beoogt door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen, zodat die gebieden kunnen worden behouden en kunnen herstellen. Samenvattend heeft het beëindigen van de veehouderijactiviteiten en het toestaan van de nieuwe activiteit een groot effect op het terugdringen van de stikstofbelasting. Door deze stikstofreductie is de Lbv aan te merken als een passende en instandhoudingsmaatregel. De samenhang tussen de beëindiging van de veehouderij en het voornemen tot de nieuwe activiteit met een relatief beperkte stikstofemissie (als integraal onderdeel van de beëindigingsmaatregel) maakt daarom dat wij de mitigerende maatregel in deze specifieke situatie niet als passende of instandhoudingsmaatregel beoordelen in het kader artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn.

Uit het stikstofdepositie onderzoek dat als bijlage 1 bij deze motivering is gevoegd blijkt dat met de inzet van de referentiesituatie(s) de toename van stikstofdepositie op basis van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden van onderhavig plan kan worden gemitigeerd. Daarom zijn significant negatieve effecten, als gevolg van stikstofdepositie, op Natura 2000-gebieden als gevolg van onderhavig plan uitgesloten.

Overige effecten
Gelet op de aard en omvang van de maximale mogelijkheden die het voorgenomen plan biedt in relatie tot de afstand tot Natura 2000-gebieden in de omgeving en de instandhoudingsdoelen van die gebieden kunnen andere significante effecten dan verzuring en vermesting door stikstofdepositie bij voorbaat worden uitgesloten.

Conclusie
Uit bovenstaande passende beoordeling is de zekerheid verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Artikel 10.24, eerste lid, van het Bkl staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4 M.e.r.-beoordeling

4.4.1 Regelgeving

Voor plannen geldt onder meer een plan-m.e.r.-plicht als er bij de voorbereiding van dat plan een passende beoordeling moet worden gemaakt (artikel 16.36 lid 2 Ow). Uitzondering voor deze plan-m.e.r.-plicht is wanneer het plan het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau ('kleine gebiedenregeling', artikel 16.36 lid 3 Ow). Inschatting is dat dit voor dit soort gevallen, met beperkte activiteiten (= zoals de activiteiten die met dit plan mogelijk worden bemaakt), aan de orde zal zijn. Dan is een m.e.r.-beoordeling met een m.e.r.-beoordelingsbesluit vereist. Daarin moet aandacht zijn voor de kenmerken van het plan en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Een plan-m.e.r. is dan niet nodig.

4.4.2 Doorvertaling planvoornemen

Omdat in alle deellocaties van het plangebied sprake is van een substantiële afname van de hoeveelheid agrarische activiteiten, danwel het compleet beëindigen daarvan, en er geen extra woningen worden gerealiseerd (= geen toename personendichtheid), is er per saldo sprake van een forse vermindering van de milieubelasting (geur, verkeer, geluid, luchtkwaliteit, stikstof) vanuit de deellocaties op de omgeving. Er is daarmee geen sprake van aanzienlijke milieugevolgen als gevolg van onderhavig plan.

Voor de volledigheid: De uitzondering met betrekking tot de kleine gebieden op lokaal niveau, geldt voor gemeentelijke plannen die betrekking hebben op een gebied dat in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is. De Afdeling heeft in uitspraken op basis van het oude recht, die ook hier relevant zijn, geoordeeld dat wanneer een bestemmingsplan (nu: wijziging omgevingsplan) niet meer dan 1 % van het grondgebied van de gemeente omvat ('1 %-criterium'), dat plan in ieder geval betrekking heeft op een klein gebied. Er is dan alleen een plan-m.e.r. beoordeling vereist.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Woningbouw op deze locatie past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan gemeente Bergen (L) wordt het als hoofdstuk 22I toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) gelezen te worden.

In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.

5.2 Opbouw van de regels

In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken.

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op de ontwikkelingen op alle deellocaties. Daarom worden in de regels alleen bepalingen opgenomen die specifiek relevant zijn deze ontwikkelingen.

Hoofdstuk 2: Regels over functies
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan (in ieder geval onder de motorkap) nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor het plangebied is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018 (inclusief 1e herziening)' en het hiervan afgeleide handboek voor TAM-omgevingsplannen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies
In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.

Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten
De regels voor de gebiedsaanwijzingen die betrekking hebben op de kaart met cultuurhistorische waarden (inclusief de bijbehorende tabellen), de kaart met landschappelijke waarden en de gebiedsaanwijzingen op het gebied van archeologie (= voormalige archeologische dubbelbestemmingen).

Hoofdstuk 5: Overgangsregels
In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.

Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.

Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.

5.3 Werkingsbereik/ toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat aan hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22I wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22I van het omgevingsplan gemeente Bergen (L).

Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).

5.4 Functies

Op de verbeelding is de grens van het plangebied per deellocatie aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende functies met verschillende kleuren weergegeven. Daarnaast zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen.

Artikel 4 Agrarisch
De (deels van vorm) veranderde agrarische bouwvlakken zijn hier op aangegeven en voorzien van een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – veehouderij'. Eventuele aanduidingen 'intensieve veehouderij' zijn komen te vervallen. Op die locaties waar het agrarisch bouwvlak is komen te vervallen, blijft de agrarisch functie gehandhaafd, maar dan zonder de mogelijkheid om ter plaatse een veehouderij voor het houden van landbouwhuisdieren te vestigen.

Een uitzondering op het verbod op het houden van landbouwhuisdieren, vormt het houden van paarden binnen een gebruiksgerichte paardenhouderij. Paarden worden in dat geval namelijk niet voor productiedoeleinden gebruikt. Dit hoeft verder niet specifiek te worden geregeld in onderhavig TAM-omgevingsplan, omdat een gebruiksgerichte paardenhouderij in de huidige planologische situatie al bij recht is toegestaan. Deze rechten zijn 1-op-1 overgenomen.

Artikel 5 Wonen
Binnen deze functie zijn de bestaande grondgebonden woningen toegestaan.

Bouwmogelijkheden
Ten behoeve van de woonfunctie mogen op de percelen, naast hoofdgebouwen, tevens aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd. Omdat de percelen in omvang kunnen variëren wordt de oppervlakte van aan- en uitbouwen gerelateerd aan het oppervlak van het perceel.

Erfafscheidingen
Erf- en terreinafscheidingen zijn -met uitzondering van enkele uitzonderingen- aan de wegzijde toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 1,0 m. Achter de voorgevelrooilijn zijn deze toegestaan tot een bouwhoogte van 2,0 m.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Kostenverhaal

De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van het TAM-omgevingsplan zijn voor rekening van de gemeente. Het rijk stelt hiervoor een tegemoetkoming beschikbaar aan gemeenten voor de uitvoeringskosten. De tegemoetkoming wordt uitgekeerd via decentralisatie-uitkeringen in het gemeentefonds. Het gaat om een totaal van € 27.000,00 per deelnemende veehouderijlocatie. Het betreft een bijdrage voor de uitvoering van de stikstofregelingen, zoals gesprekken met veehouders over de toekomst van hun bedrijf, het wijzigen of intrekken van vergunningen, het wijzigen van omgevingsplannen, toezicht en handhaving. De uitkeringen komen beschikbaar in de mei- en decembercirculaires, met ingang van de meicirculaire van 2024. De hoogte van het bedrag wordt gebaseerd op basis van het aantal afgegeven subsidieverleningsbeschikkingen (per locatie € 7.000,00) en het aantal getekende modelovereenkomsten in het kader van de Lbv en Lbv-plus (per locatie € 20.000,00).

Daarnaast wordt er met alle initiatiefnemers een overeenkomst afgesloten waarin de afwikkeling van eventuele verzoeken tot nadeelcompensatie is geregeld voor hun deellocatie.

Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is aangetoond dat het TAM-omgevingsplan voor de gemeente economisch uitvoerbaar is.

6.2 Inspraak

Zienswijzen
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van maandag 1 december 2025 tot en met zondag 11 januari 2026 (gedurende 6 weken) ter visie gelegen. Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend.