direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wethouder Kortingstraat 19
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gronden binnen het plangebied, ter hoogte van de Wethouder Kortingstraat 19 in Aijen, kenden in het verleden grotendeels een agrarisch gebruik. Tot en met 2019 waren op het perceel nog kassen aanwezig. Inmiddels is het kassencomplex gesloopt en zijn de gronden - op het bestaande bijgebouw in het westelijke deel van het plangebied - vrij van bebouwing en grotendeels van beplanting. Sinds 2010 heeft een groot deel van het plangebied een woonbestemming gekregen, alleen het oostelijke deel is nog agrarisch. Binnen de huidige woonbestemming zijn 5 vrijstaande woningen toegestaan. Met de sloop van het kassencomplex en de nieuwe woonbestemming zijn de voorwaarden gecreëerd om te komen tot een kwaliteitsverbetering op deze locatie. Er wordt op een inbreidingslocatie kleinschalig voorraad toegevoegd aan de kern Aijen. Met het aanbieden van verschillende typen woningen kan de doorstroming worden bevorderd en de leefbaarheid een impuls krijgen. Er wordt met deze ontwikkeling ingespeeld op de bewoners van Aijen. Er wordt niet alleen gebouwd voor starters en doorstromers, maar ook levensloopgeschikt voor senioren.

Voor de mogelijke invulling met woningbouw zijn een aantal verkavelingsschetsen opgesteld welke uiteindelijk hebben geleid tot een ontwerp dat is voorgelegd aan de gemeente. Op 8 maart 2023 heeft de gemeente aangegeven in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan de realisatie van 9 woningen. In de meest recente verkavelingsopzet zijn 3 vrijstaande woningen, 2 geschakelde (vrijstaande) woningen en 4 twee-onder-één-kap woningen opgenomen.

De beoogde ontwikkeling in de vorm van 9 woningen past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is het daarom noodzakelijk om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet inwerking getreden. De Omgevingswet heeft de wet- en regelgeving die betrekking had op de fysieke leefomgeving gebundeld. Wetten en regels waar in voorliggende toelichting naar verwezen wordt zullen deels door inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vervallen. De bepalingen uit de vervallen wetten en regels zijn deels terug te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsplan gemeente Bergen (L).

De wet- en regelgeving van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is te raadplegen op www.wetten.nl door bij [regeling geldig op] '31 december 2023' in te voeren.

Voor onderhavig plan is voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerpplan ter inzage gelegd. Ingevolgde artikel 4.6, tweede lid, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is.

Het plan wordt, zodra het van kracht is, ingevolge artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de zuidoostzijde van de kern Aijen, aan de zuidzijde van de Wethouder Kortingstraat. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie S, nummer 2242 (deels) en heeft een oppervlakte van circa 8.920 m² en wordt begrensd door:

  • Noordzijde: de woonpercelen aan de Wethouder Kortingstraat 13 en 19;
  • Oostzijde: agrarisch perceel 2531;
  • Zuidzijde: het agrarische perceel 2520;
  • Westzijde: de woonpercelen aan de Aijen 4b, 4c, 6, 8 en 10.

Navolgende afbeelding toont globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0001.png"

Globale ligging en begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: street smart)

1.3 Geldend plan

Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Aijen', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 2 november 2010. In het geldende bestemmingsplan is de westzijde van het plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen' met deels een bouwvlak en de bouwaanduiding 'vrijstaand'. Deze gronden zijn zodoende bestemd voor vrijstaande woningen. Er zijn binnen het bouwvlak 5 vrijstaande woningen toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 5,5 m en 9,0 m. In het westen van het plangebied is tevens een verkeersbestemming opgenomen ten behoeve van wegen, straten en paden alsmede parkeervoorzieningen. Aan de oostzijde heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming ligt geen bouwvlak en is alleen bebouwing in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk. Over het gehele plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De oostelijke en zuidelijke rand van het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0002.png"

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Aijen' met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

Om de gewenste ontwikkeling naar een woonperceel met 9 woningen mogelijk te maken wordt de bestemming voor de gronden in het plangebied herzien.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het planologisch kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie zijn de gronden grotendeels vrij van bebouwing en beplanting. Het voormalige kassencomplex is reeds in 2019 gesloopt. Aan de westzijde van het plangebied ligt bestaande verharding en een vrijstaande schuur met daarnaast een strook beplanting. Het bestaande bijgebouw blijft bestaan en maakt onderdeel uit van de nieuwe ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0003.png"

Impressie huidige situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0004.png"

Impressie bestaande situatie vanaf de Wethouder Kortingstraat

2.2 Toekomstige situatie

De reeds bestaande woonbestemming wordt aan de oostelijke zijde uitgebreid. De woonbestemming sluit hiermee aan op de naastgelegen tuin behorende bij de Wethouder Kortingstraat 13. Voor de rest van het perceel aan de oostzijde blijft de agrarische bestemming behouden. Binnen het plangebied worden 9 woningen mogelijk gemaakt in de vorm van 3 vrijstaande woningen, 2 geschakelde (vrijstaande) woningen en 4 twee-onder-één-kap woningen. De vrijstaande woningen zijn gesitueerd aan de buitenzijde van het plangebied hetgeen zorgt voor een meer open structuur richting het buitengebied. Tussen de vrijstaande woningen en de andere 6 woningen komt een weg te liggen met een keervoorziening aan de zuidzijde van het plangebied. Het bestaande bijgebouw (achter huisnr. 19. aan de noordwestzijde van het plangebied) blijft gehandhaafd. Met deze aangepaste verkavelingsopzet wordt ingespeeld op de bewoners van Aijen.

De woonpercelen worden landschappelijk ingepast met opgaand groen rondom de nieuwe percelen met enkele doorzichten naar het open landschap en de dijk. Het plangebied biedt kansen voor het versterken van de natuurwaarden en biodiversiteit doordat de kassen in het verleden zijn gesloopt en het plan wordt ingepast in een stevig landschappelijk kader. Daarbij is er ook ruimte voor openbaar groen. In onderstaande inrichtingsschets is het een en ander landschappelijk ingepast. Het volledige inrichtingsplan is bijgevoegd als bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0005.png"

Landschappelijke inpassing (Bron: Groen Ruimte, d.d. 17 oktober 2024)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan. De ligging van het plangebied in het stroomvoerend rivierbed van de Maas wordt in subparagraaf 3.1.2 getoetst.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing.

In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Planspecifiek
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het stroomvoerend rivierbed van de Maas en valt daarmee binnen het onderwerp 'Grote rivieren' waar een bijzonder rijksbelang van toepassing is. Bij ontwikkelingen binnen het rivierbed kan volgens het 'Besluit tegemoetkoming schade bij rampen' geen aanspraak worden gemaakt op enige compensatie bij schade, als het een bouwwerk betreft binnen het winterbed van de Maas en deze ná 19 april 1996 (inwerkingtreding van de Beleidslijn Ruimte voor de rivier, later opgevolgd door de Beleidslijn grote rivieren (Bgr)) is gerealiseerd.

In titel 2.4 van het Barro is de ruimtelijke doorwerking geregeld. De artikelen 2.4.1. t/m 2.4.5 Barro stellen algemene eisen aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden die niet behoren tot de zogenaamde 'artikel 6.16-gebieden' van het Waterbesluit, zoals het plangebied.

Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van:

  • a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
  • b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
  • c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en
  • d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.

Uit de kaarten behorende bij de Bgr blijkt dat het plangebied grotendeels is gelegen binnen het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Op deze gebieden is paragraaf 6 'Gebruik van rijkswaterstaatswerken' van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing. De te realiseren woningen vallen binnen een gebied dat is vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Op een beperkt deel van het plangebied ter plaatse van de blauwe arcering binnen de groene omranding is echter het 'stroomvoerend regime' van toepassing:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0006.png"
Uitsnede kaart behorende bij de Waterregeling met globale begrenzing plangebied (groene omkadering)

Kleine gedeelten van het plangebied aan de oost en zuidzijde van het plangebied zijn volgens de kaart gelegen binnen het stroomvoerend regime van de Maas. Gebieden waarbinnen het stroomvoerend regime van toepassing is, is tevens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) van toepassing. Dit betekent dat voor bouwwerken en andere werken niet kan worden volstaan met een bouwvergunning, maar dat ook een vergunning in het kader van de Wbr benodigd is. Om een Wbr-vergunning te kunnen verkrijgen moeten onder andere rivierverruimende maatregelen worden overlegd, dat wil zeggen dat per saldo rivierwinst (lokaal waterstandsverlaging) wordt bereikt.

Overleg Rijkswaterstaat
Met Rijkswaterstaat is overleg gevoerd omtrent het voorgaande. Rijkswaterstaat heeft ingestemd met het grotendeels verwijderen van de bestaande dubbelbestemming ''Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aan de zuidzijde van het plangebied (binnen de bestemming 'Wonen'). Er blijft een kleine strook over aan de zuidzijde. Ter compensatie daarvoor wordt de aan de oostzijde van het plangebied bestaande dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' uitgebreid ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch'.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Planspecifiek
Op basis van jurisprudentie is bij een toevoeging van 11 woningen of minder geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorliggend initiatief voorziet in de bouw van 9 woningen waarvan er reeds 5 mogelijk waren. De toevoeging van 4 extra woningen maakt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zodoende is artikel 3.6.1, tweede lid Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.

3.1.4 Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Provinciale Staten heeft op 12 december 2014 het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vastgesteld. POL2014 is een strategisch plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Limburg op de middellange termijn en is het resultaat van een intensief samenwerkingsproces met de Limburgse gemeenten en partners. Op basis van een aantal Limburgse principes wordt voor de ontwikkeling van Limburg en nader onderscheiden in de regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg een toekomstvisie geschetst en wordt ten aanzien van overkoepelende thema’s als ‘duurzame economische structuur’, ‘aantrekkelijke woon- en leefomgeving’, ‘landelijk gebied met kwaliteit’ en ‘ondergrond’ een aantal ambities en opgaven benoemd. De kwaliteit van Limburg staat daarbij voorop. POL2014 heeft de wettelijke functie van ruimtelijke structuurvisie, provinciaal milieubeleidsplan, regionaal waterplan en provinciaal verkeers- en vervoersplan (PVVP).

POL2014 is vervangen door de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Limburg.

3.2.2 Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Provinciale Staten hebben op 1 oktober 2021 de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Op 25 oktober is deze visie in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 – 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.

In veel gevallen zal het mogelijk zijn om opgaven in samenhang op te pakken en zo win-winsituaties te creëren. Soms zullen opgaven echter met elkaar concurreren om de beperkt beschikbare ruimte. Dat vraagt om keuzes waarbij de belangen van economie, energievoorziening, veiligheid en gezondheid, natuur en ruimtelijke kwaliteit tegen elkaar moeten worden afgewogen. Die balans zal per gebied anders uitpakken. Dat past bij het principe om te werken vanuit de kenmerken en identiteit van gebieden. In gebieden als de Maasduinen is de landbouw minder grootschalig en vervult verblijfsrecreatie een belangrijke rol. De provincie wil die samenwerking stimuleren en waar nodig initiëren.

Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in de groenblauwe mantel (nu nog 'groenblauwe landschapszone'). Dit gebied omvat onder andere de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle beekdalen. De gebieden van de groenblauwe mantel hebben vaak een functie als buffer rond en verbindingszones tussen bestaande natuurgebieden, zoals het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Dit betreft gebieden met overwegend (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinschalige landschapselementen en waterlopen.

Het plangebied is grotendeels bestemd als woongebied en was voorheen grotendeels bebouwd met kassen. Zodoende zijn er geen kernkwaliteiten aanwezig. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt wel voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering door middel van een robuuste landschappelijke inpassing.

De beperkte wijziging van agrarisch naar wonen maakt dat er geen sprake is van het mogelijk maken van nieuwe activiteiten, danwel wijziging van bestaande activiteiten, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014

Naast het POL2014 (inmiddels vervangen door de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg (zie subparagraaf hiervoor) is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Deze verordening blijft nog geldig tot dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de omgevingsvisie juridische binding te geven.

Planspecifiek
De belangrijkste kaartlaag voor het plangebied betreft kaart 4 'beschermingszone natuur en landschap':

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0007.png"

Fragment kaart 4 'beschermingszones natuur en landschap'

Zoals te zien op voorgaande afbeelding ligt het plangebied binnen de bronsgroene landschapszone. In de Omgevingsverordening is een motiveringsplicht opgenomen die gemeenten vraagt om in de toelichting op nieuwe bestemmingsplannen (voor onderdelen van de bronsgroene landschapszone) aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan (POL 7.5.4). Deze motiveringsplicht is juridisch vastgesteld in artikel 2.7.2. ‘Bronsgroene landschapszone’:

"De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Als er sprake is van negatieve effecten op natuurwaarden zal er een compensatie plaats moeten vinden."

Het plangebied is grotendeels bestemd als woongebied en was voorheen grotendeels bebouwd met kassen. Zodoende zijn er geen kernkwaliteiten aanwezig. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling van het plangebied is wordt wel voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering door middel van een robuuste landschappelijke inpassing.

De beperkte wijziging van agrarisch naar wonen maakt dat er geen sprake is van het mogelijk maken van nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

3.2.4 Omgevingsverordening Limburg

Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 januari 2024. In deze verordening staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de nieuwe Omgevingsvisie juridische binding te geven.

Planspecifiek
In de Omgevingsverordening maakt het plangebied onderdeel uit van het gebied dat op de kaart 7 'Landschap' is aangeduid als 'groenblauwe mantel'. Feitelijk betreft het de voormalige 'bronsgroene landschapszone'.

De toelichting bij de Omgevingsverordening zegt hier over: "De beschermingsregimes van de huidige Zilvergroene natuurzone en de huidige Bronsgroene landschapszone komen in de omgevingsverordening sterk overeen. Ook in gebruik van deze gebieden (veelal agrarisch, grondgebonden landbouw) is weinig verschil (dit in tegenstelling tot de Goudgroene natuurzone waar het natuurbelang prevaleert). Het enige wat er verandert is dat ook voor de (voormalige) bronsgroene natuurzone inzichtelijk moet worden gemaakt wat de betekenis van een ontwikkeling in een ‘plangebied’ is voor de natuurwaarden in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. Dit wordt in de vigerende verordening ook gevraagd voor de Zilvergroene natuurzone. Belangrijk is ons te realiseren dat dit niet meer is dan een motiveringsplicht en geen gebodsbepaling. De verwachting is dat deze motiveringsplicht in veel situaties weinig extra inspanning (motivering) vergt omdat verbindings- of bufferfuncties niet geraakt worden. De samenvoeging van de twee zones sluit aan bij de wens tot harmonisatie van de naamgeving van natuurzoneringen vanuit de Omgevingswet."

Dit betekent dat er ook bij de toekomstige Omgevingsverordening op dezelfde wijze wordt omgegaan met de voormalige bronsgroene landschapszone.

3.2.5 Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Bergen 2030

In de afgelopen jaren is ook in de gemeente Bergen veel veranderd op het gebied van onder andere bevolkingsopbouw, duurzaamheid en economie. Daarom heeft de gemeenteraad op 23 april 2019 de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen.

De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst Gemeente Bergen voortaan aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie:

  • 1. Waterbeheer op maat;
  • 2. Voorzieningen bereikbaar houden;
  • 3. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving;
  • 4. Energie onafhankelijk in 2030;
  • 5. Woningvoorraad op maat;
  • 6. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit;
  • 7. De meest toekomstbestendige gemeente;
  • 8. Leefklimaat in de dorpen verbeteren;
  • 9. Landschap en Landbouw in balans;
  • 10. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen.

Planspecifiek
Uit de visiekaart blijkt dat de hele bestaande kern van Aijen is aangemerkt als 'overige dorpen'. Hier is geen specifiek beleid aan gekoppeld.

In Aijen is nog maar een beperkt aantal bouwmogelijkheden aanwezig. Het huidige bestemmingsplan laat de bouw toe van 5 vrijstaande woningen. Met de realisatie van dit initiatief kunnen er iets meer woningen gerealiseerd worden en kunnen er ook meer verschillende typen woningen gerealiseerd worden (o.a. twee-onder-één-kapwoningen en levensloopgeschikte geschakelde woningen). Dit geeft mogelijkheden voor doorstroming en is positief voor de leefbaarheid van Aijen. Daarnaast zijn er kansen voor het versterken van de natuurwaarden en biodiversiteit doordat de kassen zijn gesloopt en het plan wordt ingepast in een stevig landschappelijk kader. Daarbij is er ook ruimte voor openbaar groen.

De beoogde ontwikkeling draagt daarmee bij aan het realiseren van de gemeentelijke ambities uit de omgevingsvisie.

3.3.2 Volkshuisvestingsprogramma gemeente Bergen (2025 - 2030)

De gemeenteraad heeft op 17 december 2024 het Volkshuisvestingsprogramma gemeente Bergen (2025 - 2030) vastgesteld.

De gemeente heeft de ambitie om gemeente Bergen uit te bouwen tot de meest toekomstbestendige gemeente van Nederland. Dit betekent dat ze een aantrekkelijke woongemeente wil zijn met een passend en toekomstbestendig aanbod. De gemeente wil dat al haar inwoners (zowel jong als oud) hun woonwensen zoveel mogelijk binnen de eigen gemeentegrenzen kunnen realiseren.

Hiervoor stemt de gemeente het woningaanbod af op de vraag. De gemeente heeft nadrukkelijk aandacht voor de juiste woning op de juiste plek. Het is daarbij belangrijk dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en mee kunnen (blijven) doen in de samenleving. De gemeente zet daarom in op een gezonde leefomgeving en een prettig leefklimaat in de dorpen.

De gemeente wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en blijven voor al haar inwoners. Hiervoor is vernieuwing nodig. Tot en met 2026 voegt de gemeente daarom minimaal 400 bouwtitels toe. Eén bouwtitel geeft het recht op de bouw van één woning. De gemeente zet daarbij de in 2022 ingezette lijn (realiseren van bouwtitels) door en maakt snelheid in de voor- en procedurefase van woningbouwplannen.

De gemeente voegt in alle dorpen bouwtitels toe en doet dit om haar dorpen vitaal en leefbaar te houden en om ervoor te zorgen dat inwoners hun wooncarrière (indien gewenst) zoveel mogelijk binnen hun eigen dorp kunnen maken. De afgelopen jaren is namelijk te zien dat maar weinig jongeren een woning kunnen vinden in hun eigen dorp. Door het gebrek aan opties verlaten ze hun dorp (en de gemeente). Hierdoor komt het voorzieningenniveau en de leefbaarheid onder druk te staan. Dit moet in de toekomst voorkomen worden.

Op basis van de meest actuele huishoudensprognose (inclusief migratie) is er in de gemeente Bergen in de periode 2024 t/m 2030 behoefte aan zo’n 305 extra woningen. Het zwaartepunt van de behoefte ligt in de dorpen Nieuw Bergen en Well, maar ook in alle andere dorpen is behoefte aan extra woningen. Er is vooral behoefte aan extra nultredenwoningen. De behoefte is het grootste in het sociale huur-, middenhuur- en koopsegment. Daarom focust de gemeente eerst op deze segmenten. Ook na 2030 blijft de gemeente Bergen licht groeien. Tussen 2030 en 2040 stijgt het aantal huishoudens nog met zo’n 125.

Met de gemeentelijke ambitie om tot en met 2026 400 bouwtitels toe te voegen, vult de gemeente haar woningbehoefte (circa 430 extra woningen tot 2040) dus deels versneld. In de prognose wordt echter nog geen rekening gehouden met het inlopen van het huidige woningtekort. Deze bedraagt in de gemeente Bergen zo’n 80 woningen. Dit resulteert in een totale opgave van 510 woningen tot 2040. In onderstaande tabel is, aansluitend op bovenstaande woningbehoefte, de indicatieve woningbouwopgave per dorp uiteengezet in een bandbreedte. Deze moet als richtinggevend te worden gezien:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0008.png"

Planspecifiek
In Aijen is nog maar een beperkt aantal bouwmogelijkheden aanwezig. Het huidige bestemmingsplan laat de bouw toe van 5 vrijstaande woningen. Met de realisatie van dit initiatief kunnen er 4 extra woningen gerealiseerd worden en kunnen er ook meer verschillende typen woningen gerealiseerd worden (o.a. twee-onder-één-kapwoningen en levensloopgeschikte geschakelde woningen). Dit geeft mogelijkheden voor doorstroming en is positief voor de leefbaarheid van Aijen om zo bij te dragen aan een evenwichtige woningvoorraad. De nieuwe woningen zijn verder duurzaam (gasloos en BENG) en dragen bij aan een meer gevarieerde wijkopbouw in Aijen. Het is aan de toekomstige eigenaren zelf of zij hun nieuwe woning levensloopgeschikt maken.

De beoogde ontwikkeling draagt daarmee bij aan het realiseren van de gemeentelijke ambities uit het volkshuisvestingsprogramma.

3.3.3 Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.4 Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer

Om de verkeersgeneratie te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. Het plangebied is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:

  • 8,2 voertuigbewegingen per woning (koop, vrijstaand);
  • 7,8 voertuigbewegingen per woning (koop, twee-onder-een-kap).

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 9 woningen in de vorm van 3 vrijstaande woningen, 2 geschakelde (vrijstaande) woningen en 4 twee-onder-één-kap woningen. Dit leidt tot de volgende voertuiggeneratie:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0009.png"

In de bestaande planologische situatie met maximaal 5 vrijstaande woningen betreft de verkeersgeneratie (8,2 x 5) = 41 voertuigbewegingen.

Als gevolg hiervan neemt in de toekomstige planologische situatie het aantal woningen in het plangebied met 4 wooneenheden toe. Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen slechts beperkt toeneemt met: 72,2 - 41,0 = 31,2 extra voertuigbewegingen per weekdag. Worst-case zal er echter, omdat de 5 planologisch toegestane vrijstaande woningen nooit zijn gerealiseerd, rekening worden gehouden met 72,2 extra voertuigbewegingen per etmaal.

Het plangebied wordt ontsloten via de Wethouder Kortingstraat. Aangezien het om een relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen gaat en de Wethouder Kortingstraat voldoende capaciteit heeft om deze toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename.

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2 Parkeren

Op 25 april 2023 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen (gemeente Bergen L.) vastgesteld. Daarom is op basis van deze nota het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald.

Het plangebied is gelegen in de zone 'rest bebouwde kom' en er wordt uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand' en 'koop, huis, twee-onder-een-kap'. Dit leidt tot de navolgende parkeerbehoefte:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0010.png"

De parkeernorm geeft aan wat de parkeerbehoefte van een functie is. Wanneer binnen een gebied meerdere functies aanwezig zijn of worden gebouwd, vallen de pieken in parkeerbehoefte van die functies niet altijd op hetzelfde moment. Bij woningen is de parkeerbehoefte bijvoorbeeld op werkdagen in de avond en nacht maximaal. Het moment waarop alle gecombineerde functies tezamen een maximale parkeerbehoefte genereren wordt de maatgevende parkeerbehoefte genoemd. De maatgevende parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de aanwezigheidspercentages. Hierbij wordt bij woningen het bewonersdeel en het bezoekersdeel van de toekomstige parkeerbehoefte van elkaar gescheiden.

Uitgaande van dubbelgebruik van het bewoners- en bezoekersdeel van de 9 beoogde woningen bedraagt de maatgevende parkeerbehoefte afgerond 18 parkeerplaatsen.

In het meest recente ontwerp zijn 5 woningen met een 'dubbele oprit naast elkaar'. Deze opritten tellen voor 2,0 parkeerplaatsen: 5 x 2,0 = 10,0 parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er nog 4 woningen met 'oprit/parkeerplaats'. Deze opritten tellen voor 1,0 parkeerplaatsen: 4 x 1,0 = 4,0 parkeerplaatsen. Daarnaast is er nog voorzien in 4 langsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Per saldo zijn er daarmee 10 + 4 + 4 = 18 parkeerplaatsen en wordt aan de gemeentelijke parkeernorm voldaan.

Er is voldoende ruimte in het plangebied aanwezig om in deze parkeerbehoefte te voorzien.

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.

Bodemopbouw
De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, matig fijn zand. De bodem is bovendien zwak tot matig humeus en plaatselijk zwak grindig. In de ondergrond is zeer plaatselijk een leemlaag en leemhoudende zandlaag aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Ook is ter plaatse van boring B02 géén olie/waterreactie waargenomen.

Op de onderzoekslocaties zijn twee deellocaties onderzocht.

Deellocatie A: Gehele locatie
In de bovengrond is een zeer licht verhoogd gehalte aan hexachloorbenzeen gemeten. Dit licht verhoogde gehalte is te relateren aan het voormalige glastuinbouw die op de locatie plaatsgevonden heeft. In de ondergrond zijn analytisch geen verontreiniging vastgesteld. Het grondwater is analytisch licht verontreinigd met zink, cadmium en nikkel. Deze licht verhoogde gehalten zijn hoogstwaarschijnlijk gerelateerd aan regionaal verhoogde achtergrondwaarden.

Deellocatie B: Vml. olie- en bestrijdingsmiddelenopslag
Ter plaatse van de voormalige olieopslag zijn in de bovengrond geen verhoogde gehalten aan minerale olie gemeten. In het grondwater zijn tevens geen verontreinigingen met olie(gerelateerde) producten geconstateerd. Er zijn in mengmonster MMB01 en MMB03 geen EOX waarden boven de detectielimiet gemeten. Aanvullend stofspecifiek onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Advies
Op basis van de (zeer) licht verhoogde gehalten in de grond- en het grondwater bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie bestaan er op milieuhygiënisch vlak dan ook géén belemmeringen.

De eindsituatie ter plaatse van de voormalige olie- en bestrijdingsmiddelenopslag is middels het onderhavig onderzoek vastgelegd.

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

Regelgeving
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0011.png"
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Wegverkeerslawaai
De Wethouder Kortingstraat te Aijen kent ter plaatse van het plangebied een snelheidsregime van 30 km/u. De 60 km/u zone begint ten zuiden van het plangebied pas na het verlaten van de bebouwde kom voorbij Kampweg 8A en ten noordoosten van het plangebied bij de dijkovergang richting Well. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk. Dit wordt nog ondersteund door de geringe breedte van deze wegen en de naar verwachting lage verkeersintensiteit ter plaatse.

Railverkeerslawaai
De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd.

Industrielawaai
De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd.

4.3.3 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0012.jpg" Tabel 4.1: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied komen geen niet-woonfuncties voor met een richtafstand die overlapt met het plangebied. Bovendien zijn er bestaande woningen gelegen tussen het plangebied en het horecabedrijf aan de westzijde van de Kampweg (= meest nabij gelegen niet-woonfunctie) en heeft het plangebied ook in de bestaande situatie al een woonfunctie. Het horecabedrijf aan de Kampweg 1 ligt op circa 75 m ten westen van het plangebied en is daarmee niet relevant.

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 9 woningen mogelijk. Dit betekent dat er sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In paragraaf 4.1.1 is de toename van het aantal voertuigbewegingen bepaald. Uit de NIBM-tool (versie 24 april 2024) blijkt dat inderdaad sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0013.png"

Om na te gaan wat de (verwachte) situatie van de luchtkwaliteit in het plangebied is bij monitoringsronde 2024 in de monitoringsjaren 2023 en 2030 is, is gebruik gemaakt van de monitoring van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Zowel voor de NO2-concentratie, de PM10-concentratie alsmede de PM2.5-concentratie blijkt de luchtkwaliteit voor zowel nu als in de toekomst acceptabel te zijn, zie navolgende tabel. In deze tabel is de luchtkwaliteit op het meest nabij gelegen rekenpunt (receptor wegverkeer 50052969_15986770) weergeven:

  2023 (µg/m3)   2030 (µg/m3)  
NO2   10,6   9,7  
PM10   14,2   12,6  
PM2,5   7,9   6,6  

Daarmee worden de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe.

De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 µg/m³ mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden. Uit het CIMLK blijkt dat in zowel 2023 als 2030 het totaal aantal overschrijdingsdagen 6 bedraagt, waarmee ruimschoots aan de daggemiddelde grenswaarde wordt voldaan.

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Geur

4.6.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:

    Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
Binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   maximaal 3 ouE/m³   maximaal 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object   minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
Buiten bebouwde kom   diercategorieën Rgv   maximaal 14 ouE/m³   maximaal 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object   minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Geurnormen Wgv

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Bergen beschikt over een dergelijke verordening in de vorm van de Verordening geurhinder en veehouderij 2007.

Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit
In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen het omliggende agrarische bedrijf en het plangebied al andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van het betreffende agrarische bedrijf.

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld.

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0014.png"

Fragment risicokaart

Uit een inventarisatie van de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat de onderstaande risicobron voor het plangebied relevant kan zijn. Hierna wordt het risico bepaald en de consequenties hiervan voor het ruimtelijk besluit. In de nabijheid van het voorliggende plangebied is de volgende risicobron aangetroffen:

  • transport van gevaarlijke stoffen over de Maas.

Inrichtingen c.q. bedrijven
Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas
De Maas - ten westen van het plangebied - geldt als een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De vaarroute is op grond van de Regeling Basisnet aangewezen als een binnenvaartverbinding voor chemische clusters & achterlandverbindingen met toetsafstand (zwarte vaarroute). De PR 10-6 contour ligt daarmee op het water en reikt niet verder dan de oever.

De waterlijn is de lijn waar het water de oever raakt bij de waterstand die het meest regelmatig optreedt. Vanaf deze lijn treedt bij zwarte vaarwegen een plasbrandaandachtsgebied (PAG) op van 25 m. Binnen deze zone geldt een motiveringsplicht bij bouw van nieuwe objecten. Het PAG reikt niet tot het voorliggende plangebied.

De bevaarbaarheidsklasse (CEMT) van de Maas is Va. Op basis van de Regeling basisnet (bijlage III) worden de volgende jaarintensiteiten vervoerd over de Maas. In de tabel wordt tevens het invloedsgebied van deze vaarwegen genoemd.

Stofcategorie   Aantal schepen (per jaar)   1% letaliteitsafstand (in meters)  
LF1   Brandbare vloeistof (diesel)   803   35  
LF2   Brandbare vloeistof (benzine)   2.710   35  
LT1   Toxische vloeistof (acrylnitril)   40   600  
GF3   Brandbare gassen (LPG)   289   90  

Tabel 4.3: jaarintensiteiten Maas

Het groepsrisico wordt in Nederland bij transport over water voornamelijk bepaald door transporten van toxische stoffen (GT en LT). Over de Maas worden geen stoffen uit de categorieën LT3 en LT4 vervoerd. Bovenstaande intensiteiten geven aan dat er 40 transporten van gevaarlijke stoffen met toxische vloeistoffen (LT1) plaatsvinden. Het invloedsgebied van deze toxische stoffen ligt op 600 m en reikt tot het voorliggende plangebied. Het aantal wooneenheden in het plangebied neemt dusdanig beperkt toe, zodat er wat dat betreft geen verslechtering op zal treden.

Voor de overige stoffen reikt het invloedsgebied niet tot het plangebied. In de verantwoording wordt daarom ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid ten aanzien van het toxische scenario.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding
Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het water (de Maas) is de beschikbaarheid van voldoende blus-/koelwater geen beperkende factor. Een calamiteit op het water zal over het algemeen echter niet of slecht bereikbaar zijn. Hiervoor is de inzet van een blusboot noodzakelijk. Afhankelijk van de exacte locatie van de calamiteit kan de inzet van de blusboot langere tijd op zich laten wachten. Net als bij het spoor- en wegvervoer zullen calamiteiten maar zelden kunnen worden voorkomen en zal de inzet zich richten op het beperken en bestrijden van de effecten. Het grote aantal slachtoffers dat bij incidenten met gevaarlijke stoffen kan vallen kan de capaciteit van de geneeskundige hulpverlening in veel gevallen te boven gaan.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Op een afstand groter dan 150 m is bij een BLEVE het schuilen in een gebouw vaak de beste manier om de calamiteit te overleven. Met name de ruimten die buiten het bereik van rondvliegend glas liggen zijn als veilige plekken aan te merken. Na afloop van een 'BLEVE' kan het beste worden gevlucht, om secundaire branden te vermijden. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden.

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS) 3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de Maas is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safehaven-principe). Indien dit niet mogelijk is kan ervoor gekozen worden te vluchten. Bij een toxische wolk moet gevlucht worden haaks op de wolk, in de afgekeerde richting van de Maas. Door vanuit het multifunctioneel centrum te vluchten via de nieuwe toegang aan de straatzijde is dit het geval.

Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit kan met behulp van het zogenaamde waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Het WAS-netwerk is dekkend voor het plangebied. Het gebruik van WAS, eventueel aangevuld met het gebruik van SMS-alert kan eraan bijdragen dat het aantal slachtoffers wordt beperkt.

Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.8 Waterhuishouding

4.8.1 Regelgeving

De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen moet steeds meer aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.

Beleid waterschap en hogere overheden
Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, de Omgevingsverordening Limburg (2021), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën.

Gemeentelijk beleid
Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 vastgesteld waarin staat dat de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem wil creëren. Regenwater vasthouden en klimaatbestendig inrichten zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

4.8.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Huidige situatie

Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak
Bij onderhavig plangebied is er sprake van volgende bestaande verhardingen:

  • Dakoppervlak (bestaand bijgebouw ten zuiden van huisnr. 19): 85 m²;
  • Terreinverharding ter plaatse van uitbreiding: 290 m².

Het totale bestaande verhard oppervlak bedraagt daarmee 375 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0015.png"

Impressie bestaande bebouwing en verharding met globale aanduiding plangebied in rood

Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden
Het plangebied ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied.

Het plangebied is niet gelegen in de (buiten)beschermingszone van een waterkering. Het intensiveren van de woonbestemming op de beoogde locatie heeft geen invloed op de stabiliteit en bereikbaarheid van de waterkering.

Wel zijn de oostzijde en de uiterste zuidzijde van het plangebied gelegen binnen het 'stroomvoerend rivierbed'. In of op de gronden mag ten behoeve van alle activiteiten worden gebouwd, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de andere krachtens dit plan aan deze gronden gegeven bestemmingen moeten deze activiteiten toelaten;
  • er moet sprake zijn van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; en
  • er moet sprake zijn van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is;
  • de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen moeten duurzaam gecompenseerd worden, waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.

In alle gevallen moet voorafgaand aan de afgifte van de omgevingsvergunning voor bouwen advies worden ingewonnen bij de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat.

Huidige verwerking hemelwater
In de huidige situatie valt het hemelwater op het onverharde deel van het plangebied waar woningbouw wordt gerealiseerd en kan het water direct in de bodem infiltreren.

Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit
Ter plaatse van de te realiseren woningen is op dit moment geen sprake van afvalwater.

Aanwezig oppervlaktewater
In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden.

Grondwaterstand en maaiveldhoogte
De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt +/- 11,5 m + NAP, waardoor het grondwater zich op +/- 3,0 m -mv zou bevinden.

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

Planbeschrijving
De grootte van het totale plangebied bedraagt circa 8.920 m², waarvan circa 6.500 m² als woongebied in gebruik genomen wordt. Er wordt een uitbreiding van de woonbestemming mogelijk gemaakt, waardoor uiteindelijk 9 woningen kunnen worden opgericht op de gewenste locatie. Onder de vigerende bestemming waren dat 5 woningen.

Hemelwater
Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het besluitgebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025.

Het plangebied zal zelfvoorzienend moeten zijn qua waterberging. Dit betekent dat op eigen terrein in extra ruimte voor waterberging zal moeten worden voorzien. De exacte grootte van de voorziening hangt af van de oppervlakte die verhard gaat worden. Gezien de forse grootte van het bestaande perceel is hier ruimte genoeg voor op eigen terrein. De hemelwaterafvoer van de daken van de nieuwe bebouwing moet worden afgekoppeld op eigen terrein met een voorziening van 60 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Dit is via een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd (zie sublid 7.2.5 van de regels).

  • Voor de toename aan verhard oppervlak wordt uitgegaan van in totaal circa 1.350 m² aan nieuwe bebouwing waarvan de dakoppervlakken niet aangesloten worden op de riolering (afgekoppeld). Het bestaande, te handhaven bijgebouw van circa 85 m² (gelegen aan de noordwestzijde van het plangebied) is hierbij buiten beschouwing gelaten.
  • Daarnaast wordt uitgegaan van circa 1.980 m² aan terreinverharding op de woonpercelen, waarvan circa 290 m² in de huidige situatie al aanwezig is.
  • Voor de openbare ruimte wordt uitgegaan van circa 560 m² aan extra verharding.

In tabelvorm ziet dit er als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0016.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0017.png"

Per saldo een toename van circa 3.605 m² aan verhard oppervlak, waarvan ruim 3.000 m² ter plaatse van de woonpercelen en circa 560 m² ter plaatse van de openbare weg met langsparkeerplaatsen. Gezien de hoeveelheid extra verhard oppervlak zullen alle woningeigenaren op eigen terrein een infiltratievoorziening moeten realiseren met een gezamenlijke capaciteit van 182,6 m³ (3.044 m² x 60 mm). De bergingsvoorziening moet binnen 24 uur na de neerslaggebeurtenis opnieuw beschikbaar zijn voor waterberging. Alle woningen zullen een nader te bepalen infiltratievoorziening op het eigen perceel realiseren, bijvoorbeeld door infiltratiekratten of vergelijkbaar.

De verharding voor de te realiseren openbare weg en parkeerplaatsen bedraagt circa 560 m² en zal via een wadi aan de noordwestzijde van het plangebied geïnfiltreerd worden. Hiervoor geldt een capaciteit van 33,6 m³ (560 m² x 60 mm).

Afvalwater
Afvalwater zal via een nieuw aan te leggen riolering onder de weg in het plangebied worden geloosd op de aanwezige riolering in de Wethouder Kortingstraat. Het bestaande rioleringsstelsel is voldoende van omvang om deze minimale toename te kunnen verwerken.

Er wordt uitgegaan van gemiddeld 129 l afvalwater per dag per persoon (bron: Vewin). Indien wordt uitgegaan 2,12 personen per woning (= gemiddelde huishoudgrootte in Nederland in 2023) zal er bij 9 woningen per dag circa 9 x 2,12 x 0,129 = 2,46 m³ afvalwater worden geloosd op het rioleringsstelsel. Met het aansluiten van de woning moet voldaan worden aan de uitgangspunten uit het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 uit 2019 en conform Afdeling 3 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022.

Na aanleg van de riolering onder de weg in het plangebied wordt deze overgedragen aan de gemeente.

Grondwater
Zoals het geldende bestemmingsplan en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand in het plangebied. Vanuit de grondwaterkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen.

Waterkwaliteit en beheer
Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend niet-uitlogende bouwmaterialen gebruikt voor de te realiseren woningen.

4.8.3 Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9 Ecologie

4.9.1 Regelgeving

De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes:

  • 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn;
  • 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0018.png" Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich:

  • 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn Gedeputeerde Staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen.
  • 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde “tabelsoorten” niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt.
  • 3. Tot derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd.

In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.9.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Soortenbescherming
In de huidige situatie betreft het plangebied grotendeels woongebied en deels agrarisch gebied. De landbouwgronden zijn in gebruik voor onder meer het telen van mais en aardappelen. Ter plaatse van het plangebied is zeer beperkt beplanting aanwezig. Ten behoeve van het planvoornemen is geen sprake van het slopen van gebouwen of het verwijderen van groenstructuren. De activiteit geeft geen reden aan te nemen dat ecologische belangen worden geschaad. Het bestaande groen blijft gehandhaafd en er worden geen bomen gekapt om de woningen te realiseren. Er vinden ook geen sloopwerkzaamheden plaats. Om voorgaande redenen is een ecologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Gebiedsbescherming
Het plangebied is gelegen in de groenblauwe mantel (nu nog 'groenblauwe landschapszone'). Het plangebied is grotendeels bestemd als woongebied. De kernkwaliteiten uit de provinciale beleidskaders zijn niet van toepassing op dit gebied. Daarnaast ligt het plangebied buiten het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Vanwege de kleinschalige aard van de ontwikkeling, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht.

Om externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten is ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 bij de toelichting. Uit dit rapport en de bijbehorende bijlagen kan worden geconcludeerd dat de geplande activiteiten ten behoeve van de realisatie en het gebruik van de 9 woningen in het plangebied geen belemmering vormen als gevolg van de stikstofuitstoot voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10 Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Archeologie
In de 'Nota archeologiebeleid Bergen' zijn de beleidsuitgangspunten en de achtergronden van het gemeentelijk archeologiebeleid beschreven. In hoofdlijnen komt het beleid erop neer dat bij ruimtelijke initiatieven die leiden tot bodemverstoring archeologisch onderzoek noodzakelijk is, in gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde en in gebieden met bekende archeologische resten, de zogenaamde archeologische terreinen.

Conform de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is er binnen het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachtingswaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0019.png"
Fragment beleidskaart, plangebied geel omlijnd

Het plangebied is gelegen in categorie 4 van de beleidsadvieskaart. Binnen deze categorie is er een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m².

In het tot op heden geldende bestemmingsplan was het plangebied reeds voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Op basis van de bestemming 'Waarde - Archeologie' is archeologisch onderzoek verplicht indien er sprake is van een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en het gebied groter is dan 250 m².

Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd dat is toegevoegd aan de toelichting als bijlage 5. Volgens het bureauonderzoek ligt de locatie op een Maasterras uit het Allerod. Op basis van deze landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied vanaf het Laat-Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor Landbouwers. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De archeologische resten worden bij dit landschapstype verwacht onder het esdek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onderin het esdek; hier wordt ook wel van 'cultuurlaag' gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het dek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden zijn geconserveerd. het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. De aanleg van de voormalige en huidige kassen en de huidige bestrating en de daarmee samenhangende diepploegwerkzaamheden kunnen het bodemprofiel in het plangebied hebben verstoord. Als er, zoals wordt beweerd door de opdrachtgever en de huidige bewoner, gediepploegd is 'tot in de grove zanden', dan is het bodemprofiel vermoedelijk tot in de beddingafzettingen van de Maas verstoord. Het verkennend inventariserend booronderzoek heeft aangetoond dat de locatie inderdaad op een hoge enkeerdgrond is gelegen. De bodem is bij graaf- of diepploegwerkzaamheden verstoord tot in de C-horizont, tot een diepte van 50 à 80 cm -mv. De kans dat er op de onderzoekslocatie nog een vondstlaag aanwezig is, is hierdoor erg klein. Het is echter wel mogelijk dat er nog diepe grondsporen aanwezig zijn van nederzettingen vanaf de Bronstijd.

Omdat er meer dan 250 m² zal worden vergraven en omdat er ook dieper wordt gegraven dan 50 cm onder het maaiveld vereist de gemeente een proefsleuvenonderzoek. Ook dekt het voorgaande onderzoek niet het hele plangebied, maar alleen de westzijde.

Begin september 2025 is de rapportage van het archeologisch proefsleuvenonderzoek afgerond. Deze rapportage is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd

Het doel van het proefsleuvenonderzoek was vast te stellen of binnen het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Verspreid over het terrein zijn 7 proefsleuven aangelegd met een totaaloppervlak van circa 893 m² (dekkingsgraad circa 13,85 %).

Het plangebied ligt op een Maasterras uit het Allerød, omgeven door lager gelegen terrasgeulen uit het Dryas. De hoger gelegen ligging maakte het terrein aantrekkelijk voor bewoning. Door plaggenbemesting in de periode late middeleeuwen -nieuwe tijd is een dik, humeus dek ontstaan. Uit de veldwaarnemingen blijkt echter dat deze enkeergrond grotendeels diep is omgespit tot in de C-horizont, waardoor het natuurlijke bodemprofiel slechts plaatselijk intact is.

Het vondstmateriaal, voornamelijk uit de prehistorie.Romeinse tijd en late middeleeuwen, bestaat hoofdzakelijk uit huishoudelijk afval, deels ingebracht via plaggenbemesting en deels afkomstig van oude bewoningsactiviteiten. De dichtheid aan archeologische sporen is laag. Twee vindplaatsen zijn gedefinieerd:

  • In het noordwesten een cluster kuilen uit de nieuwe tijd, mogelijk gerelateerd aan agrarische activiteiten of een zone waar gelijkaardige handelingen plaats vonden. Het betreft hier een duidelijk offsite fenomeen.
  • In het zuidwesten een waterput en een cluster ingravingen. De waterput is vermoedelijk Romeins, maar kan ook een middeleeuwse oorsprong hebben. Waterputten staan over het algemeen in verband met bewoning. Ten westen van de waterput bleek de bodem iets minder diep verspit en zijn ook ingravingen waargenomen. De meeste van deze ingravingen zijn ondiep en lijken grotendeels gegraven vanuit het ophoogdek. Dit zou beteken dat ze een jongere datering (nieuwe tijd) hebben waardoor een relatie met agrarische activiteiten bij vele sporen mogelijk is.

Op basis van de gemiddelde fysieke kwaliteit en lage tot gemiddelde inhoudelijke waarde worden de vindplaatsen met uitzondering van de waterput als niet behoudenswaardig beoordeeld. Het onderzoeksburo adviseert daarom met uitzondering van het niet onderzochte deel van de waterput geen archeologische beperkingen voor de verdere planvorming.

Dit betekent dat, op een klein deel van het plangebied aan de zuidwestzijde na, de archeologische dubbelbestemming komt te vervallen.

Cultuurhistorie
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart zijn er geen elementen met cultuurhistorische waarden in het plangebied aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP23019WE19AIJ-VA01_0020.png"
Fragment kaart cultuurhistorische waarden, plangebied in geel

4.10.3 Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11 Leidingen

4.11.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding moeten worden opgenomen.

4.12 Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De voorgenomen activiteiten in dit bestemmingsplan voorzien niet in een stedelijk ontwikkelingsproject of andere in het Besluit m.e.r. aangewezen activiteiten. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of m.e.r. ingevolge dit besluit is dan ook niet nodig.

Desondanks zijn, in het kader van de voorgenomen ontwikkeling in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie en cultuurhistorie. Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet nodig wordt geacht.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en het geldende bestemmingsplan 'Aijen'. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen.

Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Opbouw bestemmingen

In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd:

Bestemmingsomschrijving
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijk strijdige gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2 Bestemmingen

Het bestemmingsplan kent een (enkel)bestemming en twee dubbelbestemmingen:

Agrarisch
Binnen deze bestemming is de bestaande agrarische grond binnen het plangebied geregeld. Er zijn geen bouwvlakken aanwezig en bebouwing met bedrijfsgebouwen is derhalve niet toegestaan.

Groen
Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen en voorzieningen van algemeen nut toegestaan.

Tuin
Binnen deze bestemming zijn de gronden bedoeld voor onder meer beplanting, paden en verhardingen. Het gebied moet worden ingericht in overeenstemming met de landschappelijke inpassing.

Verkeer
De wegen en de verblijfsruimten in het plangebied hebben de bestemming verkeer gekregen.

Wonen
Het plangebied is voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze bestemming is op hoofdlijnen gelijk aan de bestemming 'Wonen' uit het geldende bestemmingsplan 'Aijen' en sluit inhoudelijk aan bij actuele regelingen voor vergelijkbare ontwikkelingen c.q. bestemmingsplannen in de gemeente Bergen.

De woningen (hoofdgebouwen) moeten gerealiseerd worden binnen het aangeduide bouwvlak. De maximum goot- en bouwhoogten zijn op de verbeelding weergegeven. De regeling is verder flexibel gehouden, met als gevolg dat er bij het bouwen, verbouwen of veranderen van een woning slechts aan een beperkt aantal voorwaarden voldaan hoeft te worden.

Bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen en bijgebouwen) mogen uitsluitend in het achtererfgebied worden gebouwd.

Waarde - Archeologie
Deze dubbelbestemming geldt voor het hele plangebied. Indien een ontwikkeling plaatsvindt moet getoetst worden of archeologische waarden verstoord kunnen worden. Indien een ontwikkeling de gronden dieper dan 0,5 m verstoord en het te verstoren gebied groter is dan 250 m² moet een archeologisch bureauonderzoek plaatsvinden. Dit sluit aan bij de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.

Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed
De voor 'Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een stroomvoerende functie.

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels
Deze regels bevatten een regeling om de landschappelijke inpassing te waarborgen.

Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkingsmogelijkheden die voor het hele plangebied gelden en die Burgemeester en wethouders de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan

Overige regels
Deze bepaling bevat regels omtrent parkeren.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Kostenverhaal

De ontwikkeling die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt is een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De Wro verplicht gemeenten voor bouwplannen een exploitatieplan vast te stellen of het kostenverhaal anderszins te verzekeren.

Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om dit initiatief mogelijk te maken. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is aangetoond dat het bestemmingsplan voor de gemeente economisch uitvoerbaar is.

6.2 Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Het bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), toegezonden aan diverse overleginstanties.

Advies veiligheidsregio
De veiligheidsregio heeft in het kader van het vooroverleg op 20 november 2023 een eerste advies uitgebracht. Dit advies is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.

Op basis van het laatste ontwerp heeft de gemeente hierover op 29 juli 2024 een nieuw advies gevraagd. Daarbij heeft de gemeente richting de Veiligheidsregio aangegeven dat het niet haalbaar is om een tweede ontsluiting voor het plangebied te realiseren. De Veiligheidsregio heeft vervolgens aangegeven dat dit akkoord is, mits de keervoorziening aan de zuidzijde voldoet aan de voorwaarden die zij hieraan stellen. De keervoorziening is aangepast in het ontwerp en voldoet nu aan de gestelde eisen:

  • een binnenbochtstraal van tenminste 5,5 m;
  • een buitenbochtstraal van tenminste 10,0 m
  • een vrije breedte van 3,5 m.

Provincie Limburg
Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg hebben op 26 januari 2024 aangegeven "Geen aanleiding voor een zienswijze" te zien.

6.3 Inspraak

Er is op 28 juni 2023 een omgevingsgesprek geweest over de plannen voor het plangebied voor het veranderen van de planologisch al toegestane 5 naar 9 woningen. In bijlage 7 is het verslag van dit omgevingsgesprek opgenomen.

6.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen op het gemeentehuis en via ruimtelijkeplannen.nl.

Er is tijdens deze periode 1 zienswijze binnengekomen van Rijkswaterstaat. Deze is in de nota zienswijzen (zie bijlage 8) van een gemeentelijke reactie voorzien.