Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Partiële herziening bestemmingsplan Kern Waubach
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0882.BPPARHZKERNWAUB01-VG01

Regels

1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen

 
1.1 plan
Het bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Kern Waubach van de gemeente Landgraaf.
 
1.2 bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0882.BPPARHZKERNWAUB01-VG01 met de bijbehorende regels.
 
1.3 aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van gronden.
 
1.4 aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.5 agrarisch
het (bedrijfsmatig) telen van gewassen en/of het houden van dieren.
 
1.6 bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.7 beperkt kwetsbaar object
(Kwetsbaar) object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van het Bevi.
 
1.8 bestaand
Bestaand op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
 
1.9 bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak.
 
1.10 bestemmingvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.11 Bevi
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen, dat op 27 mei 2004 in werking is getreden.
 
1.12 bevoegd gezag
Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
 
1.13 bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
 
1.14 bouwgrens
De grens van een bouwvlak.
 
1.15 bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.16 extensief recreatief medegebruik
Vormen van recreatief medegebruik dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatief gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, een picknickplaats of een naar aard daarmee gelijk te stellen medegebruik en met uitsluiting van recreatief nachtverblijf.
 
1.17 gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.18 kampeermiddel
Een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravan, vouwwagen, camper of huifkar;
 
enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of een gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1, lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
 
1.19 kwetsbaar object
(Kwetsbaar) object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder I. van het Bevi.
 
1.20 landschappelijke waarde
De aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.
 
1.21 maaiveld
Bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft.
 
1.22 natuurlijke waarde
De aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
 
1.23 nutsvoorzieningen
Voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreductiestations, schakelhuisjes, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
 
1.24 omgevingsvergunning
Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo.
 
1.25 onderkomens
Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf.
 
1.26 openbaar gebied
Dat deel van het grondgebied dat voor eenieder nagenoeg vrij toegankelijk is.
 
1.27 opslag
Het tijdelijk of permanent opslaan van goederen en/of grondstoffen.
 
1.28 overig bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.29 recreatief medegebruik
Het medegebruik van gronden voor routegebonden recreatieve activiteiten, ondergeschikt ten opzichte van de hoofdfunctie behorende bij de bestemming, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, en voor plaatsgebonden recreatieve activiteiten, zoals voor sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.
 
1.30 ruimtelijke kwaliteit
De kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte.
 
1.31 seksinrichting
De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
1.32 standplaats
Een al dan niet afgescheiden gedeelte van een kampeerterrein bedoeld voor de plaatsing van een kampeermiddel.
 
1.33 straatmeubilair
Openbare voorzieningen van geringe afmetingen, zoals banken, bloem- en plantenbakken, gedenktekens, speeltoestellen, straatverlichting, wegbebakening en- bewijzering en andere hiermee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouw zijnde.
 
1.34 Wabo
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die op 1 oktober 2010 in werking is getreden.
 
1.35 weg
Een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
 
Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.2 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.4 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Agrarisch met waarden

 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. duurzaam agrarisch gebruik;
  2. bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast;
  3. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en landschappelijke waarden;
  4. ontsluiting van de afzonderlijke percelen;
  5. recreatief medegebruik;
  6. voorzieningen voor het ontvangen, vasthouden, infiltreren, bergen en afvoeren van hemelwater inclusief de afvoer van het hemelwater van de direct omliggende percelen.
3.2 Bouwregels

 
3.2.1 Algemeen
Op de voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
3.2.2 Uitzondering
Het in artikel 3 lid 2.1 bepaalde is niet van toepassing voor:
  1. de bouw van afrasteringen met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,40 meter mag bedragen;
  2. de bouw van kleinschalige recreatieve voorzieningen (zit- en schuilgelegenheid, picknickplaatsen), mits de aanleg geen onevenredige afbreuk doet aan het agrarisch gebruik en de belangen van natuur en landschap, met dien verstande dat:
    1. het oppervlak van recreatieve bouwwerken maximaal 20 m² mag bedragen;
    2. de goothoogte maximaal 2,50 meter mag bedragen.
3.3 Specifieke gebruiksregels

 
3.3.1 Verboden gebruik
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:
  1. staan- of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  2. als sport- en wedstrijdterrein, paardenbak of lig- of speelweide;
  3. voor het testen van voertuigen, de beoefening van de motorsport, het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, motoren, (brom)fietsen, of mountainbikes;
  4. voor het racen of crossen met motorrijtuigen, motoren, (brom)fietsen of mountainbikes;
  5. voor militaire oefeningen, met uitzondering van marsoefeningen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen;
  6. als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  7. als terrein voor het aanbrengen en het hebben van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen, behoudens het bepaalde in artikel 7 van de Grondwet;
  8. voor het opslaan van mest(stoffen).
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 
3.4.1 Algemeen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  4. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische structuur of de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap;
  5. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van graften, bosstroken, groenstroken en/of grasbanen.
3.4.2 Voorwaarden
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in artikel 3 lid 1 genoemde waarden, belangen en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.
 
3.4.3 Uitzondering
Het in artikel 3 lid 4.1 bepaalde is niet van toepassing op:
  1. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  3. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  4. werken of werkzaamheden die volgens een goedgekeurd inpassingsplan noodzakelijk zijn bij (nieuwe) ontwikkelingen;
  5. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd;
  6. werken of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de ecologische structuur en/of waterhuishouding, de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap of natuur.
Artikel 4 Bedrijf - Nutsvoorziening

 
4.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor Bedrijf - Nutsvoorziening aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. nutsvoorzieningen;
  2. ondergrondse leidingen;
  3. zendmasten;
  4. hoogspanningskasten;
  5. gasregelstations;
  6. voorzieningen voor het opvangen, vasthouden, infiltreren, bergen en afvoeren van hemelwater.
4.2 Bouwregels

 
4.2.1 Algemeen
Op de voor Bedrijf - Nutsvoorziening aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd:
 
4.2.2 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3,00 meter bedragen, met uitzondering van voorzieningen voor de openbare verlichting, waarvan de bouwhoogte maximaal 8,00 meter mag bedragen.
Artikel 5 Leiding - Gas

 
5.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor Leiding - Gas aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en het onderhoud van ondergrondse leidingen voor het transporteren van gas, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas' het hart van de gasleiding is gelegen.
 
5.2 Bouwregels

 
5.2.1 Algemeen
Op de voor Leiding - Gas aangewezen gronden mag, in afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen, niet worden gebouwd.
 
5.2.2 Uitzondering
Het in artikel 5 lid 2.1 bepaalde is niet van toepassing voor bouwwerken van geringe omvang ten dienste van de betreffende leiding, met een hoogte van maximaal 3,20 meter.
 
5.3 Afwijken van de bouwregels
 
Het bevoegd gezag kan, gehoord de leidingbeheerder, bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 5 lid 2.1 bepaalde ten behoeve van het oprichten van bouwwerken welke ter plaatse conform de aangegeven bestemming mogen worden opgericht, mits deze geen gevaar opleveren voor de leiding of aan het functioneren van de leiding geen afbreuk doen en/of door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden een en ander kan worden voorkomen.
 
5.4 Specifieke gebruiksregels

 
5.4.1 Algemeen
onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor:
  1. een wijze die gevaar kan opleveren voor de leiding of aan het functioneren van leiding afbreuk doet;
  2. het uitvoeren van ontgrondingen;
  3. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding;
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  5. het verrichten van grondwerkzaamheden dieper dan 0,30 meter en anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  6. het verrichten van grondophogingen met een hoogte van meer dan 0,30 meter.
5.4.2 Verbodsbepaling
In afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen is het verboden de gronden te gebruiken voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden, behoudens voor zover het de uitvoering betreft van werken of werkzaamheden ten behoeve van de desbetreffende ondergrondse leiding.
 
5.4.3 Uitzondering
De verbodsbepaling in artikel 5 lid 4.1 en artikel 5 lid 4.2 geldt niet voor werken en werkzaamheden vallend onder normaal (agrarisch) onderhoud en gebruik, waaronder normaal spit- en ploegwerk anders dan diepploegen en voor zover de belangen in verband met de leiding(en) hierdoor niet worden geschaad.
 
5.5 Afwijken van de gebruiksregels

 
5.5.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 5 lid 4.1 onder a. en b. bepaalde, mits:
  1. daardoor geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de leiding;
  2. het functioneren van de leiding niet in gevaar komt;
  3. er voorwaarden aan verbonden worden waardoor geen schade te verwachten is of het functioneren van de leiding niet in gevaar komt.
5.5.2 Voorwaarden
Het bij een omgevingsvergunning afwijken als in artikel 5 lid 5.1 wordt slechts toegestaan nadat vooraf advies bij de beheersinstantie van de betrokken leiding is ingewonnen over de vraag of de in artikel 5 lid 4.1 onder a. en b. vermelde activiteiten daadwerkelijk geen gevaar opleveren dan wel geen afbreuk doen aan het functioneren ervan en eventueel ter voorkoming daarvan te stellen voorwaarden.
3 Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is gekomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels

 
7.1 Verbod op gebruik in strijd met de bestemming
 
Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken c.q. opstallen te gebruiken of te doen gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.
 
7.2 Verboden gebruik
 
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en opstallen voor en/of als:
  1. het gebruik voor opslag, al dan niet voor de verhuur of de verkoop van machines,- voer- of vaartuigen, welke bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken zijn, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  2. het gebruik voor het opslaan, storten of bergen van bruikbare en/of onbruikbare althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten behoudens voor zover noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen ten behoeve van een seksinrichting, prostitutie of straatprostitutie.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

 
8.1 Afwijken met 10%
 
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de voorgeschreven maten ten aanzien van bouwhoogten, oppervlakten, lengtes, breedtes en dieptes tot ten hoogste 10%, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en in de afzonderlijke bestemmingen niet reeds wordt voorzien in een soortgelijke afwijkingsbevoegdheid.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels

 
9.1 Wijzigingsbevoegdheid plaats bestemmingsgrenzen
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen ten aanzien van de plaats van de bestemmingsgrenzen, voor zover de afwijking van geringe aard is en ten aanzien van andere ondergeschikte punten, wanneer dit met het oog op de praktische uitvoering gerechtvaardigd is, respectievelijk indien de aanpassing aan de terreingesteldheid dit noodzakelijk maakt en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 10 Overige regels

 
10.1 Wettelijke regels
 
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van vaststelling van het plan.
 
10.2 Gemeentelijke regels
 
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar gemeentelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van vaststelling van het plan.
 
10.3 Voorrangsregels

 
10.3.1 Strijdigheid belangen
In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, blijft het belang van de dubbelbestemming overeind.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht

 
11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar nadat het bouwwerk is teniet gegaan;
  2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Kern Waubach van de gemeente Landgraaf.