direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Ruimte voor ruimte woningen Nelleveldstraat 1a te Rijsbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Zundert" van gemeente Zundert ten behoeve van de beëindiging en sanering van een intensief veehouderijbedrijf en de oprichting van een tweetal ruimte voor ruimte woningen ter plaatse.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om de volgende redenen. De initatieflocatie is gelegen in een bebouwingslint. Een doorontwikkeling van het varkenshouderijbedrijf is hier niet gewenst. Op initiatief van de gemeente Zundert en in overleg met de direct omwonenden is daarom besloten om de varkenshouderij ter plaatse te staken en in ruil daarvoor een tweetal ruimte-voor-ruimte kavels te ontwikkelen.

De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan Nelleveldstraat 1a te Rijsbergen en ligt aan de zuidkant van Rijsbergen in het landelijk gebied van gemeente Zundert. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Rijsbergen, sectie I, nummer 657. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Zundert" van de gemeente Zundert, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 24 september 2014, en daarop volgende reparatieplannen en herzieningen onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemmingen 'Agrarisch - Ahs plus', 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -4' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'Bouwvlak', 'Bedrijfswoning uitgesloten', 'Intensieve veehouderij', 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'Overige zone - stalderingsgebied' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
  • Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Zundert.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarische landbouwgronden. Er is sprake van een onregelmatige verkaveling van wisselende opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen, hoofdzakelijk boomkwekerijbedrijven, en burgerwoningen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Op de locatie is momenteel een intensief veehouderijbedrijf gevestigd. Ter plaatse worden vleesvarkens gehouden. De aanwezige bebouwing bestaat uit twee varkensstallen van ieder circa 1.019 m2.

Aan het perceel aan de Nelleveldstraat 1a is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,4 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het varkenshouderijbedrijf te beëindigen. De aanwezige bedrijfsbebouwing en overige voorzieingen worden hiervoor gesloopt. Het beëindigen van de veehouderijtak op de locatie leidt tot een milieuwinst en een verminderde hinder aan de omgeving.

Daarnaast wenst de initiatiefnemer ter plaatse een tweetal nieuwe kavels te ontwikkelen voor woningbouw door gebruik te maken van de ruimte-voor-ruimte regeling. De nieuw op te richten vrijstaande woningen worden gesitueerd op één samenhangend erf. De maatvoering van dat erf sluit aan bij de maten van de erven zoals die elders in de bebouwingsconcentratie voorkomen. De maten van het nieuwe erf blijven gelijk aan het oude erf en sluiten derhalve aan bij de korrelgrootte van de omgeving.

Op het erf komt één hoofdgebouw (woonhuis), een schuur (schuurwoning) en een aantal bijgebouwen die qua uiterlijk van elkaar verschillen. Het woonhuis is een geleed gebouw van één verdieping met kap. De hoofdrichting ervan ligt parallel aan de weg. De schuurwoning is een kloek, eenduidig gebouw van vier muren en een grote kap. Dit gebouw komt loodrecht op de weg te staan.

De voorgevelrooilijn van het woonhuis ligt op tenminste 10 meter van de kant van de weg. De schuurwoning staat daar minstens 5 meter achter. Alle bebouwing staat op ten minste 50 meter van de achterkant van de kavel.

In de volgende figuur is de gewenste situatie globaal in een situatietekening weergegeven. Het inrichtingsplan met een motivering van de gemaakte keuzes is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0004.png" Situatietekening gewenste situatie.
Bron: Jan Hein Ruijgrok.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is naast de verkaveling en bebouwing van de ruimte voor ruimte kavels ook aandacht besteedt aan de een goede landschappelijke inpassing.

Het erf wordt met groen ingepast in de omgeving. Aan de noordzijde, zuidzijde en westzijde betreft dit het handhaven van de bestaande beplanting. Aan de oostzijde wordt een dichte bosstrook aangeplant, waarin voldoende groenblijvende soorten zijn opgenomen. Deze bosstrook heeft naast de landschappelijke functie ook een emissiewerende werking van gewasbeschermingsmiddelen afkomstig van het ten oosten gelegen boomteeltperceel. Op de eerder genoemde inrichtingstekening is eveneens de groene inpassing weergegeven.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Aan de hand van deze definitie kan gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt.

Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat.

De Omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

Voor beëindiging van een veehouderij en het oprichten van ruimte voor ruimte woningen zijn in de Omgevingsvisie geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt gebouwd.

Bij de beëindiging van de veehouderij ter plaatse neemt de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan af. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie.

Bij het oprichten van de gewenste ruimte voor ruimte woningen zal worden gekeken naar een passende manier van bouwen en gebruik van materialen om te komen tot een duurzame en klimaatbestendigde woning

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd.

Vanuit de omgevingsverordening zijn voor verschillende ontwikkelingen in verschillende gebieden voorschriften opgenomen. De locatie is vanuit de omgevingsverordening gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Landelijk gebied', 'Stalderingsgebied', 'Teeltgebied Zundert' en 'Diepgrondwaterlichaam'.

De bepalingen ten aanzien van het stalderingsgebied hebben alleen betrekking op een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij en worden geen hokdieren gehouden, waarmee de bepalingen ten aanzien van het stalderingsgebied op de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing zijn.

Voor wat betreft de ligging in een diep grondwaterlichaam geldt dat ter plaatse geen sprake mag zijn van het op onconventionele wijze winnen van koolwaterstof. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het op onconventionele wijze winnen van koolwaterstof.

De bepalingen ten aanzien van het teeltgebied Zundert hebben alleen betrekking op de realisatie van kassen en permanente teeltondersteunende voorzieningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is hier geen sprakle van, waarmee deze bepalingen op de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing zijn.

Voor wonen in het landelijk gebied geldt een verbod op het toevoegen van nieuwe woningen. Uitzonderingen hierop zijn vervangende nieuwbouw van een bestaande woning, het splitsen van cultuurhistorisch waardevolle panden in meerdere wooneenheden voor de bescherming van de waarde daarvan en het omschakelen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning.

In artikel 3.80 van de omgevingsverordening is de ruimte-voor-ruimte regeling opgenomen die in afwijking van het verbod op nieuwe woningen het oprichten van een ruimte-voor-ruimte woning mogelijk maakt, mits aan de voorwaarden voor ruimte-voor-ruimte wordt voldaan.

Voor wat betreft ruimte-voor-ruimte geldt dat er een aanzienlijke winst moet worden behaald voor de omgevingskwaliteit. Daarnaast moet de woning op een planologisch aanvaardbare locatie worden opgericht, dient er sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing en mag geen sprake zijn van een aanzet tot een stedelijke ontwikkeling.

Een bebouwingsconcentratie wordt als een planologisch aanvaardbare locatie gezien. De Nelleveldstraat is door de gemeente niet specifiek geduid als een bebouwingsconcentratie. Daarom dient nader gemotiveerd te worden in hoeverre de Nelleveldstraat en haar omgeving de kenmerken hebben van een bebouwingsconcentratie een ook als zodanig beschouwd mag worden.

In het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 is hier uitgebreid aandacht aan besteed. De Nelleveldstraat maakt onderdeel uit van de bebouwingsconcentratie met een harkvormig bebouwingspatroon met de Tiggeltsestraat als kapstok. De Nelleveldstraat is hierbij één van de aftakkingen. De locatie is daarmee gelegen in een gebied waarin het oprichten van ruimte-voor-ruimte woningen planologisch aanvaardbaar wordt geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0005.png"

Begrenzing bebouwingsconcentratie.
Bron: Jan Hein Ruijgrok.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 van deze onderbouwing), waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Hiermee is sprake van een goede landschappelijke inpassing.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een aanzet tot een stedelijke ontwikkeling. Er is sprake van slechts twee nieuwe woningen, waarmee geen sprake is van een nieuwe woningbouwlocatie volgens de definitie van een stedelijke ontwikkeling.

In het tweede lid van artikel 3.80 wordt beschreven op welke wijze de noodzakelijke winst voor de omgevingskwaliteit moet worden behaald. Een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst betekent dat er per ruimte-voor-ruimte woning de volgende tegenprestatie van belang is:

  • Het varkenshouderijbedrijf wordt op deze locatie beëindigd en alle bedrijfsgebouwen worden gesloopt.
  • Er wordt 1.000 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt per ruimte-voor-ruimte kavel, waarvan
  • tenminste 200 m2 op de eigen locatie.
  • Er worden 3.500 kg aan fosfaatrechten uit de markt genomen, waarvan tenminste 700 kg afkomstig van de eigen locatie.

 

Bij de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimte kavels op de te saneren locatie staat het buiten kijf dat het varkenshouderijbedrijf beëindigd wordt en daarbij de stallen gesloopt worden. Op de locatie staan circa 2.038 m2 aan varkensstallen. Dit betekent dat er bij sloop maximaal 2 ruimte-voor-ruimte kavels op de locatie ontwikkeld kunnen worden. Aan de locatie zijn 1.532 rechten gekoppeld. Dit komt overeen met 1.532 x 7,4 = 11.336,8 kg fosfaat. Dit is eveneens ruimschoots voldoende om 2 ruimte-voor-ruimte kavels te realiseren. Een uitgebreide toetsing aan de te behalen winst van de omgevingskwaliteit is opgenomen als bijlage 2. Middels dit document heeft de provincie Noord-Brabant akkoord gegeven voor de 2 ruimte-voor-ruimte titels.

Ten aanzien van veehouderijen in het landelijk gebied gelden specifieke voorwaarden. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de veehouderij juist beëindigd. Daarmee zijn de bepalingen ten aanzien van veehouderijen niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Verder geldt voor alle ontwikkelingen in het landelijk gebied een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van drie principes:

  • zorgvuldig ruimtegebruik;
  • de waarden in een gebied door middel van het toepassen van de lagenbenadering;
  • meerwaardecreatie.

Zorgvuldig ruimtegebruik:

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de indeling in functies in beginsel zoveel mogelijk binnen het bestaande ruimtebeslag en in bestaande bebouwing plaatsvindt. Hiervan kan worden afgeweken met ontwikkelingen die ruimtelijk mogelijk worden gemaakt binnen de bepalingen uit de Interim omgevingsverordening. Tevens dient bij een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond dat aan de Ladder voor duurzame verstedelijking kan worden voldaan en dient bebouwing binnen het bouwvlak te zijn gelegen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en zal de omvang van het erf gelijk blijven. Daarmee is geen sprake van een extra ruimtebeslag. Er is daarmee sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Toepassen van de lagenbenadering:

Toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

De lagenbenadering omvat de effecten op:

  • a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
  • c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk Ruimtelijke- en milieuaspecten (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op bodem, (grond)water, archeologische waarden, infrastructuur, natuur, waterwegen, cultuurhistorische waarden, landschappelijke waarden, volksgezondheid en milieu. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op de verschillende lagen.

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Bij het oprichten van de woning zal worden gekeken naar toekomstbestendigheid en duurzaamheid.

Meerwaardecreatie:

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan daarbij deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Hiervoor zijn weer specifieke regels opgenomen in artikel 3.9.

Daarbij moet een ontwikkeling in het landelijk gebied bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De kwaliteitsverbetering omvat mede een goede landschappelijke inpassing van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Tevens dient, wanneer sprake is van een (grote) bestemmingswinst als gevolg van een ontwikkeling, een deel van deze bestemmingswinst te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.

Voor ruimte-voor-ruimte woningen is de investering in de ruimtelijke kwaliteit al reeds gedaan door het intrekken van fosfaatrechten en het slopen van stallen van een voormalige varkens- of pluimveehouderij. Een aanvullende investering op basis van bestemmingswinst is daarom voor de ruimte-voor-ruimte woning niet noodzakelijk. Wel dient ter plaatse nog te worden voorzien in een goede en bij het gebied passende landschappelijke inpassing.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt ter plaatse voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Gezien het voorgaande wordt voldaan aan de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengebied 2025

De gemeente Zundert heeft op 17 november 2015 per kern en het buitengebied afzonderlijke structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied tot 2025 en beantwoord daarmee de vraag: 'Hoe ziet het buitengebied er in 2025 uit?

Voor de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimte kavels wordt verwezen naar de beleidsnota Ruimte voor ruimte van gemeente Zundert.

3.3.2 Beleidsnota Ruimte voor Ruimte gemeente Zundert

In april 2012 heeft de gemeente Zundert de beleidsnota Ruimte voor Ruimte gemeente Zundert vastgesteld, waarin het beleid voor nieuwe ruimte voor ruimte ontwikkelingen is opgenomen. Naast de voorwaarden die in de provinale Interim omgevingsverordening zijn opgenomen zijn de volgende algemene voorwaarden van belang:

  • Ruimte voor ruimte woningen mogen uitsluitend binnen specifiek daartoe aangewezen kernrandzones rondom de woonkernen worden toegevoegd. In afwijking hiervan kan een locatie van een te saneren intensieve veehouderij aangemerkt worden als een passende locatie indien deze de kenmerken heeft van een bebouwingsconcentratie.
  • De verkaveling moet aansluiten op de bestaande ‘korrelgrootte’ met voldoende transparantie tussen de bebouwing. De omvang van het kavel dient bij voorkeur rond de 1.000 – 1.500 m2 te zijn.
  • De inhoud van de woning (hoofdbouwmassa) mag maximaal 1.000 m3 bedragen.

In het inrichtingsplan wat is opgenomen in bijlage 1 en waar al eerder naar verwezen is, is nader gemotiveerd in hoeverre de Nelleveldstraat beschouwd wordt als een bebouwingsconcentratie op basis van de gebiedskarakteristieken.

In afwijking van de Beleidsnota Ruimte voor Ruimte van de gemeente Zundert wordt een woninginhoud van maximaal 1.500 m³ toegestaan. Omdat het hier een sanering van de intensieve veehouderij op de locatie zelf betreft en er sprake is van percelen van circa 3.000 m² groot is een woninginhoud van 1.500 m³ acceptabel, mede doordat middels de beperking van de goot- en nokhoogte de impact op de omgeving beperkt blijft. In de regel wordt bij Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen uitgegaan van percelen van 1.000 - 1.500 m² met een woninginhoud van 1.000 m³. In dit geval is maatwerk noodzakelijk voor de realisatie van de sanering.

Tevens is er onderbouwd dat door de woningen te positioneren binnen één samenhangend erf dat dit aansluit op de bestaande korrelgrootte en leidt tot een goede stedenbouwkundige opzet. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling passend is op deze locatie.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensief veehouderijbedrijf en het realiseren van een tweetal ruimte voor ruimte kavels ter plaatse. Hiermee is sprake van het oprichten van gevoelige objecten. Deze nieuw op te richten woningen mogen geen belemmering vormen voor de omliggende bedrijven. Nabij de locatie is een boomkwekerij gelegen. Voor een dergelijke inrichting zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen, uitgaande van een rustig buitengebied:

  • Geur: 10 meter.
  • Stof: 10 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 10 meter.

Planologisch gezien mag op deze locatie naast een boomkwekerij ook een ander type grondgebonden bedrijf gevestigd zijn, zoals een (vollegrond)teeltbedrijf of een grondgebonden veehouderij. De gebruiksregels sluiten echter de omschakeling naar een grondgebonden veehouderijbedrijf uit (artikel 4.5.8. sub m). Voor een ander type grondengebonden teeltbedrijf zijn in de VNG handreiking dezelfde richtafstanden opgenomen als voor een boomkwekerij.

Bij de inrichtingsschets is er rekening gehouden met de richtafstanden uit de VNG brochure. De betreffende inrichting is gelegen op een afstand van 30 meter (gemeten van grens bouwvlak boomkwekerij tot grens bouwvlak op te richten woning). Op de grens van het bouwvlak van de woning, op een afstand van 30 meter van het bouwvlak van reclamant, kan een geluidbelasting optreden van 45 dB(A) etmaalwaarden (conform de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering).

Een deel van de tuin is echter op een kortere afstand tot de bouwvlakgrens van het boomteeltbedrijf gelegen, namelijk op 20 meter afstand. Hier kan een geluidsbelasting optreden van 48 - 50 dB(A). De geluidbelasting vanwege de activiteiten in het vlak met boomteelt in de tuinen van de geprojecteerde woningen moet wel worden beschouwd, maar tuinen genieten niet per definitie een gelijke bescherming tegen geluid als woningen. In een uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1977) van de Afdeling van 26 juni 2019, rechtsoverweging 7.2, wordt dit bevestigd. Gegeven de situatie dat in een groot deel van de tuin de afstand tot het bouwvlak van het boomteeltbedrijf groter is dan 30 meter en de toekomstige bewoners derhalve voldoende mogelijkheden hebben buiten te verblijven buiten de richtafstand van 30 meter is een hogere geluidbelasting in een deel van de tuin aanvaardbaar.

Hiermee wordt de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

4.1.2 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Bij de normering wordt een onderscheidt gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden. De gemeente Zundert maakt onderdeel uit van het concentratiegebied.

De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Binnen een concentratiegebied dient getoetst te worden aan een geurnorm van 14,0 ouE/m3 op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 8,0 ouE/m3 op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Gemeenten hebben de bevoegdheid om middels een geruverordening deze normering aan te passen. De gemeente Zundert heeft een geurverordening vastgesteld. Het gebied is echter niet gelegen in een gebied waarvoor afwijkende normen zijn opgenomen. Derhalve dient er aan een geurnorm van respectievelijk 14,0 ouE/m3 of 8,0 ouE/m3 getoetst te worden.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Bij het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten dient aangetoond te worden dat de nieuw op te richten gevoelige objecten de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijbedrijven niet beperken als ook dat er aangetoond dient te worden dat er ter plaatse van de nieuw op te richten gevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.

De nieuw op te richten ruimte-voor-ruimte woningen zijn nieuwe geurgevoelige objecten. Deze geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom.

Om vast te stellen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de op te richten woningen wordt de achtergrondbelasting in beeld gebracht. Middels V-stacks gebied is de achtergrondbelasting berekend. Hierbij zijn alle veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer rondom de initiatieflocatie meegenomen. De invoergegevens en resultaten zijn in bijlage 3 te raadplegen.

De achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuw op te richten woningen bedraagt ten hoogste 2,5 ouE/m³.

Rekenpunt   Achtergrondgeurbelasting (ouE/m3)  
hoek 1   2,5  
hoek 2   2,5  
hoek 3   2,4  
hoek 4   2,5  

Berekende achtergrondbelasting.
Bron: V-Stacks gebied

Om op basis van de achtergrondbelasting uitspraken te kunnen doen over het leefklimaat is een tabel nodig waarin een zogenaamde dosis-effectrelatie is weergegeven. In onderstaande tabel is deze dosis-effectrelatie weergegeven. De tabel is gebaseerd op rapportages van PRA-Odournet BV.

Achtergrondbelasting *   Geurhinder  
[ouE/m3 als 98-percentiel]   Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
1   2%   4%  
1,5   3%   5%  
2   4%   6%  
3   5%   9%  
4   6%   11%  
5   7%   12%  
6   8%   14%  
7   10%   16%  
8   10%   17%  
9   11%   19%  
10   12%   20%  
12   14%   23%  
14   16%   25%  
16   17%   27%  
18   19%   29%  
20   20%   31%  
22   21%   32%  
24   22%   34%  
26   24%   36%  
28   25%   37%  
30   26%   38%  
32   27%   40%  
34   28%   41%  
36   29%   42%  
38   30%   43%  
40   31%   44%  
42   32%   45%  
44   32%   46%  
46   33%   47%  
48   34%   48%  
50   35%   49%  
55   37%   (51%)  
60   38%   (52%)  
65   40%   (54%)  
70   41%   (56%)  
75   43%   (57%)  
80   44%   (58%)  
85   45%   (59%)  
90   46%   (61%)  
95   47%   (62%)  
100   49%   (63%)  

Relatie achtergrondbelasting en geurhinderpercentages

De geurhinder is uitgedrukt als percentage. Het geurhinderpercentage geeft het percentage inwoners weer die in een telefonische enquête heeft aangegeven “soms of vaak last van geur van stallen van veehouderijen” te ondervinden. Bij een achtergrondbelasting van maximaal 2,5 ouE/m3 zal 5% van de omwonenden geurhinder ondervinden. 5% geurgehinderden komt overeen met een goed tot zeer goed woon- en leefklimaat.

Milieukwaliteit   Geurgehinderden (%)  
zeer goed   <5  
goed   5-10  
redelijk goed   10-15  
matig   15-20  
tamelijk slecht   20-25  
slecht   25-30  
zeer slecht   30-35  
extreem slecht   35-40  

Relatie geurhinder en leefklimaat

Vanuit de achtergrondgeurbelasting kan eveneens de voorgrondgeurbelasting worden afgeleid. In onderstaande tabel zijn is voor de verschillende bedrijven de voorgrondgeurbelasting op het plangebied weergeven.

Adres veehouderijbedrijf   Voorgrondbelasting (ouE/m3)  
Tiggeltsestraat 17   0,02  
Akkerstraatje 4   1,73  
Heistraat 7   1,07  
Heistraat 7a   0,04  
Stokbeemd 2   0,22  
Tiggeltsestraat 9   0,42  
Tiggeltsestraat 6   0,76  
Heistraat 9   0,01  
Antwerpseweg 18   0,01  
Leijakkerplein 4   0,00  
Pannenhoefsebaan 52   0,00  
Ettensebaan 18   0,06  

Berekende voorgrondbelasting.
Bron: V-Stacks gebied

Om op basis van de achtergrondbelasting uitspraken te kunnen doen over het leefklimaat is een tabel nodig waarin een zogenaamde dosis-effectrelatie is weergegeven. In onderstaande tabel is deze dosis-effectrelatie weergegeven. De tabel is gebaseerd op rapportages van PRA-Odournet BV.

Voorgrondbelasting *   Geurhinder  
[ouE/m3 als 98-percentiel]   Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
1   4%   7%  
1,5   5%   9%  
2   6%   11%  
3   8%   15%  
4   11%   19%  
5   12%   21%  
6   14%   24%  
7   16%   26%  
8   17%   29%  
9   19%   31%  
10   20%   33%  
12   23%   36%  
14   25%   39%  
16   27%   42%  
18   29%   44%  
20   31%   46%  
22   32%   48%  
24   (34%)   50%  
26   (36%)   52%  
28   (37%)   (53%)  
30   (38%)   (54%)  
32   (40%)   (56%)  
34   (41%)   (57%)  
36   (42%)   (58%)  
38   (43%)   (59%)  
40   (44%)   (60%)  

Relatie voorgrondbelasting en geurhinderpercentages

Bij een voorgrondbelasting van maximaal 1,7 ouE/m3 zal 6% van de omwonenden geurhinder ondervinden. 5% geurgehinderden komt overeen met een goed woon- en leefklimaat. Aangezien de geurbelasting meer dan 50% bedraagt van de achtergrondbelasting is de voorgrondbelasting bepalend. Een voorgrondbelasting van maximaal 1,7 ouE/m3 komt overeen met een goed woon- en leefklimaat en is derhalve acceptabel.

Daarnaast dient er voor wat betreft de vaste afstanden nog getoetst te worden aan de dichtstbijzijnde veehouderij van derden. Dat betreft de veehouderij aan de Nelleveldstraat 6. Gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van dit veehouderijbedrijf, bedraagt de afstand tot de nieuw op te richten woningen circa 240 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de minimaal vereiste afstand van 50 meter voldaan en is er eveneens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Omgekeerd dient ook aangetoond te worden dat de in de omgeving gelegen veehouderijbedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmert. Tussen de in de nabijheid gelegen veehouderijbedrijven en de inititiatieflocatie zijn diverse gevoelige objecten van derden gelegen. De nieuw op te richten zullen derhalve niet de bepalende gevoelige objecten zijn, waardoor van belemmering van de veehouderijbedrijven geen sprake is.

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt. Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooroppervlakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blijft, is per definitie NIBM. Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 µg/m³ bijdraagt aan de luchtvervuiling.

Onderhavig initiatief richt zich op de beëindiging van een veehouderijbedrijf en het oprichten van een tweetal ruimte voor ruimte woningen. Twee woningen hebben geen onevenredige uitstoot van fijnstof en is derhalve als NIBM-project aan te merken. Gezien sprake is van een NIBM-project is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Daarnaast dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Vanuit de Wet luchtkwaliteit is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie aan fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NOx) niet meer bedraagt dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). De provincie Noord-Brabant stelt echter in de Interim omgevingsverordening dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer sprake is van een achtergrondconcentratie van 31,2 µg/m³.

Zoals te zien in de volgende figuren, uitsneden van de kaart uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse ongeveer 18,1 µg/m³ (PM10) en ongeveer 10,6 µg/m³ (PM2,5) en de achtergrondconcentratie stikstofoxiden ter plaatse ongeveer 17,0 µg/m³. Hiermee wordt ruimschoots aan de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldaan, waarmee ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0006.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijstof (PM10).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0007.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NOx).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  • Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.
  • Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling word en twee ruimte voor ruimte kavels ontwikkeld voor het realiseren van een vrijstaande woning. Deze zijn vanuit de Wgh aan te merken als geluidsgevoelige objecten. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er akoestisch gezien geen belemmeringen zijn. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai en dat er derhalve sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.1.4.2 Industrielawaai

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen.

Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Spuitzones

Aan de zuid- en oostzijde van het plangebied liggen boomkwekerijpercelen. Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van bomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te 2 houden tussen een boomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel.

Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Woningen met bijbehorende tuinen worden als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de boomteler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand en hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten, hoger dan bij neerwaartse bespuitingen zoals in de bomenteelt. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is derhalve mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering.

Uit jurisprudentie blijkt dat een spuitzone van 20 meter voldoende is, mits er een bosstrook wordt aangelegd met een breedte van tenminste 15 meter ((uitspraken ABRvS 5 april 2017, 201602966/1/R1, Ermelo). Middels deze bosstrook wordt verspreiding en verwaaiing van spuitnevel voorkomen.

Bij de inrichtingstekening is een bosstrook opgenomen aan de oostzijde en de zuidzijde van de te ontwikkelen ruimte voor ruimte kavels. Daarmee kan de afstand van 50 meter teruggebracht worden naar 20 meter.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0008.png"

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).

4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.

4.1.6.3 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.7 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt zijn momenteel bebouwd met varkensstallen. Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging zal een onderzoek uitgevoerd moeten worden conform de norm NEN 5725 (historisch onderzoek) / NEN 5740 (verkennend onderzoek). Na sanering van de bedrijfsbebouwing en voor de realisatie van de woningen zal dit plaatsvinden om te verzekeren dat er niet gebouwd wordt op verontreinigde grond.

Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling

Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de beëindiging van een veehouderijbedrijf en het ontwikkelen van twee ruimte voor ruimte kavels. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen. Voor het bouwen van woningen dient een m.e.r.-beoordeling plaats te vinden wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee de gewenste bouw van de ruimte-voor-ruimte woning niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.Tevens is er door de sloop van de varkensstallen netto sprake van een afnemend ruimtebeslag. De voorgenomen ontwikkeling is daarom niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000 gebied (Ulvenhoutse Bos) is gelegen op een afstand van ongeveer 10 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0009.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Kaartbank Brabant.nl.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderijbedrijf beëindigd. Er zal ter plaatse geen vee meer worden gehouden, waarmee er geen sprake meer is van de uitstoot van ammoniak. Daarnaast zal, zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, maar eerder afnemen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De uitstoot van stikstofoxiden zal daarmee eveneens niet toenemen, maar eerder afnemen.

Daarnaast kunnen effecten als licht, geluid en trillingen mogelijk nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Op een afstand van ongeveer 10 kilometer zijn dergelijke effecten als gevolg van de ontwikkeling, voor zover deze al plaatsvinden, op het betreffende gebied niet merkbaar.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  • Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).
  • Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

De gronden zijn momenteel verhard en bebouwd. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermende soorten planten bevinden.

Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. De opgaande beplanting die er reeds al is blijft behouden. Dit betreffen een haag aan de noord- en aan de zuidzijde en een bosstrook aan de westzijde.

Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De te slopen varkensstallen zijn gesloten en er is geen nestmogelijkheid voor vogels. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten zich in bebouwing hebben gevestigd.

Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 660 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0010.png"

Uitsnede kaart NNN.
Bron: Kaartbank Brabant.nl.

Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is opgenomen in een verwachtingswaarde. Deze verwachtingswaarden zijn in het bestemmingsplan vastgelegd door middel van dubbelbestemmingen.

Vanuit het bestemmingsplan is de locatie gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4'. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij het uitbreiden van het bebouwd oppervlakte door het oprichten van bouwwerken met meer dan 500 m2 toeneemt en dat daarvoor grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 uitgevoerd moeten worden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de varkensstallen gesloopt worden en daarvoor in de plaats worden een tweetal bouwkavels ontwikkeld voor de realisatie van twee vrijstaande woningen met bijgebouwen. De oppervlakte buiten het huidige bebouwde oppervlakte is beperkt en zal de maximale oppervlakte van 500 m2 niet overschrijden. Daarmee is nader onderzoek niet noodzakelijk.

Hiermee worden met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0011.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Kaartbank Brabant.nl

De Nelleveldstraat en omliggende wegen zijn aangemerkt als historisch geografische lijnen. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen aanpassingen of wijzigingen plaats aan de Nelleveldstraat en/of de omliggende wegen. Er is daarmee geen sprake van aantasting van de historisch geografische lijnen.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0012.png"

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Kaartbank Brabant.nl

Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Nelleveldstraat. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Deze inrit wordt enkele meters naar het zuiden verplaatst om tot een goede stedenbouwkundige invulling van de locatie te komen. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om de locatie te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een veehouderij. Daarmee komen alle verkeersbewegingen van en naar de locatie ten behoeve van de veehouderijtak te vervallen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen daarom de verkeersbewegingen voor de volgende activiteiten komen te vervallen:

  • aan- en afvoer van vee;
  • aanvoer van voer;
  • afvoer van mest;
  • levering van overige goederen en diensten ten behoeve van de veehouderij (bijvoorbeeld dierenarts, automatisering, etc.).

Ter plaatse zullen een tweetal nieuwe ruimte voor ruimte woningen worden opgericht. Ten behoeve van deze nieuwe woningen zal het aantal verkeersbewegingen in beperkte mate toenemen. Het aantal verkeersbewegingen bij een woning is echter aanzienlijk minder dan die bij een bedrijf. Derhalve zal de toename van het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de woning minder zijn dan de afname van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het beëindigen van de veehouderijtak.

Daarnaast zal ten behoeve van de ruimte voor ruimte woningen alleen sprake zijn van verkeersbewegingen met personenvervoer, niet met vrachtverkeer. Het aandeel vrachtverkeer van en naar de locatie zal met de voorgenomen ontwikkeling dan ook (aanzienlijk) afnemen.

Gezien het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt, maar eerder juist zal afnemen, zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5 Volksgezondheid

Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.

Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld.

Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.

4.5.1 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveebedrijven

Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 2.0' zoals is opgesteld door de provincie Noord-Brabant, de verschillende omgevingsdiensten van Brabant en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) van Brabant, kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Hierin zijn richtafstanden opgenomen voor varkens- en pluimveehouderijen waarbinnen een nadere afweging van de mogelijke risico's op de volksgezondheid nodig is wanneer er sprake is van het oprichten van gevoelige objecten. Voor varkenshouderijen bedraagt deze afstand 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze afstand 500 meter.

Binnen 200 meter an de locatie zijn geen varkenshouderijbedrijven gelegen en binnen 500 meter geen pluimveebedrijven. Er is daarmee geen sprake van een onevenredig volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen.

4.5.2 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen

Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt.

Binnen 2 kilometer van de locatie zijn geen bedrijfsmatige geitenhouderijen gelegen. Wel is op een afstand van circa 1.400 meter aan het Leijakkerplein 4 te Rijsbergen kinderboerderij de Leijhoeve gelegen. Deze maakt onderdeel uit van de centrumlocatie van Amarant in Rijsbergen. Het aantal geiten dat op deze locatie gehouden wordt is maximaal 12 stuks. De gezondheidsrisico's hebben mogelijk een relatie met de fijnstof uitstoot van deze dieren. De uitstoot van fijnstof bedraagt afgerond 0,2 kg per jaar en is verwaarloosbaar klein. Tevens worden vanaf 2010 alle geiten op kinderboerderijen gevaccineerd.

Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid.

4.6 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Ter plaatse van het plangebied ligt een B-watergang. De aanliggend eigenaar is conform de Keur en de Legger, ook verantwoordelijk voor het onderhoud van deze watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0879.BPNelleveldst1aRvR-VS01_0013.png"

Uitsnede kaart Legger Brabantse Delta
Bron: brabantsedelta.webgispublisher.nl

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Bij de voorgenomen ontwikkelen zal circa 2.038 m2 aan stallen gesloopt worden en daarnaast zal de aanwezige erfverharding verwijderd worden. De nieuwe ruimte voor ruimte woningen mogen een maximale inhoud van 1.500 m3 hebben. Doorgaans betekent dit dat deze woning een maximale oppervlakte zal hebben van ongeveer 300 m² (dit kan iets meer zijn, afhankelijk van het type woning dat wordt gebouwd, maar in de praktijk zal dit vrijwel altijd aanzienlijk minder zijn). Daarnaast zal ten behoeve van de nieuwe woning (mogelijk) wat erfverharding worden aangelegd. Gezien het verhard oppervlakte door sloop van de varkensstallen zal het totale verharde oppervlakte netto kleiner worden. Het verharde oppervlak ter plaatse zal derhalve met de voorgenomen ontwikkeling alleen maar afnemen.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het huishoudelijk afvalwater geloosd worden op het riool en het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak zal niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar de achterliggende gronden. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:

  • Bij een toename van het verharde oppervlak tot 2.000 m² is geen extra compensatie nodig;
  • Bij een toename van het verharde oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² is extra compensatie nodig. De benodigde capaciteit voor de compensatie dient te worden berekend met de rekenregel;
  • Bij een toename van het verharde oppervlak met 10.000 m² of meer is maatwerk noodzakelijk. Hierbij dient in overleg met het waterschap een waterplan te worden opgesteld over hoe om te gaan met het hemelwater in het plangebied.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.

Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:

" Artikel 6.2.1

Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Zundert. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld.

Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Zundert" van gemeente Zundert en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een zorgvuldig dialoog gevoerd. Uit dit dialoog blijkt dat de omwonenden geen bezwaren hebben tegen de ontwikkeling.

In het kader van deze procedure zijn de vooroverlegpartners in de gelegenheid gesteld een een vooroverlegreactie te geven op het plan. Provincie Noord-Brabant heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt.

Vooroverlegreactie: provincie Noord-Brabant

De uitvoeringstermijn van de landschappelijke inpassing ontbreekt in de bestemmingsplanregels.

In artikel 4.5.1 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet worden binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan.

De ruimte-voor-ruimte titels zijn nog niet aangevraagd door ontbrekende gegevens. Dit betreffen onder andere de sloopmeldingen en verklaring sloop door de gemeente en het bewijs dat de fosfaatrechten zijn doorgehaald.

Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan zal aan de gestelde voorwaarden voldaan worden. Daarbij wordt opgemerkt dat de beleidsregel voorschrijft dat als de woningen worden geprojecteerd op de te beëindigen veehouderlocatie sloop na vaststelling van het plan mag plaatsvinden. De sloop is als een voorwaardelijke verplichting in artikel 4.5.2 opgenomen.

In het kader van deze procedure is eenieder tijdens de terinzagetermijn van het voorontwerpbestemmingsplan in de gelegenheid gesteld een inspraakreactie op het plan in te dienen. Twee inspraakreacties zijn binnen de terinzagetermijn binnengekomen.

Inspraakreactie 1

Bedrijven en milieuzonering in relatie tot de bedrijfsvoering van het boomteeltbedrijf aan de Nelleveldstraat 1: De afstand tussen het bouwvlak van de boomkwekerij en het bestemmingsvlak 'Wonen' bedraagt niet overal 30 meter. Er dient oftewel worden onderzocht of de geluidbelasting van het boomteeltbedrijf nu en in de toekomst met alle mogelijke activiteiten hinder kan veroorzaken, oftewel moet de afstand tussen het bouwvlak van de boomkwekerij en de woonbestemming overal minimaal 30 meter bedragen.

Reactie: Het klopt inderdaad dat er uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn waarin de Afdeling aangeeft dat een goede ruimtelijke ordening ook betekent dat de te verwachten geluidhinder in de tuinen van omwonenden in de belangenafweging moet worden betrokken. Een goed woon- en leefklimaat beperkt zich niet tot de woning maar behelst ook de tuin. Er kan een uitspraak over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat in de tuinen worden gedaan door het geluidklimaat in de tuin te beschouwen aan de hand van de geluidbelasting die mag worden verwacht op de grens van het bouwvlak. Op de grens van het bouwvlak van de woning, op een afstand van 30 meter van het bouwvlak van reclamant, kan een geluidbelasting optreden van 45 dB(A) etmaalwaarden (conform de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering). Op de rand van het bestemmingvlak, op een afstand van 20 meter van het bouwvlak van reclamant, een geluidbelasting van 48 - 50 dB(A).

De geluidbelasting vanwege de activiteiten in het vlak met boomteelt in de tuinen van de geprojecteerde woningen moet wel worden beschouwd, maar tuinen genieten niet per definitie een gelijke bescherming tegen geluid als woningen. In een uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1977) van de Afdeling van 26 juni 2019, rechtsoverweging 7.2, wordt dit bevestigd. Gegeven de situatie dat in een groot deel van de tuin de afstand tot het bouwvlak van het boomteeltbedrijf groter is dan 30 meter en de toekomstige bewoners derhalve voldoende mogelijkheden hebben buiten te verblijven buiten de richtafstand van 30 meter is een hogere geluidbelasting in een deel van de tuin aanvaardbaar.

Buiten het bouwvlak van de nieuwe woonbestemmingen is de bouw van (vergunningsvrije) bouwwerken is toegestaan. Binnen bijgebouwen is het conform de regels van de bestemming 'Wonen' mogelijk om een beroep of bedrijf aan huis te exploiteren. Deze functies moeten ook op 30 meter afstand van het boomteeltbedrijf worden gesitueerd.

Om te voorkomen dat er (vergunningvrij) bijgebouwen opgericht worden binnen de richtafstand van 30 meter, deze in gebruik genomen kunnen worden voor een gevoelige functie en het boomteeltbedrijf daarmee in haar ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt is de aanduiding 'Specifieke vorm van wonen - 1' op de verbeelding opgenomen. In de planologische regeling is geborgd er geen bijbehorende bouwwerken bij woningen gebouwd mogen worden op deze gronden en dat de gronden voorzien van deze aanduding niet gezien mogen worden als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht.

Spuitzones in relatie tot het boomteeitperceel bekend onder Sectie I met nummer 704: Aan de zuidzijde van het betreffende perceel wordt niet voldaan aan de 50 meter afstandszone tussen een nieuwe gevoelige functie (woonbestemming) en een perceel waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Ook is hier geen 15 meter brede groenstrook aanwezig die het toelaat om hier af te wijken van deze 50 meter spuitzone.

Reactie: De beukenhaag die onderdeel uitmaakte van het beplantingsplan en ook geborgd was op de verbeelding is vervangen door een 20 meter brede groenstrook, gelijk aan de strook aan de zuidzijde van het perceel.

Voorkomen gewasschade door nieuw aan te planten beplantingsstrook: Ten aanzien van de samenstelling en de hoogte-afmetingen van de beplantingsstrook is een punt van zorg. In het inpassingsplan is niet concreet benoemd wat deze inheemse bomen en struiken dan precies zijn. Tevens is niet opgenomen met welke afmetingen deze soorten worden toegepast en tot welke hoogte deze soorten mogen doorgroeien. Het is dan ook niet duidelijk wat deze nieuwe beplanting voor effect gaat hebben op de groei van de boomteeltgewassen die groeien op het aangrenzende perceel. Een voorstel is om de aanplant van bomen en hoog opgaande struiken op minder dan 3 meter van de perceelsgrens uit te sluiten in het inpassingsplan.

Reactie: Het landschappelijk inpassingsplan is nader uitgewerkt met een beplantingsplan en beheersvoorschriften. Hierbij is het voorstel van indiener overgenomen en zijn er geen bomen en hoogopgaande beplanting opgenomen op een afstand van minder dan 3 meter van de perceelsgrens.

Inspraakreactie 2

Het is onduidelijk waar binnen het bouwvlak de twee woningen komen. Voorstel is om het bouwvlak te splitsen in twee bouwvlakken.

Reactie: Het voorstel is overgenomen. Het bouwvlak is gesplitst in twee bouwvlakken, waarbij in de regels is opgenomen dat er binnen ieder bouwvlak één woning opgericht mag worden.

De ontsluiting van de nieuw te vormen percelen is niet duidelijk.

Reactie: De ontsluiting vindt plaats binnen de enkelbestemming 'Wonen' en is strijdig met de enkelbestemming 'Groen-Landschapselement'. Op deze wijze is het duidelijk waar de ontsluiting op de openbare mag gaat plaatsvinden.

Er wordt een duidelijke rooilijn gemist.

Reactie: In het bestemmingsplan is wel een voorgevellijn opgenomen, maar er werd enkel gesteld dat er niet op kortere afstand van de weg gebouwd mocht worden dan de voorgevellijn. Om de situering van de woningen exacter te duiden is zijn de regels zo aangepast dat een deel van de voorgevel op de voorgevellijn geplaatst moet worden. Eveneens is de begrenzing van het bouwvlak aangepast dat de bouwvlakgrenzen aan de straatzijde overeenkomen met de voorgevelrooilijnen in het inpassingsplan.

Het bouwvlak loopt door tot in de volle breedte van het perceel van reclamant. Dat betekent dat de bouwwerken helemaal tot aan de perceelsgrens gebouwd kunnen worden. Dat lijkt onnodig. Het voorstel is om de bouwvlak op tenminste 5 meter afstand van de perceelsgrens te leggen.

Reactie: In artikel 42.1 is opgenomen dat de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden van nieuw te bouwen bouwwerken niet minder mag bedragen dan 5 m. In navolging hiervan wordt de bouwvlakgrens aan de westzijde op 5 meter van de perceelsgrens gesitueerd. Dit leidt overigens niet tot een andere positionering van hoofdgebouw en bijgebouwen.

Voor bijbehorende bouwwerken bij woningen gelden soepelere regels ten aanzien van de afstand tot het perceel van reclamant. Hier ligt het voor de hand de bestemming 'Wonen' wat in te krimpen en alleen binnen die bestemming bouwwerken en gebouwen toe te staan.

Reactie: Ten gevolge van de inspraakreactie van reclamant 1 is het bestemmingsvlak 'Wonen' aan de achterzijde met 20 meter ingekrompen en mag de volgende 10 meter niet gebruikt worden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen. Hiermee zijn de bebouwingsmogelijkheden aanzienlijk teruggebracht.

Aan de westzijde vindt er binnen het plangebied geen landschappelijke inpassing plaats. Reclamant geeft aan dat het nodig is om aan deze zijde een groenstrook op de verbeelding in te tekenen en ook die groene omzoming / beplanting op te nemen in het beeldkwalitietsplan.

Reactie: Aan de westzijde is in het beplantingsplan een beukenhaag toegevoegd. Deze beukenhaag vormt de verbinding tussen de haag aan de noord- en zuidzijde. Op de verbeelding is ter plaatse van deze haag de bestemming 'Groen - landschapselemeent' opgenomen.

De woningen krijgen een inhoud van maximaal 1.500 m3. Dit is niet in lijn met de Beleidsnota Ruimte voor Ruimte gemeente Zundert. Reclamant stelt voor de inhoud te beperken tot maximaal 1.000 m3 in lijn met het beleid. Tevens wordt er een vertekend beeld geschetst doordat de woningen in het inpassingsplan met een inhoud van veel minder dan de in de regels toegestane 1.500 m3 verbeeld zijn.

Reactie: Hoewel de beleidslijn een inhoudsmaat van 1.000 m3 voorschrijft heeft het college gemeend dat er in deze specifieke situatie afgeweken mag worden van dit beleid. Deze afweging heeft plaatsgevonden op grond van het inpassingsplan, waarin gemotiveerd is waarom het te verantwoorden is dat de maximale inhoudsmaat kan worden vergroot tot 1.500 m3. Aan de beeldkwaliteitsvoorwaaden zoals opgenomen in het inpassingsplan moet voldaan worden, waarmee de goot- en nokhoogte beperkt worden tot één verdieping met kap voor het 'hoofdgebouw' en 1,5 verdieping met kap voor het 'Bijgebouw'. Het inpassingsplan is zodanig aangepast dat de woningen een realistische weergave zijn van wat er planologissh mogelijk gemaakt wordt.

Reclamant maakt zich zorgen over de grootte van de woningen. Dit zou ondervangen kunnen worden door een geringere maximale nok- en goothoogte op te nemen in het plan. Reclamant ziet graag dat de hoge woning, de schuurwoning, aan de andere kant komt te staan, om daarmee de nok- en goothoogte te beperken.

Het voorstel voor het spiegelen van de hoofdwoning en schuurwoning is overgenomen. De hoofdwoning komt nu aan de westzijde te staan. De goot- en nokhoogte worden beperkt door de beeldkwaliteitsvoorwaarde dat de woning bestaat uit één verdieping met kap.

In het kader van deze procedure is eenieder tijdens de terinzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen. Twee zienswijzen zijn binnen de terinzagetermijn binnengekomen. De nota van zienswijzen als als bijlage 5.

Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Zundert vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming:

  • 'Groen-Landschapselement', waarbij de functie van de landschappelijke inpassing wordt neergelegd.
  • 'Wonen', waarbij de functie wonen wordt neergelegd.

Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).