direct naar inhoud van 4.2 Fysieke milieuwaarden
Plan: Wolberg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0858.BPwolberg-VA01

4.2 Fysieke milieuwaarden

4.2.1 Water

Mede ten gevolge van de waterproblemen die in een aantal winters aan het eind van de 20e eeuw in Nederland optraden ten gevolge van hevige regenval, is het besef gegroeid dat water een belangrijke plaats verdient in toekomstige ruimtelijke plannen. Om het hoofd te kunnen bieden aan zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling, nu en in de toekomst, is het van essentieel belang dat het waterbeheer een belangrijke plaats inneemt in de ruimtelijke ordening. Sleutelbegrippen hierbij zijn: meer ruimte voor water en waterbewust bouwen en inrichten.

Regelgeving

Directe aanleiding voor het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water, waterbeleid in de 21e eeuw' (WB21)', is de zorg over het toenemende hoogwater in de rivieren, wateroverlast en de versnelde stijging van de zeespiegel. Het kabinet is van mening dat er een aanscherping in het denken over water dient plaats te vinden. Nadrukkelijker zal rekening moeten worden gehouden met de (ruimtelijke) eisen die het water aan de inrichting van Nederland stelt.

Het Watertoetsproces is verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003). Met de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de wettelijk verplichte werkingsfeer van het Watertoetsproces beperkt tot bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Bij landelijke, provinciale en gemeentelijke structuurvisies is het Watertoetsproces geen voorgeschreven onderdeel meer, maar in de praktijk zal daarbij ook de inbreng van de waterbeheerder gevraagd worden.

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In de Waterwet zijn alle vergunningen betreffende 'water' opgenomen. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.

Waterbeheerplan 'Krachtig Water', waterschap De Dommel (2009)

Het waterbeheerplan 'Krachtig Water' beschrijft de doelen en inspanningen van waterschap De Dommel voor de periode 2010-2015. Hierbij is een indeling in de volgende thema's gemaakt:

  • droge voeten
  • voldoende water
  • natuurlijk water
  • schoon water
  • schone waterbodem
  • mooi water


Binnen de kerntaken die er zijn, worden twee onderwerpen met hoge prioriteit aangepakt:

  • Het voorkómen van wateroverlast
  • Het herstellen van het watersysteem van Natura 2000-gebieden.


Het waterschap richt zijn inspanningen op het realiseren van de waterbergingsgebieden voor 2015, waarbij de gebieden ten behoeve van het bebouwd gebied de allerhoogste prioriteit hebben. Het herstel en de bescherming van de leefgebieden voor zeldzame planten- en diersoorten in Natura 2000-gebieden zijn urgent. Daarom wordt voorrang gegeven aan maatregelen in het watersysteem die hieraan bijdragen.


Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk, waterschap De Dommel (2006)

Het document 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk' geeft een inhoudelijke uitwerking en onderbouwing van de beleidsterm "hydrologisch neutraal bouwen". Deze beleidsterm geeft invulling aan het “niet afwentelen” principe, zoals door de commissie waterbeheer 21e eeuw (WB21) is gegeven. Beter is het te spreken van hydrologisch neutraal ontwikkelen, omdat ook andere ontwikkelingen dan bouwprojecten dienen te worden getoetst. Voorbeelden hiervan zijn infrastructurele en recreatieve ontwikkelingen.

In principe heeft elke ruimtelijke ontwikkeling invloed op de hydrologie. De beleidsterm hydrologisch neutraal heeft dan ook vooral betrekking op het zo veel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

Het document 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk' maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische consequenties te compenseren (binnen de ontwikkeling). Deze worden toegepast in het proces van de watertoets.

De Watertoets

Onderdeel van het rijksbeleid is de invoering van de watertoets. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies.

Onderzoek

Het plangebied ligt in het zuidoostelijke deel van de kern Valkenswaard. In de huidige situatie bestaat het plangebied grotendeels uit groenzone en woongebied. Een klein deel van het plangebied is aangewezen als Attentiegebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPwolberg-VA01_0005.jpg"

Afbeelding 4: Keurbeschermingsgebieden en attentiegebieden (Keur 2009, Waterschap De Dommel)

Randvoorwaarden en uitgangspunten

Waterschap De Dommel en gemeente Valkenswaard

De volgende randvoorwaarden en uitgangspunten uit de Handreiking watertoets (versie maart 2011) van Waterschap De Dommel zijn van toepassing op eventuele nieuwe ontwikkelingen of ver(nieuw)bouw binnen het plangebied:

  • Bij alle bouwplannen dient het uitgangspunt te zijn het scheiden van vuil water en (schoon) hemelwater. Afvoer van schoon hemelwater naar het gemengd rioolstelsel wordt in principe niet meer toegestaan. Afvalwater en hemelwater dienen altijd gescheiden te worden aangeboden bij de perceelsgrens;
  • Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:

1. hergebruik;

2. vasthouden / infiltreren;

3. bergen;

4. afvoeren naar oppervlaktewater.

  • De initiatiefnemer dient deze trits te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is het noodzakelijk om water te bergen. Bij 'bergen' kan worden gedacht aan een vijver of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient te worden berekend met een neerslagreeks van T=10 + 10%. De initiatiefnemer dient deze berging op eigen terrein te realiseren en boven de GHG. De afvoer vanuit de berging mag niet meer bedragen dan de afvoer in de oorspronkelijke situatie (vóór de nieuwe stedelijke ontwikkeling). Deze afvoer is locatiegebonden en varieert grofweg van 0,1 tot 2 l/s/ha (zie afvoercoëfficientenkaart waterschap De Dommel). Daarnaast dient te worden aangetoond dat er in een T=100+10% situatie geen schade t.g.v. wateroverlast optreedt. Ter ondersteuning is een toetsinstrumentarium (HNO-tool) ontwikkeld waarmee een plan relatief eenvoudig getoetst kan worden op hydrologische neutraliteit.
  • Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht.:

1. schoonhouden;

2. scheiden;

3. zuiveren.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).

  • Als de bodem en/of grondwater verontreinigd is dient dit in de waterparagraaf te worden opgenomen. Als randvoorwaarde geldt dan dat verdere verspreiding van de verontreiniging ten gevolge van de ontwikkeling niet is toegestaan.

Conclusie

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan. Deze waterparagraaf is voorgelegd aan het waterschap en is op 22 maart 2011 beoordeeld in het kader van de watertoets. De tekst zoals destijds in paragraaf 4.2.1 was opgenomen, is wel geactualiseerd. Het uitgangspunt is echter ongewijzigd.

4.2.2 Bodem

Historie
In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw waren de eerste woonbebouwingen en bedrijfjes verspreid aanwezig in het plangebied. Ook het spoortracé van de spoorlijn Eindhoven naar België was aanwezig. Het tracé liep over wat nu de Europalaan is. Na de sloop van deze spoorlijn is er een goederen spoorlijn aangelegd tussen Geldrop - Heeze en België, die een tracé had door het plangebied.

In de periode van de twintigerjaren en ongeveer het begin van de jaren vijftig was er, gezien het gebruik van de bodem, vooral sprake van velden, bosjes en akkers. Er bevonden zich wat boerderijen langs de Zandbergstraat en de Zeelberg. Vanaf de jaren dertig is het gebied steeds verder volgebouwd met woningen al dan niet voorzien van een bedrijfsfunctie, zoals kolen- en brandstofhandel en andere kleine bedrijfsvormen. Deze zijn nagenoeg in de loop van de tijd ook weer verdwenen. Enkel de gebouwen hiervan zijn nog aan te treffen in de lintbebouwing lang de doorgaande wegen. De meeste van deze bedrijfsvormen hadden geen wezenlijk effect op de kwaliteit van de bodem en het bodemwater.

Ontwikkelingen in loop van de tijd
Wel had de steeds verdere verstedelijking van het gebied, met onder andere wegverkeer, tot gevolg dat er een diffuse verontreiniging van de bodem is ontstaan, vooral in de toplaag. De hiervoor kenmerkende stoffen worden nu in lage concentraties gemeten. Deze lage concentraties hebben geen effect op de kwaliteit van het leefmilieu.

Een groter effect is de ontwikkeling geweest van de zinkindustrie in deze omgeving, in zowel België als Nederland. Het gevolg hiervan is, dat er een atmosferische depositie heeft plaatsgevonden van zware metalen. Ook zijn er in deze omgeving veelvuldig zinkassen toegepast als verharding van wegen, erven en terreinen. Als gevolg van uitloging van de zware metalen uit de zinkassen en atmosferische depositie, is het grondwater in deze regio verontreinigd geraakt met zware metalen. Regelmatig worden vooral zink en cadmium in het grondwater aangetroffen die de huidige normen uit de Wet bodembescherming overschrijden. Daar er geen contact is met het grondwater is er geen effect op het leefmilieu voor de mens.
In uitzonderlijke gevallen zijn de diffuse verontreinigingen in de bovengrond als ook de ernstige verontreinigingen in het grondwater met zware metalen een belemmering voor de bewoning/bebouwing van het plangebied. In de afgelopen decennia zijn deze verontreinigingen veelal gesaneerd binnen speciaal daarop gerichte saneringsprojecten, zoals uitgevoerd door Actief Bodembeheer de Kempen (A.B.d.K.). Ten zuiden van het plangebied heeft zich het industrieterrein De Vest ontwikkeld met in hoofdzaak bedrijven die niet bodembedreigend zijn.

Nieuwe denkbeelden
Na een periode van sanering van de bodem om eventuele vervuilingen te verwijderen zijn de denkbeelden over het gebruik van de bodem veranderd. De term 'de bodem van ons bestaan' is steeds meer in opmars gekomen en gaat uit van een duurzaam beheer van de bodem waarop we leven, wonen en werken. Veelal wordt de lagenbenadering toegepast die onderscheid maakt in de occupatielaag, netwerklaag en ondergrondlaag. De occupatielaag is dat wat zich boven het maaiveld bevindt. Deze laag weerspiegelt de structuur en dynamiek die het gevolg is van het menselijk gebruik. De ontwikkelingen hebben een snelle omlooptijd van tien tot veertig jaar. Traditioneel richt de ruimtelijke ordening zich op deze occupatielaag.
De netwerklaag kent geen duidelijke grenzen: het is de laag die de componenten bevat die het gebruik van de occupatielaag mogelijk maken. Energie, groen, allerhande vormen van infrastructuur, maar ook kwalitatieve aspecten, zoals bodemverontreiniging en archeologie, bevinden zich in deze laag.
De ondergrondlaag bestaat in principe uit een gebalanceerd samenspel van abiotische en biotische systemen met daarin het hydrologische systeem. In het te bestemmen gebied zal gestreefd moeten worden naar een duurzaam bodemgebruik door het tegengaan en de vermindering van verontreiniging en door het stimuleren van de biologische bodemkwaliteit. Een van de huidige ideeën over de verbetering van de bodemkwaliteit kan zijn het infiltreren van hemelwater in de bodem en het tegengaan van de verdichting en afsluiting van de toplaag. De ondergrondlaag heeft belang bij het verbeteren van de bodemwaterkwaliteit onder andere door de infiltratie van hemelwater, maar ook door zo min als mogelijk onttrekking van bodemwater, zodat de natuurlijke processen ongestoord plaats kunnen vinden.
Wel is er op dit moment een trend om de diepere bodemwaterlagen te gebruiken voor energiesystemen, zoals koude warmte opslag (KWO). Deze techniek moet mogelijk zijn binnen het plangebied onder voorwaarde dat deze systemen elkaar niet beïnvloeden en geen onbeheersbare ongewenste effecten optreden in het diepere bodemwater door verwarming of afkoeling ervan.

Conclusie
De algemene kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied is geen belemmering deze te gebruiken voor het ruimtelijk gebruik zoals deze in het conserverend bestemmingsplan wordt vastgelegd. Mogelijk zullen in de loop van de tijd kleine bodem- en of grondwaterverontreiniging worden gesaneerd binnen het plangebied. Ook het streven naar het infiltreren van hemelwater in de bodem en vermindering van de afsluiting van de bovengrond door bestrating moet zo veel als mogelijk gestimuleerd worden. Bij het toekomstige gebruik van KWO binnen het plangebied gaat de voorkeur uit naar gesloten systemen ter bescherming van het grondwater.

4.2.3 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in de structuurvisie is vastgelegd.

De Natuurbeschermingswet 1998 heeft betrekking op de Europees beschermde Natura-2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd Natuurmonument) zijn vergunningsplichtig.

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van wilde dier- en plantensoorten en heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. De Flora- en faunawet verbiedt om dieren te doden of hun rust of verblijfplaats te verstoren. Daarnaast geldt een zorgplicht. Dat betekent onder andere dat opzettelijke verstoring niet is toegestaan.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2', de bijlagen 1 soorten van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (tezamen tabel 3) en met vogels. Van deze laatste groep is een lijst opgesteld met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en een lijst met vogels waarbij inventarisatie gewenst is. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen. Met passende maatregelen kan de aanvraagprocedure voor een ontheffing voorkomen worden. Voor soorten van 'tabel 2' geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Als passende maatregelen niet mogelijk zijn dan dient er een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een belang behorende bij het beschermingsregime waaronder de soort beschermd wordt.

Om uit te sluiten dat beschermde dier- en/of plantensoorten benadeeld worden dienen bestaande vegetaties (bomen, singels, houtwallen), oude gebouwen en waterpartijen gehandhaafd te worden. Nieuwe ontwikkelingen, zoals sloop en aanpassingen aan oude gebouwen die mogelijk nest of overwinteringplaats zijn voor beschermde dieren of vestigingsplaats zijn voor beschermde planten, zijn ongewenst. De initiatiefnemer is verplicht om bij nieuwe ontwikkelingen, zoals sloop of aanpassing van oude gebouwen, na te gaan in hoeverre nader onderzoek noodzakelijk is.

De belangrijke bestaande groenstructuren in het plangebied zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

Het plangebied is op ruime afstand gelegen van Natura-2000 gebieden, waardoor in het kader van voorliggend bestemmingsplan hiermee geen rekening gehouden hoeft te worden. Binnen het plangebied is geen sprake van EHS-gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPwolberg-VA01_0006.jpg"

Afbeelding 5: EHS en Natura 2000 nabij het plangebied
Bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000


Conclusie

Gezien het voorgaande en het conserverend karakter van het bestemmingsplan, wordt verwacht dat de voorschriften uit de Flora- en Faunawet niet worden overtreden. Er is dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek.
Indien in het plangebied een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient vooraf onderzoek plaats te vinden naar de effecten op beschermde soorten en indien nodig ontheffing aangevraagd te worden.

4.2.4 Wegverkeerslawaai

In het kader van geluidhinder zijn de Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, te weten wegverkeerslawaai, spoorlawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai.

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet.

Er liggen geen geluidszones van het spoorlawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd worden. Op het aspect wegverkeerslawaai wordt hier nader ingegaan.

In de Wet geluidhinder is onder andere vastgelegd welke geluidniveaus ten gevolge van wegverkeer op de gevel van nieuwe woningen maximaal toelaatbaar zijn.

Op grond van artikel 76, lid 1 van de Wet geluidhinder dienen bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de grenswaarden van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. Volgens artikel 76, lid 3 geldt deze verplichting niet voor situaties waarin op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan de weg en de woningen en/ of andere geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn (bestaande situatie). Dit houdt in dat bij zogenaamde conserverende bestemmingsplannen geen toetsing aan de grenswaarde hoeft plaats te vinden.

Conclusie

Bestemmingsplan Wolberg is een conserverend bestemmingsplan. In het plan worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk en de Wet geluidhinder staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.2.5 Luchtkwaliteit

De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Omdat titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m².

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

Conclusie

Bestemmingsplan Wolberg is een conserverend bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voegt geen nieuwe bestemmingen toe en er zijn geen nieuwe ontwikkelingen wat inhoudt dat de luchtkwaliteit niet zal veranderen. Op grond van deze overwegingen kan zonder luchtonderzoek worden vastgesteld dat bestemmingsplan Wolberg voldoet aan de in de Wet milieubeheer vastgelegde luchtkwaliteitseisen. De wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.2.6 Milieuhygiënische aspecten bedrijven


Algemeen

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

Regelgeving

Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden.

In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld:

  • Categorie 1: grootste afstanden 0 en 10 meter;
  • Categorie 2: grootste afstand 30 meter;
  • Categorie 3: grootste afstanden 50 en 100 meter;
  • Categorie 4: grootste afstanden 200 en 300 meter;
  • Categorie 5: grootste afstanden 500, 700 en 1000 meter.


De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderszijds de gevel van een woning.

De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.

Onderzoek
Gelet op het overwegende woonkarakter dient voorkomen te worden dat overlast veroorzaakt wordt voor de woonomgeving door de vestiging van nieuwe bedrijven. Daarom zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die uit het oogpunt van hinder passen binnen de omgeving waar ze zich bevinden (milieucategorie 1 of 2). Categorie 1- en 2-bedrijven kunnen in gemengd gebied, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, worden toegelaten naast en tussen woningen. Binnen het plangebied komen geen bedrijven in een hogere milieucategorie voor. Voor onderhavig bestemmingsplan heeft een bedrijfsinventarisatie plaatsgevonden. Gebleken is dat binnen het plangebied aan de Zandbergstraat 32 en 40 en Zeelberg 18 een bedrijf gevestigd is. Het betreft kleinschalige bedrijvigheid.

Overige bedrijvigheid in het plangebied betreft voornamelijk activiteiten in het kader van aan huis verbonden beroepen. Bedrijvigheid als deze wordt niet apart bestemd, maar maakt onderdeel uit van de bestemming 'Wonen'.

Conclusie
De in het bestemmingsplan Wolberg gelegen bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2.7 Externe veiligheid

Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.

Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in afbeelding 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPwolberg-VA01_0007.png"

Afbeelding 6: Plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen.

De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Regelgeving

Besluit externe veiligheid

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten.

Uit het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ten behoeve van de verantwoording groepsrisico is advies gevraagd en ontvangen van de regionale brandweer.


Onderzoek

In deze paragraaf wordt de risicosituatie voor het plangebied geschetst. Hiertoe heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de potentiële risicobronnen in en nabij het plangebied.
Risicobronnen zijn:

  • Bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd;
  • Transportassen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Buisleidingen voor transport van aardgas onder hoge druk en voor K1-K2-K3 vloeistoffen.


De inventarisatie bestaat in eerste instantie uit het in kaart brengen van de risicobronnen in en nabij het plangebied en uit een analyse van de invloed die die bronnen hebben voor de veiligheid. De volgende bronnen zijn hierbij geraadpleegd:

  • Het register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS);
  • Risicokaart Valkenswaard;
  • Rijksontwerp basisnet weg, 11 mei 2010;
  • B & W besluit Route gevaarlijke stoffen Gemeente Valkenswaard, 25 juli 2000;
  • Inventarisatie advies wegvervoer gevaarlijke stoffen gemeente Valkenswaard, 7 maart 2008, SRE;
  • Gemeentelijk inrichtingbestand Wm-vergunning (archief team VTH);
  • Leidinggegevens, Gasunie, DPO en SABIC.

Risicobronnen bestemmingsplan Wolberg
Hieronder staan de resultaten van de inventarisatie.

Bedrijven

  • Er bevinden zich geen risicovolle bedrijven in of nabij het plangebied.

Transport gevaarlijke stoffen

  • De route gevaarlijke stoffen bevind zich nabij het plangebied en raakt met een invloedsgebied van 200 meter het plangebied.
  • Er zijn 28 woningen gelegen in deze 200 meter van het plangebied. In de nachtelijke uren geeft dit met een factor van 2,4 personen per woning 67,2 personen. In de daguren is er dan spraken van 33,5 personen. De factor van 55 personen per hectare wordt niet gehaald en is er geen overschrijding van het groepsrisico.
  • De route gevaarlijke stoffen binnen de bebouwde kom is een plasbrandaandachtsgebied (PAG).
  • Er worden brandstoffen vervoerd over de route gevaarlijke stoffen.
  • Het plasbrand aandachtsgebied van de route gevaarlijke stoffen is gelegen buiten het plangebied
  • Betreffende de route gevaarlijke stoffen in relatie tot het plangebied is advies gevraagd aan de Regionale brandweer afdeling 2 P. De Regionale brandweer geeft aan dat er van hun zijde geen noodzaak is tot het uitbrengen van een advies voor onderhavig bestemmingsplan.

Buisleidingen

  • Er bevinden zich geen buisleidingen in of nabij het plangebied.

Conclusies inventarisatie
Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van de route gevaarlijke stoffen is gelegen buiten het plangebied. Er is geen sprake van een groepsrisico in verband met de route gevaarlijke stoffen over De Vest. Er mogen geen bijzonder kwetsbare objecten (kinderdagverblijven, zorginstellingen, scholen enz) worden toegestaan binnen de 200 meter van de route gevaarlijke stoffen over De Vest.

Op 18 januari 2011 heeft de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost aangegeven dat het aspect externe veiligheid geen rol speelt bij onderhavig plan.

Uit de inventarisatie blijkt, dat in en nabij het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn die uit oogpunt van externe veiligheid invloed kunnen hebben op het plangebied.

4.2.8 Kabels en leidingen

Er komen in het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen voor.