direct naar inhoud van Artikel 7 Wonen
Plan: Beheersverordening Enschotsebaan en omgeving
Status: onherroepelijk
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BHV2013001-e001

Artikel 7 Wonen

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Functie

De voor ´Wonen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen, met dien verstande dat er sprake is van grondgebonden woningen;
  • b. woontypen, overeenkomstig de op de verbeelding opgenomen subbesluitvlakken, zoals opgenomen in onderstaande tabel:
    woningtype   subbesluitvlak  
    Aaneengesloten   aeg  
    Geschakeld   gsd  
    Twee-aaneen (half vrijstaand)   tae  
    patio   pat  
    Vrijstaand   vrij  
  • c. bouwwerken van algemeen nut;
  • d. parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen;
  • e. groen-, water- en speelvoorzieningen.
7.1.2 Bijbehorende voorzieningen

De voor ´Wonen´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:

  • a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • b. tuinen en erven;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. objecten voor beeldende kunst;
  • e. een beroepsmatige activiteit van tenminste één bewoner op maximaal 40 % van het oppervlak van het hoofd- en bijgebouw tot een maximum van 80 m2 waarbij:
    • 1. voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers;
    • 2. geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen;
    • 3. de beroepsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving;
  • f. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen,

voor zover deze voorzieningen behoren bij en ondergeschikt zijn aan en ten dienste staan van de onder 7.1.1 genoemde functies.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
  • a. Bestaande bebouwing welke krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht;
  • b. De in dit artikel genoemde voorgevelrooilijnen zijn weergegeven op de bijlage Situering rooilijnen
7.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene bepalingen:

  • a. het aantal woningen mag binnen het besluitvlak niet meer bedragen dan met het op de verbeelding aangegeven maximum (subbesluitsvlak);
  • b. het aantal woningen dat aaneengesloten wordt gebouwd mag maximaal 5 bedragen:
  • c. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn dan wel binnen 3 meter achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd.
  • d. in afwijking van het bepaalde onder c, mag binnen dit besluitvlak worden gebouwd tot aan de tweede voorgevelrooilijn, daar waar een deze is aangegeven in de bijlage situering rooilijnen.
  • e. de bouwdiepte in het bouwperceel bij vrijstaande, halfvrijstaande, geschakeld en aaneengesloten woningen bedraagt maximaal 12 m gemeten vanaf de voorgevel, met dien verstande dat;
    • 1. de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelgrens dient minimaal 9 m te bedragen;
    • 2. daar waar de afstand tussen de voorgevelrooilijn en de achterste perceelgrens minder bedraagt dan 16 m, de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelgrens minimaal 5m dient te bedragen;
  • f. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient bij:
    • 1. de vrijstaande woningen aan beide zijden minimaal 3 m te bedragen voor zover dit niet op de verbeeldings is aangegeven;
    • 2. halfvrijstaande en geschakelde woningen aan één zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • g. de bouwhoogte mag bij aaneengesloten, geschakelde, half vrijstaande en vrijstaande woningen niet meer bedragen dan het op de verbeelding aangegeven maximum;
  • h. de bouwhoogte mag bij patiowoningen niet meer bedragen dan het op de verbeelding aangegeven, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 m en tevens per patio een verdiepingsopbouw is toegestaan van ten hoogste 50 m2.
  • i. de goothoogte van de patiowoningen mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • j. het bouwen van ondergrondse bouwwerken is toegestaan.
7.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen niet vóór 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 40% van de oppervlakte van het onbebouwde gedeelte van het bouwperceel, dat is gelegen 3 m achter de voorgevel van de woning, tot en maximum van 60 m2;
  • d. ten aanzien van de hoogte:
    • 1. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5 m, met een maximale totale hoogte van 4,0 m;
    • 2. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen met een platte afdekking mag ten hoogste 3 m bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven;
    • 3. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een schuine kap mag ten hoogste 3 m bedragen, de bouwhoogte ten hoogste 4,5 m waarbij de dakhelling maximaal 45° mag bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven. Deze afschuining geldt niet:
      • in die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel in de perceelscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht.
7.2.4 Bouwwerken van algemeen nut

Voor het bouwen van bouwwerken van algemeen nut gelden de volgende bepalingen:

  • a. bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele besluitvlak worden opgericht, met uitzondering van de gronden gelegen voor de (verlengde) voorgevelrooilijn;
  • b. de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5 m;
  • c. de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50 m².
7.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1m mag bedragen;
  • c. (openlucht) zwembaden, vijvers en daarmee gelijk te stellen bij een tuin behorende voorzieningen mogen worden opgericht, met dien verstande dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 40% van hetbouwperceel en de hoogte niet meer mag bedragen dan 0,5 m.
7.2.6 Parkeren

Voor het parkeren gelden de volgende bepalingen:

  • a. woningen van het woningtype vrijstaaand, halfvrijstaand en geschakeld hebben minimaal 1 parkeerplaats per woning op eigen terrein.
  • b. voor overige eisen ten aanzien van parkeren dient voldaan te worden aan de voorschriften van de bouwverordening.
7.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van:
    • 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de brandveiligheid;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen ten behoeve van:
    • 1. de brandveiligheid;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.