direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Rucphen 2020, Oosteindseweg 77 te Sprundel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het perceel aan de Oosteindseweg 77 te Sprundel is planologisch bestemd als agrarische bedrijfslocatie. De locatie is niet meer als zodanig in gebruik. De eigenaar heeft het voornemen de locatie te gebruiken ten behoeve van particuliere bewoning. Daarnaast beoogt de eigenaar een kleinschalige paardenhouderij als nevenactiviteit. De AAB concludeert dat gezien de aard en omvang van een dergelijke kleinschalige paardenhouderij het hoofdgebruik van de locatie is gericht op de woonfunctie.

De realisatie van het voornoemde initiatief past niet binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om het initiatief mogelijk te maken, dient voor de nieuwe locatie een nieuw ruimtelijk en functioneel kader te worden bepaald in de vorm van een nieuw bestemmingsplan. In deze plantoelichting wordt de onderbouwing gegeven voor de bestemmingsplanherziening.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de Oosteindseweg in van het buitengebied van de gemeente Rucphen en heeft een totaaloppervlakte van 5.744m2. Het plangebied wordt bepaald door het agrarisch bouwvlak zoals is bepaald in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020'. Daarnaast wordt een strook ter plaatse van het perceel kadastraal bekend als gemeente Rucphen, nummer 1525, sectie T, bij het plangebied betrokken ten behoeve van landschappelijke inpassingsmaatregelen.

Op de locatie bevindt zich in de huidige situatie een agrarische bedrijfswoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0001.png"

Figuur 1: Luchtfoto van het met rood omlijnde plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020'. Dit plan is vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van gemeente Rucphen op 16 december 2020.

Ter plaatse van de huidige planlocatie, zijn de volgende bestemming en aanduidingen opgenomen;

  • Enkelbestemming 'Agrarisch'
  • Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'
  • Dubbelbestemming 'Leiding – Gas'
  • Bouwvlak 'Bouwvlak' circa 4930 m2
  • Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – veehouderij'
  • Gebiedsaanduiding 'Overige zone – attentiezone waterhuishouding'
  • Gebiedsaanduiding 'Overige zone – waarde archeologie 2'
  • Gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone – obstakelbeheerzone'

Voorliggend plangebied is in het vigerend bestemmingplan bestemd tot enkelbestemming 'agrarisch' met bouwvlak en een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – veehouderij'. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een (vollegronds)teeltbedrijf of een niet-intensieve veehouderij evenals agrarisch grondgebruik. Ter plaatse van het bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan.

Naast de agrarische bestemming gelden voor het plangebied de gebiedsaanduidingen 'Overige zone – attentiezone waterhuishouding' en 'Vrijwaringszone – obstakelbeheerzone'. Daarnaast is ter bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' en een gebiedsaanduiding 'Overige zone – waarde archeologie 2'.

Aan de zijde van de Oosteindseweg loopt een gasleiding. Ter bescherming van de leidingstrook zijn gronden ter plaatse bestemd als 'Leiding - Gas'.

De voorgestane ontwikkeling betreft de sloop van verscheidene agrarische opstallen en het realiseren van een nieuwe woning en een gebouw dat wordt gebruikt als paardenstal. Het realiseren van het initiatief is niet toegestaan binnen de bestemmingsomschrijving van het geldende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0002.png"

Figuur 2: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020' ter plaatse van het plangebied (in rood)

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan wordt de huidige situatie beschreven en wordt ingegaan op het initiatief. De relevante beleidskaders worden beschreven in hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de diverse omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een verantwoording gegeven op de juridische planvorm. In hoofdstuk 6 wordt tot slot aandacht besteed aan de economische en juridische uitvoerbaarheid van de plannen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

Dit hoofdstuk vormt een beschrijving van de situatie ter plaatse van het plangebied. Vanuit de huidige situatie en ruimtelijke- en functionele structuur, wordt hierdoor inzicht verkregen in de kaders die aan de basis hebben gestaan van de planontwikkeling. Hierop wordt vervolgens in het onderdeel 'toekomstige situatie' ingegaan.

2.1 Bestaande situatie

De planlocatie ligt in het buitengebied van Sprundel in de gemeente Rucphen. Het betreft een gemengd gebied met voornamelijk agrarische bestemmingen.

De planlocatie bestaat uit een voormalige agrarische bedrijfswoning met voormalige agrarische opstallen. De voormalige agrarische bedrijfswoning staat met de voorgevel naar de Oosteindseweg georiënteerd. Onder hetzelfde dak als de woning bevinden zich de stallen. Deze stalruimte heeft een oppervlakte van 155 m2. De staat van de woning is zeer slecht. Het bevoegd gezag heeft de woning als onleefbaar bestempeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0003.png"

Figuur 3: De woning en de agrarische opstallen in de huidige situatie

Naast de woning zijn de volgende opstallen aanwezig op het perceel:

Veldschuur circa 157 m2

Berging circa 31 m2

Mestsilo circa 70m2

De totale bebouwde oppervlakte inclusief de onbewoonbare voormalige agrarische woning is 461 m2.

2.2 Toekomstige situatie

De agrarische bedrijfsvoering op de planlocatie is beëindigd. De huidige agrarische bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een woonbestemming. De ruimtelijke structuur ter plaatse zal ook worden gewijzigd bij het moderniseren en verduurzamen van de gebouwen. Hierdoor vindt een functionele en esthetische opwaardering van het landschap van het plangebied plaats.

De vernieuwing bestaat uit de realisatie van een woning met een inhoud van 750m3 en een loods in een bijbehorende architectuur. De loods heeft een oppervlakte van 400m2. In de loods zullen stallen en opslag worden gerealiseerd voor het opfokken van paarden. Deze casus is ook voorgelegd aan de Agrarische adviescommissie (AAB). In haar schrijven van 6 juli 2021 geeft de commissie het advies om de bestemming 'wonen +' te hanteren. In de volgende figuur is de toekomstige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0004.png"

Figuur 4: Indeling van het plangebied in de toekomstige situatie

De bestemming 'Agrarisch' wordt gewijzigd naar de bestemming 'Wonen' en in verband met de gevraagde landschappelijke inpassing wordt de bestemming 'Groen – Landschapselement' vergroot met 105 m2. Deze uitbreiding geeft de historische 'eikenlijn' een extra waarde. Daarnaast wordt ten noorden van het woonperceel een struweelhaag aangeplant over een lengte van 137 meter. In de bijlage is het landschappelijk inpassingsplan toegevoegd. Qua toepassing van plantensoorten wordt rekening gehouden met de beplantingslijst van de Gasunie. In het volgende figuur wordt de toevoeging van de 'eikenlijn' weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0005.png"

Figuur 5: De toekomstige uitbreiding van de eikenlijn

2.2.1 Verkeer en parkeren

De huidige ontsluiting via de Oosteindseweg wijzigt niet. De voormalige bedrijfswoning blijft de bestaande oprit behouden. De situatie met betrekking tot het verkeer en parkeren verandert in positieve zin. Door de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming zal het aantal planologisch gezien te verwachten verkeersbewegingen afnemen. Op de planlocatie is voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte van de woning te voorzien.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit hoofdstuk gaat in op het beleid dat de verschillende overheden voor ruimtelijke ontwikkelingen hebben opgesteld. Ten eerste het rijksbeleid, vervolgens het provinciale- en regionale beleid en tot slot het gemeentelijke beleid. De relevante beleidsstukken zijn beschreven, waarna is toegelicht in hoeverre onderdelen hiervan betrekking hebben op voorliggende ontwikkeling.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Rijksoverheid werkt aan een nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met deze visie geeft het Rijk de hoofdlijnen van de gewenste kwaliteit van de leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling en het te voeren beleid in Nederland tot 2050.

Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling, die gebiedsgericht worden ingezet.

In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende ministeriële regeling (Rarro) gelden voor het plangebied geen specifieke regelingen.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Toetsingskader

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Op basis van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten heeft het Rijk in het verleden een selectie gemaakt van twintig 'Nationale landschappen'. Deze landschappen weerspiegelen samen de diversiteit en ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Het Rijk laat het beleid ten aanzien van landschap op land over aan provincies en wil provincies meer ruimte geven bij de afweging tussen verstedelijking en landschap, om zo meer ruimte te laten voor regionaal maatwerk.

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, heeft het Rijk een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Overige regels vinden hun doorwerking in de provinciale regelgeving (paragraaf 3.2).

Beoordeling en conclusie

Voor het plangebied zijn geen rijksbelangen of –opgaven vastgelegd. Het initiatief is in lijn met de structuurvisie, aangezien er geen strijd is met de nationale belangen. Hieronder wordt nog ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader

Het Rijk heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • a. De toelichting bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling;
  • b. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet het plan een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De ladder hoeft alleen te worden doorlopen indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt gezien het bepaalde in artikel 1.1.1 Besluit ruimtelijke ordening: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Onder het begrip 'andere stedelijke voorzieningen' vallen onder meer accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport, leisure en accommodaties voor recreatie. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Beoordeling en conclusie

Het is van belang om bij ruimtelijke procedures de ladder voor duurzame verstedelijking juist toe te passen. Maar voordat daaraan wordt toegekomen, moet worden bezien of de ladder wel van toepassing is. Dat hangt af van de vraag of wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij kleinschalige ontwikkelingen is niet altijd sprake van verstedelijking. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt voor woningbouw op 12 woningen, zo blijkt uit jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3.)

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een agrarisch bedrijfsperceel naar een woonperceel met daarbij een hobbymatige paardenhouderij. Dit is geen stedelijke ontwikkeling, zoals benoemd in de eerste stap van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verdere toetsing aan de ladder duurzame verstedelijking kan daarom achterwege gelaten worden.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant', Visie op de Brabantse leefomgeving

Toetsingskader

De Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving van de provincie voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

Beoordeling en conclusie

In de visie zijn door de provincie de doelen nog niet precies vastgelegd. Immers, diep, rond en breed kijken (zie hoofdstuk 4 in deze omgevingsvisie) is centraal uitgangspunt bij het samenspel voor de uitwerking van de visie. Dat betekent dat de provincie volop ruimte biedt voor inbreng vanuit partijen en disciplines. De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma's. Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant. De uitwerking van de ambitie in programma's heeft nog niet plaatsgevonden. Het is daarom nog niet mogelijk initiatieven te toetsen aan de omgevingsvisie. Totdat de programma's zijn uitgewerkt, worden de initiatieven voorlopig nog getoetst aan de 'Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014'.

3.2.2 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

Toetsingskader

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 (SVRO) vastgesteld. De SVRO is opgebouwd uit twee onderdelen. In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Noord-Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B van de structuurvisie beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0006.png"

Figuur 6: Uitsnede Structurenkaart, SVRO Noord-Brabant

Beoordeling en conclusie

In de structurenkaart (zie vorige afbeelding) van de SVRO is het plangebied aangeduid als groenblauwe mantel. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan voorziet, het slopen van enkele verouderde opstallen en de herontwikkeling naar een woonperceel met kleinschalige en hobbymatige paardenhouderij, met aandacht voor het opwaarderen van het landschap past binnen deze structuur. De structuurvisie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de provinciale Interim Omgevingsverordening. In die verordening is dit beleid verder uitgewerkt in bindende regels, die in acht genomen moeten worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hierop wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.

3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Toetsingskader

De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is op 5 november 2019 inwerking getreden. Op 15 april 2022 is de Interim omgevingsverordening door de provincie Noord-Brabant geconsolideerd. De regels hebben betrekking op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet (treed naar verwachting per 1 januari 2023 in werking) is vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Vanaf het moment dat deze inwerking treedt, dient de nieuwe Omgevingsverordening als uitgangspunt te worden genomen bij wijzigingsplannen/bestemmingsplannen in de provincie en komt de Interim Omgevingsverordening te vervallen. Tot die tijd worden de plannen nog getoetst aan de Interim Omgevingsverordening.

De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, maar is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau.

Beoordeling en conclusie

Hierna wordt ingegaan op deze regels en in hoeverre die van toepassing zijn op het bestemmingsplangebied. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre voorliggend plan hierop aansluit.

Het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangewezen als landelijk gebied. Er gelden specifieke regels voor het wonen binnen het landelijk gebied, met de aanduidding 'Gemengd landelijk gebied'. Verderop in deze paragraaf wordt ingegaan op de regels voor het wonen binnen het landelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0007.png"

Figuur 7: Uitsnede basiskaart landelijk gebied Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Artikel 3.68: Wonen in landelijk gebied en artikel 3.69: Afwijkende regels wonen

Artikel 3.68 van de Interim Omgevingsverordening stelt dat binnen het Landelijk gebied enkel bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn togestaan en dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Artikel 3.69 sub d regelt dat het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning is togestaan, als verzekerd is dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en mits overtollige bebouwing wordt gesloopt. De bedrijfswoning ter plaatse wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. Deze woning wordt niet in meerdere woonfuncties gesplitst. Alle voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Daarom wordt voldaan aan artikel 3.68.

Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

De artikelen 3.5 tot en met 3.8 vallen onder paragraaf 3.1.2: basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. In artikel 3.5 is opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

Het doel van de provincie is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende- of bebouwingslocaties in zwel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag krijgt ook vorm door de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten.

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • Zorgvuldig ruimtegebruik
  • De waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering;
  • Meerwaardecreatie.
  • Deze drie voorwaarden worden uitgelegd in artikelen 3.6 tot en met 3.8.

Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik

Onder zorgvuldig ruimtegebruik wordt verstaan dat toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, bij stedelijke ontwikkeling wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking en dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

In de beoogde herontwikkeling wordt een verouderde agrarische bedrijfslocatie omgezet naar een reguliere woning. Gezien de ligging is hervestiging van een agrarisch bedrijf niet mogelijk. Naast de woonfunctie wordt een kleinschalige agrarische nevenactiviteit in de vorm van een paardenhouderij met circa 6 tot 8 opfokpaarden gevestigd. De hoofdfunctie op het perceel is echter wonen. De bestaande bedrijfswoning ter plaatse van het plangebied omgezet naar een reguliere burgerwoning. Alle voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Er is dus sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering

De lagenbenadering omvat de effecten van de ontwikkeling op (ruimtelijke) lagen en hun onderlinge wisselwerking. Het gaat hierbij om:

  • c. de ondergrond, zoals bodem, grondwater en archeologische waarden;
  • d. de netwerk laag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;
  • e. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

De lagenbenadering houdt hierbij ook rekening met de factor tijd, waarbij rekening wordt gehouden met de herkomstwaarde, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde.

Het perceel bestaat in de huidige situatie uit een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met verouderde agrarische opstallen. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een herbestemming van de locatie naar regulier woonperceel met kleinschalige nevenactiviteit en wordt tevens voorzien in een kwaliteitsimpuls voor zowel gebruik, uitstraling en landschappelijke kenmerken. De ontwikkeling vormt geen risico voor de ondergrond. Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief heeft het plan geen negatief effect op netwerklagen zoals de infrastructuur en het natuurnetwerk. In hoofdstuk 4 wordt dit nader gemotiveerd.

Wat betreft de bovenste laag heeft de ontwikkeling ook een positief effect. Het plan voorziet in niet alleen de ontwikkeling van de woning, maar mede door de groen-uitbreiding ook de samenhang met de omgeving, waardoor het plan een kwalitatieve ontwikkeling is binnen de omgeving.

Artikel 3.8: Meerwaardecreatie

Er is sprake van nieuwe paardenteelt en een moderne, mooiere woning met bijbehorende bebouwing. Daarom is er sprake van een meerwaarde. Enerzijds op het gebied van het gebruik van de gronden, namelijk een nieuwe paardenfok-functie en een beter geschikte woning voor de bewoners. Anderzijds is de landschappelijke inpassing ook beter.

In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Paragraaf 3.1.2) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

Met de beoogde herontwikkeling wordt de bedrijfswoning ter plaatse van het plangebied omgezet naar reguliere burgerwoning. Sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Ook wordt er een paardenfok-functie toegevoegd, waardoor de kwaliteit en het gebruik van de ruimte nog meer efficiënt is.

Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Er is sprake van een voormalige, agrarische bedrijfslocatie die wordt omgeschakeld naar een woonbestemming. De aanwezige infrastructuur beschikt over voldoende capaciteit om het verkeer van één huishouden te ontsluiten, het verkeer zal zelfs minder belastend zijn dan dat van een agrarisch bedrijf. Het plan heeft geen effect op de ondergrond, het natuurnetwerk en cultuurhistorische waarden. Met de toevoeging van de kleinschalige paardenhouderij wordt tevens voorzien in binnen het buitengebied passende nevenfunctie.

Met het initiatief wordt invulling gegeven aan kwaliteitsverbetering door een passende functie te geven aan een niet langer toekomstbestendige agrarische bedrijfslocatie, wat ten goede komt aan de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland.

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering van het landschap

Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening stelt dat een ruimtelijke ontwikkeling binnen het Landelijk gebied gepaard dient te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het provinciaal ruimtelijk beleid kent de rood-met-groen-koppeling. Dit houdt in dat, wanneer uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag ten koste van het buitengebied onontkoombaar is, die uitbreiding gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied. In de Interim omgevingsverordening is de rood-met-groen-koppeling vertaald in het principe van 'kwaliteitsverbetering van het landschap'.

Als uitwerking van artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening heeft het RRO Regio West-Brabant de kwaliteitsverbetering van het landschap uitgewerkt in de notitie 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant', aldus vastgesteld op 18 december 2014. Het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming wordt op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant toelaatbaar geacht.

Een dergelijke herbestemming wordt beschouwd als een ruimtelijke ontwikkeling, zodat toepassing moet worden gegeven aan het principe kwaliteitsverbetering van het landschap. Met de regionale notitie is bepaald dat er drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen zijn:

  • Categorie 1: ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist;
  • Categorie 2: ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief;
  • Categorie 3: ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst.

Het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming betreft een ruimtelijke ontwikkeling die in categorie 2 moet worden geschaard. De landschappelijke inpassing moet in verhouding zijn met (de impact van) de ruimtelijke ontwikkeling. Dit is maatwerk. De verantwoording van de (mate van) landschappelijke inpassing dient onderdeel uit te maken van het wijzigingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is dan ook voorzien in een passende landschappelijke inpassing ter plaatse van het plangebied. Een beschrijving hiervan is gegeven. De oprichting en instandhouding van de landschappelijke inpassingsmaatregelen zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

Met de beoogde herontwikkeling wordt invulling gegeven aan de eisen zoals deze worden gesteld in het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant.

Overige aanduidingen

Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'Stiltegebied'. Dit betekent dat regels gelden om de stilste in het gebied te behouden. Hiervoor geldt onder andere een streefwaarde van 40 dB(A) LAeq, 24h. In de Interim Omgevingsverordening zijn nog meer regels opgenomen waaraan op het terrein dient te worden voldaan.

Het plangebied ligt tevens binnen de aanduiding 'Attentiezone waterhuishouding'. Hierdoor gelden aanvullende regels m.b.t. grondverzet, aanleg drainage, grondwaterstanden en aanleg van verhardingen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief mogelijk is binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Rucphen 2030

Toetsingskader

De Structuurvisie van de gemeente Rucphen (december 2013) is het vertrekpunt voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen het grondgebied van Rucphen. De hoofdgedachte van de structuurvisie is het streven naar een aantrekkelijke woon- en recreatiegemeente. De visie legt een koppeling tussen economische initiatieven en initiatieven die bijdragen aan versterking van de kernen en het landschap, zodat bij projectuitwerkingen ook een fysieke of financiële bijdrage voor ruimtelijke kwaliteit gevraagd kan worden.

De structuurvisie geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke inrichting van de gemeente tot 2030 en is op 11 december 2013 vastgesteld.

Het volgende afwegingskader wordt gehanteerd:

  • Past het initiatief in het langetermijnbeeld van de Structuurvisie?
  • Tast het initiatief de sterke punten van het gebied niet aan of draagt het initiatief direct of indirect bij aan versterking van de kernkwaliteiten?
  • Voldoet het initiatief aan voorwaarden vanuit de omgevingsaspecten? Deze worden hieronder verder uitgewerkt.
  • Is het initiatief maatschappelijk aanvaardbaar?

Beoordeling en conclusie

Het plangebied is gelegen binnen het landelijk gebied (Agrarisch gebied met recreatief medegebruik). Binnen het landelijk gebied zijn landbouw, extensieve recreatie en beleefbare natuur de hoofdfuncties. Behoud en versterking van het gevarieerde landschap staat voorop. Hierbij hoeft niet alles te blijven zoals het is. Het huidige landschap bestaat immers ook pas kort en de gemeente staat open voor kwaliteitsverbetering.

Het streefbeeld voor het landschap staat beschreven in de Structuurvisie Landschap/ Landschapsontwikkelingsplan. In de volgende paragrafen wordt uitgebreider ingegaan op deze beleidsstukken. Binnen de bestemming 'Agrarisch gebied met recreatief medegebruik' geldt dat nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de koers van het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2012' en de daaropvolgende herzieningen.

3.3.2 Structuurvisie landschap

Toetsingskader

De Structuurvisie Landschap (juni 2012) heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg om kwaliteit van het landschap conform het 'Kwaliteitsverbetering van het landscap' principe uit de provinciale Verordening (Interim Omgevingsverordening). Het behoud en de ontwikkeling van het landschap staat in de structuurvisie voorop. De structuurvisie dient te voorkomen dat het ontplooien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zorg om kwaliteit is daarom een voorwaarde voor elk initiatief in het buitengebied. Voor nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden uitgevoerd.

Beoordeling en conclusie

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sprundel in het grensgebied met de gemeente Zundert. Het rensgebied met Zundert is een gezond agrarisch gebied, dat ook wat betreft inrichting en schaal voldoende uitgangspunten heeft om dat te blijven. In het gebied spelen echter ook andere belangen die niet altijd goed te combineren zijn met de agrarische sector. De nabijheid van de natte natuurparel in de gemeente Zundert brengt beperkingen met zich mee. Het gebied is aangeduid als zoekgebied extensivering melkveehouderij. Dit heeft tot gevolg dat er weinig tot geen toekomst is voor nieuwe of groeiende agrarische bedrijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0008.png"

Figuur 8: uitsnede Structuurvisie landschap – deelgebied grensgebied Zundert

Voor de specifieke locatie van het plangebied heeft de gemeente geen uitgesproken ambities voor de toekomst. Een uitsnede van de structuurvisie landschap is weergegeven in de volgende afbeelding.

Met dit bestemmingsplan wordt een agrarisch bedrijfsperceel gewijzigd naar een woonperceel met agrarische nevenactiviteit in de vorm van een kleinschalige paardenhouderij. Deze functie past binnen de, in de structuurvisie landschap, genoemde functies voor dit deelgebied. Daarnaast wordt voorzien in een bijpassende landschappelijke inpassing van het perceel.

3.3.3 Puur Rucphen 2030 – Toekomstvisie Gemeente Rucphen

In de toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030', vastgesteld op 23 september 2015, worden de maatschappelijke opgaven van de gemeente voor de komende jaren benoemd. De toekomstvisie bouwt voort op bestaand beleid en is geen aanleiding geweest tot een inhoudelijke koerswijziging. Wel zijn de perspectieven op deelterreinen en de onderlinge dwarsverbanden verder versterkt, zodat de inzet van de gemeente effectiever kan zijn. De toekomstvisie is opgesteld in intensieve samenspraak met bewoners, ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties.

Radicaal anders wordt de rol van de overheid en de invulling van regionale samenwerking: van burgerparticipatie naar overheidsparticipatie, en van samenwerking omdat 'het moet', naar samenwerking omdat 'het loont'. De inhoudelijke en bestuurlijke keuzes zijn uitgewerkt in de volgende perspectieven:

  • Aantrekkelijk wonen;
  • Vrijetijdseconomie;
  • Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen;
  • Overheidsparticipatie;
  • Regionale samenwerking.

De eerste drie perspectieven geven aan wat de gemeente wil bereiken. De laatste twee perspectieven geven aan hoe die ambitie realiteit wordt. Onderstaand wordt ingegaan op de ambities van de gemeente, uitgeschreven in de drie perspectieven, zoals hierboven benoemd.

Aantrekkelijk wonen

In de toekomstvisie wordt aangehaald dat de gemeente handelt vanuit de overtuiging dat de meeste inwoners goed in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun huidige en toekomstige woon- en leefsituatie. Meegroeien met de samenleving is het uitgangspunt voor het aantrekkelijk wonen, evenals het inspelen op behoeften van de doelgroepen. Extra aandacht gaat uit naar de jongeren en ouderen, zowel qua voorzieningen- als woningaanbod. Het tegemoetkomen aan de behoeften van deze doelgroepen is van belang voor een evenwichtige bevolkingssamenstelling en vitale gemeenschappen.

Vrijetijdseconomie

Rucphen is strategisch gelegen tussen grootstedelijke gebieden in de dynamische economische regio West-Brabant. Actieve en innovatieve ondernemers bouwen verder aan bezoekersintensieve attracties in de vrijetijdseconomie, de gemeente biedt ruimte om te ondernemen in de Binnentuin. In de kernen stimuleert de gemeente de 'economie van het wonen' met ontwikkeling van lokaal verzorgende beroepen. Het aantrekken van recreanten biedt als voordeel dat het draagvlak onder voorzieningen voor eigen inwoners wordt versterkt, bijvoorbeeld horeca, zwembaden en detailhandel.

Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen

De ambitie is dat alle inwoners op eigen kracht kunnen deelnemen aan de samenleving. Dat geldt voor alle kernen, al is ieder dorp verschillend. De insteek is hierbij 'van zorgen voor naar zorgen dat'. Het sociaal domein dient getransformeerd te worden en de manier van ondersteunen verandert. Daarbij wordt uitgegaan van de eigen kracht van burgers, vanuit de regie van burgers, volgens het principe van één gezin, één plan, één regisseur. De gemeente ontzorgt en het normale leven is leidend.

Conclusie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of deze passend zijn binnen de Toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030'. De gemeente is van overtuiging dat haar inwoners in staat zijn zelfvoorzienend te zijn in het realiseren van hun woningbehoefte. Het voorliggende plan is daar een uitstekend voorbeeld van, aangezien de initiatiefnemer zijn eigen woningbehoefte vervult. Daarbij transformeert de initiatiefnemer ook een verouderde agrarische bedrijfslocatie. Bovendien ontzorgt de gemeente met het meewerken aan dit plan de initiatiefnemer. Dit komt zijn zelfredzaamheid ten goede.

Al met al kan gesteld worden dat er met de ontwikkeling van voorliggend project aan een bestendige toekomst van Rucphen wordt gewerkt. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt verbeterd. Door middel van een transformatie van het plangebied maakt dit plan namelijk bewoning op een huidig onbewoonbaar-verklaarde woning weer mogelijk en wordt de directe omgeving door middel van landschappelijke inpassing groener.

3.3.4 Visie Duurzaamheid 2019-2030

Toetsingskader

De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema's:

  • Klimaat
  • Energie en Wonen
  • Groen en Water
  • Afval en Grondstoffen
  • Mobiliteit
  • Landbouw

De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief).

Duurzaam ondernemen is een van de ambities binnen de visie. De gemeente is samenwerking met bedrijven een platform Duurzaamheid aan het ontwikkelen ter bevordering van duurzaam ondernemen. Hierbij liggen bijvoorbeeld kansen om op grote bedrijfsdaken zonnepanelen te plaatsen. Voor duurzaam bouwen is de ambitie om bestaande bedrijfsgebouwen aan Energielabel B te laten voldoen. Een duurzame samenleving heeft hoge natuurwaarden en een goede waterkwaliteit.

Circulaire economie

In 2014 heeft de gemeente Rucphen het Convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant ondertekend. In het convenant is aangegeven wat de deelnemende gemeenten belangrijk vinden. Voor het verduurzamen van de nieuwe woningbouw, de bestaande woningvoorraad, bestaande utiliteitsgebouwen en het gemeentelijk vastgoed, moeten, in samenspraak met de partners, uitvoeringsprogramma's worden opgesteld en mogelijk ook kaders worden vastgesteld om de uitvoering van concrete activiteiten te bevorderen. Deze concrete activiteiten hebben grotendeels te maken met isoleren en duurzame energieopwekking, maar ook het gebruik maken van duurzame materialen en het onderwerp circulaire economie zijn hierbij van belang.

De toenemende schaarste van grondstoffen en het belang van een duurzame samenleving vraagt om een circulaire benadering van grondstoffen. Het ultieme doel is dat er helemaal geen sprake meer is van afval, maar dat al het afval opnieuw als grondstof wordt ingezet. Dit wordt ook wel circulaire economie genoemd. Hooguit blijft een restfractie over waar geen betere toepassing voor is dan verbranding ten behoeve van energieopwekking. De gemeente heeft het doel gesteld van een afvalscheiding van 75% in 2024 met als ultieme doel een afvalloze samenleving. Voor de korte termijn streeft de gemeente het doel na van 100 kg restafval per inwoner in 2024

Beoordeling en conclusie

De planontwikkeling Oosteindseweg 77 is getoetst aan de ambities die beschreven zijn in de Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen. Met dit voorliggende plan wordt een verouderde agrarische bedrijfsbestemming omgezet tot primair woonbestemming met hobbymatige paardenhouderij. Oude bebouwing wordt gesloopt. Daarna wordt het gebied getransformeerd en wordt de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving verbeterd door een nieuwe, bewoonbare woning. Mede ook door de landschappelijke inpassing en functionele upgrade zal er sprake zijn van een kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving. Het voorliggende plan past daarom bij de Visie Duurzaamheid van de gemeente.

3.3.5 Groen R Groenbeleid Gemeente Rucphen

Toetsingskader

Het Groen R groenbeleidsplan gaat over de ambitie van de gemeente over de groene leefomgeving. Het onderwerp groen, in de breedste zin van het woord, is tegenwoordig van groot belang in alle vraagstukken binnen de fysieke leefomgeving in de gemeente Rucphen. Daarmee sluit de gemeente aan bij landelijke ontwikkelingen op gebied van klimaat, duurzaamheid en biodiversiteit.

De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dit doen wij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij speelt een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Het behouden en versterken van de groenstructuur (zowel binnen de dorpen als in het buitengebied) is daarbij een belangrijk uitgangspunt, evenals het vergroten van de biodiversiteit en het klimaat adaptief maken van onze gemeente. Door het benoemen van de essentiële groenstructuur kan gericht worden gewerkt aan het groene casco. Dit wordt tevens bereikt door het stellen van heldere inrichtings- en beheereisen. Men is bewust van het belang van een goede biodiversiteit, waarbij we inzetten op goede robuuste en fijnmazige netwerken en een duidelijke en passende soortkeuze.

Met Groen R streven we de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. We gaan daarbij uit van vier basisprincipes:

We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen

Groen draagt bij aan de verschillende opgaven

De gemeente wordt natuur inclusief aangelegd en beheerd

Aan groen werken we samen

Beoordeling en conclusie

In het voorliggende plan wordt er door middel van maatregelen op het vlak van landschappelijke inpassing extra groen toegevoegd, met in het bijzonder aandacht voor de keuze van de inheemse groensoorten. Daarom past dit plan bijzonder goed in de geest van het Groen R groenbeleid van de gemeente Rucphen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Voor het ontwikkelen en in stand houden van leefbare en duurzame gemeentes dient bij ruimtelijke planvorming rekening te worden gehouden met de milieu- en omgevingsaspecten. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat behouden blijven of worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk zijn de verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van belang zijn voor het plan(gebied) nader toegelicht.

4.1 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit te worden beschouwd. Bij ruimtelijke plannen met een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie die ter plaatse wordt beoogd.

Met een verkennend bodemonderzoek wordt inzicht verkregen in de actuele milieu hygiënische kwaliteit van de bodem en de mogelijke aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de grond of het freatisch grondwater. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt vastgesteld of de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling

Beoordeling

Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de actuele milieu hygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is een verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd. De rapporten zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatste van het kavelpad een sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond is aangetroffen.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatste van het kavelpad een sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond is aangetroffen. Deze asbestverontreiniging is reeds gesaneerd. Er is gekozen voor het afgraven van de bodem tot het niveau van terugsaneerwaarde. Het evaluatieverslag van de BUS is als bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting.

Conclusie

Op de locatie is een sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond aantroffen. Er heeft een sanering plaatsgevonden, waarmee de locatie geschikt is voor de herbestemming naar een woonperceel.

4.2 Geluid

Toetsingskader

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige gebouwen (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een (spoor)weg en/of industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen.

Beoordeling

Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een woning of een geluidgevoelig object ligt in een door deze wet aangewezen geluidzone van een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Door Vliex akoestiek en lawaaibeheersing is een akoestisch onderzoek wegverkeer verricht voor de planlocatie. De onderzoeksrapportage is als bijlage 3 aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. Hierna zijn de belangrijkste conclusies aangehaald.

Uit onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting vanwege de Oosteindseweg op de beoogde woning ten hoogste 46 dB bedraagt. Deze geluidbelasting is 2 dB lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Nu uit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde niet overschreden wordt, is het stellen van een hogere waarde, als bedoeld in de Wet geluidhinder, niet aan de orde. Voor het aspect wegverkeerslawaai ontmoet het beoogde plan geen bezwaren.

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader 

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.

Beoordeling

De planlocatie ligt in het landelijk gebied. In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven in een straal van 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie.

Omgevingstype

De omgeving van de planlocatie kan getypeerd worden als een omgevingstype 'rustig buitengebied'.

Tabel 1: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype 'rustig buitengebied'

Bedrijfsomschrijving   Adres   Categorie   Min. Milieuafstand   Afstand van bouwvlak tot nieuw bouwvlak planlocatie  
Agrarisch bedrijf – vogel en kleindierkwekerij   Turfstaat 36 Sprundel   3.2   100 m   460 m  
Agrarisch bedrijf – glastuinbouw   Oosteindseweg 67   2   50 m   170 m  

Uit tabel 1 blijkt dat de richtafstand ruimschoots wordt behaald.

Conclusie

Door het voorliggend initiatief worden geen bedrijven in de omgeving in hun bestaande rechten beperkt en ter plaatse van de planlocatie kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zoals dit in de bestaande situatie ook is.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Wet milieubeheer

Toetsingskader

Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden.

Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde.

Beoordeling

Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over, bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd.

In het voorliggend plan is er sprake van de herbestemming van één nieuwe woning, zodat de ontwikkeling als NIBM kan worden beschouwd. Een toetsing aan de grenswaarden kan daardoor achterwege blijven.

Conclusie

De ontwikkeling draagt niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

4.4.2 Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

Toetsingskader

Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein.

Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl).

Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden.

De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2016). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken. Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen.

Beoordeling

Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een compromis tussen haalbaarheid en gezondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen.

De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2015 en 2020). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken. Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de volgende grenswaarden voor het plangebied bepaald:

  2020   2030   Jaargemiddelde maximale grenswaarde  
NO2   <35 µg/m³   <35 µg/m³   40 µg/m³  
PM10   <35 µg/m³   <35 µg/m³   40 µg/m³  
PM2,5   <35 µg/m³   <35 µg/m³   25 µg/m³  

Tabel 2: luchtkwaliteitswaarden, afgerond op hele waarden

Uit de monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de maximale concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 de jaargemiddelde grenswaarden niet overschrijden.

Conclusie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties gaan dalen, worden ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht.

4.5 Geurhinder en veehouderij

Toetsingskader

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten (alleen intensieve veehouderijen) en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten (alle veehouderijen).

Daarnaast moet worden beoordeeld of ter plaatse van het nieuwe geurgevoelig object sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat en mag het nieuw geurgevoelig object geen (aanvullende) beperking worden voor de omliggende veehouderijen.

De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom).

Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden). De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt.

Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Rucphen heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door de 'Geurgebiedsvisie Rucphen' op te stellen. Hierin zijn een zevental transformatiegebieden aangewezen, waar woningbouw mogelijk wordt gemaakt. De aanwezigheid van veehouderijen kan belemmeringen opleveren voor het realiseren van de woningbouwplannen. Middels de door de gemeente Rucphen opgestelde Geurgebiedsvisie wordt de mogelijkheid geboden om afwijkende geurnormen vast te stellen. Het plangebied is niet gelegen binnen een transformatiegebied.

Beoordeling en conclusie

Woningen zijn geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij. In het kader van de Wgv gelen alleen vaste afstanden. De afstanden bedragen:

100 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom;

50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

Binnen een straal van 100 meter komen op basis van de gegevens van de website van Provincie Noord-Brabant, Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven) geen veehouderijen voor. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op circa 1 km ten noorden van het plangebied. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter.

Aanvullend is, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het heersende geurniveau ter plaatse opgezocht. Hierbij is gebruik gemaakt van de door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) gemaakte geurkaart van de achtergrondbelasting. Deze kaart geeft een indicatie van de achtergrondbelasting en is bij relatief een gering aantal veehouderijen in de omgeving in dit geval voldoende.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0009.png"

Figuur 9: Uitsnede geurkaart met daarop de ligging van het plangebied met een rode cirkel aangegeven

In de voorliggende situatie is sprake van de herbestemming van een bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Zowel de agrarische bedrijfswoning als een burgerwoning zijn op basis van de Wgv een geurgevoelig object. Feitelijk vinden echter geen relevante wijzigingen plaats. Omliggende veehouderijen worden ten gevolge van de plannen derhalve niet nader beperkt in hun bedrijfsvoering.

Als nevenactiviteit bij de woonbestemming wordt een kleinschalige paardenhouderij met 6-8 paarden opgericht. Gezien deze niet bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd hoeft niet te worden beoordeeld of de paardenhouderij een belemmering is voor de woon- en leefkwaliteit van de omgeving. Volledigheidshalve wordt voor deze activiteit een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van in de omgeving gelegen woningen aangehouden. De dichtstbijzijnde woning aan de Oosteindseweg 78 ligt op een afstand van 100 meter. De paardenhouderij vormt geen belemmering voor het wooncomfort van de omliggende woonpercelen.

4.6 Externe veiligheid

Toetsingskader

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.

Beoordeling

Volgens de risicokaart bevindt het plangebied zich niet binnen risicocontouren en invloedsgebied van risicovolle inrichtingen of transportroutes. Wel loopt parallel aan de Oosteindseweg een gasleiding. Deze is gekenmerkt als leiding Z-520-11. Deze leiding is in de onderstaande tabel weergegeven. In de tabel zijn de relevante resultaten uit de risicoberekening vermeld. Voor de buisleiding is aangegeven of deze een plaatsgebonden risicocontour heeft van 10-6 per jaar en is de hoogte van het groepsrisico vermeld ten opzichte van de oriënterende waarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0010.png"

Het initiatief voorziet in de herbestemming van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woonfunctie met hobbymatige paardenhouderij, waardoor het plan zelf geen risico's voor de omgeving oplevert. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk. Door het plan vindt geen toename van het groepsrisico plaats. De bereikbaarheid blijft gelijk en ook de zelfredzaamheid van de personen blijft onveranderd, waardoor kan worden volstaan met de standaard verantwoording groepsrisico. Deze standaardadvisering is opgeleverd door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. De brief waarin deze advisering is aangeboden aan het college van de gemeente Rucphen is tevens als bijlage toegevoegd bij deze toelichting.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er personen in het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico's, ook na het treffen van maatregelen. De besproken maatregelen dragen wel bij aan het verminderen van de gevolgen die zich voordoen bij één van de beschreven scenario's.

De Veiligheidsregio is voldoende ingericht om tijdig de noodzakelijke hulpverleningscapaciteit van de beschreven scenario's te leveren. Op basis van de beschouwde scenario's en het gelijkblijvende groepsrisico acht de gemeente het voorliggende plan verantwoord. Ter plaatse van het plangebied gelden geen beperkende belemmeringen wat betreft externe veiligheid.

4.7 Water

Toetsingskader

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijstwateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

Waterschapsbeleid Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Rucphen op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 gold vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. Per 26 maart 2021 is dit gewijzigd naar 500 m².

Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen

Uit de beoordeling van de keurkaart blijkt dat de planlocatie valt in een attentie zone van Brabantse Delta, dit is ook verwerkt in het bestemmingsplan. In art. 10.1 van de regels van dit bestemmingsplan is een bepaling opgenomen ter bescherming van de waterhuishouding van gronden gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant. Voor het uitvoeren van werkzaamheden geldt een vergunningsplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.9000B0066-DEF1_0011.png"

Figuur 10: Keur kaart Brabantse Delta

Beoordeling

Voorliggend bestemmingplan voorziet in de omvorming van een agrarisch bedrijfsperceel naar een regulier woonperceel. In de huidige situatie is de locatie bebouwd met een woning en enkele agrarische schuren met een gezamenlijk oppervlak van 667m2. Daarnaast is op de locatie enkele honderd m2 erfverharding aangebracht. Met de omvorming van de het agrarisch bedrijfsperceel naar een reguliere woonfunctie worden alle agrarische opstallen gesloopt.

Daarvoor in de plaats wordt een schuur met een omvang van maximaal 400m2 herbouwd. Ook de bedrijfswoning wordt gesloopt en herbouwd. In totaliteit blijft het verharde oppervlak ten gevolge van het plan vrijwel gelijk, waardoor de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de waterhuishouding.

Op basis van de Algemene Regel is er geen verplichting tot aanleg van een retentievoorziening vanuit het waterschap Brabantse Delta. Het regenwater kan direct worden geïnfiltreerd of worden afgevoerd op het oppervlaktewater. Het perceel biedt voldoende ruimte om het afstromend regenwater ter plaatse te infiltreren. De perceeleigenaar dient dit op eigen terrein te realiseren.

Advies behandeling regenwater (RWA)

Het hemelwater dient te worden geloosd op de sloot of verwerkt te worden op eigen terrein indien de toename verhard oppervlak meer dan 500 m2 bedraagt. Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen te worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Advies behandeling vuilwater (DWA)

Het agrarisch bedrijfsperceel wordt omgevormd tot een regulier woonperceel. Het waterschap Brabantse Delta is bevoegd gezag in de behandeling van vuilwater. Aangezien de plannen niet resulteren in een wijziging in de afvalwaterproductie, zijn geen belemmeringen aanwezig.

Conclusie

Het plan leidt niet tot een toename aan verharding en heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.8 Flora en fauna

Toetsingskader

De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, namelijk een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de natuurwetgeving.

Door Veldbiologische Werken is een QuickScan Flora- en Faunawetgeving uitgevoerd. Doel van deze QuickScan is het inzichtelijk maken of beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn en welke betekenis deze hebben voor de verdere uitvoering van het initiatief. Verder wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ontwikkeling negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hier kort samengevat.

Beoordeling en conclusie 

Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, blijkt dat bij uitvoering van de ingreep mogelijk schade aan vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen, alsmede jaarrond beschermde nest, rust- en verblijfplaats van Steenuil in de schuur niet kan worden uitgesloten.

Daarnaast dient voorafgaand aan de sloop van de vervallen woning dient aanvullend onderzoek naar aanwezigheid en functioneel gebruik van deze woning door gebouwgebonden vleermuizen uit te worden gevoerd.

In algemene zin moet ook de Zorgplicht in acht worden genomen. Deze Zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven.

Voor aanvang van de werkzaamheden dient het plangebied gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedende vogels. Ook tijdens de werkzaamheden dient regelmatige controle op aanwezigheid van broedende vogels plaats te vinden. Voorkom verstoring bij aan- en afvoer van materieel. Plaats geen materiaal tegen beplanting.

Ook voor mogelijke aanwezigheid van Egel, Huisspitsmuis en Rosse woelmuis dient Zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Als deze soorten worden waargenomen dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen brengen.

4.9 Cultuurhistorie

Toetsingskader

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen (2016) biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente. Een belangrijke kwaliteit in het buitengebied wordt gevormd door de panden en elementen/gebieden met cultuurhistorische waarde. Het betreft onder meer monumenten en andere karakteristieke objecten. De cultuurhistorie zit verweven in het huidige landschap. Veel elementen zijn nog steeds terug te vinden in het landschap. Verder hebben ontwikkelingen in het landschap geleid tot cultuurhistorische elementen zoals landgebruik en cultivering van de heide. Ook elementen als kerkepaden, landschapselementen en oude laanbeplanting zijn cultuurhistorisch waardevol.

Op grond van het geldende beleid moeten gemeenten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van meet af aan aantonen op welke manier er rekening is gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische (landschaps)waarden. Bij cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang en met name in historisch landschappelijke vlakken met hoge en zeer hoge waarde zijn alleen ruimtelijke ingrepen gericht op de voortzetting of herstel van de historische functie of die leiden tot behoud of versterking van de cultuurhistorische (landschaps)waarden toegestaan. Behoud en herstel, beheer en versterking van deze cultuurhistorische waarden staat voorop.

Beoordeling en conclusie

In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Rupchen 2020'zijn in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen beschermd. De karakteristieke cultuurhistorisch waardevolle elementen als groenstructuren en vormen in het landschap zijn bijvoorbeeld bestemd als 'Groen – Landschapselement' met daaraan gekoppeld een vergunningenstelsel. De bossingel ten noorden van het plangebied is als dergelijk landschapselement bestemd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het beschermingsregime voor deze bossingel verder doorgetrokken naar het westen. Daarnaast is in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen dat de bossingel binnen het plangebied op enkele plekken wordt aangevuld met nieuw plantmateriaal.

Verder bevinden zich geen cultuurhistorische waarden in het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de haalbaarheid.

4.10 Archeologie

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro 2008) hebben gemeenten de rol gekregen van bevoegd gezag. Hiermee is de zorg voor archeologische belangen een verantwoordelijkheid van de gemeente geworden. Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is het behoud en beheer van het erfgoed geregeld in één integrale wet. De Erfgoedwet gaat per 1 januari 2023 op in de Omgevingswet. Op 18 september 2019 heeft de gemeente Rucphen de Nota Archeologie vastgesteld waarin het archeologisch beleid is opgenomen, en waarin op basis van nieuw kaartmateriaal en uitgevoerde onderzoeken het beleid is vastgesteld.

Beoordeling

Het gemeentelijk archeologiebeleid is in het geldend bestemmingsplan vertaald naar een dubbelbestemming Waarde – Archeologie, met een aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 2'. Hiermee geldt een archeologische onderzoeksplicht voor grondverstoringen met een oppervlak groter dan 100m2 en dieper dan 50cm.

Ten behoeve van de planontwikkeling, mede de bouw van een woning en een loods, zijn bodemingrepen voorzien, die de grond verstoren. Het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek is dan op termijn ook noodzakelijk. De onderzoeksplicht wordt doorgeschoven naar de fase voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen. De archeologische dubbelbestemming blijft gehandhaafd.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de planvorming. Met de voortzetting van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' en de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 2' wordt de bescherming van archeologische waarden in het bestemmingsplan geborgd.

4.11 M.e.r-beoordeling

Toetsingskader

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft.In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is.

In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is als deze de daarin genoemde grenswaarde overschrijden.

Voor activiteiten beneden de grenswaarde geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De m.e.r.-beoordelingsplicht is van toepassing zodra:

De activiteit onder één van de categorieën van activiteiten in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage valt, ongeacht de omvang van de activiteit en

Sprake is van een aangewezen besluit in kolom 4 van onderdeel D

Beoordeling

Woningbouw is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In het geval van woningbouw kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De beoogde ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt overschrijdt deze drempelwaarden niet. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Eerder oordeelde de Raad van State bij de uitspraak van 201807060/1/R1 dat de realisatie van twee eengezinswoningen in het buitengebied niet kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject.

Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van een agrarisch bedrijfsperceel inclusief bedrijfswoning naar een reguliere woonfunctie met een hobbymatige paardenhouderij. Gezien de aard en de beperkte omvang van het plan en de omgeving van het plangebied is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Conclusie

Het plan kan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. en voorziet niet in activiteiten met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het maken van een milieueffectrapport of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

Een bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De systematiek van de regels sluit aan bij de systematiek zoals deze wordt gehanteerd in de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020'. Voor het overige is de plansystematiek gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening).

5.1.1 Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee wordt ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld met andere overheden en samenwerkingspartners. Verder maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

5.1.2 Algemene toelichting planregels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten;
  • Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming onder meer bestemmingsregels, bouwregels en afwijkingsmogelijkheden;
  • Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin algemene afwijkings-, bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings- en wijzigingsregels;
  • Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin de overgangsregels en de slotregel.

5.2 Toelichting bestemmingen

Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden.

Artikel 3: Groen - Landschapselement

Om de bestaande houtwal aan de noordzijde te respecteren is deze bestemd als 'Groen-Landschapselement'. De bestemming voorziet in het behoud, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor extensief recreatief medegebruik en ondergeschikte voorzieningen. Ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassingsmaatregelen zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan is ten noorden van het perceel tevens over de gehele lengte van het kavel een bestemming 'Groen - Landschapselement' opgenomen.

Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen en/of het opslaan, storten of bergen van materialen, alsmede het gebruik van de gronden voor het grazen van dieren niet toegestaan.

Artikel 4: Wonen

De met 'wonen' bestemde gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, waarbij per bouwvlak één woning is toegestaan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen het opgenomen bouwvlak, met een maximale inhoud van 750m3. De afstand van de voorgevel van de woning tot de wegas van de openbare weg dient minimaal 15 meter te bedragen.

In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Aansluiting is gezocht bij het vigerende bestemmingsplan, waarbij ten aanzien van hoofd- en bijgebouwen de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt. Goot- en bouwhoogtes voor hoofdgebouwen zijn in het plan standaard in de regels bepaald op maximaal 5,5 c.q. 9 meter. Voor bijbehorende bouwwerken bedraagt de bouwhoogte van de bebouwing maximaal 6 meter en bedraagt de maximale goothoogte 3,5 meter.

De gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'wonen' mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van wonen indien de landschappelijke inpassingsmaatregelen zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan zijn gerealiseerd, beheerd en in stand worden gehouden.

Ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – paardenstal' specifieke bouwregels ten behoeve van het oprichten van een dierenverblijf.

Artikel 5: Leiding – Gas

De op de verbeelding tot 'Leiding – Gas' aangewezen gronden zijn, naast de primaire bestemming, mede bestemd voor de aanwezige gasleiding die bescherming behoeft. Binnen de zone van 5 meter rondom de ligging van de gasleiding is een belemmeringenzone waarbinnen geen bouwwerkzaamheden en aanlegwerkzaamheden mogen plaatsvinden zonder dat advies is verkregen van de leidingbeheerder. De leidingbeheerder beoordeelt of de veiligheid van de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en of er geen kwetsbaar object wordt toegelaten. De leidingbeheerder geeft daarmee advies over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dat daarmee wordt gegarandeerd.

Artikel 6: Waarde – Archeologie

De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van archeologische waarden.

Hierbinnen gelden de volgende gebiedsaanduidingen:

  • 'overige zone - waarde archeologie 2': bekende vindplaatsen, historische kernen, hoge verwachting voor vindplaatsen van jagers-verzamelaars.
  • 'overige zone - waarde archeologie 3': hoge verwachting en kans op resten gerelateerd aan de natte context.
  • 'overige zone - waarde archeologie 4': middelhoge verwachting.
  • 'overige zone - archeologisch monument': archeologische monumenten.

Wanneer zich een ontwikkeling voordoet met een bodemroerende activiteit die groter en dieper is dan de genoemde maten in de regels, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden om de ter plaatse aanwezige archeologische waarden inzichtelijk te maken. Dit bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan. Om deze reden heeft ten behoeve van dit bestemmingsplan geen nader archeologisch onderzoek plaatsgevonden.

Hoofdstuk 2 Algemene regels

In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende algemene regels gesteld.

Anti-dubbeltelregel

In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

Algemene bouwregels

In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden. Het gaat bijvoorbeeld om extra bouwregels voor afstand van geluidsgevoelige bebouwing tot de weg en voor ondergronds bouwen.

Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen.

Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn een aantal regelingen voor de opgelegde aanduidingen opgenomen.

  • Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone – attentiezone waterhuishouding' zijn regels opgenomen voor de bescherming tegen negatieve effecten op de waterhuishouding van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.
  • In het gehele plangebied is de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone – obstakelbeheerzone' van toepassing. Ter plaatse van deze aanduiding mag de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond niet meer bedragen dan 88 m + NAP.

Algemene afwijkingsregels

Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte en bestemmingsgrenzen. Ook is een afwijkingsregel opgenomen voor een kleinere afstand van bouwwerken tot de weg.

Algemene proceduregels

Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Overige regels

In de overige regels is een strafbepaling opgenomen ten aanzien van het niet nakomen van de voorwaardelijke verplichting voor het uitvoeren beheren en in standhouden van landschappelijke inpassingsmaatregelen zoals is opgenomen binnen art. 9.2 van de regels.

Daarnaast is bepaald dat bij nieuwe ontwikkelingen of wijzigingen voldaan moet worden aan de Nota Parkeernormen Rucphen 2017 of diens rechtsopvolger.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Rucphen en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente Rucphen derhalve een kostenneutrale ontwikkeling. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.

6.2 Juridische uitvoerbaarheid

6.2.1 Omgevingsdialoog

Naast de wettelijke procedures, besteedt de initiatiefnemer nadrukkelijk aandacht aan de communicatie met de belanghebbenden. De plannen zijn dan ook tot stand gekomen na afstemmingsmomenten waarbij hen de gelegenheid is geboden om bezwaren en suggesties naar voren te brengen. Volgens de richtlijn van de gemeente heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft de plannen kenbaar gemaakt aan de directe omgeving van de Oosteindseweg 77. De directe omgeving is op de hoogte gesteld van de plannen en er heeft geen bezwaar plaatsgevonden.

6.2.2 Procedure

Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het onderhavige bestemmingsplan aan de daarvoor in aanmerking komende instanties toegezonden. Het plan is voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant en het waterschap Brabantse delta. Beiden hebben aangegeven dat het plan hun belangen niet schaadt.

Ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf 17 november 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de termijn van terinzagelegging heeft een ieder over het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze, naar keuze schriftelijk of mondeling, naar voren kunnen brengen bij de gemeenteraad. De geboden mogelijkheid heeft geleid tot één schriftelijke zienswijze, die heeft geleid tot enkele aanpassingen van het bestemmingsplan. De zienswijze is beoordeeld in de Nota van zienswijzen zoals opgenomen in Bijlage 8.