| Plan: | Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0840.2584K0043-DEF1 |
De gemeente Rucphen (hierna: initiatiefnemer) is voornemens een bestaande onderwijslocatie aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te herontwikkelen. In 2019 heeft de gemeente Rucphen in het Integraal Huisvestingsplan een afsprakenkader omschreven vanuit de onderwijs- en opvangorganisaties binnen de gemeente. De afspraak voor basisschool de Heilinde betreft volledige, vervangende nieuwbouw. Beoogd wordt om de bestaande onderwijsgebouwen te slopen en één schoolgebouw te realiseren voor basisschool Heilinde.
Op grond van het vigerende bestemmingsplan "Kom St. Willebrord" is het niet mogelijk om het planvoornemen te realiseren. De beoogde bouwplannen zijn strijdig met de bouwvlakken, gevellijnen en de bouwhoogtes binnen het bestemmingsplan. Het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk om ter plaatse de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Het onderhavige bestemmingsplan "Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord" voorziet in de juridisch-planologische basis voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het plangebied is gelegen in de kern St. Willebrord. Binnen het stedelijk gebied van St. Willebrord valt een onderscheid in vier onderdelen te maken. Ten eerste het historische dorpscentrum rondom het Processiepark en de Onze Lieve Vrouwekerk, centraal in het stedelijke gebied. Direct ten zuiden daarvan ligt het economische centrum van het dorp. Het derde gebied vormt een schil rondom het historisch dorpscentrum en het economisch centrum. Het bestaat uit een primair woongebied dat zijn stedenbouwkundige structuur te danken heeft aan de oude agrarische verkavelingsstructuur. Tot slot zijn daaromheen, rondom de uitwaaierende voormalige landwegen, de uitbreidingsgebieden uit de tweede helft van de vorige eeuw gelegen.
Het plangebied is gelegen ten zuiden van het Processiepark, op de overgang tussen het centrumgebied en het woongebied. De ligging van het plangebied is weergegeven in de onderstaande afbeelding.
Ligging plangebied.
Het plangebied staat kadastraal bekend als de gemeente Rucphen, sectie D, percelen 7347 en 7015. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 9.356 m2. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door openbaar groen, een parkeerplaats en verkeersinfrastructuur voor fietsers en voetgangers. De Poppestraat vormt de westelijke begrenzing en betreft een eenrichtingsweg weg. Aan de zuid- en oostzijde grenst het plangebied aan het woongebied van St. Willebrord.
De begrenzing van het plangebied is weergegeven in de onderstaande afbeelding.
Begrenzing plangebied.
Toetsingskader
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Kom St. Willebrord", vastgesteld door de gemeente Rucphen op 8 maart 2023. De gronden zijn in het bestemmingsplan grotendeels bestemd tot 'Maatschappelijk'. Aan de oostzijde heeft een gedeelte van het plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening'.
Het hele plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 3'. Over het plangebied liggen daarnaast de gebiedsaanduidingen ‘luchtverkeerzone – 3’ en ‘vrijwaringszone – obstakelbeheerzone’.
Binnen het plangebied bevinden zich drie bouwvlakken met bijbehorende maatvoeringen. Deze bouwvlakken hebben tevens de functieaanduiding 'onderwijs'.
Vigerend bestemmingsplan "Kom St. Willebrord". Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2023.
Beoordeling
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs' zijn uitsluitend bestemd voor een onderwijsvoorziening en/of brede school. Het beoogde gebruik van de basisschool past binnen deze bestemmingsbeschrijving.
De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor nutsvoorzieningen. De nutsvoorziening ter plaatse blijft in de toekomstige situatie ongewijzigd. Het beoogde gebruik van de nutsvoorziening past binnen deze bestemmingsbeschrijving.
De situering van de toekomstige bebouwing van de basisschool is niet in overeenstemming met de ligging van de huidige bouwvlakken. Daarnaast zijn de maatvoeringen voor de maximale goot- en bouwhoogte ook niet toereikend voor de beoogde situatie. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is het onderhavige bestemmingsplan "Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord" opgesteld.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende planvoornemen niet direct mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan. Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt de beoogde herontwikkeling van basisschool Heilinde mogelijk gemaakt.
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied en de omgeving gegeven. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan de vigerende ruimtelijke beleidskaders. Hoofdstuk 4 gaat in op de geldende randvoorwaarden en planologisch relevante (milieu)aspecten voor het plan, waarna in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de toelichting van de bestemmingsplanregels en de verbeelding. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk gemaakt en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de resultaten van de planologische procedure.
Voor het formuleren van het beleid en het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangspunten van de huidige situatie en gewenste situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. Daarbij wordt mede ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren.
Het plangebied is gelegen in de gemeente Rucphen, een grote landelijke gemeente in het westen van de provincie Noord-Brabant. De gemeente telt 23.258 inwoners (CBS, 1 juli 2021). De gemeente bestaat uit de kernen Rucphen, Sprundel, Schrijf, Sint Willebrord en Zegge. Binnen de gemeente Rucphen zijn veel verschillen in het ruimtelijk structuurbeeld aanwezig; iedere dorpskern heeft zijn eigen karakter.
Ontstaansgeschiedenis
De geschiedenis van de dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot 1125. Het gebied tussen de Rucphense Achterhoek, de Sprundelse Luienhoek, de Ettense Hoge Donk en de Hoevense Heul werd aangeduid als 't Heike. In 1292 werd het oostelijk deel van het gebied door de Heer van Breda uitgegeven ter vervening. Na de beëindiging van de turfwinning omstreeks 1500 werden de vrijkomende gronden benut voor de landbouw. De slechtere gronden raakten begroeid met gagelstruweel en heide. Pas in 1636 werd melding gemaakt van een zekere bewoonde kern op 't Heike, waar geleidelijk meer mensen kwamen te wonen. In 1841 werd de nederzetting met circa 500 inwoners een zelfstandige parochie met de naam St. Willebrord en werd deze afgesplitst van Sprundel. Toen vervolgens de kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op tot een echt dorp. Na 1940 is St. Willebrord uitgegroeid tot het grootste kerkdorp in de gemeente Rucphen.
Bebouwingsstructuur
Kenmerkend voor de kern St. Willebrord is dat de huidige stedenbouwkundige structuur gedeeltelijk de oude verkavelingsstructuur van het agrarisch cultuurlandschap weerspiegelt. Bij de naoorlogse uitbreiding van het dorp is de bebouwing langs bestaande (land)wegen geplaatst en heeft uitbreiding voor een belangrijk deel kavelsgewijs plaatsgevonden. Het Processiepark van de Onze Lieve Vrouwekerk vormt het ruimtelijke centrum van het dorp. Het onderhavige plangebied is gelegen op ongeveer 50 meter ten zuiden van het Processiepark.
In de bestaande situatie is binnen het plangebied sprake van maatschappelijk grondgebruik door de basisschool Heilinde. Binnen het plangebied staan drie gebouwen die allemaal in gebruik zijn door de basisschool Heilinde. Zoals te zien is op de onderstaande afbeelding is er tevens een gymzaal binnen het plangebied gesitueerd. Het huidige bebouwd oppervlakte is 3.380 m2. De ordening van de onder-, midden- en bovenbouw is momenteel gescheiden tussen de verschillende gebouwen:
Op het terrein zijn tevens speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en een overdekte fietsenstalling aanwezig. Op de navolgende afbeeldingen zijn impressies van de huidige situatie weergegeven.
Huidige situatie. Bron: de architectenwerkgroep tilburg, 06-06-2023
Huidige bebouwing plangebied. Bron: Blom Ecologie 2022.
Ten behoeve van het onderwijsbeleid op gemeentelijk niveau is voor de gemeente Rucphen een prognose opgesteld van leerlingen aantallen voor de periode van 2023 tot 2043. De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de belangrijkste resultaten.
Leerling aantallen. Bron: Leerlingen prognose en ruimtebehoefte basisonderwijs 2023, gemeente Rucphen, Pronexus, mei 2023.
Zoals te zien is in de bovenstaande tabel blijven de leerlingenaantallen binnen de gemeente Rucphen nagenoeg gelijkt in de periode van 2022 tot 2043. Er bestaat dus geen behoefte aan een uitbreiding van de basisschool Heilinde.
De aanleiding voor de beoogde ontwikkeling betreft de zeer verouderde bebouwing van de basisschool. Daarnaast zijn de gebouwen van de basisschool verspreid over het plangebied. Dit zorgt voor een onsamenhangend geheel. In het Integraal Huisvestingsplan van de gemeente Rucphen is besloten om de huidige bebouwing te slopen en een nieuw schoolgebouw te realiseren.
In de beoogde situatie is sprake van één schoolgebouw met een totale bruto vloeroppervlakte van circa 2.997 m2 en twee bouwlagen. Het gebouw heeft een gemengd ruimteprogramma. Het functioneel nuttig vloeroppervlak bevat ruimten zoals; onderwijsruimten, ruimte voor personeel en algemene ruimte. In het ruimteprogramma is eveneens een gymzaal opgenomen.
De 24 groepsruimten zijn verdeeld over drie bouwdelen, de onder-, midden- en bovenbouw. Hierbij is een verdeling gemaakt die is gebaseerd op de huidige leerlingen populatie. Bij een toekomstige verschuiving van het aantal kinderen in de diverse leerjaren dienen de groepsruimten flexibel mee te kunnen bewegen. Ook worden er 2 overlooplokalen en 1 speellokaal gerealiseerd. Het totaal aantal onderwijsruimten betreft dus 27. Daarnaast maakt de buitenschoolse opvang ook gebruik van een aantal ruimten binnen het schoolgebouw voor hun voor- en naschoolse activiteiten.
De buitenruimte van het plangebied is natuurlijk, uitdagend en ontdekkend ingericht. Naast speeltoestellen worden ook natuurlijke elementen gebruikt om de creativiteit van het spel van de kinderen te prikkelen. Daarnaast zal er een (gras)veldje of kooi worden gerealiseerd die flexibel is in te zetten voor diverse sportieve activiteiten. De buitenruimte van Heilinde wordt voorzien van veel groen. Hierbij houdt het ontwerp rekening met duurzaamheid, onderhoud- en schoonmaakvriendelijkheid. Het terrein zal worden gebruikt om te pauzeren en spelen, maar kan ook worden ingezet voor onderwijsdoeleinden in de vorm van moestuinen en het buitenlokaal.
Beoogde situatie. Bron: de architectenwerkgroep tilburg, 07-09-2023
Aanzicht noord. Bron: de architectenwerkgroep tilburg, 08-06-2023
Impressie beoogde situatie. Bron: de architectenwerkgroep tilburg, 07-09-2023
Daarnaast wordt, op termijn, de locatie van de Maria Gorettischool herontwikkeld. Ten behoeve van deze ontwikkeling zal het gebouw gesloopt worden. In de huidige situatie is de aard en omvang van deze ontwikkeling niet bekend. Deze ontwikkeling zal derhalve met een aparte juridische regeling mogelijk worden gemaakt.
Toetsingskader
Met de inwerkingtreding van de "Reparatiewet BZK" op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid.
Beoordeling
Door de gemeente Rucphen zijn in de ‘Nota Parkeernormen 2017 Rucphen’ (d.d. 31-5-2017) parkeernormen gesteld waarbij zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de parkeernormen zoals die zijn gesteld in de destijds geldende publicaties van het CROW. De Nota Parkeernormen Rucphen 2017 onderscheidt parkeernormen voor het gebied ‘Centrum’, ‘Overige bebouwde kom’ en ‘Buitengebied’. Blijkens de nota geldt dat voor het centrum gebied van St. Willebrord (waar het plangebied toe zal gaan behoren); aan wordt gesloten bij de parkeernormen zoals deze gelden voor het gebied 'Centrum. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende parkeernormen van toepassing:
Parkeernormen en verkeersgeneratie voor basisonderwijs (per leslokaal). Bron: Nota Parkeernormen 2017 van de gemeente Rucphen.
Op basis van het programma en de bovenstaande parkeernormen zijn voor het plan 27 x 0,75 = 20,25 parkeerplaatsen benodigd.
In de huidige situatie wordt gebruik gemaakt van de parkeerplaatsen die grenzen aan de noordzijde en westzijde van het plangebied. Het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte van de basisschool veranderd in de toekomstige situatie nagenoeg niet. Daarnaast blijkt uit de leerlingprognose en de ruimtebehoefte van het basisonderwijs dat de leerlingaantallen in de periode van 2022 tot 2043 nagenoeg gelijk blijft. De parkeerbehoefte wijzigt dus ook niet.
Het voorliggend plan heeft geen wijzigingen van het aantal parkeerplaatsen beoogd. Op basis van het voorgaande kan worden aangenomen dat het plan wordt voorzien van voldoende parkeerplaatsen.
Fiets parkeren wordt wel opgelost op het eigen terrein. Voor de medewerkers wordt een overdekte afsluitbare rijwielstalling gerealiseerd. Voor de leerlingen worden rijwielstalplaatsen nabij de entrees geplaatst. In de situatietekening in paragraaf 2.5 is de situering van de rijwielstalplaatsen te zien.
Conclusie
De ruimtebehoefte en de leerlingaantallen blijven in de periode van 2022 tot 2043 nagenoeg gelijk. De parkeerplaatsen worden niet gewijzigd. Geconcludeerd kan worden dat het plan wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Toetsingskader
De toelichting van het bestemmingsplan moet ingaan op verkeer. Van belang is te beseffen dat alleen ruimtelijk relevante verkeersaspecten moeten worden beoordeeld. Dit is niet de inrichting van de weg. Dit is een civiel aspect dat de gemeente via het 'Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan Rucphen 2023-2033' heeft geregeld. Een aspect ten aanzien van verkeer, dat wel moet wel beoordeeld is de verkeersintensiteit. Dit wordt gedaan aan de hand van de CROW-normen zoals vermeld in de kencijfers uit ‘Toekomstbestendig parkeren’ uit publicatie 381. Een tweede ruimtelijk relevant verkeersaspect is de afwikkeling van het (gemotoriseerd) verkeer.
Beoordeling
De grootste parkeer- en verkeersdruk bij basisscholen ontstaat door het halen en brengen van kinderen. De hoeveelheid auto’s die hiermee gemoeid is, is mede afhankelijk van de grootte van de school (aantal kinderen), hoeveel kinderen begeleid naar school komen, hoeveel kinderen met de auto worden gebracht, hoeveel kinderen er overblijven en vooral de signatuur van de school (openbaar of bijzonder, algemeen of speciaal). Kortom te veel invloedsfactoren om in een overzichtelijke tabel of tool uit te werken. Hiervoor is lokaal maatwerk noodzakelijk. Vandaar dat voor deze categorie geen verkeersgeneratiecijfers zijn opgenomen in de publicaties van de CROW.
Het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte van de basisschool veranderd in de toekomstige situatie nagenoeg niet. Daarnaast blijkt uit de leerlingprognose en de ruimtebehoefte van het basisonderwijs dat de leerlingaantallen in de periode van 2022 tot 2043 nagenoeg gelijk blijft. De herontwikkeling zorgt dus niet voor een noemenswaardige toe- of afname van de totale verkeersgeneratie.
|
| Verkeersintensiteiten in de omgeving van het plangebied. Bron: De Roever Omgevingsadvies, september 2023. |
Voor de bepaling van het aantal verkeersbewegingen voor een school met 560 leerlingen ,zoals blijkt uit de demografische prognose voor de Heilinde voor de komende 20 jaar, is gebruik gemaakt van een rekenvoorbeeld in paragraaf 4.3 'Rekenvoorbeeld' uit CROW publicatie 182 'parkeerkencijfers-basis voor parkeernormering'. Dit rekenvoorbeeld is gemaakt voor haal- en brengmomenten bij basisscholen en kinderdagverblijven.
Voor groepen 1 t/m 3 geldt 'aantal leerlingen x 45 % leerlingen met auto x 0,75.
voor groepen 4 t/m 8 geldt 'aantal leerlingen x 25 % leerlingen met auto x 0,85
Het percentageverschil dat het CROW kiest voor de groepen 1 t/m 3 dat met de auto gebracht wordt is te verklaren doordat kinderen in groep 1 t/m 3 meestal nog niet zelfstandig naar school kunnen. Het tweede getal is de reductiefactor is voor het aantal kinderen per auto. Soms worden er namelijk 2 of meer kinderen vervoerd met de auto.
Aangenomen is dat per groep ongeveer evenveel leerlingen zitten. Dat maakt dat in de groepen 1 t/m 3 3/8e (210) van het aantal leerlingen zit en in de groepen 4 t/m 8 is dat 5/8e (350) van het totaal.
Dat maakt de volgende verkeersgeneratie:
| aantal leerlingen | percentage met auto | correctie meerdere kinderen per auto | verkeersgeneratie per haal/breng- moment | |
| Groepen 1 t/m 3 | 210 | 45% | 0,75 | 71 |
| Groepen 4 t/m 8 | 350 | 25% | 0,85 | 74 |
| Totaal | 560 | --- | --- | 145 |
Kinderen worden gehaald en gebracht, wat een verkeersgeneratie per etmaal geeft van 290 motorvoertuigbewegingen.
Basisschool de Heilinde wordt ontsloten door bestaande infrastructuur via de Pastoor Bastiaansensingel, de Poppestraat en de Vijverstraat. De gemeten verkeersintensiteiten aan de Vijverstraat bedraagt 2.686 mvt/etmaal, Pastoor Pastiaansensingel 2.525 mvt/etmaal en Poppestraat 1.112 mvt/etmaal. Deze intensiteiten blijven dus gelijk met het initiatief, omdat de herbouw van de school een autonome ontwikkeling is.
Daaraan moet worden toegevoegd dat de omliggende wegen geschikt zijn voor de verwerking van die intensiteiten. Een erftoegangsweg als de Poppestraat kan 3.000 mvt/etmaal verwerken. Een erftoegangsweg als de Pastoor Bastiaansensingel kan 3.000 mvt/etmaal verwerken.
Conclusie
Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie geen belemmering vormt voor het onderhavige planvoornemen.
De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.
Toetsingskader
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.
De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes, want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Beoordeling
De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden, zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk is. Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt.
Conclusie
Het planvoornemen is niet in strijd met de Nationale Omgevingsvisie van het Rijk.
Toetsingskader
Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Beoordeling
Het onderhavige plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen. In het radarverstoringsgebied is een maximale bouwhoogte toegestaan van 90 meter ten opzichte van het NAP. Aangezien met het planvoornemen geen bebouwing met een dergelijke hoogte mogelijk wordt gemaakt vormt de ligging van het plangebied in het radarverstoringsgebied geen belemmering.
Ligging van het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen. Met de rode ster wordt het plangebied aangeduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl; 2023.
Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plan geen regels uit het Barro en de Rarro van toepassing, aangezien er bij onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.
Toetsingskader
Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de 'ladder voor duurzame verstedelijking' als een 'open norm' is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde 'overzichtsuitspraak' gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' concreet worden toegepast.
Beoordeling
Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de 'ladder' verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de 'ladder' niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden voldaan.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Een maatschappelijke functie zoals een school wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.
Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan.
Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.
De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor toename van het ruimtebeslag van meer dan 500 m2. Daarnaast zijn in de huidige situatie de gebouwen op deze onderwijslocatie verspreidt over het plangebied. Onderhavige ontwikkeling zorgt voor een clustering van deze gebouwen, met één samenhangend geheel tot gevolg. Daarnaast blijft het gebruik van het plangebied gelijk.
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' behoeft niet te worden doorlopen.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet aan te merken is als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Het initiatief past daarmee binnen de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Toetsingskader
De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis, het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014, vastgesteld op 7 februari 2014 en in werking op 19 maart 2014.
De, met de partiële herziening ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn relevant voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol. De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw stedelijk ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.
Beoordeling
Het plangebied is in de SVRO gelegen binnen de stedelijke structuur; aangeduid als 'Kernen in het landelijk gebied'. Op de gronden die aangewezen zijn als kern in het landelijk gebied wordt voorzien in de lokale behoefte voor verstedelijking inzake wonen, werken en voorzieningen. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma. In de kernen in het landelijk gebied worden woningen gebouwd voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van 'migratiesaldo – nul'. De provincie legt de nadruk op zorgvuldig ruimtegebruik waarbij de provincie de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag wil afremmen. Dit betekent dat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal staat. Het accent ligt dan ook op inbreiden en herstructureren.
Uitsnede uit de structurenkaart van de SVRO - partiële herziening 2014. De locatie van het plangebied is met de rode punt geduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl; 2023.
Met voorliggend planvoornemen wordt de basisschool geherstructureerd binnen de stedelijke structuur van de kern St. Willebrord.
Conclusie
Voorliggend initiatief is passend binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening - partiële herziening 2014 van de provincie Noord-Brabant.
Toetsingskader
De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden.
In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
Beoordeling
Met de Omgevingsvisie Noord-Brabant kiest de provincie ervoor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Hiermee kiest de provincie een blikveld dat enigszins boven het huidige initiatief uit stijgt. Het voorliggend initiatief is passend in de omgeving en zorgt voor een kwalitatieve verbetering van het bestaand stedelijk gebied van St. Willebrord. Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant aandacht voor de nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur. Dit draagt bij aan de gezondheid, nodigt uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen. De locatie van de basisschool Heilinde past goed bij deze doelstelling van de provincie. Het voorliggend initiatief zorgt voor de continuïteit van de basisschool. Daarnaast zorgt de nabijheid van voorzieningen voor het beperken van (auto)mobiliteit). Dit past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
Conclusie
Het voornemen past binnen de kernwaarden zoals door de provincie Noord-Brabant zijn geformuleerd in haar Omgevingsvisie.
Toetsingskader
In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma's en waarden worden beschermd via een voorheen bestaande omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Op 1 oktober 2022 is een geconsolideerde versie gepubliceerd. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2024 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant.
Beoordeling
Voorliggend plangebied is binnen de Omgevingsverordening gelegen binnen het 'Stedelijk gebied'. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het 'Stedelijk gebied'. Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit uit paragraaf 3.1.2. De toetsing wordt hierna uitgevoerd.
Uitsnede kaartbeeld stedelijke ontwikkeling van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De locatie van het plangebied is aangeduid met de rode marker. Bron: ruimtelijkeplannen.nl; 2023.
Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling
Toetsingskader
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat de onderbouwing dat:
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Beoordeling
Onderhavige ontwikkeling betreft een planologische wijziging om de beoogde nieuwbouwplannen van een bestaande basisschool mogelijk te maken. De realisatie van voorzieningen is toegestaan in het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov, mits passend regionale afspraken.
Uit de leerlingenprognose (zie Hoofdstuk 2) blijkt dat de leerlingenaantallen leerlingaantallen binnen de gemeente Rucphen nagenoeg gelijk in de periode van 2022 tot 2043. De leerlingprognose voor de basisschool Heilinde blijft nagenoeg gelijk. De nieuwbouw wordt gerealiseerd voor 556 leerlingen en is toekomstbestendig voor de beoogde prognose van de leerlingaantallen op de basisschool Heilinde. Het plan past daarmee binnen de regionale afspraken.
Onderhavige ontwikkeling betreft voorts een 'duurzame stedelijke ontwikkeling'. Het planvoornemen bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruik te maken van een bestaand bebouwde locatie en het transformeren van een verouderd stedelijk gebied. In de huidige situatie is de bebouwing van de onderwijslocatie verspreidt over het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van één onderwijsgebouw, met één samenhangend geheel tot gevolg. Daarnaast wordt de buitenruimte duurzaam ingericht. Naast de speeltoestellen worden natuurlijke elementen gebruikt voor een groene uitstraling om de creativiteit in het spel van de kinderen te prikkelen. Er is veel ruimte voor groen op het terrein waarbij natuurlijke materialen toegepast worden. Tot slot worden op het dak van de school zonnepanelen gerealiseerd voor de productie van duurzame energie.
Conclusie
Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov.
Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
Toetsingskader
In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:
Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik:
Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering:
Ad c) - meerwaarderecreatie:
Beoordeling
Voorwaarden ad a:
Voorwaarden ad b:
Voorwaarden ad c:
Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan meerwaardecreatie door nauw samen te werken met andere onderwijsfuncties nabij de Heilinde. Voor de nieuwbouw van de basisschool wordt nauwe samenwerking gezocht met Kober Kinderopvang, locatie Dolfijn. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een gezamelijk proces opgestart om tot het Ruimtelijk-functioneel Programma van Eisen te komen. Hoewel Dol-fijn en Heilinde afzonderlijke organisaties blijven wordt de samenwerking in de nieuwbouw versterkt. Het gebouw maakt korte lijnen mogelijk. Daarnaast maakt de BSO gebruik van verschillende ruimten in het centrale hart van de school en de teams kennen elkaar als goede buren. Naast de speeltoestellen worden natuurlijke elementen gebruikt voor een groene uitstraling om de creativiteit in het spel van de kinderen te prikkelen. Er is veel ruimte voor groen op het terrein waarbij natuurlijke materialen toegepast worden.
Conclusie
Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit.
Toetsingskader
In de toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030', vastgesteld op 23 september 2015, worden de maatschappelijke opgaven van de gemeente voor de komende jaren benoemd. De toekomstvisie bouwt voort op bestaand beleid en is geen aanleiding geweest tot een inhoudelijke koerswijziging. Wel zijn de perspectieven op deelterreinen en de onderlinge dwarsverbanden verder versterkt, zodat de inzet van de gemeente effectiever kan zijn. De toekomstvisie is opgesteld in intensieve samenspraak met bewoners, ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties.
Radicaal anders wordt de rol van de overheid en de invulling van regionale samenwerking: van burgerparticipatie naar overheidsparticipatie, en van samenwerking omdat 't moet, naar samenwerking omdat 't loont. De inhoudelijke en bestuurlijke keuzes zijn uitgewerkt in de volgende perspectieven:
De gemeente Rucphen wil haar aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag rustig en landelijk willen wonen, maar wel dichtbij (groot)stedelijke voorzieningen en werk. De gemeente Rucphen handelt vanuit de overtuiging dat de meeste inwoners goed in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun huidige en toekomstige woon- en leefsituatie. Meegroeien met de samenleving is het uitgangspunt. Zelf bouwen zit in de genen van de inwoners van de gemeente. (Collectief) particulier opdrachtgeverschap wordt dan ook gestimuleerd. Aandachtspunten bij (zelf)realisatie zijn groene inpassing, duurzaamheid (isolatie/energie) en levensloopbestendigheid.
Beoordeling
Onderhavige ontwikkeling betreft het realiseren van een nieuw schoolgebouw ten behoeve van de basisschool Heilinde. Hierbij is vooral perspectief 1 van belang. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verbetering en verduurzaming van het huidige voorzieningenniveau in St. Willebrord. De ontwikkeling komt de behoefte van de basisschool tegemoet, wat van belang is voor een evenwichtige bevolkingssamenstelling en vitale gemeenschappen.
Conclusie
Voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de toekomstvisie Puur Rucphen 2030.
Toetsingskader
Op 11 december 2013 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Rucphen 2030 vastgesteld. Met de nieuwe visie wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De visie betreft een herijking van de StructuurvisiePlus van 2003. Het plangebied is aangewezen als een gebied waar het versterken van de uitstraling van de dorpskern een belangrijke opgave is. Gewenst is om de relatie van de kernen met het buitengebied te herstellen door het terugbrengen van het groen: groene dooradering, een groen hart en groene randen. Ook wordt de woningvoorraad afgestemd op de wensen van de bewoners.
De opgave is breed: onder andere voldoende betaalbare (starters)woningen, voldoende geschikte woningen voor ouderen, kavels voor eigen bouw en landgoedwonen. De voorkeur van de gemeente Rucphen gaat uit naar het invullen van deze woningbouwbehoefte via inbreiding en nieuwe bouwlocaties aan de randen van de bestaande kernen. Voor Zegge is een dorpsontwikkelingsplan gemaakt, waarin wordt ingezet op het versterken van de leefbaarheid.
Beoordeling
Volgens de visiekaart is het plangebied gelegen in het gebied 'Versterken uitstraling dorpskernen'. In het gebied 'versterken uitstraling dorpskernen' is het uitgangspunt dat versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk is om zo de woonkwaliteit en de recreatieve aantrekkelijkheid van de gemeente te vergroten.
Onderhavige ontwikkeling zorgt voor een positieve impuls voor de uitstraling van de kern St. Willebrord. Verouderde bebouwing, wat momenteel verspreid over het perceel staat, wordt gesloopt om ruimte te maken voor één onderwijsgebouw ten behoeve van de basisschool Heilinde.
Visiekaart Structuurvisie Rucphen 2030.
Conclusie
Het voorgenomen plan voldoet aan de geformuleerde uitgangspunten uit de Structuurvisie.
De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap.
Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaatadaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal.
Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang. Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstructuurplan gemeente Rucphen 2009).
Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen. Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn:
In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daar van te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren. De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn.
Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente. Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten.
Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen. Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier.
De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen.
Het plangebied wordt ontsloten via de Pastoor Bastiaansensingel en de Poppestraat. Deze wegen zijn aangemerkt als 'Hoofdstructuur bomen'. Daarnaast is aan de noordzijde van het plangebied een strook gesitueerd die behoort tot de 'Basis groenstructur'. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze structuren. Het groenstructuurplan heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom. Daarnaast worden op het speelplein diverse groen elementen gerealiseerd en is derhalve van meerwaarde voor de groenstructuur van St. Willebrord.
Groenstructuurkaart kern Sint Willebrord, Groenbeleidsplan Groen R. Het plangebied is aangeduid met een rode ster.
De gemeente Rucphen streeft de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het bomenbestand. De aspecten gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde zijn de drie bepalende pijlers.
Het behouden en versterken van de boomstructuur, het vergroten van de biodiversiteit en klimaatadaptief maken van de gemeente zijn daarbij uitgangspunt. Door het benoemen van de essentiële groenstructuur van de dorpen kan gericht worden gewerkt aan het groene geraamte. Dit wordt tevens bereikt door het stellen van heldere inrichtings- en beheereisen. De gemeente Rucphen is zich als groene gemeente bewust van het belang van een goede biodiversiteit. Waarbij we inzetten op goede robuuste en fijnmazige netwerken, een duidelijke en passende soortkeuze en het stimuleren van milieu- en natuureducatie.
Het draait bij de waardering van de bomen over de beleving door de gebruikers. Van de Rucphense Bossen tot de kleine landschapselementen in het buitengebied en van de bomenlanen tot de bomen in de woonstraten binnen de dorpen. Met een bomenbestand van circa 14.000 bomen is er gemiddeld 0,6 boom per inwoner, dat is vergelijkbaar met het landelijke gemiddelde van 0,5 boom per inwoner. Een groot aantal van de bomen binnen de gemeente is aangewezen als waardevol, deze bomen zijn opgenomen op de groene kaart. Ze dragen op een bijzondere manier bij aan de groene uitstraling van de gemeente.
Het plangebied is gelegen aan de Pastoor Bastiaansensingel en de Poppestraat. Deze straten zijn aangemerkt als 'Hoofdstructuur' en 'Nevenstructuur'. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op groenstructuren in de omgeving van het plangebied. Het boombeleid heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom. Daarnaast worden op het speelplein diverse groen elementen gerealiseerd en is derhalve van meerwaarde voor de groenstructuur van St. Willebrord.
Uitsnede Boombeleid kaart. Het plangebied is aangeduid met de rode ster.
Toetsingskader
De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030' vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken.
Beoordeling en conclusie
In onderhavige ontwikkeling worden diverse duurzaamheidsaspecten geïntegreerd in het plan. In de huidige situatie is nagenoeg het gehele speelterrein verhard, waarbij weinig groen aanwezig is. In de buitenruimte van de voorgenomen ontwikkeling worden natuurlijke elementen gebruikt voor een groene uitstraling van het speelterrein. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor groen en water binnen het plangebied. In het ontwerp van de buitenruimte wordt rekening gehouden met duurzaamheid, onderhoud- en schoonmaakvriendelijkheid.
Daarnaast betreft een van de randvoorwaarden dat het gebouw duurzaam moet presteren. Dit impliceert dat de focus niet alleen het bouwproces is, maar juist het totaal van bouwproces en volledige gebruikscyclus. Want juist in de gebruikscyclus bewijst de duurzame huisvestingsoplossing haar meerwaarde.
Eventuele duurzame maatregelen dienen breed beoordeeld te worden teneinde te voorkomen dat een ogenschijnlijk duurzame maatregel op een ander niveau contraproductieve effecten heeft. Als voorbeelden van relevante aspecten kunnen hierbij genoemd worden de inhoud en de vorm van het onderwijs, de arbeidsomstandigheden en de werkomgeving, de aantrekkingskracht van de instelling, de toegankelijkheid van faciliteiten en organisatie en het gebouw.
Daarnaast worden op het dak van het gebouw zonnepanelen gerealiseerd voor opwekking van duurzame energie.
Gezien het voorgaande voldoet de ontwikkeling aan de Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen.
Toetsingskader
In het Integraal Huisvestingsplan van de gemeente Rucphen is een afsprakenkader omschreven die is opgesteld vanuit de onderwijs- en opvangorganisaties en de gemeente. Daarnaast zijn scenariokaarten gemaakt waarop de oplossingsrichtingen per school/kern zijn omschreven. De gemeente Rucphen bestaat uit vijf kernen. Momenteel zijn in iedere kern één of meerder onderwijs- en opvangvoorziening(en) aanwezig. Hoe groot of klein de kern ook is, de ambitie van onderwijs- en opvangorganisaties en de gemeente Rucphen is om een doorgaande leerlijn van 0 tot 18 jaar te bieden.
De komende jaren laat de leerlingprognose voor de gemeente Rucphen een vrij stabiel beeld zien. In enkele kernen is sprake van een lichte daling, maar een grote krimp of aanzienlijke groei is niet aan de orde. In het IHP wordt een vijftal scenario's voor gebouwen onderscheiden:
Beoordeling en conclusie
Voor de IKC Heilinde, Sint Willebrord is scenario 1 'vervangende nieuwbouw' van toepassing. Voor nieuwbouw geldt vanaf 2020 aangescherpte wet- en regelgeving omtrent de kwaliteit van schoolgebouwen en daarbij duurzaamheid in het bijzonder. Het Bouwbesluit en vigerende wet- en regelgeving is altijd van kracht.
De beoogde ontwikkeling betreft volledige sloop en nieuwbouw. Het planvoornemen wordt gerealiseerd conform de gestelde ambities en eisen in het Integraal Huisvestingsplan van de gemeente Rucphen.
Onderhavig initiatief is daarmee passend binnen het Integraal Huisvestingsplan gemeente Rucphen.
Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro
Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten.
Toetsingskader
Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
Beoordeling
Door Econsultancy is in september 2023 een bodemonderzoek afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 1 gevoegd bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten behandeld.
Het veldwerk is op 11 en 18 augustus 2023 uitgevoerd. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor 20 boringen geplaatst; 13 boringen tot maximaal 1,0 m -mv, 5 boringen tot 2,0 m -mv en 2 boring tot maximaal 4,2 m -mv. Deze diepe boringen zijn afgewerkt als peilbuis, teneinde de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater te kunnen bepalen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform protocol 2001 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn.
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bodem is bovendien plaatselijk zwak humeus. De bovengrond is sporadisch zwak baksteenhoudend of sporadisch matig baksteenhoudend en zwak betonhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen.
Op basis van de onderzoeksresultaten is geen 'onderzoek asbest in bodem/puin' noodzakelijk. In een zintuiglijk schoon mengmonster van de bovengrond is een matige PAK verontreiniging aangetoond. De bovengrond is verder plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.
Nader onderzoek naar de PAK-verontreiniging kan door het desbetreffende mengmonster uit te splitsen door het naboren van de (originele) boringen. Vervolgens moeten deze 10 monsters separaat geanalyseerd worden op de aanwezigheid van PAK om tot een duidelijker beeld te komen ten aanzien van de nu aangetroffen concentratie Pak over dit gedeelte van het terrein.
Voor de aangetoonde lichte verontreinigingen bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw.
Conclusie
De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.
Toetsingskader
In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het wadtersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.
Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta
Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid.
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keuren en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Uniformering keuren
De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.
In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:
Benodigde retentiecapaciteit ( in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06
Uitsnede van de Keurkaart van het waterschap Brabantse Delta waarop het plangebied is aangeduid met een rode ster. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2023.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022
De gemeente Rucphen heeft samen met het Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 opgesteld. De term verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Hierbij is er voor de gemeente sprake van drie zorgplichten:
De gemeente dient zorg te dragen voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. De uitvoering van werkzaamheden wordt intern integraal afgestemd en bij voorkeur gecombineerd met wegbeheer en reconstructie van de openbare ruimte zodat kosteneffectief 'werk-met-werk' gemaakt kan worden.
Voorgesteld wordt om te kiezen voor risico gestuurd rioolbeheer. Hiermee kan naar verwachting voldoende invulling worden gegeven aan de gemeentelijke zorgplicht en kan de stijging van de rioolheffing op een aanvaardbaar niveau worden gehouden, conform de ambities van de betrokken overheidsinstanties.
Beoordeling
Uit de kaarten behorend bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gebied dat volgt uit de Keur. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied.
Oppervlaktewater
In de onderstaande figuur is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven. Nabij het plangebied bevinden zich geen vastgestelde oppervlaktewaterlichamen.
Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Brabantse Delta
Hemelwater
De beoogde bebouwings is voorzien op gronden die momenteel reeds bebouwd en in gebruik zijn ten behoeve van de basisschool Heilinde. Het plangebied is nagenoeg volledig verhard en zal in de toekomstige situatie niet toenemen met meer dan 500 m2. Waardoor de aanleg van retentievoorzieningen niet noodzakelijk is.
In zijn algemeenheid is het voor de waterhuishouding in nieuwe projecten de realisatie van een duurzaam gescheiden systeem uitgangspunt. Om water in de planuitwerking expleciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te nemen en hemelwater op een duurzame wijze te verwerken (hydrologisch neutraal) wordt geadviseerd om in het ontwerp niet te veel verharding aan te brengen en zo min mogelijk hemelwater uit het plangebied af te voeren.
De gemeente Rucphen heeft een stresstest laten uitvoeren bij een regenbui van ééns in de 100 jaar, zie Bijlage 2. Uit de hydraulische berekening van de huidige situatie blijkt dat er ter hoogte van erfgrens van de Dahliastraat 24A met de basisschool water-op-straat wordt berekend. Het gaat hierbij om plassen met een maximale diepte van 0,18 m. Dit is te wijten aan de plaatselijke laagte die zich op deze locatie bevindt. Door het toepassen van de voorgenomen peilen neemt de hoeveelheid water-op-straat in de achtertuin niet toe. Op het terrein van de school is het berekende water-op-straat nagenoeg verdwenen, doordat er lager gelegen groenvakken zijn gesitueerd. Dat resulteert aan deze kant van de school in maximaal 0,02 m water-op-straat en 0,08 m water in de plantvakken. Ter hoogte van de bestaande basisschool aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 wordt het hemelwater oppervlakkig afgevoerd richting het parkeerterrein aan de voorzijde van de Smidsstraat 35. In de toekomstige situatie is er bij de voorgenomen peilen een te verwaarlozen toename van de hoeveelheid hemelwater dat afvoert richting de Smidsstraat 35. Indien de infiltratiecapaciteit onvoldoende blijkt te zijn, kan ten behoeve van de lediging drainage aangelegd worden richting het oppervlaktewater parallel aan de Pastoor Bastiaansensingel.
De buitenruimte van het plangebied wordt natuurlijk, uitdagend en ontdekkend ingericht voor de leerlingen. Hierdoor ontstaan ook veel mogelijkheden om in het ontwerp rekening te houden met de waterhuishouding. Door veel groen op te nemen in het ontwerp en door met hoogteverschillen te werken kan tijdens zware regenbuiten tijdelijk water worden vastgehouden in de onderverharde lager gelegen delen. In deze delen kan het (regen)water geleidelijk infiltreren in de bodem. Afstroming van helemwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen.
Het hemelwater van de weg en parkeerplaatsen kan worden geborgen in of onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering. Dergelijke systemen worden vaak toegepast in gebieden waar de infiltratiemogelijkheden beperkt zijn of waar sprake is van een hoge grondwaterstand. Voor de bestratingselementen en funderingslaag kunnen verschillende materialen worden toegepast zoals lava, (drain)zand, waterdoorlatende bestrating en/of bergende bestratingselementen. Het vullen van het systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, waterdoorlatende verhardingsconstructies (steen of voeg), permeoblokken en/of lijn,- molgoten.
Daarnaast wordt in de huidige situatie gebruik gemaakt van retentievoorzieningen in de omgeving van het plangebied. Het verharde oppervlakte binnen het plangebied neemt niet toe. Deze retentievoorzieningen zullen dus ook in de toekomstige situatie voldoende capiteit hebben voor de waterhuishouding. Tevens wordt door de groene invulling van het plangebied het water vetraagd afgevoerd richting de retentievoorziening.
Er is een afname van het verhard oppervlak. In dat geval is er geen sprake van een bergingsopgave op basis van een bergingseis van 60 mm. Dat neemt niet weg dat de nieuwbouw van de school de uitgelezen kans is om toch berging op het terrein te realiseren. Dat zou bijvoorbeeld gedaan kunnen worden door middel van het toepassen van sedumdaken op de platte daken van de nieuwbouw. Door het toepassen van sedumdaken kan een berging van ca. 25 L/m² (25 mm) gerealiseerd worden. Uiteraard dient onderzocht te worden of de constructie van het ontwerp van het gebouw geschikt is om dergelijke sedumdaken toe te passen.
Afvalwater
Als gevolg van de ontwikkeling wijzigt het aanbod vuilwater niet. Volgens de prognose (zoals beschreven in Hoofdstuk 2) blijft het aantal leerlingen nagenoeg gelijk. Het toekomstige vuilwater kan daarom worden aangeboden aan de bestaande gemeentelijke riolering.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd.
Toetsingskader
In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie Noord-Brabant
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is geduid met een blauwe contour.
Beleid gemeente
De provincie Noord-Brabant gaat ervan uit dat de informatie afkomstig uit de kaartlaag 'overige cultuurhistorische waarden: informatie van CHW 2006' op gemeentelijk niveau wordt geactualiseerd en waar nodig geacht beschermd. De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen, vastgesteld in 2010, biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Rucphen.
Uitsnede van de cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen. Plangebied is aangeduid met de rode ster.
Beoordeling
Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio.
Voor het overige is het plangebied gelegen binnen een gebied met historische stedenbouw en staat aangeduid als 'Sint Willebrord' met een 'redelijk hoge' waarde. De Pastoor Bastiaansensingel en de Poppestraat zijn betreffen straten die in het kader van de historische geografie een 'redelijk hoge' waarde heeft.
Binnen de cultuurhistoriekaart (erfgoedkaart) van de gemeente Rucphen is een gedeelte van het plangebied aangeduid als 'historisch gegroeide ruimtelijke structuur (hoge waarde)'. Deze categorie wordt gevormd door de combinatie van historisch gegroeide ruimtelijke structuren en de historische bebouwing. Het gaat om gebieden die door hun samenhang in architectonische en stedenbouwkundige zin een herkenbare eenheid vormen. Het gaat om een schildvormig terrein met religieuze functie in de kern Sint Willebrord (Pastoor Bastiaansensingel-Dorpsstraat). In de toelichting van de erfgoedkaart staat beschreven dat de cultuurhistorische waarden beschermd kunnen worden doormiddel van een aanduiding binnen de bestemmingsplannen. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan kent echter geen aanduiding voor de bescherming van cultuurhistorische waarden. Daarnaast doen de voorgenomen plannen geen afbraak aan deze waarde.
Conclusie
Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.
Toetsingskader
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling
Econsultancy heeft in september 2023 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten behandeld.
Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage verwachting heeft vanaf het maaiveld tot 40 tot 220 cm -mv voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd.
Op grond van het veldonderzoek adviseert Econsultancy om de dubbelbestemming op het plangebied te handhaven, maar de delen met een lage verwachting binnen het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden.
Voor de delen met een middelhoge tot hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen geldt dat er verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen te toetsen.
Voor de delen van het plangebied die momenteel bebouwd zijn en zullen worden gesloopt kan het beste vervolgonderzoek plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding tijdens de sloop van de bebouwing in het plangebied. Voorafgaand aan dit onderzoek mag de bebouwing wel bovengronds worden gesloopt. Bij de sloop van de aanwezige constructies beneden het maaiveld begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek en voor het proefsleuvenonderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Conclusie
Er zijn archeologische resten te verwachten. Dit dient met een proefsleuvenonderzoek voorafgaand de vergunningaanvraag te worden onderzocht. De sloop van de bestaande funderingen van het schoolgebouw dienen archeologisch te worden begeleid. De archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' wordt op de verbeelding behouden.
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.
De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Beoordeling en conclusie
Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Ulvenhoutse Bos', dat is gelegen op een afstand van circa 15 km. Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Aangezien het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied of een beschermd natuurmonument, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan.
Toetsingskader
Het plangebied is gelegen op circa 12,4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.
Beoordeling
De Roever Omgevingsadvies heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 4). In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekening dat de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten in de Belgische Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.
Conlcusie
Uit een AERIUS-berekening is gebleken dat als gevolg van de (aanleg- en) gebruiksfase er ten aanzien van stikstofdepositie geen negatieve effecten optreden als gevolg van het plan op Natura 2000-gebieden.
Toetsingskader
Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.
Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling
Door Blom Ecologie is in februari 2022 een quickscan Wet natuurbescherming afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde nauurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora fauna en mogelijke effecten daarop.
Samenvattend dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismus en vleermuizen. De planolocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen. In de onderstaande tabel is een overzicht van de soortenbescherming weergegeven.
Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten. Bron: Blom Ecologie, 2022.
Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie. Bron: Blom Ecologie, 2022.
Om vast stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Blom Ecologie heeft in oktober 2022 het aanvullend onderzoek ecologie afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting.
In april 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van huismus aanwezig zijn. Hierbij zijn geen huismusnesten vastgesteld binnen het plangebied. De beoogde ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van huismusnesten.
In de periode mei tot september 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plaangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het schoolgebouw aan de noordzijde van het plangebied een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis als zomerverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep weggenomen. De beoogde sloopt van het noordelijk gelegen schoolgebouw leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 en lid 4. Er dient ten aanzien van de gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens het schoolgebouw met vleermuisverblijfplaatsen gesloopt kan worden.
Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten binnen het plangebied. Binnen het plangebied is een houtduif- en kauwennest vastgesteld. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
Samenvatting van de aangetroffen nestlocaties en vleermusiverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied. Bron: Blom Ecologie, 2022.
Voor de uitvoering van de ingreep is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor de ontheffingsaanvraag inzake Wnb is een Mitigatieplan opgesteld door Blom Ecologie. De rapportage daarvan is als Bijlage 7 gevoegd bij deze toelichting.
De huidige vleermuisverblijfplaatsen worden onderbegeleiding van een ter zake deskundige ecoloog ongeschikt gemaakt. Tussen het ongeschikt maken en de uitvoering van de sloop wort met een controlebezoek uitgesloten dat er vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden worden er voor de vleermuizen tijdelijke alternatieve voorzieningen getroffen om de periode tussen ontoegankelijk of ongeschikt maken van de huisige verblijfplaatsen en het realiseren van de permanente alternatieve voorzieningen te overbruggen. In totaal worden er 8 vleermuiskasten geplaatst aan de gebouwen in de directe omgeving.
Voor de gewone dwergvleermuis worden alternatieve voorzieningen gerealiseerd in de gevel van het nieuwe schoolcomplex. Daarmee kan worden gesteld dat de gunstige instandhouding van beschermde soorten is gewaarborgd
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken inzake de Wet natuurbescherming is voor onderhavig voornemen een mitigatieplan opgesteld. Daarmee kan worden gesteld dat de gunstige instandhouding van beschermde soorten is gewaarborgd. Derhalve ligt het in de lijn der verwachting dat door de provincie een ontheffing Wet natuurbescherming zal verlenen.
Toetsingskader
Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:
De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
| Stedelijk | Buitenstedelijk | |
| Aantal rijstroken | Aantal meter aan weerszijden van de weg | |
| 5 of meer | 350 m | 600 m |
| 3 of 4 | 350 m | 400 m |
| 1 of 2 | 200 m | 250 m |
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
Beoordeling
De Roever Omgevingsadvies heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 8). In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor het nieuwe schoolgebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel 21, St. Willebrord.
Een hogere waarde is niet nodig omdat alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen.
De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 46 dB ter plaatse van de westgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt dan ten hoogste 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit). Of een onderzoek naar de gevelwering nodig zal zijn kan de gemeente afwegen.
De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Goed’. Het
woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de berekende cumulatieve geluidbelasting staat het wegverkeer een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg.
Conclusie
Het aspect wegverkeerslawaai is geen belemmering voor het initiatief.
Toetsingskader
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
Beoordeling
De VNG-borchure onderscheid twee omgevingsypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied zijn in de huidige en toekomstige situatie diverse centrumfuncties, maatschappelijke functies en woningen te vinden. Het plangebied ligt daarom in een gebied dat aangemerkt kan worden als 'gemengd gebied'. Richtafstanden kunnen derhalve met één afstandstrap worden verlaagd.
In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied in gebruik ten behoeve van een maatschappelijke bestemming; de basisschool Heilinde. In de toekomstige situatie wijzigthet gebruik van het plangebied niet. Daarnaast wordt het speelterrein enkel in gebruik genomen door de maatschappelijke bestemming.
Gelet op het voorgaande is initiatief aanvaardbaar in het kader van bedrijven en milieuzonering.
Conclusie
Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.
Toetsingskader
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2023.
Beoordeling
Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de dichtsbijzijnde inrichtingen zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden en groepsrisico.
Conclusie
Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Toetsingskader
Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
Beoordeling
Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de REV geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Conclusie
Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Toetsingskader
Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.
Beoordeling
Om te beoordelen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtsbijzijnde hogedruk aardgasleiding is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer tot het plangebied. Gelet op de ruimte afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Conclusie
Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Toetsingskader
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.
De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt:
Beoordeling
Onderhavige ontwikkeling betreft volledige nieuwbouw van de basisschool Heilinde. De huidige bebouwing wordt gesloopt en binnen het plangebied wordt één onderwijsgebouw gerealiseerd. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bij onderhavige ontwikkeling is immers sprake van het herontwikkeling van een bestaande functie.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant in verband met onderhoud, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.
Beoordeling
Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
Toetsingskader
Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.
In onderhavige situatie is sprake van volledige sloop en nieuwbouw van een onderwijslocatie. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van een schoolgebouw komt wel voor op de D-lijst onder categorie D11,2 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsroject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Bij een dergelijke activiteit is er sprake van m.e.r-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op:
Onderhavige ontwikkeling blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting fungeert als deze vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Conclusie
Zoals beschreven is er bij onderhavig plan sprake van een verplichting tot het opstellen van het doorlopen van de (vormvrije) m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling in dit hoofdstuk is gebleken dat er met het plan geen significante effecten op het milieu te verwachten zijn.
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de binnen de gemeente Rucphen gehanteerde bestemmingsplansystematiek voor woningen.
De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:
In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
Artikel 1. Begrippen
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 standaard omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Artikel 2. Wijze van meten
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Het stramien voor de bestemmingsplanregels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:
Artikel 3. Maatschappelijk
Maatschappelijke bedrijven, zoals educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, worden bestemd als ‘Maatschappelijk’. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn geen (boven)woningen toegestaan, behalve ter plaatse van de aanduiding ‘zorginstelling’ waar zorgwoningen zijn toegestaan. Tevens zijn andere specifieke maatschappelijke voorzieningen met een aanduiding aangegeven. Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Door het opnemen van een bouwvlak wordt de situering van de bebouwing nader geregeld. Op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering.
Daarnaast technische installaties, afscherming van installaties of ruimtes voor het onderbrengen van installaties toegestaan binnen de maatschappelijke bestemming. Deze zijn van dusdanige omvang dat deze niet meer kunnen worden beschouwd als een ondergeschikt bouwdeel.
Ten aanzien van de situering van de gebouwen en verschillende maatvoeringen zijn afwijkingen opgenomen.
Artikel 4. Waarde - Archeologie'
Voor het behoud, bescherming en/of herstel van de voorkomende archeologische (verwachtings)waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Binnen deze bestemming is een gebiedsaanduiding van toepassing die gekoppeld is aan deze dubbelbestemming. De gebiedsaanduiding geeft aan bij welke oppervlaktemaat en dieptemaat archeologisch onderzoek is benodigd.
Artikel 5. Anti-dubbeltelregel
In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven.
Artikel 6. Algemene bouwregels
In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouw zijnde. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
Daarnaast is in de algemene bouwregels een bestaande afstanden en ander maten regeling opgenomen.
Artikel 7. Algemene gebruiksregels
In dit artikel is het verboden gebruik opgenomen. Hier is een algemeen gebruiksverbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten.
Artikel 8. Algemene aanduidingsregels
IIn dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone -6'. Hierin is aangegeven wat de maximale bouwhoogte van bouwwerken mag bedragen ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak ten aanzien van Breda International Airport. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen voor het bouwen binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'. Binnen deze aanduiding mogen geen windturbines en gebouwen worden opgericht met een hoogte van 90 meter of meer.
Artikel 9. Algemene afwijkingsregels
In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Daarnaast is er een afwijking opgenomen voor het oprichten van antennes en masten tot 15 meter. Als laatste is het mogelijk om via een omgevingsvergunning geringe afwijkingen toe te staan, die in het belang zijn van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de bestemming niet wijzigt en de bouwgrens maximaal 2,50 meter verschuift.
Artikel 10. Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe afwijkingen die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze rechten zijn overgenomen uit het voorgaande plan.
Artikel 11. Overige regels
In dit artikel zijn regels opgenomen ten behoeve van het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid.
Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:
Artikel 12. Overgangsrecht
Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
Artikel 13. Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
Toetsingskader
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):
Beoordeling en conclusie
Het voorliggend initiatief betreft de sloop en nieuwbouw van de basisschool Heilinde en is derhalve niet exploitatieplanplichtig. De gemeente heeft het kostenverhaal verzekerd. Er is geen overeenkomst tot planexploitatie benodigd.
In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het project maatschappelijk draagvlak heeft. De gemeente Fucphen heeft voor onderhavig plan een omgevingsdialoog gevoerd doormiddel van inloopavonden. Op dinsdag 13 en woensdag 14 juni 2023 is er een inloopavond georganiseerd voor ouders en omwonende over de nieuwbouw plannen van basisschool Heilinde te St. Willebrord.
Tijdens de inloopavond werd er een presentatie getoond aan ouders en omwonende. De presentatie is opgedeeld in 5-tal borden op A0 formaat met elk een specifiek thema:
De borden warn in de centrale aula in een ronde opstelling opgesteld. Bij elk bovengenoemd thema stond een persoon uit de projectorganisatie om een toelichting te geven, vragen te beantwoorden. Ook om informatie op te halen. Daarnaast werd met uitgenodigd om tips schriftelijk achter te laten op een groot vel papier bij het desbetreffende themabord.
In Bijlage 9 is de verslaggeving van de inloopavonden opgenomen. Hier is een overzicht te vinden van de opmerking en gestelde vragen, inclusief antwoorden.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord’ is vanaf 13 december 2023 gepubliceerd in de Staatscourant en de Rucphense Bode. Tevens is op de gemeentelijke website kennis gegeven van de tervisielegging van het bestemmingsplan. Het plan heeft ter inzage gelegen tot en met 24 januari 2024. Gedurende de termijn van terinzagelegging heeft een ieder over het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze, naar keuze schriftelijk of mondeling, naar voren kunnen brengen bij de gemeenteraad. De geboden mogelijkheid heeft geleid tot twee schriftelijke zienswijzen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de Nota van zienswijzen (zie bijlage 10 van de toelichting).
Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zullen er geen bestemmingsplan technische aanpassingen plaatsvinden in het plan. Wel zal er naar de initiatiefnemer(s) gecommuniceerd worden de privacy van omwonenden waar mogelijk te waarborgen. Dit kan bijvoorbeeld door het realiseren van een groenblijvende afscheiding, maar mogelijk ook door het aanbrengen van zichtbeperkende raamfolie of een andere voorziening ter waarborging van de privacy van belanghebbende.