direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e N625 Fietspad - Oss - 2020
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01

Toelichting

Oplegvel bij Toelichting

Opmerking vooraf

Navolgende Toelichting is de toelichting bij voorliggend TAM-omgevingsplan. Waar in de Toelichting wordt gesproken over 'Bestemmingsplan' wordt daarmee het TAM-omgevingsplan bedoeld zoals gedefinieerd in de Regels.

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De provincie Noord-Brabant heeft het voornemen om de fietspaden langs de N625 tussen Lithoijen en Oss te reconstrueren. Hiermee wordt een veilige afwikkeling van het fietsverkeer op de aansluitende fietsstructuren in de omgeving gerealiseerd en tegelijkertijd zullen de fietspaden en het wegprofiel landschappelijk ingepast worden. Het fietspad aan de zuidwestzijde van de N625 wordt verbreed tot een twee-richtingen fietspad; het fietspad aan de noordoostzijde van de N625 wordt verwijderd en vervangen door een ecologische bij- vriendelijke berminrichting.

Om de reconstructie van de fietspaden N625.17 Lithoijen - Oss mogelijk te maken, is op basis van de planstudie en het voorkeursalternatief het voorliggende bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e N625 Fietspad - Oss - 2020 opgesteld.

1.2 Begrenzing plangebied

De provinciale weg N625 loopt vanaf de A2 ter hoogte van Rosmalen via de kernen Empel, Het Wild, Maren-Kessel, Lith en Lithoijen naar Oss. Het plangebied betreft het wegvak N625.17, het gedeelte tussen de rotonde John F. Kennedybaan / Beatrixweg (hm 17.700) en de bebouwde kom van Oss, ten noorden van de rotonde John F. Kennedybaan / Voorburcht (hm 20.173). Dit wegdeel heeft een noordoost- zuidwest oriëntatie en betreft circa 2,5 kilometer.

Het plangebied is reeds ingericht als provinciale weg N625 bestaande uit 2 rijbanen met bermen en aan weerszijden een vrijliggend fietspad van 1,5 meter breed. Deze smalle fietspaden zijn uitgevoerd in beton. Parallel aan de fietspaden ligt een watergang die periodiek droogvalt en daarachter ligt veelal landbouwgebied bestaande uit akkers en graslanden. In het zuidelijk deel betreft het de bebouwing van de kern Oss. Verspreid langs de weg bevinden zich drie boerderijen bestaande uit een woonhuis met stallen. De N625 kruist op één plaats een watergang, de Hertogswetering, en wordt buiten de bebouwde kom op vier plaatsen gekruist met erftoegangswegen. Dit zijn:

  • Mikkeldonkweg / J.F. Kennedybaan (N625) / Frankenbeemdweg.
  • Langendonkweg / J.F. Kennedybaan (625) / Paalakkerweg.
  • J.F. Kennedybaan (N625) / Weteringstraat.
  • Leijgraafstraat / J.F. Kennedybaan (N625) / Pastoor van Weerdtstraat.

In onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0001.png"

Plangebied Fietspad N625

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Bij de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan komen delen van de geldende bestemmingsplannen te vervallen. In onderstaande tabel is aangegeven welke vigerende bestemmingsplannen het betreft.

Bestemmingsplan   Vastgesteld door de gemeenteraad  
Buitengebied Oss 2010   1 juli 2010  
Partiële herziening 1 Buitengebied Oss - 2010   31 oktober 2013  
Buitengebied Lith 2013   24 december 2014  
Midden Noord - Oss 2012   13 september 2012  
Noord - West - Oss 2013   14 februari 2013  

De provinciale weg N625 heeft in het bestemmingsplan Buitengebied Oss 2010 een verkeersbestemming, de grenzen van de verkeersbestemming lopen gelijk met de perceelsgrenzen. Het gebied aan weerzijden van de weg heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap'.

In het bestemmingsplan Buitengebied Lith 2013 heeft de N625 de enkelbestemming 'Verkeer'. Het gebied aan weerszijden van de weg heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschappelijk'. Het meest noordelijke deel van de N625 heeft de dubbelbestemming 'Archeologie - verwachtingswaarde hoog'.

Binnen de bebouwde kom van Oss, ten zuiden van de kruising John F. Kennedybaan / Frankbeemdweg geldt voor de N625 alsmede de westelijke bebouwing het bestemmingplan Noord-West Oss 2013. De N625 heeft hier de enkelbestemming 'Verkeer'. Ten westen van de John F. Kennedybaan geldt de bestemming 'Groen'.

Voor het oostelijk deel van de John F. Kennedybaan, ten zuiden van de kruising met de Frankbeemdweg, geldt het bestemmingsplan Midden Noord - Oss 2012. Hier gelden, respectievelijk van noord naar zuid, de enkelbestemming 'Detailhandel' voor het tuincentrum en 'Groen' en 'Tuin' voor de zuidelijk gelegen percelen.

De gemeente Oss heeft van 8 november t/m 19 december 2018 het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Oss 2019 terinzage gelegd. Op het moment dat dit bestemmingsplan van kracht wordt, vervallen de bestemmingsplannen Buitengebied Lith 2013 en Buitengebied Oss 2010 en de Partiële herziening 1 Buitengebied Oss - 2010.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

De N625 is de verbindingsweg tussen 's-Hertogenbosch en Oss via de kernen Maren-Kessel en Lith. Tussen de rotonde John F. Kennedybaan – Beatrixweg en de komgrens van Oss (op ca. 100 m van de rotonde John F. Kennedybaan – Voorburcht) zijn de fietspaden te smal en worden in beide richtingen bereden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0002.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0003.png"  

Impressie plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0004.png"  

Huidige situatie N625. Fietspad aan linkerzijde wordt verbreed.

De kruispunten aan het begin en einde van het wegvak zijn weergegeven als enkelstrooksrotonde. De rotonde J.F. Kennedybaan/Voorburcht in de kern Oss heeft aanliggende fietspaden en fietsers hebben hier voorrang. De rotonde J.F. Kennedybaan/Beatrixweg ligt buiten de bebouwde kom van de kern Lithoijen. Fietsers kruisen de weg hier buiten de voorrang.

Daarnaast is er op het wegvak nog een aantal voorrangskruisingen aanwezig met erftoegangswegen buiten de bebouwde kom:

  • Mikkeldonkweg / J.F. Kennedybaan (N625) / Frankenbeemdweg.
  • Langendonkweg / J.F. Kennedybaan (625) / Paalakkerweg.
  • J.F. Kennedybaan (N625) / Weteringstraat.
  • Leijgraafstraat / J.F. Kennedybaan (N625) / Pastoor van Weerdtstraat.

De kruispunten zijn vormgegeven als voorrangskruisingen zonder middenberm of linksafvakken. De fietspaden zijn opgenomen in de voorrang. Bij het kruispunt Leijgraafstraat / J.F. Kennedybaan / Pastoor van Weerdtstraat hebben fietsers geen voorrang. Op dit kruispunt is een linksafvak voor verkeer komend vanuit het noorden richting het tuincentrum aan de Frankenbeemdweg gerealiseerd. Voor verkeer vanuit het zuiden is geen afslagvak gerealiseerd vanwege de voetgangersoversteek bij de bushalte Middeldonkweg. Ter hoogte van de kruising is echter wel opstelruimte beschikbaar voor linksafslaand verkeer uit zuidelijke richting. De fietsoversteek over de N625 is niet gefaciliteerd. Op de zijwegen zijn wel middenbermen gerealiseerd, zodat doorgaand fietsverkeer langs de N625 in twee etappes de zijwegen kunnen oversteken.

Op de hoek bij de kruising Mikkeldonkweg / J.F. Kennedybaan / Frankenbeemdweg bevindt zich een boerderij bestaande uit woonhuis met stallen. Ter plaatse van de kruising Langendonkweg / J.F. Kennedybaan / Paalakkerweg is een boerderij bestaande uit woonhuis met opslagloods gesitueerd. Aan de overzijde van deze woning bevindt zich een boerderij bestaande uit woonhuis met stallen.

De N625 maakt onderdeel uit van twee busroutes. Er liggen twee bushaltes aan de N625 tussen de bebouwde kom van Oss en rotonde Beatrixweg: Oss-Mikkeldonkweg en Teeffelen-Pastoor van Weerdtstraat. Voor beide bushaltes geldt dat het gebruik laag is en dat ze geen overstapfunctie hebben. Om die reden is het hanteren van een minimaal voorzieningenniveau voldoende.

Hoofdstuk 3 Toelichting op het plan

Verkeerskundig ontwerp

Het plangebied is reeds ingericht als provinciale weg N625 bestaande uit 2 rijbanen met bermen en aan weerszijden een vrijliggend fietspad van 1,5 meter breed. Ten westen van de huidige N625 wordt over een lengte van 2,5 km het bestaande fietspad verbreed tot 4 meter breed en geschikt gemaakt voor twee-richting fietsverkeer. De watergang die nu langs de N625 loopt wordt hierbij verlegd. In het ontwerp wordt uitgegaan van een watergang van gemiddeld 4 meter breed. Het fietspad aan de oostzijde wordt opgeheven. De brede groene grasbermen vormen de scheiding tussen de hoofdrijbaan en het fietspad en/of de bermsloot.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0005.png"

Principeoplossing Ontwerp Dwarsprofiel ter hoogte van middengeleider (groene lijn is nieuwe situatie)

De keuze voor het realiseren van het twee-richtingen fietspad aan de zuidwestzijde en het verwijderen van het fietspad aan de noordoostzijde van de N625 is gebaseerd op:

  • verkeersveiligheid: Duurzaam Veilig en vergevingsgezindheid;
  • geen verstoring van het gebied met archeologische waarden;
  • mogelijkheden voor het realiseren van een ecologische berm;
  • duurzaam grondgebruik;
  • beheer en onderhoud.

Ter hoogte van het kruispunt met de Pastoor van Weerdtstraat / Leijgraafstraat wordt een middengeleider met een breedte van 3 meter in de N625 aangebracht. De beide rijstroken worden daartoe ter plaatse uitgebogen. De uitbuiging blijft beperkt tot minder dan twee meter naar beide zijden van de weg. Deze middengeleider biedt fietsverkeer, vanuit onder andere Teeffelen, de mogelijkheid om in twee fasen de N625 over te steken, waardoor de wachttijd voor overstekende voetgangers, fietsers en bromfietsers afneemt.

Voor de N625 zelf blijft een sobere inrichting het uitgangspunt; de weg is en wordt niet verlicht, behalve bij kruispunten en bushaltes, zodat donkerte behouden blijft. De kruispunten blijven verlicht conform de provinciale richtlijnen. Bij eventuele aanpassingen van kruispunten, waaronder ook het aanbrengen van een middengeleider moet verlichting worden aangebracht en/of aangepast. Tegelijkertijd met het aanbrengen van een middengeleider ter hoogte van de kruising met de Pastoor van Weerdtstraat / Leijgraafstraat wordt ook inleidende verlichting aangebracht. Bij de T-kruising met de Weteringstraat moet verlichting worden aangebracht.

De bushaltes nabij Teeffelen-Pastoor van Weerdtstraat worden ingericht met het minimale voorzieningenniveau. De bushalte aan de oostzijde van de N625 wordt verschoven naar een locatie direct ten noorden van de Pastoor van Weerdtstraat en wordt voorzien van een haltekom. De bushaltes nabij het tuincentrum / Mikkeldonkweg / Frankenbeemdweg blijven ongewijzigd.

Toekomstig zal ook de noordelijke rondweg aansluiten op de N625.

Groenstructuurplan

De ambitie van de provincie Noord-Brabant is de kenmerken van het landschap te versterken. De ambitie van de gemeente Oss is langs de N625 een verbindende ecologische zone (bijenlandschap) te ontwikkelen, met natuurlijke inrichting van de bermen. De visie voor de herinrichting van de N625 bouwt voort op de ambities van de provincie en gemeente. De visie is te komen tot versterking van de kenmerken van het komgebied en stedelijk gebied. Per deelgebied betekent dit:

  • Komgebied: weg is onbeplant voor behoud openheid, markeren kruisingen en natuurlijke inrichting grasbermen en oevers.
  • Stedelijk gebied: weg als herkenbare groene entree, accentueren van de aarden wallen met beplanting.

In het Groenstructuurplan (Bijlage 1) zijn de landschappelijke aspecten van de weg beschreven en is de landschappelijke inpassing uitgewerkt in een visie voor het komgebied en een visie voor het stedelijk gebied.

Komgebied

De N625 is onderdeel van het open landschap van het komgebied. De weg is onbeplant, waardoor onbelemmerd zicht op de omgeving mogelijk is. De kruisingen met grote watergangen en aansluitingen met wegen worden gemarkeerd door solitaire bomen. De kruising (brug) over de Hertogswetering wordt gemarkeerd door enkele vrijstaande bomen. Bestaande wegbeplanting langs kruisende wegen wordt aangevuld. De oever van de watergang ten oosten van de N625 wordt uitgevoerd met een flauw talud. De helling van het talud verschilt, waardoor variatie ontstaat in vegetatiestructuur.

De bermen worden schraal uitgevoerd en ingezaaid met gebiedseigen soorten voor kruidenrijk grasland. Dit sluit aan op de inrichting voor bijen en andere bestuivers. Hierbij wordt opgemerkt dat het beheer van de ecologische berm is geborgd. De middenberm is breed genoeg om een duidelijke, maar wel groene afscheiding tussen de weg en het fietspad aan te geven. Het extensieve maaibeheer is gericht op het versterken van biodiversiteit, insecten in het bijzonder. De zone direct langs de verharding wordt intensiever gemaaid, vanwege verkeersveiligheid.

Uitgangspunten:

  • Behoud van het open karakter van het komgebied door ontbreken van beplanting;
  • Markeren van kruisingen met aansluitende wegen met beplanting in de vorm van solitaire bomen;
  • Natuurvriendelijke oevers;
  • Bermen inrichten als kruidendijk grasland, aangepast (extensief) maaibeheer;
  • Behoud van donkerte; verlichting alleen toepassen bij kruisingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0006.png"

profiel Komgebied

Stedelijk gebied

De N625 vormt een herkenbare groene entree van het stedelijk gebied van Oss. Het wegprofiel sluit in het zuiden aan op het profiel van de John F Kennedybaan. Binnen de bebouwde kom is de weg aan weerszijden beplant met een aaneengesloten bomenrij.

De omgeving van de weg heeft een groen karakter, door de hoge aarden wallen aan weerszijden. De aarden wallen worden beplant met verspreide inheemse struiken (heesters). Dit benadrukt de grens tussen de woonwijken aan weerszijden van de weg en de draagt bij aan een herkenbare groenstructuur.

De watergangen worden geaccentueerd met riet wat overgaat in natuurlijke oevers. De bermen worden ingezaaid met gebiedseigen soorten voor kruidenrijk grasland en extensief beheerd. De zone direct langs de verharding wordt intensiever gemaaid, vanwege verkeersveiligheid.

Uitgangspunten:

  • Versterken van het groene karakter in het stedelijk gebied door aanplant van (inheemse) struiken op de aarden wallen;
  • Inrichting bermen als kruidenrijk grasland, aangepast (extensief) maaibeheer;
  • Rietoevers langs watergangen;
  • Behoud van donkerte; verlichting alleen toepassen in het meest zuidelijke gedeelte in de kern van Oss.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0007.png"

Profiel stedelijk gebied

De kruisingen met de belangrijkste watergang (Hertogswetering) en aansluitende wegen worden gemarkeerd met solitaire bomen. De bomen zijn in het open landschap al van veraf te zien en bieden oriëntatie. Groene grasbermen vormen de scheiding tussen de hoofdrijbaan en het fietspad.

De brug over de Hertogswetering krijgt een eenvoudige en transparante uitstraling, in aansluiting op het open landschap van het komgebied. Geleiderails en afscheidingen worden uitgevoerd in natuurlijke materialen, in de vorm van hout. De transparantie is geborgd door voldoende ruimte tussen de latten, zonder het veiligheidsgevoel te beperken.

Hoofdstuk 4 Toelichting op de regels

4.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik va de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing.

Het bestemmingsplan kan, naast de digitale, leidende versie, analoog worden verbeeld en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting geeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft de toelichting een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan.

Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de "Standaardregels bestemmingsplannen Oss".

De regels bestaan uit 4 hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikel 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 en 4), de algemene regels (artikelen 5, 6 en 7) en de overgangs- en slotregel (artikel 8).

In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels nader toegelicht.

4.2 Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Artikel 1: Begrippen

In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen.

Artikel 2: Wijze van meten

Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

De in dit hoofdstuk opgenomen bestemming is:

Artikel 3: Verkeer

Deze bestemming is toegekend aan de bestaande provinciale weg N625 en het nieuwe fietspad.

Artikel 4: Leiding - Water

In dit artikel is een dubbel bestemming opgenomen om de onderliggende leiding te beschermen. Het betreft een hoofdwaterleiding (drinkwater) die de provinciale weg N625 en het nieuwe fietspad kruist nabij de kom van Oss.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens

Artikel 5: Anti-dubbeltelregel

Dit artikel regelt dat de grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

Artikel 6: Algemene gebruiksregels

Dit artikel geeft aan wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan.

Artikel 7: Overige regels

Dit artikel geeft aan hoe met andere wettelijke regelingen moet worden omgegaan.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

Artikel 8: Slotregel

Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 5 Beleidskader en programma

Het kader voor een bestemmingsplan wordt gevormd door diverse nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidsdocumenten. Dit beleid stelt planologische en bestuurlijke beleidskaders (randvoorwaarden) aan de ruimtelijke (on)mogelijkheden voor het plangebied, waarmee rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk wordt voor het plangebied het relevante algemene beleid beknopt samengevat.

5.1 Wettelijk kader

5.1.1 Wet ruimtelijke ordening

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de wet zijn:

  • Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt;
  • Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingenbesluit;
  • Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing;
  • Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer;
  • De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen;
  • Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan;
  • Er is een drempel voor planschade van 2%;
  • De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd;
  • Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
5.1.2 Grondexploitatiewet

Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als § 6.4 in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen.

Dit bestemmingsplan voorziet echter niet in nieuwe bouwmogelijkheden, waardoor de grondexploitatie-wetgeving niet van toepassing is.

5.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg

In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

5.1.4 Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden:

  • De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden.
  • De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantsoorten.
  • De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen.

Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker.

Rolverdeling tussen provincies en Rijk

Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

5.2 Rijksbeleid

5.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SIVR) vastgesteld. De Structuurvisie bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028 met een doorkijk naar 2040. In de SVIR formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarbij zijn 13 nationale belangen benoemd; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. De nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die juridische borging vragen, worden geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast.

Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven en laat dan ook meer over aan provincies en gemeenten. De SVIR gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Dit betekent dat het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen, waarvoor het verantwoordelijk is en resultaat wil boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Rijk biedt bij de doorwerking van de nationale belangen de provincie en de gemeente ruimte om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling. Het Rijk geeft daarbij aan dat er ten alle tijde sprake moet zijn van een optimale inpassing en bereikbaarheid.

Tot slot is het Rijk verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van.

De reconstructie van de fietspaden langs de N625 die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, doet op geen enkele wijze afbreuk aan het ruimtelijk beleid van het Rijk.

5.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid zoals dat in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vastgelegd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.

Voor het bestemmingsplan hebben deze regels geen gevolgen. Het bestemmingsplan maakt voor de reconstructie van het fietspad geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op het bestemmingsplan.

5.3 Provinciaal beleid

De provincie Noord-Brabant heeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vastgelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de te beschermen provinciaal ruimtelijke belangen in de Verordening ruimte 2012.

5.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014

De structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014, is vastgesteld door Provinciale Staten. Vervolgens is de structuurvisie op 19 maart 2014 in werking getreden. In de structuurvisie geeft de provincie aan hoe zij omgaan met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Met als doel een goede woon-, werk- en leefomgeving. De provincie onderscheidt binnen de stedelijke structuur twee ontwikkelingsperspectieven: stedelijk concentratiegebied en kernen in het landelijk gebied. De autonome ontwikkelingen in het landelijk gebied (agrarische bedrijven die stoppen versus schaalvergroting en intensivering) vragen om een herijking van de ontwikkelingsruimte in het landelijk gebied. De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar Noord-Brabant stelt ook eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Daarom gaat de provincie, meer dan voorheen, duurzaam en zorgvuldig om met de leefomgeving en de ruimte. Ze wil een goede relatie creëren tussen wonen en werken in de stedelijke omgeving en een groene landelijk omgeving daarbuiten. Hierbij staan veertien ruimtelijke belangen centraal. De voor dit plan (in meer of mindere mate) relevante ruimtelijke belangen zijn:

  • Multifunctioneel landelijk gebied;
  • Groene geledingszone tussen steden;
  • (inter)nationale bereikbaarheid;
  • Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur.

Voor Noord-Brabant zijn gebiedspaspoorten vormgegeven. In de gebiedspaspoorten is aangegeven welke landschappelijke kenmerken belangrijk zijn voor de kwaliteit in een gebied. Daarnaast worden ook de provinciale ambities benoemd voor de verdere versterking van landschapskwaliteiten.

Voor het plangebied geldt gebiedspaspoort Maaskant.

Het plan realiseert een veilige afwikkeling van het fietsverkeer op de aansluitende fietsstructuren in de omgeving en sluit aan op de bestaande structuren in het landschap. Dit sluit aan op de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van provincie Noord-Brabant.

5.3.2 Omgevingsvisie De Kwaliteit van Brabant - Visie op Brabantse leefomgeving

Op 14 december 2018 is door Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar de provincie in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  • 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
  • 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
  • 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
  • 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken/
  • 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

Verder bevat de Brabantse Omgevingsvisie geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, Structuurvisie RO, BRUG, PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks (soms verplicht) thuis in een programma zoals het natuurbeheerplan en het waterprogramma.

Voor dit bestemmingsplan heeft de Brabantse omgevingsvisie geen gevolgen omdat er nog geen sectorale beleidsdoelen worden gegeven.

5.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 2019

De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelsniveau begrensd. De onderwerpen in de verordening komen uit de provinciale omgevingsvisie en structuurvisie; de belangrijkste onderwerpen in de Interim omgevingsverordening zijn:

  • omgevingskwaliteit;
  • stedelijke ontwikkelingen;
  • duurzame energie;
  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • agrarische ontwikkelingen;
  • overige ontwikkelingen in het buitengebied.

Voor sommige onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels en instructieregels gemeenten. In deze toelichting worden de regels, relevant voor het plangebied, benoemd.

Binnen het onderhavige plangebied zijn rechtstreeks werkende regels ten aanzien van milieubescherming, natuur en wegen van toepassing. De N625 zelf is een "Provinciale weg" binnen het thema Weg. Langs de N625 geldt binnen het thema Water: "Geen Attentiezone waterhuishouding" en binnen het thema Waterkwaliteit "Diep grondwaterlichaam". Net buiten het plangebied liggen nog twee voormalige stortplaatsen.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0008.png"

Uitsnede kaart 1: Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen

Voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van landbouw gelden binnen het thema Landbouw "Stalderingsgebied" en "Landelijk gebied". In de nabijheid van de rotonde van de John F. Kennedybaan met Beatrixweg geldt tevens binnen het thema Landbouw "Beperkingen veehouderij". Deze "Beperkingen veehouderij" is ook van kracht ten zuiden van de watergang tussen de Paalakkerweg - Langendonkweg en de Frankenbeemdweg. Nabij het stedelijk gebied van Oss is binnen het thema Landbouw het "Stedelijk gebied" van kracht. Ook hier geldt binnen het thema Landbouw het "Stalderingsgebied".

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart 2 Rechtstreeks werkende regels: landbouw (Ruimtelijkeplannen.nl)

Daarnaast zijn de volgende instructieregels gemeenten van toepassing:

Kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed

  • cultuurhistorische waardevol gebied
  • concentratiegebied
  • stedelijk gebied
  • verstedelijking afweegbaar

Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden

  • Natuur Netwerk Brabant
  • Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone
  • behoud en herstel van watersystemen
  • attentiegebied waterhuishouding

Kaart 6: Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied

  • gemengd landelijk gebied
  • landelijk gebied
  • groenblauwe mantel

Kaart 7: Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen

  • beperking veehouderij
  • stalderingsbebied

Kaart 8: Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging

  • normen wateroverlast
  • normen wateroverlast buiten stedelijk gebied
  • normvrij gebied
  • aangewezen gebied voor peilbesluit
  • attentiezone waterhuishouding

Bij het opstellen van het bestemmingsplan zijn de rechtstreeks werkende regels en instructieregels uit de verordening in acht genomen.

5.3.4 Kwaliteitsverbetering landschap

Kwaliteitsverbetering voor een weg (in deze een fietspad) is maatwerk. In het bestemmingsplan dient benoemd te worden waar de kwaliteitsverbetering uit bestaat. In de 'Nota Landschapsbeleid 2015' is als volgt opgenomen:

"Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied zijn mogelijk. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving."


In dit geval wordt voor de kwaliteitsverbetering het bestaande fietspad aan de oostzijde over het volledige traject verwijderd en vervangen, door het inzaaien van bermen, met een bloemrijk graslandmengsel en ecologisch beheer. We borgen dit met het dwarsprofiel. Zie ook Bijlage 11 .

5.4 Beleid Waterschap Aa en Maas

Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. De uitgangspunten zijn opgenomen in de Watertoets (zie Bijlage 10).

5.5 Gemeentelijke beleid

5.5.1 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020

De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’.

De reconstructie van het fietspad langs de N625 tussen Lithoijen en Oss draagt bij de ontplooiing van levenskrachtige dorpen door de realisatie van veilige fietspaden tussen de kernen.

5.5.2 Nota Landschapsbeleid 2015

Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar.

In het ontwerp is rekening gehouden met de landschappelijke inpassing, met name rond de kruisingen met zijwegen.

5.5.3 Visie op Vrijetijdseconomie van Oss

De Maas, de stad Oss en de Maashorst vormen de pijlers van de vrijetijdseconomie. De kracht van deze drie gebieden zijn op hoofdlijnen aanvullend aan elkaar. Belangrijk is dat kwaliteit van het vrijetijdsproduct op orde is. En ook dat de gebieden onderling goed verbonden zijn. In het publieke domein van de vrijetijdseconomie kunnen we het verschil maken. Denk aan een goed en divers routenetwerk en aan een optimale informatievoorziening. Samen, private en publieke sector, zullen we op zoek moeten naar onderscheidende ‘verhalen’ zoals het verhaal van de natuur in de Maashorst, het verhaal van het religieus erfgoed, het verhaal van de natuurlijke aantrekkingskracht van water, het verhaal van het Romeinse verleden, het verhaal van de Osse industrie (nu en in het verleden).

In de visie ziet de gemeente de volgende rollen voor zichzelf:

  • 1. Infrastructuur op orde: zorgen dat de basis op orde is met goede voorzieningen;
  • 2. Voorwaarden scheppen: faciliteren van ondernemerschap met maximaal ruimte voor ondernemerschap en nieuwe initiatieven; bijvoorbeeld bij bestemmingsplan(wijzigingen), meedenken en adviseren;
  • 3. Inspireren en stimuleren: meer samenhang tussen de gebieden door verbanden te zoeken en te versterken en door de informatievoorziening te verbeteren.
  • 4. Versterken van subsidies en projectgelden; structureel krijgen een aantal organisaties een jaarlijkse subsidie. Met de projectgelden financieren we projecten die recreatie of toerisme bevorderen.

De reconstructie van het fietspad langs de N625 tussen Lithoijen en Oss draagt bij aan het op orde krijgen van de infrastructuur.

5.5.4 Welstandsnota Gemeente Oss

In 2013 is de Oplegnotitie Nieuw Welstandsbeleid Oss behorend bij de Welstandsnota Oss vastgesteld. In dit nieuwe welstandsbeleid behoeven een grote hoeveelheid bouwwerken niet langer naar de Welstandskamer voor advies. Verder wordt de mogelijkheid geboden om bestaande en nieuwe locaties volledig welstandsvrij te maken. In de nota wordt onderscheid gemaakt tussen 2 welstandsniveaus. Voor de beeldbepalende gebieden en zones (rood op bijgaande overzichtskaart) blijft het welstandstoezicht behouden. Voor de overige gebieden wordt het welstandstoezicht versoepeld of is geen welstandstoets meer nodig. In de nota zijn de criteria opgenomen waaraan de Welstandskamer een bouwplan toetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0010.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0011.png"  

Uitsnede kaart welstandsnota

In de Welstandsnota Gemeente Oss heeft de John F. Kennedybaan welstandsniveau 1. De gebieden in welstandsniveau 1 zijn de gebieden die 'er toe doen' vanuit het oogpunt van welstand en zijn zeer bepalend voor het collectieve stadsbeeld.

5.5.5 Mobiliteitsplan Fiets

Op 25 juni 2009 heeft de gemeenteraad van Oss de Mobiliteitsvisie Oss vastgesteld. Deze Mobiliteitsvisie bevat doelstellingen voor het gemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid tot 2020. Op basis van de Mobiliteitsvisie is het beleid van de Fietsnota uit 2005 aangescherpt en vastgelegd in het Mobiliteitsplan Fiets. Nadruk van het Mobiliteitsplan Fiets ligt op het stimuleren van het fietsgebruik. De basis hiervoor wordt gevormd door het aanbieden van (fiets)infrastructuur dat gekenmerkt wordt door:

  • directe en samenhangende routes;
  • verkeersveiligheid voor fietsers;
  • comfortabele en aantrekkelijke routes.

Het verbeteren van de verkeersveiligheid moet gebeuren door de wegen in te richten volgens het principe van Duurzaam Veilig: een herkenbaar wegennet waarbij iedere weggebruiker weet wat van hem of haar verwacht wordt. het inrichten van alle wegen volgens de richtlijnen moet ervoor zorgen dat er minder ongevallen plaats zullen vinden. Om de aantasting van luchtkwaliteit en de overlast ten gevolge van geluidhinder tegen te gaan, is het eveneens van belang dat voor meer verplaatsingen de fiets gebruikt wordt in plaats van de auto.

Om het fietsgebruik te stimuleren is een fietsnetwerk met directe, samenhangende, verkeersveilige, comfortabele en aantrekkelijke routes noodzakelijk. In het netwerk worden diverse routes onderscheiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0012.png"

Fietsnetwerk 2020

De N625 maakt onderdeel uit van de 'Hoogwaardige (regionale) fietsroute'. Deze routes zijn de voorzieningen van de hoogste categorie. De paden zijn ruim opgezet, comfortabel, veilig en duidelijk herkenbaar. De kruisingen met gebiedsontsluitingswegen zijn voor de veiligheid van fietsers en de doorstroming van het verkeer op de gebiedsontsluitingswegen ongelijkvloers.

Een veilige afwikkeling van het fietsverkeer langs de N625 door de voorgenomen reconstructie past in het beleid van het Mobiliteitsplan Fiets van de gemeente Oss.

5.5.6 Routekaart Groen-Blauw-Natuur (GBN)

Doel van de routekaart GBN is tweeledig: De kwaliteit en kwantiteit van het groen, blauw en natuur in de gehele gemeente Oss verbeteren. En ervoor zorgen dat het groen, blauw en natuur ook beleefd en gewaardeerd wordt door iedereen. De projecten GBN liggen verspreid over de gehele gemeente Oss.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0013.png"

Routekaart Groen-Blauw-Natuur: projecten vanaf 2018

Schakel in het natuurnetwerk Oss is de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone (EVZ) Hertogswetering. De Hertogswetering heeft in het oosten ecologische oevers. Die ontbreken nog in het gedeelte tussen het Osse Meer en het gemaal bij 't Wild. In 2016 is gestart met de planvorming van de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone Hertogswetering. Daarmee wordt de Hertogswetering een volwaardige ecologische verbindingszone waarlangs vele soorten planten en dieren kunnen migreren. Het is de ruggengraat van de natuur in de polder en verbindt daar de belangrijkste natuurgebieden. Daarmee is het ook en belangrijk onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant.

Verfijning van het netwerk GBN vindt plaats door in te zetten op bomenstructuren en ecologische / bij-vriendelijke bermen.

De reconstructie van het fietspad N625 sluit aan bij de uitgangspunten van de gemeente Oss; bij de kruispunten met de zijwegen worden bomen geplaatst om de zijwegen te accentueren en worden aan weerszijde van de N625 brede bij-vriendelijke bermen van gemiddeld 6 meter gerealiseerd.

5.5.7 Bijzonder waardevolle bomen

In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste versie van de lijst met bijzondere bomen in de gemeente Oss is opgesteld in januari 2018. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle e altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd.

Ter hoogte van de woning John F. Kennedybaan 160 staat een boom die zeer waarschijnlijk gekapt moet worden in het kader van de voorgenomen verbreding van het fietspad en de verlegging van de watergang. De betreffende boom is niet opgenomen in de lijst met bijzondere bomen in de gemeente Oss 2018.

Hoofdstuk 6 Verantwoording

6.1 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de planologische- en milieuaspecten beschreven.

6.1.1 Akoestisch onderzoek

Ter hoogte van de kruising met de Pastoor van Weerdtstraat / Leijgraafstraat wordt een middengeleider gerealiseerd met een breedte van 3 meter. Zowel aan de oost als de westzijde buigt de weg 1 meter uit. De bestaande afstand tussen de rijbanen is 1 meter. Op de John F. Kennedybaan is de wet geluidhinder van toepassing. Ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure is voor deze situatie een onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd (zie Bijlage 2).

Omdat het een wegdeel betreft buiten de bebouwde kom met twee rijstroken, bedraagt de wettelijke geluidszone 250 meter, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat er ter hoogte van het te wijzigen wegdeel geen geluidgevoelige objecten en/of terreinen binnen de wettelijke geluidzone van 250 meter liggen. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing. De fysieke aanpassing van de weg stuit daarom niet op bezwaren vanuit de Wet geluidhinder.

6.1.2 Luchtkwaliteit

Voor het aspect luchtkwaliteit verandert er niets ten opzichte van de huidige situatie, omdat de verkeersintensiteit op de N625 door de reconstructie van het fietspad niet wijzigt. Met het verbreden van het fietspad en de bermen zal de as van de weg niet verschuiven. Ook zullen de verkeersintensiteiten niet wijzigen ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Dit betekent dat de plannen geen gevolgen hebben voor de geluidsbelasting van de weg, alsmede voor de externe veiligheid. Omdat de rijbaan op dezelfde locatie gehandhaafd blijft, vinden er met betrekking tot trillingen geen wijzigingen plaats.

6.1.3 Cultuurhistorie en archeologie
6.1.3.1 Cultuurhistorie

De N625 is onderdeel van het cultuurhistorische open landschap van het komgebied; de Beerse Overlaat. De weg is onbeplant, waardoor onbelemmerd zicht op de omgeving mogelijk is.

De Beerse Overlaat werd oorspronkelijk gebruikt voor twee natuurlijke lage oeverdelen van de Maas tussen Gassel en Linden. Later werd die naam gebruikt voor lage dijkvakken op die plekken. Het is ook de naam van het terrein waar het water van de Overlaat in uitstroomde, namelijk een droge noodbedding die enkele kilometers breed en ruim 40 kilometer lang liep van Beers tot ten noorden van 's Hertogenbosch. Die overstroombedding was een rivierpoldergebied dat 's winters tijdens hoog water onderliep en dan een tijdelijke rivier vormde. Na maatregelen tegen bescherming van het hoge water wordt de Beerse Overlaat in 1942 gesloten.

Het open karakter van dit open landschap wordt behouden door de N625 onbeplant te houden en alleen de kruisingen te markeren met bomen. De openheid van het gebied wordt niet aangetast door de verbreding van het fietspad en de bermen.

De Hertogswetering is een gegraven waterweg in een oude droge bedding van de Maas uit de 14e eeuw, waarschijnlijk tussen 1300 en 1310, waaraan Hertog Jan II zijn toestemming heeft gegeven. De Hertogswetering is een waardevolle historisch landschappelijke lijn die al meer dan 600 jaar oud is.

Ook de lijn Mikkeldonkweg- Frankenbeemdweg vormt een hoge geografische lijn.

Beide lijnen worden met de plannen voor het verbreden van het fietspad en de bermen niet aangetast.

6.1.3.2 Archeologie

Archeologisch bureauonderzoek

In april 2019 is een bureauonderzoek archeologie uitgevoerd (zie Bijlage 3). Dit bureauonderzoek heeft als doel om inzicht te verkrijgen in archeologische waarden die zich mogelijk in het plangebied bevinden of verwacht worden. Daarnaast wordt aan de hand van het bureauonderzoek een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten en de risico's op het verstoren van deze resten binnen de planvorming. Bovendien kunnen er aan de hand van het bureauonderzoek uitspraken gedaan worden over de noodzaak van archeologisch vervolgonderzoek en indien nodig, welke onderzoeksmethode en type vervolgonderzoek zouden moeten worden gehanteerd.

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bevindt het plangebied zich in een zone met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Daarnaast kent een aantal locaties de dubbelbestemming archeologie monument.

De geplande ingreep heeft een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 en overschrijdt hiermee het vrijstellingsoppervlak van 1.000 m2. Hiermee is de geplande ingreep onderzoeksplichtig.

Geologie en geomorfologie

De diepere ondergrond van het plangebied ligt op een pleistoceen laagterras. In het plangebied bevindt zich een pleistocene riviergeul die dateert tussen circa 18.000-10.900 voor Chr. De rivierafzettingen bestaande uit zand en grind worden afgedekt door een leemlaag. Dit betreft de top van de pleistocene afzettingen. Volgens de terrassenkruising overstroomd het pleistocene landschap pas rond 3000 voor Chr. Deze Holocene afzettingen bestaan uit komklei en eventueel veen en behoren tot de formatie van Echteld. In het noordelijk deel van het plangebied was gedurende een korte periode de stroomgordel van Lithooijen actief. Deze locatie werd vanaf circa 2100 voor Chr. weer bewoonbaar. De holocene afzettingen in het overige deel van het plangebied bestaan uit kom- en oeverafzettingen van de Lithooijen stroomgordel en van de huidige Maas. De Maas die ten noorden van het plangebied ligt heeft in het verleden verschillende lopen en restgeulen gekend die de het landschap van het gebied hebben gevormd. Aan de noordkant van het plangebied ligt de afgesneden Maasmeander van Lithoijen.

De watergang die het plangebied doorsnijdt is de Hertogswetering. Deze watergang is in de 14e eeuw gegraven en maakte onderdeel uit van de Beerse Overlaat. Het gebied van de Beerse Overlaat kon in het verleden ten tijden van hoge waterstanden in de Maas gecontroleerd onder water worden gezet.

Aan de uiterste zuidzijde van het plangebied komt (door klei afgedekt) dekzand voor.

De bodemkaart van het plangebied toont een overgang van de vaaggronden naar de hoog gelegen enkeerdgronden in Oss. Het plangebied bestaat uit poldervaaggronden met een overgang in het zuiden naar vlakvaaggronden op het moment dat de bebouwing van Oss begint. Op de kaart met het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) is zichtbaar dat Oss op de hoger gelegen enkeerdgronden ligt. De riviergronden vormen een lager gelegen deel in het landschap.

Het plangebied kent in het noordelijk gedeelte een gemiddeld laagste grondwaterstand tussen de 40 - en 80 cm. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt >120 cm -Mv. In het zuidelijke gedeelte, waar het gebied richting de hooggelegen enkeerdegronden gaat, kent het plangebied een gemiddeld laagste waterstand > 40 cm -Mv en een gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 80-120 cm Mv.

Historische waarden

Op het historisch kaartmateriaal is geen bewoning binnen het plangebied zichtbaar. De huidige N625 kent op de kaarten uit 1815 al een voorloper in de vorm van de Ossche weg. Ook de huidige Hertogswetering vormde destijds al een herkenningspunt in het landschap, destijds onder de naam de Ooijgraaf. Deze hertogswetering is in het verleden gegraven om het land gecontroleerd onder water te zetten om zo de vijand tegen te houden. Met deze functie als inundatiegebied maakte het plangebied deel uit van de Zuiderwaterlinie. Pas rond 1900 was het land rondom Oss geheel ingepolderd. Vanaf 2000 is met de uitbreidingen van Oss het zuidelijke deel van het plangebied ingericht als woonwijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0014.png"

Postroutekaart uit 1810 met voorloper van de N625.

Bureauonderzoek

Tijdens het bureauonderzoek zijn de AMK (archeologische monumenten kaart)-terreinen, archeologische waarnemingen en eerder uitgevoerde onderzoeken (onderzoeksmeldingen) in en rond het plangebied geïnventariseerd. Bekende archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen zijn geraadpleegd via Archis 3.

Binnen het plangebied bevinden zich drie typen terrein van archeologische waarde (AMK-terrein). Daarnaast zijn archeologische waarnemingen gedaan binnen het plangebied. Het grootste gedeelte van de vindplaatsen bevindt zich ten noorden van de hertogswetering. De sporen ten noorden van de watergang hebben voornamelijk een verwachting voor de Romeinse tijd. De vondsten ten zuiden van de Hertogswetering dateren met name uit de Bronstijd.

In verschillende zones binnen het onderzoeksgebied is eerder archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd.

Er is een duidelijk verschil in verwachting ten noorden van de Hertogswetering en ten zuiden van de watergang. Ten noorden van de Hertogswetering duiden de vondsten en voorgaande onderzoeken duiden op een middelhoge tot hoge archeologische verwachting op sporen uit de Romeinse tijd. Waarbij er sporen vanaf de Ijzertijd tot de Vroege Middeleeuwen verwacht worden. De verwachting is op een complextype nederzetting of begraving. De twee AMK-monumenten in de nabijheid van het plangebied duiden op een hoge verwachting. Ten zuiden van het plangebied duiden de vondsten en voorgaande onderzoeken op een middelhoge tot hoge verwachting op sporen uit de Bronstijd en IJzertijd. Ook het AMK-terrein in de nabijheid van het plangebied duidt op deze verwachting.

Conclusie

De landschappelijke ligging van het plangebied toont aan dat er op meerdere niveaus een verwachting is op archeologische resten. Vanaf de Nieuwe tijd is het gebied meerdere malen overstroomt en daarmee een ongunstige plek voor bewoning geweest. Voor deze periode geldt een lage archeologische verwachting. Aangezien het plangebied buiten de historische kern van Oss ligt gelegen is wordt voor de periode vanaf de Nieuwe tijd alleen ontginningssporen verwacht. Voor nederzettingsresten geldt voor deze periode een lage archeologische verwachting. De ontginningssporen worden direct onder de bouwvoor verwacht. De gaafheid is naar verwachting slecht tot redelijk. Uit de Nieuwe tijd (19e eeuw) worden op basis van kaartmateriaal geen bewoning binnen het plangebied. verwacht. Voor nederzettingsresten geldt voor deze periode een lage archeologische verwachting.

Vanwege de grote hoeveelheid vindplaatsen wordt geadviseerd om een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uit te voeren ter hoogte van de nieuwe watergang.

Dit onderzoek wordt op korte termijn uitgevoerd.

6.1.4 Bodem
6.1.4.1 Verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek

In opdracht van provincie Noord-Brabant heeft Geofoxx een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een gedeelte van de provinciale weg N625 Lithoijen Oss (km 17.650 - km 20.250). Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 4.

Het onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de milieuhygiënische en civieltechnische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de bermen, de toekomstig aan te leggen watergang en op de aan te kopen percelen. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is het vaststellen of de verdenking voor de parameter asbest terecht is en wat (indicatief) het gewogen gehalte aan asbest in de grond en/of puin is. Het grondwater is gezien het doel van het onderzoek niet onderzocht.

Conclusies en advies

Voor de eventueel uit te voeren graafwerkzaamheden in de verontreinigde grond dient een (BUS)-melding te worden verricht of saneringsplan te worden opgesteld, waarin de te nemen saneringsmaatregelen moeten worden uitgewerkt. De (BUS)-melding of het saneringsplan moet door middel van een beschikking worden goedgekeurd door het bevoegd gezag Wet bodembescherming.

Geadviseerd wordt om eerst na te gaan of en waar graafwerkzaamheden nodig zijn en dan na te gaan of het loont om aanvullend onderzoek uit te voeren. Er is bijvoorbeeld uitgegaan van een verontreiniging die doorloopt tot het volgende (geanalyseerde) boorpunt en over een strook van 1,7 meter breed. In de praktijk kan de feitelijke omvang van de verontreiniging kleiner zijn dan nu aangenomen op basis van de verkregen gegevens.

Daarnaast dient bij graafwerkzaamheden ter plaatse van de sterk verontreinigde grond rekening te worden gehouden met de veiligheidsklasse "rood niet vluchtig".

Op basis van de resultaten van dit onderzoek zijn er geen verdere aandachtspunten, ook niet in het kader van de aankoop van percelen voor de toekomstige watergang.

6.1.4.2 Milieuhygiënisch waterbodemonderzoek

In opdracht van provincie Noord-Brabant heeft Geofoxx een milieuhygiënisch waterbodemonderzoek uitgevoerd op de locatie N625 Lithoijen Oss (km 17.650 - km 20.250). Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5.

Het doel van onderhavig onderzoek is het verkrijgen van een milieuhygiënische verklaring (MHV) voor hergebruik van de vrijkomende waterbodem. Voor het behalen van dat doel geldt het volgende aspect:

  • De chemische kwaliteit vaststellen en daarmee te bepalen op welke wijze de waterbodem die vrijkomt bij de werkzaamheden kan worden verwerkt alsmede de kwaliteit van de ontvangende waterbodem te bepalen.

Daarnaast worden de PFAS componenten onderzocht om invulling te geven aan het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie en de hergebruiksmogelijkheden conform het Besluit bodemkwaliteit.

Conclusies en advies

Voor het dempen van de sloten dient gebruik gemaakt te worden van grond of baggerspecie die aantoonbaar voldoet aan de norm van 0,1 ug/kg ds (PFAS) of van baggerspecie uit hetzelfde oppervlaktewaterlichaam. Het dempen van de sloten met PFAS vrije grond ligt het meest voor de hand aangezien baggerspecie civieltechnisch minder geschikt is.

Naast het aandachtspunt voor wat betreft PFAS dient rekening gehouden te worden met de kwaliteit van de ontvangende bodem op basis van de reguliere parameters. De toe te passen grond/baggerspecie dient te voldoen aan de achtergrondwaarden (AW2000). In vak WB4 kan grond/baggerspecie toegepast worden die voldoet aan de normen voor klasse wonen/A. Let op. Ter plaatse van WB2 en WB3 bleek het niet mogelijk om alle PFAS-componenten te analyseren. Dit kan consequenties hebben voor hergebruik. In het geval van hergebruik wordt geadviseerd met het bevoegd gezag te overleggen wat is toegestaan.

6.1.4.3 Asfalt en funderingsonderzoek

In opdracht van provincie Noord-Brabant heeft Geofoxx een asfalt- en funderingsonderzoek uitgevoerd op een gedeelte van de provinciale weg N625 Lithoijen Oss (km 17.650 - km 20.250). Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6.

Het onderzoek heeft tot doel:

  • het bepalen van de milieuhygiënische hergebruikskwaliteit van het asfalt(teerhoudendheid) van de aan te passen kruisingen;
  • het (steekproefsgewijs) vaststellen van de opbouw en ter indicatie bepalen van de milieuhygiënische hergebruikskwaliteit van het (funderings)materiaal (bouwstoffen en grond) ter plaatse van de te reconstrueren kruisingen, aansluitingen en inritten en de te verwijderen (betonnen) fietspaden.

Conclusie

Met voorliggend onderzoek is een betrouwbare indicatie verkregen van de milieuhygiënische hergebruikskwaliteit van het funderingsmateriaal (bouwstof) en grond. Het toepassen van de bouwstoffen en grond dient plaats te vinden conform de regels van het Besluit en Regeling bodemkwaliteit en eventueel lokaal bodembeleid. Om de definitieve hergebruiksmogelijkheden vast te stellen is (mogelijk) aanvullend onderzoek vereist (partijkeuring AP04 conform genoemd besluit).

6.1.5 Ecologie
6.1.5.1 Quickscan natuurwetgeving

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met natuurwetgeving. Derhalve is het belang om na te gaan of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden. Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten of kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland.

In de in mei 2019 uitgevoerde quickscan natuurwetgeving zijn de eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld gebracht (zie Bijlage 7).

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied 'Rijntakken' en grenst ook niet aan dit Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied de Rijntakken ligt op ruim 7 km richting het noordwesten. Gezien de ruimte afstand tot Natura 2000-gebied zijn direct negatieve effecten, bijvoorbeeld door aantasting, zijn op voorhand uitgesloten. Effecten als gevolg van verstoring door bijvoorbeeld geluid zijn eveneens op voorhand uitgesloten. Wel is mogelijk sprake van externe effecten, namelijk als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van habitatsoorten door de aanlegwerkzaamheden. Om te beoordelen of er sprake is van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied en daarmee mogelijk effecten op de instandhoudingsdoelen, dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd voor de aanlegfase. Op basis van het resultaat van deze berekening kan vervolgens worden bepaald of mogelijk een melding of vergunningsaanvraag moet worden gedaan ten behoeve van de uitvoering van het plan.

De verkeersintensiteit op de N625 verandert na de voorgenomen ingreep niet. Een negatief effect door stikstofdepositie in de gebruiksfase is daarom op voorhand uitgesloten.

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Het plangebied is niet gelegen in NNB-gebied en grenst tevens niet aan NNB-gebied. Wel kruist de N625 de Hertogswetering; de Hertogswetering maakt onderdeel uit van de Ecologische Verbindingszone (EVZ). Het ruimtebeslag is beperkt.

Er is geen sprake van externe effecten. Het gebruik van de weg met fietspad verandert niet door de aanpassing en ook zal de functie van de Hertogswetering als EVZ niet worden aangetast. Negatieve effecten op het NNB en de EVZ zijn dan ook uitgesloten. Hierdoor is verdere toetsing en het aanvragen van vergunningen niet noodzakelijk.

Soortenbescherming

Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming.

Er is ten aanzien van de soortenbescherming een bureauonderzoek en een veldbezoek (26 maart 2019) uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar.

In onderstaande tabel is per relevante soortgroep aangegeven welke beschermde soorten zich binnen het projectgebied bevinden.

Soortgroep  
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest  
Broedvogels met jaarrond beschermd nest  
Grondgebonden zoogdieren: algemeen voorkomende soorten  
Marterachtigen: wezel en hermelijn  
Vleermuizen  
Amfibieën: algemeen voorkomende soorten  
Amfibieën: poelkikker  
Vissen: grote modderkruiper  

Mitigerende maatregelen

Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, moeten maatregelen genomen worden. Er moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld op waarin de mitigerende maatregelen worden uitgewerkt, zodat deze worden geborgd tijdens uitvoering van het plan.

Maatregelen ten aanzien van de poelkikker zijn:

  • Voer de werkzaamheden in het natte profiel niet uit als er ijs op het water ligt en ook niet op warme dagen. De watertemperatuur moet beneden de 25 °C liggen.
  • Vang voorafgaand aan de werkzaamheden en tijdens het leegpompen de aanwezige vissen in de te dempen watergang en ter plaatse van de te verplaatsen duikers en verplaats de vissen direct naar een andere watergang in het leefgebied. Bij voorkeur in de periode september - december.

Maatregelen ten aanzien van algemene broedvogels:

  • Werken buiten het broedseizoen; het broedseizoen loopt doorgaans tussen 15 maart en 1 juli, echter kunnen soorten ook buiten deze periode starten met broeden. Actieve nesten zijn dan nog steeds beschermd.
  • Indien werkzaamheden uitgevoerd moeten worden in het broedseizoen dient het plangebied voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden zodat vogels niet kunnen gaan broeden in het plangebied. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecoloog te controleren of er geen vogels broeden in het plangebied.

Zorgplicht

De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden:

  • Maai en/of snoei voorafgaand aan de werkzaamheden de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. Houd hierbij wel rekening met het broedseizoen.
  • Voer de werkzaamheden rustig uit en dusdanig dat dieren niet ingesloten raken. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden.

Conclusie

Binnen het plangebied komen beschermde soorten voor. Het gaat om algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, incidenteel poelkikker en grote modderkruiper.

Als gevolg van de werkzaamheden zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten niet uitgesloten en worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wnb overtreden.

Met inachtneming van de maatregelen wordt het overtreden van verbodsbepalingen in het kader van de Wnb voorkomen. Het is dan niet nodig soortgericht onderzoek uit te voeren en een ontheffing aan te vragen. Het plan is met het nemen van maatregelen vergunbaar.

6.1.5.2 Nader onderzoek ecologie

De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet.

Naar aanleiding van de resultaten van quickscan natuurwetgeving is er een nader onderzoek ecologie uitgevoerd naar de poelkikker en de grote modderkruiper.

Poelkikker

De poelkikker is aangetroffen tijdens het onderzoek en heeft essentieel leefgebied in het plangebied. Door de voorgenomen werkzaamheden zal essentieel leefgebied van deze soort verdwijnen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook noodzakelijk. Deze ontheffing dient aangevraagd te worden bij provincie Noord-Brabant. Hiervoor zullen mitigerende/compenserende maatregelen moeten worden getroffen voor de poelkikker en er is een projectplan opgesteld.

Kleine watersalamander en bastaardkikker zijn in Noord-Brabant vrijgestelde soorten. Hiervoor moet rekening gehouden worden met de zorgplicht. In dit geval houdt dit in de deze dieren niet opzettelijk mogen worden gedood en/of verwond. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voor kleine watersalamander en bastaardkikker nodig.

Grote modderkruiper

De grote modderkruiper is aangetroffen tijdens het onderzoek en heeft essentieel leefgebied in het plangebied. De geplande werkzaamheden (het dempen van sloten en het verleggen van duikers) zal tot afname van het essentieel leefgebied van deze vissoort lijden. Daarnaast is het mogelijk dat exemplaren van de grote modderkruiper gedood, dan wel verwond worden bij de voorgenomen werkzaamheden.

Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook noodzakelijk. Deze ontheffing dient aangevraagd te worden bij provincie Noord-Brabant. Voor verkrijgen van een ontheffing is het nodig mitigerende/compenserende maatregelen te treffen voor de grote modderkruiper en is een projectplan opgesteld.

6.1.6 Explosieven

AVG Explosieven Opsporing Nederland heeft een vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven uitgevoerd ter plaatse van de projectlocatie N625 (zie Bijlage 9).

Het onderzoeksgebied ligt tussen Oss en Lithoijen/Teeffelen in de gemeente Oss. Het betreft de provinciale weg N625, die ook al tijdens de Tweede Wereldoorlog gesitueerd was op deze locatie. De rode lijn markeert het onderzoeksgebied. Het analysegebied betreft het onderzoeksgebied inclusief een buffer van 181 meter. Op de kaart is dit weergegeven binnen de zwarte lijn. Alle oorlogshandelingen binnen het analysegebied worden in het vooronderzoek beoordeeld. Het gebied binnen de zwarte lijn op de kaart betreft het analysegebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0015.png"

Ligging van de N625 gedurende de Tweede Wereldoorlog

Het vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven bestaat uit het verzamelen en gestructureerd ordenen van literatuur en historische bronnen. Het vooronderzoek dient conform de WSCS-OCE te worden uitgevoerd. Het bronnenonderzoek vindt plaats op basis van een inventarisatie van gebeurtenissen die hebben geleid tot de mogelijke aanwezigheid van CE (indicatie) en gebeurtenissen die hebben geleid tot de verwijdering van CE (contra-indicaties). Op basis van deze gegevens wordt gemotiveerd vastgesteld of er sprake is van een op CE verdacht gebied. Indien er sprake is van een verdacht gebied, worden de (sub)soort, de aantallen en de verschijningsvorm van de vermoedelijk aanwezige CE, alsmede de horizontale en verticale afbakening.

Aan de hand van het bronnenmateriaal is een indicatie gegeven voor explosieven in het analysegebied.

  • Er is in de meidagen van 1940 geen sprake geweest van grondgevechten in het analysegebied.
  • Voorafgaand aan de bevrijding door de geallieerden was er geen sprake van grondgevechten in het analysegebied.
  • In het analysegebied waren geen militaire objecten aanwezig.
  • Er zijn geen militaire vliegtuigen in het analysegebied gecrasht.
  • Ter plaatse van het analysegebied is geen sprake geweest van vliegtuigbeschietingen, noodafworpen en bombardementen.
  • Er zijn ter plaatse van het analysegebied vernielingsladingen ingezet.
  • Het analysegebied heeft geleden onder gevechtshandelingen.
  • Er zijn in het verleden CE in het analysegebied geruimd. Dit betrof onder andere geschutsmunitie.
  • Er is na de Tweede Wereldoorlog sprake geweest van naoorlogse bodemingrepen in het analysegebied (contra-indicatie). CE zin ten gevolge van deze bodemingrepen verwijderd c.q. binnen het onderzoeksgebied verplaatst.

Voor het aanbrengen van vernielingsladingen bij een brug is beoordeeld of CE in het onderzoeksgebied aangetroffen kunnen worden. Er zijn één of meerdere vernielingsladingen bij een brug in het onderzoeksgebied in 1944 aangebracht. Deze brug werd opgeblazen. Er was mogelijk sprake van geïmproviseerde vernielingsladingen. CE kunnen zijn gedumpt of achtergelaten in het onderzoeksgebied. Geïmproviseerde vernielingsladingen kunnen, afhankelijk van de gebruikte typen CE, ten gevolge van de detonatie zijn weggeslingerd.

Voor wat betreft de verticale afbakening wordt vastgesteld dat vernielingsladingen of delen daarvan op de vaste waterbodem kunnen worden aangetroffen.

Conclusie

Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE. Door het aanbrengen van vernielingsladingen kunnen (geïmproviseerde) vernielingsladingen aangetroffen worden. Het onderzoeksgebied is gedeeltelijk verdacht op CE. Het CE verdacht gebied is horizontaal afgebakend op de CE-bodembelastingkaart, zie de volgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0016.png"

CE-bodembelastingkaart

Aanbevolen wordt om de voor CE verdachte gebieden een nadere verdiepingsslag uit te voeren om indien mogelijk de horizontale en/of de verticale afbakening van het CE verdachte gebied te reduceren. Daarnaast wordt aanbevolen om detectie op het land uit te voeren op het moment dat de bovengrondse obstakels ter plaatse van de N625 zijn verwijderd. Ook voor een detectie op de waterbodem geldt dat moet worden nagegaan of de watergang niet naoorlogs is gebaggerd, verbreed en/of verdiept. Wanneer dit niet kan worden bepaald, dient een detectie op de waterbodem te worden uitgevoerd.

6.1.7 Water

Om het twee-richtingen bereden fietspad aan de zuidwestzijde van de N625 te kunnen realiseren, is een waterparagraaf nodig. In deze waterparagraaf wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten van het betreffende plangebied. De waterparagraaf is opgenomen in Bijlage 10. Hierin zijn het waterbeleid en de huidige situatie beschreven.

In de huidige situatie watert de N625 en naastgelegen fietspaden af naar droogvallende sloten aan beide zijden. Deze fietspaden zijn beiden 1,5 m breed en hebben een tracélengte van ongeveer 2650 meter. In de nieuwe situatie zal het fietspad aan de noordzijde komen te vervallen en vervangen worden door een 4 meter breed (2-richting) fietspad aan de zuidzijde. Dit betekent dat de belasting van het fietspad aan de noordzijde komt te vervallen. De aangesloten verharding op de zuidelijke sloot zal met 2,5 m2 per strekkende meter fietspad toenemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0017.png"

Schematische verplaatsing fietspad N625

De verbreding van het fietspad heeft ook invloed op de beschermingszone van de aanwezige A-watergangen. Het tracé van het fietspad kruist op 3 plaatsen een primaire watergang (A-watergang). De betreffende watergangen zijn in het beheer van het waterschap. Langs deze watergangen moet aan beide zijden een obstakelvrije zone van 5 meter worden aangehouden. Deze zone is bestemd voor het doelmatig onderhoud van de watergang.

Bergingsopgave en uitwerking waterhuishouding

Ontwatering 

De minimale wegpeilen dienen te voldoen aan de ontwateringsnormen. Voor het fietspad is een minimale ontwateringsnorm gehanteerd voor 0,7 meter. De N625 inclusief fietspaden ligt circa 1 meter boven het omliggende maaiveld. Op basis van de wegpeilen van het nieuwe ontwerp van de N625 en de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) wordt verondersteld dat het gehele tracé voldoet aan de vereiste ontwatering van 0,7 m boven de GHG. Aanvullend, in de huidige functie is het tracé ook reeds in gebruik als weg. Na de aanleg van het fietspad worden ten opzichte van de huidige situatie dan ook geen veranderingen in de ontwateringsdiepte verwacht.

Afwatering en compensatie

De watergangen aan beide zijden van de weg zijn op enkele plekken middels duikers onder de John F Kennedybaan (N625) met elkaar verbonden. In theorie zou een compensatie van 1 m2 toename aan verharding per strekkende meter fietspad dus volstaan voor de bergingseis. Omdat de verharding echter met 2,5m2 verharding toeneemt op de zuidelijke sloot, en de afstand tot de noordelijke sloot op sommige locaties erg groot is, wordt een netto toename van 2,5 m2 per strekkende meter fietspad als uitgangspunt geadviseerd. In de uitwerking van de bergingsopgave blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om aan deze extra bergingsopgave te voldoen en wordt de algehele robuustheid van het watersysteem verbeterd.

Om aan de bergingsopgave te voldoen wordt voorgesteld om stuwen te plaatsen in de (te verplaatsen) zaksloot aan de zuidkant van de N625. Deze watergang kruist op verschillende locaties andere oppervlaktewateren en daarom dient er gecompartimenteerd te worden om berging te kunnen realiseren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0828.TAMftspN625oss2020-VG01_0018.png"

Compartimentering bergingssloot

De berekende bergingseis (0,15 m3/strekkende meter) is in het nieuwe slootprofiel te realiseren bij een stuwhoogte van 0,15 meter boven GHG of slootbodem. Om voor een maximale verbetering van de waterhuishouding te gaan zou er voor gekozen kunnen worden om de stuw hoger te plaatsen zodat (een deel van) de overige verharding gecompenseerd word. Het advies is om dan een stuw met v-profiel of doorlaat te plaatsen zodat, bij tegenvallende infiltratiecapaciteit van de bodem, toch leegloop van het watersysteem mogelijk is.

Waterkwaliteit

Door het afspoelen van het wegdek met regenwater (run-off) komen verontreinigingen in de berm en het grondwater terecht. Door de compartimentering bestaat er het risico dat vervuiling gaat bezinken in de bergingssloot. Door het bindend vermogen van de bermbodem zullen de hierin geïnfiltreerde verontreinigingen in de bovenste centimeters worden vastgehouden. Deze laag dient, wanneer de verontreinigingsgraad een bepaald niveau heeft bereikt, worden verwijderd en gecontroleerd worden afgevoerd. Het zuiveringsrendement komt naar verwachting overeen met dat van de speciaal aangelegde infiltratievoorzieningen en bedraagt meer dan 90% voor metalen. (Bron: Rendement en kosten behandeling Van afstromend wegwater, Grontmij Advies, 1999).

Overige aspecten

Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater kunnen gebods- of verbodsbepalingen gelden op basis van de Keur. Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd.

Tussen de Hertogswetering en de Ossche Parallelwetering is een 'overige' waterkering gesitueerd. Afhankelijk van de werkzaamheden is hier mogelijk een watervergunning nodig.

Parallel gelegen aan de Hertogswetering ligt een strook van 25 meter, gemeten vanaf de insteek. Deze ruimte is noodzakelijk voor toekomstige verbeteringen, zoals ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering. Werken of objecten in deze zone zijn watervergunningplichtig.

In sommige gevallen kan een werkzaamheid onder een Algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht.

6.1.8 Kabels en leidingen

Op de grens van de bebouwde kom van Oss en het buitengebied ligt een (drink)watertransportleiding die het plangebied voor het fietstracé kruist. De betreffende leiding is als 'Leiding – Water' met een belemmeringenstrook van 2x3 meter uit het hart van de leiding op de verbeelding opgenomen.

Hoofdstuk 7 Handhaving

7.1 Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd.

De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria:

  • het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels;
  • het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken;
  • zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien:

  • het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes;
  • nakoming van afspraken en naleving van regels.

In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden.

De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de voorschriften en desnoods bestuursrechtelijke handhaving.

Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.

7.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

7.3 Handhaafbaarheid, bestemmingen en overgangsrecht

De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan de
economische uitvoerbaarheid te worden aangetoond. Het bestemmingsplan Fietspad N625 voorziet in een reconstructie van de fietspaden langs de N625. De verbreding van het westelijke fietspad en het verwijderen van het oostelijke fietspad zijn niet aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dat betekent dat er geen exploitatieplan vastgesteld behoeft te worden of een anterieure overeenkomst behoeft te worden gesloten.

De totale investering benodigd voor de uitvoering van het plan wordt door de provincie Noord-Brabant geregeld. De genoemde investering omvat alle kosten voor de geplande werkzaamheden en omvat tevens de gangbare toeslagen voor het financieel kunnen incasseren van tegenvallers in de uitvoering.

Ter vergoeding van de door de gemeente Oss te maken kosten is op basis van de Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wro) een overeenkomst afgesloten met de provincie Noord-Brabant. Het betreft een zogenoemde 'exploitatie overeenkomst'. Door middel van deze overeenkomst wordt tevens voorzien in het verhaal van eventuele planschade, of kosten bij procedures ten behoeve van de verwerving van gronden. Ook de vergoeding van de door de gemeente Oss te maken kosten wordt gedekt door deze overeenkomst.

Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Inspraak

Het voorontwerp bestemmingsplan heeft ingevolge de Inspraakverordening gemeente Oss 2007 en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 24 december 2019 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (ruimtelijkeplannen.nl). Hiervan is op 23 december 2019 mededeling gedaan in het plaatselijke blad Oss Actueel en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode konden ingezetenen van de gemeente Oss en belanghebbenden hun reactie geven op het voorontwerp bestemmingsplan. De gemeente heeft drie inspraakreacties ontvangen en ontvankelijk verklaard.

Het eindverslag van de inspraak is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting.

9.2 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’.

Ter uitvoering daarvan is het voorontwerp bestemmingsplan voor overleg aangeboden aan de volgende instanties:

  • 5. Rijkswaterstaat, directie Noord-Brabant
  • 6. Provincie Noord-Brabant, directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving
  • 7. Waterschap Aa en Maas
  • 8. Brandweer
  • 9. BrabantWater

Deze instanties zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerp bestemmingsplan.

Het eindverslag van dit vooroverleg is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting.

9.3 Zienswijzen

Op de voorbereiding van het besluit omtrent de aanpassingen is de in artikel 3.8 Wro geregelde procedure van toepassing, dat wil zeggen dat het ontwerp bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage dient te liggen, waarbinnen eenieder zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken.

Het ontwerp bestemmingsplan 'Fietspad N625' heeft van 9 april tot en met 22 mei 2020 voor een ieder ter inzage gelegen, waarbij de gelegenheid is geboden om binnen deze termijn zienswijzen met betrekking tot het ontwerp bestemmingsplan kenbaar te maken.

De gemeente heeft 4 zienswijzen ontvangen en deze ontvankelijk verklaard. Tevens werden de indieners in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze mondeling toelichten bij de Hoorcommissie Bestemmingsplannen. Hiervan hebben 2 indieners gebruik gemaakt.

Het eindverslag van de ingekomen zienswijzen is opgenomen in Bijlage 12 bij deze toelichting.