| Plan: | Buitengebied, herziening Bijsterveld 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0823.BPBGBIJSTERVELD2-VAST |
Het (voormalige) agrarische bedrijf aan de Bijsterveld 2 te Oirschot heeft haar agrarische activiteiten beëindigd. De opstallen (woning met agrarische bedrijfsbebouwing) met bijbehorende gronden zijn inmiddels verkocht. Een deel van de gronden, behorende bij het grondareaal van het voormalige agrarische bedrijf zijn als agrarische gronden verkocht. Deze gronden maken verder geen onderdeel uit van het planvoornemen. Uitgezonderd het deel van de gronden die herbestemd dienen te worden tot de bestemming 'Agrarisch met waarden' zonder bouwvlak. Hiermee wordt voorkomen dat op deze gronden nog bouwmogelijkheden blijven bestaan voor de realisatie van agrarische bedrijfsbebouwing.
De initatiefnemer, zijnde de nieuwe eigenaren van de opstallen van het voormalige agrarische bedrijf, wil in de voormalige bedrijfswoning gaan wonen, met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit. Op basis van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ is ter plaatse alleen wonen toegestaan in de bedrijfswoning ten dienste van het agrarische bedrijf. Het wonen door derden is derhalve niet toegestaan. Het gebruik als burger-/plattelandswoning is zelfs expliciet aangemerkt als strijdig gebruik. Het planvoornemen om ter plaatse te wonen in de voormalige bedrijfswoning past niet binnen de regels behorende bij deze bestemming. In dat kader dient de locatie herbestemd te worden tot 'wonen', waarbij de overtollige agrarische bebouwing geamoveerd wordt en het geheel landschappelijk ingepast wordt.
Om wonen in de voormalige bedrijfswoning met de mogelijkheid van een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit toch planologisch-juridisch mogelijk te maken, is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Oirschot ten oosten van de kern Oirschot, in de directe nabijheid van het klooster aan de Montfortlaan. Het voormalige agrarische bedrijf zelf is gelegen aan de Bijsterveld 2, aan het einde van de doodlopende weg c.q. insteek vanuit de Montfortlaan.
Luchtfoto directe omgeving met in rood het plangebied aangegeven © maps.google.nl
Ten westen van het voormalige agrarische bedrijf is een burgerwoning gelegen met aangrenzend open agrarisch gebied. Ten oosten en zuiden ligt een (voormalig) klooster met een kloostertuin. De gronden van deze kloostertuin grenzen direct aan het voormalige agrarische bedrijf en zijn hier voorzien van dichte bosschages. Het voormalige agrarische bedrijf wordt hierdoor volledig aan het zicht onttrokken vanaf de Montfortlaan, gezien vanuit het zuidoosten. Tussen de kloostertuin en het voormalige agrarisch bedrijf is een watergang c.q. greppel aanwezig. Ten noorden is sprake van een open agrarisch gebied.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied fase II 2013'. Dit bestemmingsplan is, na een 2e bestuurlijke lus, gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2014. Op 28 augustus 2015 heeft de Raad van State uitspraak gedaan over de 28 door appellanten ingediende beroepsschriften. Deze uitspraak heeft geen betrekking op onderhavige locatie.
Uitsnede plangebied
Conform het vigerende bestemmingsplan zijn ter plaatse de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en de dubbelbestemmingen 'Waarden - Archeologie 3 en 4' van kracht. Tevens zijn de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - iv nee', 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', 'overig - kansrijk extensief recreatief gebied' en 'overig - akkercomplex 1' van toepassing. De bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning met bijbehorende gronden zijn geregeld door middel van de aanduiding 'bouwvlak' en 'bedrijfswoning'.
De bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' is onder andere bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij, geiten- en schapenhouderij en glastuinbouw, aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten, tuinen en erven en landschappelijke inpassing. Daarnaast zijn de gronden onder andere bestemd voor openbare nutsvoorzieningen, extensief recreatief medegebruik, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en wegen, paden en overige infrastructurele voorzieningen.
Tevens zijn ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing. Deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Voor het bouwen ten aanzien van de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een diepte van meer dan 30 cm onder maaiveld in beginsel een archeologisch onderzoeksrapport dient te worden overgelegd. Voor het bouwen ten aanzien van de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld eveneens een archeologisch onderzoeksrapport dient te worden overgelegd.
Doordat de gronden binnen het plangebied niet voorzien in de mogelijkheid voor reguliere bewoning van een woning met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing, is een herziening van het bestemmingsplan ter plaatse noodzakelijk. In deze toelichting wordt de herziening van het bestemmingsplan onderbouwd. In de regels wordt een gedetailleerde regeling van de nieuwe bestemmingen gegeven en wordt duidelijk wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied zijn. De verbeelding (plankaart) betreft een visuele weergave hiervan. Het bestemmingsplan is opgezet conform de eisen die de Wro en de gemeente Oirschot daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012, de verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.
Na dit inleidende hoofdstuk komen in hoofdstuk 2 eerst de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente aan bod. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van de bestaande situatie, waarna in hoofdstuk 4 het plangebied en het planvoornemen worden beschreven. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten (inclusief de waterparagraaf). In hoofdstuk 6 wordt aangegeven hoe het planvoornemen is verwoord in de planregels en de verbeelding (juridische opzet). Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de economische en maatschappelijk haalbaarheid van het planvoornemen en in hoofdstuk 8 komt de te doorlopen procedure aan bod.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat het planvoornemen niet strijdig is met het voor het plangebied relevante nationale en provinciale beleid en dat het in lijn is met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Oirschot.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) speelt in op de volgende ontwikkelingen en
uitdagingen:
Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel. Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard.
De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers, reizigers en verladers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.
Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld:
Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan.
Het planvoornemen ziet op de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijf naar wonen in combinatie met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing. De overtollige agrarische bebouwing dient gesloopt te worden en het geheel dient landschappelijk ingepast te worden. Voor het plangebied en het planvoornemen volgen uit voornoemde nationale belangen niet direct regels die het planvoornemen belemmeren. Met het planvoornemen wordt geen windmolen of hoge bebouwing mogelijk gemaakt die verstorend zouden kunnen werken voor de radarstations. Bovendien ligt het plangebied buiten de aangewezen gebieden voor het hoofd watersysteem en hoofdwegennet. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de SVIR gelden.
Ingevolge de ladder voor duurzame verstedelijking moet een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting van het ruimtelijke plan gemotiveerd worden met behulp van drie opeenvolgende stappen:
Stedelijke ontwikkeling
Allereerst is hier de vraag aan de orde in hoeverre hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Het begrip ‘woningbouwlocatie’, zoals opgenomen in de definitie is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Recente uitspraken van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State laten zien dat het bouwen van één woning geen stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder is en ook een ontwikkeling die drie woningen rechtstreeks mogelijk maakt en drie woningen via een wijzigingsbevoegdheid zijn niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.
Het planvoornemen ziet op de mogelijkheid voor reguliere bewoning met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing. Het betreft de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing. Er is daarbij géén sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het aantonen van de actuele regionale behoefte (trede 1) is daarmee niet aan de orde.
Natura-2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden met als doel het ontwikkelen en in stand houden van soorten en ecosystemen die belangrijk zijn voor Europa. Deze gebieden zijn aangewezen op basis van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het beleid houdt echter niet bij de landsgrenzen op, dieren en planten trekken zich immers niets aan van landsgrenzen.
Er zijn drie thema's die centraal staan bij Natura-2000, te weten beleven, gebruiken en beschermen. Beleven houdt in dat er ruimte wordt gecreëerd voor recreatie. Recreatie en natuurontwikkeling in dezelfde omgeving betekent echter wel dat er goede afspraken gemaakt moeten worden. Met gebruiken wordt bedoeld dat de natuur naast haar schoonheid ook economisch functioneel is. Wonen, werken en recreëren in een mooie omgeving is het streven, waarbij economie en ecologie met elkaar in balans dienen te zijn. Beschermen wil zeggen het duurzaam beschermen van flora en fauna. Het ideaalbeeld wordt bereikt wanneer de drie thema's in combinatie met elkaar zonder problemen van toepassing kunnen zijn op natuurgebieden.
Voor ieder definitief aangewezen Natura-2000 gebied dient een beheersplan opgesteld te worden met een looptijd van zes jaar. Een dergelijk beheersplan wordt opgesteld in goed overleg met eigenaren, beheerders en betrokken overheden (met name gemeenten, waterschappen en provincies). Het plan geeft weer wat er moet gebeuren om de gestelde doelen te bereiken en wie daarvoor verantwoordelijk is. Gemeenten zijn verplicht om beheersplannen ten aanzien van Natura-2000 gebieden door te laten werken in het betreffende bestemmingsplan, indien een dergelijk gebied (gedeeltelijk) binnen het plangebied valt.
Natura-2000 gebieden, met in rood het plangebied aangegeven
Binnen de gemeente Oirschot zijn de Natura-2000 gebieden 'Kempenland - West' en 'Kampina & Oisterwijkse Vennen' gelegen. Deze Natura-2000 gebieden zijn niet binnen het plangebied gelegen, maar op een afstand van circa 7 km en 5 km. Gezien de afstanden tot deze gebieden vormt het planvoornemen geen belemmering voor de Natura-2000 gebieden.
De Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant weer tot en met 2025. Het beleid is gestoeld op een evenwicht van het milieu (planet), de mens (people) en de markt (profit) in ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is het van groot belang om bestaande kwaliteiten te benutten en als uitgangspunt te nemen bij ontwikkelingen.
Noord-Brabant heeft de ambitie om een goede mix van wonen, werken en voorzieningen te creëren. De leefbaarheid in woonmilieus moet van voldoende kwaliteit zijn. Dynamische stadscentra, vitale plattelandskernen, eigen identiteit en regionale afstemming zijn enkele uitgangspunten. Daarnaast dienen er voldoende veilige en goed bereikbare werkplekken te zijn voor de bevolking. Steden moeten aantrekkelijk blijven voor diverse bevolkingsgroepen en dienen garant te staan voor het aanbieden van (bovenlokale) voorzieningen.
In deel B van de structuurvisie beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Iedere structuur wordt verder onderverdeeld in verschillende structuurvisiegebieden, waarvoor telkens het beleid en de ambities uiteengezet worden.
Uitsnede Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat ten aanzien van het plangebied sprake is van een 'groenblauwe mantel' in de Groenblauwe structuur.
De provincie Noord-Brabant heeft ten aanzien van de Groenblauwe structuur de volgende ambitie:
Met de groenblauwe mantel wordt bedoeld het gemengd agrarisch gebied, grenzend aan het kerngebied natuur en water, met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water, (-beheer) en landschap draagt bij aan de bescherming van de waarden in het kerngebied. Het behoud en vooral de ontwikkeling van de natuur, water (-beheer) en landschap is een belangrijke opgave. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem-, en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap.
Door de herbestemming van het voormalige agrarische bedrijf naar wonen in combinatie met een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, vindt ter plaatse van het plangebied en voor de directe omgeving een kwaliteitsverbetering plaats. Met name de beëindiging van het houden van dieren (varkens) draagt hieraan bij. Tevens wordt de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt; wat eveneens tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering leidt.
Conclusie
In combinatie met de wijziging van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' naar 'Wonen' wordt ook voorzien in de noodzakelijke landschappelijke inpassing. Door de landschappelijke inpassing wordt eveneens een bijdrage geleverd aan de bescherming van de waarden in het kerngebied en wordt natuur en landschap behouden. De bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties worden gerespecteerd en het planvoornemen levert een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van de functies en het landschap.
De landschappelijke inpassing is als bijlage 1 bijgevoegd.
De Verordening ruimte 2014 is de juridische vertaling van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en bevat derhalve onderwerpen die in de visie naar voren komen. De verordening bevat algemene regels waaraan gemeenten zich dienen te houden bij het opstellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen waarbij afgeweken wordt van bestemmingsplannen. Ook wordt in de Verordening geregeld op welke wijze het regionaal ruimtelijk overleg, waarin afspraken worden gemaakt over verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen), wordt georganiseerd.
Uitsnede integrale plankaart Verordening Ruimte 2014, met in zwart het plangebied aangegeven
Uit bovenstaande kaart volgt dat het plangebied is gelegen binnen 'Structuur - Groenblauwe Mantel', met de aanduiding 'Cultuurhistorisch vlak' en de aanduiding 'Beperking veehouderij'. Daarnaast zijn ook de regels voor bevordering ruimtelijke kwaliteit van toepassing.
Structuur - Groenblauwe mantel
Ten aanzien van de bepalingen in de verordening omtrent de 'Groenblauwe mantel' geldt dat het initiatief evenmin een ontwikkeling betreft die invloed heeft op het watersysteem, of ecologische en landschappelijke waarden. De bestaande bedrijfswoning van het voormalige agrarische bedrijf wordt in gebruik genomen als een reguliere burgerwoning. De overtollige voormalige bedrijfsbebouwing (zoals een bestaande stal, tuinhuis c.q. paviljoen) wordt grotendeels gesloopt. De bestaande stal achter de woning en de fundering met gierkelder van de niet gerealiseerde stal ten noorden van de woning en de te slopen stal blijven gehandhaafd. Deze stal krijgt de functie van berging, stalling en opslag. De fundering met gierkelder wordt ingericht als vijver als onderdeel van de landschappelijke inpassing. Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op het watersysteem of de ecologische en landschappelijke waarden. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 1 bijgevoegd.
Cultuurhistorisch vlak
Ten aanzien van de aanduiding 'Cultuurhistorisch vlak' is bepaald dat een bestemmingsplan mede is gericht op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en regels stelt ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ten aanzien van de cultuurhistorische waarden van het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.10.2
Bevordering ruimtelijke kwaliteit
Ten aanzien van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is bepaald dat een ontwikkeling zorgdraagt aan het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en toepassing geeft aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Door de beëindiging van de agrarische activiteiten, het stoppen met het houden van dieren en de sloop van (overtollige) agrarische bebouwing vindt ter plaatse van de locatie reeds een milieutechnische en ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats.
Met de wijziging van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' naar 'Wonen' wordt de bestaande bedrijfswoning van het voormalige agrarische bedrijf in gebruik genomen als reguliere burgerwoning, waarmee de ruimtelijke kwaliteit wordt bevordert en toepassing wordt gegeven aan het zorgvuldig ruimtegebruik. In totaliteit wordt 852 m2 aan bebouwing gesloopt en ontstaat slechts 150 m2 aan nieuwe bebouwing. Door deze nieuwe bebouwing op deze locatie te situeren vindt clustering van bebouwing plaats bestaande uit de woning, de berging/stalling en de nieuwe bebouwing met een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit. Door deze clustering is sprake van zuinig ruimtegebruik en sluiten de aangrenzende gronden (tuin) door de landschappelijke inrichting aan op het aangrenzende agrarische gebied.
Artikel 3.2 van de verordening ruimte 2014 bepaalt dat een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden in het gebied. Door de landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan de bescherming van de waarden in het kerngebied en wordt natuur en landschap behouden. De bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties worden gerespecteerd en het planvoornemen levert een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van de functies en het landschap. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 1 bijgevoegd.
Conclusie
Uit de Verordening Ruimte 2014 blijkt dat de provincie bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wil dat de initiatiefnemer naast de ruimtelijke kwaliteitsverbetering (stoppen met houden van dieren, sloop bebouwing) ook zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. De ontwikkeling dient actief bij te dragen aan versterking van het landschap. Middels het landschappelijke inpassingsplan wordt aangetoond dat het planvoornemen zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten en regels van de Verordening Ruimte 2014.
Voor het perceel Bijsterveld 2 is het vigerende bestemmingsplan een belangrijk bestaand gemeentelijk document. Het vigerende bestemmingsplan is reeds besproken in paragraaf 1.3 van deze toelichting.
In de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant zijn regels vastgesteld die de belangen van de provincie bij ruimtelijke ontwikkeling moeten beschermen. In artikel 3.2 van de Verordening Ruimte wordt verplicht gesteld dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied bij moeten dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Dit is de landschapsinvesteringsregeling en is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend.
De Kempen-gemeenten (waar de gemeente Oirschot onderdeel van uitmaakt) heeft in de notitie 'Landschapsinvesteringsregeling De Kempen' (hierna: LIR) concreet gemaakt hoe de uniforme aanpak eruit ziet. Op basis van de LIR is de voorgenomen bestemmingswijziging onder te brengen in categorie 3, ruimtelijke ontwikkelingen waarbij een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt verlangd. Het gaat hierbij om omzetting agrarisch bouwvlak naar woonbestemming met de volgende rekentabel.
| Functie 1 | Oppervlak/m2 | Waarde/m2 | Totaal | ||
| Agrarisch bouwblok met bedrijfswoning | 13.114 | € 25 | € 327.850 | ||
| Functie 2 | |||||
| Agrarisch onbebouwd | 10.714 | € 5 | € 53.570 | ||
| Wonen inclusief bouwvlak tot 1.000 m2 | 1.000 | € 270 | € 270.000 | ||
| Wonen inclusief bouwvlak > 1.000 m2 | 1.400 | € 60 | € 84.000 | ||
| subtotaal | € 407.570 | ||||
| Waardevermeerdering | € 79.720 | ||||
| Bijdrage LIR | 20% | € 15.944 | |||
De bijdrage zal geheel worden ingezet voor de kwaliteitsverbetering van het landschap (sloop van de stal ten noorden van de woning, de stal ten zuiden van de woning, het tuinhuis, het paviljoen en tevens het verwijderen van alle aanwezige asbest) en natuur (aanplant en inrichting van de vijver). Het slopen van de bebouwing en verwijderen van asbest komt neer op ongeveer € 40.000,-- tot € 45.000,--. Deze kosten zijn gebaseerd op een concrete offerte. Uitgaande van sloopkosten van € 50,-- per m2 is, bij 852 m2 te slopen bebouwing, dit bedrag realistisch. De aanvoer van nieuwe grond, de realisatie van de vijver en de aanplant van de bomen komt uit op ongeveer € 15.000,-- tot € 20.000,--. Dit komt neer op een investering van ongeveer € 55.000,-- tot € 65.000,--. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de bijdrage LIR. In de regels bij dit bestemmingsplan is de landschappelijke inpassing (inclusief de sloop) als voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Oirschot ten oosten van de kern Oirschot, in de directe nabijheid van het klooster aan de Montfortlaan. Het voormalige agrarische bedrijf zelf is gelegen aan de Bijsterveld 2, aan het einde van een doodlopende weg c.q. insteek vanuit de Montfortlaan.
Luchtfoto voormalig agrarisch bedrijf met directe omgeving
Ten westen van het voormalige agrarische bedrijf is een burgerwoning gelegen met aangrenzend open agrarisch gebied. Ten oosten en zuiden ligt een (voormalig) klooster met een kloostertuin. De gronden van deze kloostertuin grenzen direct aan het voormalige agrarische bedrijf en zijn hier voorzien van een dichte bosschages. Het voormalige agrarische bedrijf wordt hierdoor volledig aan het zicht onttrokken vanaf de Montfortlaan, gezien vanuit het zuidoosten. Tussen de kloostertuin en het voormalige agrarisch bedrijf is een watergang c.q. greppel aanwezig. Ten noorden is sprake van een open agrarisch gebied.
De bestaande situatie van het voormalige agrarische bedrijf bestaat uit de huidige agrarische bedrijfsbebouwing en de bijbehorende gronden met verhardingen in combinatie met tuininrichting. De huidige bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning met een aanbouw (voormalige schuur), voormalige stallen (3 stuks) en een fundering in combinatie met een gierkelder van een niet gerealiseerde stal. Verder is er nog een tuinhuis c.q. paviljoen in de tuin aanwezig.
Afbeelding bestaande situatie Bijsterveld 2
De verharding concentreert zich met name rondom de agrarische bedrijfsbebouwing met een uitloper naar de huiswei aan de noordoostzijde. Tussen de bedrijfswoning en de huiswei, ten oosten van de bestaande stallen’ zijn de gronden ingericht als tuin.
Het planvoornemen bestaat concreet uit het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten en het wijzigen van de functie in wonen. Hiervoor wordt de bestaande bedrijfswoning van het voormalige agrarische bedrijf in gebruik genomen als een reguliere burgerwoning. De overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt grotendeels gesloopt.
Afbeelding planvoornemen Bijsterveld 2
Dit betreft de bestaande stal (490 m2) ten noorden van de woning en de bestaande stal (320 m2) ten zuiden van de woning. Tevens wordt het tuinhuis c.q. paviljoen (42 m2) in de tuin verwijderd. De bestaande stal achter de woning, tegen de perceelsgrens, en de fundering met gierkelder van de niet gerealiseerde stal blijft gehandhaafd. Deze stal krijgt de functie van berging, stalling en opslag. De fundering met gierkelder (490 m2) wordt ingericht als vijver als onderdeel van de landschappelijke inpassing. In totaal wordt hiermee 852 m2 aan bebouwing gesloopt.
Ter plaatse van de bestaande stal ten zuiden van de woning wordt nieuwe bebouwing opgericht ten behoeve van een multifunctionele ruimte voor workshops, cursussen, vergaderingen. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van maximaal 144 m2. Door deze nieuwe bebouwing op deze locatie te situeren vindt clustering van bebouwing plaats bestaande uit de woning, de berging/stalling en de nieuwe bebouwing. Deze bebouwing wordt reeds grotendeels onttrokken aan het zicht vanaf de Montfortlaan, vanuit het zuidoosten, door de aanwezige bosschages in de kloostertuin.
Naast het beëindigen van de agrarische activiteiten en de sloop van (overtollige) agrarische bebouwing wordt ten behoeve van de bestemmingswijziging het geheel landschappelijk ingepast. Tevens zal op termijn ook de bestaande erfverharding afnemen door de herinrichting van het tuingedeelte.
Door de beëindiging van de agrarische activiteiten, het stoppen met het houden van dieren en de sloop van (overtollige) agrarische bebouwing vindt ter plaatse van de locatie reeds een milieutechnische en ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats. Deze dient verder versterkt te worden door de landschappelijke inpassing van het geheel ten behoeve van de nieuwe woonbestemming. Hierbij dient aansluiting gezocht te worden, danwel gebruik gemaakt te worden van de aanwezige elementen. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de reeds aanwezige beplanting.
De locatie kan in drie deelgebieden worden ingedeeld, namelijk in de deelgebieden bebouwing, tuin en huiswei. De bebouwing bestaande uit de woning met schuur, berging/stalling en multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen maakt onderdeel uit van het deelgebied bebouwing. Ten noorden van dit deelgebied worden de gronden ingericht als tuin, zijnde het deelgebied tuin. Ten noordoosten daarvan, richting het buitengebied is het deelgebied huiswei gelegen.
Deelgebieden landschappelijke inpassing
Deelgebied bebouwing
In dit deelgebied is/wordt de bebouwing, zijnde de woning, een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen reeds grotendeels landschappelijke ingepast door de aanwezige bosschages op de belendende percelen van het klooster. Vanaf de Montfortlaan wordt de bebouwing aan deze zijde volledig aan het zicht onttrokken. De bebouwing vormt hiermee een ruimtelijke eenheid met de bestaande burgerwoning aan de westzijde. Vanuit de noordzijde vormt het deelgebied tuin de overgang van de bebouwing naar het aangrenzende buitengebied. Door deze ‘bufferzone’ is geen sprake van een harde bebouwingsrand met het buitengebied.
Deelgebied tuin
De gronden ter plaatse van de te slopen stal ten noorden van de woning worden ingericht als tuin. Tevens wordt de fundering met gierkelder ingericht als vijver. Er ontstaat hierdoor, via de tuin en vijver, een vrij uitzicht vanuit de woning richting het aangrenzende open agrarische gebied. Door de uitbreiding van de bestaande tuin en de inrichting als zodanig ontstaat er een geleidelijk overgang. Op de plek waar het tuinhuis/paviljoen wordt verwijderd wordt een lindeboom aangeplant.
Doordat de ‘stenige’ uitstraling wordt omgezet in een groene uitstraling ontstaat een ‘zachte’ rand met het aangrenzende buitengebied. Daarnaast is er vanuit de west- en noordzijde een grote afstand tot de dichtstbijzijnde weg vanaf waar de locatie waarneembaar is. Door deze afstand en de aanwezigheid van landschapselementen als coulissen in het landschap c.q. agrarische gebied wordt het directe zicht op deze locatie ook nog eens weggenomen.
Deelgebied huiswei
Aansluitend op het deelgebied tuin wordt de bestaande huiswei verder inricht door aanwezige onderbegroeiing te verwijderen en de bestaande fruitbomen aan te vullen met nieuwe fruitbomen. Ter plaatse van de huiswei worden 3 fruitbomen, 1 lindeboom en 3 knotwilgen aangeplant. Hierdoor ontstaat een volwaardige boomgaard. Om ook daadwerkelijk de bevruchting van de fruitbomen tot stand te kunnen brengen wordt aan de rand van deze huiswei een bijenstal gemaakt. Tevens wordt op de perceelsgrens met het buitengebied een takkenwal aangebracht, zodat hier ook de nodige insecten kunnen vestigen.
Daarnaast worden op de grens met het buitengebied, aansluitend op de boomgaard, nog een aantal bomen aangeplant als afscheiding richting het buitengebied. Er ontstaat hierdoor een differentiatie aan bomen. De inrichting van de huiswei doet daarmee recht aan de ‘historische’ situatie waarbij de aanwezigheid van een huiswei met fruitbomen kenmerkend was.
De landschappelijke inpassing planvoornemen
Dit heeft uiteindelijk geleid tot de beoogde landschappelijke inpassing zoals in bovenstaande afbeelding is weergegeven. Met de landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteitsverbetering (sloop stallen) versterkt door de groene inrichting.
Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 1 bijgevoegd.
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Oirschot is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen.
De voorgenomen activiteiten ter plaatse kunnen via een tweetal sporen leiden tot de plicht tot het uitvoeren van milieueffectrapportage (m.e.r.). Het eerste spoor is via de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Het nieuwe Besluit m.e.r. is op 1 april 2011 in werking getreden. Een milieueffectrapportage is bij dit spoor verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van woonwijken, de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen.
Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.
Het planvoornemen ziet op de mogelijkheid voor reguliere bewoning met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing. Gelet op de kenmerken van het project (herbestemming vrijkomende agrarische bebouwing) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Voor het planvoornemen is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Het tweede spoor op basis waarvan de plicht tot het uitvoeren van milieueffectrapportage (m.e.r.) aanwezig kan zijn is via de Natuurbeschermingswet en de Wet Milieubeheer. Indien niet (op voorhand) kan worden uitgesloten dat de voorgenomen activiteit significant negatieve effecten heeft op een Natura 2000-gebied, dient een zogenaamde passende beoordeling te worden uitgevoerd. Dit leidt automatisch ook tot de verplichting een m.e.r.-procedure te doorlopen, waarvan de passende beoordeling (of de conclusies ervan) onderdeel uitmaakt.
Het planvoornemen ziet op de mogelijkheid voor reguliere bewoning met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing. Aangenomen wordt dat de realisatie van één woning niet leidt tot een verhoging van emissie van schadelijke stoffen op de Natura-2000 gebieden. Er zal juist sprake zijn van verlaging van de emissie van schadelijke stoffen omdat gestopt wordt met het houden van dieren en door de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten. De realisatie van de woning zal, gelet op de afstand en de aard van het planvoornemen, naar verwachting geen verstorend effect hebben op de Natura-2000 gebieden en geen nadelig effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura- 2000 gebieden.
In paragraaf 2.2.3 is namelijk al benoemd dat binnen de gemeente Oirschot de Natura-2000 gebieden 'Kempenland - West' en 'Kampina & Oisterwijkse Vennen' zijn gelegen. Deze Natura-2000 gebieden zijn niet binnen het plangebied gelegen, maar op een afstand van circa 7 km en 5 km.
Gezien de grote afstand van het plangebied tot de Natura-2000 gebieden en de aard van het planvoornemen (realiseren van één woning in een voormalige bedrijfswoning in combinatie met de landschappelijke inpassing) vormt het planvoornemen geen belemmering voor de Natura-2000 gebieden.
Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.
Het planvoornemen ziet op de mogelijkheid voor reguliere bewoning met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing. Hiertoe dient de agrarische bestemming gewijzigd te worden in een woonbestemming met bouwmogelijkheden (bouwvlak en bijbouwvlak). Anderzijds blijft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' deels gelden, waarbij de agrarische bouwmogelijkheden zijn komen te vervallen.
Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin uitgevoerd. (30 januari 2015, 14103928)
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als ter plaatse van de deellocaties B, C en D 'verdacht' kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, voor deellocatie B bevestigd. De vooraf gestelde hypothese dat het gehele overig terrein als 'onverdacht' kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.
Wel wordt bevestigd dat de Bijsterveld een zinkassenhoudende fundering bevat, waarin ook asbest is aangetoond. Een klein deel van deze verontreiniging bevindt zich op het aan te kopen perceel (vermoedelijk ± 20 m²). Econsultancy adviseert in overleg te treden met de wegbeheerder over de aanpak van de verontreiniging. Omdat de verontreinigingen duidelijk te relateren zijn aan de weg gaat Econsultancy er vanuit dat bij een eventuele sanering van de weg, de verontreiniging van de fundatie op particulier terrein zal worden meegenomen. Indien in verband met eigen initiatief (herinrichting, bouwplannen) de verhardingen worden verwijderd en/of grondwerkzaamheden plaatsvinden dan dient dit te geschieden onder milieukundige begeleiding middels een door het bevoegd gezag (Provincie Noord-Brabant / stichting ABdK) goedgekeurd plan van aanpak. Aangezien het terreindeel verhard is, zijn er in de huidige situatie geen risico’s.
In het kader van de bestemmingswijziging kan gesteld worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bij ongewijzigd gebruik verder niet tot gebruiksbeperkingen of gezondheidsrisico's zal leiden. Ook bij het aanvragen van een bouwvergunning in de nabije toekomst zullen, met het huidige beleid en de huidige normen, de aangetoonde verontreinigingen geen bezwaar vormen. Derhalve bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen voor de herbestemming van de onderzoekslocatie.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.
Het verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin is als bijlage 2 bijgevoegd.
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.
Het planvoornemen voorziet in de omzetting van de voormalige bedrijfswoning in een reguliere woning met een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing. De woning wijzigt niet. Er is geen sprake van de oprichting van nieuwe geluidsgevoelige objecten in de vorm van een woning. Een onderzoek naar de normen voor wegverkeerslawaai is dan ook niet benodigd. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen.
In het kader van de ruimtelijke ordening is het van belang vast te stellen wat de lokale luchtkwaliteit is en in welke mate de emissies ten gevolge van het plan invloed hebben op de lokale luchtkwaliteit.
NIBM
Op basis van artikel 5.16, eerste lid, onder c van de Wet milieubeheer is het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” van kracht. In dit besluit wordt geregeld welke nieuwe ontwikkelingen van een dermate beperkte omvang zijn dat de invloed van deze plannen op de lokale luchtkwaliteit niet meer individueel getoetst hoeft te worden. Als norm is hierbij aangehouden dat plannen waarvan de invloed op de lokale luchtkwaliteit minder is dan 3% van de grenswaarde voor PM10 en NO2 als niet significant worden aangemerkt. Dergelijke plannen worden niet relevant geacht voor de lokale luchtkwaliteit.
Op basis van artikel 4 van het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” is een ministeriële regeling van kracht geworden (“Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen”). In deze regeling wordt een aantal ontwikkelingen genoemd die in elk geval als “niet in betekenende mate” kunnen worden aangemerkt. Voor de in de regeling benoemde ontwikkelingen hoeft ten behoeve van een planrealisatie geen luchtkwaliteitsberekening meer te hoeven worden uitgevoerd.
Op basis van de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen' en de meest recente juridische inzichten wordt ervan uitgegaan dat het planvoornemen Niet In Betekenende Mate bijdraagt aan de concentraties. De voormalige bedrijfswoning wordt uitsluitend omgezet in een reguliere woning. Er is geen sprake van een toename van het aantal woningen. Daarnaast zal de locatie minder verkeer genereren door dat agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd. Het agrarische bedrijfsverkeer komt hiermee te vervallen.
Conclusie
Het planvoornemen draagt Niet In Betekenende Mate bij aan de concentraties van de luchtkwaliteitseisen en het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:
Op basis van de risicokaart Noord-Brabant is inzichtelijk gemaakt welke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden.
Uitsnede risicokaart met plangebied
Risicovolle inrichtingen
Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat in de directe omgeving van de locatie geen risicovolle objecten aanwezig zijn. Het dichtsbijzijnde object is op meer dan 800 meter gelegen en daarmee niet van invloed op het plangebied c.q. het planvoornemen.
Transport gevaarlijke stoffen
Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats op 650 meter van de locatie en is daarmee niet van invloed op het planvoornemen.
Buisleidingen
Buisleidingen zijn gelegen op een afstand van 220 meter. Het plangebied valt net buiten het invoedsgebied van deze buisleidingen. Daarnaast ziet het planvoornemen slechts op het omzetten van de agrarische bedrijfswoning in een reguliere woning voor de huisvesting van één huishouden. Het aantal personen neemt hierdoor niet toe. De zelfredzaamheid van personen, alsmede de bereikbaarheid voor hulpdiensten via de bestaande infrastructuur blijft eveneens ongewijzigd.
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen die het planvoornemen niet mogelijk maken.
Bij de ontwikkeling van nieuwe functies dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven en inrichtingen om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Hierin wordt per bedrijfssoort en soort inrichting aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden.
Bij het realiseren van nieuwe bestemmingen wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Het planvoornemen betreft de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning. Door deze omzetting wordt de voormalige bedrijfswoning aangemerkt als een milieugevoelige functie. Vanuit milieuzonering dient het planvoornemen dan ook tweeledig te worden bezien. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd moeten worden. Enerzijds dient het woon- en leefklimaat in voldoende mate te worden gewaarborgd en anderzijds dient de woning geen belemmering te vormen voor eventueel nabij gelegen bedrijven.
De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. Het plangebied is gelegen in een omgevingstype 'gemengd gebied'. Het plangebied is gelegen binnen het buitengebied met een matige tot sterke functiemenging. Ingevolge de VNG-brochure kan lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid als gemengd gebied worden beschouwd. Direct naast de woning komt de functie maatschappelijk voor. Hier is een klooster gevestigd. Verderop vindt kleine bedrijvigheid plaats en is zelfs een industrieterrein gevestigd. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Uitsnede vigerende bestemmingsplan waaruit blijkt dat sprake is van 'gemengd gebied'
Externe werking
Hierbij gaat het om de vraag of de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd te achten is met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Interne werking
Binnen het plangebied wordt de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning mogelijk gemaakt. Deze woning vormt een milieugevoelige functie ten opzichte van omliggende bedrijven. In de omgeving van het plangebied zijn diverse bedrijven aanwezig.
Uit de uitsnede van het vigerende bestemmingsplan volgt dat in de nabijheid van het plangebied de bestemmingen 'Maatschappelijk' met functieaanduiding 'Onderwijs', 'Bedrijf', en 'Bedrijfs - Nutsvoorziening' voorkomen. De hoogst voorkomende categorie op de Staat van Bedrijfsactiviteiten is categorie 2, met een richtafstand van 30 meter. Het meest dichtbij gelegen bedrijf is gelegen op 350 meter afstand, hetgeen betekent dat aan de richtafstand van categorie 2 wordt voldaan. Het perceel met de bestemming 'Maatschappelijk' met de functieaanduiding 'Onderwijs' grenst direct aan het plangebied. De richtafstand in dit geval betreft 30 meter. De afstand van de woning tot aan de perceelgrens bedraagt echter meer dan 30 meter. Tevens bevindt de bebouwing op het aangrenzende perceel zich op ruim 100 meter afstand en is er sprake van een tussenliggende brede groenstrook met voornamelijk bomen. Deze tussenliggende groenstrook is weliswaar bestemd tot 'Maatschappelijk', maar vormt als het ware een bufferzone tussen de woning en het klooster. Er wordt dan ook geen hinder verwacht van het naastgelegen perceel.
Daarnaast is het bedrijventerrein Oirschot gelegen op een afstand van 400 meter. Hier komen de bestemmingen 'Bedrijf - Garagebedrijf', 'Bedrijf -1', 'Bedrijf -2' en 'Bedrijf-3' voor. De gronden zijn onder andere bestemd voor bedrijven die genoemd zijn in de Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 2, 3.1, 3.2 en 4.1. De afstand van het plangebied tot aan het bedrijventerrein Oirschot bedraagt circa 400 meter. Ten aanzien van de categorie 4.1 geldt een richtafstand van 200 meter, hetgeen betekent dat aan de richtafstand van categorie 4.1 wordt voldaan.
Conclusie
Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat aan alle relevante richtafstanden tot omliggende bedrijven wordt voldaan. Vanuit milieuzonering zijn dan ook geen belemmeringen aanwezig voor het realiseren van het planvoornemen. De woning zelf vormt tevens geen belemmering voor de omgeving.
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector).
Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Op de hoek van de Montfortlaan/Bijsterveld is een agrarisch bedrijf gelegen met de andere aanduiding 'intensieve veehouderij'. Gezien de afstand van ongeveer 260 meter dient aangetoond te worden dat ter plaatse van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In dat kader is een geuronderzoek uitgevoerd. (Windmill 30 juni 2016, P2016.274.01-1). Aangetoond is dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied zeer laag is. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bestemmen woning(en) binnen het plangebied is dientengevolge te kwalificeren als zeer goed. Het aangetoonde woon- en leefklimaat wordt aanvaardbaar geacht voor de geurgevoelige bestemmingen op het perceel Bijsterveld 2 te Oirschot.
Het uitgevoerde geuronderzoek is als bijlage 3 bijgevoegd.
Omgekeerd vormt de omzetting van de (voormalige) agrarische bedrijfsbestemming in een (reguliere) woonbestemming geen belemmering. In de bestaande situatie zijn reeds woonbestemmingen op kortere afstand gelegen die maatgevend zijn voor het agrarische bedrijf. De locatie Bijsterveld 2 betreft voor geen enkele veehouderij de meest nabij gelegen woning. Van de aantasting van vergunde rechten kan dan ook geen sprake zijn.
Met het omzetten naar een woonbestemming worden geen geurhinderlijke activiteiten uitgevoerd. De woning vormt daarmee zelf geen geurhinder voor de omgeving. De agrarische bedrijfsactiviteiten waaronder het (bedrijfsmatig) houden van vee worden juist beëindigd.
In het straatprofiel van Bijsterveld liggen de gebruikelijke leidingen ten behoeve van de huisaansluiting (gas, water, electra, kabel). In of nabij het plangebied zijn verder geen kabels en leidingen gelegen die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven en daarmee een belemmering voor het planvoornemen betekenen.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In paragraaf 2.2.3 is hier reeds aandacht aan besteed. In onderstaande paragraaf wordt alleen nader ingegaan op de soortenbescherming.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Staatsblad 1999, 264, laatstelijk gewijzigd Staatsblad 2009,617). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming.
In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Flora- en faunawet (met name op basis van de verbodsbepalingen van artikelen 8 tot en met 14) geen ontheffing zal worden verleend.
De Flora- en faunawet deelt de soorten in drie tabellen in. Voor soorten in de eerste tabel geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor soorten in tabel 2 is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, tenzij men beschikt over of de werkzaamheden (aantoonbaar) uitvoert volgens een door het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie (EL&I) vastgestelde gedragscode. De soorten in tabel 3 zijn het strengste beschermd. Afhankelijk van het planvoornemen en de beschermde soort die in of nabij het plangebied voorkomt vindt een afweging plaats. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten.
Standaard geldt voor het gehele gebied de algemene zorgplicht zoals die in de Flora- en faunawet centraal staat (artikel 2). Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend.
In dat kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Econsultancy (Econsultancy, 21 juni 2015, 1951.001). Uit deze quickscan is gebleken dat, gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling op de onderzoekslocatie, de voorgenomen bestemmingsplanwijziging uitvoerbaar is.
Ten aanzien van de sloop dient conform de huidige wetgeving duidelijkheid te worden verkregen of sprake is van overtreding van de Flora- en faunawet met betrekking tot verblijfsplaatsen van vleermuizen. Indien van toepassing kan middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het aanvragen van een ontheffing de sloop doorgang vinden. Dit zal in het kader van de sloopmelding van de (bij)gebouwen worden meegenomen. Aangezien de eventueel benodigde maatregelen eenvoudig binnen de onderzoekslocatie zelf kunnen worden toegepast, worden geen bezwaren voorzien ten aanzien van het verkrijgen van een eventueel benodigde ontheffing. De mogelijke aanwezigheid van een vleermuizenverblijfplaats vormt dan ook geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging.
Verder kunnen overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Verder dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Met betrekking tot beschermde gebieden worden, mede gezien de afstand en/of de aard van de voorgenomen plannen in vergelijking met de huidige situatie, geen bezwaren voorzien ten aanzien van de uitvoering van het beoogde bestemmingsplan.
De quickscan flora en fauna is als bijlage 4 bijgevoegd.
Bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden. Teneinde de archeologische verwachting in beeld te brengen is het gemeentelijk archeologisch beleid geraadpleegd.
Op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied fase II, 2013' ligt het plangebied binnen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Dit houdt in dat bij een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld, respectievelijk bij een verstoringsoppervlakte met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm onder maailveld archeologisch onderzoek verricht moet worden.
Als uitgangspunt voor de bestemmingsplanherziening zal de regeling vrijkomende agrarische bebouwing worden toegepast. Ten behoeve van de herbestemming tot wonen zal hiervoor de overbodige agrarische bedrijfsbebouwing worden geamoveerd. In totaal gaat het hier om 852 m2 waarvan maximaal 144 m2 terug gebouwd wordt in de vorm van, qua architectuur, bijpassende bebouwing ten behoeve van een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit ter plaatse van de te slopen koeienstal. Dit is binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.
Bij de realisatie van de te slopen voormalige agrarische bebouwing (inclusief kelders) is de bodem geroerd en daarmee verstoord. Van eventuele archeologische waarden is geen sprake meer. Bij de sloop van de voormalige agrarische bebouwing wordt de bodem niet verder geroerd. De bouw van het gebouw (144 m2) voor een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit vindt plaats ten zuiden van de woning waar bestaande agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Met de realisatie van dit gebouw vindt geen 'nieuwe' bodemverstoring plaats. Daarnaast voorziet het planvoornemen in het bebouwen van slechts 144 m2 binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Het oppervlak van 144 m2 blijft ruim onder de 250 m2. Daarbij zal de noodzakelijk diepte niet meer bedragen dan de diepte van de huidige fundering van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing die ter plaatse gesloopt wordt. de Nader archeologisch onderzoek is derhalve dus niet noodzakelijk.
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn ten aanzien van de historische geografie de cultuurhistorische elemenenten en het cultuurlandschap weergegeven. Het plangebied is gelegen binnen een cultuurhistorisch vlak. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland. Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant met in zwart het plangebied aangegeven
Met het planvoornemen wordt het cultuurhistorisch landschap niet aangetast. Met de aanplant van de huiswei als boomgaard in het kader van de landschappelijke inpassing wordt het landschap op deze locatie juist versterkt.
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd.
Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap wordt hieronder beschreven.
Waterbeheerplan Waardevol Water
Het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' is op 29 september 2015 vastgesteld en per 1 januari 2016 in werking getreden. Dit Waterbeheerplan is een strategisch document. Het waterschap geeft hierin aan wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe het waterschap die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal.
Meer dan voorheen wordt hierin ingespeeld op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het waterschapsgebied. Om daarvoor voldoende ruimte te laten, wordt door het waterschap in dit Waterbeheerplan alleen aangegeven wat het wil bereiken, zonder exact aan te geven hoe. In de projecten zelf worden de doelen van dit waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen.
Wat dit Waterbeheerplan ook anders maakt is dat het waterschap vier uitgangspunten heeft geformuleerd die de richting aangeven van al de plannen en oplossingen.
De Keur Waterschap De Dommel
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot waterstaatswerken en watersystemen en biedt een mogelijkheid om uitvoering van het beleid uit het Waterbeheerplan af te dwingen. In de Keur zijn onder andere de volgende onderwerpen opgenomen:
Op grond van de Keur zijn Algemene regels (Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015) en een aantal Beleidsregels (Beleidsregel actualiseren grondwatervergunningen, Beleidsregel agrarische beregening uit grondwater bij schaarste en Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Keur waterschap De Dommel 2015) opgesteld.
Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermingszone van een watergang of waterkering. Op basis van de legger van het waterschap De Dommel is te zien dat in de omgeving van het plangebied meerdere watergangen gelegen zijn. Ten noorden en ten westen van het perceel Bijsterveld 2 ligt een A-watergang (blauwe lijn). De watergang aan de noordzijde sluit aan op de greppel langs het plangebied in zuidelijke richting. Binnen het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig.
Uitsnede legger waterschap De Dommel
Binnen het plangebied is oppervlakteverharding aanwezig in de vorm van bedrijfsbebouwing en terreinverharding. De bestaande bedrijfsbebouwing en terreinverharding is aangesloten op het aanwezige gemengde rioolstelsel via de Bijsterveld en Montfortlaan.
Met het planvoornemen voor het realiseren van de woning neemt de verharding in het plangebied niet toe. De bestaande bebouwing zal voor een groot deel worden gesloopt (in totaliteit 852 m2, waarvan 144 m2 zal worden terug gebouwd), zoals de bestaande stallen ten noorden en zuiden van de woning en het tuinhuis. Het verhard oppervlak neemt hiermee aanzienlijk af.
Ter plaatse van de bestaande stal ten zuiden van de woning wordt nieuwe bebouwing opgericht met een oppervlakte van 150 m2. Dit is echter aanzienlijk minder dan het totaal aantal vierkante meters welke met het planvoornemen wordt gesloopt. Hierdoor ontstaat een grotere geheel waar het hemelwater op de bodem kan vallen en ter plaatse rechtstreeks kan infiltreren in de bodem. Daarnaast wordt de reeds bestaande fundering met gierkelder ingericht als vijver als onderdeel van de landschappelijke inpassing. Tevens is het ook de bedoeling om de bestaande bebouwing en de te realiseren bebouwing volledig af te koppelen en af te wateren op deze vijver. Voor de realisatie van deze vijver wordt de bestaande fundering en gierkelder van de nooit afgebouwde stal gebruikt. Gezien het oppervlak (490 m2) en diepte (effectief 2 m) is deze van voldoende omvang om dit hemelwater op te vangen.
Wel zal de berging in de aan te leggen vijver beperkt zijn omdat deze 'bak' al gevuld is met water. De vijver wordt dan ook voorzien van een overloopconstructie, waarbij het water vervolgens op eigen terrein wordt geïnfiltreerd. Gezien de beschikbare ruimte op het perceel, de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en de grondsoort is infiltratie op eigen terrein mogelijk.
Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Er vindt geen uitbreiding van het verhard oppervlak plaats. Daarnaast vindt de realisatie van een vijver plaats, waarmee kan worden voorzien in de natuurlijk afwatering en opvang van water.
Een viertal zaken bepalen de opzet en inrichting van de bijbehorende
bestemmingsplanregels:
De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullende, inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.
In de verbeelding van het plan zijn aangegeven:
Als basis voor de regels zijn de regels uit het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied fase II 2013' gebruikt. Deze zijn toegesneden op onderhavig planvoornemen.
De regels zijn als volgt opgebouwd:
Allereerst zijn de inleidende regels opgenomen: de begripsbepalingen en de regels omtrent de wijze van meten. Vervolgens zijn artikelen van de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bevatten de specifieke regels voor de betreffende bestemming. Daarna volgen de algemene regels. Dit is een aantal regels van een algemeen en administratief karakter, welke onontbeerlijk zijn voor een bestemmingsplan. Het betreft hier de anti-dubbeltelregel, algemene regels met betrekking tot bouwen, gebruik, (gebieds)aanduidingen, ontheffing, wijziging, procedure en overige regels. Tot slot de regels met betrekking tot overgangsrecht en de slotregel.
Bij de aanwijzing van de afzonderlijke bestemmingen is steeds dezelfde structuur gekozen, en wel de volgende:
Agrarisch met waarden - Landschapswaarden
Dit betreft het resterende deel van het (voormalige) agrarische bouwvlak dat niet bestemd wordt tot wonen. Om te voorkomen dat hier nog bouwmogelijkheden blijven, worden de gronden opnieuw bestemd tot 'AW - LW' zonder de aanduiding 'bouwvlak'. Deze gronden blijven bestemd voor agrarisch gebruik. Daarnaast zijn de gronden onder andere ook bestemd voor openbare nutsvoorzieningen, extensief recreatief medegebruik, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en wegen, paden en overige infrastructurele voorzieningen.
De bij de woning behorende gronden zijn in gebruik als tuin en erf. Deze gronden maken conform de gemeentelijke systematiek geen onderdeel uit van de woonbestemming maar zijn bestemd als 'AW - LW'. Op basis van de bestemmingsomschrijving zijn tuin en erf, behorende bij de woning toegestaan. Deze gronden mogen derhalve volledig ingericht worden behorende bij de woning. Hieronder behoren ook de bestaande verhardingen en bestaande tuin inrichting. In verband met het houden van bijen wordt t.b.v. de bevruchting van de aanwezige en nog aan te brengen beplanting wordt tevens de mogelijkheid geboden tot de realisatie van een bijenhal ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - bijenhal'. Het oppervlak en de hoogte hiervan is gemaximaliseerd op respectievelijk 90 m2 en 3 meter.
Ter plaatse van de fundering/gierkelder is een vijver voorzien. Deze maakt onderdeel uit van de woonbestemming. Door middel van een bouwvlak en de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding- vijver' is bepaald dat ter plaatse de bestaande constructie van de fundering/gierkelder voor de aanleg van de vijver mag worden gebruikt en mogen hier alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van een vijver worden opgericht. Hiermee is aanvullend op de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing gewaarborgd dat de bestaande fundering/gierkelder ook daadwerkelijk ingericht wordt als vijver.
Wonen
De agrarische (bedrijfs)bestemming wordt omgezet in een woonbestemming. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, tuinen en erven, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en de landschappelijke inpassing. De gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd en het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 10 meter en de goothoogte niet meer mag bedragen dan 4,5 meter. Het gebouw voor een multifunctionele ruimte (maximaal 144 m2) ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteiten is specifiek aangeduid als 'specifieke vorm van wonen - nevenactiviteiten'.
De standaard regeling is dat bij een woning maximaal 120 m2 aan bij de woning behorende bouwwerken mogen worden opgericht. In geval van sloop mag maximaal 20% van de te slopen oppervlakte als extra oppervlakte worden teruggebouwd tot een maximale totale oppervlakte van 240 m2 aan bijbehorende bouwwerken. In onderhavige situatie wordt voldoende bebouwing gesloopt om het maximum oppervlak van 240 m2 aan bijbehorende bouwwerken bij woningen toe te staan. In onderhavige situatie betreft dit de bestaande berging (96 m2) die behouden blijft en de te realiseren multifunctionele ruimte (144 m2).
Waarde Archeologie 3 en 4
Tevens zijn ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing. Deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Voor het bouwen ten aanzien van de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een diepte van meer dan 30 cm onder maaiveld in beginsel een archeologisch onderzoeksrapport dient te worden overgelegd. Voor het bouwen ten aanzien van de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld in beginsel een archeologisch onderzoeksrapport dient te worden overgelegd.
De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien:
De omzetting naar reguliere bewoning met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing betreft een particulier initiatief. De met de daadwerkelijke realisatie gepaarde kosten worden dan ook gedragen door de initiatiefnemer. Dit geldt eveneens voor bijkomende kosten, zoals voor de aansluiting op de nutsvoorzieningen.
Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Oirschot is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is vastgelegd dat de kosten voor de realisatie van het planvoornemen en eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komen.
De gemeenteraad hoeft niet over te gaan tot vaststelling van een exploitatieplan bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd
Het planvoornemen voorziet in de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar reguliere bewoning met daarbij een multifunctionele ruimte ten hoeve van workshops, cursussen, vergaderingen als nevenactiviteit, in combinatie met de noodzakelijke landschappelijke inpassing. Deze woning wordt gevestigd op gronden waarop nu de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' rust. Door de beëindiging van de agrarische activiteiten, het stoppen met het houden van dieren en de sloop van (overtollige) agrarische bebouwing vindt ter plaatse van de locatie reeds een milieutechnische en ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats. Naast de beëindiging van de agrarische activiteiten en de sloop van (overtollige) agrarische bebouwing wordt ten behoeve van de bestemmingswijziging het geheel landschappelijk ingepast. Gelet op het voorgaande mag worden aangenomen worden dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan.
Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Het bestemmingsplan doorloopt conform de bepalingen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro)
de volgende stappen, te weten:
Publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro
Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de
gemeenteraad
Vaststelling door de Raad
Mogelijkheid reactieve aanwijzing
Publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de
beroepstermijn
Na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om
voorlopige voorziening wordt gedaan)
Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging waarmee een kwaliteitsverbetering wordt doorgevoerd en waarbij het geheel landschappelijk wordt ingepast. Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan diverse instanties. In dat kader is door de provincie Noord-Brabant (24 mei 2017) en het Waterschap De Dommel (8 mei 2017) een vooroverlegreactie gegeven op het voorontwerp bestemmingsplan.
Provincie Noord-Brabant
Door de provincie Noord-Brabant wordt verzocht om de onderdelen van het bestemmingsplan die nog niet in overeenstemming zijn met de Verordening aan te passen. Dit betreft de volgende onderdelen:
Waterschap De Dommel
Door het waterschap wordt aangegeven dat zij kunnen instemmen met het voorontwerp bestemmingsplan. Wel wordt door het waterschap het aandachtspunt meegeven dat berging een vijver vaak beperkt is omdat deze 'bak' al gevuld is met water. Geadviseerd wordt om de vijver te voorzien van een overloopconstructie, waarbij de voorkeur uitgaat om het water vervolgens op eigen terrein te infiltreren. Gezien de beschikbare ruimte op het perceel, de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en de grondsoort is infiltratie op eigen terrein mogelijk.
De vooroverlegreacties hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Tevens heeft een omgevingsdialoog met de omgeving plaatsgevonden. Door de intitiatiefnemers is op gezette tijden persoonlijk met de directe omwonende gesproken over hun planvoornemen. Dit betreft:
Daarnaast is bij gelegenheid gesproken met een aantal andere buurbewoners. Er zijn daarbij geen bezwaren tegen de plannen gehoord.
Het ontwerp-bestemmingsplan heeft met ingang van 27 juli 2017, gedurende 6 weken, tot en met 6 september 2017 ter inzage gelegen. Gedurende die periode is geen zienswijze ingediend. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 24 oktober 2017.