| Plan: | Julianastraat 36-42, Diessen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0798.BPJulianastr3642-VG01 |
Sinds 2012 is ter plaatse van de Julianastraat 36 - 42 onder andere een supermarkt aanwezig. De formule van de voormalige supermarkt (Emté) bestaat niet meer. Daarvoor in de plaats is een PLUS supermarkt gekomen. De initiatiefnemer heeft dit gegeven aangegrepen om enkele wijzigingen door te voeren ten behoeve van een efficiëntere inrichting van het terrein en de bebouwing.
Dit bestemmingsplan voorziet, ten opzichte van de reeds vergunde situatie, in de volgende aanpassingen ten behoeve van de verdere optimalisering van het plangebied:
De volgende wijzigingen zijn reeds mogelijk gemaakt op basis van de zogenoemde kruimelgevallenregeling op basis van het Bor, bijlage II, artikel 4 lid 1 en lid 9. Deze wijzigingen worden nu juridisch planologisch vastgelegd in dit bestemmingsplan:
Met de optimalisering en herindeling wordt binnen een gemengde bestemming voorzien in de volgende functies met bijbehorende oppervlakten/aantallen:
Er is voor gekozen deze functies samen binnen de bestemming 'Gemengd' mogelijk te maken. Dit omdat dit flexibiliteit biedt aan de indeling van de verschillende functies binnen de bebouwing. Bijvoorbeeld maakt dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om het bestaande gebruik als camperbedrijf aan de Julianastraat 38 te handhaven. Het is echter ook mogelijk om de bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' in gebruik te nemen als reguliere woning. De bedrijfsoppervlakte mag daarnaast maximaal 650 m² groot zijn.
Door de opzet van de verbeelding in combinatie met de regels kan intern dus worden geschoven met functies, rekening houdende met de maximum aantallen en oppervlakten. Bij wijzigingen in indeling hoeft dan geen ruimtelijke procedure gevolgd te worden.
De bovengenoemde herindeling van het terrein en de bebouwing past niet binnen de kaders van het ter plaatse geldende planologische regime. Om deze ontwikkeling toch juridisch-planologisch te kunnen regelen met de nodige flexibiliteit, wil het college van burgemeester en wethouders meewerken aan de wijziging van het bestemmingsplan.
Deze toelichting voorziet in de onderbouwing van, met name, de nieuwe wijzigingen (nieuwe woningen) waarbij wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern Diessen, aan de Julianastraat 36 tot en met 42. Vanuit de Julianastraat loopt een weg naar de achterzijde van het terrein, die tevens als ontsluiting dient voor de omringende bedrijven. Daar wordt het plangebied verder ontsloten via het Plassepadje die vervolgens in noordoostelijke richting weer aansluit op de Julianastraat.
Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Julianastraat. Aan de oostzijde bestaat de begrenzing uit de percelen behorende bij de woningen aan de Julianastraat 44 tot en met 50 en het perceel behorende bij het bedrijf aan de Julianastraat 50b.
Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrenst door het Plassepadje. De begrenzing aan de westzijde bestaat uit de woonpercelen aan de Willibrordusstraat 1 en de Docfastraat 3 tot en met 21.
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie C, nummers 2649, 3213, 4434, 5716 en 6279. Perceel 4998 maakt geen onderdeel uit van het plangebied.
Figuur 1.1: Luchtfoto met kadastrale kaart en plangebied blauw omlijnd
(bron: Map data © OpenStreetMap contributors, CC-BY-SA | Esri Nederland, Kadaster)
Ter plaatse van het plangebied gelden momenteel drie bestemmingsplannen:
Op basis van het bestemmingsplan 'Kern Diessen' geldt voor vrijwel het gehele plangebied de bestemming 'Bedrijf'. Een klein gedeelte van het plangebied is bestemd als 'Wonen (zie ook figuur 1.2).
Figuur 1.2: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Kern Diessen' met plangebied blauw omlijnd
Binnen de bestemming ' Bedrijf' zijn op basis van dit bestemmingsplan 3 bouwvlakken opgenomen (zie figuur 1.3). Binnen die 3 bouwvlakken mag in totaal circa 3.832 m² aan bebouwing worden opgericht.
Figuur 1.3: Bouwmogelijkheden bestemmingsplan ' Kern Diessen'
Met het bestemmingsplan 'Partiële herziening vestiging supermarkt Diessen' is in 2012 echter de vestiging van de huidige supermarkt mogelijk gemaakt. Voor een gedeelte van het plangebied is de bestemming daarbij gewijzigd van 'Bedrijf' naar 'Detailhandel' met specifieke functieaanduiding 'supermarkt' (zie ook figuur 1.4).
Figuur 1.4: Uitsnede bestemmingsplan 'Partiële herziening vestiging supermarkt Diessen' met plangebied blauw omlijnd.
Met de partiële herziening zijn ook de bouwvlakken van vorm verandert en is een gedeelte van de bouwmogelijkheden komen te vervallen (zie figuur 1.5). Op basis van de partiële herziening is binnen het plangebied circa 3.391 m² aan bebouwing toegestaan.
Figuur 1.5: Bouwmogelijkheden Partiële herziening
Voor de vestiging van het voormalige Dorpswarenhuis "Heb!" in de voormalige showroom van het ter plaatse gevestigde garagebedrijf, is bovendien in 2014 een omgevingsvergunning verleend. Deze ontwikkeling paste destijds niet binnen het geldende bestemmingsplan. Deze vergunning is onherroepelijk.
Bij de ontwikkeling van het gebied dient tot slot ook rekening te worden gehouden met het vastgestelde Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018.
De realisatie van de nieuwe woningen, de herinrichting van het gebied en het oprichten van nieuwe bebouwing past in zijn geheel niet binnen de kaders van het geldende planologische regime. Benadrukt moet worden dat een gedeelte van de wijzigingen al mogelijk is gemaakt door middel van een omgevingsvergunning op basis van de zogenoemde kruimelgevallenregeling. Dit betreffen de volgende wijzigingen:
Deze afwijkingen worden, op verzoek van de gemeente in dit bestemmingsplan juridisch-planologisch verankerd.
De strijdigheid met het geldende planologische regime ziet op het aantal woningen en de bouwmogelijkheden ter plaatse van het beoogde nieuwe woongebouw. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn ter plaatse maximaal 2 woningen toegestaan. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 8 wooneenheden binnen het plangebied. Daarmee komt tevens een gedeelte van de bestemming 'Detailhandel' te vervallen. Het beoogde nieuwe woongebouw voorziet daarnaast in een iets hogere goot- en bouwhoogte dan op basis van het geldende bestemmingsplan is toegestaan.
In deze toelichting zal worden onderbouwd dat de ontwikkeling goed inpasbaar is en voor een verbeterde situatie zorgt. Dat zal in dit bestemmingsplan ook vastgelegd worden in nieuwe planologische regels.
In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
Dit hoofdstuk beschrijft de huidige en gewenste situatie in het plangebied. De gewenste situatie is het uitgangspunt voor het vast te stellen bestemmingsplan en moet op een goede manier in de huidige situatie gepast worden.
Het plangebied is gelegen aan de Julianastraat te Diessen binnen de gemeente Hilvarenbeek. De Julianastraat vormt een belangrijke doorgaande verbinding tussen Hilvarenbeek en Middelbeers. De Julianastraat is een gebied waar functiemenging plaatsvindt. Aan de Julianastraat zijn woonhuizen, maar ook detailhandel, horeca, kantoren en bedrijven gevestigd.
Direct grenzend aan het plangebied zijn, naast woningen, aan het Plassepadje de volgende bedrijven gesitueerd:
Het plangebied zelf bestaat uit verschillende functies. Aan de Julianastraat 36 is een (bedrijfs)woning aanwezig. Het bedrijf Campertrek is gevestigd aan de Julianastraat 38. Dit bedrijf beschikt ter plaatse over een receptie, kantine, een showroom en een werkplaats. De buitenruimte van het garagebedrijf bevindt zich ten noorden, westen en zuiden van het plangebied.
Boven de voormalige dagwinkel, aan de Julianastraat, is een bovenwoning gesitueerd op nummer 40. De supermarkt PLUS is aan de achterzijde van deze (voormalige) dagwinkel gesitueerd. De parkeerplaatsen voor de winkels bevinden zich aan de oost- en zuidzijde van het plangebied.
Figuur 2.1: Bestaande vergunde situatie.
In de volgende paragrafen worden de verschillende onderdelen van dit bestemmingsplan nader toegelicht. In paragraaf 2.2.1 wordt ingegaan op de ontwikkeling die strijdig is met het geldende planologische regime, de toevoeging van woningen. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2.2 ingegaan op de nieuwe indeling van de functie detailhandel, hetgeen door middel van de kruimelgevallenregeling is vergund. Ook de nieuwe indeling ten aanzien van bedrijvigheid is reeds vergund op basis van de kruimelgevallenregeling, deze wijziging wordt beschreven in 2.2.3. Ter compensatie van de nieuwe mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt, worden de geldende bouwvlakken (zie ook paragraaf 1.3) aangepast. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.2.4. In paragraaf 2.2.5 worden de reeds vergunde wijzigingen samengevat. Tot slot wordt in paragraaf 2.2.6 ingegaan op de maatregelen die worden doorgevoerd om de ontwikkelingen mogelijk te maken.
De bebouwing ter plaatse van de voormalige dagwinkel (Heb!) zal op termijn worden gesloopt. Daarmee komt de detailhandelsfunctie op die plek, met een oppervlakte van 334 m², te vervallen. Ook het appartement boven die woning zal komen te vervallen. Hiervoor in de plaats wordt een nieuw appartementengebouw gerealiseerd waar maximaal 6 appartementen kunnen worden gerealiseerd. Twee appartementen op de begane grond, twee op de 1e verdieping en twee op de 2e verdieping.
Figuur 2.3: CONCEPT vooraanzicht nieuw appartementengebouw
(bron: Franken - Architectuur 7 januari 2021)
2.4: CONCEPT Impressie nieuw appartementengebouw
(bron: Franken - Architectuur oktober 2021)
Het nieuwe woongebouw krijgt een traditioneel en dorps karakter. Dit uit zich in de opbouw van 2 bouwlagen met een kap en een goot- en bouwhoogte van maximaal 9 en 12 meter.
Aan de Julianastraat 38 zal de bedrijfsfunctie van het Camperbedrijf worden gehandhaafd. Dit bestemmingsplan maakt het, dankzij de flexibele regeling, ook mogelijk om hier een reguliere grondgebonden woning van te maken. De betreffende bebouwing is van oorsprong een woning maar wordt al geruime tijd gebruikt als bedrijf. Voorheen als garagebedrijf, nu als camperbedrijf. De bebouwing leent zich echter bij uitstek voor het omzetten naar een reguliere grondgebonden woning. Dit bestemminngspan maakt dat dus mogelijk.
De bedrijfswoning aan de Julianastraat 36 krijgt in de beoogde situatie een reguliere woonfunctie. De bestaande bebouwing aan de Julianastraat heeft van oorsprong een woonfunctie. Dit pand is echter jarenlang in gebruik geweest voor de bedrijfsfunctie. In de beoogde situatie krijgt deze bebouwing haar oorspronkelijke functie terug en zal dus weer een woonfunctie krijgen. Deze bebouwing zal gebruikt worden als grondgebonden woning.
In totaal worden er binnen het plangebied dus 8 wooneenheden mogelijk gemaakt.
Op basis van de verleende vergunning zijn de verschillende detailhandelsfuncties efficiënter ingedeeld. Deze functies zijn nu, meer dan in de voormalige situatie, geclusterd. Zowel de PLUS supermarkt als de PUUR dagwinkel zijn aan een passage gesitueerd. Hierdoor zal meer kruisbestuiving tussen deze twee vestigingen plaatsvinden. Dit laatste is inmiddels bevestigd door middel van de cijfers na opening van de nieuwe winkels.
De nieuwe supermarkt heeft een maximaal bruto vloeroppervlak van 1.550 m². De nieuwe PUUR heeft een bruto vloeroppervlak van maximaal 450 m². ten opzichte van de vergunde situatie (808 m² bvo) is dit een afname van het oppervlak aan detailhandel. De nieuwe oppervlakten worden in dit bestemmingsplan vastgelegd.
De oppervlakte aan bedrijfsbestemming is in de nieuwe situatie verkleind. Ter plaatse is het bedrijf Campertrek gesitueerd. Het bedrijf Campertrek valt binnen de toegestane bedrijfsmilieucategorie 2 voor autobedrijven. Het bedrijf verhuurt campers tot maximaal 3500 kg. Met een rijbewijs B mag in deze campers gereden worden. Campers worden ook voor de motorrijtuigenbelasting als personenauto gezien. Het bedrijf valt derhalve binnen de, conform het geldende bestemmingsplan, bestemming 'Bedrijf' waar bedrijven tot milieucategorie 2 zijn toegestaan. Voor het camperbedrijf is inmiddels dus ook een vergunning verleend.
Dit bedrijf zal gebruik maken van een gedeelte van de voormalige autogarage en de aan de westzijde gelegen opslagloods. Het bedrijf krijgt in dit bestemmingsplan een maximale bruto vloeroppervlakte van 650 m².
Met deze optimalisering zal ook het bouwvlak binnen het plangebied worden aangepast. Het bouwvlak dat conform het geldende bestemmingsplan aan de zuidwestzijde van het plangebied is opgenomen met een oppervlakte van circa 780 m² (zie ook paragraaf 1.3), komt te vervallen. Het bouwvlak ter hoogte van de supermarkt zal enigszins worden uitgebreid. Daarmee wordt de binnen het plangebied (planologisch) mogelijke bebouwing meer geclusterd.
Figuur 2.2: beoogde nieuwe inrichting plangebied
(bron: Franken - Architectuur 3 juni 2022)
De initiatiefnemer heeft de omzetting van de supermarktformule aangegrepen om het gehele plangebied efficiënter in te richten. Met de volgende ingrepen is daarin reeds voorzien:
Om de overlast van de winkel en de daarbij behorende activiteiten voor de omgeving te verminderen worden enkele maatregelen getroffen. De maatregelen worden hierna opgesomd:
Met de beoogde ontwikkeling vinden met name verschuivingen plaats van bestaande functies. Er worden echter ook woningen toegevoegd.
De verplaatsingen van detailhandel en de bedrijfsbestemming zijn in de ruimtelijke onderbouwing van de kruimelgevallen regeling al onderbouwd. Het oppervlak aan detailhandel is nagenoeg gelijk gebleven (per saldo iets verkleind) en de oppervlakte van de bedrijfsbestemming is verkleind. De detailhandelsmeters ter plaatse van de voormalige dagwinkel aan de Julianastraat 38, alsmede de bovenwoning boven deze voormalige winkel komen te vervallen. Hiervoor in de plaats komt een nieuw woongebouw ten behoeve van 6 levensloopbestendige appartementen met tuinen en balkons. De verschillen in oppervlakten in de bestaande en beoogde situatie is inzichtelijk gemaakt in 2.3.2. In de volgende paragrafen zijn de effecten op de aspecten verkeer en parkeren beschreven.
In de huidige en nieuwe situatie wordt het camperbedrijf direct ontsloten op de Julianastraat. De showroom van het camperbedrijf is bereikbaar via de Docfastraat en Julianastraat.
Voor de supermarkt is naast de toekomstige appartementen vanuit de Julianastraat een aparte oprit naar het achtergelegen parkeerterrein aanwezig, alleen voor ingaand verkeer. Benadrukt wordt dat dit een eenrichtingsweg betreft die niet kan worden gebruikt om het parkeerterrein af te rijden via de Julianastraat. Het parkeerterrein van de supermarkt kan tevens worden bereikt via het Plassepadje, een doodlopende weg voor het gemotoriseerd verkeer welke is te bereiken vanaf de Julianastraat. Deze ontsluiting is zowel voor in- als uitgaand verkeer.
De Julianastraat is onderdeel van de provinciale weg N395 en heeft een belangrijke ontsluitende functie voor de kern Diessen, hier geldt een maximum snelheid van 50 km/u binnen de bebouwde kom. De Docfastraat en het Plassepadje (welke met een tegelpad voor ongemotoriseerd verkeer in verbinding is met de Docfastraat) zijn erftoegangswegen en onderdeel van een 30 km-zone.
De Julianastraat is voorzien van vrijliggende fietspaden. Op de Julianastraat naar het Plassepadje maken fietsers gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerd verkeer. Voor het langzaam verkeer is daarnaast een doorsteek aanwezig vanaf het Plassepadje naar de Docfastraat, welke uitkomt tegenover de Van der Lindenstraat.
In de nieuwe situatie worden de dagwinkels met de supermarkt onder één dak bereikbaar, via een gezamenlijke passage. De ontsluiting wijzigt verder niet. Deze inrit is ingericht voor éénrichtingsverkeer en wordt verder ontsloten achter op het terrein nabij het Plassepadje.
In paragraaf 2.3.3 zal worden aangegeven dat het planvoornemen niet voorziet in extra verkeersbewegingen. Er zal zelfs een afname van het aantal verkeersbewegingen zijn ten opzichte van de vergunde situatie (kruimelgeval). Er zijn dan ook geen gevolgen voor omliggende straten en percelen of gevoelige functies aan die straten. Het planvoornemen heeft ook geen gevolgen voor de verkeersafwikkeling op de Julianastraat.
Toetsingskader
Zoals in paragraaf 1.3 aangegeven geldt ter plaatse van de projectlocatie ook het "Parapluplan parkeren Hilvarenbeek 2018". De gemeente Hilvarenbeek wil bij nieuwbouwplannen/ wijzigingen van het gebruik of andere ruimtelijke besluiten eisen kunnen stellen aan het aantal parkeerplaatsen en hierbij toetsen aan haar actuele parkeerbeleid en de daarbij horende parkeernormen. Met de parapluherziening wordt het huidige Parkeerbeleidsplan 2015 – 2020 en diens rechtsopvolger(s) in de geldende bestemmingsplannen ingepast.
Parkeernormen
De parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeerbeleidsplan Hilvarenbeek 2015-2020 zijn ook voor deze ontwikkeling dus leidend.
De basis voor het bepalen van de parkeernormering staat in de CROW-publicatie 317, ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ (oktober 2012). In de CROW-publicaties zijn kentallen genoemd die landelijk (en juridisch) geaccepteerd worden en worden gezien als meest betrouwbare gegevens voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen. De kencijfers zijn in de Nota vertaald naar parkeernormen voor de gemeente Hilvarenbeek.
Stedelijkheidsgraad
Het aantal benodigde parkeerplaatsen hangt sterkt af van de ligging en samenstelling van de gemeente. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in vijf verschillende categorieën, de zogenaamde stedelijkheid van een gemeente. Dit wordt bepaald op basis van de omgevingsadressendichtheid (het aantal adressen per km²). Hilvarenbeek valt onder de stedelijkheidsgraad “weinig stedelijk” met 544 adressen per km² (Bron: CBS).
Plaats van de ontwikkeling
Naast de stedelijkheidsgraad is het ook van belang om te kijken naar de ligging van de locatie binnen de kern. Het CROW maakt in de parkeerkencijfers onderscheid in het “centrum”, “schil centrum”, “rest bebouwde kom” en “buitengebied”.
Alleen in de kern Hilvarenbeek is er sprake van een “centrum”. Alle overige locaties binnen de bebouwde kommen van de gemeente behoren tot de “rest bebouwde kom”. De projectlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Diessen en behoort daarmee tot de "rest bebouwde kom".
Bandbreedtes van de kencijfers
De gemeente Hilvarenbeek kiest er in haar beleid voor om (toekomstige) parkeerproblemen zoveel mogelijk te voorkomen door in de parkeerbehoefte te willen voorzien, maar wil daarnaast ook geen overschot aan parkeerplaatsen creëren. De bandbreedte van de minimale en maximale kencijfers wordt daarom gebruikt als parkeernorm met een bandbreedte. Vanwege het relatief hoge autobezit in de gemeente (1,4 per huishouden ten opzichte van landelijk 1,1 per huishouden) streeft de gemeente naar de maximale bandbreedte binnen de norm. Indien verwacht wordt dat dit tot een overschatting leidt, moet dit worden aangetoond, bijvoorbeeld met een parkeerdrukonderzoek.
Huidige parkeerbehoefte (vml planologisch regime en vergunde situatie)
In tabel 2.1 is de parkeerbehoefte berekend op basis van de stedelijkheidsgraad "weinig stedelijk", de ligging binnen de "rest bebouwde kom" en de maximale bandbreedte binnen de norm. Daarin is uitgegaan van het eerder geldende planologisch regime. Dit is relevant om aan te kunnen tonen dat er in de nieuwe situatie geen sprake is van een toename van de parkeerbehoefte. In tabel 2.2 is de parkeerbehoefte op basis van de verleende vergunning in het kader van de kruimelgevallenregeling inzichtelijk gemaakt. Daarbij zijn de huidige functies met de daarbijbehorende oppervlakten aangehouden.
Voor de specifieke functie als camperbedrijf is binnen de geldende normen geen parkeernorm opgenomen. Daarom is aangesloten bij een vergelijkbare functie. Een garagebedrijf betreft een arbeidsintensiefbedrijf en ontvangt niet veel bezoekers. Het camperbedrijf is niet arbeidsintensief en ook niet bezoekerintensief. De vergelijking met een garagebedrijf geldt dan ook als een "worst-case" situatie.
Tabel 2.1 Normatieve parkeerbehoefte op basis van voorheen geldende planologische situatie
| Functie | Maximale parkeernorm |
Aantal m2 bvo |
Huidige parkeerbehoefte |
| Supermarkt met magazijn (middelhoog – hoog segment) |
6,6 pp per 100 m2 bvo | 1.506 | 99,4 |
| Huishoudzaak / kantoorartikelen (buurt- en dorpscentrum) |
5,0 pp per 100 m2 bvo | 495 | 24,8 |
| Camperbedrijf* (excl. showroom) (bedrijf arbeidsintensief, bezoekers extensief) |
2,6 pp per 100 m2 bvo | 1.019 | 26,5 |
| Appartement (huur vrije sector) | 2,4 pp per woning | 1 woning | 2,4 |
| Woning huurhuis, vrije sector | 2,4 pp per woning | 1 woning | 2,4 |
| Totaal | 156 |
*het camperbedrijf is hier vergeleken met een garagebedrijf
Tabel 2.2 Normatieve parkeerbehoefte op basis van de reeds vergunde situatie
| Functie | Maximale parkeernorm |
Aantal m2 bvo |
Huidige parkeerbehoefte |
| Supermarkt met magazijn (middelhoog – hoog segment) |
6,6 pp per 100 m2 bvo | 1.526 | 100,7 |
| Huishoudzaak / kantoorartikelen (buurt- en dorpscentrum) |
5,0 pp per 100 m2 bvo | 808 | 40,4 |
| Camperbedrijf* (excl. showroom) (bedrijf arbeidsintensief, bezoekers extensief) |
2,6 pp per 100 m2 bvo | 612 | 15,9 |
| Appartement (huur vrije sector) | 2,4 pp per woning | 1 woning | 2,4 |
| Totaal | 160 |
*het camperbedrijf is hier vergeleken met een garagebedrijf
Op basis van de eerder geldende bestemmingsplannen en verleende vergunningen was er normatief en op basis van de maximale parkeernorm, een parkeerbehoefte van 156 parkeerplaatsen. Er is inmiddels echter een vergunning verleend in het kader van de kruimelgevallenregeling. Op basis van die vergunningen heeft de huidige indeling een parkeerbehoefte van 160 parkeerplaatsen, op basis van de maximale parkeernorm. In de huidige situatie zijn 118 parkeerplaatsen beschikbaar. Theoretisch is hierdoor in beide situaties sprake van een huidig parkeertekort.
Toekomstige parkeerbehoefte
In de beoogde situatie vinden er verschuivingen plaats in oppervlakten per functie. De detailhandelsfunctie zal, door de sloop van de bestaande bebouwing aan de Julianastraat 38-42, per saldo in oppervlakte afnemen. Ook de oppervlakte van het Camperbedrijf zal afnemen. Wel worden er in totaal 6 woningen toegevoegd. En er worden 2 reguliere woningen mogelijk gemaakt binnen de bestaande bebouwing. Om de toekomstige parkeerbehoefte normatief in beeld te brengen is dit berekend op basis van dit programma, zie tabel 2.3.
Vanzelfsprekend is ook hier rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad "weinig stedelijk", de ligging binnen de "rest bebouwde kom" en de maximale bandbreedte binnen de norm. Verder is het camperbedrijf ook in deze berekening (worst-case) vergeleken met een garagebedrijf. Tot slot is het magazijn van PUUR in de nieuwe situatie ondergebracht in het magazijn van de supermarkt. Dit betreft slechts een beperkte oppervlakte aan magazijn aangezien de artikelen die bij PUUR verkocht worden, in de winkel zelf moeten liggen.
Opgemerkt moet worden dat de brutovloeroppervlakten van de verschillende functies naar boven zijn afgerond (supermarkt: 1.526m² = 1.550m², dagwinkel: 434m² = 450m² en bedrijf: 612m² = 650m² ) om enige flexibiliteit in de regeling te kunnen waarborgen.
Tabel 2.3 Toekomstige normatieve parkeerbehoefte
| Functie | Maximale parkeernorm | Aantal m2 bvo | Toekomstige parkeerbehoefte | |
| Supermarkt met magazijn (middelhoog – hoog segment) |
6,6 pp per 100 m2 bvo | 1.550 | 102,3 | |
| Huishoudzaak / kantoorartikelen (buurt- en dorpscentrum) |
5,0 pp per 100 m2 bvo | 450 | 22,5 | |
| Camperbedrijf* (excl. showroom) (bedrijf arbeidsintensief, bezoekers extensief) |
2,6 pp per 100 m2 bvo | 650 | 16,9 | |
| Appartement (huur vrije sector) | 2,4 pp per woning | 6 woning | 14,4 | |
| Woning huurhuis, vrije sector | 2,4 pp per woning | 2 woning | 4,8 | |
| Totaal | 161 | |||
*het camperbedrijf is hier vergeleken met een garagebedrijf
De normatieve maximale parkeerbehoefte van de functies in het gebied is op basis van de beoogde situatie 161 parkeerplaatsen. Dit betekent een normatieve toename van 1 parkeerplaatsen ten opzichte van de reeds vergunde situatie.
In de beoogde (en reeds vergunde) situatie zijn 127 parkeerplaatsen beschikbaar (zie figuur 2.5), 9 parkeerplaatsen meer dan in de huidige situatie. Een bestaand tekort hoeft overigens niet meegerekend te worden bij een nieuwe ontwikkeling. Het aantal parkeerplaatsen dat als gevolg van de aangevraagde herinrichting wordt gerealiseerd is in overeenstemming is met het parkeerbeleid van de gemeente Hilvarenbeek.
Figuur 2.5: Theoretische verdeling 127 parkeerplaatsen binnen plangebied
Parkeerdrukonderzoek
Zoals eerder in deze paragraaf berekend is, wordt, ook voor de nieuwe situatie, uitgegaan van de maximale bandbreedte van de parkeernormen. Aangezien zowel in de bestaande situatie als in de beoogde situatie sprake is van een normatief parkeertekort, is de verwachting dat sprake is van een overschatting van de parkeerbehoefte. Om deze verwachting te kunnen aantonen is een parkeerdrukonderzoek uitgevoerd.
De parkeerbehoefte van de huidige situatie is normatief reeds hoger dan het werkelijke parkeeraanbod. Omdat de theoretische parkeerbehoefte in de toekomstige situatie ook toeneemt en het parkeeraanbod met 9 parkeerplaatsen toeneemt, is een parkeerdrukonderzoek uitgevoerd om de daadwerkelijke parkeerdruk ter plaatse te meten.
In juni 2019 (voor de uitbraak van Corona) is een parkeerdrukonderzoek uitgevoerd op het huidige parkeerterrein van de supermarkt, de toenmalige autogarage en winkels. Hier is op een doordeweekse dag en twee zaterdagen de parkeerdruk in het gebied gemeten. Dit parkeerdrukonderzoek wijst uit dat de parkeerdruk op de parkeerterreinen bij de percelen Julianastraat 36 – 42 laag tot gemiddeld is. De hoogst gemeten parkeerdruk op de 118 aanwezige parkeerplaatsen was 56% op zaterdagmiddag, waarbij 66 parkeerplaatsen van de 118 bezet zijn.
Deze parkeerdruk ligt ver onder de maximaal acceptabele grens van 85% (bezetting van 100 parkeerplaatsen). Dit percentage wordt landelijk aangehouden en geldt als grens vanaf wanneer zoekverkeer kan ontstaan. Op basis van de huidige parkeerdruk heeft het terrein hierdoor een restcapaciteit van 34 parkeerplaatsen (100 -66). De rapportage van het parkeerdrukonderzoek is terug te vinden in Bijlage 1.
Op basis van het parkeerdrukonderzoek kan worden geconcludeerd dat het aanhouden van de maximale bandbreedte van de parkeernorm leidt tot een overschot aan parkeerplaatsen. Dit is niet wenselijk voor zowel de initiatiefnemer als de gemeente. Ook gelet op de uitgevoerde parkeertellingen is duidelijk dat er geen sprake zal zijn van een parkeerprobleem als 127 parkeerplaatsen worden verwezenlijkt.
Daarmee is dan ook aangetoond dat het verantwoord is om de minimale bandbreedte van de parkeernorm aan te houden. In tabel 2.4 is de parkeerbehoefte berekend aan de hand van die minimale parkeernorm.
Tabel 2.4 Toekomstige normatieve parkeerbehoefte
| Functie | Minimale parkeernorm | Aantal m2 bvo | Toekomstige parkeerbehoefte | |
| Supermarkt met magazijn (middelhoog – hoog segment) |
4,6 pp per 100 m2 bvo | 1.550 | 71,3 | |
| Huishoudzaak / kantoorartikelen (buurt- en dorpscentrum) |
3,0 pp per 100 m2 bvo | 450 | 13,5 | |
| Camperverhuur (bedrijf arbeidsintensief, bezoekers extensief) |
2,1 pp per 100 m2 bvo | 650 | 13,65 | |
| Appartement (huur vrije sector) |
1,6 pp per woning | 6 woningen | 9,6 | |
| Woning huurhuis, vrije sector | 1,6 pp per woning | 2 woningen | 3,2 | |
| Totaal | 112 | |||
*het camperbedrijf is hier vergeleken met een garagebedrijf
Op basis van de minimale parkeernorm geldt een parkeerbehoefte van 112 parkeerplaatsen. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van in totaal 127 parkeerplaatsen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale parkeerbehoefte.
Op basis van het parkeerdrukonderzoek zal er ook in de nieuwe situatie sprake zijn van een restcapaciteit en wordt de maximaal geaccepteerde grens van 85% bezetting op geen enkel moment overschreden.
De toegang tot het parkeerterrein wordt na 19.00 uur, in verband met de akoestische maatregelen, vanaf de Julianastraat afgesloten (zie ook paragraaf 4.4.2). Het parkeerterrein van de supermarkt is dan tot sluitingstijd te bereiken via het Plassepaadje. Na sluitingstijd van de supermarkt wordt het gehele parkeerterrein afgesloten.
De bewoners van de woningen en appartementen moeten echter ook na 19 uur en na sluitingstijd van de supermarkt kunnen beschikken over voldoende parkeergelegenheid. Aan de voorzijde van de Julianastraat zijn in de huidige situatie 7 parkeerplaatsen bereikbaar vanaf de Julianastraat. Op basis van de berekende parkeerbehoefte in tabel 2.4, hebben de woningen tesamen echter een parkeerbehoefte van 13 parkeerplaatsen. Om voor voldoende parkeerplaatsen te zorgen voor de woningen wordt de toegangspoort tot het parkeerterrein in zuidelijke richting verplaatst (zie ook figuur 2.6). Daarmee zijn, na het sluiten van de poorten vanaf 19 uur nog 13 parkeerplaatsen bereikbaar en beschikbaar voor de bewoners van de woningen en appartementen. Deze parkeerplaatsen worden direct op de Julianastraat ontsloten.
Als voorwaardelijke verplichting is in de regels ( zie artikel 3.2.5) van dit bestemmingsplan opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen voor de woningen en appartementen moeten worden gerealiseerd en binnen 100 meter loopafstand beschikbaar moeten zijn. met het verplaatsen van de poort kan aan deze verplichting worden voldaan. Deze maatregel (of een andere oplossing) is in dit bestemmingsplan dan ook juridisch geborgd.
Figuur 2.6: Parkeerplaatsen t.b.v. bewoners
Dubbelgebruik niet doorgerekend
Bij de berekening van de normatieve parkeerbehoefte is, vanwege een worst-case benadering, nog geen rekening gehouden met dubbelgebruik. Zo kunnen de parkeerplaatsen voor de winkels, ook worden gebruikt door het camperbedrijf of door bewoners.
Daarnaast zal, indien de bebouwing aan de Julianastraat 38 in gebruik wordt genomen als woning, de maximale oppervlakte van 650 m² van het Campertrek bedrijf niet worden gehaald. Daardoor zal sprake zijn van een iets lagere parkeerbehoefte voor die functie.
Aangezien de Campertrek ook vanuit de parkeerplaats van de supermarkt eenvoudig te bereiken is, kan en zal voor dit bedrijf ook gebruik worden gemaakt van deze parkeerplaatsen. Temeer omdat het een arbeidsintensief en bezoekers extensief bedrijf betreft, zal het personeel worden geïnstrueerd om op het parkeerterrein bij de supermarkt te parkeren.
In bovenstaande parkeerbalans is ervan uitgegaan dat de parkeerplaatsen die normatief noodzakelijk zijn voor het Camperbedrijf (14 parkeerplaatsen) alleen voor het camperbedrijf zullen worden gebruikt. Volgens opgave van de exploitant van Campertrek komt het zelden voor dat er meer dan 3 (paar) klanten tegelijkertijd in het bedrijf aanwezig zijn. In de praktijk zullen derhalve meer parkeerplaatsen voor de detailhandel resteren.
Conclusie parkeren
Ten opzichte van de reeds vergunde situatie neemt de normatieve parkeerbehoefte met slechts 1 parkeerplaats toe. Daarbij is, vanuit een worst-case benadering, geen rekening gehouden met dubbelgebruik tussen de verschillende functies.
Aan de hand van het parkeerdrukonderzoek is in de huidige situatie een werkelijke parkeerdruk van maximaal 66 parkeerplaatsen gemeten. Dit zou in de toekomstige situatie een parkeerdruk opleveren van 68 parkeerplaatsen (66+2). In het toekomstige parkeeraanbod zijn 127 parkeerplaatsen opgenomen. De minimale parkeernorm die op basis van het parkeerdrukonderzoek gehanteerd kan worden, geeft voor de ontwikkeling een parkeerbehoefte van 112 parkeerplaatsen. Met de realisatie van 127 parkeerplaatsen wordt er ruimschoots voldaan aan die parkeerbehoefte.
Fietsparkeren
In de huidige situatie is bij de dagwinkels een fietsenrek beschikbaar (voor circa 5 fietsen), daarnaast worden fietsen langs de bebouwing van de ingang van de supermarkt geparkeerd. Ten tijde van het parkeeronderzoek waren doordeweeks slechts enkele fietsen geparkeerd, waarbij de fietsenrekken niet altijd werden gebruikt. Op de zaterdagen waren maximaal 5 à 10 fietsen op een gelijktijdig moment aanwezig, waarbij het fietsenrek ook niet goed werd gebruikt.
In de toekomstige situatie is meer ruimte voor fietsparkeren beschikbaar. Er worden 30 fietsparkeerplaatsen bij de entree van de supermarkt en de dagwinkel gerealiseerd. Dit is een aanzienlijke verbeterde situatie ten opzichte van de huidige inrichting, waarmee geparkeerde fietsen buiten de rekken zoveel mogelijk wordt voorkomen. Daarmee stimuleert de nieuwe inrichting ook het gebruik van de fiets.
Het planvoornemen voorziet voornamelijk in het efficiënter inrichten van de locatie en de bebouwing. Daarnaast wordt met functies geschoven. Deze wijzigingen hebben echter wel gevolgen voor de verkeersgeneratie.
In het Parkeerbeleidsplan Hilvarenbeek 2015-2020 wordt niet ingegaan op de ritgeneratie van functies. Om te kunnen bepalen of er in de beoogde situatie sprake is van extra verkeersgeneratie is derhalve uitgegaan van de normen zoals opgenomen in de CROW. De gemeente Hilvarenbeek valt in de CROW-publicatie onder de stedelijkheidsgraad “weinig stedelijk”. Het plangebied schaart de gemeente onder de noemer “rest bebouwde kom”. Het CROW kent per functie een minimum en een maximum verkeersgeneratie. De gemeente Hilvarenbeek gebruikt de bandbreedte van de minimale en maximale verkeersgeneratie met een bandbreedte. In onderstaande vergelijking worden zowel de minimale als de maximale verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt.
Tabel 2.5 Normatieve verkeersgeneratie op basis van eerder geldend planologisch regime
| Functie |
Minimale norm verkeers- generatie (per 100 m² bvo of per woning) |
Maximale norm verkeers- generatie (per 100 m² bvo of per woning) |
Aantal m2 bvo of aantal woningen |
Minimale verkeers-generatie | Maximale verkeers-generatie |
| Supermarkt met magazijn (middelhoog – hoog segment) |
108,4 | 149,9 | 1.506 | 1.632,5 | 2.257,5 |
| Huishoudzaak / kantoorartikelen (buurt- en dorpscentrum) |
46,7 | 78 | 495 | 231,2 | 386,1 |
| Camperbedrijf* (excl. showroom) (bedrijf arbeidsintensief, bezoekers extensief) |
9,1 | 10,9 | 1.019 | 92,7 | 111,7 |
| Appartement (huur vrije sector) | 5,6 | 6,4 | 1 woning | 5,6 | 6,4 |
| Woning huurhuis, vrije sector | 7,0 | 7,8 | 1 woning | 7,0 | 7,8 |
| Totaal | 1.969 mvt/etm | 2.770 mvt/etm |
*het camperbedrijf is hier vergeleken met een garagebedrijf
Tabel 2.6 Vergunde normatieve verkeersgeneratie
| Functie |
Minimale norm verkeers- generatie (per 100 m² bvo of per woning) |
Maximale norm verkeers- generatie (per 100 m² bvo of per woning) |
Aantal m2 bvo |
Minimale verkeers- generatie |
Maximale verkeers- generatie |
| Supermarkt met magazijn (middelhoog – hoog segment) |
108,4 | 149,9 | 1.526 | 1.654,2 | 2.287,5 |
| Huishoudzaak / kantoorartikelen (buurt- en dorpscentrum) |
46,7 | 78 | 808 | 377,3 | 630,2 |
| Camperbedrijf* (excl. showroom) (bedrijf arbeidsintensief, bezoekers extensief) |
9,1 | 10,9 | 612 | 55,7 | 66,7 |
| Appartement (huur vrije sector) | 5,6 | 6,4 | 1 woning | 5,6 | 6,4 |
| Totaal |
2.092,8 mvt/etm |
2.990,8 mvt/etm |
*het camperbedrijf is hier vergeleken met een garagebedrijf
Tabel 2.7 Toekomstige normatieve verkeersgeneratie
| Functie |
Minimale norm verkeers- generatie (per 100 m² bvo of per woning) |
Maximale norm verkeers- generatie (per 100 m² bvo of per woning) |
Aantal m2 bvo |
Minimale verkeers- generatie |
Maximale verkeers- generatie |
| Supermarkt met magazijn (middelhoog – hoog segment) |
108,4 | 149,9 | 1.526 | 1.654,2 | 2.287,5 |
| Huishoudzaak / kantoorartikelen (buurt- en dorpscentrum) |
46,7 | 78 | 434 | 202,7 | 338,5 |
| Camperbedrijf* (excl. showroom) (bedrijf arbeidsintensief, bezoekers extensief) |
9,1 | 10,9 | 612 | 55,7 | 66,7 |
| Appartement (huur vrije sector) | 5,6 | 6,4 | 6 woningen | 33,6 | 38,4 |
| Woning huurhuis, vrije sector | 7,0 | 7,8 | 2 woningen | 14 | 15,6 |
| Totaal |
1.960,2 mvt/etm |
2.746,7 mvt/etm |
*het camperbedrijf is hier vergeleken met een garagebedrijf
In de eerder geldende planologische situatie bestaande situatie kent het huidige gebruik een minimale verkeersgeneratie van 1.969 mvt/etm en een maximale verkeersgeneratie van 2.770 mvt/etm.
In de reeds vergunde situatie kent de situatie een verkeersgeneratie van minimaal 2.093 mvt/etm en maximaal 2.991 mvt/etm.
In de beoogde situatie zal, op basis van de minimale bandbreedte, sprake zijn van een verkeersgeneratie van 1.960,2. De maximale verkeersgeneratie zal 2.746,7 mvt/etm zijn.
Rekening houdende met de minimale bandbreedte van de normen zal er in de beoogde situatie sprake zijn van een afname van 8,8 mvt/etmaal ten opzichte van het eerder geldende planologische regime en een afname van 23,3 mvt/etm in het geval van een maximale bandbreedte. Ook ten opzichte van de reeds vergunde situatie is sprake van een afname.
Het planvoornemen voorziet dus in een (beperkte) afname van de verkeersgeneratie. Het planvoornemen heeft dus geen significante invloed op de verkeersgeneratie.
De ontsluiting van de percelen wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie. De verschuivingen leiden tot beperkte wijzigingen in oppervlakten van de functies waardoor de gevolgen op het gebied van verkeer niet noemenswaardig zijn. Met een parkeerdrukonderzoek is de huidige parkeerdruk inzichtelijk gemaakt en geconcludeerd dat de toekomstige parkeerbehoefte zonder problemen kan worden opgevangen op de beoogde 127 parkeerplaatsen. De afname van de verkeersgeneratie heeft geen significante invloed of de capaciteit van de ontsluitingswegen.
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn:
Doorwerking plangebied
Het planvoornemen is, op nationaal niveau, dermate kleinschalig dat het wijzigen van de functies en het toevoegen van woningen geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van de her ontwikkeling aan de Julianastraat wordt ook neergelegd bij de decentrale overheden. In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn:
1. Rijksvaarwegen;
2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
3. Kustfundament;
4. Grote rivieren;
5. Waddenzee en waddengebied;
6. Defensie;
7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
8. Elektriciteitsvoorziening;
9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur);
11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
14. Ruimtereservering parallele Kaagbaan.
De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.
Voor de vliegbasis Eindhoven en Eindhoven Airport gelden verschillende contouren in verband met veiligheid en bijvoorbeeld radar. Ten aanzien van de vliegbasis Eindhoven en Eindhoven Airport gelden de volgende
belangen:
Doorwerking plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan is niet gelegen binnen de aangewezen funnel, IHCS of ILS. Wel ligt het plangebied in de radarverstoringsgebieden behorende bij de radars die staan op de vliegbasis Eindhoven en Volkel.
Verspreid over Nederland staat een aantal militaire en burger radarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer.
Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van het radarstation van de vliegbasis Eindhoven kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Het plangebied is gelegen op circa 13 kilometer van het radarstation van de vliegbasis Eindhoven. Het planvoornemen voorziet echter niet in bebouwing hoger dan 65 meter. De maximale bouwhoogte binnen dit bestemmingsplan bedraagt 12 meter. Daarmee kan worden uitgesloten dat dit bestemmingsplan invloed heeft op het radarstation.
Daarnaast geldt nog een verstoringsgebied van circa 60 kilometer van het radarstation, waarbij beperkingen gelden ten aanzien van de bouwhoogte van windturbines. Dit verstoringsgebied ligt over het plangebied van dit bestemmingsplan. Maar gelet op het feit dat binnen het plangebied géén windturbines opgericht kunnen worden zijn er geen belemmeringen aanwezig (geen objecten die voor een storing (kunnen) zorgen).
In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien een planologische wijziging 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt, in het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden volgens de systematiek van de ladder voor duurzame verstedelijking.
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op zowel woningbouwplannen als winkelplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningen geldt vanaf 11 tot 14 nieuwe woningen dat dit (mogelijk) een stedelijke ontwikkeling is. Voor detailhandel geldt een ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte vanaf 500 m2 (zie o.a. uitspraak ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724).
Het planvoornemen voorziet in de sloop van de voormalige dagwinkel en de nieuwbouw van een woongebouw ten behoeve van 6 levensloopbestendige woningen. Door de clustering van de detailhandelsfuncties die mogelijk is gemaakt op basis van de kruimelgevallenregeling, komt ruimte beschikbaar voor de realisatie van deze 6 nieuwe woningen. Daarnaast wordt 1 grondgebonden woning binnen de bestaande bebouwing mogelijk gemaakt en wordt 1 bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt de realisatie van 8 woningen niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Dit wordt ondersteund door jurisprudentie. Een verantwoording volgens de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.
De behoefte aan woningen in Hilvarenbeek en specifiek de kern Diessen wordt onderbouwd aan de hand van de Woonvisie van de gemeente. Daarvoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.2.
De interne functiewijzigingen zijn reeds toegestaan op basis van de verleende vergunning in het kader van de kruimelgevallenregeling. In dit bestemmingsplan wordt (nogmaals) vastgelegd dat zowel de detailhandelsfuncies als de bedrijfsfunctie in oppervlakten kleiner worden. De detailhandelsfunctie was op basis van het eerder geldende planologische regime 2.001m² groot (1506 m² supermarkt en 495 m² voormalige Heb!). In de beoogde situatie zal de detailhandelsfunctie maximaal 2.000 m² groot zijn (1.550 m² supermarkt en 450 m² PUUR). Er is derhalve geen sprake van een toename van het oppervlak aan detailhandel. Het camperbedrijf zal in oppervlakte worden begrensd op 650 m² bvo waar eerder een oppervlakte van 1.019 m² was toegestaan.
De behoefte aan de verschuiving van de verschillende functies is eigenlijk al beschreven in paragraaf 1.1, de aanleiding. De huidige supermarkt en de PUUR functioneerden eerder op zichzelf. Dat had er vooral mee te maken dat deze winkels een eigen entree hadden op verschillende locaties op het terrein. Hierdoor vond combinatiebezoek niet of slechts zelden plaats en in ieder geval niet zo vaak als gewenst in het kader van rendabele winkels. Met de herindeling van de functies, de beperkte uitbreiding van de bebouwing en de realisatie van de passage zijn de entrees van beide winkels bij elkaar komen liggen en wordt combinatiebezoek gestimuleerd. Hierdoor zullen beide winkels beter renderen.
Met de herinrichting kan ook de supermarkt efficiënter worden ingericht. De gangpaden kunnen breder en overzichtelijker worden gemaakt. Dit komt tegemoet aan de wensen van de moderne consument.
Van belang voor dit bestemmingsplan is dat door bovengenoemde herindeling gronden en/of bebouwing vrij zijn gekomen voor de realisatie van 6 appartementen en maximaal 2 grondgebonden (reguliere) woningen.
In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
Toetsing
De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Stedelijke ontwikkelingen dienen daarom in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Leefbaarheid en het op peil houden van het voorzieningenniveau is daarnaast een belangrijk aandachtspunt.
De beoogde ontwikkeling voorziet in herinrichting van bestaand bebouwd gebied binnen bestaand stedelijk gebied. Met deze herinrichting wordt de bestaande vergunde bebouwing efficiënter ingedeeld, worden gecombineerde bezoeken gestimuleerd en wordt beoogd de overlast voor de omgeving te verminderen doordat het laden en lossen in de nieuwe situatie achter een afschermende muur te laten plaatsvinden. Daarnaast wordt voorzien in de woningbehoefte binnen de gemeente Hilvarenbeek en met name binnen de kern Diessen.
Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de versterking van het dorpse en kleinschalige karakter binnen de kern Diessen.
De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot één Interim omgevingsverordening. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
In de Interim Omgevingsverordening is het principe van zorgvuldig ruimtegebruik opgenomen (artikel 3.6 afdeling 3.1). Nieuwe functies worden in beginsel enkel toegelaten binnen het bestaand ruimtebeslag voor bebouwing (stedelijk gebied). Dit om het bestaand bebouwd gebied optimaal te benutten, zodat bijgedragen wordt aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Daarnaast is opgenomen dat bij stedelijke ontwikkelingen getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Bro. In artikel 3.42 (afdeling 3.5) zijn nadere regels opgenomen met betrekking tot stedelijke ontwikkelingen. De provincie streeft naar een duurzame verstedelijking. Ontwikkelingen moeten daarom passen binnen de regionale afspraken, en moeten een duurzame stedelijke ontwikkeling zijn.
Met het oog op de aantrekkelijkheid van Brabant is ook een vitale en toekomstbestendige detailhandelsstructuur van groot belang. Een detailhandelsstructuur waarin plaats is voor innovaties en die ruimte biedt aan 'crossovers' (verbindingen) met diverse andere economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen.
De voornaamste taak van de provincie is om (ruimtelijke) ontwikkelingen van detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal af te stemmen. De aanpak van de detailhandel is op eenzelfde wijze vormgegeven, zoals dat voor bedrijventerreinen, kantoren en woningbouw het geval is. In het regionaal overleg wil de provincie met gemeenten afspraken maken over welke detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal worden afgestemd. Voor detailhandelsontwikkelingen is ook een expertteam detailhandel ingesteld die adviseert aan gemeenten en provincie.
Toetsing planinitiatief
In de provinciale omgevingsverordening is opgenomen dat nieuwe functies alleen toegelaten worden binnen het bestaand stedelijk gebied zodat dit gebied optimaal benut kan worden. Stedelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De beoogde ontwikkeling in Diessen vindt plaats in het bestaand stedelijk gebied en maakt gebruik van bestaande bebouwd gebied. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
In het kader van de nieuwe omgevingswet wordt ook de provinciale regelgeving vernieuwd. De provinciale omgevingsverordening Noord-Brabant zal met de invoering van de Omgevingswet (naar verwachting 1 juli 2022) in werking treden. De regelingen die worden opgenomen in de Omgevingsverordening zijn gebaseerd op de Interim Omgevingsverordening zoals beschreven in paragraaf 3.2.2. De wijzigingen die wel zullen worden doorgevoerd, hebben geen betrekking op onderhavig planvoornemen.
Met de andere gemeenten in de regio en met de provincie zijn woningbouwafspraken gemaakt. De provinciale bevolkings- en woningbehoeftenprognose vormt hierbij de basis voor de regionale woningbouwafspraken. In de Regionale Agenda Wonen 2017, vastgesteld eind 2016,is aangegeven dat de gemeente Hilvarenbeek in de periode t/m 2025 maximaal 645 woningen aan de woningvoorraad kan toevoegen. Daarin zijn onder meer de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Het initiatief heeft betrekking op een verdichting van het bestaand stedelijk gebied in Diessen en leidt tot 8 extra (reguliere) wooneenheden die worden opgenomen in de harde plancapaciteit. Het plan past daarmee binnen de regionale afspraken.
De gemeente Hilvarenbeek heeft haar ruimtelijk beleid verwoord in de Structuurvisie Hilvarenbeek. Er wordt ingezet op een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. De gemeente heeft met deze visie niet zozeer een toekomstvisie als wel een toetsingskader voor initiatieven voor de komende jaren.
In de structuurvisie maakt de gemeente onderscheid naar type gebied en baseert daar haar beleid op. Het plangebied is gelegen in de kern Diessen en het gebiedstype verbindend lint. Dit gebiedstype (met de Julianastraat) kent een hoge dynamiek (verkeersbewegingen, bebouwingsdichtheid en een grote functionele diversiteit). De bebouwing bestaat uit veelal individuele panden. Kenmerkend hierdoor is de grote diversiteit aan gevelbeelden.
De relevante toetsingscriteria voor nieuwe ontwikkelingen zijn in dit geval:
Ad a: De bebouwing aan de Julianastraat 38-42 bestaat in de bestaande situatie uit 2 bouwlagen met een kap. Deze bebouwing zal echter worden gesloopt ten behoeve van de realisatie van een nieuw appartementengebouw met 6 appartementen. Ook de beoogde bebouwing zal bestaan uit 2 bouwlagen met een kap. De goothoogte zal in de nieuwe situatie maximaal 9 meter bedragen, de bouwhoogte maximaal 12 meter. De goothoogte van de bestaande bebouwing is 6 meter en de bouwhoogte bedraagt 9 meter. De nieuwe bebouwing wordt dus weliswaar hoger, de verhoging is niet significant. Zeker niet gezien de goot- en bouwhoogten die in de nabijheid van het plangebied aan de Julianastraat zijn gehanteerd. Aan de Julianastraat 37-39 (overzijde) worden goot- en bouwhoogten gehanteerd van respectievelijk 7 en 11 meter. Aan de Julianastraat 41a t/m 41m is een appartementengebouw gerealiseerd met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 9 en 12 meter. Aan de Julianastraat 43 een goot- en bouwhoogte van 6,5 en 11 meter.
Ter plaatse van bestaande woningen gelden goot- en bouwhoogten van voornamelijk 6 en 9 meter. De goot- en bouwhoogten in de omgeving van het plangebied verschillen dus van elkaar. Dit is ook kenmerkend voor bebouwing aan een dergelijke lint. Afwisseling in hoogten maar ook massa, nokrichting en afstand tot de weg zijn gebruikelijk voor lintbebouwing. De hogere goot- en bouwhoogte ten opzichte van de bestaande situatie is dan ook acceptabel. Bovendien is met de gevelindeling en architectuurvorm is rekening gehouden met de ruimtelijke structuur en karakteristiek aan de Julianastraat.
Ad b. Zie ook Ad a. De verschillen in bouwhoogte zijn niet significant en passend in de karakteristiek van de bebouwingslint. Voorkomen zal worden dat er sprake zal zijn van grote schaalverschillen en het individueel karakter van het straatbeeld.
Ad c. De nieuwe mogelijkheden op het gebied van werken en detailhandel (economie) blijven beperkt tot milieucategorie 2, de oppervlakte aan bedrijfsfunctie zal verkleind worden en de maatvoeringen worden gemaximeerd.
Ad d. In paragraaf 2.3.2 is aangetoond dat ruimschoots wordt voldaan aan de parkeernormen.
De gemeente Hilvarenbeek geeft in haar structuurvisie aan dat gezorgd moet worden voor een compleet basisaanbod en het faciliteren van accommodaties (ontwikkelingen die altijd mogelijk moeten zijn). Diessen en Hilvarenbeek zijn beide hoofdverzorgingskernen, waarbij zij een verzorgingsfunctie vervullen ten opzichte van omliggende kernen. De gemeente streeft naar een breed aanbod aan voorzieningen, kwaliteitsversterking en clustering. Zij wil dan ook planologisch ruimte bieden aan vestigingsmogelijkheden voor commerciële voorzieningen, bij voorkeur in en nabij het centrum/de linten. De gemeente is tevens van mening dat het faciliteren van duurzame commerciële voorzieningen een ontwikkeling is die zou moeten kunnen.
De bewoners van Diessen wensen dat de voorzieningen in de kern behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het behoud van de detailhandelsvestigingen aan de Julianastraat vormt dan ook een lokaal ondersteunende voorziening in de kern Diessen. De locatie aan de Julianastraat is een passende locatie.
Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Hilvarenbeek wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.
Toetsing
Het planvoornemen voorziet in een efficiëntere en voor de omgeving verbeterde situatie. Bovendien wordt met de ontwikkeling voorzien in het behoud van bestaande voorzieningen in de kern Diessen en de toevoeging van woningen waar behoefte aan is. Daarmee wordt nadrukkelijk aangesloten op de structuurvisie.
De gemeenteraad van Hilvarenbeek heeft op 4 juli 2019 haar woonvisie voor de periode 2020-2030 vastgesteld. De gemeente vindt het belangrijk dat er voor alle doelgroepen in de samenleving een plek is om te wonen in Hilvarenbeek. De woningvraag is groter dan het aanbod. Daarom wordt ingezet op het versnellen en vergroten van de woningproductie. Daarbij richt de gemeente zich met name op de marktsegmenten die nu nog te beperkt aanwezig zijn, namelijk betaalbare woonruimte voor starters en levensloopgeschikte woningen.
Het wordt niet reëel geacht om enkel uit te gaan van de lokale woningvraag. Er moet meer gebouwd worden om zowel vestigers, als eigen inwoners van voldoende woningaanbod te voorzien. Alleen dan kan een gevarieerd woningaanbod gecreëerd worden, waarbij voor iedere doelgroep een woning in de gemeente te vinden is. In elke kern van de gemeente moet ruimte zijn voor woningbouw, om in te spelen op de woningbehoefte en de kernen leefbaar en vitaal te houden.
Nieuwe woningbouwinitiatieven worden kwalitatief getoetst aan de hand van de volgende beoordelingscriteria:
Locatiecriteria
Stedenbouwkundige criteria
Invulling kwalitatieve behoefte
Nieuwe woningbouwplannen worden getoetst op de mate waarin zij een bijdrage leveren aan het volgende streefwoningbouwprogramma:
Figuur 3.1: Streefwoningbouwprogramma Hilvarenbeek
De woningbouw opgave voor de kern Diessen bestaat uit het samenbrengen van de grote vraag naar woningen en het aanbod. In de eerste plaats moet er meer woningaanbod komen voor ouderen en andere mensen met een zorgvraag die langer zelfstandig (moeten) wonen. Belangrijk is daarbij om nieuwe woningbouwconcepten niet alleen op de doelgroep ‘ouderen’ te richten, maar vooral een mix van verschillende doelgroepen (jong en oud) te creëren. Als eerste stap zouden alle potentiële inbreidinglocaties in de buurt van het centrum van Diessen in beeld gebracht moeten worden.
Starters in Diessen zijn in de eerste plaats op zoek naar een betaalbare koopwoning (< €250.000). CPO-projecten zijn populair onder jongeren, maar daarbij is het belangrijk dat deze woningen (door kaders te stellen aan het oppervlak) structureel voor het starterssegment worden behouden. Eventueel kan middeldure huur een alternatief zijn voor starters, maar dit aanbod is nu niet of nauwelijks aanwezig in Diessen.
Woningbouwlocaties in de buurt van het centrum zijn gewild (met name bij senioren). Daarom kan niet worden volstaan met alleen traditionele woningen. Er mag best wat ruimte zijn voor appartementen met meerdere lagen. Maar dat moet wel passen bij de schaal van het dorp Diessen en de specifieke plek; het dorpse woonmilieu moet wel gewaarborgd blijven.
De vraag naar sociale huur is beperkt. Voor veel inwoners is dat segment eerder een noodoplossing, als kopen niet mogelijk blijkt te zijn. Voor deze doelgroep is het van belang dat in de grotere nieuwbouwlocaties een minimumpercentage aan sociale huur wordt gerealiseerd, om voldoende differentiatie in het woningaanbod te krijgen.
Uitvoeringsprogramma
Terwijl bij de Woonvisie de nadruk heeft gelegen op de kwaliteit, is er bij de uitvoering behoefte aan
cijfers om een goede kwantitatieve afweging te kunnen maken.
Jaarlijks rapporteren alle gemeenten aan de provincie over de gerealiseerde en geplande
woningbouw. Medio april 2020 heeft de gemeente Hilvarenbeek de volgende opgave aan de provincie gedaan:
Figuur 3.2: opgave nog te realiseren woningen Hilvarenbeek
De afname in de harde plancapaciteit valt samen met de in 2019 opgeleverde woningen. De
resterende harde plancapaciteit zou nog voldoende moeten zijn voor enkele jaren, maar nieuwe
bestemmingsplannen zijn nodig om toekomstige woningbouw veilig te stellen.
Voor Diessen geldt dus een kwantitatieve behoefte van 234 te realiseren woningen tot 2030.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling past binnen het streefwoningbouwprogramma en voorziet in een lokale woningbehoefte. Er worden per saldo 7 woningen toegevoegd. De mogelijkheid bestaat om een gedeelte van de bedrijfsbestemming aan de Julianastraat 38 om te zetten naar een reguliere grondgebonden woning. Daarnaast wordt de bestaande bovenwoning vervangen door 6 levensloopbestendige appartementen. Een bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning. Allen in de vrije sector huur. Daarmee worden woningen gerealiseerd in de directe nabijheid van voorzieningen voor zowel de doelgroep senioren als starters.
Aan de hand van de criteria is de kwalitatieve beoordeling van het plan overwegend positief. De ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Het plangebied is reeds bebouwd en wordt vernieuwd waarbij ten aanzien van de omvang en positionering wordt aangesloten op de bestaande bebouwing.
Het benutten van de grond voor woondoeleinden is zorgvuldig, in die zin dat het passend is bij de woonbebouwing en de bedrijvigheid, in de directe omgeving van het plangebied.
In de woonvisie zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de woonvisie geen belemmering vormt voor de plan realisatie.
Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) beschrijft de invulling van de zorgplichten en de onderliggende visie op het stedelijk waterbeheer. Binnen het samenwerkingsverband ‘Doelmatig waterbeheer Hart van Brabant is een gezamenlijke visie en ambitie opgesteld. Deze visie is uitgangspunt geweest in de in juli 2017 vastgestelde Keuzenota om te komen tot de speerpunten voor dit vGRP. Hiermee zijn de opgenomen projecten vaak maatregelen die in de samenwerking passen en gezamenlijk worden uitgevoerd. Met het vGRP wordt de ontwikkeling van de rioolheffing voor de aankomende vijf jaar bepaald en een doorkijk gemaakt voor 30 jaar. Dit draagt bij aan goed rentmeesterschap en een houdbare belastingdruk.
Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden in principe waterneutraal uitgevoerd, waarbij getracht wordt te voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater optreden.
Verhard oppervlak wordt in principe niet aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. In een rioleringsplan (of waterparagraaf, zie paragraaf 4.3) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding of voor infiltratie en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan. Hiermee wordt het afstromend hemelwater behandeld in de voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Het beleid voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO) vanuit de gemeente is een aanscherping ten opzichte van het beleid in de Keur. Voornamelijk in bestaand gebied kunnen ontwikkelingen bijdragen aan een klimaatbestendig rioolstelsel. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld van compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen.
Onderdeel van het vGRP is het "Hemel- en grondwaterbeleid, bijlage 1". Daarin staan regels met betrekking tot nieuw verhard oppervlak binnen de bebouwde kom. Op basis van de kaart behorende bij die bijlage is het plangebied gelegen binnen een gebied waar het verplicht is hemelwater af te koppelen.
Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, richt dit aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak met een compensatieverplichting vanaf 250 m².
Onder 'nieuw verhard oppervlak' wordt binnen dit gemeentelijk beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. In paragraaf 4.3.2 wordt daar nader op ingegaan.
De beoogde herontwikkeling heeft geen toename van oppervlakteverharding tot gevolg. Dit aspect is dan ook niet van toepassing.
Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten.
De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Uit de hierna volgende paragrafen zal blijken dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 8 woningen en maximaal 2.000 m2 bvo detailhandel. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is waarin dit document in voorziet. De Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt als separate bijlage onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
Uit de informatie in de notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen.
Uitbreiding detailhandel
Bij het voorgenomen gebruik in het plangebied is niet direct sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik. Hierdoor is onderzoek naar de bodemkwaliteit niet noodzakelijk. Desalniettemin is uit zorgvuldigheidsoverwegingen ter plaatse van de uitbreiding van de supermarkt toch een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dat onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting.
Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies wordt het volgende opgemerkt:
Tevens heeft er een historisch bodemonderzoek plaatsgevonden, zie bijlage 3. Hieruit blijkt het volgende:
Onder en vóór de bebouwing van het woonhuis en de voormalige kantoorruimte aan de Julianastraat 36-38 (voormalig tankstation) is een restverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten achtergebleven na de uitgevoerde sanering in maart-april 1998. Het zou gaan om circa 160 m³ (met minerale olie (boven tussenwaarde), en BTEX, (boven interventiewaarde) verontreinigde grond. Deze verontreiniging is in de grond achtergebleven omdat deze ten tijde van de sanering niet toegankelijk was (deze is onder de woning en de (voormalige) showroom gesitueerd). Deze verontreiniging bevindt zich in de bodemlaag in het traject tussen 1,6- 4 m-mv. De bebouwing zal hier niet gesloopt worden, verdere sanering van de verontreiniging is derhalve niet zondermeer aan de orde. Aangezien in de periode van onderzoek en sanering al is vastgesteld dat geen sprake was van humane risico's bij een gebruik als woonhuis, is er vooralsnog geen aanleiding te veronderstellen dat deze risico's zich nu wel voor zullen doen. Wel wordt geadviseerd hier een actualisatie van de bodemkwaliteit uit te voeren.
Zuidelijk van deze bebouwing heeft een ondergrondse tank voor de opslag van HBO gelegen. Hier heeft eerder geen onderzoek plaatsgevonden, dit dient alsnog te gebeuren.
Ter plaatse van de bebouwing aan de Julianastraat 36B-42 wordt het bestaande gebruik (voormalige dagwinkel en bovenwoning) gewijzigd waarbij de bebouwing op een zeker moment (deels) zal worden gesloopt. De bodem dient hier, gezien de historie van de locatie, als heterogeen verdacht te worden beschouwd. Vooralsnog zijn er geen concrete aanwijzingen dat hier een verontreiniging aanwezig is, de tanks die naast deze locatie hebben gelegen bleken geen verontreiniging te hebben veroorzaakt. In lijn met de modelbouwverordening dient hier onderzoek na sloop van de bebouwing uitgevoerd te worden.
Voor het overige verandert het feitelijke gebruik niet (voorzien zijn inpandige verbouwingen) en is er geen aanwijzing dat graafwerkzaamheden voorzien zijn in potentieel verontreinigde grond. Ook is tijdens eerdere onderzoeken en het recent door Archimil uitgevoerde onderzoek niet gebleken dat sprake is van een ophooglaag of verhardingslaag van potentieel verontreinigd materiaal. Het uitvoeren van aanvullend veld- en laboratoriumonderzoek wordt in dit kader dan ook niet noodzakelijk geacht.
Woningen
Ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen is nog geen (aanvullend) bodemonderzoek uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek kan pas goed worden uitgevoerd als de huidige functie is gestopt en de bebouwing is gesloopt. Overigens zijn de gronden ter plaatse van de voormalige dagwinkel altijd in gebruik geweest als woning of detailhandel. Hier zijn dan ook geen bodemverontreinigingen te verwachten. Desalniettemin zal bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen een bodemonderzoek moeten worden overlegd waaruit blijkt dat de gronden geschikt zijn voor de woonfunctie.
Nader onderzoek bij activiteit bouwen
Gemeente is van mening dat mogelijk verdachte locaties in het kader van dit bestemmingsplan niet verder onderzocht hoeven te worden voor zover er geen concrete bouwactiviteiten plaatsvinden en tegelijkertijd gevoelige functies worden toegevoegd. Onderzoek kan worden uitgevoerd, eventueel gevolgd door saneringsmaatregelen op het moment dat de activiteit bouwen aan de orde komt.
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
Waterbeheer
De initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap de Dommel, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij onderhavige procedure wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De eventuele opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Op Europees en landelijk niveau is het overkoepelende waterbeleid vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en het Nationaal Bestuursakkoord Water. De doorvertaling van dit beleid is regionaal vastgelegd in het Provinciaal Waterplan en het Waterbeheersplan van het Waterschap. Daarnaast is in Hilvarenbeek het waterbeleid op gemeentelijk niveau vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021.
Regionaal waterschapsbeleid
In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap haar strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Op dit moment is het Waterbeheerplan 2016 - 2021 van kracht. Dit plan is opgesteld in samenhang met het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) en het Stroomgebiedsbeheerplan.
Bij ontwikkelingen blijft de voorkeursvolgorde van de drietrapsraket ‘vasthouden, bergen, afvoeren’ van toepassing waarbij het waterschap inmiddels kiest voor een mix van maatregelen waardoor het watersysteem efficiënter en praktischer kan worden ingericht.
Watertoets
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat bij ruimtelijke plannen zoals deze rekening gehouden dient te worden met de waterhuishouding. Middels het uitvoeren van een Watertoets worden alle relevante zaken met betrekking tot de waterhuishouding afgestemd en besproken met de waterbeheerder(s).
Het plangebied is in de bestaande situatie reeds geheel bebouwd en verhard. Bovendien wordt er slechts in beperkte mate bebouwing binnen het plangebied toegevoegd. Ter plaatse van de voormalige dagwinkel aan de Julianastraat 38 wordt in de toekomstige situatie met appartementen zelfs minder verharding verwacht.
Onder 'nieuw verhard oppervlak' wordt binnen het vGRP beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Dit bestemmingsplan voorziet grotendeels uitsluitend in functiewijzigingen binnen bestaande of reeds vergunde bebouwing. Ten aanzien van het verhard en bebouwd oppervlak wijzigt de situatie alleen ter plaatse van de voormalige dagwinkel. Deze bebouwing, met een oppervlakte van 409 m² zal worden gesloopt. Daarvoor in de plaats komt een nieuw woongebouw ten behoeve van 6 appartementen. Dit gebouw beslaat een oppervlakte van circa 270 m². Daarnaast gaan we er, worst-case, vanuit dat 50% van de achtertuin (70 m²) zal worden verhard ten behoeve van een eventueel terras. Daarmee komt het totaal verhard oppervlak in de nieuwe situatie op 340 m². Zoals hierboven aangegeven wordt het te slopen verhard oppervlak op basis van het beleid echter niet van het "nieuw verhard oppervlak" afgetrokken.
Het planvoornemen voorziet dus concreet wel in een (minimale) afname van het verhard oppervlak. Bij de geplande ontwikkeling binnen het plangebied wordt de waterhuishouding dan ook niet negatief beïnvloedt. Op basis van het vGRP is het dan ook niet noodzakelijk om compenserende maatregelen te treffen.
Bij uitwerking van de bouwplannen voor de nieuwe woningen zal verder worden onderzocht of er maatregelen te treffen zijn om het watersysteem ter plaatse te ontlasten. Daarbij wordt gedacht aan de berging van water in infiltratiekratten of de tijdelijke opslag en vertraagde afvoer van water vanuit het dakoppervlak. Het hemelwater vanaf de bestaande bebouwing wordt afgekoppeld en de nieuwbouw van de woningen zal hydrologisch neutraal zijn. Andere maatregelen zijn binnen het plangebied niet mogelijk.
Geconcludeerd kan echter worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden, gemengde gebieden en rustige buitengebieden.
Het plangebied is te kenmerken als een gemengd gebied aangezien er in de directe nabijheid verschillende functies aanwezig zijn zoals bedrijven, horeca en detailhandelsbedrijven. Bij de geplande ontwikkeling worden bedrijfshindergevoelige functies in de vorm van woningen gerealiseerd. Onderzocht moet worden of de detailhandelsfuncties en de bedrijfsfunctie van invloed zijn op deze woningen.
De overige functies zijn reeds aanwezig. De locatie van deze functies zal enigszins wijzigen maar de afstand tot bestaande woningen zal niet wijzigen. Op basis van de geldende bestemming 'Bedrijf' ter plaatse van het camperbedrijf, is deze functie (milieucategorie 2) reeds toegestaan (zie ook paragraaf 2.2). Dit hoeft dan ook niet getoetst te worden. Voor de voormalige dagwinkel aan de Julianastraat 38 is eerder een afzonderlijke vergunning verleend. Daarmee is deze functie reeds toegestaan. In onderstaande paragraaf wordt toch ingegaan op de aan te houden afstanden tot milieugevoelige functies.
Nutsvoorziening
Aangrenzend aan het plangebied bevindt zich een kleinschalige nutsvoorziening van KPN. In overleg met de beheerder en afhankelijk van het vermogen van de nutsvoorziening dient bepaald te worden welke afstand tot gevoelige bestemmingen moet worden aangehouden. In de bestaande situatie is echter al een woonfunctie aanwezig op een afstand van circa 10 meter. In de beoogde situatie zal de afstand tot de nutsvoorziening niet kleiner worden. Geconcludeerd wordt dan ook dat de nutsvoorziening geen negatieve invloed heeft op het planvoornemen.
Bedrijfshinderveroorzakende functie
De milieucategorie voor de bedrijfshinderveroorzakende functie van de supermarkt betreft milieucategorie 1. Ook de dagwinkel PUUR valt in deze milieucategorie. De PUUR wordt gedeeltelijk voorzien ter plaatse van de huidige supermarkt. In het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering heeft deze verplaatsing geen gevolgen aangezien het dezelfde milieucategorie betreft.
In gemengde gebieden geldt voor een dergelijke functie een richtafstand (in het kader van de aspecten geluid, geur, stof en gevaar) van 0 meter. Er hoeft dus geen afstand te worden aangehouden tot gevoelige objecten zoals woningen. De nieuwe woningen zijn gelegen op een afstand van minimaal 5 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Ook de afstand tot bestaande woningen is minimaal 10 meter en vormt derhalve geen probleem.
De supermarkt past gedeeltelijk binnen de geldende bestemming detailhandel en valt gedeeltelijk binnen de bestemming 'Bedrijf'. Binnen de bestemming bedrijf is afwijking van de gebruiksregels mogelijk als de activiteiten vergelijkbaar zijn met bedrijven in de milieucategorie 1 of 2. Zoals eerder aangegeven valt een supermarkt onder milieucategorie 1. Hier kan dus worden afgeweken van de gebruiksregels.
Om aan te tonen dat de supermarktontwikkeling geen hinder voor de omgeving zal opleveren, en in het kader van een goede ruimtelijke ordening, is een akoestisch onderzoek inrichtingslawaai uitgevoerd. Met het akoestisch onderzoek zijn de geluidsniveaus op de nabijgelegen woningen ten gevolge van de ontwikkeling na optimalisering in beeld gebracht. Om te kunnen bepalen wat de gevolgen zijn voor de omgeving, is daarbij tevens de huidige situatie in beeld gebracht.
Akoestisch onderzoek inrichtingslawaai
De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt het volgende:
Ten aanzien van het laatste punt moet opgemerkt worden dat in paragraaf 2.3.3 is onderbouwd dat het aantal verkeersbewegingen (beperkt) zal afnemen. Er is in dit geval dan ook geen sprake van een toename van het equivalente geluidsniveau van inrichtingsgebonden verkeer.
Akoestisch onderzoek wonen
Hierboven zijn de resultaten opgenomen van het akoestisch onderzoek met betrekking tot de uitbreiding van de supermarkt. Het voornemen bestaat echter om in fase 3 de bedrijfsbestemming op de Julianastraat 38 te wijzigen naar een woonbestemming en de bebouwing aan de Julianastraat 36B-42 te slopen en te vervangen door 6 appartementen. In dat kader is een notitie opgesteld die is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. Op basis van het aanvullende onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Akoestisch onderzoek Campertrek
Ter plaatse van de Julianastraat 38 wordt de bedrijfsbestemming in de toekomst mogelijk gewijzigd naar een woonbestemming. In het naastgelegen pand is een camperverhuurbedrijf (Campertrek) gesitueerd en in dit bestemmingsplan worden bedrijven in de maximale milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. In gemengde gebieden geldt voor een dergelijke functie een richtafstand (in het kader van de aspecten geluid, geur, stof en gevaar) van 10 meter. Aan deze afstand wordt in de boogde situatie niet voldaan. Van richtafstanden kan worden afgeweken als is onderbouwd of onderzocht dat de betreffende functie geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de milieugevoelige functie, in dit geval de mogelijk toekomstige woning aan de Julianastraat 38. In dat kader is een akoestische beoordeling uitgevoerd. Deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting.
Uit de berekening die als bijlage onderdeel uitmaakt van de beoordeling, blijkt dat het geprognostiseerd optredende binnenniveau in de woning circa 27 dB(A) gaat bedragen. In de dagperiode wordt een binnenniveau ten gevolge van de werkplaats toegestaan van 35 dB(A). In de avondperiode is de eis met 30 dB(A), 5 dB strenger. Het optredende binnenniveau voldoet hiermee in de dag- en avondperiode aan de gestelde eis voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit.
Het maximaal geluidsniveau (pieken) is naar verwachting circa 15 dB hoger. Het binnenniveau tijdens deze pieken bedraagt 27+15 is 42 dB(A). In de dagperiode (tot 19.00 uur) wordt voldaan aan de grenswaarde van 55 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau uit het Activiteitenbesluit. Ook in de avondperiode wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). Overigens zijn werkzaamheden in de Campertrek na 18 uur niet te verwachten en zeker niet gebruikelijk.
Geconcludeerd wordt dat met de voorgestelde scheidingswand voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Geconcludeerd kan derhalve worden dat er vanuit akoestisch oogpunt er geen belemmeringen zijn voor de nieuwe woonbestemming aan de Julianastraat 36b. De inrichting zal hiermee niet belemmerd worden in zijn bedrijfsvoering.
De bewoners van de woningen aan de Docfastraat 17, 19, 21 en 21A zal worden aangeboden om voorzieningen aan de houten schuttingen te treffen, zodat de kieren gedicht worden. Daarmee worden de toenames van geluid als gevolg van de ontwikkeling opgeheven en hiermee wordt een goede ruimtelijke ordening/een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangetoond.
Het planvoornemen voorziet in de (beperkte) afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande (vergunde) situatie.
Om geluidsoverlast ter plaatse van de nieuwe woningen te voorkomen worden maatwerkvoorschriften opgelegd.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.
De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor.
Binnen het plangebied worden nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk indien de nieuwe woningen binnen de geluidszone van een weg zijn gelegen. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dat onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt:
Het bestaande gebouw aan de Julianastraat 38 kan in de toekomst mogelijk een woonbestemming krijgen, mits er een hogere waarde van 62 dB voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Julianastraat wordt vastgesteld door Burgemeesters en wethouders én aangetoond wordt dat de karakteristieke geluidswering van de gevel minimaal 34 dB bedraagt. Om dit te kunnen bereiken, zullen mogelijk geluidswerende voorzieningen getroffen moeten worden.
Aan de Julianastraat 36B-42 kunnen 6 appartementen gerealiseerd worden, mits er een hogere waarde van 62 dB voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Julianastraat wordt vastgesteld door Burgemeesters en wethouders én aangetoond wordt dat de karakteristieke geluidswering van de gevel minimaal 34 dB bedraagt. Voor het appartement op de begane grond aan de oostzijde dient de hogere waarde 63 dB te bedragen en de karakteristieke geluidswering minimaal 35 dB.
Alle woningen beschikken aan de achterzijde (zuidgevel) over een geluidsluwe gevel.
In artikel 3.3.3 van de regels is een regeling opgenomen die ertoe zal leiden dat er bij de nieuwe woningen sprake zal zijn van een goed akoestisch klimaat. Het verblijfsgebied van een nieuwe woning en iedere verblijfsruimte binnen dat verblijfgebied moeten beschikken over een geluidwering die ervoor zorgt dat binnen de nieuwe woningen niet te veel geluidbelasting zal bestaan. Voorts zal iedere nieuwe woning een zijde en buitenruimte moeten hebben waar de geluidbelasting niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Dit wordt geluidluw genoemd. Ten slotte moeten de verblijfsruimten in de woning zoveel mogelijk aan de geluidluwe dan wel aan de zijde van de woning die het minst belast wordt door geluid gerealiseerd worden. Deze voorschriften zorgen samen voor woningen waar het akoestisch klimaat in orde zal zijn.
Om de woningen te kunnen realiseren dient een procedure Hogere waarden te worden doorlopen. Deze procedure zal parallel aan de bestemmingsplanprocedure worden doorlopen.
Wet Milieubeheer
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
Het planvoornemen voorziet voornamelijk in het efficiënter inrichten van de locatie en de bebouwing. Daarnaast wordt met functies geschoven. De oppervlakten van zowel de bedrijfsfunctie als de detailhandelsfunctie zal afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Wel worden 6 extra woningen gerealiseerd. Zoals in paragraaf 2.3 reeds beschreven, zorgt deze herinrichting niet voor extra verkeersgeneratie. In paragraaf 2.3.3 is geconcludeerd dat er sprake zal zijn van een (beperkte) afname van verkeer. Op basis daarvan kan dan ook worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse.
Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
Figuur 4.2: Uitsnede NSL-monitoringstool t.p.v. plangebied
Op basis van de NSL monitoringstool geldt in 2020 ter plaatse van het plangebied een gemiddelde concentratie van 17,1 ug/m³ voor stikstofdioxide (NO2) en 18,3 ug/m³ voor fijn stof (PM10). Het maximaal aantal overschrijdingsdagen is 6,4. Het planvoornemen voorziet niet in extra verkeersbewegingen en er is dus ook geen sprake van extra NO2 of PM10 uitstoot.
De normen voor stikstofdioxide en fijn stof liggen op 40 respectievelijk 40 ug/m³ (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). Er is derhalve geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de streefwaarde.
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan een goede woon- en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit.
Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
Verdrag van Malta
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd.
De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan.
Erfgoedwet
De Erfgoedwet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor de onderstaande onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019:
Archeologiebeleid Hilvarenbeek
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.
Het Archeologiebeleid van de gemeente Hilvarenbeek is vastgesteld d.d. 27 september 2012. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen.
De archeologische beleidskaart van de gemeente is een archeologisch verwachtingsmodel, waaraan grenzen zijn gekoppeld tot waar voorgenomen bodemingrepen worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Omdat er sprake is van een gedifferentieerde archeologische verwachting, is er ook sprake van gedifferentieerde vrijstellingszones. Volgens de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied een middelhoge/hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten.
Figuur 4.3: uitsnede van de archeologische verwachtingkaart met plangebied rood omlijnd
Figuur 4.4: Legenda archeologische verwachtingkaart
Ter plaatse van het plangebied komen 4 archeologische verwachtingswaarden voor:
Het planvoornemen voorziet voornamelijk in verschuivingen van de reeds aanwezige functies binnen bestaande bebouwing. Ten behoeve van een efficiëntere indeling van de detailhandelsfuncties in combinatie met het camperbedrijf is reeds maximaal 150 m² aan extra bebouwing gerealiseerd. Deze bebouwing is gerealiseerd binnen de middelhoge archeologische verwachtingswaarde en gedeeltelijk binnen het gebied dat is aangewezen als archeologische vindplaats. De oppervlakte van 100 m² wordt hier niet overschreden waardoor de bouwwerkzaamheden niet onderzoeksplichtig waren.
Ter plaatse van de Julianastraat 38-42 wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden 6 nieuwe appartementen gerealiseerd. De bestaande bebouwing met een oppervlakte van 384 m² wordt hier gesloopt. De bebouwing die daarvoor in de plaats komt krijgt een oppervlakte van 236 m². De betreffende gronden zijn echter reeds geroerd bij de realisatie van de huidige bebouwing. Hier kunnen geen archeologische waarden meer aanwezig zijn.
Verder worden er geen gronden geroerd waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden geschaad zouden kunnen worden. Er geldt dan ook geen onderzoeksplicht voor de betreffende werkzaamheden.
Het planvoornemen voorziet niet in grondwerkzaamheden waarvoor een onderzoeksplicht geldt. Het aspect archeologie belemmert de uitvoering van de ontwikkeling niet.
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden.
In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorische objecten aanwezig.
Het geplande ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Met de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt binnen 3 kilometer van delen van het Natura 2000-gebied ‘Kempenland West', bestaande uit de heide- en vennengebieden de Roovertsche Heide, de Mispeleindsche Heide, de Neterselsche Heide, de Landschotsche Heide en het Groot en Klein Meer. Tussen deze heideterreinen stromen de laaglandbeken Reusel, Groote Beerze en Kleine Beerze. Van deze beken zijn als Natura 2000-gebied aangewezen:
Het beekdal van de Reusel stroomt op een afstand van circa 220 meter van het plangebied. De instandhoudingsdoelen uit het aanwijzingsbesluit voor de Reusel hebben betrekking op:
Uit het concept-beheerplan blijkt dat de instandhoudingsdoelen gehaald worden door beekherstelprojecten stroomopwaarts, door kleinschalig beheer van bossen en door beheer- en inrichtingsmaatregelen van het waterschap. De ontwikkeling van het plangebied heeft geen invloed op de waterkwaliteit en daarmee is er geen sprake van enig effect van het voornemen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
Ten opzichte van de bestaande vergunde situatie waarbij de nieuwe situering van de supermarkt en dagwinkel PUUR reeds zijn vergund, vindt alleen de toevoeging van het appartementengebouw plaats. De bestaande, gasverbruikende bebouwing wordt gesloopt en vervangen door gasloze nieuwe woningen. Daarnaast voorziet het planvoornemen in een (beperkte) afname van het verkeer (zie 2.3.3). Om deze redenen kan geconcludeerd dat de stikstofuitstoot in de beoogde situatie zal afnemen. Het is dan ook niet nodig om een Aerius-berekening voor de gebruiksfase uit te voeren.
De noodzaak om Aeriusberekeningen uit te voeren voor de aanlegfase (sloop en bouw nieuwe woningen) is door de inwerkingtreding van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) komen te vervallen. Voor de aanlegfase is daarmee namelijk generiek ontheffing verleend.
De dichtstbijzijnde delen van het NatuurNetwerk, naast de Reusel, liggen op grotere afstand van het plangebied. Van enig effect door het voornemen is geen sprake. De toetsing betreft dus alleen soortenbescherming in het kader van de Flora- en Faunawet.
Soortenbescherming
Om er zeker van te zijn dat de beoogde (beperkte) ruimtelijke ingrepen niet in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming (Wnb), is in een eerdere fase al een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt het voorkomen van negatieve effecten op vleermuizen en broedvogels uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.
Op grond van de analyse in de quickscan worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten.
De plannen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Aangezien de ontwikkeling in de gebruiksfase een positief effect heeft, dus minder stikstofdepositie, worden er geen nadelige effecten verwacht voor wat betreft de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Significante effecten zijn derhalve uitgesloten.
Het is niet noodzakelijk aanvullend ecologisch onderzoek uit te voeren. Het aspect ecologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden.
In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.
Alvorens er graafwerkzaamheden binnen het plangebied zullen plaatsvinden zal een KLIC-melding worden uitgevoerd om te voorkomen dat kabels en leidingen worden beschadigd.
Er zijn geen kabels en leidingen in het plangebied aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de geplande ontwikkeling.
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt.
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Buisleidingen
Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Figuur 4.5: Uitsnede Risicokaart Nederland
Risicorelevante inrichtingen
Uit de risicokaart voor Nederland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde bedrijf met een risicocontour en aan te houden veiligheidsafstand is gelegen op een afstand van ruim 550 meter. De betreffende inrichting heeft een propaantank waarvoor een veiligheidscontour van 15 meter moet worden aangehouden. Het planvoornemen wordt hier dus niet door beïnvloed.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Er zijn geen (spoor)wegen in de omgeving van het plangebied die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het is wel mogelijk dat over de Julianastraat sporadisch transporten van gevaarlijke stoffen voorkomt. Dit zal met name bestemmingsverkeer zijn dat gebruikt maakt van de Julianastraat om lokale bedrijven te bevoorraden. Op basis van een inventarisatie Vervoer Gevaarlijke Stoffen van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna OMWB) gaat het om een verwachte intensiteit van 8 transportbewegingen aan brandbare gassen per jaar. Gelet op deze zeer lage jaarintensiteit en het feit dat er, ten opzichte van de vigerende situatie, geen sprake zal zijn van een toename van het aantal personen binnen het plangebied zijn er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen.
De Julianastraat heeft geen 10-6 contour. Als getoetst wordt aan de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport volgt dat het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De drempelwaarde bij tweezijdige bebouwing en een afstand van 10 meter tot de weg (uitgaande van een intensief bebouwingskarakter met een dichtheid van circa 400 personen per hectare) zal niet worden overschreden. Zoals eerder vermeld heeft de ontwikkeling een beperkte toename aan personen tot gevolg en zal in geen geval leiden tot een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde. Daarnaast is sprake van zelfredzame personen in het plangebied. Een berekening van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Het plangebied ligt volgens de kaart met de zone-indeling bij de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Hilvarenbeek in de blauwe zone. Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Hiervoor wordt verwezen naar de Standaard Verantwoording Groepsrisico van de OMWB (zie bijlage 8) en het standaardadvies van de brandweer die is toegevoegd in bijlage 9.
Buisleidingen
Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
De gronden zijn voorzien van de bestemming ‘Gemengd’. De wijze van bestemmen sluit aan op de planregels van recente bestemmingsplannen in de directe nabijheid waar gemengde bestemmingen mogelijk zijn gemaakt. Het planvoornemen ziet op een specifieke ontwikkeling. De maximale bruto vloeroppervlakten en aantallen woningen zijn in de regels vastgelegd.
In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij:
In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. Wijziging van het gebruik van een bestaand gebouw kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwplan.
De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft een 'bouwplan'. Omdat er een anterieure overeenkomst is afgesloten met de initiatiefnemer, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden. \
Planschade alsmede de uitvoering van het bestemmingsplan komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer . Eventuele kosten voor de gemeente en/of derden worden door middel van de anterieure overeenkomst gedragen door de initiatiefnemer.
Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Reeds lange tijd zijn er plannen voor de herstructurering van het plangebied. Enkele plannen zijn in dat kader reeds aan de omwonenden voorgelegd. Een samenvatting van de gevoerde omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 11.
Voor de verbouwing van de supermarkt en winkel aan de Julianastraat te Diessen is op 20 februari 2019 de omgeving uitgenodigd om de plannen te overleggen. In de bijlage zijn de presentatie en het verslag van die ontmoeting bijgevoegd.
Het plan is naar aanleiding van het overleg aangepast en wederom gepresenteerd op 28 maart 2019. De presentatie is evenals de verslaglegging bijgesloten. Te zien is hoe de opmerkingen uit de eerste dialoog hebben geresulteerd in het aangepaste plan. Het gebouw is op verzoek lager geworden, het lossen geschiedt buiten en de lostijden zijn beperkt tot de dagsituatie. Hiermee is de verbouwing ook kleiner geworden in oppervlakte (visuele vergelijking). Over dit plan bestaat consensus. De genodigden zijn per mail voorzien van de presentatie en de gemaakte afspraken via het verslag.
Dit bestemmingsplan dat nu voorligt voorziet voornamelijk in het schuiven van functies binnen de bestaande/vergunde bebouwing. De oppervlakte aan detailhandel wordt verkleind alsmede de oppervlakte van de bedrijfsfunctie. Wel worden 6 extra woningen toegevoegd. Daarmee wordt extra kwaliteit toegevoegd. Als gevolg van dit planvoornemen zal het aantal verkeersbewegingen enigszins afnemen en zal geluidsoverlast als gevolg van laden en lossen verminderen ten opzichte van de eerdere situatie. Dit bestemmingsplan maakt het doorvoeren van enkele maatregelen ook mogelijk.
De plannen, inclusief de toevoeging van de woningen, zijn d.d. 11 oktober 2021 gepresenteerd aan omwonenden en belangstellenden. Een verslag van die informatieavond is opgenomen in Bijlage 12 van deze toelichting. Tijdens de avond zijn geen bedenkingen geuit tegen het planvoornemen.
In het kader van het wettelijke vooroverleg wordt het concept ontwerpbestemmingsplan aan de vooroverleginstanties voorgelegd. Eventuele reacties van deze instanties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
Aangezien er een uitvoerige omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden is het niet noodzakelijk om een voorontwerpbestemmingsplan voor eenieder in het kader van inspraak ter inzage te leggen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 28 april 2022 tot en met 8 juni 2022 voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens de inzagetermijn zijn geen zienswijzen ingediend.
Wel zijn er enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd in de toelichting. Deze aanpassingen zorgen niet voor een gewijzigde vaststelling.
Het bestemmingsplan zal ongewijzigd worden vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.