direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Het Hoog II, 2e partiële herziening
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voornemen bestaat om een fabrikant van deegverwerkingsmachines voor bakkerijen (Benier) te vestigen op bedrijventerrein Het Hoog. Voor het desbetreffende plangebied zijn de voorschriften van het geldende bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Het Hoog II' uit 2007 van toepassing. De vigerende bestemmingsregeling voorziet niet in de gewenste situering van het bedrijf, direct ten noorden van de bestaande bedrijven aan de Abt van Engelenweg.

Om het initiatief planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt gemotiveerd dat het initiatief past binnen het ruimtelijk beleid van de diverse overheden en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt op het bedrijventerrein Het Hoog in Nieuwkuijk. Het wordt aan de noordzijde begrensd door de Tuinbouwweg en aan de zuidzijde door het verlengde van de Abdijlaan. Aan de Oostelijke zijde vormt de Abt van Engelenweg de grens. Aan de westzijde is het verlengde van de Looijer de grens. Op afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0001.jpg"

Afbeelding 1.1: ligging plangebied

1.3 Vigerende plannen

Het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Het Hoog II' is op 16 oktober 2007 vastgesteld door de gemeenteraad. Het plan is goedgekeurd op 27 mei 2008 en onherroepelijk geworden sinds 26 juli 2008. Op 8 juli 2014 is een partiële herziening vastgesteld waarbij de maximale oppervlakte van het bedrijfsperceel is verwijderd uit de regels. Op afbeelding 1.2 is een uitsnede van de plankaart van het bestemmingsplan weergegeven. In rood is het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0002.jpg"

Afbeelding 1.2: uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied gelden de bestemmingen 'Bedrijfsdoeleinden' en 'Water' en 'Verkeersdoeleinden'. Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' is bedrijvigheid toegestaan met een milieucategorie van 2 en 3. De gronden bestemd als 'Water' zijn gereserveerd voor waterberging. De gronden bestemd als 'Verkeersdoeleinden' zijn gereserveerd voor ontsluitingswegen.

Volgens de regels van de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' is een fabrikant van deegverwerkingsmachines voor bakkerijen niet toegestaan. De bedrijfsvoering valt onder de categorie 'machine- en apparatenfabrieken inclusief reparatie'. Dit heeft een hogere milieucategorie dan in het bestemmingsplan is toegestaan. Tevens is de inrichting van het bedrijf gesitueerd op gronden die zijn bestemd voor 'Water' en 'Verkeersdoeleinden'. Binnen deze bestemmingen zijn bedrijfsactiviteiten niet toegestaan.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 staat het initiatief beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het initiatief. Hierbij wordt ingegaan op Rijks, Provinciaal en regionaal beleid. Vervolgens is in hoofdstuk 4 het initiatief beoordeeld aan de hand van relevante omgevingsaspecten. Tot slot volgt in hoofdstuk 5 een beschrijving van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied maakt deel uit van het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein 'Het Hoog' dat al grotendeels is uitgegeven. Het huidige perceel was tot enkele jaren geleden in gebruik als landbouwgrond. Het deel van het plangebied waarop Benier zich wil gaan vestigen, was in eigendom van de gemeente en is inmiddels gekocht door Benier. Op afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0003.jpg"

Afbeelding 2.1: Luchtfoto bestaande situatie (peildatum 2015)

2.2 Toekomstige situatie

Het bedrijf ontwerpt en bouwt systemen voor de productie en verwerking van allerlei soorten deeg. Deze systemen worden gebruikt in zowel ambachtelijke bakkerijen als industriële broodproductielijnen. Het terreindeel dat door Benier is gekocht zal naar verwachting worden ingevuld volgens de inrichtingsschets op afbeelding 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0004.jpg"

Afbeelding 2.2: inrichtingschets

Naast een productieafdeling wordt er een expeditie, een magazijn en een proefbakkerij gerealiseerd. Het plangebied wordt ontsloten via de Mandenmaker op de Abt van Engelenlaan. Het bedrijf is nu gevestigd in Den Bosch, maar heeft op de huidige locatie onvoldoende mogelijkheden voor uitbreiding van haar productie. De maximale bouwhoogte bedraagt 11,5 meter. Parkeren wordt op eigen terrein voorzien. Op afbeelding 2.3 is een impressie van de inrichtingsschets weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0005.jpg"

Afbeelding 2.2: impressie inrichtingschets

Ten noorden van perceel wordt (tijdelijke) waterberging gerealiseerd. Het perceel is in eigendom van de gemeente. Berging wordt gevonden door middel van een overstortvoorziening over te laten storten op de bestaande watergang ten westen van het perceel. Op afbeelding 2.3 is de nieuwe inrichtingsschets en de locatie van de waterberging aangegeven op een luchtfoto.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0006.jpg"

Afbeelding 2.3: Locatie nieuwe inrichting en waterberging

Hoofdstuk 3 Beleid

Dit hoofdstuk geeft een motivering van/ toetsing van het initiatief aan relevante beleidsdocumenten van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Heusden.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en milieu (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie bevat concreet en bondig het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen m.b.t. (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. De nationale ruimtelijke belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

In de structuurvisie zijn voor het landsdeel Zuid (Brabant en Limburg) de belangrijkste thema's, Nationale Belangen, benoemd. Op afbeelding 2.1 is een uitsnede van de bijbehorende kaart weergegeven. Voor het plangebied zijn geen thema's van belang

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0007.jpg"

Afbeelding 3.1: Nationale belangen landsdeel Zuid (bron: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte)

Conclusie

Met voorliggend initiatief zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief past binnen de kaders van de structuurvisie.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt een vertaling van de planologische rijksbelangen uit de SVIR in instructieregels voor provincies en gemeenten. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau in bestemmingsplannen te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op ondermeer het kustfundament, de grote rivieren, de ecologische hoofdstructuur en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. In deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, bescherming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen en spoorlijnen en reserveringsgebieden voor uitbreiding van enkele bestaande hoofdwegen.

Relevante regels

In het Barro zijn geen regels opgenomen die betrekking hebben op het plangebied. Het initiatief past binnen de kaders van het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (3.1.6 Bro)

De Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) vormt het instrument voor zorgvuldig ruimtegebruik. Het doel van de ladder is een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Wanneer een ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dient het initiatief te worden getoetst aan de ladder. De ladder heeft betrekking op ontwikkeling van woningbouw, kantoren, bedrijven, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Beoordeling

Er worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De uitbreidingsmogelijkheden zijn binnen het vigerende bestemmingsplan ook al mogelijk. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt het alleen mogelijk om ook bedrijfsactiviteiten van een ander aard toe te staan. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft hierdoor niet te worden doorlopen.

Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch de ladder doorlopen.

  • 1. Voorziet de ontwikkeling in een actuele regionale behoefte?

Het plangebied is bestemd als bedrijventerrein en maakt deel uit van het bedrijventerrein Het Hoog. Het vormt dus een onderdeel van de harde plancapaciteit voor bedrijven in de Regio. Voor de regio Noordoost Brabant is in 2012 een behoefteraming vastgesteld, en op basis van die raming is er een programma vastgesteld voor de uitgifte in onder meer de periode 2012/2021. Bedrijventerrein Het Hoog wordt in dit programma geclassificeerd onder de kwaliteitscategorie "Modern Lokaal", en voor dit terrein is in het programma voorzien in een uitgifte van 12 van de beschikbare 20 ha. Met de uitgifte van 2,7 ha die voorzien is in dit plan blijft de gemeente ruimschoots binnen deze geprognosticeerde hoeveelheid. Geconcludeerd kan dan ook worden dat dit plan voorziet in een actuele behoefte.

  • 2. Kan de actuele behoefte worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins?

Het plangebied dient tot het bestaand stedelijk gebied worden gerekend. Niet alleen heeft het al een bedrijfsmatige bestemming, het maakt tevens deel uit van de bedrijvenpark dat al grotendeels is uitgegeven. Daar komt bij dat de zone waarin het plangebied ligt in zeker in het verleden in aanzienlijke mate bestond uit glastuinbouwbedrijven. Ook in de provinciale Verordening Ruimte wordt het plangebied aangemerkt als 'Bestaand stedelijk gebied', stedelijk concentratiegebied (zie paragraaf 3.2).

  • 3. Indien blijkt dat de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied valt, hoe kan het gebied zo goed mogelijk ontsloten worden via verschillende middelen van vervoer?

Vanwege het feit dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied hoeft de derde trede van de ladder voor duurzame verstedelijking in principe niet te worden doorlopen. in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de derde trede in deze toelichting toch doorlopen.

Het bedrijventerrein is per bus bereikbaar, zij het dat de loopafstand tot aan de dichtstbijzijnde bushalte ongeveer één kilometer bedraagt. De desbetreffende buslijn vormt een verbinding tussen Tilburg en Den Bosch CS en stopt onder meer in de kernen Drunen en Vlijmen. Verder is er goede bereikbaarheid per fiets. Het terrein is via fietspaden aan onder meer de Abt van Engelenweg vanuit de omliggende kernen te bereiken. De bereikbaarheid van auto en vrachtverkeer is goed met de nabijgelegen aansluitingen op de A59. Het plangebied ligt nabij de snelweg A59, waardoor het gebied goed ontsloten is.

Conclusie

Uit bovenstaande blijkt dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 19 maart 2014 is de structuurvisie in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie geeft in hoofdlijnen het ruimtelijk beleid voor de provincie weer tot 2025 (met een doorkijk naar 2040).

Meer dan voorheen wil de provincie duurzaam en zorgvuldig met de ruimte omgaan. De provincie streeft naar een complete kennis- en innovatieregio. Daarvoor zijn een aantrekkelijke woon- en leefomgeving, natuur- en landschapsontwikkeling, een robuust verkeer- en vervoersysteem en een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven van cruciaal belang.

Relevant beleid

Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen als 'stedelijk concentratiegebied' en 'economisch kenniscluster'.

Stedelijk concentratiegebied

Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. Daarvoor is agglomeratiekracht nodig maar Brabant wil zijn stedelijk gebied niet laten uitgroeien tot een klassieke metropool. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied. Om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Het op peil houden van het voorzieningenniveau is daarbij een belangrijk aandachtspunt. De fysieke leefomgeving levert een bijdrage aan de gezondheid, bijvoorbeeld door goed toegankelijke voorzieningen, een groene leefomgeving, water, een veilige infrastructuur en biedt ruimte voor vrijetijdsbesteding.

Economisch kenniscluster

Brabant kent een sterk industriële DNA. De (maak- en proces) industrie en het agro-industrieel complex vormen nog steeds het kloppend hart van de economie en zijn de kern van de economische clusters. Ook de strategische ligging in Europa, te midden van mainports en grote bevolkingsconcentraties, blijft een sterke troefkaart voor de innovatieve economie. Een innovatieve economie die nieuwe verbindingen legt met maatschappelijke kansen op het gebied van slimme mobiliteit, duurzame energie, gezond ouder worden en een duurzame agro-food keten. Brabant onderscheidt op basis van sterke tradities binnen de Brabantse economie en de kansen op het wereldtoneel de volgende economische clusters:

  • high-tech systems en materialen (inclusief automotive en solar);
  • life sciences/ health;
  • agrofood,
  • logistiek,
  • maintenance;
  • biobased economy.

Om deze clusters te versterken is het economisch programma 2020 vastgesteld. Samen met ondernemers, onderwijsinstellingen en betrokken overheden wordt invulling gegeven aan de ondersteuning van deze clusters. Het ruimtelijke faciliteren van deze clusters is een belangrijke bouwsteen in deze aanpak. Deze aanpak is vertaald in de provinciale strategie werklocaties. Gezien de aard van de bedrijvigheid past het bedrijf goed in het profiel Agrofood en de regionale profilering van de regio Noordoost als Agrifood Capital.

Conclusie

Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten uit de structuurvisie. Hierdoor past het initiatief binnen de kaders van de structuurvisie.

3.2.2 Verordening ruimte 2014

In de verordening staan onderwerpen uit de provinciale structuurvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Relevante regels

Het plangebied is in de verordening aangewezen als 'Bestaand stedelijk gebied' (stedelijk concentratiegebied). Onder bestaande bebouwing wordt in de verordening verstaan: datgene wat het geldende bestemmingsplan toestaat. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn ter plaatse al bedrijfsactiviteiten toegestaan.

In de verordening is tevens opgenomen dat bedrijventerreinen enkel als bedrijventerrein gebruikt mogen worden. Oneigenlijk gebruik is in de verordening gedefinieerd. Bedrijventerrein het Hoog kan betiteld worden als een middelzwaar- tot zwaar bedrijventerrein. Op dit terrein geldt dat de volgende functies niet zijn toegestaan: bedrijfswoningen, bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen en leisurevoorzieningen. Daarnaast geldt dat andere bedrijven behorend tot milieucategorie 1 en 2 niet zijn toegestaan, met uitzondering van een bedrijf met een omvang van meer dan 5000 m2. Om ervoor te zorgen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de bovenstaande regels zijn de planregels zodanig opgesteld dat oneigenlijk gebruik niet mogelijk is.

Verder verplicht artikel 37.4 van de verordening om regionale afstemming te plegen over de planologische voorbereiding van de herstructurering bedrijventerreinen. Ten aanzien van dit plan is er regionaal overleg geweest in de regionale werkgroep Werken in haar bijeenkomst van 19 januari 2015. In deze vergadering werd geconcludeerd dat het plan past binnen de regionale afspraken.

Conclusie

Het initiatief past binnen de regels van de verordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie gemeente Heusden

In de structuurvisie die is vastgesteld op 15 juni 2009 is het plangebied aangewezen als bedrijventerrein.

In algemene zin is het beeld van de afgelopen jaren dat er binnen de gemeente Heusden te weinig ruimte voorhanden is geweest voor vernieuwingen, uitbreidingen en aanpassingen, laat staan voor verplaatsingen of nieuwvestigingen. Bovendien is er een tendens waarneembaar waarin diverse verspreide, kleinere bedrijvenlocaties stilaan plaats maken voor woningbouw, waarmee het totale areaal aan bedrijventerreinen kleiner wordt. De gemeente wil voorkomen dat een economisch herstel wordt gefrustreerd door een gebrek aan ontplooiingsruimte. Om die reden wordt nog steeds uitgegaan van een toekomstige behoefte aan nieuwe bedrijvenlocaties, vooral voor kleinere bedrijven. Zodra uit monitoring en behoefteprognoses duidelijk wordt dat er weer tekorten dreigen op te treden worden er nieuwe initiatieven ontplooid. Voor de bedrijven met een regionale uitstraling en voor bedrijfsverplaatsingen van lokale bedrijven die de huidige locatie ontgroeien, wordt Het Hoog aan de westkant afgerond. In de landelijke regio zal er een klein terrein aan de noordzijde van de locatie Verdoorn in Heesbeen aan het areaal worden toegevoegd.

Conclusie

Het plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.

3.3.1 Structuurvisie gemeente Heusden

De structuurvisie is vastgesteld op 15 juni 2009. In de structuurvisie wordt de toekomstige ontwikkeling van de Gemeente Heusden tot het jaar 2030 weergeven. Het is een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling op hoofdlijnen.

Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen als bedrijventerrein. Op afbeelding 2.1 is een uitsnede van de plankaart van de structuurvisie weergegeven. In rood is globaal het plangebied aangegeven. De gemeente wil bedrijvigheid stimuleren. Het beeld van de afgelopen jaren is dat er te weinig ruimte voorhanden is geweest voor vernieuwingen, uitbreidingen, aanpassingen, verplaatsingen of nieuwvestigingen van bedrijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0008.jpg"

Afbeelding 2.1: Uitsnede plankaart structuurvisie

Voor het bedrijventerrein is in de structuurvisie een actiepunt opgenomen. Het bedrijventerrein dient ruimte bieden voor bedrijven met een regionale uitstraling en voor bedrijfsverplaatsingen van lokale bedrijven. Het bedrijf kan op de huidige locatie (in 's-Hertogenbosch) niet uitbreiden. Hiervoor is in de regio gezocht naar een andere locatie met een goede ontsluiting. De ontwikkeling voorziet in de bedrijfsverplaatsing van een lokaal bedrijf.

Conclusie

Gelet op bovenstaande past het initiatief binnen de kaders van de structuurvisie

3.3.2 Beleidsnota vestigingsmogelijkheden (ruimte voor bedrijvigheid in Heusden)

Op 30 oktober 2012 heeft de gemeente de beleidsnota: 'Vestigingsmogelijkheden: Ruimte voor bedrijvigheid in Heusden' vastgesteld. In het kader van zuinig ruimtegebruik en de wens om ruimte te bieden voor groei en nieuwvestiging van bedrijven, is voor de gehele gemeente Heusden een integraal raamwerk opgesteld voor de vestigingsmogelijkheden van bedrijven.

Dat laat een waaier aan mogelijkheden zien waarbij zuinig en effectief met de beschikbare ruimte wordt omgegaan. Op basis van de beleidsuitgangspunten in deze nota kan een juiste locatiekeuze worden bepaald en daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de bevordering van de leefbaarheid in Heusden.

Belangrijk is de verdeling van de vestigingsmogelijkheden naar verschillende gebieden. Bedrijventerreinen zijn verdeeld in twee typen: zware en gemengde bedrijventerreinen. Zware bedrijventerreinen zijn bedrijventerreinen voor de bedrijfsmatige uitoefening van zware industriële activiteiten en/of grootschalige logistieke activiteiten. Deze bedrijventerrein zijn speciaal voor de meest milieubelastende bedrijven ontwikkeld. Voor sommige (lichte) bedrijvigheid is de vestiging in de kernen of op zware bedrijventerreinen niet ideaal. Daarom zijn de zogenaamde gemengde bedrijventerreinen ontwikkeld.

Conclusie

Het plangebied is in de nota aangewezen als zwaar bedrijventerrein met een sterk gemengd karakter. Hier is uitsluitend bedrijvigheid toegestaan. Voor grootschalige detailhandel en maatschappelijke functies zijn andere locaties aangewezen. Het initiatief voorziet in een bedrijfsmatige uitoefening waardoor het past binnen de kaders van de nota.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

Beleid, wet- en regelgeving

In de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) is bepaald dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dit verband dient bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan een inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. In het kader van de modernisering van de Monumentenwet is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat in een ruimtelijk plan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Situatie plangebied

In 2010 is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het gehele bedrijventerrein. (Crevasse advies, Scan archeologie paraplubestemmingsplan bedrijventerreinen, gemeente Heusden, 27 september 2010). Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Er is geen aanvullend onderzoek nodig. De archeologische waarden en cultuurhistorische waarden komen niet in het geding.

Conclusie

Uit bovenstaande blijkt dat het aspect archeologie en cultuurhistorie de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Beleid, wet- en regelgeving

Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) dient te worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied.

Bedrijvigheid kan negatieve effecten met zich mee brengen voor woningen en gevoelige functies in de omgeving. Negatieve effecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op geur, geluid, stof en trillingen. Andersom kunnen woningen een belemmerend effect hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies zijn gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).

In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter.

Tabel richtafstanden per milieucategorie

Milieu-
categorie  
Richtafstanden in 'rustige woonwijk'   Richtafstanden in 'gemengd gebied'  
1   10 meter   0 meter  
2   30 meter   10 meter  
3   50-100 meter   30-50 meter  
4   200-300 meter   100-200 meter  
5   500-1.000 meter   300-700 meter  
6   1.500 meter   1.000 meter  

Situatie plangebied

Het bedrijf valt volgens de VNG-publicatie in categorie 4.1 als 'machine- en apparatenfabrieken inclusief reparatie. Het productieoppervlak van het bedrijf is namelijk groter dan 2000 m2. De aspecten geur, stof en gevaar zorgen niet voor voor een situatie die strijdig is met de uitgangspunten voor deze zonering. Aan de op grond van deze aspecten vereiste 50 meter tussen het bedrijf en de dichtstbijzijnde gevoelige functie wordt ruimschoots voldaan. De dichtstbijzijnde gevoelige functie, in dit geval een woning, bevindt zich op circa 100 meter van de grens van het kavel waarop het bedrijf gebouwd gaat worden.

Voor het aspect geluid dient vanuit een categorale benadering een afstand van 200 meter aangehouden te worden tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie. Van deze afstand mag gemotiveerd worden afgeweken indien aangetoond is dat de daadwerkelijk hinder van het bedrijf voldoet aan de normen die ten grondslag liggen aan de categorale zoneringsafstand. In paragraaf 4.6 Geluid wordt nader ingegaan op het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Hieruit komt naar voren dat het bedrijf met de te treffen maatregelen voldoet aan een bedrijf van milieucategorie 2.

Conclusie

Uit bovenstaande kan gesteld worden dat er geen hinder in het kader van bedrijven en milieuzonering te verwachten valt. Ook zijn er in de nabije omgeving van het plangebied geen andere gevoelige functies aanwezig die een belemmering voor de bedrijfsvoering kunnen zijn.

4.3 Bodem

Beleid, wet- en regelgeving

Artikel 3.1.6 van het Besluit Ruimtelijke Ordening geeft aan dat in het kader van de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan onderzoek verricht dient te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe functie mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe functie.

Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Bouw kan pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem geschikt te maken.

Situatie plangebied

In het plangebied zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd, waaronder in 2004 en 2007. Aan de Abdijlaan 3 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bakker, kenmerk BM/1002-04, januari 2004). In de grond is een licht verhoogd gehalte PAK aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde concentraties chroom, koper en nikkel aangetroffen. Op het gehele bedrijven terrein 't Hoog II is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Tritium, kenmerk 0708/082/NH, 25 september 2007). Het huidige plangebied maakt deel uit van het bedrijventerrein. Het bodemonderzoek bevestigt de bodemkwaliteit zoals vastgesteld in 2004. In de periode 2007 tot heden hebben geen wijzigingen plaatsgevonden in het gebruik. Op de locatie worden gewassen verbouwd.

In maart 2015 is het terrein van de voormalige abdijlaan 1 en 3 opnieuw onderzocht (rapport Diverse bodemonderzoeken Voormalige Abdijlaan 1 en 3 te Nieuwkuijk, Verhoeven Milieutechniek, 31-03-2015). Hierbij is een ernstig geval van bodemverontreiniging geconstateerd, omdat de interventiewaarden voor olie werden overschreden in een volume van ca. 50 m3. In augustus 2015 heeft de provincie hierop beschikt. De gemeente Heusden heeft Verhoeven milieutechniek opdracht gegeven om de verontreiniging te saneren. Deze sanering is op 4 februari 2016 afgerond. Uit de bodemanalyses blijkt dat de olie verontreiniging helemaal is verwijderd. De definitieve saneringsevaluatie is in week 8 van 2016 opgesteld.

Conclusie

Uit bovenstaande blijkt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het toekomstige gebruik.

4.4 Ecologie

Beleid, wet- en regelgeving

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Situatie plangebied

Om het aspect ecologie te beoordelen is een verkennend natuuronderzoek en vleermuisonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt:

Flora- en faunawet

De bomenrij langs de Tuinbouwweg heeft een functie als vliegroute voor enkele gewone wergvleermuizen en laatvliegers. Deze bomenrij blijft gehouden. Om de functionaliteit van de vliegroute te waarborgen dient een toename van verlichting bij deze bomenrij achterwege te blijven. Op deze wijze zijn er vanuit de Flora- en faunawet geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief. Effecten op overige zwaarder beschermde soorten zijn uitgesloten.

Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid algemeen voorkomende broedende vogels op het perceel. Alle broedende vogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen. Door in de planning rekening te houden met het broedseizoen (globaal half maart - augustus) en/of het tijdig nemen van maatregelen kan voorkomen worden dat vogels tot broeden komen in het gebied waar gewerkt wordt en zijn er geen belemmeringen vanuit de Flora- en faunawet aan de orde.

Natuurbeschermingswet

Natura 2000-gebieden 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek' en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen liggen op een afstand van respectievelijk circa 1,8 en 3,6 km van het plangebied. Op afbeelding 4.1 is de ligging van het plangebied (blauw) ten opzichte van deze gebieden (rood) weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0009.jpg"

Afbeelding 4.1: Plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden, in blauw is de locatie van het plangebied weergegeven.

Gezien de voorgenomen ontwikkeling en aanwezigheid van stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zijn effecten van vermesting en verzuring niet op voorhand uitgesloten. Vanuit de Natuurbeschermingswet 1998 zijn er mogelijk belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Om die reden is er een berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd. De reslutaten zijn opgenomen in een notitie. Deze notitie is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Uit de notitie blijkt dat de maximale bijdrage van het project 0,01 Mol N/ha/jr bedraagt. Deze bijdrage treedt op in het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Op basis van de resultaten is het project niet meldingplichtig onder het PAS, aangezien de hoogste depositie op een gevoelig habitattype binnen Natura2000-gebied minder dan 0,05 mol/ha/jaar bedraagt.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het plangebied is geen onderdeel van het NNN (EHS, EVZ of de 'groenblauwe mantel'). In de directe omgeving zijn wel gebieden aanwezig die onderdeel zijn van EHS. Gelet op het type bedrijvigheid dat zich gaat vestigen, de inrichtingsplannen, de afstand tot het plangebied en tussenliggende elementen, zal er geen sprake zijn van een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS middels externe werking.

Conclusie

Vanuit de natuurbeleidskaders zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.5 Externe veiligheid

Beleid, wet- en regelgeving

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen) als om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het externe veiligheidsbeleid kent twee risicomaten, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt met behulp van een diagram weergegeven. Bovendien geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Het Bevi is op 27 oktober 2004 in werking getreden en legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein.

Situatie plangebied

Het bedrijf is geen BEVI-inrichting. Het bedrijf heet hierdoor geen contour voor het PR en geen invloedsgebied voor het GR. Het initiatief levert geen belemmeringen op voor kwetsbare objecten in de omgeving.

Inventarisatie risicobronnen/ inrichtingen

Met behulp van de risicokaart (http://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html) is op 11 januari 2016 gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden of risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op afbeelding 4.2 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Met geel is het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0010.jpg"

Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart

Alliance BV

Het plangebied ligt in het invloedgebied voor het groepsrisico van het bedrijf Alliance BV. Voor dit bedrijf is een kwantiatieve risicoanalyse opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting.

Uit de kwantiatieve risicoanalyse is gebleken dat het voorliggende plan, in vergelijking met het geldende plan, geen invloed heeft op het groepsrisico. Immers de bestemming en de bebouwingmogelijkheden blijven in omvang gelijk. Nu het groepsrisico door dit plan niet wijzigt, de oriënterende waarde niet wordt onderschreden en het groepsrisico al in 2011 is verantwoord, kan het groepsrisico ten gevolge van dit plan als verantwoord worden beschouwd.

Buisleidingen

Aan de zuidzijde van de A59 ligt een hogedruk aardgastransportleiding met een druk van 40 bar (zie rode lijn op afbeelding 4.2). Deze leiding ligt op meer dan 500 meter van het plangebied. Het invloedsgebied van deze leiding ligt buiten het plangebied.

Conclusie

Uit bovenstaande blijkt dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief niet in de weg staat.

4.6 Geluid

Beleid, wet- en regelgeving

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor de toelaatbare geluidbelasting. De geluidseisen zijn alleen van toepassing op geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de geluidzone van een geluidsbron. Een geluidzone is een gebied aan weerszijden van het spoor, van een weg of rond een bedrijven/industrieterrein. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen.

Situatie plangebied

Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de geluidbelasting van het initiatief op de omgeving bepaald. Er zijn twee uitvoeringsvarianten uitgewerkt. Het onderzoek is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

Uit het onderzoek blijkt dat het geluidniveau van de bedrijfsactiviteiten op de omliggende woningen maximaal 55 dB(A) bedraagt. Hierbij wordt voldaan aan de voorkeurgrenswaarden. Het geluidniveau vanwege het verkeer dat van en naar het bedrijf rijdt is beduidend lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A).

Conclusie

Uit bovenstaande blijkt dat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

4.7 Luchtkwaliteit

Wet milieubeheer (5.2 Luchtkwaliteitseisen)

Het doel van Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen is het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOX), stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), lood (Pb), koolmonoxide (CO) en benzeen. De normen gelden overal in de buitenlucht en niet alleen ter plekke van gevoelige bestemmingen. In de praktijk blijken er vooral grenswaardenoverschrijdingen te zijn voor PM10 en NO2.

Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)

Het begrip NIBM speelt een belangrijke rol in de regelgeving voor luchtkwaliteit en is uitgewerkt in het Besluit 'Niet in betekende mate' bijdragen en de Regeling 'Niet in betekende mate' bijdragen. Projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen), tot 100.000 m2 kantooroppervlakte met één ontsluitingsweg (200.000 m2 met twee ontsluitingswegen) en intensieve veehouderijen (afhankelijk van het aantal dieren), bij voorbaat aangemerkt als niet in betekenende mate.

Situatie plangebied

Uit het akoestisch onderzoek (4.6 Geluid) blijkt dat er sprake is van een verkeersaantrekkende werking (30 vrachtwagenbewegingen en 284 personenautobewegingen). Om te bepalen of het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging is een berekening met de NIBM-tool uitgevoerd. Op afbeelding 4.3 is de berekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.PH2HOOG2-VG01_0011.jpg"

Afbeelding 4.3: Berekening NIBM-tool

Conclusie

Het initiatief draagt 'Niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Hieruit kan worden opgemaakt dat het initiatief geen bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en past binnen de kaders van de Wet milieubeheer.

4.8 Verkeer

Beleid

Voor een goede ruimtelijke ordening is een goede verkeersafwikkeling en een veilige verkeersontsluiting van alle modaliteiten van belang. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen.

Situatie plangebied

Verkeer

Uit het akoestisch onderzoek (4.6 Geluid) blijkt dat er sprake is van een toename aan verkeer (30 vrachtwagenbewegingen en 284 personenautobewegingen). Het plangebied wordt ontsloten via de Mandenmaker op de Abt van Engelenlaan. De Abt van Engelenlaan is een gebiedsontsluitingsweg, deze wegen kunnen een hogere intensiteit aan. De toename leidt daarom niet tot knelpunten op de bestaande wegen.

Parkeren

Het parkeren vindt op eigen terrein plaats. De openbare wegen worden hierdoor niet belast met parkerende voertuigen.

Conclusie

Uit bovenstaande blijkt dat het aspect verkeer de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

4.9 Water

Beleid, wet- en regelgeving

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is tevens een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

Situatie plangebied

Er is een watertoets uitgevoerd. De rapportage van deze watertoets is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. In deze rapportage staan de beleidskaders, actuele situatie en toekomstige situatie beschreven voor de verschillende waterhuishoudkundige aspecten binnen en rondom het plangebied.

Compensatie extra verhard oppervlak

Uit de watertoets blijkt dat er een compensatieplicht geldt. De toename van het verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het aanbrengen van een (tijdelijke) waterberging. Deze extra waterberging wordt ten noorden van het perceel Benier voorzien.

Verder wordt het hemelwater en vuilwater gescheiden ingezameld. De eerste 10 mm hemelwater afkomstig van het dakoppervlak wordt op eigen terrein geborgd. Het overige dakwater mag afgevoerd worden naar de watergangen gelegen op het bedrijventerrein. Het hemelwater afkomstig van overige verhardingen zoals wegen, parkeerplaatsen en verharde delen wordt aangesloten op het hemelwaterstelsel van het verbeterd gescheiden stelsel op het bedrijventerrein. Het vuilwater afkomstig van het perceel wordt aangesloten op het vuilwaterstelsel op het bedrijventerrein.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Plansystematiek

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Daarnaast is bij dit bestemmingsplan rekening gehouden met de systematiek uit het vigerende bestemmingsplan. Het bedrijfsperceel zal gelijk aan het vigerende bestemmingsplan een bouwvlak krijgen waarbinnen gebouwen gebouwd dienen te worden. Er vindt wel een verandering plaats ten opzichte van de waterberging. Daar waar in het vigerende bestemmingsplan waterberging ten zuiden van het bedrijf zou worden gerealiseerd, wordt dit nu elders binnen hetzelfde peilgebied opgelost. De locatie van de waterberging is als Water bestemd en ook opgenomen in dit bestemmingsplan.

5.2 Toelichting op de regels

Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1: Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2: Wijze van meten

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf

De bestemming bedrijf is toegespitst op de komst van Benier. Het bouwvlak geeft aan binnen welke grenzen gebouwen gebouwd mogen worden. Buiten het bouwvlak zijn geen gebouwen toegestaan, maar wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding opgenomen. Daarnaast is binnen de regels aangegeven welke vormen van gebruik gezien moeten worden als strijdig gebruik. Op deze manier wordt voldaan aan het provinciaal beleid.

Artikel 4 Water

Ten behoeve van de waterberging is de bestemming Water opgenomen. De grootte van dit perceel en de hoeveelheid water die gerealiseerd moet worden is afgestemd met het waterschap. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is erop gericht om grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog uitvoering kan worden gegeven, niet dubbel te kunnen laten tellen, waardoor er onbedoeld meer gerealiseerd kan worden.

Artikel 6 Algemene bouwregels

In dit artikel is opgenomen dat gronden niet dusdanig bebouwd mogen worden, dat andere percelen daardoor onbebouwd zouden moeten blijven. Daar waar momenteel een discrepantie zou zijn tussen de regels en de werkelijke situatie mag de afwijking niet vergroot worden.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is opgenomen welke vormen van gebruik van gebouwen en terreinen zonder meer als strijdig gebruik gezien moet worden.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel is opgenomen als flexibiliteit. Indien er kleine afwijkingen gerealiseerd dienen te worden, is dit mogelijk met een binnenplanse afwijking.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels

Indien bij uitmeting van het plan blijkt dat de bestemmingsgrenzen niet correct weergegeven zijn, is het mogelijk om dit binnenplans te wijzigen. Ook deze regel biedt enige flexibiliteit in het bestemmingsplan.

Artikel 10 Algemene procedureregels

Ten aanzien van nadere eisen geldt dat de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit is vastgelegd in dit artikel.

Artikel 11 Overige regels

Het eerste lid bepaald dat als er naar andere wet en regelgeving in het bestemmingsplan wordt verwezen, er wordt verwezen naar de regels zoals die gelden ten tijde van het ter visie gaan van het ontwerp van dit bestemmingsplan. In het tweede lid is bepaald dat een overtreding van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken, of van werkzaamheden een overtreding is in de zin van de Wet op de economische delicten. Verder is er een bepaling ten aanzien van parkeergelegenheid opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

In dit artikel ligt vast dat bebouwing en gebruik van gronden en opstallen dat afwijkt van de planregels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag worden voortgezet.

Artikel 13 Slotregel

Deze bepaling omvat de officiële citeertitel van de planregels.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische en financiële uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6 f van het Besluit ruimtelijke ordening heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betreft zowel de economische als de financiële uitvoerbaarheid.

Economische uitvoerbaarheid

Uit de voorgenomen verkoop aan initiatiefnemer is gebleken dat er vraag is naar bedrijventerrein. De economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling wordt hiermee geacht voldoende te zijn aangetoond.

Financiële uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Hierin is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is en het stellen van locatie- en faseringseisen niet noodzakelijk is. Dit is in onderhavig bestemmingsplan aan de orde; de gemeente is eigenaar van de gronden waardoor kostenverhaal plaatsvindt door de uitgifte van grond. Een exploitatieplan is hiermee niet noodzakelijk.

Voor de financiële uitvoerbaarheid geldt voorts dat de kosten die gemoeid zijn met de realisatie van het bestemmingsplan afgedekt moeten worden. Alle kosten worden in dit geval gedekt door de opbrengsten uit gronduitgifte. Hiermee is het kostenverhaal voor dit bestemmingsplan verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6 Bro overleg

Op grond van artikel 3.1.1, lid 1 juncto artikel 3.1.6, lid 1 onder c Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

De gemeente heeft het plan besproken met het waterschap en de provincie. Beide overlegpartners hebben geen bezwaren tegen de planvorming.

Ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerp van het bestemmingsplanlag ter inzage gelegen van 24 maart 2016 tot en met 4 mei 2016. Ook is het plan toegezondenaan de relevanteoverheidsinstanties. Er zijn geen zienswijzenontvangen.

Ambtshalve wijzigingen bij vaststelling

Bij vaststelling van het bestemmingsplan zijn er enkele ambtshalve wijzigingen in het plan aangebracht.Voor de wijzigingen bij vaststelling van het bestemmingsplan de Nota van wijzigingen (bijlage 6 van dit bestemmingsplan).