direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Hoeven 44a, Haarsteeg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "De Hoeven 44a, Haarsteeg" van de gemeente Heusden.

1.1 Aanleiding en doel

Aan De Hoeven 44a – percelen G1671 en G1672 – is in het buitengebied van Heusden één woning met een vrijstaande loods aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande loods gedeeltelijk te slopen en ter plaatse één vrijstaande woning te bouwen.

Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van het vigerende bestemmingsplan "Heusden Buitengebied, 4de herziening", omdat ter plaatse van de geprojecteerde woning geen bouwvlak aanwezig is. De gemeente Heusden heeft echter aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een herziening van het bestemmingsplan.

Daarnaast ligt de locatie van het plangebied momenteel buiten het bestaand stedelijk gebied van de kern Haarsteeg. Strikt genomen zou er voor deze woning een Ruimte voor Ruimte-titel moeten worden verworven. De gemeente Heusden heeft echter aangegeven bereid te zijn de provincie te verzoeken om de structuur 'Bestaand stedelijke gebied' ter plaatse van deze locatie uit te breiden, waarmee provinciale beleidsmatige belemmeringen worden opgelost.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de ruimtelijke onderbouwing en regels voor het realiseren van één vrijstaande woning en de uitbreiding van het 'Stedelijk gebied' in de Interim Omgevingsverordening ter plaatse van het plangebied.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie G, nummers 1671 en 1672. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 3.715 m². De gronden zijn particulier in eigendom.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied, 4de herziening", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 1 april 2020. Daarnaast gelden het bestemmingsplan ''Parapluplan Parkeren Heusden'' dat op 18 september 2018 is vastgesteld en het voorbereidingsbesluit ''Wonen-kamergewijze verhuur'' dat op 7 juli 2020 is vastgesteld.

1.3.1 Bestemmingsplan ''Heusden Buitengebied, 4de herziening''

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

De gronden binnen het plangebied zijn in het vigerende bestemmingsplan bestemd als 'Agrarisch', 'Tuin' en 'Wonen'. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' zijn de gronden onder andere aanwezen voor agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Ter plaatse van de bestemming 'Tuin' zijn de gronden onder andere aangewezen voor tuinen, erven en verhardingen en; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse van de bestemming 'Wonen' zijn de gronden onder andere aangewezen voor wonen, waarbij geldt dat, het aantal woningen per bouwvlak niet meer dan 1 mag bedragen. Daarnaast ligt er binnen deze bestemming gedeeltelijk een bouwvlak.

Tevens bevat het plangebied gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Deze dubbelbestemming verplicht archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van bepaalde omvang. Dit staat nader beschreven in paragraaf 5.2.1.

1.3.2 Bestemmingsplan ''Parapluplan Parkeren Heusden''

Op 18 september 2018 heeft de gemeente Heusden het bestemmingsplan ''Parapluplan Parkeren Heusden'' vastgesteld, waarin het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd. Toepassing van het parkeerbeleid op onderhavig plan is opgenomen in paragraaf 3.2.

1.3.3 Voorbereidingsbesluit ''Wonen-kamergewijze verhuur''

Op 7 juli 2020 heeft de gemeente Heusden het voorbereidingsbesluit ''Wonen-kamergewijze verhuur'' vastgesteld, waarin is aangegeven dat een (paraplu)bestemmingsplan over wonen-kamergewijze verhuur wordt voorbereid voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het paraplubestemmingsplan vloeit voort uit het nieuwe/aangepaste beleid voor de huisvesting van arbeidsmigranten.

Het voorbereidingsbesluit maakt het mogelijk om het paraplubestemmingsplan te maken, terwijI bescherming bestaat tegen ongewenste ontwikkelingen tot de komst van dit paraplubestemmingsplan. Vanaf de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit is het namelijk verboden om het gebruik van gebouwen waarbinnen 'wonen' is toegestaan, zodanig te wijzigen dat er sprake is van andere woonvormen dan de huisvesting van een huishouden per woning.

1.3.4 Conclusie

Voorliggend initiatief betreft de gedeeltelijk sloop van een bestaande loods en de realisatie van één vrijstaande woning binnen de bestemming 'Wonen'. Dit initiatief is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan, omdat een bouwvlak ter plaatse van de geïnitieerde woning ontbreekt. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied.

2.1 Wijdere omgeving

Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied in de wijdere omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0004.jpg"

WIJDERE OMGEVING

Algemene ontwikkeling
Haarsteeg is tezamen met enkele andere kernen in de gemeente ontstaan op een dekzandrug tussen de rivierkom van de Maas (noordzijde) en een kwelzone (zuidzijde).

De dekzandrug wordt direct ten noorden van Haarsteeg begrensd door een dijk.

Ruimtelijk-functioneel
Het dorp Haarsteeg wordt gevormd door de historische linten Haarsteegsestraat en Mommersteeg, en de latere uitbreidingen nabij de samenkomst van de historische linten.

Onderhavig plangebied ligt aan de noordzijde van de Hoeven, in het verlengde van de Haarsteegsestraat. De bebouwing langs de straat bestaat uit individuele panden op smalle, langgerekte percelen. Hier en daar is een doorkijk naar het achterliggende landschap mogelijk. Dit is kenmerkend voor het type dorpen in deze regio. Een groot deel van de bebouwing bestaat uit boerderijgebouwen. Het lint is door de jaren heen verdicht met dorpse woningen, waarbij het karakter van het dorp behouden is. De boerderijgebouwen hebben veelal hun agrarische functie verloren en zijn thans in gebruik als woning of voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten.

Ten noorden van Haarsteeg is sprake van een open agrarisch weidegebied. Aan de zuidzijde van Haarsteeg is eveneens sprake van agrarische activiteiten, maar dan in de vorm van (glas)tuinbouw. Tevens liggen ten zuiden van het dorp enkele instituten in een groene omgeving: abdij Mariënkroon en het crematorium.

Ontsluiting
De Haarsteegsestraat (met in het verlengde de Hoeven) en de Mommersteeg vormen de ontsluitingsstraten van Haarsteeg. De route Heusdenseweg - Abt van Engelenlaan verzorgt de verbinding met het omliggende land, met onder meer de kern Vlijmen en de autosnelweg A59. Onderhavig plangebied is hierin goed ontsloten.

2.2 Directe omgeving en plangebied

Onderstaande afbeelding en de foto's geven de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0005.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.2.1 Bebouwing en functies

De Hoeven is een langgerekt, relatief gesloten dorpslint. Het lint wordt gevormd door individuele panden op smalle percelen. De gemiddelde perceelbreedte bedraagt 14 meter tot 20 meter. Op enkele plaatsen zijn bredere percelen aanwezig.

De bebouwing bestaat deels uit boerderijgebouwen die haaks op de Hoeven zijn geplaatst. Door de jaren heen heeft een verdichting plaatsgevonden met eigentijdse, dorpse bebouwing. De panden bestaan uit één bouwlaag en zijn voorzien van zadeldaken (met wolfseinden bij de boerderijgebouwen) of mansardekappen. De agrarische bedrijvigheid heeft door de jaren heen het dorpsgebied van Haarsteeg verlaten. De gebouwen zijn overwegend in gebruik voor wonen.

Onderhavig plangebied bevindt zich aan een zijstraat van de Hoeven. In deze, voor gemotoriseerd verkeer, doodlopende woonstraat zijn reeds vier woningen inclusief bijgebouwen gesitueerd.

2.2.2 Ontsluiting

Zoals vermeld is de Haarsteegsestraat, met in zijn verlengde de Hoeven, een van de ontsluitingsstraten van Haarsteeg, hierdoor kan worden aangenomen dat de verkeersintensiteit relatief hoog is. Het karakter van de inrichting van de Hoeven is zeer informeel. Er wordt een minimum aan verkeerskundige elementen toegepast. Onderhavig plangebied is, zoals eerder is vermeldt, gelegen aan een zijstraat van de Hoeven.

2.2.3 Groen en water

In de huidige situatie is onderhavig plangebied grofweg te verdelen in twee delen. Het meest oostelijke deel bevat de thans aanwezige bedrijfswoning en de aanwezige loods. Nagenoeg alle verhardingen zijn in dit gedeelte te vinden. Het westelijke deel is ingericht als tuin, behorende bij de bedrijfswoning. Naast een aantal groene hagen en een solitaire boom is deze tuin volledig voorzien van een grasmat. Het plangebied grenst aan een tweetal oppervlakte wateren. Ten noorden van het plangebied is de secundaire watergang 03875 gesitueerd. Ten westen van het plangebied is de secundaire watergang 04920 gesitueerd.

2.3 Uitbreiding stedelijk gebied Haarsteeg

De bouw van woningen in een landelijk dorp als Haarsteeg is rechtstreeks gekoppeld aan de grenzen van het 'Stedelijk gebied (Concentratiegebied)', zoals vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) van de provincie. Om het landschap te beschermen dient woningbouw vooral plaats te vinden in dat stedelijk gebied. Naast dit provinciale stedelijke gebied heeft de gemeente komgrenzen vastgelegd (besluit d.d. 30 juli 2019). Bij de bepaling van deze komgrenzen is rekening gehouden met het bestaande bebouwingspatroon en de situatie ter plaatse. De ligging van deze komgrenzen stemt niet geheel overeen met de begrenzing van het voornoemde stedelijke gebied,

Waar woningbouw conflicteert met de grenzen van het bestaand stedelijk gebied van de IOV, heeft deze dus aanpassing nodig. De IOV geeft ruimte in haar regels voor de aanpassing. De gemeente heeft de provincie verzocht de grenzen te wijzigen middels de mogelijkheden in artikel 6.2 van de Interim Omgevingsverordening.

Voor voorliggend plan wordt ook gebruik gemaakt van bovenstaande wijzigingsmogelijkheid van de begrenzingen van het stedelijk gebied.

Hierna wordt de uitbreiding van het stedelijk gebied onderbouwd.

Woningbouw in Haarsteeg

In de recente jaren is Haarsteeg organisch gegroeid en verdicht. Regelmatig zijn woningbouwplannen tot ontwikkeling gebracht in het dorp. Daarbij zijn verschillende routes gekozen: planmatige uitbreidingen, incidentele bouw van één of meer woningen en transformatie van bestaande locaties. De planmatige uitbreidingen, zoals de projecten 'Willy van den Berkstraat' en 'Victoria', vinden hun grondslag in de Structuurvisie Heusden.

Incidentele verzoeken om woningbouw worden ieder voor zicht op (ruimtelijke) aanvaardbaarheid beoordeeld.

Stedelijk gebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0006.png"

De Haarsteegsestraat met in zijn verlengde de Hoeven is een herkenbaar en belangrijk historisch lint. Hoewel er sprake is van wat functiemenging, bestaat het merendeel van de bebouwing uit woningen. De aanwezige bedrijven dragen bij aan de leefbaarheid van het dorp. Het lint is grotendeels bebouwd. Percelen zijn ruwweg even groot en liggen allemaal in eenzelfde richting, waarbij ze tot diep in het landschap doorlopen. De meeste woningen zijn georiënteerd in een noord-zuidrichting qua kap. Deze woningen hebben grotendeels een landelijk karakter, zowel qua architectuur, verkaveling als de plaatsing.

Grotere open ruimtes tussen de bebouwing binnen de bebouwde kom zijn er niet veel meer. Voordeel van het dichter bebouwen binnen de bebouwde kom is dat het landschap achter de bebouwing en buiten de bebouwde kom daarmee ook open blijft, wat ook als uitgangspunt in de Structuurvisie Heusden en Ontwikkelingsvisie Buitengebied staat.

Ruimte voor kleinschalige initiatieven van één woning per keer is er aan de Hoeven zelf, vooral in de open ruimtes (zelfstandig onbebouwde percelen, aansluitend aan bestaande bouw). Men moet bij planvorming aansluiting zoeken bij bestaande bebouwing/percelen. Met onderhavig verzoek wordt het gat rondom de Hoeven 44a gevuld. Qua situering en maatvoering is aangesloten bij de bebouwing op de naastgelegen percelen.

Op 15 december 2021 heeft de Provincie ingestemd met de uitbreiding van het 'Stedelijk gebied' en de grenswijziging vastgesteld. Hiermee is het plangebied vanaf dan binnen het stedelijk gebied gelegen.

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Op onderstaande afbeelding is de nieuwe inrichting van het perceel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0007.jpg"

INDICATIEVE INRICHTINGSSCHETS

3.1 Bebouwing en functies

Het initiatief ten noorden van het adres De Hoeven 44a bestaat uit de gedeeltelijke sloop van de thans aanwezige loods en de realisatie van één vrijstaande woning op deze locatie. De woning wordt, in overeenstemming met de overige woningen, haaks op De Hoeven gesitueerd. Daarnaast worden de bestaande goot- en bouwhoogten van de omliggende woningen aangehouden als maximum door te voeren maatvoeringen. Zo sluit de woning stedenbouwkundig aan (qua maat, schaal en architectuur) in het straatbeeld en sluit het aan op het landelijk karakter van de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0008.jpg"

GEVELBEELDEN

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Verkeer

De realisatie van één grondgebonden woning heeft weinig invloed op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie "ASVV 2012'' (CROW) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Heusden wordt aangeduid als weinig stedelijk gebied, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Heusden tot de rest bebouwde kom behoort.

Analyse

In de nieuwe situatie wordt binnen het plangebied één vrijstaande grondgebonden woning gerealiseerd. De woning valt, om de verkeersgeneratie te bepalen, onder het onderdeel koop, vrijstaand. In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet.

Onderdeel   Verkeersgeneratie   Aantal   Totaal  
Koop, vrijstaand   7,8 - 8,6 per woning   1 woning   7,8 - 8,6  
Totaal       7,8 - 8,6  

Conclusie

Op basis van bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de nieuwe woning, in een worst-case scenario, zorgt voor 9 verkeersbewegingen per etmaal. De woonstraat De Hoeven kan deze extra verkeersbewegingen verwerken. De hoofdontsluiting De Hoeven heeft een relatief hoge verkeersintensiteit. Dit betekent dat de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen van onderhavig plan zonder meer via de Hoeven en omliggende wegen kan plaatsvinden.

3.2.2 Ontsluiting

Het voorliggende initiatief zorgt voor één extra ontsluiting op de woonstraat De Hoeven. De toevoeging van deze extra ontsluiting past binnen het huidige straatbeeld van dit gedeelte van de Hoeven. Verkeerskundig is te verwachten dat de extra ontsluiting geen problemen vormt.

3.2.3 Parkeren

Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor goed functioneren van het plangebied en voorkomt overlast voor de omgeving. De gemeente Heusden heeft hiertoe het bestemmingsplan ''Parapluplan Parkeren Heusden'' vastgesteld. Van toepassing zijn de normen uit de ''Nota Parkeernormen Heusden 2016'', waarin het plangebied wordt aangeduid als 'Rest bebouwde kom en Buitengebied'. Hier dient gerekend te worden met een minimale norm van 2,3 parkeerplaatsen per vrijstaande koop/huurwoning. Op basis van deze informatie kan gesteld worden dat de het initiatief afgerond moet voorzien in 3 parkeerplaatsen, omdat straatparkeren niet is toegestaan. Dit kan op eigen terrein worden gerealiseerd.

3.3 Groen en water

Binnen het initiatief wordt, na de realisatie van de vrijstaande woning, de tuin individueel ingericht. Hierbij blijven de erfafscheidingen aan zowel de noord- en oostkant behouden. Daarnaast dient er een nieuwe erfafscheiding te worden gerealiseerd tussen de nieuwe woning en de reeds bestaande woning.

3.4 Duurzame en gezonde leefomgeving

Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.

3.4.1 Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:

  • de woning wordt 'aardgasvrij' gebouwd (verplicht);
  • de oriëntatie van de woning is dusdanig dat het grootste kapdeel op het zuiden is georiënteerd, en een vlakdakdeel op het westen (zongericht verkavelen);
  • de woningen worden volgens BENG-principe gebouwd.
3.4.2 Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:

  • Hemelwater zal op eigen terrein geïnfiltreerd worden conform de plaatselijk geldende richtlijn;
  • Er wordt voorzien in zo weinig mogelijk (half-)verharding;
  • Aantrekkelijk verblijfsklimaat rekening houdend met de reeds aanwezige aanplanting dat deze behouden wordt zodat ook de aanwezige dieren kunnen/zullen blijven;
  • Er zullen nieuwe bomen en planten worden aangeplant. 

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft daarom ook geen toetsing aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats te vinden.

4.1.2 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van één woning. Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie;
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant;
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad;
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Analyse
Onderhavig plan betreft de realisatie van één vrijstaande grondgebonden woning. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.

ad 1.   De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woning binnen het plangebied zal minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woning. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening.  
ad 2.   Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woning en de inrichting van het woonperceel kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt.  
ad 3.   Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De woning wordt, na de grenswijziging, gerealiseerd binnen de bestaande kern van Haarsteeg.  
ad 4.   Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de woning wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat.  

Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking zal treden.

De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
4.2.2.1 De toedeling van functies

Het plangebied is onderdeel van het landelijke gebied. In beginsel zijn daar conform artikel 3.68 IOV uitsluitend bestaande woningen toegestaan, maar er zijn enkele uitzonderingen.

In artikel 3.69 IOV is opgenomen dat de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning is toegestaan, mits de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Artikel 3.80 IOV bevat regels voor het bouwen van Ruimte voor Ruimte-woningen.

Voor dit plan zijn de 2 laatste genoemde artikelen niet relevant, omdat conform artikel 6.2 IOV burgemeester en wethouders de grenzen van een werkingsgebied (hier werkingsgebied 'Stedelijk gebied (Concentratiegebied)') kunnen wijzigen ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling. Van dit artikel wordt gebruikt gemaakt om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken.

In artikel 5.3 IOV zijn gevallen opgenomen waarvoor de Gedeputeerde Staten bevoegd zijn de grenzen van een werkingsgebied te wijzigen. Hieronder wordt aangetoond dat er binnen onderhavig initiatief sprake is van een geval zoals genoemd in artikel 5.3 IOV. In paragraaf 2.3 is een en ander ook nader toegelicht.

''Artikel 5.3 wijziging grenzen van werkingsgebieden

Lid 1

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet:

  • a. de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering;
  • b. de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen;
  • c. de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening;
  • d. er is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing;
  • e. de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld.''

Onderhavig initiatief betreft de realisatie van één vrijstaande grondgebonden woning op een perceel waar thans één woning aanwezig is. De bestaande woning is gelegen achter het bestaande bebouwingslint aan de ontsluitingsweg De Hoeven en is gelegen binnen de vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, zie onderstaande afbeelding. Het doel van het nieuwe werkingsgebied 'Stedelijk gebied (Concentratiegebied)' is het in de toekomst concentreren van bebouwing binnen dit stedelijke gebied. Door de wijziging ligt alle bebouwing van het te wijzigen gebied aan de Hoeven in het 'Stedelijk gebied (Concentratiegebied)'. Door de ontwikkeling wordt het bestaande lint aan de woonstraat volmaakt. De grenswijziging is daarmee doelmatig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0009.jpg"

KOMGRENZEN HAARSTEEG

Er is sprake van een geval zoals genoemd onder a en b, waarvoor de Gedeputeerde Staten het werkingsgebied mag wijzigen.

Omdat het een grenswijziging van het 'Stedelijk gebied (Concentratiegebied)' betreft zijn lid 2 t/m 5 niet van toepassing.

4.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

Voor onderhavige locatie zijn in de Interim Omgevingsverordening geen gebiedskenmerken vastgelegd. Er hoeft hieromtrent geen nadere toetsing plaats te vinden.

4.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van

functies zijn:

  • zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;
  • kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.

Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat gebruik wordt gemaakt van een thans beschikbare locatie binnen een bebouwingsconcentratie, waarbij het bebouwingslint wordt afgerond. Er heeft een zorgvuldige situering van de woning plaatsgevonden, die rekening houdt met en uitgaat vaan de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke, natuurlijke en aardkundige waarden in het gebied.
Het plan neemt een verrommelde situatie weg en leidt tot verbetering van de waterhuishouding in het gebied. Er is daarmee tevens een waardecreatie in het algemeen belang.

Het planvoornemen leidt tot de toevoeging van één extra woning binnen de kern Haarsteeg, waarbij de woning aansluit bij de doelstellingen geformuleerd in de woonvisie (paragraaf 4.3.1). Er is daarmee tevens een waardecreatie in het algemeen belang.

De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering

De lagenbenadering is een werkwijze om ruimtelijke keuzen te onderbouwen en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren, die uitgaat van drie lagen:

  • 1. De onderste laag wordt gevormd door de bodemtypologie, de geomorfologie en het watersysteem en de hiermee samenhangende natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische (landschaps)waarden. Het grote belang van de onderste laag vindt zijn oorzaak in de lange reproductietijd en daarmee de onvervangbaarheid van deze waarden en systemen.
    • a. Op de te ontwikkelen locatie is reeds lange tijd een loods aanwezig. De aardkundige/landschappelijke waarden van de locatie wordt door het bouwen van de woning niet aangetast.
  • 2. De tweede laag wordt gevormd door de infrastructuur. Deze laag, met belangrijke weg-, spoor- en waterverbindingen, is – evenals de onderste laag – sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.
    • a. De woning ontsluit direct op de woonstraat De Hoeven en vult een lege plek in het bebouwingslint.
  • 3. De derde en bovenste laag bestaat uit het ruimtegebruik voor wonen, werken, landbouw en recreatie. Dit wordt ook wel de occupatie genoemd.
    • a. De woning zorgt voor een passende functie binnen het (woon)bebouwingslint.

Kwaliteitsverbetering landschap
Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kwaliteitsverbetering is beschreven in paragraaf 4.2.3.

4.2.2.4 Conclusie

Het plan is niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.2.3 Kwaliteitsverbetering van het landschap

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied eist de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant in bepaalde gevallen een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Op grond van deze verordening (zie paragraaf 4.2.2) is kwaliteitsverbetering van het landschap ook voor dit project van toepassing.

Voor het bepalen van de benodigde investering is de categorie-indeling van ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied van toepassing:

  • categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig;
  • categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat;
  • categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing én berekende kwaliteitsverbetering van het landschap, tezamen tenminste 20% van de waardevermeerdering van de grond bedragende.

Voorliggend initiatief betreft een zogenaamde categorie 3-ontwikkeling (niet-planmatige ontwikkeling in het buitengebied). Uitgangspunt is een methodiek voor een landschappelijke tegenprestatie die uitgaat van een forfaitair bedrag op basis van grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst).

4.2.3.1 Benodigde investering

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in drie categorieën ingedeeld. Voorliggend initiatief is een zogenaamde categorie 3-ontwikkeling. De provincie eist bij een categorie 3-ontwikkeling dat sprake is van:

  • 1. een goede landschappelijke inpassing van het perceel;
  • 2. een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

De basisinspanning moet ten minste 20% van de waardevermeerdering van de grond bedragen. De benodigde kwaliteitsverbetering van het landschap is berekend. In onderstaande schema's is de waardebepaling van de grond voor de bestaande en nieuwe situatie weergegeven.

WAARDE HUIDIGE SITUATIE

Categorie   Omvang   Eenheidsprijs   Waarde  
Agrarisch   2.395 m²   € 10,-/m²   € 23.950,-  
Wonen   1.095 m²   € 200,-/m²   € 219.000,-  
Tuin   225 m²   € 20,-/m²   € 4.500,-  
Totaal       € 247.450,-  

WAARDE NIEUWE SITUATIE

Categorie   Omvang   Eenheidsprijs   Waarde  
Agrarisch   440 m²   € 10,-/m²   € 4.400,-  
Wonen   2.930 m²   € 200,-/m²   € 586.000,-  
Tuin   125 m²   € 20,-/m²   € 2.500,-  
Groen   220 m²   € 1,-/m²   € 220,-  
Totaal       € 593.120-  

Uit de berekening volgt dat de benodigde landschappelijke kwaliteitsverbetering 20% * (593.120 - 247.450) = € 69.134,- bedraagt. Deze berekening is als bijlage opgenomen in de overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer, zie paragraaf 4.2.3.3.

4.2.3.2 Feitelijke tegenprestatie

De feitelijke tegenprestatie bestaat in voorliggend plan uit de volgende elementen:

  • 1. het gedeeltelijk slopen van de bestaande loods (175 m²);
  • 2. het aanplanten van een bosplantsoen nabij de zuidelijke perceelsgrens;
  • 3. het aanplanten van solitaire (fruit)bomen in de tuin.

De hierboven beschreven landschapselementen zijn weergegeven op het als bijlage 2 opgenomen beplantingsplan en de als bijlage 3 opgenomen beplantingslijst. De sloopkosten zijn daarnaast weergegeven in onderstaande tabel.

SLOOPKOSTEN

Categorie   Omvang   Eenheidsprijs   Waarde  
Agrarische opstallen   175 m²   € 20,-/m²   € 3.500,-  
Totaal       € 3.500,-  

De waarde van deze kwaliteitsverbetering van het landschap bedraagt (4.410 + 3.500) = € 7.910,- en is berekend aan de hand van:

  • de feitelijke aanleg van de fysieke prestatie;
  • de beheerkosten.

In de berekening is uitgegaan van de als bijlage 2 opgenomen kaart, waarop de oppervlakten van de bestemmingsvlakken staan. Deze oppervlakten zijn nodig voor de berekening van de kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze is als bijlage opgenomen in de privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer, zie paragraaf 4.2.3.3.

De geplande investering (€ 7.910) is kleiner dan de benodigde investering (€ 69.134,-). Derhalve zal het verschil (€ 61.224,-) worden gestort in het gemeentelijke landschapsfonds (o.i.d.). Hiermee is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening.

4.2.3.3 Zekerstelling kwaliteitsverbetering

De Interim Omgevingsverordening eist dat bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit is aangetoond dat de kwaliteitsverbetering van het landschap financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. De initiatiefnemer en de gemeente hebben daarom een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de aanleg en het beheer van de landschappelijke inpassing is vastgelegd. Daarnaast is ter plaatse van de landschappelijke inpassing een groenbestemming opgenomen op de verbeelding. Hiermee wordt voldaan aan de criteria van de Interim Omgevingsverordening.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie Heusden (2009)

Op 21 juli 2009 heeft de gemeente Heusden de Structuurvisie Heusden 2009 vastgesteld. De structuurvisie schetst de ruimtelijke ambities van de gemeente Heusden voor een periode van 20 jaar, met een accent op de periode 2010-2020. De structuurvisie geeft een richtsnoer die aangeeft welke investeringen en ruimtelijke ingrepen het best passen bij het beleid voor de langere termijn. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart van de structuurvisie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0010.jpg"

UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE

Analyse

Onderhavig plangebied is gesitueerd binnen het 'bestaand woongebied'. De gemeente Heusden voorziet in haar 'Nota Volkshuisvesting 2030’ in de realisatie van 3.580 woningen tot 2030. In de structuurvisie is een aantal grotere woningbouwlocaties opgenomen die op korte of middellange termijn worden ontwikkeld. Deze locaties bieden ruimte aan maximaal 2.620 woningen. Voor de overige woningen (960 woningen) wordt teruggevallen op enkele ontwikkelingslocaties die op langere termijn worden ontwikkeld (niet in Haarsteeg) en op individuele ontwikkelingen.

Onderhavig plan is een kleinschalige, individuele ontwikkeling en draagt bij aan de woningbouwopgave van de gemeente.

Conclusie

Het plan past binnen de Structuurvisie Heusden 2009.

4.3.2 Woonvisie 2014-2024 / Woonvisie 2020-2025

Op 18 februari 2014 heeft de gemeente Heusden de Woonvisie Heusden 2014-2024 ‘Dromen waarmaken’ vastgesteld. Met deze visie wordt ingespeeld op de ontwikkelingen op het gebied van volkshuisvesting in de gemeente.

De Woonvisie Heusden 2014-2024 bevat vijf speerpunten.

  • Bewoners maken Heusden;
  • Betaalbaarheid gewaarborgd;
  • Inspelen op de groeiende vraag naar wonen met zorg;
  • Nieuwbouw als kans voor variatie in het woonaanbod en voor initiatief van burgers;
  • Benutten kracht bestaande wijken.

Analyse

Het plan betreft de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning in de bestaande stedelijke structuur van Haarsteeg. Het plan is door burgers van de gemeente geïnitieerd. Op deze manier krijgen bewoners de kans de leefomgeving zelf in te richten en iets nieuws te creëren. Daarnaast wordt middels deze nieuwbouwwoning de tekorten aan woningen in de gemeente aangevuld.

Op 9 oktober 2020 is de Woonvisie 2020-2025 'tHuis in Heusden' vastgesteld. Hieruit komt onder andere naar voren dat de gemeente streeft naar een gevarieerd woningaanbod, dat ervoor zorgt dat mensen in Heusden een wooncarrière kunnen doorlopen. De gemeente vindt het immers van belang dat de inwoners een gewenste of passende woning kunnen vinden. De ambitie van de gemeente is dan ook om (toekomstige) inwoners vanaf het begin af aan te laten meedenken over hun (toekomstige) woon- en leefomgeving. Dit zorgt voor een betere afstemming op de behoeften van de woonconsument. Door flexibel mee te bewegen met marktontwikkelingen en het oppakken van particuliere initiatieven, is een integrale en duurzame aanpak cruciaal om de diversiteit aan woonmilieus en woonvormen te vergroten.

In dit kader kan gesteld worden dat het planvoornemen aansluit bij de beleidsuitgangspunten van de Woonvisie 2020-2025 'tHuis in Heusden' .

Conclusie

Het plan past zowel binnen de Woonvisie Heusden 2014-2024 'Dromen waarmaken’ als ook binnen de Woonvisie 2020-2025 'tHuis in Heusden'.

4.3.3 Ontwikkelingsvisie Buitengebied

De gemeente Heusden heeft op 20 juli 2010 de Ontwikkelingsvisie Buitengebied vastgesteld, die als toetsingskader dient voor initiatieven in het buitengebied die niet passen in het bestemmingsplan. Hoewel het plangebied niet behoort tot het buitengebied, biedt de ontwikkelingsvisie toch aanknopingspunten voor onderhavig plan. Voor de ontwikkelingsvisie is voor Haarsteeg dezelfde plankaart als opgenomen in de Structuurvisie Heusden 2009 (paragraaf 4.3.1) van toepassing.

Analyse

De Hoeven is als 'historische lintstructuur' aangeduid. Ten aanzien van ontwikkelingen in dit dorpslint gelden de volgende ontwerprichtlijnen:

  • behoud en versterking van het landelijke karakter en de bestaande strokenverkaveling;
  • behoud van de bebouwde lintstructuren, nieuwe ontwikkelingen hieraan ondergeschikt (qua ligging);
  • behoud en versterking van traditionele voortuinen aan het lint en fruit- en boomgaarden op het zij- en achtererf.

De ontwerprichtlijnen zijn overgenomen als uitgangspunten bij het ontwerp (zie hoofdstuk 3).

Conclusie

Het plan past binnen de Ontwikkelingsvisie Buitengebied.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Geonius uit Geleen een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest ter plaatse van De Hoeven 44a te Haarsteeg" (21 juli 2020, MA200393.R01.V1.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4.

Geonius concludeert dat:

  • de boven- en ondergrond niet verontreinigd is;
  • het grondwater niet verontreinigd is;
  • indien de resultaten indicatief worden getoetst aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit de kwaliteit indicatief voldoet aan 'achtergrondwaarde';
  • op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit de hypothese 'onverdacht' dient te worden aanvaard.
  • op de locatie, rondom de bestaande loods en onder de tegelverharding, asbest in de bodem aanwezig is.
  • ter bepaling van de omvang, mate en ruimtelijke verdeling van de verontreiniging met asbest in de bodem dient een nader onderzoek asbest te worden verricht.

Naar aanleiding van bovenstaande conclusies heeft Geonius uit Geleen een nader onderzoek asbest uitgevoerd, rapport: ''Nader onderzoek asbest, ter plaatse van Hoeven 44a te Haarsteeg'' (12 mei 2021, MB200393.R01). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 6.

Geonius concludeert dat:

  • na het uitvoeren van onderhavig nader onderzoek geconcludeerd kan worden dat de interventiewaarde voor asbest (100 mg/kg d.s.) in geen van de onderzochte proefsleuven wordt overschreden;
  • er, op basis van onderhavig onderzoek, geen geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest op de locatie aanwezig is;
  • er derhalve sprake is van het aantreffen van ‘zwerfasbest’, met het verwijderen van het asbesthoudend plaatmateriaal tijdens het verkennend bodemonderzoek is de verontreiniging met asbest eveneens opgeheven;
  • incidenteel er tijdens het veldwerk asbest kan worden aangetroffen tijdens de graafwerkzaamheden.
  • de locatie met betrekking tot de parameter asbest voldoende is onderzocht.

Op basis van de resultaten van onderhavig nader onderzoek asbest kan worden geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.

bedrijf   SBI-code   categorie   richtafstand   werkelijke afstand  
De Hoeven 60-60a: Fouragehandel   016.1   3.1   50 m   230 m  

Er liggen geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

5.1.3.2 Analyse

Het plan omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes).

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0011.jpg"

UITSNEDE RISICOKAART


Op de Risicokaart is te zien dat in de omgeving van het plan geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde. De veiligheidsregio is daarnaast om een advies gevraagd. Dit advies is opgenomen in bijlage 5.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

Onderhavig plan omvat de realisatie van één woning binnen de bebouwde kom van Haarsteeg. Een woning is een geurgevoelig object en derhalve is toetsing aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vereist.

De gemeente Heusden heeft in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij eigen geurbeleid vastgesteld ''Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Heusden 2012''. Daarin is opgenomen dat de voorgrondbelasting binnen het plangebied niet meer mag bedragen dan 3 Ou/m³. Voorts geldt dat de achtergrondbelasting, volgens de Milieudienst (29 november 2011, 504133.001), maximaal 5 Ou/m³ is.

Op het adres Haarsteegsestraat 114 was een agrarisch bedrijf gevestigd met een intensieve neventak. Het bedrijf is reeds geruime tijd beëindigd, maar de agrarische opstallen zijn nog aanwezig. Bovendien is sprake van een agrarische bedrijfsbestemming. Het is niet aannemelijk dat ter plaatse een intensieve veehouderij wordt hergevestigd. Op grond van het gemeentelijke geurbeleid is de contour behorende bij dit bedrijf teruggebracht naar 50 m. De afstand van het plangebied tot de rand van dit agrarische bedrijf bedraagt circa 470 m. Op het adres De Hoeven 60-60a is eveneens een agrarisch bedrijf gevestigd. Ter plaatse geldt een milieucontour van 50 m op basis van het gemeentelijke geurbeleid. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 230 m.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten.

Verkeerslawaai
Het plangebied ligt op 185 m van De Hoeven en daarmee binnen de onderzoekszone. Op een afstand van 70 meter en eveneens aan De Hoeven, ligt direct achter De Hoeven 46 het wijzigingsplan 'Heusden buitengebied, De Hoeven G 291'. Om de gevelbelasting op deze nieuwe woning inzichtelijk te maken is op 6 mei 2015 een akoestisch onderzoek uitgevoerd, bijgevoegd in bijlage 7. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: 

“Met behulp van het opgestelde rekenmodel is geluidsbelasting Lden ten gevolge van De Hoeven berekend op de nieuwe woning, voor het jaar 2025. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 48 dB, inclusief 5 dB aftrek.” 

De ligging van het perceel nabij De Hoeven 44a ligt niet alleen op een grotere afstand van de doorgaande weg van de Hoeven maar wordt ook nog voor een groot deel afgeschermd door de bestaande bebouwing. De situatie zal dus voor wat betreft de akoestische belasting veel gunstiger zijn dan in het genoemde rapport voor die locatie geldend. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat bij de bestemmingswijziging voldaan wordt aan het gestelde bij of krachtens de Wet geluidhinder zonder verdere voorzieningen of maatregelen.

Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat één woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.

De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Abt van Engelenlaan, 15552662'.

categorie   grenswaarde   2018   2020   2030  
jaargemiddelde concentratie NO2   40 µg/m³   18,0   16,3   9,7  
jaargemiddelde concentratie PM10   40 µg/m³   19,2   18,2   14,8  
jaargemiddelde concentratie PM2.5   25 µg/m³   12,0   11,1   8,3  
overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10   35   7,0   6,4   6,0  

Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.7.2 Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 250 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.

Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.

5.1.7.3 Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van één woning waar personen gedurende langere tijd verblijven. Binnen 50 meter rondom het plangebied zijn geen kwekerijen aanwezig of kunnen kwekerijen worden ontwikkeld. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
In de omgeving van het plangebied loopt één hoogspanningsverbinding, gelegen direct ten noorden van het plangebied. Dit betreft een tracé met een spanning van 150 kV. De indicatieve zone waarbinnen het magnetisch veld meer dan 0,4 microtesla bedraagt reikt tot maximaal 80 meter uit het tracé (bron: Kennisplatform EMV). Deze indicatieve zone valt niet over het plangebied, zoals blijkt uit onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0012.jpg"

MAGNEETVELDZONE HOOGSPANNINGSVERBINDING

Rondom hoogspanningsleidingen is sprake van magnetische velden. In de afgelopen decennia is veel onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van magnetische velden op de gezondheid. Daaruit volgt een zwakke associatie tussen de gezondheid van kinderen tot 15 jaar en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen (bron: "Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen", Ministerie van VROM, 3 oktober 2005).

Op basis van het voorgaande geeft het Ministerie het advies te voorkomen dat kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig verblijven binnen de indicatieve zone. Onder 'langdurig verblijven' wordt verstaan een verblijf van ten minste 14 tot 18 uur per dag gedurende minimaal één jaar. Woningen, scholen en kinderopvangplaatsen zijn gevoelige bestemmingen.
Het Ministerie geeft geen advies ten aanzien van personen ouder dan 15 jaar, waaruit mag worden geconcludeerd dat magneetveldzones geen gevaar opleveren voor die leeftijdscategorie.

Het plan leidt tot het toevoegen van één woning waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat er sprake is van een 'grote' afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 150 meter. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.5 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

5.1.8.2 Analyse

De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.

Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.8.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

Het plangebied ligt gedeeltelijk in een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een vrijstelling voor onderzoek bij bodemingrepen tot 50 cm onder maaiveld over een oppervlakte van minder dan 5.000 m². Het bouwvlak voor de bouw van de woning ligt voor een zeer klein gedeelte in deze dubbelbestemming en overschrijdt deze grenzen niet. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is nu niet noodzakelijk.

Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant.

Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar.
Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport (3 februari 2021, V02) is als bijlage 8 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Daarnaast geldt gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat de verstoring door licht, geluid en optische verstoringen die voortvloeien uit het plan niet voor significante gevolgen zorgen.

Soortenbescherming
Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Blom Ecologie uit Waardenburg heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de effecten van het plan op beschermde soorten te bepalen: rapport "Quickscan Wet natuurbescherming De Hoeven 44a te Haarsteeg" (6 augustus 2020, BE/2020/575/r). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 9.

Blom Ecologie concludeert dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas.

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap Aa en Maas

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2016-2021
    Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.

  • Brabant Keur
    Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.
    Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
    • 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
    • 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
      benodigde compensatie (in m³) =
      toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)  
    • 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
  • De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’
    De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van voorliggend plan:
    • 1. Wateroverlastvrij bestemmen
    • 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen
    • 3. Voorkomen van vervuiling
    • 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water
    • 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer"
    • 6. Meervoudig ruimtegebruik
    • 7. Water als kans
    • 8. Waterschapsbelangen
5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Ter plaatse is sprake van een zandbodem. De waterdoorlatendheid is redelijk goed.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Het oppervlaktewater in en nabij het plangebied is weergegeven op onderstaande afbeelding. Ten noorden van het plangebied is de secundaire watergang 03875 gesitueerd. Ten westen van het plangebied is de secundaire watergang 04920 gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPdehoeven44A-VG01_0013.jpg"

OPPERVLAKTEWATER

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 40 m -mv (bron: bodemkaart).

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.

5.3.4 Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie. In de eerste kolom staat het type verharding. In de tweede kolom staat het verhard oppervlak van de bestaande situatie. De derde kolom geeft de afname van verhard oppervlak. De toename van verhard oppervlak staat in de vierde kolom. De laatste kolom geeft het verhard oppervlak van de nieuwe situatie (nieuw = bestaand - afname + toename).

omschrijving   bestaand   afname   toename   nieuw  
bebouwing   175   m2   175   m2   145   m2   145   m2  
bestrating   170   m2   170   m2   120   m2   120   m2  
totaal   345   m2   345   m2   265   m2   265   m2  

Het plangebied is ter plaatse van de nieuwe woning thans gedeeltelijk verhard. Als gevolg van de bouw van één woning zal het totale verharde oppervlak bestaan uit 265 m² (afname van 80 m²). Bij een toenemend verhard oppervlak minder dan 500 m2 en minder dan 20% van het bestaande verhard oppervlak hanteert de gemeente Heusden dat het nieuwe verhard oppervlak met een compensatieberging van 60 mm dient te worden geborgen op eigen terrein.

Uitgaande van de door het waterschap gehanteerde rekenregel bedraagt de benodigde bergingscapaciteit voor het project 15,9 m³ (= 265 x 0,06). Het plangebied biedt voldoende ruimte om zoveel mogelijk hemelwater van de nieuwe bestrating/bebouwing te laten infiltreren.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in De Hoeven geloosd worden.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1 Kostenverhaal

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

6.2 Gemeentelijke grondexploitatie

De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

6.3 Maatschappelijk

6.3.1 Omgevingsdialoog

De initiatiefnemer heeft contact gezocht met de direct omwonenden en heeft hen geïnformeerd over voorliggend initiatief voor de realisatie van één vrijstaande, grondgebonden woning. Omwonenden hebben geen bezwaren geuit tegen het voornemen. Een verslag van het gevoerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 10 van de toelichting.

6.3.2 Ter visie legging

Het ontwerpbestemmingsplan ‘De Hoeven 44a, Haarsteeg’ wordt conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast doorloopt het plan de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening. De resultaten van deze procedures zullen te zijner tijd in deze toelichting worden vermeld.

Het ontwerpbestemmingsplan 'De Hoeven 44a, Haarsteeg' heeft vanaf 4 november 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is één zienswijze ingediend (zie bijlage 11). Deze zienswijze, ingediend door de Provincie, heeft betrekking op de verruiming van het stedelijke gebied en de invulling van de kwaliteitsverbetering. De zienswijze heeft geleidt tot aanpassingen van het plan. Daarnaast zijn met betrekking tot dit plan enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd (invulling kwaliteitsverbetering, opname advies veiligheidsrisico, opname oppervlaktewater, opname van artikel 10.3 in de regels). De aanpassingen zijn verwerkt in voorliggend plan.

6.3.3 Vaststelling

De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan op 27 september 2022 gewijzigd vastgesteld.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Groen (artikel 4)

Deze gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer en nutsvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen, maar wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Tuin (artikel 5 )

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen. Op en in de gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Wonen (artikel 6)

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep of bedrijf aan huis. Er is sprake van vrijstaande woningen. Bij de opzet van het bestemmingsplan is gekozen voor een gedetailleerde regeling.

Waarde - Archeologie 4 (artikel 7)

Het gehele plangebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Derhalve is binnen het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing, die de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek legt op ontwikkelingen waarbij de bodemingreep meer dan 5.000 m² bedraagt.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 8 )
Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat regels om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De bepaling met deze formulering is verplicht gesteld in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening).

Algemene bouwregels (artikel 9 )
In dit artikel is de regeling aangaande de bestaande maten opgenomen.

Algemene gebruiksregels (artikel 10 )
In de Algemene gebruiksregels is bepaald dat gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte niet is toegestaan. Tot slot is opgenomen dat de huisvesting van meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheden in 1 woning niet is toegestaan. Het gebruiksverbod zelf is geregeld in artikel 7.10 van de Wro (Wet ruimtelijke ordening).

Onder Afwijken van de gebruiksregels zijn enkele afwijkingen opgenomen (bijvoorbeeld afhankelijke woonruimten en onzelfstandige woonruimten). Onder voorwaarden kan dit type gebruik aanvaardbaar worden geacht. Het toetsingskader is uitgewerkt in de regels en overgenomen uit de gemeentelijke modelregels.

Algemene aanduidingsregels (artikel 11 )

In dit artikel is een aantal algemene aanduidingsmogelijkheden opgenomen die over alle bestemmingen gelden. Om ook de aanduiding 'Stedelijk gebied' in de Interim Omgevingsverordening aan te laten passen zijn de aanduidingen 'Overig - in Interim Omgevingsverordening toe te voegen Stedelijk gebied, Concentratiegebied' en 'Overig - in Interim Omgevingsverordening te verwijderen Landelijk gebied, Gemengd landelijk gebied' opgenomen.

Algemene afwijkingsregels (artikel 12 )
In dit artikel zijn in aanvulling op het afwijken van de bouwregels in de verschillende bestemmingen nog een aantal algemene regels om af te wijken van het bestemmingsplan opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.

Algemene procedureregels (artikel 13 )

In dit artikel zijn de regels opgenomen betreffende afwijkings- en wijzigingsregels waaraan het bevoegd gezag zich dient te houden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 14)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 15)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.