direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Groote Wielen - 3e klooster
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002519-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In bestemmingsplan 'De Groote Wielen' zijn in de woonbuurt Vlietdijk deelgebieden bestemd als 'Wonen - Uit te Werken - 1'. Voor een van deze deelgebieden heeft de ontwikkelaar een bouwplan ontwikkeld voor de realisatie van 102 appartementen in de huursector: het 3e klooster. Dit uitwerkingsplan maakt het bouwplan juridisch-planologisch mogelijk.

1.2 Vlietdijkzone

Het stedenbouwkundig plan voor de Vlietdijkzone is in 2002 ontwikkeld door Lodewijk Baljon Landschapsarchitecten (‘Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan Vlietdijkzone’, januari 2002). In dit plan komen woongebouwen in een landschappelijk kader te staan, waarbij de open, groene ruimte tevens dienstbaar moet zijn aan de aangrenzende buurten. De Vlietdijkzone is ook de ruimtelijke verbinding tussen Rosmalen en het centrum van De Groote Wielen en daarmee de entree van de hele wijk.

"Het wonen is geclusterd in compacte bouwvolumes die op terpen in het landschap staan. In de terpen zijn de parkeerplaatsen opgenomen. De bebouwde terpen zijn de blikvangers van de Vlietdijkzone. Ze liggen schijnbaar 'los gestrooid' in het polderlandschap. De gebouwen op de terpen zijn als sculpturen in het landschap. Tussen de terpen door zijn er verrassende doorzichten naar de woonbuurten, de sportterreinen, de Waterplas en het centrum. Bij de plaatsing van de terpen wordt getracht om zo groot mogelijke openbare ruimte-eenheden te realiseren. Door de terpen te draaien ten opzichte van de randen spoelt het landschap er als het ware aan alle zijden omheen." De woongebouwen zelf refereren aan kloosters: een samengesteld volume rondom een binnenterrein (paragraaf 3.3.4).

In de regels (zie artikel 7.1) is, conform dit stedenbouwkundig plan, de realisatie van bebouwing op terpen verankerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0001.png"

Afbeelding 1: Stedenbouwkundig plan Vlietdijkzone in bestemmingsplan 'De Groote Wielen' (2012)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het stedenbouwkundig concept voor de Vlietdijkzone is, na eerdere bestemmingsplannen, vertaald in de uitwerkingsregels van de bestemming 'Wonen-Uit te werken 1' in het nu geldend bestemmingsplan 'De Groote Wielen', vastgesteld op 8 juni 2011 en onherroepelijk op 25 juli 2012.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0002.png"

Afbeelding 2: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'De Groote Wielen' (2012); rood omlijnd plangebied 'De Groote Wielen - 3e klooster'

(bron: ESRI Nederland ism ruimtelijkeplannen.nl en Kadaster)

Binnen 'Wonen - Uit te werken - 1' is na uitwerking wonen toegestaan in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens en bijzondere woonvoorzieningen al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit en daarbij behorende tuinen, erven, water et cetera. Ook zijn aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen toegestaan zoals verkeers- en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen.

De bestemming stelt de volgende uitwerkingsregels:

  • Algemeen
    • 1. Uitwerking vindt in principe plaats in integrale deelplannen voor de Vlietdijk. Partiële uitwerking voor kleinere delen van de Vlietdijk is mogelijk, mits daarbij voldoende inzicht gegeven wordt in de samenhang met de gehele Vlietdijk en De Groote Wielen.

Ad.: In Hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op het planvoornemen. Daarbij wordt ook aangegeven dat het planvoornemen in samenhang met de overige "kloosters" binnen de Groote Wielen is vormgegeven binnen een klein deel aan de Vlietdijk.

  • Wonen
    • 1. De bebouwing bestaat in hoofdzaak uit op terpen gestapelde woningen, waardoor doorzichten ontstaan naar het aangrenzende groen en water;

Ad.: In paragraaf 2.1 wordt nader ingegaan op het bouwplan. Daar wordt ook inzichtelijk gemaakt dat het planvoornemen voorziet in de realisatie van woontorens die op een terp staan. Daarmee wordt aan deze regel voldaan.

    • 1. De bebouwing op de terpen heeft 3 tot 5 bouwlagen, accentuering tot 8 bouwlagen is toegestaan. De bebouwing op iedere terp heeft verschillende bouwlagen.

Ad.: In paragraaf 2.1 wordt nader ingegaan op het bouwplan. Op afbeelding 5 is te zien dat 2 woontorens uit 3 bouwlagen bestaan, 1 woontoren uit 4 bouwlagen en 1 woontoren kent 7 bouwlagen ter accentuering van het 3e Klooster. Daarmee wordt aan deze regel voldaan.

    • 1. Aan de noordzijde van de Vlietdijk zijn op een eiland in de Groote Wielenplas 2 hoge woongebouwen van maximaal 20 bouwlagen op een parkeergarage toegestaan.

Ad.: De betreffende locatie is niet gelegen aan de Noordzijde van de Vlietdijk. Deze regel is dan ook niet van toepassing op dit planonderdeel.

    • 1. De woningdichtheid is 40 tot 45 woningen per hectare bruto.

Ad.: Deze regel geldt voor alle uitwerkingsgebieden binnen het moederplan De Groote Wielen. De bestemming 'Wonen - Uit te werken - 1' is binnen dat bestemmingsplan in totaal 7,6551 hectare groot. Op basis van de genoemde woningdichtheid zijn binnen die bestemming dan 306 tot 344 woningen toegestaan. In paragraaf 2.1 wordt hier nader op ingegaan. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan deze uitwerkingsregel.

  • Openbare ruimte en groen
    • 1. Vanaf de Vlietdijk wordt de openheid door ruime uitzichten ervaren.

Ad.: In Bijlage 1 van deze toelichting is het "Vlietdijk inrichtingsplan Park" opgenomen. Dat inrichtingsplan is door de gemeente opgesteld en voorziet in de gewenst inrichting van het gehele openbare gebied. De betreffende inrichting houdt rekening met de gewenste openheid en ruime uitzichten zoals bedoeld in het moederplan. Afbeelding 5 in paragraaf 2.1 laat de toekomstige situatie zien. Daarop is te zien dat de inrichting van de openbare ruimte aansluit bij de inrichting zoals opgenomen in het Vlietdijk inrichtingsplan Park. Enige verschil is een rotatie in het bouwblok. Deze verdraaiing is nadrukkelijk opgenomen om het gebied meer openheid te geven, hetgeen in dit gebied zo belangrijk is. In paragraaf 2.3 wordt hier nader op ingegaan. Daarmee is aangetoond dat het planvoornemen voldoet aan deze uitwerkingsregel.

    • 1. Het groen is parkachtig met losse informele boomgroepen.

Ad.: Zie ook afbeeldingen 3 en 5 alsmede paragraaf 2.3. De verschillende bomengroepen die in het ontwerp van dit planvoornemen zijn opgenomen sluiten aan bij het Vlietdijk inrichting plan Park zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting. Daarmee wordt voldaan aan deze uitwerkingsregel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0003.png"

Afbeelding 3: Vlietdijk inrichtingsplan park

    • 1. De Lage Ring is in het groen opgenomen en is aanleiding tot het creëren van waterrijke plekken.

Ad.: De Lage Ring is onderdeel van de Watermachine (zie ook de Waterparagraaf). De Lage Ring is gelegen ten noorden en oosten van het plangebied. De Lage Ring ligt dus buiten het plangebied van dit uitwerkingsplan. Aan de rand van de Lage Ring zijn de gronden binnen dit plan echter wel bestemd als 'Groen'. Daarmee wordt voldaan aan deze uitwerkingsregel.

  • Andere functies dan wonen
    • 1. De woonfunctie mag op de begane grond worden gemengd met geen hinder opleverende bedrijvigheid in de sfeer van de persoonlijke en zakelijke dienstverlening.

Ad.: Het planvoornemen voorziet niet in bedrijvigheid in de vorm van persoonlijke en/of zakelijke dienstverlening op de begane grond. Deze uitwerkingsregels is dan ook niet van invloed.

    • 1. Grootschalige maatschappelijke functies over meerdere bouwlagen zijn toegestaan mits passend binnen de stedenbouwkundige structuur van de Vlietdijk.

Ad.: Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van maatschappelijke functies. Deze uitwerkingsregels is dan ook niet van toepassing.

    • 1. De functies als bedoeld onder a en b [hier: 1. bedrijvigheid in de sfeer van de persoonlijke en zakelijke dienstverlening en 2. grootschalige maatschappelijke functies] zijn uitsluitend toegestaan mits op eigen terrein in voldoende mate parkeervoorzieningen worden gerealiseerd en aangelegd.

Ad.: Aangezien beide functies niet mogelijk worden gemaakt, is deze uitwerkingsregels niet van toepassing.

  • Verkeersdoeleinden
    • 1. De ontsluiting van de bebouwing op de terpen vindt plaats vanaf de wegen Het Hooghemaal en de Vlietdijk. De ontsluiting van de twee woontorens vindt plaats vanaf de Vlietdijk.

Ad.: In paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op de ontsluiting van het plangebied. Zoals afbeelding 5 te zien is, wordt de beoogde bebouwing via een enkele erftoegangsweg direct ontsloten op de Vlietdijk. Daarmee wordt voldaan aan deze uitwerkingsregel.

    • 1. Parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gerealiseerd en gehandhaafd, waarbij gestreefd wordt naar gebouwde parkeervoorzieningen.

Ad.: In paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op de parkeernormen van de gemeente en de parkeerbehoefte van dit planvoornemen. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de geldende parkeernorm en ook aan de uitwerkingsregel dat voldoende parkeren op eigen terrein moeten worden gerealiseerd.

1.4 Ligging en begrenzing plangebied

In afbeelding 3 zijn de deelgebieden in de Vlietdijkzone weergegeven. Dit uitwerkingsplan heeft betrekking op het 3e Klooster, het deelgebied ten zuiden van Het Hooghemaal, ten oosten van de Vlietdijk en ten westen van de bestaande sportvelden. Ten westen van het plangebied is de locatie voor het 2e klooster gesitueerd. ten noorden, aan de overzijde van Hooghemaal wordt het 4e klooster gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0004.png"

Afbeelding 4: ligging en begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt het planvoornemen in Hoofdstuk 2 beschreven. Het relevante beleidskader vanuit het rijk, de provincie en de gemeente wordt in Hoofdstuk 3 beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat het planvoornemen milieuhygiënisch uitvoerbaar is. Ook wordt in dat hoofdstuk onderbouwd dat het planvoornemen geen invloed heeft op bestaande waarden in of nabij het gebied en wordt ingegaan op de duurzaamheidsmaatregelen. In Hoofdstuk 5 wordt beschreven hoe de nieuwe situatie juridisch- planologisch in dit uitwerkingsplan wordt vastgelegd. De economische uitvoerbaarheid van het plan komt in Hoofdstuk 6 aan bod. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op de te doorlopen procedure.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bouwplan

Het 3e klooster is één van de vier compacte wooncomplexen die gebouwd worden langs de Vlietdijk (in het 5e klooster aan de plas zijn twee woontorens beoogd). Ze liggen in de Vlietdijkzone, een open, groene ruimte die de entree van de wijk vormt en die de verbinding legt tussen Rosmalen en het centrum van De Groote Wielen. De vier wooncomplexen zijn de blikvangers van de Vlietdijkzone en staan op terpen in het enigszins ruige en open landschap, dat gekenmerkt wordt door grasland, water en riet.

Het 3e klooster bestaat uit 4 te onderscheiden bouwdelen die in op een terp komen liggen, conform de uitwerkingsregel dat de bebouwing in hoofdzaak moet bestaan uit op terpen gestapelde woningen. De woongebouwen vormen samen een ensemble in het landschap. In totaal worden binnen het 3e klooster 102 appartementen gerealiseerd in de huursector. De woningen zullen door een woningcorporatie worden verhuurd (paragraaf 3.3.2).

Op basis van de uitwerkingsregels geldt de voorwaarde dat de woningdichtheid 40 tot 45 woningen per hectare moet zijn. Deze regel geldt voor alle uitwerkingsgebieden binnen het moederplan De Groote Wielen. De bestemming 'Wonen - Uit te werken - 1' is binnen dat bestemmingsplan in totaal 7,6551 hectare groot. Op basis van de genoemde woningdichtheid zijn binnen die bestemming dan 306 tot 344 woningen toegestaan. Het 1e klooster is in het moederplan direct mogelijk gemaakt en maakt derhalve geen onderdeel uit van de uit te werken bestemming. Binnen de 'Wonen - Uit te werken - 1' zijn nog 4 ontwikkelingen voorzien met in totaal 342 woningen:

      • a. 2e klooster met 90 woningen;
      • b. 3e klooster (onderhavig plan) met 102 woningen;
      • c. 4e klooster met 30 woningen;
      • d. 5e klooster met 120 woningen.

Het planvoornemen voorziet in 102 woningen binnen het 3e klooster. Daarmee worden in totaal binnen alle uitwerkingsgebieden maximaal 342 woningen gerealiseerd en wordt voldaan aan de woningdichtheid van maximaal 45 woningen per hectare en daarmee aan deze uitwerkingsregel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0005.png"

Afbeelding 5: inrichtingsplan (bron: SVP, 17 februari 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0006.png"

Afbeelding 6: bouwplan

Conform de uitwerkingsregels moet de bebouwing 3 tot 5 bouwlagen hebben met een accentuering tot 8 bouwlagen en op een terp moet het aantal bouwlagen verschillen. Hieraan voldoet het bouwplan voor het 3e Klooster:

  • blok west voorziet in 25-27 appartementen en zal bestaan uit 4 bouwlagen;
  • blok noord voorziet in 30 appartementen. Dit blok vormt met 7 bouwlagen het hoogteaccent van het 3e klooster waardoor een stedelijk aanzicht ontstaat gezien vanuit het hooghemaal;
  • blok oost sluit aan op blok noord en voorziet in 20 appartementen. Dit blok bestaat uit 4 bouwlagen;
  • blok zuid bestaat uit 3 bouwlagen en voorziet in 25-27 appartementen.

2.2 Verkeer en parkeren

Het 3e Klooster wordt voor de auto ontsloten via de Vlietdijk aan de westkant, conform de uitwerkingsregels. Vanaf de Vlietdijk is het plangebied eenvoudig ontsloten op Het Hooghemaal en Het Laaghemaal. Beide wegen zijn belangrijke gebiedsontsluitingswegen voor Rosmalen. Via deze wegen is de stad 's-Hertogenbosch bereikbaar, het centrum van Rosmalen en vindt men de aansluiting op de A59 of de A2. Het plan genereert, conform de kencijfers van het CROW (ASVV 2021, huur sociale woning, rest bebouwde kom en matig stedelijk) 120 tot ca. 200 autoverplaatsingen per dag. Het wegennet kan dit aantal vlot en veilig verwerken. Fietsers hebben ook een eigen ingang, via een verbinding door het park sluit deze aan op het fietspad Hemaalpad ten oosten van het plangebied.

Qua parkeren geldt op dit moment de vastgestelde parkeernormennota 2021. Deze nota verwijst door naar de voormalige parkeernormennota 2016 als een bouwplan zich vóór de vaststelling van de parkeernormennota 2021 al in een concrete ontwikkelfase bevond. Daar is in dit geval sprake van.

De parkeernormennota 2016 gaat uit dat de parkeervraag op eigen terrein wordt opgelost. Het plangebied ligt volgens de gebiedsindeling in deze nota binnen zone 5: 'rest bebouwde kom'. Voor sociale huurwoningen met een bruto-vloeroppervlakte tussen 40 en 80 m² geldt, op basis van de meest recente parkeernota, een parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen per woning. In deze norm zit het bezoekersparkeren verwerkt. De parkeerplaatsen kunnen meervoudig worden ingezet (dubbelgebruik). Met 102 sociale huurwoningen en uitgaande van dubbelgebruik heeft het plan een behoefte van 108 parkeerplaatsen.

In het inrichtingsplan zijn 108 parkeerplaatsen ingetekend (afbeelding 7). Aan de noordzijde van het plangebied worden 53 parkeerplaatsen uit het zicht, namelijk achter een verhoogde terp, gerealiseerd. Op het binnenterrein kunnen nog eens 55 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarmee voldoet het plan aan de geldende parkeernorm en ook aan de uitwerkingsregel dat voldoende parkeren op eigen terrein moeten worden gerealiseerd.

Hierbij is de kanttekening dat de parkeerplaatsen 'vraaggericht' worden aangelegd. Op het moment dat de vraag zich voordoet, worden de parkeerplaatsen aangelegd.

Het fietsparkeren is geregeld in de persoonlijke bergingen op de begane grond, conform het bouwbesluit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0007.png"

Afbeelding 7: Parkeren binnen het plangebied

2.3 Groen

In Bijlage 1 van deze toelichting is het in 2021 opgestelde inrichtingsplan voor het gehele park aan de Vlietdijk opgenomen. In eerste instantie is in 2009 door Lodewijk Baljon landschapsarchitecten een ontwerp gemaakt voor de parkinrichting van de Vlietdijkzone in De Groote Wielen. Kort na het opstellen van dit plan is appartementencomplex De Baptist (1e klooster) gerealiseerd. Het realiseren van de overige ‘Kloosters’ heeft daarna lang op zich laten wachten.

Ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp zijn een aantal zaken veranderd. De positie van de kloosters is vastgesteld en wijkt licht af van de aannames in 2009. Daarnaast is de Vlietdijk gehandhaafd als verbinding tussen De Groote Wielen en Rosmalen. Tenslotte zijn de in de laatste jaren de inzichten veranderd over het ecologisch beheren van groen en natuur.

Al deze wijzigingen, nieuwe inzichten en opgedane ervaring met het gebied zijn aanleiding geweest om het oorspronkelijke ontwerp waar nodig aan te passen. Het oorspronkelijke concept van het park heeft hierbij zoveel mogelijk als uitgangspunt gediend.

De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd op een terp. Buiten deze terp wordt de openbare ruimte groen ingericht conform het inrichtingsplan voor dit gebied. Dit inrichtingsplan voorziet in de gewenste openheid en ruime uitzichten die hier zijn beoogd. Het planvoornemen en de inrichting van het openbare gebied rondom de terp van het 3e klooster sluit daar 1 op 1 op aan. Evenals de overige klooster in het gebied staat de bebouwing op een terp in het enigszins ruige en open landschap, dat gekenmerkt wordt door grasland, water en riet. Met deze inrichting blijft vanaf de Vlietdijk een ruim uitzicht, refererend aan het voormalige polderlandschap. Ook op de terp zelf, tussen de woongebouwen en ingepast in de parkeerkoffers worden bomen aangeplant. Het deel van het bestemmingsvlak 'Wonen - Uit te Werken - 1' dat niet voor wonen of parkeren wordt benut maar voor groen en water, is in dit uitwerkingsplan voor 'Groen' bestemd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Het rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Eén van de dertien nationale belangen heeft betrekking op 'zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen'. Het rijk behartigt dit belang onder meer met de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

Het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In dit geval is in het geldende bestemmingsplan De Groote Wielen al voorzien in de realisatie van woningen in de woongebieden langs de Vlietdijk, in de vorm van een uitwerkingsplicht. Met dit uitwerkingsplan voor 102 appartementen neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Daarom is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde. De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan deze woningen is wel getoetst in het kader van de Woonvisie 2020 (paragraaf 3.3.2).

3.1.2 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De NOVI is d.d. 11 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is getreden. Dit beleid vormt de langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland flink veranderen.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.

In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Toetsing

Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Bovendien is het plangebied op basis van het geldende bestemmingsplan reeds bestemd voor wonen met een uitwerkingsplicht. Met dit uitwerkingsplan voor 102 appartementen neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Er is dan ook geen strijdigheid met het geldende beleid.

In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na inwerkingtreding van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie voor de Brabantse leefomgeving in 2050.

De provincie legt de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaatproof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking, met het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Over de gemeentelijke woningbouwopgave worden binnen het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) afspraken gemaakt: de woningen in de bestemming 'Wonen - Uit te Werken - 1' zijn in deze afspraken onderdeel van de harde plancapaciteit.

3.2.2 Interim omgevingsverordening

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening (hierna: Iov) Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening die naar verwachting in 2023 in werking treedt. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Het plangebied ligt in de Interim omgevingsverordening in het 'Bestaande stedelijk gebied' en in het 'Concentratiegebied voor verstedelijking'. Binnen het Stedelijk gebied moet het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag vorm krijgen door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Daarbij is ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Ook de ladder voor duurzame verstedelijking is voor dit provinciaal beleid essentieel en is ook in de Iov opgenomen. Uit de toets aan de gemeentelijke Woonvisie 2020 (zie ook paragraaf 3.3.2) blijkt een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte die wordt ingevuld in bestaand stedelijk gebied conform de ladder voor duurzame verstedelijk in de Iov.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Ruimtelijke structuurvisie 2014

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie (hierna: RSV) geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. Het plangebied ligt als onderdeel van de uitbreidingswijk De Groote Wielen in de stedelijke hoofdstructuur van de structuurvisie. De RSV beschouwt de Vlietdijk als een bestaand onderdeel van De Groote Wielen: deze verstedelijking is al in voorgaande bestemmingsplannen mogelijk gemaakt. Verdere verstedelijking ziet de RSV in de afronding van De Groote Wielen in de Noordoosthoek en in De Bunders, aan de oostkant van De Overlaet (afbeelding 7).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0008.png"

Afbeelding 8: Ligging plangebied in de structuurvisie

3.3.2 Woonvisie 's-Hertogenbosch 2020

Op 9 juni 2020 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Woonvisie 's-Hertogenbosch vastgesteld. De doelstelling van de Woonvisie ’s-Hertogenbosch is wonen in een sterke stad met leefbare wijken en dorpen. De inzet voor de komende jaren wordt beschreven op basis van vier woonopgaven:

1. Passend en betaalbaar wonen voor iedereen

2. Leefbare en inclusieve buurten

3. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

4. Strategisch innovatief woonprogramma.

De 102 appartementen worden in de huursector gerealiseerd. Dit geeft invulling aan een aantal opgaven van de Woonvisie:

  • Het plan draagt bij aan passend en betaalbaar wonen voor iedereen. De sociale huurwoningen vergroten de woonmogelijkheden voor starters en (lage) middeninkomens en verbeteren de doorstroming op de (sociale) woningmarkt. Ook de middenhuur draagt bij aan deze gewenste doorstroming.
  • Op de schaal van De Groote Wielen draagt ze bij aan een inclusieve buurt, een diverser woningaanbod en een minder monotone wijk.
  • De wijze waarop dit plan invulling geeft aan de Visie Duurzaamheid 's-Hertogenbosch en daarmee aan de opgave van een duurzame woningvoorraad is beschreven in paragraaf 4.13
  • Naast deze kwalitatieve bijdrage aan de woonopgaven dragen de 102 appartementen ook bij kwantitatief bij aan het strategisch innovatief woonprogramma. Gemeente 's-Hertogenbosch wil een zo hoog mogelijke woningproductie realiseren in de eerste jaren, met een ambitie om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020-2030. Dit plan draagt daaraan bij, waarbij in dit geval de gemeente sterk heeft gestuurd op de kwaliteit en betaalbaarheid van het programma.

3.3.3 Nota Parkeernormering 2021

In november 2021 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de "Nota Parkeernormering 2021', inclusief een methode voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen met behulp van de parkeerbalans vastgesteld. Het doel van deze rapportage was het formuleren van actuele eenduidige parkeernormen die in de hele gemeente kunnen worden toegepast, waarbij evenwicht wordt gezocht tussen de vraag naar parkeerplaatsen en de kwaliteit van de openbare ruimte. Ten opzichte van de Nota Parkeernormering 2016 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Verlaging parkeernormen bezoek aan bewoners;
  • Introductie maatwerkkader;
  • Regulering en vergunningen;
  • Aangepaste indeling woninggrootte;
  • Aanleun/zorgwoningen;

De wijze waarop in het plan een goede parkeerbalans is gevonden en voldaan wordt aan de parkeernormen is beschreven in paragraaf 2.2).

3.3.4 Welstand

Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. Voor de Vlietdijkzone gelden de algemene welstandscriteria. Daarnaast wordt voor dit gebied het ‘Stedebouwkundig plan en beeldkwaliteitplan Vlietdijkzone’ uit januari 2002 als leidraad gebruikt bij de toetsing aan redelijke eisen welstand (paragraaf 1.2). Op 14 december 2021 heeft het Kwaliteitsteam De Groote Wielen over het bouwplan met de terpoplossing, de compositie van de gebouwen en de positionering van parkeren, positief geadviseerd.

3.3.5 Verordening bomen, water en groen

De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch vastgesteld op 9 maart 2021 en is sinds 8 juni 2021 onherroepelijk. De verordening behoord tot de “Visie 's-Hertogenbosch groen en klimaatbestendig”.

Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd.

Het 3e Klooster is gericht op het realiseren van sociale woningbouw in samenwerking met een woningcorporatie. De woningcorporaties hebben het duurzaamheidsakkoord 'Duurzaam wonen, 's-Hertogenbosch 2018-2025' ondertekend. In dat akkoord is vastgelegd aan welke effecten en doelen wordt gewerkt. Bij de verdere concretisering en uitwerking van het plan zal met partijen invulling worden gegeven aan de afspraken uit dit akkoord.

Bomen

Wat betreft het onderdeel bomen (houtopstanden)sluit het plan aan, conform het Vlietdijk inrichtingsplan park, aan bij het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in de verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld.

Binnen het plangebied zijn momenteel geen bomen aanwezig. Wel worden er in de nieuwe situatie nieuwe bomen aangeplant, zie ook paragraaf 2.1 en 2.3. Aan de Vlietdijk wordt de bomenrij vanuit het zuiden doorgezet binnen het plangebied. Daarnaast wordt voorzien in de aanplant van verschillende boomgroepen.

Water

Wat betreft het onderdeel water zijn in de verordening regels opgenomen voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. In paragraaf 4.12 is de waterparagraaf opgenomen en is aangegeven hoe wordt omgegaan met het extra verhard oppervlak binnen het plangebied.

Groen

Wat betreft het onderdeel groen is in de verordening per gebied een groennorm vastgelegd. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het doel van het opnemen van een groennorm in deze verordening is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving.

De groen-stedelijke woonmilieus bevinden zich buiten de ring en omvatten de bebouwing van Rosmalen en de nieuwbouwwijken sinds de jaren ’90. Hier is de groennorm wat hoger dan in de wijken binnen de ring, namelijk 40% . Dat betekent dat binnen het plangebied een minimale kwantitatieve groenscore van 40% geldt.

Het plangebied is 16.535 m² groot. De groenbestemming is 7.948 m² groot. De rest van het bestemmingsplan is bestemd als 'Wonen' of 'Verkeer' waar verharding en/of bebouwing is toegestaan. De gronden binnen deze bestemmingen worden echter niet geheel verhard of bebouwd. In paragraaf 4.12 is opgenomen dat het planvoornemen voorziet in een toename van circa 6.200 m² aan verharding en/of bebouwing.

Het percentage groenbestemming bedraagt met de oppervlakte van 7.948 m², ruim 48%. Dit is dus nog exclusief de groenvoorzieningen die binnen de bestemmingen 'Wonen' en 'Groen' zullen worden gerealiseerd.

Het planvoornemen voorziet echter ook in de aanplant van bomen. De kroonprojectie van bomen telt, conform de groenscore van de gemeente, 4x mee. Daarmee scoort het planvoornemen alleen maar beter en is voldoende aangetoond dat (ruimschoots) wordt voldaan aan de groennorm van 40%.

Hoofdstuk 4 Milieu, duurzaamheid en waarden

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende uitwerkingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

4.2 M.e.r. beoordeling

Nagegaan is of voor dit uitwerkingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit uitwerkingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig.

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 102 huurwoningen dus voldoet het niet aan deze criteria. Op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

 

ad b.

Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied en op een afstand van bijna 7 kilometer tot Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken bedraagt 8,0 kilometer. Uit uitgevoerde stikstofberekeningen blijkt dat het planvoornemen geen significant negatief effect heeft op omliggende Natura 2000-gebieden. De "Memo stikstofberekening" is als Bijlage 3 bijgevoegd en de berekeningen zijn als bijlagen 4 en 5 opgenomen. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. In paragraaf 4.14 wordt hier nader op ingegaan.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

4.3.1 Richtlijn

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).

4.3.2 Bureauonderzoek

Het plangebied kan gedefinieerd worden als rustige woonwijk. De indicatief aan te houden afstand van bedrijven in de milieucategorie 3.2 bedraagt hierbij 100 meter, in milieucategorie 3.1 bedraagt dit 50 meter en in milieucategorie 2 bedraagt dit 30 meter.

De afstand vanaf de gevel van de nieuwe woningen tot de dichtstbij liggende bestaande sportvelden binnen de geldende sportbestemming bedraagt meer dan 50 meter. De afstand tussen het nieuwe wooncomplex en de bestemmingsgrens van de sportbestemming bedraagt minder dan 50 meter. Er is op die afstand geen sportveld aanwezig, en in de praktijk zal er geen sportveld direct op de bestemmingsgrens worden gerealiseerd. Aan de minimale VNG-afstand die als richtlijn wordt gehanteerd wordt in praktijk tegemoetgekomen, zodat hinder niet te verwachten is. Aanwezige kunstmatige verlichting in de vorm van lichtmasten bevindt zich op voldoende afstand, namelijk minimaal 65 meter van de gevels van nieuwe woningen. Mochten in de toekomst de tegenover liggende sportvelden worden voorzien van verlichting, dan wordt getoetst en voldaan aan de hindernormen van het NSVV (Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde). Daarmee wordt eventuele lichthinder – mede gezien de afstand tot de nieuwe woningen - niet verwacht.

De belangen van de genoemde bedrijvigheid en bestaande sportvoorzieningen zullen niet worden geschaad door de realisatie van de nieuwe woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0009.png"

Afbeelding 9: Plangebied en omliggende functies

4.3.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van de woningen. De afstanden tot bedrijven, het sportcomplex en maatschappelijke functies is voldoende groot, waardoor een hinderlijke situatie niet wordt verwacht en de belangen van bedrijven niet zullen worden geschaad.

4.4 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

4.4.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader

Het toetsingskader wordt voor het akoestisch onderzoek gevormd door de Wet geluidhinder. Het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, heeft een geluidbeleid opgesteld voor het vaststellen van hogere waarden voor wegverkeerslawaai.

Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoekszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk).

De beoogde ontwikkeling ligt binnen de geluidzone van de weg Het Hooghemaal. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 63 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:

  • Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding)
  • Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming)
  • Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling)

Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Het 3e klooster ligt in het gebiedstype "stromingszone" waar voor wegverkeerslawaai een ambitieniveau met een bandbreedte van 48 tot en met 53 dB (onrustig) en een bovengrens van 58 tot en met 63 dB (lawaaiig) geldt. Het vaststellen van een hogere waarde boven de bovengrens tot aan de maximaal te ontheffen geluidsbelasting is in beperkte situaties mogelijk. De gemeente hanteert hierbij de regel dat een goed akoestisch woon- en leefklimaat in de woning moet worden gegarandeerd. Het binnenniveau in de woning mag maximaal 33 dB bedragen.

Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.

4.4.2 Onderzoek

Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft 102 huurwoningen. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat alleen ten gevolge van de Vlietdijk een overschrijding optreedt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De Vlietdijk is een niet-gezoneerde weg waar formeel geen hogere waarde voor kan worden vastgesteld. Voor de overschrijding is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van geluidsreducerende maatregelen gewenst. In het onderzoek worden enkele maatregelen als niet realistisch of niet doelmatig beschouwd. Vanwege de Vlietdijk kunnen geen hogere waarde worden vastgesteld. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels gewenst.

4.4.3 Industrielawaai

Vanwege bedrijvigheid wordt in de nabijheid van het plangebied ook geluid geproduceerd. Op een afstand van ruim 50 meter ten oosten van het plangebied zijn namelijk sportvelden gelegen. In paragraaf 4.3.2 is, ook ten aanzien van het aspect geluid, gemotiveerd, dat voldaan wordt aan de richtafstand van 50 meter zoals opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Geluidshinder vanwege de sportvelden is dan ook niet aan de orde.

Andere functies zijn op nog grotere afstand tot het plangebied gelegen en vormen ook geen belemmering. Zie voor de toetsing ook paragraaf 4.3.2.

4.4.4 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering in het kader van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Wel dient bij aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen een aanvullend akoestisch onderzoek naar de gevelwering van de gevels te worden toegevoegd. Hiervoor is in de regels van dit bestemmingsplan ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen (zie artikellid 8.3).

4.5 Trillingen

Bij trillingen in de ruimtelijke ordening gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillinghinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is – indien relevant - een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Weg- of railverkeer en bepaalde zware industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. In de nabijheid is geen bijzonder zware bedrijvigheid aanwezig of geprojecteerd. Gezien de ruime afstand tot het spoor en Rijksweg (>1 km) is het aspect trillingen voor de nieuwe woningen niet relevant te noemen.

4.6 Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.

In onderhavige omgeving is kunstmatige verlichting (anders dan verlichting van openbaar gebied) aanwezig in de vorm van lichtmasten op het oosten gelegen sportcomplex, ten behoeve van het voetbalveld. De dichtstbijzijnde lichtmast is gelegen op een afstand van 65 meter ten oosten van het plangebied. Hierdoor is hinder niet aannemelijk. Daarbij komt dat ruim aan de VNG-afstand vanaf de sportbestemming voldaan kan worden. Zie ook de toetsing aan de VNG-richtafstanden in paragraaf 4.3.2.

Bovendien schijnen de meest nabijgelegen lichtmasten niet in de richting van de beoogde woningen maar schuin naar beneden op het veld. Hinder als gevolg van de lichtmasten is niet aannemelijk. Gezien de afstand tot de woningen, zullen ook belangen niet worden geschaad door de komst van een nieuw gevoelig object.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Beleidskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een

bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

4.7.2 Onderzoek

Toetsing beleidsvisie

De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied (buiten de 325 meter van het spoor en wegen). Nieuwe kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan.

Beschouwing risicobronnen

De verschillende risicobronnen zijn in het kader van dit uitwerkingsplan geïnventariseerd. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er zich in of nabij het plangebied geen relevante risicobronnen bevinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0010.png"

Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart Nederland (bron: Risicokaart.nl)

Op een afstand van ruim 740 meter ten zuidwesten van het plangebied is een LPG-tankstation gelegen. Gezien deze grote afstand ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van dit tankstation. Er zijn ook geen PR10-6 contour over het plangebied gelegen.

De afstand tot andere risicobronnen is nog groter.

Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een uitwerkingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Uit bovenstaande informatie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in het invloedsgebied van risicobronnen. Het is dan ook niet noodzakelijk om een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico op te stellen.

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

Omdat de ontwikkeling niet binnen de invloedssfeer van risicobronnen ligt en (ver) buiten een afstand van 325 meter van spoor en wegen, is geen advies gevraagd van de Veiligheidsregio. Dit is conform de afspraken met de Veiligheidsregio welke zijn opgenomen in het gemeentelijk 'Uitvoeringskader externe Veiligheid'.

4.7.3 Conclusies en restrisico

Aangezien het planvoornemen niet is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8 Lucht

4.8.1 Beleidskader

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool.

4.8.2 Onderzoek

Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 8,2 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), komt het aantal extra voertuigbewegingen op maximaal 861 in totaal per etmaal. Dit is bijzonder worst-case aangezien er feitelijk huurwoningen worden gerealiseerd in de midden en goedkope sector. Conform de CROW-normen hoort daar een kengetal bij van 4 mvt/etmaal/woning. Hiermee komt de totale verkeersgeneratie voor de 102 woningen realistisch gezien uit op 408 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde).

Op basis van de bijzondere worst-case situatie met 861 mvt/etmaal toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0011.png"

Afbeelding 16: Uitslag NIBM-tool (versie 06-04-2021, bron: infomil.nl)

Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied (Woongebied De Groote Wielen) onder respectievelijk 19 en 19 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 12 microgram/m³. Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

4.8.3 Conclusie

Het planvoornemen draagt NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van goede kwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt voor de realisatie van het uitwerkingsplan.

4.9 Bodem

4.9.1 Algemeen

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

4.9.2 Onderzoek

Het plangebied is op basis van het geldende bestemmingsplan al bestemd voor 'Wonen'. De gronden zijn dus al eerder geschikt bevonden voor deze functie. In december 2016 is reeds een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek is echter voor de planologische procedure niet actueel genoeg. Om die reden is een nieuw actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd.

De bodemkwaliteit is door middel van een actualiserend bodemonderzoek opnieuw beoordeeld (Resultaten actualiserend bodemonderzoek, klooster locatie 3 aan de Vlietdijk te Rosmalen, Verhoeven Milieutechniek B.V., 1 november 2021). Het betreffende bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Voor de onderzoekslocatie is de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden aangenomen. In de bovengrond zijn analytisch geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Daarnaast zijn in de geplaatste boringen geen zintuiglijke waarnemingen gedaan die zouden kunnen duiden op een bodemverontreiniging.

Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de achtergrondwaarden en daarmee ook de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd.

Met het uitgevoerde actualiserend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond voor de locatie ‘’Klooster locatie 3’’ gelegen aan de Vlietdijk te Rosmalen in voldoende mate geactualiseerd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.9.3 Conclusie

De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit uitwerkingsplan.

4.10 Geur

Geur kan in de leefomgeving in meer of mindere mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook eventueel gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen of geur producerende bedrijven) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.

Gezien de afwezigheid van agrarische bedrijven, alsook industriële geur-producerende bedrijven in de nabijheid van het plangebied, is geur hier geen relevant aspect.

4.11 Hoogspanningslijnen

4.11.1 Advies

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen.

4.11.2 Onderzoek

In opdracht van de gemeente 's-Hertogenbosch zijn de specifieke magneetveldzones berekend voor de 150 kV hoogspanningslijn Den Bosch Noord - Oss, ter plaatse van de masten 18, 19 en 20 in De Groote Wielen. Hier zijn diverse braakliggende percelen gelegen met nog uit te werken woonbestemmingen. Ook het plangebied van dit bestemmingsplan is hier gesitueerd.

De resultaten van deze berekening (Berekening specifieke magneetveldzones nabij 150 KV-hoogspanningslijn De Groote Wielen, Omgevingsdienst zuid-oost Brabant, 25 maart 2020) zijn verwerkt in de rapportage die als Bijlage 7 is opgenomen bij deze toelichting.

Er is onderzocht of op deze locatie op kortere afstand dan de indicatieve magneetveldzone (<60 meter) grondgebonden woningen kunnen worden ontwikkeld. De rapportage van dit onderzoek is opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling van het 4e Klooster maar is ook toepasbaar voor het 2e en het 3e Klooster (zie Bijlage 4, Berekening specifieke magneetveldzones nabij 150 KV-hoogspanningslijn De Groote Wielen, Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, 25 maart 2020).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0012.png"

Afbeelding 17: De berekende specifieke magneetveldzones tussen de masten 18 en 20 (bron: ODZOB)

Tussen de masten 18 en 20 zijn twee circuits aanwezig. Voor beide vaksegmenten (M18 – M19 en M19 – M20) is een specifieke magneetveldzone van 45 meter berekend voor zowel het noordelijke (witte) circuit als het zuidelijke (zwarte) circuit. Er wordt aangeraden te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de specifieke magneetveldzone). Geadviseerd wordt om binnen de specifieke magneetveldzone geen gevoelige bestemmingen, zoals woningen, scholen en kinderdagverblijven - inclusief de daarbij behorende buitenruimtes als speelplaatsen en tuinen - mogelijk te maken.

Nieuw tracé

Er zijn plannen voor een nieuw tracé voor deze 150 KV-hoogspanningslijn. Het tracé is opgenomen binnen het zoekgebied maar het exacte tracé is op dit moment nog niet duidelijk. Het is wel de bedoeling de verbinding te "verkabelen", hetgeen inhoudt dat de kabels ondergronds worden gelegd. Ook bij ondergrondse hoogspanningskabels zal rekening moeten worden gehouden met een aan te houden afstand in verband met beheer en onderhoud maar ook in verband met het voorzorgprincipe. Bij de aanleg van een ondergrondse hoogspanningskabel zal de afstandnorm kleiner zijn ten opzichte van de huidige bovengrondse situatie. Bij aanleg zal rekening worden gehouden met deze norm in relatie tot de afstand van het 3e Klooster.

4.11.3 Conclusie

Het planvoornemen voorziet in woningbouw buiten de magneetveldzone van 45 meter. Daarmee wordt gehoor gegeven aan het advies om geen nieuwe woningen, inclusief bijbehorende tuinen, binnen deze zone te realiseren.

4.12 Water

4.12.1 Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer

Het actuele beleid van de gemeente ten aanzien van (onder andere) water is opgenomen in de 'Verordening Bomen, Water en Groen'.

De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het Waterbeheerplan 2022-2027. In de Keur staan de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

  • Voorkom vervuiling van (regen)water;
  • Houd vuil water en schoon hemelwater gescheiden;
  • Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. vertraagde afvoer;
  • Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties;
  • Houd rekening met waterschapsbelangen, bijvoorbeeld ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van waterkeringen of watergangen;
  • Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen;
  • Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties, bijvoorbeeld een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein;
  • Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald in dit uitwerkingsplan.

4.12.2 Wateropgave en waterberging

Er is circa 6.200 m² potentieel extra verhard oppervlak binnen het plangebied (ca 3.700 m² terreinverharding (inclusief terrasverharding) en 2.500 m² dakoppervlak). Om invulling te geven aan het aspect klimaat-adaptatie geldt volgens het gemeentelijke hemelwaterbeleid en de Keur van het Waterschap Aa en Maas een bergingsopgave van ten minste 60 mm per m² oppervlak dat wordt verhard. In deze situatie komt dat neer op een bergingsopgave van 372 m³.

Het plangebied gaat deel uitmaken van het watersysteem van de Watermachine. Binnen het plangebied is een belangrijk onderdeel van de Lage Ring gesitueerd. De Lage Ring voert het water van de woongebieden, het helofytenfilter en De Overlaet naar de moeraszone. De Lage Ring heeft normaal een peil van 1,80 meter +N.A.P. en kan in natte tijden oplopen tot een peil van 2,10 meter +N.A.P. Er zijn tijden dat het niet regent. Daarom wordt in de Lage Ring vanuit de Groote Wielenplas ook constant water ingepompt. De Lage Ring heeft met zijn natuurlijke begroeiing een zuiverende werking op het water. De infrastructuur van de Watermachine en dus ook van de Lage Ring is reeds aangelegd.

De verhardingen in het plangebied wateren af op de Lage Ring die fungeert als infiltratiezone aan de noordoostzijde van het plangebied. Deze infiltratiezone heeft voldoende capaciteit om de bergingsopgave van 372 m³ op te kunnen vangen.

4.12.3 Oppervlaktewater

Aan de randen en in het plangebied liggen A-watergangen. In de Keur van het waterschap Aa en Maas is te lezen, dat er voor werkzaamheden in of nabij de A-watergangen een vergunning aangevraagd dient te worden. Het planvoornemen voorziet echter niet in ingrepen in of aan de betreffende watergang dus een vergunning is in dat kader niet noodzakelijk.

Daarnaast is het verboden om binnen 5 m (beschermingszone) uit de insteek aan beide zijden van A-watergangen obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op het doelmatig beheer en waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze de onderhoudsstrook vrij te houden van alle obstakels. Wanneer er een voornemen is om obstakels in de beschermingszone te realiseren, is een vergunning op grond van de Keur verplicht. De afstand van het planvoornemen tot de waterloop bedraagt minimaal 8,5 meter. Daarmee is het niet noodzakelijk om een vergunning in het kader van de Keur aan te vragen.

4.12.4 Waterkwaliteit

Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater zal het bouwplan, conform de Verordening Bomen, Water en Groen', geen gebruik maken van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. In de uitwerking van de plannen, c.q. het ontwerp van de nieuwe woningen, zal invulling worden gegeven aan het hemelwaterbeleid. Het planvoornemen voldoet hieraan.

4.12.5 Vuilwaterverwerking en riooltransportleiding

Het huishoudelijk afvalwater wordt onder vrij verval getransporteerd naar het bestaande vuilwaterriool in de Vlietdijk. Het is niet mogelijk en toegestaan om hemelwater aan te sluiten op dit vuilwaterriool.

Aan de noordzijde net buiten het plangebied ligt een riooltransportleiding. Deze leiding transporteert het afvalwater vanaf het gemeentelijk riool naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Bij riooltransportleidingen moet een zakelijk-rechtstrook van 7 m breed in acht worden genomen (3,5 m aan weerszijden, gemeten vanuit het hart van de leiding). Deze strook moet worden vrijgehouden voor eventuele onderhoudswerkzaamheden. Daarnaast moet bij bouwwerkzaamheden nabij de transportleiding van tevoren met het waterschap contact worden opgenomen, bijvoorbeeld als er met zwaar verkeer wordt gereden. Er moeten dan wellicht tijdelijk aanvullende voorzieningen worden aangebracht om schade aan de leiding te voorkomen. Het planvoornemen voorziet niet in werkzaamheden in de zakelijke-rechtstrook dus dit vormt geen belemmering.

4.12.6 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan. Voor de hemelwaterberging is in de directe omgeving van het plangebied voldoende ruimte aanwezig en de aangrenzende watergangen maken onderdeel uit van de "Watermachine". Binnen het plangebied is voldoende ruimte om aan de eisen van de hemelwaterverordening te kunnen voldoen.

Met het voldoen aan de hemelwaterverordening zijn de waterhuishoudkundige aspecten gewaarborgd. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Bij de verdere concretisering en uitwerking van het plan zal ook de duurzaamheidsopgaaf worden meegenomen (zie 4.13).

4.13 Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).

Het 3e Klooster is gericht op het realiseren van sociale woningbouw in samenwerking met een woningcorporatie. De woningcorporaties hebben het duurzaamheidsakkoord 'Duurzaam wonen, 's-Hertogenbosch 2018-2025' ondertekend. In dat akkoord is vastgelegd aan welke effecten en doelen wordt gewerkt. Bij de verdere concretisering en uitwerking van het plan zal met partijen invulling worden gegeven aan de afspraken uit dit akkoord.

Met de vastgestelde visie duurzaam 's-Hertogenbosch zet de gemeente verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's:

  • Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging)
  • CO2 neutrale omgeving (energie)
  • Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit)
  • Duurzame mobiliteit

Conform de visie wordt rekening gehouden met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. Er wordt gezorgd voor een veilig watersysteem en gewerkt aan vergroening van de omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werkt de gemeente enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook worden stappen gezet om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen is men zich ervan bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om.

Ten aanzien van het vervoer werkt de gemeente aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch.

Ten aanzien van het plan is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven:

  • 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening)

Het planvoornemen voorziet in een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving. De gezonde, groene leefomgeving wordt vorm gegeven door de realisatie van een gemeenschappelijke functionele binnenplaats tussen de gebouwen en een groene buitenplaats. De binnenplaats dient als ontmoetingsplek en voor parkeren en de buitenplaats dient ter recreatie. Hiermee worden bewoners aangezet tot bewegen en kunnen omwonenden samen komen. De klimaat bestendige leefomgeving wordt vormgegeven door hemelwater te laten infiltreren in de bodem, en niet af te voeren richting de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hierdoor wordt verdroging en overbelasting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (met vervuiling tot gevolg) tegen gegaan. Verder zet het planvoornemen in op een ontwerp waarbij het omliggende groen en water wordt omarmd in het ontwerp. Voor het vergroten van de biodiversiteit is gekozen voor inheemse plantensoorten in de gemeenschappelijke tuin. Door het toepassen van hoogbouw is er minder verhard oppervlak en blijft meer ruimte over voor groen en water.

  • 2. CO2 neutrale omgeving (energie)

Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Woningen gebouwd volgens het tegenwoordige BENG zijn optimaal geïsoleerd met onder meer betere kierdichting en als ontwerpopgave een verminderde energievraag. Daarbij moeten BENG-woningen ook voor een deel in hun eigen nodige energie voorzien. Alle woningen in het planvoornemen worden dan ook gerealiseerd zonder gasaansluiting.

Verder wordt ingezet op energiebesparing, zo voorziet het planvoornemen in goed geïsoleerde woningen. Dit scheelt tevens in energieverbruik voor koeling. De nieuwe woningen moeten voldoen aan een eis om oververhitting in woningen (mede door de warmere zomers en betere isolatie) te voorkomen.

Indien uit de uiteindelijke BENG-berekening blijkt dat het noodzakeijk is dat er zonnepanelen moeten worden gerealiseerd, zal dat onderdeel uitmaken van het bouwplan.

De woningen zullen worden verwarmd met behulp van lucht-warmtepompen inclusief koeling. Daarnaast zal het hout dat wordt gebruikt bij de bouw FSC hout zijn.

  • 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit)

Het planvoornemen voorziet in het gebruik van natuurlijke en duurzame materialen.

Andere materialen die gebruikt worden, zoals beton, kunststof etc. zijn te recyclen waardoor ook deze impact op de grondstoffenvoorraad beperkt is.

  • 4. Duurzame mobiliteit

Het planvoornemen betreft de bouw van 102 woningen. Hiervoor worden verschillende laadpalen gerealiseerd voor duurzame mobiliteit. Uit vooronderzoek is gebleken dat er geen wensen zijn voor gemeenschappelijke mobiliteitsoplossingen.

4.14 Ecologie

4.14.1 Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

4.14.2 Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen in of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland of andere beschermde natuurgebieden. De afstand tot het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is circa 6,9 kilometer, dit is weergegeven afbeelding 18.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0013.png"

Afbeelding 18: Afstand Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied (rode cirkel)

Omdat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op het Natura 2000-gebied, zijn berekeningen uitgevoerd, de resultaten zijn samengevat in de memo zoals opgenomen in bijlage 3. De berekening voor de realisatiefase is opgenomen in bijlage 4 en de berekening voor gebruiksfase is te vinden in bijlage 5. Uit deze berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het onderhavige plan zal geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hierdoor vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Soortenbescherming

Het plangebied is momenteel braakliggend en wordt gekenmerkt door een groene invulling. Deze groene invulling bestaat uit water, riet en boschages. Op afbeelding 19 is een vooraanzicht weergegeven van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0014.png"

Afbeelding 19: Vooraanzicht vanaf de rotonde Vlietdijk - Hooghemaal

De beoogde werkzaamheden bestaan uit:

- Rooien huidig groen

- Bouwrijp maken

- Bouwwerkzaamheden

Bij deze werkzaamheden kunnen mogelijk aanwezig beschermde soorten worden verstoord. Middels een quickscan Wet natuurbescherming zijn mogelijk aanwezige beschermde soorten geïnventariseerd. Dit verkennend ecologisch onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 8.

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In onderstaande tabellen is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabellen is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen of ten aanzien van gebiedsbescherming te voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0015.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002519-1401_0016.png"

Tabel I: Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen

4.14.3 Conclusie

Het planvoornemen geeft geen stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura 2000-gebieden.

Op basis van de quickscan Wet natuurbescherming dient voor de uitvoering van de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van een verblijfplaats en/of functie van de onderzoekslocatie voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit uitwerkingsplan (zie artikellid 8.2).

Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door het aanwezige groen te verwijderen buiten het broedseizoen. Indien in het broedseizoen gewerkt gaat worden, dient voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden.

De aangrenzende watergang en de bomenrij ten zuiden van de onderzoekslocatie kunnen dienen als potentiële vliegroute voor vleermuizen. Daarnaast kan de bever ook incidenteel gebruik maken van de watergangen. Overtreding van de Wet natuurbescherming is te vermijden indien potentiële vliegroutes van vleermuizen in de omgeving functioneel en duurzaam behouden blijven en opzettelijke verstoring van de bever wordt voorkomen. Hierdoor wordt geadviseerd om geen additionele (bouw)verlichting toe te passen richting deze watergang en bomenrij tijdens de bouwfase en de eindfase. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

4.15 Archeologie en cultuurhistorie

4.15.1 Toetsingskader

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r.-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

4.15.2 Onderzoek

Uit bestemmingsplan De Groote Wielen volgt dat het merendeel van de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones in het plangebied van dat plan is onderzocht. Daarbij zijn de belangrijkste archeologische resten gedocumenteerd en is de informatie veiliggesteld. Voor het plangebied van De Groote Wielen geldt dus dat het grotendeels 'archeologievrij' is. Omdat ook het plangebied van dit uitwerkingsplan binnen dat gebied valt, is geen archeologisch onderzoek nodig.

4.15.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridisch-bestuurlijke aspecten

5.1 Algemeen

In hoofdstuk 3 is het plan getoetst aan de uitwerkingsregels van de bestemming Wonen-Uit te werken-1 in bestemmingsplan De Groote Wielen. Dit uitwerkingsplan ziet op een van de bestemmingsvlakken van deze bestemming, dat van het 3e Klooster. In deze uitwerking is het plangebied verdeeld in de bestemmingen Groen, Wonen en Verkeer.

Dit uitwerkingsplan bestaat uit een verbeelding met regels en is voorzien van een toelichting. De verbeelding en regels zijn juridisch bindend. De toelichting is juridisch niet bindend maar helpt bij de interpretatie van de verbeelding en de regels.

De regels zijn als volgt ingedeeld:

  • Inleidende regels. De inleidende regels lichten de begrippen toe die in de regels voorkomen en ook de wijze van meten (hoogte, diepte et cetera) die moet worden gehanteerd. In artikel 1 worden belangrijke begrippen die in het plan voorkomen nader gedefinieerd. In artikel 2 is aangegeven hoe afstanden en maten die in de regels worden voorgeschreven, moeten worden gemeten. Het definiëren van begrippen en de aanwijzingen voor het meten vergroten de duidelijkheid en de rechtszekerheid.
  • Bestemmingsregels. De bestemmingsregels bevatten voor de bestemming een omschrijving van de doeleinden en bouwregels.
  • Algemene regels. De algemene regels bevatten algemene – voor alle bestemmingen geldende – regels zoals algemene gebruiksregels.
  • Overgangs- en slotregels. De laatste twee artikelen betreffen achtereenvolgens het overgangsrecht en de slotregel.

5.2 Bestemmingsregels

Groen

Het deel van het bestemmingsvlak Wonen-Uit te Werken-1 dat niet voor wonen wordt benut maar voor groen en water (zie paragraaf 2.3) is in dit uitwerkingsplan voor 'Groen' bestemd. Binnen de bestemming 'Wonen' (zie hierna) zijn echter ook groen en groenvoorzieningen mogelijk.

Wonen

De woongebouwen hebben elk een eigen bouwvlak met daarin aangeduid het maximaal aantal bouwlagen. De systematiek van bouwlagen sluit aan op die in de rest van De Groote Wielen. In artikel 1 is een definitie van bouwlaag opgenomen. In de regels is het maximaal aantal woningen bepaald op 102. De woningen mogen alleen gestapeld worden gebouwd.

Buiten de bouwvlakken zijn tuinen, erven en terreinen toegestaan en ondergeschikt aan de hoofdfunctie onder andere water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groen en groenvoorzieningen, parkeer- en verkeersvoorzieningen.

Verkeer

De ontsluiting en de parkeerplaatsen zijn onderdeel van de bestemming 'Verkeer'. Hierin zijn ook kleinschalige voorziening ten behoeve van de woningen, zoals afvalcontainers, als aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen.

5.3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing

Algemene gebruiksregels

Dit artikel ziet op het algemene verbod om de gronden, gebouwen en bouwwerken in het plangebied in strijd met het bestemmingsplan te (laten) gebruiken.

Algemene afwijkingsregels

Voor alle bouwregels geldt dat burgemeester en wethouders er conform de algemene afwijkingsregels van af kunnen wijken. Deze regels betreffen onder meer vermeerdering dan wel vermindering van de voorgeschreven maten en normen met niet meer dan 10% en vergroting van de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, dakinstallaties, liftopbouwen. Steeds geldt dat hiervoor alleen toestemming kan worden verleend als de afwijking het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig aantast.

Overgangsrecht

De overgangsregels hebben als doel tijdens de overgang naar een nieuw bestemmingsplan de rechtstoestand vast te leggen van bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan zijn gebouwd of nog gebouwd kunnen worden - dat wil zeggen waarvoor bouwvergunning of een omgevingsvergunning is verleend of nog te verlenen is - en die afwijken van de bouwregels in dit plan. Het tweede lid van dit artikel heeft betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken, voor zover dit gebruik op het tijdstip van rechtskracht verkrijgen van dit bestemmingsplan afwijkt van dit plan.

Slotregel

Dit artikel geeft aan onder welke naam de regels van het bestemmingsplan moeten worden aangehaald. Het betreft de regels van het bestemmingsplan 'De Groote Wielen - 3e Klooster'.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). De gronden zijn in het bezit van de gemeente ’s-Hertogenbosch en de kosten samenhangend met het opstellen, de procedure tot vaststelling van het uitwerkingsplan, planschade en alle plankosten zijn voor rekening van de gemeente. De gemeente zal de gronden verkopen (grondexploitatie) aan de ontwikkelende partij. Het plan mag financieel haalbaar worden geacht.

Hoofdstuk 7 Inspraak en vooroverleg

7.1 Omgevingsdialoog

Naar aanleiding van de ontwikkelingen met betrekking tot het 3e klooster aan de Vlietdijk te Rosmalen, is de omgevingsdialoog gevoerd. Omwonenden inclusief de wijkraad zijn daarbij per brief geïnformeerd over de plannen en procedure.

Van de omgevingsdialoog is een verslag gemaakt. Dit verslag is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting. Aanvullend op dat verslag wordt opgemerkt dat het wandelpad haaks op de Vlietdijk tijdelijk zal komen te vervallen. Dat wordt herstelt bij het inrichten van de openbare ruimte. Het wandelpad parallel aan de Vlietdijk blijft beschikbaar, ook tijdens de bouwperiode. Een rondgaand wandelpad blijft beschikbaar, zij het tijdelijk in een iets beperktere vorm.

7.2 Vooroverleg en inspraak

In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpuitwerkingsplan voorafgaand aan de terinzagelegging ervan toegezonden aan:

  • Provincie Noord-Brabant

Tijdens periodiek overleg tussen gemeente en provincie is afgesproken dat de provincie, indien nodig, reactie geeft in het kader van de ter inzage legging van het ontwerpuitwerkingsplan.

  • Waterschap Aa en Maas

Het waterschap had enkele opmerkingen op het ontwerpuitwerkingsplan. Deze opmerkingen zijn verwerkt in dit uitwerkingsplan.

  • Tennet

Naar aanleiding van de reactie van Tennet is paragraaf 4.11 aangevuld met een alinea over het voornemen de bovengrondse hoogspanningsleiding te 'verkabelen' naar een ondergrondse hoogspanningsleiding.

7.3 Zienswijze

Het ontwerpuitwerkingsplan 'De Groote Wielen - 3e klooster' heeft vanaf 15 augustus 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro).

Gedurende de inzagetermijn zijn geen zienswijzen ingediend. Het uitwerkingsplan wordt dan ook ongewijzigd vastgesteld.

7.4 Vaststelling

Het bestemingsplan wordt ongewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage.

Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan. Over het plan wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot inspraak geboden. Ook zal in deze fase het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsvinden.