direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Markt 1 Rosmalen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002490-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het pand van de parochie Heilige Maria aan de Markt 1 in Rosmalen wordt getransformeerd tot een woonzorgvoorziening ten behoeve van 6 cliënten met een Wlz-indicatie (Wet langdurige zorg). In de tuin behorende bij het pand worden 12 wooneenheden voor cliënten in de vorm van studio's gerealiseerd.

De huidige eigenaar van het pand is parochie Heilige Maria te Rosmalen. Het pand is momenteel in gebruik als kantoor én woonruimte voor de pastor. De parochie heeft echter nieuwbouwplannen en gaat het pand verlaten.

Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Rosmalen Centrum' is de voorziene nieuwbouw niet toegestaan. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt voorzien in een nieuw en passend juridisch-planologisch kader voor de beoogde ontwikkeling.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Markt 1 in Rosmalen, kadastraal bekend als Rosmalen, sectie H, nummer 2715. In figuur 1.1 is het kadastrale perceel weergegeven. In figuur 1.2 is de begrenzing geprojecteerd op een luchtfoto.

Het plangebied wordt omsloten door de Markt aan de noordzijde, het parkeerterrein 'Achter de Driesprong' aan de westzijde en woningen aan de oost- en zuidzijde. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2.222 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0001.png"

Figuur 1.1: Kadastrale kaart met groen gekleurd het perceel Rosmalen, sectie H, nummer 2715.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0002.jpg"

Figuur 1.2: Luchtfoto met het plangebied rood omlijnd weergegeven.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie van het plangebied beschreven. Een planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 3. Het beleidskader dat van toepassing is op de locatie en het initiatief is opgenomen in hoofdstuk 4. Vervolgens worden de verschillende milieu- en duurzaamheidsaspecten beschreven in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de regels. De financiële haalbaarheid van het initiatief komt in hoofdstuk 7 aan de orde. Hoofdstuk 8 gaat in op het resultaat van de omgevingsdialoog en het vooroverleg.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving locatie en ligging in de stad

Het plangebied ligt aan de Markt 1 in het centrum van Rosmalen. Op de navolgende figuur is de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Het plangebied ligt op circa 320 meter ten noorden van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Rosmalen-Nijmegen, op circa 1.200 meter ten oosten van het Maximakanaal en op circa 1.500 meter ten oosten van de rijksweg A2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0003.png"

Figuur 2.1: Topografische kaart met de ligging van het plangebied aangeduid met een rode pijl.

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied ligt in het centrum van Rosmalen. Rosmalen wordt gekenmerkt door een jarenlange organische groei. Door de trage ontwikkeling en het diffuse bebouwingskarakter, mede ontstaan door het feit dat Rosmalen op een dakzandrug is gelegen waardoor uitbreiding naar alle kanten mogelijk was, heeft pas recentelijk enige verdichting in het centrum plaatsgevonden. Binnen het plangebied is de van oudsher ruime opzet met diepe tuinen nog herkenbaar door de grote parochietuin achter het monumentale parochiegebouw.

Aan de noordoostzijde ligt de doorgaande Rodenborchweg die in zuidelijke richting overgaat in de Deken van Roestelllaan. Over deze weg vindt ook openbaar busvervoer plaats. Voor het overige is in de directe omgeving sprake van een 30 km-zone.

Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van oppervlaktewater. Direct rondom het plangebied is de hoeveelheid groenvoorzieningen vrij beperkt. De parochtietuin zelf is echter wel groen ingericht, met onder meer een monumentale zomereik en diverse andere bomen. Deze monumentale zomereik blijft behouden. Ook de overige groenvoorzieningen blijven zoveel mogelijk behouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0004.png"

Figuur 2.2: Zicht op de voorzijde van het monumentale parochiegebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0005.png"

Figuur 2.3: Zicht op de achterzijde van het monumentale parochiegebouw, met groene inrichting van de parochietuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0006.png"

Figuur 2.4: Zicht op de groen ingerichte parochietuin.

2.3 Functionele structuur

Gelet op de ligging in het centrum, is in de directe omgeving sprake van een mix aan functies. Aan de noord- en westzijde is met name sprake van commerciële centrumfuncties als horeca en detailhandel. Ten zuiden en oosten van het plangebied is met name sprake van woningen. Direct ten westen grenst het plangebied aan het openbare parkeerterrein 'Achter de Driesprong'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0007.png"

Figuur 2.5: Parkeerplaatsen grenzend aan de westzijde van de parochietuin.

2.4 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Rosmalen Centrum' van toepassing, zoals dit op 9 oktober 2012 door de gemeenteraad van 's Hertogenbosch is vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroeplijk sinds 18 december 2012.

Voor het plangebied geldt de enkelbestemming 'Centrum', waarbinnen een bouwvlak is opgenomen. Binnen het bouwvlak zijn hoofdgebouwen toegestaan met een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 11 meter. Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.

Op de navolgende figuur is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0008.png"

Figuur 2.6: Verbeelding bestemmingsplan 'Rosmalen Centrum', met het plangebied rood omlijnd weergegeven (bron: www.ruimelijkeplannen.nl).

Enkelbestemming 'Centrum'

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. dienstverlening;
  • b. kantoren;
  • c. maatschappelijke voorzieningen;
  • d. openbare ruimte;
  • e. publiekverzorgend ambacht;
  • f. verenigingsleven met uitzondering van verenigingen/clubs waarvan redelijkerwijs (geluids)overlast te verwachten is zoals: auto- en motorclubs, schietverenigingen, carnavalsverenigingen en sportverenigingen niet zijnde denksportverenigingen;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' tevens detailhandel;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'horeca' tevens voor het uitoefenen van horecabedrijven in categorieën 1 tot en met 3 van de bij deze regels als bijlage behorende Staat van Horeca-activiteiten;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - drukkerij' tevens een drukkerij;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt' tevens een supermarkt;
  • k. wonen in de vorm van woningen;
  • l. parkeervoorzieningen;
  • m. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, sportvoorzieningen, speelvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, abri's, terrassen, standplaatsen, telefooncellen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen tuinen, erven en terreinen.

Met dien verstande dat de functies als genoemd onder a tot en met j uitsluitend zijn toegelaten op de begane grond, behalve ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' want daar zijn ook kantoren op de verdieping toegestaan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de aanduidingen zoals bedoeld onder g tot en met j, voor het plangebied niet van toepassing zijn.

De beoogde functies binnen het plangebied zijn binnen de bestemming 'Centrum' rechtstreeks toegestaan. Ter hoogte van de beoogde nieuwbouw is echter geen bouwvlak opgenomen. De ontwikkeling van deze nieuwbouw is daarmee strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Hierin wordt met het voorliggende bestemmingsplan voorzien.

Gelet op het feit dat in de toekomstige situatie een maatschappelijke functie is voorzien, wordt voor het gehele plangebied de bestemming 'Maatschappelijk' opgenomen in plaats van de bestemming 'Centrum'.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden.Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 25 m² en meer dan 0,5 meter beneden maaiveld. Voor werkzaamheden waarbij deze ondergrenzen worden overschreden, dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 5.16 van deze toelichting.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Bebouwing

De voorgenomen ontwikkeling bestaat feitelijk uit een tweetal onderdelen. Enerzijds is sprake van een functiewijziging van de pastorie naar een woonzorgvoorziening. Anderzijds is voorzien in nieuwbouw ten behoeve van 12 permanente studio's langs de oostgrens van de pastorietuin, met aansluitend daarop een luifel en een soort van ontvangstpleintje.

Door de situering van de studio's blijft de monumentale zomereik binnen het plangebied behouden. Daarnaast blijft door de situering van de studio's het zicht op de prominente pastorie vanuit de tuin geborgd. De tuin zelf zal haar rechthoekige vorm behouden.

Vanaf het openbare gebied zal de nieuwbouw vrijwel niet te zien zijn. De studio's vormen een tweede wand aan de pastorietuin, maar ze blijven ondergeschikt aan de pastorie. De nieuwbouw is georiënteerd op de tuin en sluit hier met haar natuurlijke materialen (hout in combinatie met bruin-grijze kleurtonen) op aan. Vanuit duurzaamheidsoverwegingen worden de studio's voorzien van op het zuiden gerichte sheddaken, waarop zonnepanelen geplaatst worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0009.png"

Figuur 3.1: Situatietekening toekomstige situatie (zie voor een nadere toelichting op deze afbeelding ook paragraaf 8.3 van onderhavig rapport).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0010.png"

Figuur 3.2: 3D-vogelvluchtimpressie toekomstige situatie, gezien vanuit het oosten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0011.png"

Figuur 3.3: 3D-vogelvluchtimpressie toekomstige situatie, gezien vanuit het zuiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0012.png"

Figuur 3.4: 3D-impressie, gezien vanuit de tuin, met links het bestaande parochiegebouw en rechts de nieuw te realiseren studio's.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0013.png"

Figuur 3.5: 3D-impressies entreegebied studio's, met luifel aan de kopgevel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0014.png"

Figuur 3.6: Gevelimpressies toekomstige studio's.

3.2 Gebruik

Studio's

In de 12 woningen/studio’s die achter de pastorie gebouwd worden, komen cliënten te wonen die redelijk zelfstandig kunnen wonen. Zij krijgen op gezette tijden begeleiding van Leermakers Autismegroep en zij kunnen tussendoor een beroep doen op de begeleiding die 24 uur per dag aanwezig is in de pastorie. Deze cliënten zijn in staat om hun ondersteuningsvraag enige tijd uit te stellen.

De indicaties voor deze cliënten volgen deels vanuit de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) en deels vanuit de Wlz (Wet langdurige zorg).

De pastorie

In de pastorie komen 6 cliënten te wonen met een Wlz-indicatie. Deze cliënten hebben meer ondersteuning nodig dan de bewoners van de studio’s. Zij zijn minder goed in staat om een begeleidingsvraag uit te stellen en hebben meer ondersteuning nodig bij hun dagstructuur. Voor deze cliënten zal er 24 uur per dag begeleiding in de nabijheid zijn.

3.3 Verkeer en parkeren

Verkeer

De verkeersgeneratie kan worden berekend op basis van de CROW-kencijfers, die zijn opgenomen in de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Het plangebied behoort tot de zone 'centrum' en valt binnen 'matig stedelijk gebied'.

In de huidige situatie heeft het plangebied reeds een centrumbestemming, waarbinnen een diversiteit aan functies is toegestaan. In de toekomstige situatie is er sprake van een woonzorgvoorziening met 6 kamers en daarnaast van 12 studio's. Op basis van de CROW-normen geldt voor de studio's een verkeersgeneratie van 0,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal per studio, uitgaande van de categorie 'kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten)'. Met 12 studio's komt dit neer op gemiddeld 6 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Voor een verpleeg- en verzorgingstehuis geldt eveneens een verkeersaantrekkende werking van 0,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal per kamer. Met 6 kamers komt dit neer op 3 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

De totale verkeersaantrekkende werking bedraagt daarmee op basis van de CROW-richtlijnen circa 9 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Een dergelijke beperkte verkeersaantrekkende werking kan zonder problemen op het omliggende wegennet worden afgewikkeld. Het plangebied wordt daarbij overeenkomstig de huidige situatie ontsloten op de Markt, aan de noordzijde van het plangebied. Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat de verkeersbwegingen van het gebruik als pastorie komen te vervallen.

Parkeren

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets', dat is vastgesteld op 21 september 2016. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden.

Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.

In het voorliggende geval is sprake van een functiewijziging van de pastorie naar een woonzorgvoorziening met 6 kamers en de realisatie van 12 studio's in de pastorietuin. Hiervoor wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het plangebied ligt op grond van de 'Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets' binnen 'Zone 4: Centrum Rosmalen'.

Volgens de gemeentelijke parkeernormen geldt voor de pastorie een parkeernorm van 3,6 parkeerplaatsen, uitgaande van 6 kamers en de categorie verpleeg/verzorgingstehuis. Er is immers sprake van huisvesting van personen met een zorgindicatie in het centrumgebied van Rosmalen, waarvoor per kamer een parkeernorm geldt van 0,6 parkeerplaatsen per kamer/wooneenheid.

Voor de woningen/studio's geldt op basis van de ligging in het centrumgebied van Rosmalen voor woningen tot 40 m² een parkeernorm van 0,65 parkeerplaatsen per woning. Voor 12 woningen betekent dit een totaal van 7,8 parkeerplaatsen.

Wanneer rekening wordt gehouden met aanwezigheidspercentages en dubbelgebruik, komt het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen uit op 10. De uiteindelijke toetsing aan de gemeentelijke parkeernormen vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0015.png"

Figuur 3.7: Parkeernormen uit de 'Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets'.

Voor wat betreft het fietsparkeren is in de 'Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets' aangegeven dat de fietsparkeeroplossing voor woonfuncties is geregeld in het Bouwbesluit (Artikel 4.31). Voor de overige functies hanteert de gemeente ‘s-Hertogenbosch richtlijnen gebaseerd op de fietsparkeerkencijfers van CROW om een goede oplossing ten aanzien van fietsparkeren te borgen. In het voorliggende geval wordt voorzien in een fietsparkeervoorziening. Ook voor het fietsparkeren vindt de uiteindelijke toetsing aan de parkeernormen plaats in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag.

3.4 Openbare ruimte

De ontwikkeling vindt volledig plaats op eigen terrein. Er vinden geen wijzigingen aan de openbare ruimte plaats. Doordat de studio's voorzien zijn aan de oostzijde van het perceel, blijft het zicht op de parochie en de bijbehorende tuin vanaf de openbare ruimte zoveel mogelijk behouden.

3.5 Bomen

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een boomeffectanalyse uitgevoerd. Dit met als uitgangspunt het behoud van zoveel mogelijk bomen. De boomeffectanalyse is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Voor enkele bomen rondom het bouwvlak geldt dat de kronen van de bomen deels binnen het toekomstige bouwvlak vallen. Deze bomen dienen deels gesnoeid te worden, zodat deze behouden kunnen blijven.

Naar aanleiding van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan is de activiteit 'Kappen' ingetrokken. De activiteit 'Kappen' wordt niet in behandeling genomen en maakt geen onderdeel meer uit van de aanvraag. Ook wordt het oorspronkelijke beeld van de pastorie hersteld door middel van twee rode beuken in de voortuin. Een toelichting hierover wordt gegeven in paragraaf 8.3 van onderhavig rapport.

Verder dient te worden opgemerkt dat de nieuwbouw wordt aangebracht op een palenfundering. Door het werken met een palenfundering is sprake van een minimale aantasting van het bestaande wortelpakket van bomen. Hierdoor zijn omliggende bomen duurzaam in stand te houden.

Tot slot dient te worden opgemerkt dat ook de monumentale zomereik in de parochietuin behouden blijft. Deze boom is beschermd door middel van de bomenverordening (2010) van de gemeente Den Bosch.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Eén van de dertien nationale belangen heeft betrekking op 'zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen'. Het rijk behartigt dit belang onder meer met de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Beoordeling

Met het voorgenomen plan wordt voorzien in een woonzorgvoorziening ten behoeve van mensen met een Wlz-indicatie en 12 studio's voor cliënten die redelijk zelfstandig kunnen wonen. Gelet op de aard van het project en de ligging van het plangebied, zijn er in beginsel geen rijksbelangen aan de orde. Voor zover het de voorzieningen in het pastoriegebouw betreft, zijn de ontwikkelingen reeds rechtstreeks toegestaan. Voor wat betreft de woonzorgeenheden in de pastorietuin, geldt dat in z'n totaliteit sprake is van een ruimtebeslag van minder dan 500 m² bvo. Op basis van jurisprudentie geldt dat voor 'overige stedelijke ontwikkelingen' over het algemeen een ondergrens wordt gehanteerd van 500 m². Gelet op de beperkte omvang van het project is er in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing.

Desalniettemin voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een actuele behoefte binnen bestaand stedelijk gebied, geheel in lijn met de beleidsuitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Er is een algemene maatschappelijke ontwikkeling te signaleren van een groeiende vraag op zowel korte als (middel)lange termijn naar huisvesting voor mensen met een zorgbehoefte en naar woningen voor specifieke doelgroepen. Het streven vanuit rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid is dat mensen zo lang mogelijk 'thuis' blijven wonen, maar daarvoor zijn specifieke voorzieningen, geschikte locaties en geschikte woningen noodzakelijk. Het voorliggende initiatief voorziet hierin en daarmee dus ook in een algemene maatschappelijke behoefte.

Bij de ontwikkeling zijn geen rijksbelangen in het geding en het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Structuurvisie RO 2010 - partiële herziening 2014

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie RO 2010 vastgesteld. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Beoordeling

Op de Structurenkaart is het plangebied aangeduid als stedelijk concentratiegebied. In de provincie zijn in totaal vijf stedelijke concentratiegebieden aangewezen. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0016.png"

Figuur 4.1: Uitsnede 'Structurenkaart' uit de Structuurvisie RO 2010 - partiële herziening 2014.

De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Het voorliggende plan is in lijn met deze uitgangspunten. Er is sprake van de realisatie van zorgwoningen voor een specifieke doelgroep op een daarvoor geschikte plek binnen bestaande stedelijk gebied. Verder is sprake van een aantoonbare behoefte. Daarnaast wordt met de ontwikkeling voorzien in duurzaam behoud van een gemeentelijk monument. Dit past in de provinciale ambities binnen het stedelijk concentratiegebied. De voorgenomen ontwikkeling is kortom in overeenstemming met de structuurvisie.

4.2.2 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant'

Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling, die plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, is met name de ambitie tot zorgvuldig ruimtegebruik van belang. Het voornemen bestaat uit een passende invulling van een locatie binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij tegelijkertijd zoveel mogelijk aanwezige groene waarden behouden blijven. Daarnaast wordt met de ontwikkeling voorzien in duurzaam behoud van een gemeentelijk monument. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de omgevingsvisie.

4.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een 'Interim' omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de 'definitieve' omgevingsverordening, gebaseerd op de Omgevingswet.

De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014.

In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Beoordeling

Het plangebied ligt volgens de verordening binnen de structuur 'concentratiegebied' (stedelijk gebied). Binnen het plangebied vindt de ontwikkeling van een maatschappelijke functie in de vorm van zorgwoningen plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0017.png"

Figuur 4.2: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeente: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Op grond van artikel 3.42 'duurzame stedelijke ontwikkeling' dient een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen binnen stedelijk gebied, een onderbouwing te bevatten dat:

  • de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, zoals bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
  • het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

In het voorliggende geval is sprake van een duurzame ontwikkeling. Er wordt deels voorzien in transformatie van een bestaand gemeentelijk monument en daarnaast wordt voorzien in hoogwaardige, energiezuinige en duurzame nieuwbouw. Hierbij wordt invulling gegeven aan een concrete behoefte, ook voor de langere termijn.

Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat enerzijds sprake is van transformatie van bestaande monumentale bebouwing (behoud cultureel erfgoed) en anderzijds sprake is van een ontwikkeling binnen bestaande stedelijk gebied. Hierbij is sprake van een geringe impact op de fysieke leefomgeving. Daarnaast houdt de ontwikkeling rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress door het behoud van zoveel mogelijk groen en het zorgen voor voldoende ruimte voor de opvang van hemelwater. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Ruimtelijke Structuurvisie - Stad tussen Stromen

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de 'Ruimtelijke Structuurvisie' vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen Stromen'. De Ruimtelijke Structuurvisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

Beoordeling

Het plangebied behoort tot 'De Rosmalense vleugel'. Deze verbindt de stad met Rosmalen en De Groote Wielen. Het plangebied behoort tot het centrum van Rosmalen en is aangemerkt als bestaand bebouwd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0018.png"

Figuur 4.3: De in de ruimtelijke structuurvisie onderscheiden stedelijke vleugels.

De structuurvisie geeft aan dat de duidelijk te onderscheiden woonmilieus in de verschillende wijken een succes geworden zijn. Bijzondere woonvormen, zoals bij de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied, bevinden zich bij voorkeur in de nabijheid van buurt- en wijkcentra. Het plangebied ligt in het centrumgebied van Rosmalen en daarmee bij uitstek in de nabijheid van voorzieningen zoals winkels, horeca en openbaar vervoer. Het plan past kortom binnen de beleidslijnen van de structuurvisie.

4.3.2 Woonvisie 's Hertogenbosch

Het gemeentelijk woningbouwbeleid is vastlegend in de 'Woonvisie 's Hertogenbosch' uit 2020. In de woonvisie wordt ingezet op vier woonopgaven:

  • Passend en betaalbaar wonen voor iedereen;
  • Leefbare en inclusieve buurten;
  • Toekomstbestendige woningvoorraad;
  • Strategisch innovatief woonprogramma.

Beoordeling

In het kader van passend en betaalbaar wonen voor iedereen wordt een onderscheid gemaakt in de thema's:

  • betaalbaar wonen;
  • passen wonen en doorstroming;
  • specifieke doelgroepen.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt hier volledig bij aangesloten. Er is sprake van woningen voor een specifieke doelgroep, namelijk cliënten met een zorgindicatie.

Voor wat betreft het thema leefbare en inclusieve buurten wordt aangesloten bij het streven naar een divers woningaanbod en maatwerk ten opzichte van het gewenste stedelijk woonprogramma.

Voor wat betreft het thema toekomstbestendige woningvoorraad wordt aangesloten bij de gewenste verduurzaming.

Tot slot wordt in het kader van het strategisch innovatief woonprogramma een bijdrage geleverd aan het realiseren van woonvormen tussen thuis en verpleeghuis.

De voorgenomen ontwikkeling sluit kortom aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie 's Hertogenbosch.

4.3.3 Welstand

Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader.

In het voorliggende geval heeft de Monumenten- en Welstandscommissie in december 2020 in beginsel positief over het bouwplan geadviseerd.

4.3.4 Bomen

Bomenverordening ’s-Hertogenbosch 2010

De gemeenteraad van 's-Hertogenbosch heeft op 12 oktober 2010 de 'Bomenverordening ’s-Hertogenbosch 2010' vastgesteld. In deze verordening is onder meer een 'Lijst van Monumentale bomen' opgenomen. Deze lijst bevat bijzondere beschermenswaardige bomen. Duurzaam behoud van houtopstand op de lijst van monumentale bomen heeft een hoge prioriteit. De houtopstand is extra beschermd doordat alleen bij hoge uitzondering een omgevingsvergunning wordt verleend voor het kappen hiervan.

Beoordeling

De monumentale eik in de parochietuin is opgenomen op de lijst van monumentale bomen en heeft op grond daarvan een beschermde status. Het behoud van de monumentale eik is dan ook een belangrijk uitgangspunt geweest bij de uitwerking van de plannen, waarmee deze in overeenstemming zijn met de Bomenverordening ’s-Hertogenbosch 2010.

Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch

Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 september 2017. Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen. De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan.

Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen.

De inventarisatie bestaat minimaal uit:

  • digitaal ingemeten tekening;
  • boomsoorten;
  • stamomvang op 1,30 meter boven maaiveld;
  • kroonomvang;
  • vitaliteit en levensverwachting van de boom.

Hieruit blijkt welke bomen waardevol en te behouden zijn. Deze bomeninventarisatie komt terug in het ontwerp waardoor te zien is welk effect het plan op het bestaande groen heeft. De bomendeskundige gebruikt de bomeninventarisatie vervolgens als basis om eisen te stellen aan inpassing en bescherming. Op deze manier kan worden geborgd dat er voldoende bomen behouden blijven.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft een boomeffectanalyse plaatsgevonden. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 3.5. Het behoud van groene waarden is voor zover mogelijk als belangrijk uitgangspunt gehanteerd bij de uitwerking van de plannen, geheel in lijn met het bomenbeleidsplan.

4.3.5 Nota Duurzaamheid

In mei 2019 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Nota Duurzaamheid 'Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch' vastgesteld. Overkoepelende doelstelling is dat 's-Hertogenbosch in 2050 duurzaam is. Deze is vertaald in vier concrete ambities:

  • Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving;
  • CO2-neutrale gemeente;
  • Waardebehoud van grondstoffen;
  • Duurzame mobiliteit.

Deze ambities zijn uitgewerkt in 17 concrete Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Naast deze ambities kent 's-Hertogenbosch ook een verstedelijkingsopgave. Aspecten zoals veiligheid en gezondheid zullen hierin moeten worden meegenomen.

Per ambitie is in de Nota Duurzaamheid beschreven wat de gemeente wil bereiken en hoe men dit wil monitoren. Daarnaast is een aantal goede voorbeelden opgenomen, bedoeld als inspiratie voor alle betrokken partijen.

Beoordeling

De verstedelijkingsopgave voor 's-Hertogenbosch ziet onder meer op het bieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor verschillende doelgroepen. Voor zorgbehoevenden ligt hier een specifieke opgave. Daarbij is van belang dat, zeker in geval van nieuwe initiatieven op het gebied van huisvesting en woningbouw, een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving centraal staat. Het plangebied biedt hiervoor al een aantal voorwaarden vanwege de groene pastorietuin, waarvan het groene karakter zoveel mogelijk behouden blijft.

Ook is door middel van onderzoek aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft diverse milieuaspecten. Zie hiervoor hoofdstuk 5. Hiermee voldoet de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied aan deze randvoorwaarden. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Nota Duurzaamheid. Voor meer informatie over de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling invulling wordt gegeven aan het thema duurzaamheid, wordt verwezen naar paragraaf 5.13.

4.3.6 Centrumvisie Rosmalen

In de Centrumvisie Rosmalen uit 2003 worden de ontwikkelingsmogelijkheden voor het toekomstige centrumgebied van Rosmalen uiteengezet. De visie moet gezien worden als een richtinggevend concept en niet als een maatkostuum. Met andere woorden: binnen de aangegeven kaders en uitgangspunten van deze visie zijn er meerdere oplossingen mogelijk. Van belang is echter wel dat de toekomstige ontwikkelingen aansluiten bij het karakter van Rosmalen dan wel nieuwe ruimtelijke kwaliteiten toevoegen, om de eigen identiteit te behouden dan wel te versterken.

Het doel van de Centrumvisie is enerzijds gericht op het geven van sturing aan de toekomstige ontwikkelingen en functioneert daarmee als een leidraad voor de toekomst, maar is anderzijds ook duidelijk gericht op het bewaken van de beoogde ruimtelijke kwaliteiten.

Beoordeling

Gestreefd wordt naar een compleet centrum, dus niet uitsluitend een gedifferentieerd winkelaanbod, maar ook een verdere menging van functies. Horecavoorzieningen, zakelijke en maatschappelijke dienstverlening en een gedifferentieerd woningaanbod dragen bij aan een aantrekkelijk en compleet centrum. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt hieraan invulling gegeven, door een kwalitatief hoogwaardige woonzorgvoorziening toe te voegen aan het centrumgebied, in de directe nabijheid van voorzieningen.

In lijn met de centrumvisie is verder sprake van het op een logische en stedenbouwkundig verantwoorde manier verweven van oud en nieuw, door het behoud van het monumentale parochiegebouw in combinatie met de kwalitatief hoogwaardige nieuwbouw in de parochietuin. Op deze wijze ontstaan er nieuwe kwaliteiten en wordt Rosmalen in zijn eigen identiteit versterkt.

Hoofdstuk 5 Milieu, duurzaamheid en waarden

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

Richtlijnen

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).

Beoordeling

In het voorliggende geval is sprake van een transformatie van het pand van de parochie Heilige Maria aan de 1 in Rosmalen tot een woonzorgvoorzieninging ten behoeve van mensen met een Wlz-indicatie (Wet langdurige zorg). Daarnaast worden in de tuin behorende bij het pand 12 woonzorgeenheden in de vorm van studio's gerealiseerd.

Vanuit functioneel oogpunt zijn de beoogde functies op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Rosmalen Centrum' en de daarin opgenomen bestemming 'Centrum' reeds toegestaan. Dit betekent ook dat de situatie voor wat betreft milieuzonering in vergelijking met het vigerende bestemmingsplan vanuit functioneel oogpunt niet wijzigt.

De toevoeging ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan bestaat uit het bouwvlak ten behoeve van de studio's in de parochietuin. Strikt formeel genomen is sprake van een maatschappelijke bestemming met een richtafstand van 10 meter tot woningen binnen het gebiedstype gemengd gebied. Voor wat betreft de studio's dient echter te worden opgemerkt dat deze qua uitstraling naar de omgeving feitelijk vergelijkbaar zijn met reguliere woningen. De studio's worden daarom prima inpasbaar geacht binnen de omgeving.

Aanvullend dient hierbij te worden opgemerkt dat sprake van ligging in het centrumgebied van Rosmalen. In centrumgebieden worden functies als wonen, woonzorgvoorzieningen, detailhandel en bepaalde vormen van horeca in de directe nabijheid van elkaar inpasbaar geacht. Door de realisatie van de zorgwoningen in de parochietuin, worden omliggende inrichtingen dan ook niet in hun functioneren beperkt. Evenmin is sprake van onevenredige hinder voor omliggende woningen.

Volledigheidshalve is nog gekeken naar de akoestische gevolgen van het ten westen van het plangebied gelegen parkeerterrein in relatie tot het parochiegebouw en de beoogde nieuwbouw, zie hiervoor Bijlage 1. Ten aanzien van geluidniveaus als gevolg van het parkeerterrein geldt dat sprake is van Lmax 61 dB(A) op de maatgevende westgevel van het bestaande parochiegebouw, op basis van de dichtstbijzijnde parkeerplaats en uitgaande van een bronsterkte voor het dichtslaan een autoportier van 94 dB(A). Gezien het feit dat de toekomstige functies in het parochiegebouw reeds zijn toegestaan en deze pieken in de avond- en met name de nachtperiode beperkt zullen optreden, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Op de gevels van de nieuwe studio's bedraagt Lmax minder dan 55 dB(A). Hiermee is ter plaatse van de nieuwe studio's sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.3 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.3.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader

Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. Gelet op de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van de Deken van Roestellaan en Rodenborchweg is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierin zijn ook de omliggende 30-km wegen meegenomen.

Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen onderzoeksrapportage.

Voor de 12 studio's is sprake van toevoeging van een bouwvlak binnen de bestemming 'Centrum'. Hiervoor is de Wet geluidhinder van toepassing. Voor het bestaande pand is geen sprake van wijziging van de bestemming, zodat de Wet geluidhinder niet van toepassing is voor dit gebouw. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting op het gebouw vanwege wegen in de omgeving toch beschouwd.

Deken van Roestellaan - Rodenborchweg

De geluidbelasting op de gevels van op één na alle studio's bedraagt niet meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op de oostgevel van de noordelijkste studio op de 1e verdieping bedraagt de geluidbelasting 50 dB. Ter plaatse wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder kortom overschreden. De maximale waarde waarvoor ontheffing kan worden verleend, zijnde 63 dB, wordt echter niet overschreden.

De geluidbelastingen bedragen tot maximaal 54 dB op het pastoriegebouw. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

30 km/uur-wegen

De geluidbelastingen inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder vanwege wegverkeer op de nabijgelegen 30 km/uur-wegen, bedragen niet meer dan van 48 dB. Deze geluidbelastingen zijn ruimtelijk aanvaardbaar.

Hogere waarden

Onder bepaalde voorwaarden is ontheffing van de voorkeursgrenswaarde mogelijk. De mogelijkheid tot geluidreducerende maatregelen zijn onderzocht. Deze zijn echter ofwel niet doelmatig, dan wel stuiten deze op overwegende bezwaren van verkeerskundige of stedenbouwkundige aard. Er wordt voldaan aan de ontheffingscriteria uit het gemeentelijke geluidbeleid voor het toekennen van een hogere waarde. Om de realisatie van de nieuwe studio's mogelijk te maken wordt een hogere waarde vastgesteld. Verder wordt in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning aangetoond dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde van 33 dB op grond van het Bouwbesluit. Dit ten behoeve van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in de woning(en). Voor wat betreft de bestemmingsplanprocedure is in voldoende mate aangetoond dat ter hoogte van de functies in het plangebied kan worden voorzien in een goed woon-, leef-, en verblijfsklimaat.

5.3.2 Railverkeerslawaai

Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ontwikkeling ligt op meer dan 300 meter van het ten zuiden gelegen spoortraject Rosmalen - Den Bosch. Gelet op de afstand en de tussenliggende bebouwing, vormt railverkeerslawaai geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3.3 Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder.

In het voorliggende geval ligt het plangebied niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.4 Trillingen

Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).

Beoordeling

Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. In het voorliggende geval is gelet op de afstand tot spoorwegen van meer dan 300 meter geen sprake van hinder als gevolg van trillingen. Vanuit wegverkeer zijn geen klachten in relatie tot trillingen bekend in de directe omgeving. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.5 Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.

Beoordeling

Bij het voorliggende plan is lichthinder niet relevant te noemen. Er is immers sprake van functies die vanuit functioneel opzicht reeds passen binnen het plangebied en van bebouwing die qua aard en omvang passend worden geacht in het centrumgebied. Andersom beredeneerd is vanuit de directe omgeving evenmin sprake van onenevenredige lichthinder voor de beoogde functies binnen het plangebied. Er is immers sprake van gangbare verlichting van het openbaar gebied. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's - met het voldoen aan normen - aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)


Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit).

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

Beoordeling

Toetsing beleidsvisie

De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw en in de parochie in de huisvesting van minder zelfredzame bewoners, waarbij dient te worden aangetekend dat deze huisvesting van minder zelfredzame bewoners op grond van het vigerende bestemmingsplan reeds is toegestaan.

De woningen worden beschouwd als kwestbare objecten en de woonzorgvoorziening als extra kwetsbaar object. Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt/extra/kwetsbare objecten zijn binnen dit gebied toegestaan.

Beschouwing risicobronnen

Op basis van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Op figuur 5.1 zijn de belangrijkste risicobronnen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0019.png"

Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart voor het plangebied en de omgeving.

Inrichtingen
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. De PR 10-6-risicocontouren en invloedsgebieden van inrichtingen reiken niet aan het plangebied.

Buisleidingen

Op meer dan 350 meter ten zuiden van het plangebied ligt een ondergrondse gastransportleiding van de Gasunie (Z-523-01). De PR 10-6-risicocontour en het invloedsgebied van deze buisleiding reiken niet aan het plangebied.

Transportroutes (weg/spoor)
Het plangebied ligt op meer dan 300 meter afstand van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen, op ruim 1.500 meter van de A2 en op meer dan 1.250 meter van de A59. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6-risicocontouren van deze transportroutes reiken niet aan het plangebied. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van het spoor.

Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Uit de inventarisatie van de risicobronnen blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van het spoortraject van 's-Hertogenbosch-Nijmegen.

Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de genoemde transportroutes ligt, kan op basis van artikel 8, lid 1, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit houdt op basis van artikel 7 van het Bevt in dat ingegaan dient te worden op:

  • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor, en
  • de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoor een ramp voordoet.

Bestrijdbaarheid

Voor wat betreft de (spoor)wegen zijn gelet op de tussenliggende afstand uitsluitend risico's in verband met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario) en BLEVE relevant.

De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

Zelfredzaamheid

Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het maatgevende scenario), biedt ‘schuilen’ in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwingen AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Binnen het plangebied sprake is van permanente zorg en toezicht om de minder zelfredzame personen te begeleiden. Middels uitbreiding van het bedrijfsnoodplan met het toxisch scenario, zodat tijdig de ventilatie wordt afgesloten kan binnen geschuild worden. Ondanks dat er sprake is van niet-zelfredzame personen, wordt hiermee voldoende veiligheid geboden.

Advies Veiligheidsregio

Door de veiligheidsregio is op 19 januari 2021 advies uitgebracht. Door de veiligheidsregio is aangegeven dat incidenten op spoor en weg tot twee scenario's kunnen leiden die reiken over het plangebied. Dit is een BLEVE (gas-explosie), deze kan ontstaan wanneer een tankwagen of tankwagon bezwijkt. De impact ligt op 320 meter. Uitsluitend personen die buiten zijn kunnen slachtoffer worden van een dergelijke explosie.

En een toxische wolk. Die kan ontstaan wanneer een tankwagen of tankwagon met een toxische lading een ongeluk krijgt. De gevolgen zijn dan vaak afhankelijk van de soort stof, de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.

Advies
De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen:

  • Informeer met name de BHV organisatie en eigenaar van de zorginstelling actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Adviseer hen om het beschreven scenario in het noodplan op te nemen en te beoefenen;
  • Voor de functie zorg in een monumentaal pand is een bluswaterbehoefte van 60 m³ binnen 3 minuten en 120 m³ binnen 15 minuten. Dit wordt nabij het plangebied niet gehaald. Geadviseerd wordt om een bluswatervoorziening van 90 m³ per uur voor minimaal 4 uur te realiseren nabij het plangebied.

Afweging

Ad.1. Met het opnemen van het toxisch scenario in het bedrijfsnoodplan en het tijdig afsluiten van de ventilatie wordt voldoende veiligheid geboden voor de bewoners.

Ad. 2. Aangezien het incident op meer dan 300 meter van de planlocatie plaatsvindt, wordt geen gevolg gegeven aan de bluswatervoorziening die door de veilgiheidsregio is geadviseerd. Nabij het spoor, waar het incident plaatsvindt, moet voldoende bluswater aanwezig zijn om een toxische wolk neer te kunnen slaan of een warme BLEVE te voorkomen. Deze bluswatervoorziening nabij de planlocatie aanbrengen heeft geen meerwaarde.

Conclusies en restrisico's

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na het nemen van maatregelen. Vanwege de ligging van het plan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Uit het bovenstaande blijkt dat het plan in lijn is met vigerende wet- en regelgeving en het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.

Verder worden de beperkte restrisico's acceptabel geacht. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.7 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Beoordeling

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m³. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is.

Op de navolgende weergave van de berekening is te zien dat zelfs bij een aantal van 1.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal met een aandeel vrachtverkeer van 1%, een project niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals weergegeven in paragraaf 3.3 is in het voorliggende geval slechts sprake van een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0020.png"

Figuur 5.2: Weergave berekening NIBM-tool d.d. 03-12-2020.

Zoals reeds aangegeven, is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde. In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' is de actuele luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke NSL-Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in de omgeving van het plangebied onder 35 µg/m³ liggen. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m³). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 20 µg/m³ gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m³. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt kortom geen belemmering.

5.8 Bodem

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een vooronderzoek bodem conform NEN5725 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek.

Op basis van de resultaten van het bodemvooronderzoek wordt geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.

Voor de aan te vragen omgevingsvergunning dient de kwaliteit van de bodem alsnog te worden onderzocht (en overlegd) via een verkennend bodemonderzoek. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de voormalige ondergrondse tank. Verder is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van asbest. Echter, als visuele waarnemingen bij het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek aanleiding geven hier nader naar te kijken, is een onderzoek naar asbest alsnog nodig.

5.9 Niet gesprongen explosieven (NGE)

Het plangebied ligt in een zone 'verdacht op geschutsmunitie'. In hoeverre het werkelijk nu nog verdacht is hangt af van grondverzet sinds 1945. Als er na 1945 ter plaatse veel gegraven is, kan ervan uitgegaan worden dat er momenteel geen NGE meer aanwezig zijn. Uit historische kaarten blijkt dat het plangebied en de directe omgeving tussen 1945 en 1970 ingrijpend veranderd is, waarbij waarschijnlijk ook veelvuldig grondverzet is uitgevoerd. Het risico op aantreffen van NGE is op basis van deze gegevens dan ook laag. Wel wordt de initiatiefnemer hierop gewezen. Om de risico's volledig uit te sluiten zou eventueel opsporingsonderzoek gedaan kunnen worden door initiatiefnemer. De keuze hiervoor is aan de initiatiefnemer en de aannemer zelf. Het gegeven dat het plangebied binnen de zone 'verdacht op geschutsmunitie' ligt, vormt geen belemmering in relatie tot het voorliggende bestemmingsplan.

5.10 Geur

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de omgeving van het plangebied in het centrumgebied van Rosmalen en op ruime afstand van agrarische gebieden, is geur hier geen relevant aspect.

Ook bevinden er zich geen andere geurproducerende (industriële) bedrijven in het centrumgebied van Rosmalen. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Een goed woon- en leefklimaat vanuit het aspect geur is voldoende verzekerd.

5.11 Hoogspanningslijnen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

Beoordeling
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005 en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. In het voorliggende geval zijn geen hoogspanningslijnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het voorzorgsbeginsel staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

5.12 Water

Inleiding

In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting va dit bestemmingsplan.

Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer

Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water.

In het Waterplan 2016 staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater. Het Waterplan en de hemelwaterverordening zijn vastgesteld door de gemeenteraad in januari 2017.

De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

  • Voorkom vervuiling van (regen)water;
  • Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden;
  • Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde:
    • 1. Hergebruik;
    • 2. Infiltratie/bergen;
    • 3. Vertraagde afvoer;
  • Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties;
  • Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke;
  • Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen;
  • Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein;
  • Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan.

Huidige situatie
In de huidige situatie is sprake van een parochiegebouw met een oppervlakte van circa 280 m² met een ruime, groene parochietuin en bijbehorende verhardingen.

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

De nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 190,5 m². Verder is voorzien in terrassen en paden van in totaal 150 m². De totale toevoeging aan verharding bedraagt daarmee 350,5 m². Het hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen het plangebied middels ondergrondse infiltratievoorzieningen met een overstort op het riool. Hierin wordt waarschijnlijk voorzien middels infiltratiekratten. Uitgaande van een minimale berging van 60 mm, bedraagt de benodigde inhoud van de infiltratievoorzieningen 21 m³.

Voor extreme situaties (meer dan 60 mm neerslag) wordt een overstort gerealiseerd om lokale wateroverlast en schade te voorkomen op het riool.

Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen.

Tot slot dient te worden opgemerkt dat bij de aanleg van de infiltratievoorzieningen rekening wordt gebouden met het advies op grond van het uitgevoerde archeologisch onderzoek om voor de aanleg van het systeem voor regenwaterinfiltratie tot maximaal 80 cm beneden het maaiveldniveau te ontgraven.

Conclusie

In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater en afvalwater. De uiteindelijke concrete uitwerking van de infiltratievoorzieningen vindt plaats in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. Op dat moment zal ook aan de hand van het definitieve ontwerp de exacte benodigde infiltratiecapaciteit bepaald worden, met inbegrip van de wijze waarop hierin wordt voorzien.

5.13 Energie en duurzaamheid

Algemeen

Nota Duurzaamheid

In mei 2019 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Nota Duurzaamheid ('Samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch') vastgesteld. Overkoepelende doelstelling is dat 's-Hertogenbosch in 2050 duurzaam is. Deze doelstelling is vertaald in vier concrete ambities:

  • Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving;
  • CO2-neutrale gemeente;
  • Waardebehoud van grondstoffen;
  • Duurzame mobiliteit.


Deze ambities zijn uitgewerkt in 17 concrete Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Naast deze ambities kent 's-Hertogenbosch ook een verstedelijkingsopgave. Aspecten zoals veiligheid en gezondheid zullen hierin moeten worden meegenomen.

Per ambitie is in de Nota beschreven wat de gemeente wil bereiken en hoe men dit wil monitoren. Daarnaast zijn een aantal goede voorbeelden opgenomen, bedoeld als inspiratie voor alle betrokken partijen.


Woonstichting JOOST wordt eigenaar van de nieuwe woonzorggemeenschap. De ambities vanuit het duurzaamheidsakkoord Duurzaam wonen, 's-Hertogenbosch 2018-2025 hebben betrekking op vier thema's die in onderstaande visie eveneens geraakt worden.


Duurzaamheidsvisie Markt 1 Rosmalen

In deze notitie staat beschreven hoe er bij het project 'woonzorggemeenschap Markt 1' wordt bijgedragen aan de duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. Ten aanzien van het project is per pijler beschreven welke wijze hier invulling wordt gegeven:


Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening)

Bij het ontwerp is zoveel als mogelijk rekening gehouden met het behoud van de aanwezige bomen. Op het terrein staat een monumentale zomereik die sowieso behouden moet blijven. De locatie wordt omzoomd door forse bomen, die initiatiefnemer en direct omwonden graag willen behouden. Door een slimme wijze van funderen blijven alle bomen aan de rand van de tuin dan ook behouden. Achterstallig groenonderhoud zal worden gepleegd die aan de levensduur ten gunste zal komen.


De aanwezige biodiversiteit blijft eveneens zoveel mogelijk behouden en wordt zelfs verder uitgebreid. De nieuwbouw komt aan de zuidzijde van de tuin, waar nu een garage staat en deels een moestuin is gelegen. De moestuin wordt deels verplaatst en voortgezet, mede ondersteund vanuit de buurt. Een groot deel van de fruitbomen blijft gehandhaafd. Er zal op basis van de handreikingen van Natuurinclusief bouwen worden bekeken welke aanvullende voorzieningen kunnen worden getroffen in de vorm van het toevoegen van nestgelegenheid voor zwaluwen, mussen en vleermuizen, maar ook voorzieningen voor insecten in de groenwal.


Hierdoor ontstaat een heerlijke lommerrijke woon- en werkomgeving voor de bewoners van de nieuwe appartementen en de kamers in de pastorie. Een inclusieve samenleving waar buurtbewoners samen met bewoners de tuin onderhouden en de moestuin voortzetten. Waar op loopafstand reuring is te vinden, maar ook geborgenheid op het eigen terrein.


Overeenkomstig de waterverordening wordt voorzien in 60 mm/m² waterberging van de nieuw te bouwen woningen en nieuw aan te leggen verhardingen. De waterberging zal plaatsvinden door het aanleggen van een infiltratiekoffer aan de Oostzijde van de nieuwbouw, in de zone tussen de ingangen van de studio's en de erfgrens met de buren. Deze zone, waar de nog te slopen garage staat is in overleg met archeologie aangewezen als de meest geschikte plaats. Hier is extra bodemonderzoek voor gedaan en aangetoond dat de archeologische onderlaag niet verstoord wordt.


CO2 neutrale omgeving (energie)

De nieuwbouw is compact ontworpen wat gunstig is voor het energieverbruik en gebruik van materialen. De geïsoleerde schil wordt dusdanig ontworpen dat in combinatie met hoogwaardige kierdichting en een lage temperatuursysteem voldoende comfort gegeven wordt aan de bewoners. Het uitgangspunt voor de nieuwbouwwoningen is BENG.


Voor het op temperatuur houden van deze woningen wordt gebruik gemaakt van luchtwarmtepompen, aardgasloos dus. Verder wordt voorzien in PV-panelen. De hellende daken zijn ten behoeve van de PV panelen naar het zuiden gepositioneerd.


Wat het monument betreft is de visie om aan de buitenzijde niets te veranderen, daar wordt uitsluitend achterstallig onderhoud gepleegd.


Er wordt ingezet om het energieverbruik te minimaliseren, dus goed te (na)isoleren. De vloeren zijn vaak het lastigst, hier worden (met name het oude hoofddeel) de vloeren voorzien van een geïsoleerde fermacellplaat alvorens daar de vloerafwerking wordt aangebracht.


De gevels in de pastorie zijn grotendeels al voorzien van voorzetwanden. Ontbrekende delen zullen worden aangebracht. Alle draaiende delen worden nagelopen op sluiting en kierdichting. Er wordt geen glas vervangen, wel wordt onderzocht of er voorzetramen kunnen worden gemonteerd.


Het dak blijft ongewijzigd. De zolders zijn niet geschikt om als verblijfruimte in te richten. De spanten geven hiervoor te weinig vrijehoogte. In deze visie houden wij de thermische schil op zoldervloerniveau. In de kamers onder de zoldervloer worden nieuwe geïsoleerde plafonds aangebracht waardoor de warmte minimaal naar de zolder kan stijgen. Bij de platte daken wordt onderzocht of deze bij vervanging van de dakbedekking nog extra geïsoleerd kunnen worden. Deze details kennen aandacht vanwege een mogelijke verandering van het aangezicht van de dakranden.


De elektrisch installatie wordt geheel vervangen aangezien er nu nog oude bekabeling aanwezig is. Gezien het toekomst gebruik zal er eveneens een brandmeld- en ontruimingsinstallatie worden aangelegd. Energieopwekking komt niet op de hellende daken. Dit vindt initiatiefnemer afbreuk doen aan het pand. Tevens is het gewicht van PV op de oude kap risicovol. PV panelen worden wel mogelijk geacht op de platte daken.


Het verwarmen en koken geschied nu nog op gas. Koken wordt elektrisch gemaakt. De verwarming blijft op hoge/ (middel) temperatuur en op gas, maar wordt wel zuiniger gemaakt door toepassen van o.a. thermostatische knoppen en het opnieuw inregelen van de CV-installatie, zowel waterzijdig als qua temperatuur. Er wordt onderzoek gedaan naar andere mogelijkheden van opwekking, hybride ketels e.d. Bouwkundig worden er sowieso voorzieningen opgenomen van techniekruimte naar zolder voor toekomstige installaties.


Er zal een nieuw ventilatiesysteem worden aangelegd, waar mogelijk met warmteterugwinning, waarbij de teruggewonnen warmte wordt gebruik om het CV water voor te verwarmen. Alle sanitaire toestellen worden vervangen en zijn daarmee zuiniger dan de huidige voorzieningen. Mogelijk wordt er voorzien in een douche WTW. Door de gezamenlijkheid van de badkamer kan een WTW erg lonend zijn om de energievraag te beperken.


Aangezien de verbouwing nog uitgewerkt dient te worden liggen er nog kansen in het verschiet, zoals bovenstaand reeds aangegeven. Kansen die nog verder onderzocht moeten worden. Er zal nog een energiebesparingsonderzoek worden uitgevoerd die onderdeel wordt van de vergunningaanvraag voor de verbouw van de pastorie. Hierin wordt aangegeven wat er aanvullend aan bovenstaande voorzieningen wordt uitgevoerd na aanleiding van het gedane onderzoek.


Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit)

Door de compacte vorm van de nieuwbouw wordt het gebruik van materialen gereduceerd. Ook wordt gekeken naar de materialen. De toe te passen materialen worden beoordeeld op milieu impact. Bij de uiteindelijke keuze van de materialen wordt naast de impact ook het kwaliteitsbelang gewogen, zodat het onderhoud en bewerkingen tijdens de gebruiksfase beperkt blijven.


Door slim te ontwerpen kunnen de appartementen op een later moment eenvoudig inzetbaar blijven voor het huisvesten van andere doelgroepen.


Het monument krijg een tweede leven, dat is al zeer circulair. Door het opnieuw te verbouwen en de langdurige huurovereenkomst die de zorgondernemer sluit met de woningbouwvereniging, is het monument langdurig geborgd. Dat maakt het duurzaam op gebied van waarde behoud van grondstoffen.


Duurzame mobiliteit

Er heeft geen invulling plaatsgevonden op het gebied van duurzame mobiliteit. Gelet op de kleinschaligheid en de doelgroep leent het project zich ook niet om bij te dragen aan duurzame mobiliteit. De benodigde parkeergelegenheid wordt op eigen terrein ingevuld, hierdoor ontstaat er dus geen extra parkeerdruk in dit deel van het centrum. Er zullen in het plan wel 5 laadvoorzieningen voor elektrische fietsen worden voorzien.


Conclusie

Zoals hierboven beschreven draagt dit plan, en het nader uit te voeren energiebesparingsonderzoek, op een positieve manier bij aan de duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch.


Beoordeling

De verstedelijkingsopgave voor 's-Hertogenbosch ziet onder meer op het bieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor verschillende doelgroepen. Voor zorgbehoevenden ligt hier een specifieke opgave. Daarbij is van belang dat, zeker in geval van nieuwe initiatieven op het gebied van huisvesting en woningbouw, een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving centraal staat. Het plangebied biedt hiervoor al een aantal voorwaarden vanwege de groene karakteristiek van de parochietuin. Dit groene karakter blijft ook behouden en is een nadrukkelijke voorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Ook is door middel van onderzoek aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft onder meer akoestiek en luchtkwaliteit.


Realisatie van het plan is kortom in lijn met de ambities uit de Nota Duurzaamheid.

5.14 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een milieueffectrapport of een m.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.);
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist.


Beoordeling

Ad a.

In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r.-plichtig aangezien deze niet voorkomen op de C-lijst. Een directe m.e.r.-plicht is daarmee niet aan de orde.

Dit project kan mogelijk aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2) en om die reden m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Een stedelijk ontwikkelingsproject is direct m.e.r.- beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2.000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Gelet op de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling worden deze grenzen niet overschreden.

Uit de in dit hoofdstuk genoemde onderzoeken en onderbouwingen blijkt dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu aanwezig en te verwachten zijn. Een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-aanmeldingsnotitie wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Ad b.

Het plangebied ligt in centrumstedelijk gebied en op circa 5,25 km van het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De beoogde ontwikkelingen in het plangebied hebben geen significant negatief effect op het Natura 2000-gebied. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten. Één en ander wordt ook bevestigd door de resultaten van het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek (Kragten, 17 december 2020), zoals beschreven in paragraaf 5.15. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is daarom niet aan de orde.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling 

Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Het bevoegd gezag heeft dan ook besloten dat voor de voorgenomen activiteit geen milieueffectrapportage nodig is.

5.15 Ecologie

5.15.1 Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

5.15.2 Quickscan flora en fauna

In verband met de voorgenomen ontwikkelingen is een verkennend flora- en fauna onderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als Bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen.

Beschermde soorten

Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij het renoveren van de pastorie en het realiseren van de wooneenheden in het oostelijk deel van de pastorietuin, mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende muizensoorten en egel binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht. Onderstaand wordt dit per soortgroep nader toegelicht.

Broedvogels - rekening houden met broedseizoen bij werkzaamheden

Binnen het onderzoeksgebied zijn ten tijde van het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen en/of nesten van algemene broedvogels aanwezig.

Hoogstwaarschijnlijk komen soorten als merel en heggemus wel voor in de omgeving van het onderzoeksgebied. Van deze soorten is niet uit te sluiten dat zij tot broeden komen in de aanwezige struikbegroeiing en de klimop rondom de pastorie. Het is verder niet uit te sluiten dat in de periode tot aan en tijdens de werkzaamheden, alsnog vogels gaan broeden in een van de aanwezige bomen binnen het onderzoeksgebied. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen kunnen hiermee mogelijk leiden tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) of het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.).

In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield en/of verstoord worden bij de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied. Er dient derhalve gewerkt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.

Indien niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de bomen en/of het struweel die allen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden gelegen zijn. Indien nesten afwezig zijn kan het onderzoeksgebied vrijgegeven worden voor de werkzaamheden.

Muizen (ware muizen, woel- en spitsmuizen) en egel - rekening houden met zorgplicht

Voor algemeen voorkomende muizensoorten en egel bieden de struiken in de pastorietuin binnen het onderzoeksgebied geschikt leefgebied. Algemeen voorkomende muizensoorten en egel zijn in de verordening van provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen (in het kader van de zorgplicht) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen bij de (graaf)werkzaamheden verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten worden in aanliggend gebied, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

Overige soortgroepen

Voor de volgende soortgroepen geldt dat bij de verbouw van de pastorie en het realiseren van de studio's in het oostelijk deel van de pastorietuin geen negatieve effecten verwacht worden: flora, vleermuizen, overige grondgebonden zoogdieren (knaagdieren, marterachtigen, haasachtigen en overige zoogdieren), amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden.

Beschermde gebieden

Natura 2000-gebieden - stikstofdepositieonderzoek

Op voorhand kan niet met 100% zekerheid worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) in de aanleg- en gebruiksfase negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiertoe dient een aanvullend stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden.

Provinciale gebiedsbescherming - niet aan de orde

Het volledige onderzoeksgebied is gelegen buiten het Natuurnetwerk Brabant. Negatieve gevolgen zijn redelijkerwijze uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast valt het onderzoeksgebied niet binnen of in de buurt van de groene buffer, of strategische reservering natuur. Ook deze gebieden zullen bij de uitvoer van de plannen niet worden aangetast.

Houtopstanden - niet aan de orde

Als gevolg van de nieuw te bouwen studio's dienen twee bomen te worden verwijderd. Voor enkele bomen rondom het bouwvlak geldt dat de kronen van de bomen deels binnen het toekomstige bouwvlak vallen. Deze bomen dienen deels gesnoeid te worden, zodat deze behouden kunnen blijven. Voor het overige blijven de bomen behouden en vinden hooguit snoeiwerkzaamheden plaats. Gelet hierop is artikel 4.2 Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing.

5.15.3 Onderzoek stikstofdepositie

Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend flora en fauna onderzoek is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Daarnaast zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd om de effecten van de ontwikkeling op een afstand van meer dan 5 km van het plangebied in beeld te brengen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies.

Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaakt ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen.

5.15.4 Conclusie

Vanuit het aspect flora en fauna bestaan er met inachtneming van de in deze paragraaf genoemde voorwaarden, geen belemmeringen.

5.16 Archeologie en cultuurhistorie

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel wordt bij m.e.r.-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek verlangd.

Op basis van de archeologische verwachtingskaart ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Deze hoge verwachting is in het vigerende bestemmingsplan vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' met ondergrenzen voor onderzoek bij ingrepen met een bodemverstoringsoppervlak groter dan 25 m² en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0021.png"

Figuur 5.3: Uitsnede archeologische verwachtingskaart, met het plangebied aangeduid middels een zwarte pijl.

Onderzoek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling en de hoge archeologische verwachtingswaarde is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.

Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de beoogde nieuwbouw vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht, mits een bouwput niet dieper dan 0,8 m wordt ontgraven. In het voorliggende geval wordt de nieuwbouw geplaatst op palen. Het schroeven van de heipalen brengt slechts een geringe verstoring teweeg. Vanuit archeologisch oogpunt vormt dit kortom geen belemmering.

Voor het overige geldt dat indien ingrepen in de bodem ter hoogte van het onderzochte gebied niet dieper reiken dan 90 cm beneden maaiveld, geen sprake is van een bedreiging van mogelijke archeologische resten. Daarom wordt geadviseerd om voor de aanleg van het systeem voor regenwaterinfiltratie tot maximaal 80 cm beneden het maaiveldniveau te ontgraven. Dit is met inbegrip van een bufferzone van minimaal 10 cm tussen de aanlegdiepte en het potentieel archeologisch niveau. Dit advies wordt bij de uitwerking van de infiltratievoorzieningen opgevolgd.

Conclusie

Middels het archeologisch onderzoek is in voldoende mate aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling met bijbehorende beperkte bodemverstorende werkzaamheden vanuit archeologisch oogpunt doorgang kan vinden zonder het uitvoeren van vervolgonderzoek. Hierbij geldt als voorwaarde dat de in het onderzoek genoemde voorwaarden gerespecteerd worden.

Tot slot dient te worden opgemerkt dat de mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, niet kan worden uitgesloten. Conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet geldt dan ook de verplichting om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan wordt vermoed dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, is het verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente 's Hertogenbosch.

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten

6.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.

6.2 Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit bestemmingsplan is uitsluitend de enkelbestemming 'Maatschappelijk' opgenomen. Daarnaast zijn bouwvlakken opgenomen en maatvoeringsaanduidingen voor de toegestane goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen. Hierbij is het bestaande bouwvlak, voor zover het de bestaande bebouwing betreft, met bijbehorende maatvoeringsaanduiding ten behoeve van de toegestane goot- en bouwhoogte, één op één overgenomen vanuit het vigerende bestemmingsplan. Voor de nieuwbouw op het achterterrein is een afzonderlijk bouwvlak opgenomen. Tevens is voor beide bouwvlakken de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen.

Naast de enkelbestemming 'Maatschappelijk' is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan.

De juridische betekenis van de bestemmingen en aanduidingen zijn in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.

6.3 Toelichting op de regels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken.
  • Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduiding opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen.
  • Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels;
  • Overgangs- en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels voor elk bestemmingsplan te vinden, namelijk de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel.

Inleidende regels

De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 2 is vastgelegd hoe er bij toepassing van de regels wordt gemeten.

Bestemmingsregels

De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving
  • bouwregels
  • nadere eisen
  • afwijken van de bouwregels
  • specifieke gebruiksregels
  • afwijken van de gebruiksregels
  • wijzigingsbevoegdheid.

In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving.

Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

Maatschappelijk

Aan het volledige plangebied is de bestemming 'Maatschappelijk' toegekend. De gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en aan deze hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals kantoren, sport- en speelvoorzieningen, verkeer- en parkeervoorzieningen, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen.

In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden beschreven. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'. Voor het bestaande deel van het bouwvlak, ten behoeve van de bestaande parochie, geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 11 meter. Voor de nieuwbouw geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 7 meter. Verder is per bouwvlak een maximum aantal wooneenheden opgenomen, 6 voor het voormalige parochiegebouw en 12 voor de nieuwbouw.

Voor gebouwen van ondergeschikte aard, zoals een fietsenberging, geldt dat deze buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd tot een maximale gezamenlijke oppervlakte van 50 m² per bouwperceel. De maximale bouwhoogte van deze gebouwen is 3 meter.

Waarde - Archeologie 3

Aan het volledige plangebied is overeenkomstig het bestemmingsplan 'Rosmalen Centrum' de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. In deze bestemming zijn ondergrenzen opgenomen voor de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden.

Algemene regels

In de algemene regels komen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. In dit hoofdstuk is onder meer een regeling ten aanzien van het parkeren opgenomen.

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn tot slot de voor elk bestemmingsplan op te nemen overgangs- en slotregels opgenomen.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van afdeling 6.4 van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:

  • de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.


Gelet op de beoogde nieuwbouw binnen het plangebied is sprake van een bouwplan. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening, kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg

8.1 Omgevingsdialoog

De gemeente vraagt initiatiefnemers om voorafgaand aan de juridisch-planologische procedure een omgevingsdialoog te voeren. Ze heeft daartoe een handreiking opgesteld aan de hand waarvan initiatiefnemers deze dialoog kunnen voeren. Als de omgevingsdialoog goed is gevoerd, biedt de gemeentelijke inspraakverordening de mogelijkheid om de inspraakprocedure over te slaan.

In het voorliggende geval heeft de initiatiefnemer een uitgebreide omgevingsdialoog gevoerd met de omgeving. Het verslag hiervan is aan de gemeente overhandigd. Vanuit privacyoverwegingen (Algemene verordening gegevensbescherming) is een geanonimiseerde versie hiervan als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Gelet op de gevoerde omgevingsdialoog werd de inspraakprocedure overgeslagen en werd het bestemmingsplan direct als ontwerp ter inzage gelegd.

8.2 Vooroverleg

In principe dient in het kader van een bestemmingsplanprocedure vooroverleg overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met belanghebbende instanties te worden gevoer. Het Waterschap Aa en Maas en de Provincie Noord-Brabant hebben in het vooroverleg aangegeven geen opmerkingen over het plan te hebben. In het voorliggende geval zijn gelet op de beperkte aard en omvang van het initiatief geen belangen van het Rijk of overige instanties in het geding. Dit betekent dat van vooroverleg kan worden afgezien.

8.3 Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan

De inzagetermijn liep van 25 april 2021 tot en met 14 juni 2021. Een ieder is in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan naar voren te brengen.


Er is een zienswijze ingediend. Het op dat moment voorliggende planontwerp bood volgens de ingediende zienswijze onvoldoende waarborging voor het behoud van het groene karakter van de pastorietuin door realisatie van de nieuwe woonunits. Woningcorporatie JOOST heeft per notariële acte het groene karakter van de pastorietuin gewaarborgd. De notariële acte is op 17-06-2021 ondertekend. Op 20-06-2021 is kenbaar gemaakt dat middels de akte aan het voorbehoud is voldaan en is de zienswijze ingetrokken. Er zijn dus uiteindelijk geen zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan.


Verder zijn er opmerkingen geplaatst. Deze opmerkingen hebben tot de volgende wijzigingen geleid (zie ook onderstaande afbeelding):

  • het intrekken van de activiteit 'Kappen'. De activiteit 'Kappen' wordt niet in behandeling genomen en maakt geen onderdeel meer uit van de aanvraag;
  • het oorspronkelijke beeld van de pastorie wordt hersteld door middel van twee rode beuken in de voortuin.


De tervisielegging heeft niet geleid tot wijzigingen in de verbeelding of regels van het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002490-1401_0022.png"

Figuur 8.1: Planaanpassingen in rood naar aanleiding van de tervisielegging