direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Medevoort tussen 2 en 10
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Er is een verzoek ingediend om gebruik te maken van de Ruimte voor Ruimte-regeling om vier woningen aan de Medevoort te kunnen oprichten. Op de locatie is momenteel een woning gelegen die opnieuw zal worden gebouwd en daarnaast liggen agrarische gronden zonder een bouwmogelijkheid voor woningen. Hier worden de overige drie wonignen op basis van de Ruimte voor Ruimte - regeling beoogd. Omdat de beoogde vier woningen niet passen in het vigerende plan, moet hiervoor een nieuw bestemmingsplan worden gemaakt waarmee de woningen juridisch-planologisch worden geregeld.

1.2 Situering en planherziening

Het buurtschap Medevoort bevindt zich aan de westzijde van Helmond, ten noorden van de wijk Brandevoort. De betreffende locatie is gelegen net noorden van het spoor tussen Helmond en Eindhoven en ten zuiden van de Europaweg (N270).

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0001.png"

De locatie van het plangebied in relatie tot Helmond (Google Earth)

De woningen zijn geprojecteerd tussen Medevoort 2 en Medevoort 10 te Helmond. Ter plaatse van Medevoort 8 staat reeds een woning, deze zal worden herbouwd. Op de aangrenzende agrarische gronden ligt geen bouwmogelijkheid voor woningen. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Helmond, sectie U, perceelnummers 2184, 2922 en 6629.

Het planvoornemen bestaat uit twee delen, van ieder twee woningen. Het plangebied wordt direct begrensd door de straat Medevoort aan zuidelijke kant. Aan oostelijke kant is reeds woonbebouwing gesitueerd. De westelijke en noordelijke zijde worden ingesloten door agrarische gronden. De bestaande woning maakt onderdeel uit van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0002.png"

Uitsnede Google Earth

1.3 Vigerend plan

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0003.png"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Medevoort Noord' met aanduiding plancontour

Conform het vigerende bestemmingsplan 'Medevoort Noord', vastgesteld op 1 oktober 2013, zijn ter plaatse de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Wonen' van kracht. De gronden binnen de agrarische bestemming zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. De gronden binnen de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, met dien verstande dat per bestemmingsvlak niet meer dan 1 woning is toegestaan. Tevens zijn hier de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie middelhoog' en 'Waarde - Archeologie hoog van toepassing'.

Het planvoornemen past niet binnen de regels behorende bij deze bestemmingen aangezien in totaal niet meer dan 1 woning mag worden opgericht. De bestaande woning mag wel herbouwd worden binnen de bouwregels van het vigerende bestemmingsplan, maar zal in het op te stellen bestemmingsplan meegenomen worden.

Om de beoogde ontwikkeling toch mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Met deze bestemmingsplanherziening dient aangetoond te worden dat de beoogde locatie geschikt is voor de realisatie van vier vrijstaande woningen met tuin.

1.4 Leeswijzer

In dit inleidende hoofdstuk 1 wordt de aanleiding en het doel van dit bestemmingsplan beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een ruimtelijke beschrijving van het project, waarbij wordt ingegaan op de ligging, de ontwikkeling en de structuur van het plangebied. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het planologische beleidskader, waarbij de aandacht uitgaat naar relevante beleidsstukken van het Rijk, de provincie en de gemeente Helmond. In hoofdstuk 4 worden de milieuaspecten beschreven, waaronder geluid, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, externe veiligheid en milieuzonering. De overige sectorale aspecten als water, flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie komen in hoofdstuk 5 aan bod. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt de juridische opzet beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de te doorlopen bestemmingsplanprocedure beschreven en wordt verslag gedaan van het wettelijk vooroverleg en van zienswijzen in het kader van de wettelijke terinzagelegging.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke beschrijving plangebied

2.1 Beschrijving plangebied en nieuwe situatie

Op een terrein aan de Medevoort te Helmond, gelegen tussen de huisnummers 2 en 10 worden met dit plan vier woningen gerealiseerd, waarvan 3 op basis van het Ruimte voor Ruimte-beleid. Op dit moment heeft het plangebied voornamelijk de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap'. Binnen deze bestemming is het niet mogelijk om gebouwen op te richten. Ter plaatse van Medevoort 8 geldt de bestemming 'Wonen'. Hier is maximaal één woning toegestaan, de reeds aanwezige woning voldoet hieraan. Echter, de woning zal herbouwd worden en het nieuwe bouwplan past niet binnen het vigerende plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0004.png"

Tekening beoogde verkaveling

De reeds bestaande woning zal herbouwd worden als weergegeven in de beoogde verkavelingsschets. De vier woningen (waarvan 3 Ruimte voor Ruimte-woningen) zullen gerealiseerd worden in twee 'clusters', waarbij in het midden een afstand van circa 80 meter onbebouwd zal blijven. In dit gebied zal het huidige agrarische gebruik in stand blijven. De woningen worden op ruime afstand van de weg gesitueerd om zo aan te sluiten bij het bestaande straatbeeld.

Ook de grootte en bouwhoogte van de woningen zal worden aangesloten bij de directe omgeving. De hoofdgebouwen zullen worden gesitueerd in de met rood aangegeven gebieden in de bovenstaande verkavelingstekening. De bijgebouwen worden opgericht aan de achterzijde nabij de hoofdbebouwing, in het gebied met geel aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0005.png"

Bestaande woning Medevoort 8

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0006.png"

Straat Medevoort

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0007.png"

Plangebied met in de verte Medevoort 2

Hoofdstuk 3 Planologische hoofdlijnen van beleid

3.1 Inleiding

Bij ieder plan of project vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het planvoornemen wordt gerealiseerd. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

Het ruimtelijke ordeningsbeleid van het Rijk is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) uit 2012. Het motto van de SVIR is: ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’. Dit krijgt vorm in een excellent internationaal vestigingsklimaat, dat ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit streven kracht bij te zetten gaat het roer om. Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’) en zorgt ervoor dat de gebruiker centraal komt te staan. Het Rijk beperkt zich nog slechts tot 13 nationale belangen. Buiten die belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Vertrouwen is de basis voor deze nieuwe rolverdeling.

Om de 13 nationale belangen door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere verheden zijn naast de SVIR het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2014) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro, 2014) in werking getreden. Voor Helmond zijn de volgende aspecten hieruit relevant, in die zin dat ze direct dienen door te werken in bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen:

  • vrijwaringszones langs rijksvaarwegen (i.c. Zuid-Willemsvaart);
  • tracés van hoogspanningsverbindingen (i.c. door Brandevoort);
  • radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel, waarbij de maximale tiphoogte van de wieken van windturbines is gesteld op 90 meter boven de NAP-hoogte van vliegbasis Volkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0008.png" Radarstations en radarverstoringsgebieden (Rarro)

Hoewel gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel, biedt het bestemmingsplan geen mogelijkheid tot het oprichten van windturbines. Het bestemmingsplan past derhalve binnen de SVIR, Barro en Rarro.

3.2.2 Ladder van duurzame verstedelijking

Voor de legalisatie van de drie woningen is de zogenoemde Ladder voor duurzame verstedelijking als opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van belang, aangezien in een toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro een beschrijving te bevatten, waaruit blijkt dat:

  • 1. de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. zo ja, in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Alvorens te toetsen aan voornoemde drie tredes van de ladder, dient te worden vastgesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit de tot dusver gevormde jurisprudentie ten aanzien van dit begrip blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt. Is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, dan kan weliswaar sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling, maar kan dergelijke ontwikkeling als te kleinschalig worden aangemerkt om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro. Op grond van jurisprudentie ten aanzien van de toepassing van de ladder op kleinschalige woningbouwontwikkelingen kan worden gesteld dat bij woningbouw vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het realiseren van 4 woningen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde is.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 'De Kwaliteit van Brabant' en de Intermin Omgevingsverordening

Vooroplopend op de komst van de Omgevingswet, is op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' vastgesteld. In de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Als er regels nodig zijn dan worden die opgenomen in de omgevingsverordening.

Het ontwerp van de Interim omgevingsverordening is in april vastgesteld en ligt vanaf 24 mei 2019 ter inzage. Het streven is dat Provinciale Staten de Interim omgevingsverordening in oktober 2019 vaststellen.

In het ontwerp van de Interim omgevingsverordening zijn beleidslijnen waarvan de provincie van mening is dat deze op gemeentelijk niveau dienen door te werken ('provinciaal belang') uitgewerkt in concrete regels met bijbehorende kaarten. Het plangebied ligt daarbij binnen de volgende structuren en aanduidingen:

  • Beperkingen veehouderij
  • Stalderingsgebied
  • Landelijk gebied
  • Groenblauwe mantel

Beperkingen veehouderij

Het gebied dat is aangeduid als 'Beperkingen veehouderij' is bedoeld om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij tegen te gaan. In deze gebieden zijn uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet toegestaan. Het planvoornemen betreft de realisatie van vier woningen, waarvan 3 Ruimte voor Ruimte -woningen, en er is geen sprake van uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een veehouderij. Het plan voldoet daarmee aan de in het gebied 'Beperkingen veehouderij' gestelde eisen.

Stalderingsgebied

Op het gebied dat is aangeduid als 'Stalderingsgebied' geldt een verbod voor een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdierhouderijen op een bouwperceel, door de bouw van een dierenverblijf of het in gebruik nemen van bestaande bebouwing voor het houden van dieren. Het planvoornemen betreft de realisatie van vier Ruimte voor Ruimte-woningen en er is geen sprake van toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdierhouderijen. Het plan voldoet daarmee aan de in het gebied 'Stalderingsgebied' gestelde eisen.

Landelijk gebied

Zoals op onderstaande kaart weergegeven, is de locatie gelegen binnen het gebied aangeduid als 'Landelijk gebied'. Uitgangspunt van beleid in het Landelijk gebied is dat woningen in beginsel thuishoren binnen stedelijk gebied waar ook de voorzieningen aanwezig zijn, zoals winkels, theaters, sportfaciliteiten, medische faciliteiten, zorgvoorzieningen. Net zoals terughoudend wordt omgegaan met de nieuwvestiging van bedrijven, wordt ook terug houdend omgegaan met de nieuwbouw van woningen in landelijk gebied. Daarom geldt als hoofdregel dat een bestemmingsplan in landelijk gebied alleen bestaande woningen toelaat en het gebruik voor zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen uitsluit.

Vanwege de toenemende leegstand en het streven om verpaupering en verdere verstening in het landelijk gebied tegen te gaan, is opgenomen dat onder bepaalde omstandigheden de bouw van een woning is toegestaan. Een van deze omstandigheden is wanneer het de bouw van een Ruimte-voor-ruimte woning betreft. Op basis van artikel 43.4 in de Interim omgevingsverordening is de bouw van Ruimte-voor-ruimte woningen in het landelijk gebied onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Onderstaande geeft een onderbouwing van de wijze waarop dit plan aan de gestelde voorwaarden voor het bouwen van Ruimte-voor-ruimte woningen in het Landelijk gebied voldoet.

Artikel 43.4 Ruimte-voor-ruimte

  • 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien:
    • a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit;

Met het genereren van een Ruimte-voor-Ruimte titel wordt een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst gerealiseerd. Met het voornemen worden drie Ruimte-voor-Ruimtetitels ingezet.

    • a. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;

Binnen de Verordening Ruimte wordt een bebouwingsconcentratie gedefinieerd als een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. Waarbij een bebouwingscluster wordt aangeduid als een "vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied", een bebouwingslint als een " lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten bestaand stedelijk gebied" en een kernrandzone wordt gedefinieerd als "een overgangsgebied naar het buitengebied, gelegen langs bestaand stedelijk gebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en met een ondergeschikte of afnemende agrarische functie".

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0009.png"

Uitsnede 'kaart voor gemeenten - cultuur, stedelijk- en landelijk gebied' met aanduiding bestaande bebouwingsclusters/bebouwingslint

De ruimtelijke structuren in de omgeving van het plangebied aan de noordzijde van de Medevoort worden gekenmerkt door de uitloper van het bebouwingslint uit de kern in de oostzijde en door een bebouwingscluster aan de westzijde dat zich ook uitstrekt aan de overzijde van de Medevoort. Deze zijn op bovenstaande afbeelding weergegeven. Tussen deze twee bebouwingsstructuren wordt het landschap gekenmerkt door openheid.

In het westen bestaat de bestaande bebouwing namelijk meer uit een vlakvormige structuur. Hier zijn de objecten Medevoort 7, 8, 9, 9A, 10, 11 en 19 gevestigd. Het betreffen voornamelijk locaties waarin de agrarische functie danwel gestaakt, danwel afnemend in belang is en waar reeds woonobjecten gevestigd zijn. In het oosten bestaat de bebouwing in het buitengebied uit twee woningen die het bebouwingslint langs de Medevoort uit de kern continueren.

Het planvoornemen voegt twee ruimte voor ruimte woningen toe aan het bebouwingslint aan de oostzijde. Daarnaast wordt een bestaande woning vervangen en een ruimte-voor- ruimte woning toegevoegd aan het bebouwingscluster in de westzijde. De nadruk ligt op de afronding en complementering van de ruimtelijke structuren. Concreet betekent dit dat de kavels aan de oostzijde het bebouwingslint uit de kern afronden. Voor de oostzijde geldt eenzelfde afronding, maar dan van het bebouwingscluster. Door deze bebouwingsconcentraties te complementeren en af te ronden, ontstaat er meer ruitmtelijke samenhang en wordt geborgd dat de ruimte tussen de objecten Medevoort 2 en 8 een open karakter blijft houden.

Het planvoornemen voorziet voorts in specifieke doelstellingen die ten aanzien van deze zones aan de orde zijn. In de eerste plaats wordt het planvoornemen landschappelijk ingepast, waardoor de ruimtelijke structuren en met name de overgang van het stedelijk gebied naar het buitengebied worden versterkt. Daarbij worden zichtlijnen versterkt en wordt er gebiedseigen erfbeplanting gerealiseerd. Daarnaast voltooid het planvoornemen de bestaande lintstructuur in het oosten en het bebouwingscluster in het oosten waardoor er meer ruimtelijke samenhang binnen het plangebied en haar directe omgeving bestaat en daarnaast de openheid tussen deze bebouwingsconcentraties wordt geborgd. Tot slot is in Hoofdstuk 4 Milieuaspecten en Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten onderbouwd dat de onderhavige locatie ook milieutechnisch een planologisch aanvaardbare locatie is.

    • a. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;

Het plan is voorzien van een goede landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing is als Bijlage 1 toegevoegd bij deze toelichting.

    • a. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Afweging duurzame verstedelijking.

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 4 woningen, waarbij 3 Ruimte voor Ruimte woningen worden gerealiseerd. Op basis van de Verordening Ruimte wordt een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als 'nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende structuur van stedelijke functies'.

Het planvoornemen voorziet in de voltooiing van een bestaand bebouwingslint in het oosten en een bebouwingscluster in het westen. Er wordt door middel van het inzetten van de Ruimte voor Ruimte titels beoogt ruimtelijke kwaliteitswinst te genereren door deze voltooiig, daardoor de openheid tussen deze bebouwingsconcentraties te borgen en milieubelastende agrarische activiteiten dicht tegen de kern te herbestemmen. De ontwikkeling is daarmee niet in samenhang met andere stedelijke ontwikkelingen, danwel andere stedelijke functies. Eveneens vormt de ontwikkeling geen aanzet tot een grotere stedelijke ontwikkeling en/of maakt het planvoornemen geen deel uit van een andere stedelijk bouwplan. Ook in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking kan de beoogde ontwikkeling niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling, omdat deze ruimschoots onder de in vaste jurisprudentie gestelde grens van 12 woningen blijft.

  • 2. Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt;
    • b. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;
    • c. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen de Beperking veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij;
    • d. er tenminste 1000 m2 bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m2 op iedere beëindigingslocatie;
    • e. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is;
    • f. de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd;
    • g. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie is ingetrokken;
    • h. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit;
    • i. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel als deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.

  • 4. Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld.

Ten aanzien van de planontwikkeling geldt dat de ruimte voor ruimte kavels worden ontwikkelt conform de Ruimte voor Ruimte regeling en de daarbij geldende regels en beperkingen. De ontwikkelaar draagt zorg dat ten tijde van de ontwikkeling deze titels in eigendom zijn. Dit wordt contractueel geborgd middels een overeenkomst met de Ruimte voor Ruimte CV.

Groenblauwe mantel

Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'.

De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem, maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Op basis hiervan worden de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) als minder passend bij het karakter van deze gebieden beschouwd. Daarom gelden binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Bijvoorbeeld in geval van stedelijke ontwikkeling die vanwege de groen-rood verhouding (artikel 43 Toepassing Rood voor groen) juist bijdraagt aan de ontwikkeling van de kwaliteiten van gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0010.png" Uitsnede 'Kaart voor gemeenten - natuur'

Het planvoornemen betreft de realisatie van drie Ruimte-voor-ruimte woningen. Ruimte-voor-ruimte woningen vallen onder de toepassing Rood voor groen (artikel 43.4).

Het planvoornemen heeft daarmee als doel ruimtelijke kwaliteitswinst te boeken door de omzetting van agrarische functies naar woonfuncties die in samenhang met hun omgeving worden opgericht. In het plangebied is er momenteel sprake van een relatief harde grens tussen stedelijke functies van Helmond en groene, landelijke functies in het buitengebied. De agrarische percelen op het plangebied zijn intensief van aard. Conform dit gebruik is de ecologische en natuurwaarde beperkt. Door de realisatie van het planvoornemen wordt er ingezet op een meer zachte overgang van het buitengebied naar de stedelijke functies van Helmond. In dit kader is de locatie landschappelijk ingepast. Daarbij is veel aandacht voor beplanting met gebiedseigen vegetatie en haagstructuren. Daarnaast wordt de beleving van het gebied door de toepassing van zichtlijnen versterkt. Deze landschappelijke inpassing versterkt de groene, landschappelijke uitstraling, zorgt door de realisatie van groenstructuren voor een versterking van het habitat van soorten specifiek gebonden aan de overgangstructuren tussen groene en stedelijke omgeving en revitaliseert het landelijk gebied door ook in de toekomst een duurzame functie toe te voegen in plaats van de binnen het plangebied afnemende agrarische functie. Daarnaast wordt er in ruimtelijke zin ingezet op de afronding van het bebouwingslint aan de oostzijde en het bebouwingscluster in de westzijde. Door in de inpassing deze afronding nadrukkelijk te accentueren en daarnaast in te zetten op zichtlijnen richting de achterliggende bosgebieden wordt de beleving van het gebied versterkt en de openheid geborgd.

Het plan voldoet daarmee aan de in het gebied 'Groenblauwe mantel' gestelde eisen.

Naast de genoemde specifieke structuren en aanduidingen is er een tweetal algemene ordeningsprincipes waar rekening mee dient te worden gehouden: de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteitsverbetering landschap.

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit is gekoppeld aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In onderhavige situatie zal hieraan voldaan worden door de toepassing van landschappelijke inpassing.

Regeling Kwaliteitsverbetering landschap

Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in Brabant hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing.

Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines, de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Soms is nadrukkelijk bepaald dat de regeling Kwaliteitsverbetering landschap niet van toepassing is, omdat de regeling zelf al voorziet in kwaliteitsverbetering. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de ontwikkeling van ruimte voor ruimte woningen en landgoederen.

Gezien het planvoornemen de bouw van drie Ruimte-voor-ruimte woningen betreft en hiermee al wordt voorzien in kwaliteitsverbetering, is de regeling Kwaliteitsverbetering landschap niet aan de orde.

Op basis van de bovenstaande toelichting past het planvoornemen en de beoogde ontwikkeling van vier Ruimte-voor-ruimte woningen binnen het provinciale beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Helmond 2030

In de Structuurvisie Helmond 2030 (vastgesteld d.d. 4 februari 2014) is de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Helmond voor de periode 2014-2030 vastgelegd. Deze structuurvisie is geen blauwdrukplan met een vastomlijnde koers, maar juist een flexibel meebewegend beleidskader dat beter toegerust lijkt op de snel veranderende (ruimtelijke) behoeften en opgaven van deze tijd. De structuurvisie gaat veel minder dan voorheen uit van een lagenbenadering. In plaats daarvan is de structuurvisie opgebouwd rond een achttal ruimtelijk relevante thema’s die in samenhang het ruimtelijk perspectief Helmond 2030 vormen.

De projectlocatie ligt in het open en gesloten landschap, aan de rand van het de stedelijke gebieden Brandevoort en 't Hout. Ter plaatse is een Stad - Land relatie geprojecteerd. Er wordt hier ingezet op samenhang tussen specifieke deelgebieden, herkenbaarheid en robuustheid van landschappen en natuurgebieden en recreatief (mede-)gebruik. Door de wisselwerking tussen stad en land kan de kwaliteit van stad en land en daarmee van de regio gewaarborgd worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0011.png"

Uitsnede kaart Structuurvisie Helmond 2030 met aanduiding projectlocatie

Qua wonen is een onderscheid gemaakt naar de te realiseren woningproductie op basis van de provinciale bevolkingsprognose tot 2020 (inclusief doortrekking naar 2030) en de woningproductie op basis van het autonome groeiscenario uit de gemeentelijke bevolkingsprognose 2011-2030, zie respectievelijk de blauwe en rode lijn in onderstaande grafiek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0012.png"

Het planvoornemen met de toevoeging van vier woningen op basis van de Ruimte voor Ruimte-regeling draagt op minimale wijze bij aan de woningproductie in de gemeente Helmond. Bovendien wordt het het planvoornemen geen afbreuk gedaan aan het ter plaatse aanwezig zijnde 'open en gesloten landschap'. De ontwikkeling sluit aan bij de bebouwing in de directe omgeving en past binnen de Structuurvisie Helmond 2030.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

4.1 Inleiding

Ruimtelijke Ordening en Milieubeleid hebben de zorg voor de kwaliteit van de leefomgeving als gemeenschappelijke doelstelling. Alleen in een zorgvuldig afwegingsproces kan een optimale afstemming plaatsvinden tussen aan gebieden toegekende functies en het veilig stellen van een beschermingsniveau van het leefmilieu. Bestaande en nieuwe bestemmingen in een gebied zijn niet altijd op voorhand verenigbaar. Milieudoelstellingen en randvoorwaarden worden derhalve integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het ruimtelijke planvormingsproces meegewogen, zodat het gebruik van de schaars beschikbare ruimte niet leidt tot conflictsituaties.

Naast een ruimtelijke invalshoek zijn er ook kwalitatieve aspecten die een rol spelen. De duurzame ontwikkeling van de stad Helmond is een belangrijk uitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit verband is duurzaamheid op te vatten als “hoe is een plangebied te beheren of te ontwikkelen, zodat het ook door latere generaties optimaal kan worden benut”.

In deze paragraaf wordt ingegaan op de duurzaamheid en de kwaliteit van de leefomgeving in en rond het plan 'Medevoort tussen 2 en 10'. In het hiernavolgende komen de volgende milieuaspecten aan de orde die een rol spelen bij het plan:

  • milieueffectrapportage;
  • externe veiligheid;
  • geluidhinder;
  • luchtkwaliteit;
  • bedrijven en milieuzonering;
  • bodemkwaliteit;
  • klimaat, energie en duurzaamheid.

4.2 Milieueffectrapportage

Het onderhavige plan valt niet onder de categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.2 van de wet Milieubeheer juncto het Besluit Milieueffectrapportage, met name de bijlagen C en D. Ook heeft het plan geen negatieve effecten op een goede ruimtelijke ordening. Het voorgaande betekent dat ten behoeve van het onderhavige plan geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. Noch hoeft het gemeentebestuur een beoordeling als bedoeld in artikel 7.2 lid 1 van de Wet milieubeheer te doen.

4.3 Externe veiligheid

Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, wateren spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden.

Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid opgenomen in de zogenaamde 'Wet Basisnet'. Deze bestaat uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet.

In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers, respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit.

Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing (verantwoording groepsrisico).

Invloed van het planvoornemen

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0013.png"

Uitsnede risicokaart

Door Econsultancy een quickscan externe veiligheid (rapportnummer 4341.005) uitgevoerd, zie bijlage 2 Hieronder worden de bevindingen uit deze quickscan beschreven.

Wel zijn er transportverbindingen van invloed op het planvoornemen. Op circa 100 meter ten zuiden van het plan ligt de spoorlijn, die volgens het Basisnet deel uitmaakt van route 12. Het plaatsgebonden risico is kleiner dan 10-7/j, de contour voor een risico van 10-8 ligt op 112 meter afstand tot het spoor. Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Per jaar passeren 2.150 ketelwagens uit categorie A. Het invloedsgebied bedraagt daarom 460 meter. In onderstaande afbeelding is deze zone is ter hoogte van het plan indicatief weergegeven. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied en bovendien binnen het verplicht onderzoeksgebied binnen 200 meter afstand tot het spoor, moet de toename van het groepsrisico als gevolg van het realiseren van het plan in beeld worden gebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0014.png"

Invloedsgebied spoorlijn

Rondom het plan zijn drie hogedruk aardgastransportleidingen gelegen. Het invloedsgebied van een transportleiding is afhankelijk van de buisdiameter en werkdruk. De betreffende leidingen zijn hieronder weergegeven, samen met hun invloedsgebied. De grens van het invloedsgebied van leiding Z-514-15 (parallel aan het spoor) doorsnijdt het plan. Het invloedsgebied van A-521 raakt het westelijk deel van het plan. Voor beide leidingen moet het plaatsgebonden risico en groepsrisico inzichtelijk worden gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0015.png" Invloedsgebied transportleidingen

Op het kruispunt van leidingen is een meet- en regelstation aanwezig. Het invloedsgebied van het station is gelijk aan het invloedsgebied van de aangesloten leidingen. Omdat niet exact kan worden achterhaald of alle genoemde leidingen op het station aansluiten wordt uitgegaan van het grootst mogelijke invloedsgebied zoals hieronder weergegeven. Omdat het westelijk deel van het plan deels binnen dit invloedsgebied is gelegen, moet het groepsrisico inzichtelijk worden gemaakt. Volgens de risicokaart is geen 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico aanwezig.
afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0016.png"

Invloedsgebied gasmeet- en regelstation

Conclusie

Uit de intentarisatie van de quickscan externe veiligheid voor de Medevoort 2 - 10 te Helmond blijkt, dat het plaatsgebonden risico als gevolg van nabijgelegen hogedruk gasleidingen inzichtelijk moet worden gemaakt. Daarnaast moet ook het groepsrisico als gevolg van de leidingen, het gasmeet- en regelstation en de spoorlijn Eindhoven – Venlo inzichtelijk worden gemaakt. Daarvoor is door Econsultancy een aanvullend onderzoek externe veiligheid (rapportnummer 4341.008) uitgevoerd, zie bijlage 3. Hieronder worden de bevindingen uit dit aanvullend onderzoek kort beschreven.

Het aandachtsgebied bestaat uit de lengte van het plangebied parallel aan het spoor, vermeerderd met 1 kilometer aan weerszijden van het plan. De breedte is gelijk aan het invloedsgebied van het spoor. De omvang van het aandachtsgebied voor de berekening is hieronder schematisch weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0017.png"

Aandachtsgebied risico hogedruk aardgastransportleiding

Voor de toekomstige situatie is uitgegaan van 2,4 aanwezigen per woning.

Spoorlijn

De transportgegevens van de spoorlijn zijn ontleend aan de Regeling basisnet. Ter hoogte van het plangebied passeren 2.150 ketelequivalenten met stofcategorie A. Voor de berekening wordt uitgegaan van een traject met hoge snelheid zonder wissels en SKW-transport. Uit de Regeling Basisnet volgt reeds, dat het plaatsgebonden risico als gevolg van de spoorlijn lager is dan 10-6 / jaar. Hiermee kan worden voldaan aan de grenswaarde. In onderstaande figuur is het berekend groepsrisico weergegeven voor de situatie met en zonder plan. Het berekeningsrapport is opgenomen in de bijlage.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0018.png"

Groepsrisico als gevolg van transport per spoor in huidige en toekomstige situatie

Uit de berekening volgt dat het groepsrisico hoger is dan 0,1 x de oriënterende waarde. De curve voor het gesommeerd groepsrisico is iets lager in de toekomstige situatie, maar het totaal aantal te verwachten slachtoffers blijft gelijk. In onderstaande tabel is het aantal te verwachten slachtoffers weergegeven.

  huidige situatie   toekomstige situatie  
hoogste per punt   427   427  
hoogste per km   591   591  
gesommeerd   591   591  

Het groepsrisico is hoger dan 0,1 x de oriëntatiewaarde, zodat niet kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Hogedruk aardgastransportleiding

In onderstaande figuur zijn de PR-contouren als gevolg van aardgasleiding A-521 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0019.png"

PR-contouren aardgasleiding A-521: 10-7(groen) en 10-8 p.j. (blauw)

Er is geen overschrijding van de grenswaarde van 10-6/jaar. De nieuwbouw wordt gerealiseerd buiten de 10-8/jaar-contour.

Het hoogste groepsrisico voor deze leiding wordt berekend daar waar de leiding meebuigt met de Brandevoortse Dreef ter hoogte van de Stepekolk-Oost. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is weergegeven in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0020.png"

Groepsrisico aardgasleiding A-521 ter hoogte van plangebied

Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is lager dan de oriëntatiewaarde maar hoger dan 0,1 x de oriëntatiewaarde, weergegeven door middel van een oranje stippellijn. Voor deze gasleiding kan niet worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

In onderstaande figuur zijn de PR-contouren als gevolg van aardgasleiding Z-514-15 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0021.png"

PR-contouren aardgasleiding Z-514-15: 10-7(groen) en 10-8 p.j. (blauw)

Er is geen overschrijding van de grenswaarde van 10-6/jaar. De nieuwbouw wordt gerealiseerd op de rand van de 10-8/jaar-contour. Het hoogste groepsrisico voor deze leiding wordt berekend ter hoogte van de bochten in het leidingwerk ter hoogte van station Helmond ‘t Hout. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is echter beduidend lager en is weergegeven in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0022.png"

Groepsrisico aardgasleiding Z-514-15 ter hoogte van plangebied

Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is significant lager dan 0,1 x de oriëntatiewaarde, weergegeven met een oranje stippellijn. Deze gasleiding vormt dan ook geen belemmering voor het plan.

Gasdrukmeet- en regelstation

Voor het gasdrukmeet- en regelstation is geen berekening uitgevoerd, maar wordt een kwalitatieve beschrijving gegeven. Volgens de risicokaart is geen 10-6/jaar-contour beschikbaar voor dit gasstation, maar wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het Activiteitenbesluit. Hierin is een veiligheidsafstand van 25 meter vastgelegd. Omdat het plan op circa 430 meter afstand is gelegen, wordt gesteld dat aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico kan worden voldaan. Binnen het plangebied is alleen de bestaande woning gelegen op minder dan 430 meter afstand tot het gasstation. Het toevoegen van drie woningen aan het plangebied heeft daarom geen gevolgen voor het groepsrisico.

Verantwoording van het groepsrisico

Het groepsrisico als gevolg van de spoorlijn is hoger dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Ook voor de hogedruk aardgastransportleiding A-521 is het groepsrisico hoger dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Voor beide is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

Conform het Bouwbesluit dienen de primaire voorzieningen op het terrein op orde te zijn. Hulpdiensten kunnen binnen de gewenste aanrijtijd ter plaatse zijn. Rondom het plan zijn drie brandweerposten gelegen. Het plan is vanaf de brandweerpost in Mierlo binnen 5 minuten bereikbaar, wagens uit de kazerne in Helmond kunnen het gebied in 9 minuten bereiken. Vanuit de kazerne in Nuenen wordt het gebied in 8 minuten bereikt. Ambulances vanaf het Elkerliek kunnen binnen 6 minuten ter plaatse zijn. Ook vanuit het St. Annaziekenhuis in Geldrop kan het gebied binnen 15 minuten worden bereikt.

Aan de zuidzijde van het spoor is een fietspad gelegen waarlangs hulpdiensten een calamiteit kunnen benaderen. De aanwezigheid van een geluidsscherm bemoeilijkt de bereikbaarheid van de calamiteit zelf. Langs noordzijde van het spoor is op korte afstand geen parallelweg gelegen.

De hogedruk aardastransportleiding ligt parallel aan de Brandevoortse Dreef, met uitzondering van het deel dat het spoor kruist. In geval van calamiteiten is de leiding goed bereikbaar voor hulpdiensten. Ook is er voldoende opstelruimte voor voertuigen.

Door het toepassen van (bouwkundige) maatregelen kan de kans op slachtoffers worden gereduceerd. Door het treffen van aanvullende maatregelen kunnen de risico’s verder worden beperkt.

Conclusie

Het plaatsgebonden risico als gevolg van alle omliggende risicobronnen voldoet aan de grenswaarden. Het groepsrisico vanwege buisleiding Z-514-15 is ruim lager dan 0,1 x de oriënterende waarde. Het groepsrisico als gevolg van de spoorlijn Eindhoven – Venlo en buisleiding A-521 is echter hoger dan 0,1 x de oriënterende waarde, maar het groepsrisico neemt niet toe. Het restrisico is acceptabel.

Het risico op slachtoffers kan worden beperkt door het treffen van zowel bouwkundige maatregelen als primaire maatregelen nabij de bron. Het plan moet ter toetsing en advisering worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost.

4.4 Geluidhinder

Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. De bescherming vindt primair plaats door middel van zonering.

De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Deze normen mogen niet verward worden met de normen die gelden in geval van een milieuvergunning. Hiervoor gelden andere normen en procedures, welke niet vergelijkbaar zijn met het normenstelsel uit de Wgh. Op grond van de Wgh gelden grenswaarden op basis waarvan de bouw van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone wordt beperkt of wordt verboden. Wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai kennen ieder afzonderlijke normen.

Weg- en railverkeerslawaai

In de Wgh is bepaald dat elke (spoor-)weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

Invloed van het planvoornemen

Het planvoornemen betreft een geluidgevoelige ontwikkeling die is gelegen binnen de geluidzone van een weg en binnen de geluidzone van het spoor. Er is door Econsultancy een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai (rapportnummer 4341.003) uitgevoerd, zie bijlage 4.

De woningen zijn gelegen in de geluidszone van de spoorlijn Venlo-Eindhoven en de Medevoort. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing worden tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen (Burg. Krollaan en Slegerstraat) in het onderzoek betrokken.

In het akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting op de toekomstige geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en getoetst. Voor het plangebied is reeds een indeling voor de woningen opgesteld. Voor elke woning zijn aan drie zijden toetspunten ten behoeve van maximaal 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 4.21.

Alleen als gevolg van de spoorlijn treedt overschrijding op van de voorkeursgrenswaarde. De voorkeursgrenswaarde wordt met ten hoogste 10 dB overschreden. De maximaal vast te stellen hogere waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Voor de spoorlijn is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële bezwaren.

Voor alle woningen dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de spoorlijn een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen:

  • de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer voldoet aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting;
  • de berekende geluidsbelastingen voor railverkeer zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 68 dB;
  • op de achtergevels van de woningen is sprake van een geluidsluwe gevel;
  • bron- en overdrachtsmaatregelen voor de spoorlijn zijn niet financieel doelmatig;
  • op de spoorlijn worden binnen meer dan de halve zichthoek reeds raildempers voorzien.

Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Op basis van de te realiseren binnenniveaus en de geluidsbelasting van 65 dB ten gevolge van de spoorlijn dient een karakteristieke geluidwering van de gevel gerealiseerd te worden van minimaal 32 dB (65 – 33 = 32). Gezien de standaard karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB uit het Bouwbesluit voor nieuwbouw is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.

Industrielawaai

In het kader van industrielawaai wordt gekeken naar bedrijven in de directe omgeving die voor geluidsoverlast op het plangebied kunnen zorgen.

Invloed van het planvoornemen

Er zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen bedrijven aanwezig die van invloed kunnen zijn op de nieuw te realiseren woningen. Industrielawaai is niet aan de orde en hoeft derhalve niet onderzocht te worden.

4.5 Luchtkwaliteit

In de Wet luchtkwaliteit zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen als onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Hoofdstuk 5 van de Wm maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL.

Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Invloed van het planvoornemen

In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van vier woningen. Dit valt binnen de aangewezen categorieen in de regeling NIBM, waardoor het project in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer vormt geen belemmering voor het onderhavig planvoornemen en er hoeft dan ook geen onderzoek naar luchtkwaliteit te worden uitgevoerd.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving. De richtafstanden zijn niet wettelijk voorgeschreven en gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven en zijn geschreven voor nieuwe situaties. Indien bekend is welke activiteiten concreet beoogd worden, dan kan gemotiveerd worden afgeweken van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Voor bestaande bedrijven geldt allereerst de geldende omgevingsvergunning of de richtlijnen uit de geldende AMvB.

Invloed van het planvoornemen

In de directe omgeving van deze ontwikkeling zijn enkele bedrijven gelegen, waaronder het hoveniersbedrijf Du Pré. Dit bedrijf heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan een gewenste afstand tot woonbebouwing van 50 meter. Het bedrijf is op ruim 150 meter afstand van het planvoornemen gelegen. Dit bedrijf is dan ook niet van invloed op de beoogde ontwikkeling.

Op een afstand van circa 500 meter is nog een klein bedrijventerrein gevestigd (aan de Berenbroek). Ook hiervoor geldt een gewenste afstand tot woonbebouwing van 50 meter, waardoor het planvoornemen niet wordt beinvloed.

Verder zijn er enkele kleinschalige agrarische bedrijven gelegen aan de Medevoort. Gezien de aard en omvang van deze bedrijven en de minimale afstand van circa 70 meter zijn deze agrarische bedrijven niet van invloed op het planvoornemen. Specifiek voor het bedrijf gelegen aan de Medevoort 11 heeft de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant een memo opgesteld waarin nader is ingegaan op de geurcontour van het bedrijf en de eventuele belemmering van de te realiseren woningen ter plekke in het kader van de bedrijfsvoering van het bedrijf. In de deze memo is geconcludeerd dat de realisatie van de woningen geen belemmeringen vormt voor de bedrijfsvoering van de veehouderij aan de Medevoort 11. De memo is toegevoegd als Bijlage 5.

Het woon- en leefklimaat van de betreffende locatie wordt niet aangetast en het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door het aspect 'bedrijven en milieuzonering'. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht.

4.7 Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.

Het is een taak van de gemeenten om erop toe te zien dat het verontreinigen van gronden door activiteiten voorkomen wordt. Daar waar in het verleden een verontreiniging is ontstaan van de bodem of het grondwater zullen stappen genomen moeten worden ter bescherming van de volksgezondheid. In principe moet bij elke bouwmogelijkheid die mogelijk wordt gemaakt, inzicht geboden worden in de kwaliteit van de bodem. Om aan deze eis te kunnen voldoen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Invloed van het planvoornemen

Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek (rapportnummer 4341.001, bijlage 6) uitgevoerd. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit zwak tot matig siltig, matig grof tot zeer grof zand. De bodem is verder plaatselijk zwak humeus, zwak oerhoudend en/of zwak grindhoudend. Zeer plaatselijk bestaat de bodem uit sterk zandige leem.

Op het maaiveld is direct ten noorden van de schuur van Medevoort 8 asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen. Dit is vermoedelijk afkomstig van het dak aldaar. Dit stuk is inmiddels door de eigenaar verwijderd. Ter plaatse zijn in de bodem geen verdachte materialen aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk eveneens geen verontreinigingen waargenomen en dus ook geen asbestverdachte materialen.

Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging in de bodem op de locatie te verwachten.

Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht:

Deellocatie A: Rondom woning Medevoort 8

De bovengrond/verdachte bodemlaag van het oostelijk terreindeel (weiland) is licht verontreinigd met PCB’s. In de overige bovengrond/verdachte bodem evenals in de ondergrond zijn verder geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten in het grondwater, niet geheel bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van de grondwaterverontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Deellocatie B: Akker

Zowel in de boven- als in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en kwik.

De vooraf gestelde hypothese, dat deellocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen in het grondwater, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

Asbest

Gezien het feit dat enkel op het maaiveld een stuk asbestverdacht materiaal is aangetroffen wat direct door de eigenaar is verwijderd en er verder zintuiglijk op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal geen asbestverdachte materialen of andere bijmengingen zijn waargenomen, wordt een verkennend onderzoek asbest niet noodzakelijk geacht.

4.8 Klimaat, energie en duurzaamheid

In 2009 heeft de gemeenteraad van Helmond het Klimaatbeleidsplan ‘Helmond op weg naar klimaatneutraliteit’ vastgesteld. Op basis van dit plan worden concrete projecten uitgevoerd. Het Klimaatbeleidsplan vormt een paraplu van alle gemaakte afspraken, getekende convenanten en ambities op het gebied van klimaat, energie en duurzaam bouwen.

Er zal bij nieuwe ontwikkelingen altijd gestreefd moeten worden naar een zo duurzaam mogelijke energievoorziening. Naast het toepassen van duurzame materialen, worden daarbij afwegingen gemaakt op basis van de zogenaamde ‘Trias Energetica’. Dit is een breed geaccepteerd model en beschrijft drie logische en opeenvolgende stappen om te komen tot een duurzame energievoorziening:

  • Energiebesparing: Het reduceren van de energievraag. Dat wat niet gevraagd wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden.
  • Duurzame energie: De resterende energiebehoefte dient zo veel mogelijk duurzaam opgewekt te worden door het gebruik van duurzame bronnen.
  • Efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen: De energievraag die niet bespaard kan worden en die niet duurzaam opgewekt kan worden, dient zo efficiënt mogelijk met behulp van fossiele brandstoffen opgewekt te worden.

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten

5.1 Water

5.1.1 Inleiding

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd.

5.1.2 Beleid waterschap

Het waterbeleid van de gemeente Helmond is vastgelegd in het Waterplan 2012-2015 met een verlenging tot en met 2018 dat door de gemeenteraad is vastgesteld en geeft de kaders aan waarbinnen het waterbeheer in Helmond vorm moet krijgen. Het gemeentelijke waterplan is een gezamenlijk product van gemeente en waterbeheerder en geeft een uitgewerkte visie op de plaats die het water nu en in de toekomst in Helmond kan innemen. Het geeft daarbij aan wat als gewenste ontwikkeling wordt gezien.

De visie is richtinggevend voor het onderdeel water bij planvorming en invulling van projecten. Belangrijke onderwerpen in het Waterplan zijn:

  • Water en ruimtelijke ordening;
  • Water en ecologie;
  • Beleving van water;
  • Waterkwaliteit;
  • Stedelijk grondwater;
  • Waterketenbeheer (waaronder afkoppelen en de voorkeursvolgorde voor het verwerken van schoon hemelwater);
  • Beheer en onderhoud van stedelijk water.

Op deze wijze wordt het mogelijk om het aspect water te betrekken bij integrale beleidsafwegingen en daarbij de consequenties van keuzes voor het water aan te geven.

5.1.3 Voorkeursvolgorde omgaan met regenwater

De voorkeursvolgorde voor het omgaan met regenwater is: hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer. Bij hergebruik kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met een aantal proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving maakt het grootschalige hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar.

In dit plan wordt geen rekening gehouden met hergebruik van regenwater.

5.1.4 Waterhuishoudkundige situatie

Het plangebied wordt niet doorkruist door een primaire watergang. De dichtstbijzijnde primaire watergang is gelegen op circa 130 meter afstand in zuidelijke richting. Verder bevindt zich in noordwestelijke richting nog een waterloop. Deze oppervlakte wateren bevinden zich op dusdanige afstand dat ze niet van invloed zijn op het planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0023.png"

Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Aa en Maas

5.1.5 Planvoornemen

Het planvoornemen betreft de bouw van vier woningen, waardoor het verhard oppervlak toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het regenwater van de verharde oppervlakken moet worden afgevoerd naar een voorziening op eigen terrein of afgevoerd naar de bestaande sloot langs de Medevoort. Op de bouwpercelen is voldoende ruimte voor de aanleg van dergelijke voorzieningen.

Bij de geplande nieuwbouw mogen alleen niet-uitloogbare bouwmaterialen worden toegepast. Dit om verontreiniging van de bodem (grond en grondwater) te voorkomen.

De voorgenomen ontwikkeling zal naar verwachting geen consequenties hebben voor de waterkwaliteit en een nader onderzoek wordt niet nodig geacht.

5.2 Flora en fauna

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. In deze paragraaf wordt hier specifiek op ingegaan.

5.2.1 Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning.

Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

Invloed van het planvoornemen

Er is door Econsultancy een quickscan flora en fauna (rapportnummer 4341.004, bijlage 7) uitgevoerd waarmee getoetst is of het planvoornemen van invloed is op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hieruit blijkt dat er geen houtopstanden of andere gebiedsbeschermingen aanwezig zijn in het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied van Natura 2000 bevindt zich op 5 kilometer afstand en het dichtstbijzijnde gebied uit het Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op 90 meter afstand.

Het planvoornemen zal niet van invloed zijn op deze gebieden en een nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Met betrekking tot beschermde gebieden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoeklocatie.

5.2.2 Soortenbescherming

De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.

Invloed van het planvoornemen

Gezien de wijziging van agrarisch naar wonen is op voorhand niet uit te sluiten dat het planvoornemen niet van invloed is op beschermde plant- en dierstoorten. Er is door Econsultancy een quickscan flora en fauna (rapportnummer 4341.004, bijlage 7) uitgevoerd om de eventuele aanwezigheid van beschermde soorten te onderzoeken. Hieruit wordt geconcludeerd dat, gelet op de gevonden, de te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling, de verwachting is dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is.

Voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient echter wel het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen in dit geval goed mogelijk is. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient door middel van nader onderzoek duidelijkheid verkregen te zijn omtrent de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw en/of huismus en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in de te slopen bebouwing.

Het aanvullende ecologisch onderzoek is door Econsultancy uitgevoerd (rapportnummer 4341.006, Bijlage 8). Hieruit blijkt dat bij de voorgenomen sloop van de woningen er sprake is van verstoring en mogelijk vernietiging van drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Bij de voorgenomen plannen vindt geen verstoring plaats van nestlocaties van de huismus en/of gierzwaluw. Voor de gewone dwergvleermuis geldt dat, zonder het nemen van maatregelen, bij de voorgenomen plannen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming

Ten behoeve van de voorgenomen plannen zullen maatregelen genomen moeten worden ten aan-zien van gewone dwergvleermuis om de functionaliteit van deze verblijfplaatsen te garanderen. Deze maatregelen bestaan uit het realiseren van tijdelijke verblijfplaatsen, verstorende werkzaamheden uitvoeren buiten de gevoelige periodes voor desbetreffende soorten en het realiseren van nieuwe permanente voorzieningen in de vorm van inbouwkasten. De te slopen bebouwing dient voor de sloop ongeschikt gemaakt te worden voor de gewone dwergvleermuis om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Maatregelen dienen te worden vastgelegd in een ecologisch activiteitenplan en ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag.

Overtredingen ten aanzien van broedvogels kunnen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Verder dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen.

5.3 Archeologie en cultuurhistorie

De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Onder archeologisch wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. In de wet is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat gemeente bevoegd gezag is. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de voorgaande wet beschikt de gemeente Helmond over een archeologiebeleid en een bijbehorende archeologische waardenkaart.

5.3.1 Archeologie

Op basis van onderstaande archeologische waardenkaart van de gemeente Helmond is het planvoornemen gelegen in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde middelhoog en hoog. Dit blijkt ook uit de aanwezige dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie middelhoog' en 'Waarde - Archeologie hoog'. Archeologische onderzoek is nodig bij bodemingrepen met een oppervlakte van respectievelijk meer dan 2.500 m2 en 100 m2. Gezien de realisatie van woningen binnen de hoge archeologische verwachtingswaarde is het noodzakelijk om een archeologisch bureauonderzoek uit te voeren.

Het archeologisch bureauonderzoek uit Bijlage 9 is door Econsultancy uitgevoerd (rapportnummer 4341.002). Het westelijke deelgebied heeft deels een middelhoge en deels een lage/geen archeologische verwachting. Omdat de toekomstige bebouwing circa 400 m2 wordt, hoeft dit deelgebied volgens de gemeentelijke eisen niet verder onderzocht te worden.

Het oostelijke deelgebied heeft een totale oppervlakte van circa 540 m2 en gezien de hoge verwachtingswaarde heeft het bureauonderzoek zich toegespitst op dit oostelijke deelgebied. Binnen dit onderzoeksgebied staan zeer veel vondsten geregistreerd, daterend uit alle perioden vanaf het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Er wordt dan ook geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Zo wordt de specifieke verwachting aangevuld en getoetst en worden de kansrijke zones geselecteerd voor vervolgonderzoek en kansarme zones daarvan uitgesloten.

Uit het uitgevoerde verkennende booronderzoek Bijlage 10 (rapportnummer 4341.007) blijkt dat op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0024.png"

Uitsnede archeologische waardenkaart

5.3.2 Cultuurhistorie

Vanwege artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het besluitgebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen.

Op basis van de onderstaande Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) van de provincie Noord-Brabant bevindt het plangebied zich in het archeologische landschap 'Helmondse akkers'. Dit is een zandlandschap waarin het bodemarchief duurzaam en in samenhang behouden dient te worden. Met betrekking tot eventuele waardevolle bevindingen en waarnemingen binnen het plangebied wordt een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.3.1).

Er bevinden zich verder geen rijks- of gemeentelijke monumenten met een cultuurhistorische waarden die behoudenswaardig zijn. De reeds aanwezige woning die gesloopt zal worden is gebouwd in 1977 en betreft ook geen cultuurhistorische waarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0025.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0794.2100BP170080-2000_0026.png"

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)

5.4 Wonen

5.4.1 Behoefte en regionale afstemming

In de regio Zuidoost-Brabant maakt Helmond deel uit van het Stedelijk Gebied Eindhoven. In deze regio zijn nadere afspraken gemaakt over het realiseren van een deel van de woningbehoefte van Eindhoven door de randgemeenten. Helmond heeft daarin geen extra taakstelling gekregen. Eind 2014 heeft de provincie Noord-Brabant haar nieuwe bevolkings- en woningbehoefteprognose vastgesteld. In de regio Zuidoost-Brabant is afgesproken, dat deze prognoses de basis vormen voor de lokale woningbouwprogramma’s. Voor de periode 2014 t/m 2024 komt de provincie voor Helmond tot een indicatie toename woningvoorraad van 4.545 woningen. Deze netto toename is een indicatie, waar het daadwerkelijke aantal kan afwijken door onzekerheidsmarges of sloop/vervangende nieuwbouw. Deze aantallen zijn afgestemd, zowel in regionaal verband (Zuidoost-Brabant), als in subregionaal verband (Stedelijk Gebied Eindhoven).

5.4.2 Woningen

De vier beoogde woningen zijn niet opgenomen in de huidige woningbouwplanning. De reeds bestaande woning maakt wel al deel uit van de bestaande woningvoorraad. Met inachtname van de prognose t.a.v. de bevolkingsontwikkeling en de reeds geplande woningbouw is aanvullende woningbouwcapaciteit ter plaatse niet nodig. Het betreft hier echter de realisatie van vier woningen op basis van het , waarvan 3 op basis van het Ruimte voor Ruimte-beleid. Om die reden maar ook omdat het een kleinschalig initiatief is van minder dan 6 woningen zal positief worden ingestemd met de ontwikkeling ervan.

5.4.3 Energielabel voor nieuwbouw

Vanaf 1 januari 2015 is het definitief energielabel verplicht bij de verkoop en verhuur van woningen. Ook bij nieuwbouw is de verkopende of verhurende partij verplicht een energielabel bij oplevering van de woning te overhandigen aan de nieuwe eigenaar of bewoner. Een EPC-berekening volstaat niet meer, omdat de EPC is opgesteld voorafgaand aan de bouw en het niet vaststaat dat de uitgangspunten daadwerkelijk gerealiseerd zijn.

5.5 Verkeer en parkeren

5.5.1 Ontsluiting

De onderhavige percelen ontsluiten op de Medevoort. Dit is een 50km/uur weg waar deels een adviessnelheid van 30 km/uur geldt, in verband met een school fiets route. Op werkdagen tussen 07.00 en 08.30 is hier dan ook alleen bestemmingsverkeer toegestaan.

De Medevoort sluit in oostelijke richting aan op de Burgemeester Krollaan en in de westelijke richting is de weg verbonden met een rotonde op de Brandevoortse Dreef.

De langzaamverkeersstructuur rond het plangebied volgt grotendeels de hoofdwegenstructuur, waar fietsers op de Medevoort de rijbaan moeten delen met automobilisten en overig verkeer. Ter plaatse van de rotonde op de Brandevoortse Dreef wordt aangesloten bij een afzonderlijk fietspad, dat in zuidelijke richting verbinding maakt met de wijk Brandevoort.

Er is op de Medevoort geen bushalte aanwezig. Wel is op circa 850 meter afstand het treinstation Helmond 't Hout gelgegen, waarmee aansluiting gemaakt kan worden met het openbaar vervoer netwerk. Ook is het in de gemeente Helmond mogelijk om gebruik te maken van de Taxbus. Dit is een vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer waarmee mensen binnen de gemeentegrenzen van deur tot deur kunnen reizen. Ook biedt de Taxbus de mogelijkheid voor vervoer van en naar een groot aantal gemeenten binnen de regio.

5.5.2 Parkeren

Ten behoeve van deze ontwikkeling zal moeten worden voldaan aan de parkeernormen die gesteld worden in de Beleidsregel Parkeernormen 2017 van de gemeente Helmond. Er moet op eigen terrein voldoende ruimte beschikbaar zijn om de benodigde twee parkeerplaatsen per woning te kunnen realiseren. Hier kan gezien de grootte van het percelen ruimschoots aan voldaan worden.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

Naast het toetsen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

6.1 Financiele haalbaarheid

Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan (of zoals in dit geval een bestemmingsplan) waarop het betrekking heeft. In welke gevallen kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan is eveneens vastgelegd in de Wro c.q. het Bro. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het verplichte kostenverhaal anderszins is verzekerd. Daaraan wordt voldaan wanneer met de initiatiefnemer een zogenoemde anterieure overeenkomst wordt gesloten waarin het in kostenverhaal wordt voorzien.

Voor onderhavig planvoornemen wordt met de initiatiefnemer een anterieure exploitatieovereenkomst, zijnde een overeenkomst over grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening (Wro), afgesloten. Hiermee is conform artikel 6.12 tweede lid Wro het kostenverhaal over de in het ruimtelijk plan begrepen gronden volledig verzekerd. Omdat naast de overeengekomen voorwaarden in de overeenkomst, het stellen van nadere eisen en regels omtrent tijdvak/fasering en locatie/uitvoering niet noodzakelijk is, is het niet nodig om dit plan vergezeld te doen gaan van een in artikel 6.12. eerste lid Wro bedoeld exploitatieplan.

Hoofdstuk 7 Juridische opzet van het plan

7.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan maakt de bouw van vier woningen op basis van het , waarvan 3 op basis van het Ruimte voor Ruimte principe mogelijk.

7.2 Juridische methodiek

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten bij de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).

7.3 Planregels

7.3.1 Algemeen

In hoofdstuk 1, inleidende regels, worden in artikel 1 de begrippen omschreven om interpretatieverschillen te voorkomen. In artikel 2 wordt een omschrijving gegeven van de wijze waarop gemeten moet worden om op een eenduidige manier o.a. de inhoud, oppervlakten en hoogten te bepalen.

In hoofdstuk 2, bestemmingsregels, zijn de bestemmingen opgenomen, waarbij de volgende opbouw wordt gehanteerd:

  • Bestemmingsomschrijving: Hier is aangegeven waarvoor en hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd en welke functies toelaatbaar zijn.
  • Bouwregels: Uiteenzetting van de bebouwingsbepalingen voor gebouwen (hoofd-massa, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • Nadere eisen: Hier worden nadere eisen genoemd voor de plaats en de afmetingen van de toegestane bebouwing, zoals bebouwingsconcentratie en -beeld; de landschappelijke inpassing; de milieusituatie; de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • Afwijken van de bouwregels: Hier is geregeld dat het bevoegde gezag onder voorwaarden omgevingsvergunning kan verlenen voor afwijking van de bouwregels.
  • Specifieke gebruiksregels: Hier worden de vormen van gebruik aangegeven die strijdig zijn met de bestemming. Dit is geen uitputtende omschrijving. Het omvat de gebruiksvormen waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming.
  • Afwijken van de gebruiksregels: Hier is geregeld dat burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning, onder voorwaarden, kunnen afwijken van de gebruiksregels.
  • Aanlegactiviteiten: Ter bescherming van de belangen wordt in dubbelbestemmingen een vergunningsplicht opgenomen, inhoudende dat bepaalde werken en werkzaamheden niet zonder omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd. In de voorrangsregeling is opgenomen dat, in geval van strijdigheid met andere bepalingen in het plan, de beschermende bepalingen voorgaan.
  • Wijzigingsbevoegdheid: Dit betreft de bevoegdheid om een bestemming onder voorwaarden te wijzigen in een andere bestemming waardoor er voor het plangebied een op termijn meer gewenste bestemming kan worden gerealiseerd.

In geval van dubbelbestemmingen is er sprake van twee functies die onafhankelijk van elkaar op dezelfde plaats voorkomen. De bestemmingsomschrijving van een dubbelbestemming geeft aan dat de gronden, naast de andere aan die gronden gegeven bestemming (basisbestemming), tevens voor deze aanvullende bestemming zijn bestemd. Bij regels voor dubbelbestemmingen geldt dezelfde opbouw als bij de bestemmingsregels.

In hoofdstuk 3, algemene regels, staan de volgende bepalingen en regels:

  • Anti-dubbeltelbepaling: Regelt dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
  • Algemene bouwregels: Hierin staat een verbod om te bouwen als daardoor andere bouwwerken met bijbehorend bouwperceel niet langer voldoen aan, en/of meer gaan afwijken van plan.
  • Algemene gebruiksregels: Hier is een verbod opgenomen om de gronden en/of bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming(en).
  • Algemene afwijkingsregels: geven het bevoegde gezag de mogelijkheid om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
  • Algemene wijzigingsregels: geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid het plan te wijzigen door het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen.

In hoofdstuk 4, staan de overgangs- en slotregel:

  • Het overgangsrecht: deze regels geven vorm en inhoud aan het overgangsrecht en zijn standaard overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening.
  • De slotregel: is het laatste artikel met de titel van het plan.
7.3.2 Toelichting op de bestemmingen

De in dit plan voorkomende bestemmingen worden hieronder kort toegelicht:

Wonen

De hoofdbestemming binnen het plangebied is Wonen, waar deze gronden bestemd zijn voor woningen met bijbehorende objecten. De bouw van woningen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak met de daarbij aangeduide bouw- en goothoogten. Een aan huis gebonden bedrijf in de milieucategorieen 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is via een afwijkingsbevoegdheid onder voorwaarden mogelijk.

Waarde - Archeologie hoog

De gronden met deze dubbelbestemming zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de archeologische waarden. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van het bouwen van het bijgebouw of uitbreiden van een bestaand hoofdgebouw met maximaal 100 m2. Ook het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is toegestaan voor zover geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld. Ter bescherming van de archeologische waarden van deze gronden is een omgevingsvergunning aanlegactiviteit opgenomen.

Waarde - Archeologie middelhoog

De gronden met deze dubbelbestemming zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de archeologische waarden. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van het bouwen van het bijgebouw of uitbreiden van een bestaand hoofdgebouw met maximaal 2.500 m2. Ook het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is toegestaan voor zover geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld. Ter bescherming van de archeologische waarden van deze gronden is een omgevingsvergunning aanlegactiviteit opgenomen.

Hoofdstuk 8 Procedure

8.1 De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt als (voor-)ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten:

a. Voorbereiding:

Vooroverleg met instanties

Watertoets

Inspraak (niet verplicht)

b. Ontwerp:

1e ter inzage legging (ontwerp bestemmingsplan)

c. Vaststelling:

Vaststelling door de Raad

2e ter inzage legging (vastgesteld bestemmingsplan)

d. Beroep:

(Gedeeltelijk) onherroepelijk bestemmingsplan

Reactieve aanwijzing

Beroep bij Raad van State

In het kader van deze procedure kunnen gedurende de ter inzageligging van het ontwerp bestemmingsplan zienswijzen worden ingesteld. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.

8.2 Kennisgeving voorbereiding

Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 5 juli 2017 kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Medevoort tussen 2 en 10'. Hierbij is aangegeven dat dit bestemmingsplan een herziening betreft van het geldende bestemmingsplan voor het plangebied in verband met de bouw van vier woningen aan de Medevoort in Helmond.

8.3 Vooroverleg met instanties

Tot de voorbereiding van dit bestemmingsplan behoort het overleg met de daarvoor in aanmerking komende instanties. Instanties die blijkens hun werkterrein, belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben, bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de bouw van vier woningen, waarvan 3 op basis van het Ruimte voor Ruimte principe. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap. Zowel de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap hebben een reactie ingebracht. De reactie van de Provincie Noord- Brabant heeft vervolgens tot een planaanpassing geleid. De reactie van het waterschap heeft geen aanleiding gegeven tot planaanpassing.

8.4 Ontwerp/vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 31-10-2019 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er 2 zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan kenbaar gemaakt. Deze zijn samengevat in de Nota van Zienswijzen die is bijgevoegd in Bijlage 11. Naar aanleiding daarvan wordt het bestemmingsplan niet gewijzigd. Het bestemmingsplan is daarna in de raadsvergadering van 14 april 2020 vastgesteld door de raad van de gemeente Helmond.