direct naar inhoud van Artikel 5 Bedrijf - 3
Plan: Bedrijventerrein De Kade
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0772.80131-0301

Artikel 5 Bedrijf - 3

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Bedrijf - 3´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven behorende tot de categorieën 1 tot en met 3.2 zoals genoemd in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten", tenzij een andere maximale toegestane categorie op de verbeelding is aangegeven, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen, zelfstandige kantoorvestigingen en detailhandel;
  • b. tevens voor bedrijven behorende in een hogere dan de maximaal toegestane categorie, voorzover de locatie met de toegestane SBI-code en categorie is vermeld in onderstaande tabel en zoals op de verbeelding aangeduid als "specifieke vorm van bedrijf 3-1":

Adres (locatie)   SBI-code   Categorie  
Kanaaldijk Noord 123   21.7.1   4.1  
Kanaaldijk Noord 161   23611.2   4.2  
Ruysdaelhof 2   2453, 2454.1   4.2  
Kanaaldijk Noord 51   222.1   4.1  
Quinten Matsyslaan 31   162   3.2  
Quinten Matsyslaan 35   1812   3.2  
Quinten Matsyslaan 67   102.5   3.2  

  • c. tevens voor een risicovolle inrichting met een hogere dan de maximaal toegestane categorie, voorzover de locatie met de toegestaane SBI-code en categorie is vermeld in onderstaande tabel en zoals op verbeelding aangeduid als "specifiek vorm van bedrijf 3-2":

Adres (locatie)   SBI-code   Categorie  
Quinten Matsyslaan 33   46712.3   4.2  
Quinten Matsyslaan 59   2561, 3311.12   3.2  

  • d. detailhandel, uitsluitend voorzover het detailhandel in grove bouwmaterialen betreft;
  • e. productiegebonden detailhandel deel uitmakend van bedrijven vermeld onder a. en b., met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;
  • f. kantooractiviteiten, voor zover deel uitmakend van en ondergeschikt aan de bedrijven vermeld onder a. en b.;
  • g. tevens voor praktijkgericht beroepsonderwijs dat gerelateerd is aan een bedrijventerrein ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - 3";
  • h. tevens voor sportieve en/of recreatieve doeleinden in de vorm van een roeivereniging, met de daarbij behorende ondersteunende voorzieningen ten dienste van deze doeleinden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - 1';
  • i. tevens voor verkooppunt van motorbrandstoffen, met uitzondering van LPG ter plaatse van de aanduiding "verkooppunt van motorbrandstoffen (zonder LPG)";

met de daarbij behorende:

  • j. inpandige bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning - 1", met dien verstande dat het woonoppervlak niet mag worden uitgebreid;
  • k. niet inpandige bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning - 2";
  • l. erven en terreinen;
  • m. parkeervoorzieningen;
  • n. groenvoorzieningen;
  • o. nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  • p. infrastructurele voorzieningen;
  • q. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • r. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding `bouwvlak´ worden gebouwd;
  • b. de maximale bouwhoogte van een gebouw bedraagt 12 m;

5.2.2 Niet inpandige bedrijfswoningen

Voor het bouwen van niet inpandige bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning - 2';
  • b. de maximale bouwhoogte is 10 m;
  • c. de maximale goothoogte is 6 m;
  • d. het aantal bedrijfswoningen mag niet toenemen;

5.2.3 Aan- en bijgebouwen bij niet inpandige bedrijfswoningen

Voor het bouwen van aan- en bijgebouwen en uitbouwen bij niet inpandige bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen bij een bedrijfswoning mag per woning niet meer bedragen dan 75 m2;
  • c. de maximale goothoogte van aan- en bijgebouwen of uitbouwen is per bedrijfswoning 3,5 m, met dien verstande dat de goothoogte van een aan- en bijgebouw of uitbouw niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw.

5.2.4 Nutsvoorzieningen en voorzieningen voor duurzame energie

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  • a. de maximale hoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • b. de oppervlakte mag niet meer dan 15 m2 bedragen;
  • c. indien de bestaande hoogte hoger is en/of de bestaande oppervlakte groter, dan geldt de bestaande maatvoering als maximale hoogte en oppervlakte.

5.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is 2,5 m;
  • b. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclame is 5,5 m;
  • c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 12 m;
  • d. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1', is 20 m;
  • e. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2', is 50 m.

5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Risicovolle inrichtingen
  • a. nieuwe risicovolle inrichtingen zijn niet toegestaan;
  • b. een risicovolle inrichting is slechts toegestaan voorzover aangeduid op de verbeelding en voorzover de PR 10-6/jaar contour van die inrichting binnen de eigen bouwperceelsgrens blijft;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b, is een risicovolle inrichting waarvan de PR 10-6/jaar contour buiten de eigen bouwperceelsgrens ligt, toegestaan, mits de PR 10-6/jaar contour zoals op de verbeelding aangeduid met "veiligheidszone - bevi", niet wordt vergroot of gewijzigd;
  • d. binnen de PR 10-6/jaar contour zijn geen kwetsbare objecten toegestaan;
  • e. permanente bulkopslag van meer dan 1 m3 van tot vloeistof verdichte brandbare gassen moet ondergronds plaatsvinden;
  • f. het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen mag niet reiken buiten het plangebied van het bestemmingsplan.
  • g. in afwijking van het bepaalde in sub f mag het invloedsgebied van een risicovolle inrichting buiten de plangrens liggen, voor zover dit invloedsgebied buiten de plangrens niet verandert ten opzichte van de vergunde situatie zoals vastgelegd in Bijlage 2 Invloedsgebieden buiten de plangrens van risicovolle inrichtingen.

5.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 5.1wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van bedrijfsgebouwen voor bewoning anders dan als bedrijfswoning;
  • b. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan vermeld in lid 5.1;
  • c. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • d. gebruik van bedrijfsgebouwen voor kantoordoeleinden, anders dan ten dienste van het aldaar gevestigde bedrijf.

5.4 Afwijken van de gebruiksregels
5.4.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 onder a en tevens bedrijven in een hogere categorie toestaan of bedrijven die niet voorkomen in de `Lijst van bedrijfsactiviteiten´, mits:

  • a. het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan;
  • b. het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen of zelfstandige kantoorvestigingen.

5.4.2 Afwijken van de gebruiksregels risicovolle inrichtingen

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.3.1 sub f en toestaan dat het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen reikt buiten de plangrens van het bestemmingsplan, mits gelegen over infrastructuur, water of openbaar groen en het groepsrisico wordt verantwoord conform artikel 13 Bevi.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan te wijzigen in het geval dat de de PR 10-6/jaar contour zoals op de verbeelding aangeduid met "veiligheidszone - bevi":

  • a. vervalt, indien uit nader onderzoek is gebleken dat de ter plaatse gelegen risicovolle inrichting buiten werking is gesteld of;
  • b. wordt verkleind, indien uit nader onderzoek is gebleken dat de plaatsgebonden risicocontour van de PR10-6/jaar contour als gevolg van een wijziging in die risicovolle inrichting kleiner is geworden.

Alvorens toepassing te verlenen aan het bepaalde in lid 5.5 onder a of b winnen burgemeester en wethouders advies in bij de veiligheidsregio.