direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Woongebied Veldhoek te Eersel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0770.TOBVeldhoek0119-VAST

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Veldhoek te Eersel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22a’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, met uitzondering van:
    • a. de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet, voor zover het betreft de gronden ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone 1'.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Veldhoek te Eersel, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOBVeldhoek0119-VAST zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.

Artikel 4 Doelen

  • 1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  • 2. De gemeente Eersel staat voor een nieuwe periode van groei waarin behoefte bestaat aan het realiseren van nieuwe woningen in verschillende woonmilieus.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Agrarisch - Agrarisch gebied

5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch - Agrarisch gebied' heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch, met dien verstande dat het verboden is om gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen, anders dan met gebruik van niet-chemische middelen en/of methoden;
  • b. extensief recreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen, waaronder paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering, e.d.;
  • c. doeleinden van openbaar nut;
  • d. erfbeplanting;
  • e. behoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische en landschappelijke waarden ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - cultuurhistorisch vlak';

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen.

5.2 Beoordelingsregels bouwwerken
5.2.1 Verboden bouwwerken

Het is verboden om de volgende bouwwerken op te richten:

  • a. gebouwen;
  • b. veldschuren.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de in 5.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m mag bedragen;
    • 2. het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan;
    • 3. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m, (indien en voorzover er sprake is van een bouwwerk);
    • 4. overige teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3 m;
  • b. Ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m.
  • c. Bouwwerken ten behoeve van schuilvoorzieningen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3,5 m en een maximale oppervlakte van 10 m².
5.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze maatwerkvoorschriften mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.

5.4 Vergunningplichten
5.4.1 Paardenbak t.b.v. hobbymatig gebruik
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning paardenbakken op te richten.
  • b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om paardenbakken ten behoeve van hobbymatig gebruik toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd ter plaatse van een bouwvlak of binnen een ander aangrenzend werkingsgebied;
    • 2. de paardenbak wordt aansluitend aan het werkingsgebied 'Woongebied' gesitueerd;
    • 3. de paardenbak wordt zodanig gesitueerd dat deze landschappelijk wordt ingepast;
    • 4. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
    • 5. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m², tezamen met de oppervlakte die binnen het werkingsgebied 'Woongebied' wordt gesitueerd;
    • 6. er is maximaal één paardenbak toegestaan;
    • 7. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
    • 8. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent kan advies worden ingewonnen bij het waterschap;
    • 9. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.4.2 Aanbrengen van oppervlakteverhardingen
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen groter dan 200 m² aan te leggen.
  • b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om oppervlakteverhardingen groter dan 200 m² toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik;
    • 2. er vindt geen onevenredige aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden plaats.
5.4.3 Werkzaamheden binnen werkingsgebied 'cultuurhistorisch vlak'
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - cultuurhistorisch vlak' uit te voeren:
    • 1. het beplanten van gronden met houtgewas;
    • 2. het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
    • 3. het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
    • 4. het wijzigen van de historische kavelindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven;
  • b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om de onder a. bedoelde werkzaamheden toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. er vindt geen aantasting plaats van het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
    • 2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de openheid van de open akkers;
    • 3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
    • 4. de werkzaamheden dragen bij aan het herstel van verstoorde waarden (waaronder het terugbrengen van bolle akkers).

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:

  • a. bermen en beplantingen;
  • b. speelvoorzieningen;
  • c. voorzieningen voor langzaam verkeer;
  • d. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  • e. calamiteitenroutes;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. buurtontsluitingswegen, uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'ontsluiting';
  • h. erfontsluitingswegen, uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke vorm van groen - erfontsluiting';

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

6.2 Beoordelingsregels bouwwerken
6.2.1 Verbod

Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.

6.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 6.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

Artikel 7 Tuin

7.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Tuin' heeft de volgende functies:

  • a. tuinen, erven en verhardingen;
  • b. in- en uitritten;

een en ander met bijbehorende voorzieningen.

7.2 Beoordelingsregels bouwwerken
7.2.1 Gebouwen

Op deze gronden mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.26 en 22.27, geen gebouwen worden gebouwd.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Op deze gronden mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.26 en 22.27, geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten behoeve van de in 7.1 bedoelde functies verlenen, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1,80 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
    • 2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 8 Verkeer - Openbaar gebied

8.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer - Openbaar gebied' heeft de volgende functies:

  • a. wegen, straten en voorzieningen voor langzaam verkeer;
  • b. bermen en beplantingen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  • e. nutsvoorzieningen;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

8.2 Beoordelingsregels bouwwerken
8.2.1 Verbod

Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.

8.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 8.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • c. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 4 m.
8.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. het voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • d. de sociale veiligheid.

Artikel 9 Woongebied

9.1 Oogmerk

De regels over 'Woongebied' in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het benutten en ontwikkelen van woonlocaties, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. het beschermen van gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en,
  • c. het behoud en de samenstelling van de woningvoorraad, als bedoeld in de specifieke doelstellingen voor dit deelgebied.
9.2 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • a. Dit lid is van toepassing op het werkingsgebied 'Woongebied'.
  • b. De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
    • 1. wonen in een woning;
    • 2. tuinen, erven en verhardingen;
    • 3. openbare ruimte, met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'ontsluiting' een doorgaande ontsluitingsweg voor gemotoriseerd verkeer is toegestaan;
    • 4. nutsvoorzieningen in de openbare ruimte;
  • c. Een ander gebruik van een woning, of van bij een woning behorende opstallen, dan voor wonen, is uitsluitend toegestaan voor zover dit in deze paragraaf is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels.
9.3 Specifieke regels over het gebruik
9.3.1 Aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid
a Toegestane gebruiksvormen

Het is toegestaan om een gedeelte van een woning voor aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid te gebruiken, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. De omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m².
  • b. Het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte.
  • c. De activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving.
  • d. Er is geen sprake van detailhandel.
  • e. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
b Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gedeelte van een woning te gebruiken voor een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid a.

c Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in b wordt alleen verleend als:

  • a. een gedeelte van een woning wordt gebruikt voor één praktijkruimte met een maximale oppervlakte van 100 m² aansluitend aan een woning;
  • b. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • c. sprake is van lichte bedrijvigheid die voorkomt in Bijlage 3, dan wel naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de in Bijlage 3 toegelaten milieucategorie A.

9.3.2 Aanleg en instandhouding groenvoorziening Heibloem 10

Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke bouwaanduiding - Heibloem 10' in gebruik te nemen en gebruikt te houden voor woningen, zonder de aanleg en instandhouding van een groenvoorziening ter plaatse van werkingsgebied 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing woonkavel', uiterlijk binnen één jaar na ingebruikname van de eerste woning.

9.4 Beoordelingsregels bouwwerken
9.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in 9.2 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Ter plaatse van de waarde 'aantal woningen' is het maximum aantal toegestane woningen, de daar bepaalde waarde.
  • b. Het totale maximum aantal woningen, niet zijnde bestaande woningen, binnen het werkingsgebied 'Woongebied' gezamenlijk bedraagt 203 woningen, met dien verstande dat:
    • 1. in geval van vervangende nieuwbouw van bestaande woningen, de vervangende nieuwbouw niet bij de bepaling van het genoemde maximum wordt meegeteld, mits het bestaande aantal woningen niet vergroot wordt;
    • 2. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol' splitsing van een bestaande woning in 2 woningen is toegestaan.
  • c. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd in de volgende typologieën:
    • 1. vrijstaande woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'vrijstaand';
    • 2. twee-aaneen gebouwde woningen en geschakelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'twee-aaneen';
    • 3. aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'aaneengebouwd';
    • 4. rug-aan-rug gebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied buurt' dan wel 'overige zone - woongebied gaard';
    • 5. gestapelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied buurt' dan wel 'overige zone - woongebied gaard';
  • d. In aanvulling op het bepaalde onder a., is per locatie 'overige zone - woongebied erf' tevens maximaal één hoofdgebouw in de vorm van een langgeveltype toegestaan aan het lint;
  • e. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen en niet zijnde hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden de beoordelingsregels in lid 9.4.2
  • f. Voor bestaande hoofdgebouwen, niet zijnde hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden de beoordelingsregels in lid 9.4.3;
  • g. Voor het bouwen van hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels' gelden de beoordelingsregels in lid 9.4.4;
  • h. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen, gelden de beoordelingsregels in lid 9.4.5.
  • i. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bestaande hoofdgebouwen gelden de beoordelingsregels in lid 9.4.5.
9.4.2 Nieuwe hoofdgebouwen

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen:

  • a. De voorgevellijn mag uitsluitend worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. De overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
    • 2. Een erker mag uit maximaal 1 bouwlaag bestaan.
    • 3. De breedte van de overschrijding mag in totaal niet meer dan de helft van de breedte van het hoofdgebouw bedragen.
    • 4. De afstand tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
    • 5. In afwijking van het bepaalde onder a.4, mag bij rug-aan-rug gebouwde en aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard' de afstand tot de voorste perceelsgrens 0 m bedragen, mits sprake is van een aanpandige berging, waarvan het dakvlak onderdeel uitmaakt van het dakvlak van het hoofdgebouw.
  • b. De afstand van een hoofdgebouw tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2,5 m en niet meer bedragen dan 5 m. In afwijking van het voorgaande mag de afstand tot de voorste perceelsgrens:
    • 1. niet minder dan 1,2 m bedragen, voor zover de voorgevel van het hoofdgebouw georiënteerd is op het werkingsgebied 'Groen';
    • 2. niet minder dan 2 m bedragen voor het woningtype langgevelboerderij, zoals opgenomen in het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek, ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf';
    • 3. minder bedragen dan 2,5 meter, indien het hoofdgebouw is gelegen binnen het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf' én voor zover deze georiënteerd is op een gezamenlijk erf, zoals opgenomen in het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek;
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan:
    • 1. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied buurt': 6,5 m, met dien verstande dat de goothoogte ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke vorm van woongebied - landschapszijde' aan de naar het werkingsgebied 'Groen' gekeerde zijde niet meer mag bedragen dan 3,5 m;
    • 2. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf': 3,5 m;
    • 3. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard': 6,5 m;
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan:
    • 1. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied buurt': 11 m;
    • 2. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf': 10 m;
    • 3. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard': 11 m;
  • e. De dakhelling mag:
    • 1. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied buurt' niet minder bedragen dan 40 graden en niet meer bedragen dan 50 graden;
    • 2. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf' niet minder bedragen dan 35 graden en niet meer bedragen dan 45 graden, met dien verstande dat de dakhelling bij langgeveltypen niet minder mag bedragen dan 40 graden en niet meer mag bedragen dan 50 graden;
    • 3. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard' niet minder bedragen dan 35 graden en niet meer bedragen dan 50 graden;
  • f. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;
    • 3. rug-aan-rug gebouwde woningen, gestapelde woningen en aaneengebouwde woningen alleen bij de eindwoningen aan één zijde niet minder bedragen dan 2 m, met dien verstande dat indien het hoofdgebouw grenst aan het openbaar gebied, de afstand 0 m mag bedragen.
    • 4. langgeveltypen, in afwijking van het voorgaande, aan één zijde niet minder bedragen dan 1 m.
  • g. De diepte van een hoofdgebouw mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen niet meer bedragen dan 15 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen niet meer bedragen dan 12 m;
    • 3. aaneengebouwde woningen niet meer bedragen dan 11 m;
    • 4. rug-aan-rug gebouwde woningen en gestapelde woningen niet meer bedragen dan 15 m voor de totale bouwmassa.
  • h. Voor de verhouding tussen de lengte van gevels van hoofdgebouwen, alsmede voor de oriëntatie van woningen en gevels, dient te worden voldaan aan de lengte-breedteverhouding, zoals opgenomen in het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek, dan wel de (rechts)opvolger daarvan.
9.4.3 Bestaande hoofdgebouwen

Voor bestaande hoofdgebouwen, niet zijnde hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden, in aanvulling op lid 9.4.1, de volgende beoodelingsregels:

  • a. De afstand tot de voorste en achterste bouwperceelsgens moet minimaal 3 m bedragen. Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
  • b. De afstand tot de weg moet minimaal 15 m bedragen. Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
  • c. De dakhelling mag maximaal 60 graden bedragen.
  • d. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande goothoogte als maximum.
  • e. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m, tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximum.
  • f. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;

Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.

  • g. De diepte van een hoofdgebouw mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen niet meer bedragen dan 15 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen niet meer bedragen dan 12 m.

Indien de bestaande diepte meer bedraagt, dan geldt de bestaande diepte als maximum.

9.4.4 Hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - particuliere woonkavels'
a Hoofdgebouwen in bestaande bebouwing

Voor hoofdgebouwen in bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden, in aanvulling op lid 9.4.1, de volgende beoordelingsregels:

  • a. Het aantal woningen bedraagt maximaal het bestaande aantal woningen, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol' dan wel 'specifieke bouwaanduiding - Plaatse 8' in afwijking van 9.4.1 splitsing van een bestaande woning in twee twee-aaneen gebouwde woningen is toegestaan, mits wordt voldaan aan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal;
    • 2. ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke bouwaanduiding - Stokkelen 3' in afwijking van lid 9.4.1 maximaal twee aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'twee-aaneen' zijn toegestaan, in bestaande bebouwing dan wel in vervangende nieuwbouw na sloop van de bestaande bebouwing, mits wordt voldaan aan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal;
  • b. Ter plaatse van de werkingsgebieden 'specifieke bouwaanduiding - Stokkelen 3' en 'specifieke bouwaanduiding - Plaatse 8' zijn hoofdgebouwen van bestaande, dan wel te herbouwen woningen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.
  • c. De afstand tot de bouwperceelsgens moet minimaal 3 m bedragen. Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
  • d. De afstand tot de weg moet minimaal 15 m bedragen. Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
  • e. De dakhelling mag maximaal 60 graden bedragen.
  • f. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande goothoogte als maximum.
  • g. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m, tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximum.
  • h. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;

Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.

  • i. De diepte van een hoofdgebouw mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen niet meer bedragen dan 15 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen niet meer bedragen dan 12 m.

Indien de bestaande diepte meer bedraagt, dan geldt de bestaande diepte als maximum.

b Nieuwe hoofdgebouwen

Voor het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden in aanvulling op lid 9.4.1, de volgende beoodelingsregels:

  • a. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.
  • b. Het aantal woningen, inclusief bestaande woningen, dient te voldoen aan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal.
  • c. Het aantal nieuw te bouwen woningen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - Heibloem 8 en 8a', 'specifieke bouwaanduiding - Plaatse 8' en 'specifieke bouwaanduiding - Stokkelen 3' is maximaal één woning per bouwvlak.
  • d. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd in de volgende typologieën:
    • 1. vrijstaande woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'vrijstaand';
    • 2. twee-aan gebouwde woningen en geschakelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'twee-aaneen';
    • 3. aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'aaneengebouwd';
  • e. De voorgevellijn mag uitsluitend worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. De overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
    • 2. Een erker mag uit maximaal 1 bouwlaag bestaan.
    • 3. De breedte van de overschrijding mag in totaal niet meer dan de helft van de breedte van het hoofdgebouw bedragen.
    • 4. De afstand tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • f. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf';
  • g. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf';
  • h. De dakhelling mag ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied erf' niet minder bedragen dan 35 graden en niet meer bedragen dan 45 graden, met dien verstande dat de dakhelling bij langgeveltypen niet minder mag bedragen dan 40 graden en niet meer mag bedragen dan 50 graden;
  • i. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;
    • 3. rug-aan-rug gebouwde woningen, gestapelde woningen en aaneengebouwde woningen alleen bij de eindwoningen aan één zijde niet minder bedragen dan 2 m, met dien verstande dat indien het hoofdgebouw grenst aan het openbaar gebied, de afstand 0 m mag bedragen.
    • 4. langgeveltypen, in afwijking van het voorgaande, aan één zijde niet minder bedragen dan 1 m.
  • j. De diepte van een hoofdgebouw mag bij:
    • 1. vrijstaande woningen niet meer bedragen dan 15 m;
    • 2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen niet meer bedragen dan 12 m;
    • 3. aaneengebouwde woningen niet meer bedragen dan 11 m;
    • 4. rug-aan-rug gebouwde woningen en gestapelde woningen niet meer bedragen dan 15 m voor de totale bouwmassa.
  • k. Voor de verhouding tussen de lengte van gevels van hoofdgebouwen, alsmede voor de oriëntatie van woningen en gevels, dient te worden voldaan aan de lengte-breedteverhouding, zoals opgenomen in het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek, dan wel de (rechts)opvolger daarvan. Indien op een bouwvlak de aanduiding 'gevellijn' is opgenomen, dient het hoofdgebouw op de betreffende gevellijn te worden georiënteerd.

9.4.5 Bijbehorende bouwwerken
a Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken algemeen
  • a. Het is verbonden om zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen.
  • b. Het bevoegd gezag verleent de bedoelde omgevingsvergunning, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 5 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
    • 2. bij vrijstaande hoofdgebouwen dient één der zijstroken vrij van bijbehorende bouwwerken te blijven tot 3 m achter de achtergevellijn.
    • 3. op hoekpercelen dienen bijbehorende bouwwerken achter (het verlengde van) de zijgevellijn te worden gebouwd.
    • 4. het bebouwingspercentage van de gronden achter de achtergevelrooilijn mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 100 m² per woning.
    • 5. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,20 m.
    • 6. met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:
      • van bijbehorende bouwwerken mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m, behoudens het bepaalde onder 2 en 3 hierna.
      • indien bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m, behoudens het hierna onder 3 bepaalde.
      • indien bijbehorende bouwwerken aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten worden gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.
    • 7. In afwijking van het voorgaande gelden ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard' voor het bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken de regels, zoals opgenomen in lid 9.4.2 sub a.
b Beoordelingsregels bijbehorende bouwregels bestaand bijgebouw
  • a. Ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke bouwaanduiding - bestaand bijgebouw' is een bijbehorend bouwwerk, behorende bij het bouwperceel Stokkelen 7, toegestaan.
  • b. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke bouwaanduiding - bestaand bijgebouw' gelden, in afwijking van het bepaalde in lid 9.4.5 onder a, sub b. de volgende beoordelingregels:
    • 1. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte.
    • 2. De goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte.
c Verbod

Ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard' zijn bijgebouwen niet toegestaan.

9.4.6 Praktijkruimte
  • a. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van artikel 9.4.5 onder a, een omgevingsvergunning voor de bouw van een praktijkruimte die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde beoordelingsregels toch verlenen, als de activiteit niet in strijd is met de volgende beoordelingsregels:
    • 1. De vloeroppervlakte mag niet meer dan 100 m² bedragen, met dien verstande, dat ten hoogste 50% van de gronden gelegen achter de achtergevellijn van het hoofdgebouw mogen worden bebouwd.
    • 2. Bebouwing dient op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van de woning te worden gebouwd.
    • 3. De bebouwing dient te zijn georiënteerd op en rechtstreeks bereikbaar te zijn vanaf de openbare weg.
    • 4. De goothoogte mag niet meer dan 3,5 m bedragen.
    • 5. Met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:
      • van de bebouwing mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m, behoudens het bepaalde onder punt 2 en 3 hierna;
      • indien de bebouwing wordt gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3,2 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m, behoudens het hierna onder punt 3 bepaalde;
      • indien de bebouwing aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten wordt gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.
9.4.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
a Verbod

Ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard' zijn overkappingen niet toegestaan.

b Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Overkappingen dienen op een afstand van ten minste 5 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. Op hoekpercelen dienen overkappingen op een afstand van ten minste 1 m achter de zijgevellijn te worden gebouwd.
  • c. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1,8 m bedragen, met dien verstande dat:
    • 1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bij rug-aan-rug gebouwde woningen niet meer mag bedragen dan 1,2 m;
    • 2. de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel; niet meer mag bedragen dan 1 m;
    • 3. de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen ter plaatse van het werkingsgebied 'woongebied - gaard' niet meer mag bedragen dan 1 m.
  • d. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • e. De gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 20 m² per woning.
9.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
9.5.1 Afstand tot voorste perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub b, een hoofdgebouw op kortere afstand van de voorste perceelsgrens toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afstand tot de voorste perceelsgrens bedraagt minimaal 1,2 m;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek;
  • c. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
9.5.2 Goothoogte aan de landschapszijde

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub c voor het toestaan van hogere goothoogte aan de landschapszijde, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek.
9.5.3 Bouwhoogte ter plaatse van 'specifieke vorm van woongebied - erf'

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub d voor het toestaan van hogere bouwhoogte ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke vorm van woongebied - erf', mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek.
9.5.4 Dakhelling

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub e voor het toestaan van een afwijkende dakhelling, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:

  • a. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek.
9.5.5 Afstand tot zijdelingse perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub f voor het toestaan van een hoofdgebouw op kortere afstand van de voorste perceelsgrens, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor twee-aan gebouwde en geschakelde woningen mag aan één zijde niet minder bedragen dan 2 m;
  • b. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor de eindwoning van aaneengebouwde woningen mag aan één zijde 0 m bedragen, mits deze zijde grenst aan het openbaar gebied;
  • c. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek;
  • d. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
9.5.6 Diepte hoofdgebouw

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub g voor het toestaan van een grotere diepte van een hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de diepte van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 15 m voor zover de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek.
9.5.7 Afstand aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot zijgevellijn

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.5 voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de hoofdgebouwen op de zijpercelen;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek;
  • c. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
9.5.8 Afstand overkappingen tot zijgevellijn

Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.7 sub b voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor overkappingen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de hoofdgebouwen op de zijpercelen;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek, dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
  • c. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
9.6 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden
9.6.1 Toepassingsbereik

Dit lid is alleen van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - geluidaandachtsgebied'.

9.6.2 Beoordelingsregel geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - geluidaandachtsgebied' alleen verleend als de mate van geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, waarbij het bevoegd gezag toetst aan de normstelling en het beoordelingskader, zoals opgenomen in § 5.1.4.2a.4. van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

9.6.3 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 9.6.2, maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van de gezondheid. Als maatwerkvoorschrift kunnen in ieder geval voorschiften worden gesteld met betrekking tot:

  • a. de realisatie van voldoende gevelwering, waarbij het bevoegd gezag toetst aan de normstelling en het beoordelingskader, zoals opgenomen in § 5.1.4.2a.4. van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • b. de realisatie van dove gevels;
  • c. de realisatie van overdrachtsmaatregelen;
  • d. de indeling van ruimten binnen een bouwwerk.
9.6.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in 9.6.2, worden voor de toetsing aan de beoordelingsregels in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een door een deskundige opgesteld akoestisch onderzoek;
  • b. een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
    • 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
    • 2. de situering van de bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
    • 3. het beoogd gebruik van de ruimten binnen de bouwwerken.
  • c. als de standaardwaarde, bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat voldoende maatregelen worden getroffen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat desondanks te kunnen garanderen.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 4.2

10.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

10.2 Beoordelingsregels bouwwerken

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 4.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:

  • a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  • b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  • c. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².
10.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.

De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

10.4 Vergunningplicht voor afwijken
10.4.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
10.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart

De omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.

10.4.3 Advies archeologisch deskundige

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 10.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 10.5.1 vervatte verbod geldt niet:

  • a. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 500 m²;
  • b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • c. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 10.4.1.
10.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.5.4 Advies deskundige

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 5.2

11.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

11.2 Beoordelingsregels bouwwerken

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 5.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:

  • a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  • b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  • c. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 2.500 m².
11.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.

De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

11.4 Vergunningplicht voor afwijken
11.4.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
11.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart

De omgevingsvergunning als bedoeld in 11.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.

11.4.3 Advies archeologisch deskundige

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 11.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
11.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 11.5.1 vervatte verbod geldt niet:

  • a. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 2.500 m²;
  • b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • c. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 11.4.1.
11.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 11.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
11.5.4 Advies deskundige

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.

13.2 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:
    • a. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
    • b. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
    • c. waterhuishoudkundige voorzieningen;
    • d. openbare nutsvoorzieningen.
  • 2. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
  • 3. Voor de bouwwerken als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden de volgende voorwaarden:
    • a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
    • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
    • c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
13.3 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen
  • 1. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen:
    • a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;
    • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;
    • c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;
    • d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en,
    • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
  • 2. Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
    • a. niet hoger dan 4 meter; en,
    • b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
  • 3. Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.
13.4 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:

  • a. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2;
  • b. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 13.2 t/m 13.3.

Artikel 14 Algemene gebruiksregels

14.1 Verbod

Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • b. detailhandel;
  • c. seksinrichting;
  • d. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  • e. mestbewerking ten behoeve van niet door het gevestigde agrarische bedrijf ter plaatse geproduceerde mest.
14.2 Toegestane functies

Het is toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende functies:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
  • c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
14.3 Waterberging
  • a. Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'Woongebied' te gebruiken indien de waterberging niet binnen 3 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak, met dien verstande dat bij vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen de waterbergingsopgave volledig op eigen terrein dient te worden gerealiseerd en vervolgens in stand dient te worden gehouden.
  • b. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing voor de woningen die reeds aanwezig waren ten tijde van de ter inzage van het ontwerp TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Woongebied Veldhoek te Eersel.
14.4 Kwaliteitsverbetering landschap
  • a. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden voor wonen in woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'Woongebied' is uitsluitend toegestaan indien:
    • 1. ten minste 1% van de grondopbrengsten dient te worden geïnvesteerd als landschappelijke kwaliteitsverbetering;
    • 2. dit bedrag dient te worden gestort in het gemeentelijke groenfonds en gelabeld te worden.
    • 3. een landschappelijk inpassingsplan is opgesteld;
    • 4. het landschappelijk inpassingsplan voldoet aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de rechtsopvolger daarvan;
    • 5. de landschappelijke kwaliteitsverbetering zoals bedoeld in sub a t/m c binnen maximaal 5 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan wordt gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
  • b. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing:
    • 1. voor de woningen die reeds aanwezig waren ten tijde van de ter inzage van het ontwerp TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Woongebied Veldhoek te Eersel;
    • 2. op de gronden ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels'.

14.5 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebieden 'milieuzone - spuitzone 1' en 'milieuzone - spuitzone 2'
14.5.1 Verbod

Ter plaatse van de werkingsgebieden 'milieuzone - spuitzone 1' en 'milieuzone - spuitzone 2' is het verboden om gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen, anders dan met gebruik van niet-chemische middelen en/of methoden.

14.5.2 Wijziging werkingsgebied

Het bevoegd gezag kan het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone 1' en/of 'milieuzone - spuitzone 2' verwijderen dan wel verkleinen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. uit onderzoek is gebleken dat de spuitzone kan worden verkleind al dan niet in combinatie met het treffen van maatregelen die de drift beperken ten behoeve van het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en/of
  • b. er sprake is van gewijzigde wet- en regelgeving, waardoor het hanteren van een spuitzone niet of niet meer in zijn geheel noodzakelijk is; en/of
  • c. het aanwezige agrarische bedrijf gesaneerd is en planologisch uitgesloten is dat een exploitatie met (mogelijk) gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen op de betreffende gronden toegstaan is.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten
  • a. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:

Parkeergelegenheid   a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
c. Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan.
d. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels.
e. De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden.  
Ruimte voor laden en lossen van goederen   a. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.
b. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.  
Afwijkingsmogelijkheden   Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien:
a. het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.  

  • b. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • 1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losrruimte; en,
    • 2. een parkeerbalans en toelichting hierop; en/of
    • 3. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
16.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.