| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Woongebied Veldhoek te Eersel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0770.TOBVeldhoek0119-VAST |
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Veldhoek te Eersel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22a’ gelezen worden.
Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch - Agrarisch gebied' heeft de volgende functies:
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen.
Het is verboden om de volgende bouwwerken op te richten:
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de in 5.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze maatwerkvoorschriften mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 6.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Tuin' heeft de volgende functies:
een en ander met bijbehorende voorzieningen.
Op deze gronden mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.26 en 22.27, geen gebouwen worden gebouwd.
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer - Openbaar gebied' heeft de volgende functies:
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 8.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
De regels over 'Woongebied' in dit artikel zijn gesteld met het oog op:
Het is toegestaan om een gedeelte van een woning voor aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid te gebruiken, mits wordt voldaan aan de volgende regels:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gedeelte van een woning te gebruiken voor een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid a.
De omgevingsvergunning als bedoeld in b wordt alleen verleend als:
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke bouwaanduiding - Heibloem 10' in gebruik te nemen en gebruikt te houden voor woningen, zonder de aanleg en instandhouding van een groenvoorziening ter plaatse van werkingsgebied 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing woonkavel', uiterlijk binnen één jaar na ingebruikname van de eerste woning.
Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in 9.2 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen:
Voor bestaande hoofdgebouwen, niet zijnde hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden, in aanvulling op lid 9.4.1, de volgende beoodelingsregels:
Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
Indien de bestaande diepte meer bedraagt, dan geldt de bestaande diepte als maximum.
Voor hoofdgebouwen in bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden, in aanvulling op lid 9.4.1, de volgende beoordelingsregels:
Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
Indien de bestaande diepte meer bedraagt, dan geldt de bestaande diepte als maximum.
Voor het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - particuliere woonkavels', gelden in aanvulling op lid 9.4.1, de volgende beoodelingsregels:
Ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard' zijn bijgebouwen niet toegestaan.
Ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied gaard' zijn overkappingen niet toegestaan.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub b, een hoofdgebouw op kortere afstand van de voorste perceelsgrens toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub c voor het toestaan van hogere goothoogte aan de landschapszijde, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub d voor het toestaan van hogere bouwhoogte ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke vorm van woongebied - erf', mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub e voor het toestaan van een afwijkende dakhelling, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub f voor het toestaan van een hoofdgebouw op kortere afstand van de voorste perceelsgrens, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub g voor het toestaan van een grotere diepte van een hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.5 voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Het bevoegd gezag kan een omgevingvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.7 sub b voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor overkappingen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
Dit lid is alleen van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - geluidaandachtsgebied'.
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - geluidaandachtsgebied' alleen verleend als de mate van geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, waarbij het bevoegd gezag toetst aan de normstelling en het beoordelingskader, zoals opgenomen in § 5.1.4.2a.4. van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 9.6.2, maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van de gezondheid. Als maatwerkvoorschrift kunnen in ieder geval voorschiften worden gesteld met betrekking tot:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in 9.6.2, worden voor de toetsing aan de beoordelingsregels in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 4.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.
De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 10.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
Het onder 10.5.1 vervatte verbod geldt niet:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 5.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.
De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in 11.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 11.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
Het onder 11.5.1 vervatte verbod geldt niet:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 11.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
Het is toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende functies:
Ter plaatse van de werkingsgebieden 'milieuzone - spuitzone 1' en 'milieuzone - spuitzone 2' is het verboden om gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen, anders dan met gebruik van niet-chemische middelen en/of methoden.
Het bevoegd gezag kan het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone 1' en/of 'milieuzone - spuitzone 2' verwijderen dan wel verkleinen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
| Parkeergelegenheid | a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan. b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan. c. Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan. d. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels. e. De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden. |
| Ruimte voor laden en lossen van goederen | a. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen. b. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden. |
| Afwijkingsmogelijkheden | Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien: a. het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. |