direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Korte Zeilkens 16 Neerkant
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0762.BP202202-C001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefneemster is eigenaar van de boerderij op de locatie Korte Zeilkens 16 te Neerkant. De boerderij betreft een woonboerderij waarbij op dit moment in het achterhuis paardenboxen aanwezig zijn. In het verleden waren er ook varkensstallen aanwezig.

De boerderij is door Architectuurhistoricus dhr. drs. M. Kruidenier van cultuurhistorisch onderzoeksbureau “De Onderste Steen” te Nijmegen, als karakteristiek en cultuurhistorisch van waarde bestempeld. In de beoordeling is de hoofdmassa in combinatie met de ligging in het landschap en de ver teruggaande karakteristieke historie, als belangrijkste eigenschappen meegenomen. De traditionele boerderij geeft een goed beeld en verhaal van de agrarische gebiedsontwikkeling van Deurne op deze plek.

De boerderij is niet beschermenswaardig als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol en daarmee zeker behoudenswaardig. Middels de splitsing van de woning kunnen de karakteristieke elementen van de woning teruggebracht worden. Vandaar dat initiatiefneemster het plangebied aan Korte Zeilkens 16 te Neerkant wenst om te vormen van de bestemming 'wonen' naar 'wonen' met functieaanduiding '2 woningen'.

Daarnaast is een woningsplitsing van groot belang voor het behoud van een gezonde financieel-economische waarde en -exploitatie van het pand. In de huidige vorm ontbreekt het namelijk aan een gezonde verhouding tussen toekomstige onderhoudskosten en financieel-economisch nut.

Voor het betreffende perceel geldt het bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan buitengebied' en heeft hierin de enkelbestemming 'Wonen' gekregen, met op een deel van het perceel de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Daarnaast rust de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone – wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 10' op het perceel.
Binnen deze bestemming is het splitsen van de woning niet toegestaan.

Bij schrijven van 27 mei 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne te kennen gegeven medewerking te willen verlenen aan de woningsplitsing, onder de voorwaarde dat hiertoe het bestemmingsplan wordt herzien.

Het voorliggende bestemmingsplan 'Korte Zeilkens 16 Neerkant ' voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling voor het project .

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie U nummer 1129 (gedeeltelijk) en plaatselijk als Korte Zeilkens 16 te Neerkant. Dit perceel beslaat een oppervlakte van circa 2560 m2. Op onderstaande luchtfoto en uitsnede uit de kadastrale omgevingskaart is de ligging van het plangebied weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0002.jpg"

Afbeelding:Ligging plangebied

De kadastrale situatie is op onderstaande afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0003.jpg" Afbeelding: omgevingskaart

1.3 Voorgaand bestemmingsplan

Voor het te ontwikkelen plangebied vigeert het volgende bestemmingsplan:

Naam bestemmingsplan   Bestemming   Vaststelling Raad  
Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied   - Wonen'
- Waarde - Archeologie 3
- gebiedsaanduiding wetgevingszone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 10  
7 juli 2020  

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0004.jpg"

Afbeelding: Uitsnede verbeelding

Binnen deze bestemming is het niet mogelijk om de aanwezige woning te splitsen, omdat de woonboerderij niet vermeld is op de gemeentelijke erfgoedkaart. Voor de gewenste woningspltsing is het noodzakelijk om een bestemmingsplanprocedure te doorlopen.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een uitgebreide analyse van (de waarden van) het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling zelf. In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan het geldende ruimtelijke beleid. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de milieu-planologische aspecten. Hoofdstuk 6 bevat de waterparagraaf. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is neergelegd in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure inclusief de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Analyse van het plangebied

In dit hoofdstuk wordt de feitelijke situatie van het plangebied beschreven. Er wordt ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving. Ook worden de aanwezige gebiedswaarden (natuur en landschap, flora en fauna en cultuurhistorie) van het plangebied beschreven.

2.1 Beschrijving plangebied

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie U nummer 1129 (gedeeltelijk) en plaatselijk als Korte Zeilkens 16 te Neerkant, en bebouwd met een langgevelboerderij van bijna 100 jaar oud, een afhang welke onderdeel is van de hoofdmassa en een vrijstaand bijgebouw.

Het aanzicht van de bestaande situatie vanaf de openbare weg gezien ziet er als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0006.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0007.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0008.jpg"

Afbeeldingen van bestaande situatie

2.2 Ruimtelijke structuren

2.2.1 Ruimtelijke hoofdstructuur, stedenbouw en landschap

De straat Korte Zeilkens vormt een lus welke begint en eindigt aan de Heitrak, welke de verbinding vormt van de kern Neerkant (ten zuiden van het plangebied) en de A67 (ten noorden van het plangebied).

Neerkant is ontstaan langs de oude weg door de Peel en kreeg pas in 1890 een dorpskern, nabij het voormalige gehucht Moostdijk. Na de bouw van kerk en klooster aan het einde van de 19e eeuw kan van een echt dorp gesproken worden. Daarvoor bestond Neerkant uit een serie gehuchten op een smalle dekzandrug. Deze gehuchten waren onder meer de omgrachte hoeve Heitrak (oudste vermelding 1340), de Moostdijk (oudste vermelding 1421), Schelm, Schans en Broek. Neerkant ontstond als nederzetting in het gedeelte tussen Moostdijk en Heitrak.

Neerkant ligt op een hoge dekzandrug tussen twee moerassige hoogveengebieden, de Deurnese Peel en de Limburgse Peel. Halverwege de 19de eeuw begon men in de regio systematisch het veen (turf) voor brandstof te winnen. Aan de Brabantse kant werd het veen grotendeels door een maatschappij gewonnen. Daar werden voor het transport vaarten en kanalen gegraven. Door de vervening van kreeg Neerkant steeds meer landbouwgrond. Dit kenmerkt de omgeving nog steeds. Ten westen van Neerkant ligt een langgerekt maar smal bosgebied: De Neerkantse Bossen.

Het plangebied en directe omgeving laat een menging zien van woonfuncties, agrarische bedrijvigheid (al dan niet intensief) en enkele niet-agrarische bedrijven, waarbij de woonfunctieoverheerst in aantal.

Aan de zuidzijde grenzend aan het plangebied bevinden zich nog enkele te ontwikkelen woningbouwkavels.

 

2.2.2 Groen en water

De groenstructuur van Deurne is beschreven in het Groenstructuurplan buitengebied en kernen uit 16 december 2009. Op de bijbehorende kaart is het plangebied als volgt in de omgeving te zien:

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0009.jpg"

Afbeelding: uitsnede uit Groenstructuurplan

Het plangebied bevindt zich ten noorden van de Neerkantse Bossen, welke bossen grotendeels bestaan uit een monocultuur van grove den en een klein aandeel Amerikaanse eik en zomereik. Het bosgebied is in gebruik als uitloopgebied voor de bewoners van Neerkant en omgeving. Door de Neerkantse Bossen stroomt een beekloop die afwatert op de Astense Aa. Meanders in deze beekloop zorgen voor ecologische diversiteit en vergroting van de belevingskwaliteit.

Ten noorden en ten zuiden van Neerkant bevinden zich drie droge ecologische verbindingen. Hierdoor wordt het dal van de Astense Aa verbonden met de Deurnese Peel.

Ten noordwesten van Heitrak en het plangebied bevindt zich ‘t Veld van Os. Dit is een moerasbosje dat als zodanig in stand moet worden gehouden.

Onderhavig initiatief is dusdanig kleinschalig en beperkt van impact, dat dit geen effect heeft op de bestaande en te behouden groenstructuur.

2.3 Waarden van het plangebied e.o.

2.3.1 Gebiedsbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming wordt geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van het NNB (grijze vlakken), waarvan het meest nabijgelegen deel aan de overzijde van de Korte Zeilkens (ten westen van het plangebied) is gelegen. Dit deel van het NNB is in het Groenstructuurplan ook opgenomen als houtsingel haaks op beekloop. Deze houtsingel zal volledig onaangetast blijven en geen enkel effect ondervinden van onderhavig initiatief tot woningsplitsing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0010.jpg"

Afbeelding: versnipperd NNB nabij plangebied

Het lichtgroene vlak op onderstaande afbeelding heeft betrekking op de Deurnsche Peel en Mariapeel (op een afstand van ongeveer 1,2 km ten oosten van het plangebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0011.jpg"

Afbeelding: Natura 2000-gebieden

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten. Er dient te worden aangetoond dat met het beoogde plan geen negatieve effecten worden voorzien op de omliggende Natura 2000-gebieden. Bij een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Wanneer het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient een vergunning te worden aangevraagd en is nader aanvullend onderzoek noodzakelijk. De vergunning kan alleen worden verleend indien de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.

De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Dit betreffen 9 verkeersbewegingen extra ten opzichte van de huidige planologische situatie. Qua verwarming van de inpandig nieuw te realiseren woning zal géén gebruik worden gemaakt van gas, zodat hieruit geen extra emissies aan de orde zijn. Gelet op de ruime afstand tot het natura 2000-gebied (meer dan 1,2 km) en het zeer geringe aantal extra verkeersbewegingen kan op basis van ervaringsgegevens met zekerheid worden gesteld dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis daarvan is er geen ontheffing benodigd voor het aspect stikstof.

In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.

2.3.2 Soortenbescherming

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wnb wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wnb, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wnb ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wnb zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt.

Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is.

De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing.

Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wnb kan slechts worden verleend indien:

  • er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is;
  • er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort;
  • en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd.

Quickscan flora en fauna

Het plangebied is bebouwd met en langgevelboerderij, bijbehorende afhang en een vrijstaand bijgebouw; water is binnen het plangebied niet aanwezig. Het perceel wordt goed onderhouden.

Voordat feitelijk gebouwd gaat worden, dient de bouwlocatie onderzocht te worden op diersoorten. Het op voorhand nu reeds uitvoeren van een ecologisch onderzoek heeft weinig meerwaarde, nu de houdbaarheid van dergelijk onderzoek slechts een jaar is. Het is dus beter dit onderzoek korter op het moment van de feitelijke (potentiële) verstoring uit te voeren. Omdat van de Wet natuurbescherming rechtstreekse werking uitgaat, is het niet noodzakelijk om hiertoe een verplichting in de planregels op te nemen.

Initiatiefnemer wordt geadviseerd om op het moment dat de omgevingsverguning voor de verbouw van het pand tot twee woningen aangevraagd gaat worden, tevens een ecologisch onderzoek aan het bevoegd gezag te overleggen waaruit blijkt dat er geen verstoring zal plaatsvinden van beschermde dier- en plantensoorten.

In dit kader wordt nadrukkelijk gewezen op de algemene zorgplicht welke in artikel 1.11 van de Wnb is opgenomen.

Door de sloop-, graaf- en bouwwerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus te starten, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen.

2.3.3 Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie:

In de provincie Noord-Brabant dient in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Het plangebied is gelegen in de Peelkern. Het gebied van Griendtsveen en Helenaveen bestaat uit (gedeeltelijk) verveende delen van de Peel. Bij Meijel en Neerkant werd het veengebied vroege doorsneden door een dekzandrug met een akkercomplex, zandverstuivingen (de huidige Neerkantse Bossen) en een oude handelsroute (Keulsebaan). De cultuurhistorische betekenis van het gebied is vooral gelegen in de resten van de verveningsactiviteiten, zowel de boerenverveningen als de systematische verveningen door speciaal daarvoor opgerichte maatschappijen. De veenkolonie Helenaveen is een beschermd dorpsgezicht. Bijzonder is dat grote delen, zoals de Astensche Peel en de Deurnese Peel niet helemaal verveend zijn en ook niet in landbouwgrond of bos zijn omgezet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0012.jpg"

Afbeelding: uitsnede uit cultuurhistorische waardenkaart

Onderhavig project heeft geen enkel effect op de cultuurhistorische waarden op provinciale schaal.

De cultuurhistorische waarden van de te splitsen langgevelboerderij zelf, zijn neergelegd in een rapportage van De Onderste Steen. Het rapport is opgesteld volgens de meest gangbare methode zoals die door de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg (nu: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) is ontwikkeld ten behoeve van het Monumenten Selectie Project (MSP). Deze methode kent vijf verschillende waarderingscriteria, die hieronder worden beschreven.

  • 1. Cultuurhistorische waarden

De boederij aan de Korte Zeilkens 16 te Neerkant heeft een hoge cultuurhistorische waarde. Het pand heeft een duidelijke relatie met de middeleeuwse hoeve Heitrak, die in 1944 werd verwoest, maar waarvan nog sporen in het landschap aanwezig zijn. Alhoewel de uiterlijke verschijningsvorm van het huidige pand grotendeels dateert uit 1926, is de grondvorm terug te voeren naar de boerderij die hier reeds vóór 1832 stond. Tevens bevat het pand oudere bouwdelen.

  • 2. Architectuur- en kunsthistorische waarden

De boerderij is van het voor deze streek kenmerkende langgeveltype. In het stalgedeelte zijn balken aanwezig die mogelijk dateren uit de achttiende eeuw of eerder. Het pand vertegenwoordigt hiermee voor de Gemeente Deurne een redelijke architectuurhistorische waarde. Kunsthistorische waarden zijn niet aangetroffen.

  • 3. Situationele en ensemblewaarden

De relatie tussen de boerderij en de voormalige hoeve Heitrak is niet alleen (cultuur)historisch van aard, maar ook landschappelijk. De Korte Zeilkens fungeerde als oprijlaan voor de hoeve Heitrak, waarbij men - vlak voor de kruising met de rond 1970 verdwenen Lange Zeilkens - aan de linkerhand de boerderij op nummer 16 passeerde. De boerderij aan de Korte Zeilkens 16 markeert verder een van de hoeken van ‘Het Werke’, het gebied dat door de Korte Zeilkens en de Heitrak omsloten wordt. Tot slot is ook de ligging van de boerderij in het open, agrarische landschap van belang. Het pand vertegenwoordigt hiermee een hoge situationele waarde. De huidige schuur/garage achter het pand is van later datum (ca.1970) en vormt met het hoofdgebouw geen (cultuur- of architectuurhistorisch) ensemble.

  • 4. Gaafheid/herkenbaarheid

Alhoewel de detaillering (vensters, deuren, dakpannen, etc.) grotendeels is gewijzigd, is het pand in hoofdvorm oorspronkelijk en herkenbaar. De interieurafwerking is grotendeels gewijzigd.

  • 5. Zeldzaamheid

Langgevelboerderijen komen in deze streek veelvuldig voor en zijn als zodanig niet zeldzaam, maar kunnen juist beschouwd worden als kenmerkend. De oudere oorsprong van het pand (vóór 1832) is voor deze regio bijzonder.

De integrale rapportage is al bijlage bij de planstukken gevoegd.

Het bevoegd gezag verlangt een erfbeplantingsplan/landschappelijk inpassingsplan, passend bij de beeldbepalendheid van het pand.

Het plangebied zal landschappelijk worden ingepast op de wijze zoals opgenomen in paragraaf 3.3 van de plantoelichting en bijgbehorende bijlage 3.

Om te waarborgen dat de landschappelijke inpassing recht doet aan de beeldbepalendheid van het gebouw en de omgeving, zal het uitvoeren van een landschappelijk inpassingsplan als voorwaardelijke verplichting worden opgenomen in de planregels.

Archeologie:

Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg die de Monumentenwet 1988 deels heeft aangepast. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is - door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld.

Op 1 juli 2008 heeft de gemeente Deurne haar gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. Dit beleid is voor de gebieden met archeologische waarden opgenomen in het vigerende bestemmingsplan zal overeenkomstig in onderhavig nieuwe plan worden opgenomen.

Het gemeentelijk grondgebied is onderverdeeld in vijf zones met een verschillende waarderingen van het bodemarchief (zgn. ‘archeologische verwachtingsgebieden’).

Voor het bestemmingsplan buitengebied zijn een drietal archeologische (verwachtings)gebieden relevant. Dit betreft:

  • 1. gebieden van archeologische waarden;
  • 2. gebieden met een hoge archeologische verwachting;
  • 3. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting.

Voor deze drie gebiedscategorieën geldt de verbodsbepaling dat zonder of in afwijking van een door het college van burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden geen verstoringen, beschadigingen of vernielingen van het archeologisch bodemarchief mogen worden aangebracht.

Voor gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachting geldt een uitzondering van de omgevingsvergunningplicht voor bodemingrepen:

  • binnen een contour van 50 m rondom de bestaande bebouwing in de agrarische bouwvlakken (peildatum betreft de vaststelling van de gemeentelijke archeologische beleidskaart door de raad op 1 juli 2008);
  • tot 0,5 m beneden het maaiveld (vrijgesteld van AMZeisen);
  • dieper dan 50 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 2500 m2 (voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachting) respectievelijk 1.000 m2 (voor gebieden met een hoge archeologische verwachting).

Voor gebieden van archeologische waarde geldt geen uitzondering van de omgevingsvergunningplicht.

Onderhavig plangebied is slechts voor een klein deel voorzien van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3; voor het overige deel is er geen sprake van een archeologische waarde welke beschermd dient te worden door een dubbelbestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0013.jpg"

Afbeelding: uitsnede uit verbeelding van vigerend bestemmingsplan, met duiding van archeologische dubbelbestemming

Omdat het project ziet op de splitsing van de bestaande bebouwing, zullen als gevolg hiervan de archeologische waarden binnen de archeologische dubbelbestemming in het geheel niet worden aangetast.

Mochten er in de toekomst grondroeringen ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming plaats gaan vinden, dan dienen de van toepassing zijnde regels ter bescherming van de archeologische waarden in acht te worden genomen.

Indien tijdens de grondwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische vondsten plaatsvinden, zal initiatiefneemster dat moeten melden.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijke ontwikkeling

3.1 Projectbeschrijving

Initiatiefneemster is eigenaar van de boerderij op de locatie Korte Zeilkens 16 te Neerkant. De boerderij betreft een woonboerderij waarbij op dit moment in het achterhuis paardenboxen aanwezig zijn. In het verleden waren er ook varkensstallen aanwezig.

De boerderij is niet beschermenswaardig als monument, maar wel beeldbepalend en daarmee zeker behoudenswaardig. Middels de splitsing van de woning kunnen karakteristieke elementen van de woning teruggebracht worden. Vandaar dat initiatiefneemster het plangebied aan Korte Zeilkens 16 te Neerkant wenst om te vormen van de bestemming 'wonen' naar 'wonen' met functieaanduiding '2 woningen'.

Daarnaast is een woningsplitsing van groot belang voor het behoud van een gezonde financieel-economische waarde en -exploitatie van het pand. In de huidige vorm ontbreekt het namelijk aan een gezonde verhouding tussen toekomstige onderhoudskosten en financieel-economisch nut.

Deze gebouwelijke aanpassing is vooralsnog voorzien rond 2024.

Op onderhavige indicatieve schetsen is weergegeven hoe het aanzicht van de langgevelboerderij na splitsing eruit zou kunnen komen te zien:

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0014.jpg" Figuur: aanzichten na splitsing

Hierbij zullen oude gevelopeningen die dicht zijn gemetseld, weer open worden gewerkt waardoor de gevel meer in oude staat wordt 'hersteld'. Op onderstaande foto is de oude boerderij te zien, waarvan het nieuwe beeld benaderd moet gaan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0015.jpg"

Figuur: historische foto uit de jaren '20 van de vorige eeuw

Of er in de toekomst ook nog nieuwe bijgebouwen zullen worden gerealiseerd, is op dit moment niet bekend. In elk geval dienen dan de bouwregels in acht te worden genomen welke in de planregels zijn opgenomen en welke aansluiten op de vigerende planregels.

3.2 Ontsluiting en parkeren

Verkeer:

De Korte Zeilkens wordt ontsloten op de Heitrak, welke weg is voorzien van een vrijliggend fietspad. Via de Kromme Heitraksedijk en de Koeheideweg kan worden aangesloten op de A67, zijnde de autoosnelweg in westelijke en oostelijke richting. De hoofdkern Deurne ligt aan de noordzijde van de A67 op grotre afstand van het plangebied dan de kern Meijel, waar de primaire voorzieningen dus dichterbij te vinden zijn. De Beekweg leidt in oostelijke richting naar de singels rondom de kern Venray en in westelijke richting de Midden Peelweg (N277). De Beekweg is voorzien van vrijliggende fietspaden.

In het buitengebied van Deurne geldt een snelheisregime van 60 km/uur.

In de omgeving van het plangebied zijn openbaar vervoersmogelijkheden in de vorm van een busverbinding tussen Meijel en Deurne (lijn 28), waarvan de bushaltes zijn gesitueerd ter hoogte van de Heitrak 18 en 22, op loopafstand va het plangebied.

Het plan leidt niet tot substantieel extra verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen zullen beperkt blijven tot bewoners- en bezoekersverkeer voor één extra woning; in aantallen wordt gerekend met een verkeersgeneratie van 9 bewegingen per etmaal per woning. Het project heeft derhalve geen wezenlijke consequenties voor de wegenstructuur en verkeersveiligheid en de beperkte toename zal direct opgaan in de reguliere verkeersstroom.

Parkeren:

Bij de beoordeling van nieuwe initiatieven, al dan niet passend binnen het bestemmingsplan, is relevant dat in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien. In de Regeling parkeernormen Deurne 2019 is vastgelegd wat onder ‘voldoende parkeergelegenheid’ wordt verstaan. Daarbij wordt onderscheid in 3 gebieden: centrum Deurne en aanliggende woongebieden (matig stedelijk, centrum), de rest van de kern Deurne en Liessel, Vlierden, Helenaveen en Neerkant (matig stedelijk, schil) en het buitengebied (niet stedelijk). Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied (zone 3) en voor de toe te voegen woning dient aangesloten te worden bij het type 'twee onder één kap', waarbij per woning 2,2 parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gereserveerd.

Gelet op de omvang van het totale te splitsen perceel, kunnen en zullen de in totaal 4,4 (=5) benodigde parkeergelegenheden geheel op eigen terrein worden aangelegd. Eén van de manieren waarop ze kunnen worden gerealiseerd, is onderstaand gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0016.jpg"

Afbeelding: mogelijke situering parkeergelegenheid

3.3 Groen- en watervoorzieningen

Het plangebied zal als twee ruime woonpercelen worden ingericht, met bijbehorende royale tuinen. De structuur in de omgeving als geheel zal ongewijzigd gehandhaafd blijven.

Binnen het plangebied is geen 'oppervlaktewater' voorzien.

Het achtererf zal voorzien worden van erfbeplanting waarbij gebruik zal worden gemaakt van gebiedseigen beplanting. Onderdeel van de erfbeplanting vormt de hemelwaterinfiltratie welke aangebracht zal worden omdat de gehele bebouwing zal worden afgekoppeld.

Op 28 maart 2023 is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als bijlage bij de planstukken is gevoegd. Onderstaand is op tekening aangegeven hoe de landschappelijke inpassing voorzien is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0017.jpg" Afbeelding: landschappelijk inpassingsplan

Om te waarborgen dat de erfbeplanting ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een onderdeel van de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk tot een strategische visie op de fysieke leefomgeving. Het doel is om alle onderdelen van de fysieke leefomgeving met elkaar in samenhang te brengen. Ook gemeenten en provincies maken een omgevingsvisie vanwege deze nieuwe wet. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op onderstaande vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe de fysieke leefomgeving wordt ingericht. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes.

Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie

Het klimaat verandert. De gevolgen hiervan worden steeds duidelijker merkbaar. Denk aan de steeds drogere zomers, de hevigere regenval en stijgende zeespiegel. Op deze en andere gevolgen van de klimaatverandering moet tijdig worden ingespeeld. Tegelijkertijd moet de overstap worden gemaakt naar duurzame energie. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 een duurzame energievoorziening heeft. Iedereen draagt hier zelf aan bij door bijvoorbeeld zoveelmogelijk woningen aardgasvrij te maken. Maar er zullen ook aanpassingen nodig zijn, bijvoorbeeld met windenergie, die moeten worden ingepast in het landschap. Mensen in de omgeving moeten ook voordelen ervaren van geplaatste windmolens.

De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden

Nederland heeft een sterke internationale concurrentiepositie. Vanuit die positie wordt gewerkt aan een nieuw economisch verdienmodel dat duurzaam is en circulair. Door grondstoffen te hergebruiken in de bouw bijvoorbeeld. De overstap naar duurzame energie en het zorgen voor een gezond milieu zijn belangrijk. Ook zullen bedrijven zich hier goed moeten kunnen vestigen met voldoende ruimte voor bedrijvigheid. Daarvoor is het zaak alle verschillende aspecten te betrekken die hierbij een rol spelen, zodat duurzaam geld kan blijven verdiend.

Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken

Veel mensen zijn op zoek naar een geschikte, betaalbare woning. Iedereen wil graag wonen in een prettige omgeving. Een omgeving met voldoende groen en met aandacht voor veiligheid en gezondheid. Denk bijvoorbeeld aan groen en fonteinen op plekken waar het erg warm kan worden (hittestress). Tegelijkertijd is het belangrijk dat de woningen goed bereikbaar zijn door goede fiets- en wandelpaden en aansluiting op het wegennet en het openbaar vervoer. Kortom, het gaat niet alleen om voldoende woningen, maar ook om een aantrekkelijke woonomgeving.

Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen

In sommige regio’s staan de natuurlijke systemen en het landschap onder druk. Soms is daar sprake van een verzakkende bodem, onder meer door een te laag waterpeil. Als het waterpeil omhoog wordt gebracht, kan dat gevolgen hebben voor de landbouw en de veeteelt. In sommige gebieden wordt het dan misschien logischer om duurzame energie te produceren in plaats van voedsel. Tegelijkertijd moeten de kwaliteiten van het landschap worden behouden om te kunnen recreëren en ook vanwege het cultureel erfgoed.

Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. Deze aspecten worden (zijn) in hoofdstuk 6 en de paragrafen 5.6 respectievelijk 2.3.3 behandeld.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro bevat alle ruimtelijke Rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de Rijksbelangen veel directer door te laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Kustfundament, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Wadden en waddengebied, Grote Rivieren, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, elektriciteitsvoorziening, hoofdwegen en spoorwegen, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, IJsselmeer gebied en primaire waterkeringen buiten het kustfundament.

Er is in casu slechts sprake van een kleinschalig lokaal initiatief, waarbij geen van de genoemde Rijksbelangen rechtstreeks doorwerken met betrekking tot dit project. In het gebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het Barro is verder niet van toepassing.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat: 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.

Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor overige stedelijke functies wordt in de overzichtsuitspraak gesteld, dat voor andere stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro in de vorm van een terrein 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. Bestaat de andere stedelijke ontwikkeling uit de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Door de toevoeging van 'in beginsel' bij iedere ondergrens, lijkt de Afdeling duidelijk te willen maken dat geen sprake is van ‘harde’ ondergrenzen.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

In casu is er slechts sprake van de toevoeging van één enkele woning binnen de bebouwingscontour van de bestaande langgevelboerderij, hetgeen geen stedelijke ontwikkeling betreft; daarom is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Kwaliteit van Brabant

Op 14 december 2018 hebben Provinicale Staten de Omgevingsvisie Kwaliteit van Brabant vastgesteld. In deze visie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). Deze elementen zijn sterk van elkaar afhankelijk maar ook aan veranderingen onderhevig. Tegelijkertijd behoren de elementen niemand persoonlijk toe. In de zorg voor het monitoren, duiden en beïnvloeden van genoemde afhankelijkheden en veranderingen ligt er een noodzaak om handelingsvermogen te organiseren. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.

De basisopgave betreft het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Het doel voor 2050 is dat Brabant een goede leefomgevingskwaliteit heeft doordat op alle aspecten beter wordt gepresteerd dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal. Een minder vergaand doel 2030 is dat Brabant een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit heeft doordat er voor alle aspecten wordt voldaan aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.

Onderhavig initiatief ziet op de splitsing van een bestaande woonboerderij binnen een bestaande enkelbestemming 'Wonen'. Vanuit het standpunt dat Brabant aantrekkelijk en onderscheidend moet zijn voor mensen om in te wonen past deze ontwikkeling in het beleid. Door de toevoeging van verschillende type woningen wordt aangesloten bij de verschillende behoeften van inwoners. Het planvoornemen past dan ook binnen de algemene beleidsuitgangspunten die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening

Op 25 oktober 2019 hebben Gedeputeerde Staten de Interim Omgevingsverordening vastgesteld en aangeboden aan Provinciale Staten.

De Interim omgevingsverordening (IOV) is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

De planlocatie ligt in het 'Gemengd landelijk gebied', 'stalderingsgebied' en is aangeduid als 'sanerings- en verplaatsingslocatie RBV'. Uitgangspunt van beleid is dat woningen in beginsel thuishoren binnen stedelijk gebied waar ook de voorzieningen aanwezig zijn. Het Landelijk gebied voorziet in aanvulling daarop ook in een woonbehoefte. In de afgelopen periode zijn veel agrarische bedrijven omgezet naar burgerwoning.

Voor een aantal veel voorkomende ontwikkelingen zijn in artikel 3.69 regels opgenomen die afwijking mogelijk maken van het uitgangspunt dat alleen bestaande burgerwoningen zijn toegestaan. Het gaat om:

  • a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat:
    • 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;
    • 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
  • b. een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als:
    • 1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel; en
    • 2. de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden.
  • c. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing.
  • d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat:
    • 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;
    • 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

De mogelijkheid van splitsing van beeldbepalende woonboerderij (artikel 3.69 lid b) is ingegeven vanuit het belang van het behoud van deze beeldbepalende bebouwing.

Op onderhavig initiatief zijn onder andere voornoemde artikelen 3.68 en 3.69 lid b van toepassing. Uit de als bijlage toegevoegde cultuurhistorische waardestelling van de langgevelboerderij blijkt dat er weliswaar geen sprake is van cultuurhistorische waarde van de bebouwing, maar gezien de ligging en de herkenbaarheid wel aangemerkt kan worden als beeldbepalend pand, waardoor splitsing in twee wooneenheden in overeenstemming is met het bepaalde in de Interim Omgevingsverordening. De woningsplitsing draagt bij aan het behoud van deze bebouwing. Voor de splitsing van beeldbepalende panden dient een fysieke tegenprestatie overeenkomstig een halve ruimte-voor-ruimte titel te worden geleverd. Hiertoe zal een zeer stevige landschappelijke inpassing worden aangebracht welke is neergelegd in het landschappelijk inpassingsplan dat in paragraaf 3.3 aan de orde is gekomen en als bijlage bij de plantoelichting en planregels is opgenomen. De planregels voorzien in een voorwaardelijke verplichting tot uitvoering en behoud van deze landschappelijke inpassing. Tevens is op de verbeelding, in combinatie met de regels opgenomen dat sloop van het beeldbepalende pand niet is toegestaan.

In hoofdstuk 3 van de IOV zijn ook algemene instructieregels aan gemeenten geformuleerd voor een evenwichtige toedeling van functies, waarbij toegezien moet worden op een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Om dit te bewerkstelligen moet rekening worden gehouden met het bepaalde in de volgende artikelen:

Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1. Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

Lid 2. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

a. zorgvuldig ruimtegebruik;

b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;

c. meerwaardecreatie.

De artikelen 3.6, 3.7, 3.8 en 3.9 IOV gaan op de aspecten genoemd onder lid 2 verder in. Puntsgewijs zal worden aangegeven hoe aan de zorgplicht wordt voldaan.

Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:

1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;

2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;

b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Lid 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.

Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat er geen sprake is van een ladderplichtig project, qua toe te voegen functie geheel binnen de bestaande bebouwing wordt gebleven en het plangebied al is voorzien van de bestemming Wonen.

Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering

Lid 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

Lid 2. De lagenbenadering omvat de effecten op:

a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Lid 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

De lagenbenadering betekent dat rekening wordt gehouden met de waarden in een gebied (onder andere bodem, grondwater, archeologische waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu ). De lagenbenadering is een aspect dat standaard in alle bestemmingsplannen wordt beschreven, om tot een evenwichtige en goede functietoedeling te komen, zonder dat hiermee andere functies of waarden onaanvaardbaar worden aangetast. De hoofdstukken 2 en 5 van deze plantoelichting worden de reguliere lagen voorzover deze relevant zijn, uitgebreid beschreven. In hoofdstuk 3 wordt specifiek met betrekking tot de landschappelijke waarden beschreven dat en hoe een duidelijke versterking van de landschappelijke kwaliteit wordt nagestreefd. Hiertoe zal, op het moment dat de omgevingsvergunning voor de inpandige splitsing wordt aangevraagd, een landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, en waarvoor een verplichting tot daadwerkelijke aanplant en onderhoud is opgenomen in de planregels.

Artikel 3.8 meerwaardecreatie

Lid 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;

b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

In casu is de meerwaarde te vinden in het feit dat binnen een bouwmassa waarin nu één woning mag zijn, straks twee huishoudens gehuisvest kunnen worden. Deze intensivering van het gebruik van de bestaande bebouwing maakt het financieel mogelijk om extra landschappelijke, cultuurhistorische en esthetische kwaliteit toe te voegen aan het plangebied, zoals is beschreven in hoofdstuk 3.

Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap

Lid 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Lid 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:

a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of

b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.

Lid 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:

a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;

b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;

c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;

d. het wegnemen van verharding;

e. het slopen van bebouwing;

f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones;

g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4. Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.

Voor onderhavig initiatief wordt de verbetering van de landschappelijk kwaliteit gerealiseerd door het behoud van het beeldbepalende gebouw, zoals zowel in paragraaf 2.3.3 als in hoofdstuk 3 aan de orde is gekomen.

Hiermee wordt voldaan aan het provinciale beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie Deurne 2030

De structuurvisie Deurne 2030, vastgesteld op 13 maart 2018, is de integrale langetermijnvisie van de gemeente over de noodzakelijke en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en kwaliteiten van Deurne. Ze is opgesteld tegen de achtergrond van een aantal brede maatschappelijke en ruimtelijke vraagstukken en opgaven. De structuurvisie geeft inzicht in de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van Deurne, en geeft antwoord op de vraag wat de gemeenschappelijke meerwaarde is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarvoor zijn in deze structuurvisie kaders en uitgangspunten opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0018.jpg"

Afbeelding: uitsnede uit structuurvisiekaart

Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied met een gemengde plattelandseconomie. Primair dienen woningen in het binnen bestaand stedelijk gebied (kernen) te worden gesitueerd. Naast het wonen in de kernen is wonen echter ook een belangrijke functie van het landelijk gebied. Een mooi landschap, een goed woon- en leefklimaat, de aanwezigheid van bereikbare natuur en een beleefbare biodiversiteit maken een woning in het buitengebied tot een unieke plek ten opzichte van andere woningen en locaties.

Het bestaande aanbod van woningen in het landelijk gebied sluit echter niet voldoende aan bij de huidige en toekomstige vraag. Dit terwijl het voor de leefbaarheid in het buitengebied juist van groot belang is, dat er zo min mogelijk woningen leegstaan en er ‘vers bloed’ bij komt.

Voor het buitengebied is dan ook als basis gekozen voor de nullijn: het toevoegen van woningen in het buitengebied is in principe ongewenst. Uitzondering hierop zijn de mogelijkheden voor woningsplitsing, mantelzorg en andere woonvormen in bestaande panden. Voorwaarde bij deze mogelijkheden is dat ze stedenbouwkundig en planologisch passend en milieutechnisch mogelijk zijn (inclusief omgekeerde werking). Het bouwen van nieuwe woonlocaties in het landelijk gebied is in de structuurvisie dan ook niet voorzien.

Op deze manier wordt getracht leegstand te voorkomen en de bestaande woningen meer mogelijkheden en kansen te bieden om aan te sluiten bij de vraag en behoeften.

In casu begtreft het de splitsing van een bestaande woning in een langgevelboerderij; er zal geen woonfunctie buiten de footprint van de bestaande bebouwing worden toegevoegd. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt staat niets aan deze splitsing in de weg. Uit de beoordelingen in hoofdstuk 5 zal ook blijken dat er milieutechnisch gezien geen belemmeringen zijn om tot splitsing van de woning over te gaan, en is er dus ook geen sprake van een planologische belemmering in het grotere geheel.

4.3.2 Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap

De gemeente stelt conform de gestelde voorwaarden uit de provinciale Interim Omgevingsverordening, dat elke ruimtelijke ontwikkeling die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiertoe zijn drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met bijbehorend kwaliteitsverbetering) opgenomen:

  • Categorie 1: ontwikkelingen met een zeer geringe impact; hiervoor wordt geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering gevraagd, geen tegenprestatie.
  • Categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte impact. Dit betreft kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen waarvan het ruimtelijk effect veelal beperkt blijft tot het eigen erf en waarbij slechts in een aantal gevallen een beperkt visueel-ruimtelijk effect is op de directe omgeving.
  • Categorie 3: ontwikkelingen met een aanzienlijke impact. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarvan de ontwikkelingen omvangrijker zijn en/of meer ruimtelijke gevolgen hebben.

De beoogde situatie (splitsing van een woning) valt binnen categorie 1. Binnen categorie 1 zijn geen extra kwaliteitsverbeteringen van het landschap vereist. Dit omdat de ontwikkeling in zichzelf reeds een kwaliteitsverbetering is. Het verbeteren/opwaarderen van de cultuurhistorische waarden van het pand is op zich al een kwaliteitsverbetering.

4.3.3 Woonvisie gemeente Deurne 2019 - 2040

In de Woonvisie zoals vastgesteld op 3 juli 2019, is aandacht voor de continu veranderende samenleving: de mensen, de behoeften en de mogelijkheden.

Belangrijke aandachtspunten voor het wonen zijn de vergrijzing in combinatie met langer zelfstandig wonen, de toenemende vraag naar woonruimte door ‘andere doelgroepen’ (wonen met begeleiding, vergunninghouders, arbeidsmigranten, andere woonvormen) en de betaalbaarheid van het wonen (starters, maar ook in relatie met energieneutraal en aardgasloos wonen). Via het actueel houden van beleidskaders zoals de Woonvisie en het Grondbeleid wordt verder invulling gegeven aan de opgave voor wonen: ‘prettig wonen en leven, betaalbaar en divers’.

In deze Woonvisie is (onder andere en voorzover in casu relevant) een afwegingskader opgenomen voor woningbouwlocaties buiten bestaand stedelijk gebied:

  • I. Het toevoegen van woningen in het buitengebied is niet toegestaan
  • II. Het college kan in afwijking daarvan besluiten:
    • a. <....>
    • b. Het splitsen van een monumentale- of beeldbepalende woning in meerdere woningen of wooneenheden toe te staan

Zoals in paragraaf 2.3.3 van deze plantoelichting uiteen is gezet, en ook uit de bijlage bij deze toelichting blijkt, is er aan de Korte Zeilkens 16 sprake van een beeldbepalend pand dat in aanmerking komt voor splitsing in twee wooneenheden.

4.3.4 Bestemmingsplan

Voor het te ontwikkelen plangebied vigeert het volgende bestemmingsplan:

Naam bestemmingsplan   Bestemming   Vaststelling Raad  
Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied   - Wonen'
- Waarde - Archeologie 3
- gebiedsaanduiding wetgevingszone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 10  
7 juli 2020  

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0019.jpg"

Afbeelding: Uitsnede verbeelding

Binnen deze bestemming is het niet mogelijk om de aanwezige woning te splitsen, omdat de woonboerderij niet vermeld is op de gemeentelijke erfgoedkaart. Voor de gewenste woningspltsing is het noodzakelijk om een bestemmingsplanprocedure te doorlopen.

Hierbij dient onderandere te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de in artikel 17.6.1 gestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde onder b. Door aansluiting te zoeken bij deze wijzigingsbevoegdheid en deze voorwaarden als kader te gebruiken voor de voorgenomen plannen kan een volledige toetsing van het planvoornemen aan de door de gemeente gestelde kaders plaatsvinden. Verder dient aan alle overige relevante planologische en milieutechnische aspecten te worden getoetst.

De specifieke voorwaarden om mee te kunnen werken aan de voorgenomen woningsplitsing van de bestaande woning, betreffen:

  • a. De wijziging is niet toegestaan op agrarische bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – primag'.
    Het plangebied is niet gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – primag'.
  • b. splitsing is uitsluitend toegestaan bij woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' en 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' en bij (woon)boerderijpanden met cultuurhistorische waarde, hierbij wordt getoetst aan de gemeentelijke erfgoedkaart;
    De woonboerderij op onderhavige locatie is niet vermeld op de gemeentelijke erfgoedkaart, maar uit bijlage 1 bij deze plantoelichting is de onderbouwing opgenomen waarom er wel sprake is van een pand met cultuurhistorische waarden.
  • c. de bestaande situering van de te splitsen woning mag niet worden gewijzigd;
    Door de splitsing blijft de woonboerderij op de huidige plek gesitueerd.
  • d. voor de woningsplitsing geldt, dat de splitsing bij dient te dragen aan het behoud van de cultuurhistorische waarde van het te splitsen (woon)boerderijpand;
    Door de splitsing is het ook financieel mogelijk om de cultuurhistorische waarde van het pand te behouden en te versterken.
  • e. indien er sprake is van een (woon)boerderijpand met cultuurhistorische waarde, niet zijnde een monument, waarvan de bouwkundige staat dermate slecht is dat volledige of nagenoeg volledige herbouw noodzakelijk is, kan splitsing gepaard gaan met herbouw, zij het dat door het herbouwde pand het cultuurhistorische waardevolle karakter dient te zijn gewaarborgd;
    Mogelijk dat delen van het pand herbouwd moeten worden, maar het cultuurhistorische waardevolle karakter zal behouden blijven.
  • f. splitsing mag slechts in maximaal 2 woningen plaatsvinden;
    Na splitsing is sprake van 2 woningen.
  • g. de woning mag uitsluitend verticaal worden gesplitst;
    De woonboerderij zal bestaan uit een woning als zijnde voorhuis en een woning als zijnde acherhuis. Hierdoor is er sprake van een verticale splitsing.
  • h. de inhoud per woning mag niet minder dan 350 m3 bedragen;

De inhoud per woning zal circa 800 m3 bedragen.

  • i. per woning zijn bijgebouwen toegestaan met een totale maximale oppervlakte van 150 m 2
    Op dit moment is er 1 bijgebouw aanwezig van circa 80 m2. In de planregels is de maximering van de oppervlakte aan bijgebouwen opgenomen zodat in de toekomst ook nooit meer dan 150 m2 bij elke woning kan worden gerealiseerd.
  • j. de splitsing dient te passen binnen hetgeen in het gemeentelijk woningbouwprogramma danwel de nota grondexploitatie, zoals geldt ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan, is opgenomen over woningsplitsing/ kavelsplitsing;
    Hieraan wordt voldaan.
  • k. de splitsing mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
    De beoogde situatie belemmert de omliggende agrarische bedrijven niet meer dan in de huidige situatie. Zo blijft de bestaande woning behouden en wordt door de woningsplitsing de afstand tot omliggende (agrarische) bedrijven niet korter.
  • l. voldaan wordt aan de geluidsnormering als bedoeld in de Wet geluidhinder danwel hogere grenswaarde;
    Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai zal hier duidelijkheid over geven; zie ook paragraaf 5.2 van deze plantoelichting.
  • m. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van in de in de directe omgeving voorkomende waarden.
    De waarden in de omgeving worden niet (onevenredig) aangetast, zoals uit onderhavige plantoelichting bij de beschouwing van deelaspecten blijkt.

Geconcludeerd kan worden dat aan de overige wijzigingsvoorwaarden wordt voldaan, zodat deze niet aan de herziening van het bestemmingsplan in de weg staan.

Hoofdstuk 5 Milieu-planologische aspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Dit houdt in dat in afwijking van voorheen voor iedere activiteit dat wordt genoemd in kolom 1 en onder de drempelwaarde blijft van gevallen in kolom 2, een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet worden genomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0020.jpg"

Blijkens jurisprudentie (o.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648)) dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol.

In het voorliggende geval is sprake van de inpandige splitsing van een langgevelboerderij in twee wooneenheden. Gezien de zeer beperkte omvang van het plan, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project.

Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied.

Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

Overigens worden alle relevante milieuaspecten ook aan de orde gesteld in onderhavige plantoelichting, zodat de milieueffecten op die manier altijd afdoende worden beoordeeld.

5.2 Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh).

In het buitengebied van Deurne geldt een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plangebied valt binnen de geluidszone van 200 m van deze weg. Hierdoor is het noodzakelijk dat een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai dient plaats te vinden.

Op 20 oktober 2021 is door Target Advies een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende:

'Wet geluidhinder

Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde.

  • n.
    Goede ruimtelijke ordening

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, bedraagt 54 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘redelijk’ en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

  • o.
    Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.'

Het akoestisch onderzoek is integraal als bijlage aan de planstukken toegevoegd.

Spoorweglawaai

In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd. De spoorlijn, Venlo-Eindhoven bevindt zich op een afstand van ruim 7 km ten noorden van het plangebied.

5.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van het onderhavige plan worden binnen het plangebied extra bodemgevoelige functie toegelaten in de vorm van een woning. Echter, er is geen aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk, omdat op de locatie in 2010 een bodemsanering heeft plaatsgevonden in verband met een bodemverontreiniging met zware metalen (door voormalige zinkassenverharding). Deze is voldoende gesaneerd.

Het plangebied heeft al de bestemming Wonen en de bouwmassa waarbinnen de gevoelige woonfunctie wordt toegevoegd, wordt niet vergroot. Gelet hierop is er al voldoende inzicht of de bodem- en grondwaterkwaliteit de intensivering van het gebruik ook mogelijk maken.

5.4 Luchtkwaliteit

De regels inzake luchtkwaliteit kennen het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

De Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' bevat regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)).

Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM).

Het onderhavige project valt met één inpandig toe te voegen woning zonder meer onder de Regeling NIBM.

Daarnaast dient het bevoegd gezag te beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor is uitgegaan van de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN).

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties,zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De GCN geeft per kilometervak de huidige achtergrondconcentraties weer.
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10 - 12 microgram/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 18-20 microgram/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 10 - 15 microgram/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 microgram/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 microgram/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 microgram/m³.

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse reeds voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hierdoor kan tevens gesteld worden dat fijnstofemissies van omliggende bedrijven niet voor belemmeringen zorgen. Deze bedrijven worden verder niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd omdat er andere woningen van derden op kortere afstand van die bedrijven zijn gelegen en de inpandig te splitsen woning dus geen extra belemmering vormt.

Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.

5.5 Externe veiligheid

5.5.1 Risicovolle inrichtingen (Bevi)

De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. Het gaat hierbij onder meer om inrichtingen in het kader van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, LPG-tankstations, inrichtingen waar gevaarlijke (afval)stoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage van meer dan 10.000 kg worden opgeslagen, inrichtingen met een koel-of vriesinstallatie met meer dan 400 kg ammoniak. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6 /jr.

Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

Bij het nemen van een planologisch besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken.

Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen.

De woning is te kwalificeren als een kwetsbaar object . Volgens de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant liggen in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 km) geen risicovolle inrichtingen.

5.5.2 Vervoer gevaarlijke stoffen

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd.

De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de A67. De PR-contour 10-6/jr bedraagt hier 32 meter; het plangebied ligt op een afstand van ruim 1 km.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0021.jpg"

Afbeelding: uitsnede risicokaart

Standaardadvies van de veiligheidsregio

Het plangebied ligt tussen de 200 meter en 4 km van de snelweg A67. Het plangebied ligt op circa 1 km van de snelweg A67 en daarmee buiten de 200 meter, maar binnen het invloedsgebied. Conform artikel 7 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Op 11 mei 2017 heeft de Veiligheidsregio voor ontwikkelingen op grote afstand van risicobronnen en voor kleine ontwikkelingen, zoals splitsing van een bestaande woning in twee wooneenheden een standaard advies opgesteld.

Samengevat luidt dit advies:

  • Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen;
  • Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe;
  • Pas risicocommunicatie toe.

Hieronder wordt ingegaan op het advies.

Mechanische ventilatie: De woningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Als de woningen worden voorzien van een mechanische ventilatie dient deze conform artikel 3.31 van het Bouwbesluit uitgezet te kunnenworden. Daarnaast betreft het geen nieuw te bouwen woning maar een woningsplitsing, waardoor dit niet is af te dwingen.

Beleidsregels: Het betreft een bestaande situatie waar een woning wordt gesplitst. Er hoeven derhalve geen wijzigingen aan de bereikbaarheid of bluswatervoorziening plaats te vinden.

Risicocommunicatie: Deurne sluit zich aan bij de landelijke risicocommunicatie.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden.

5.6 Milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.

5.6.1 Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen;
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand.

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

5.6.2 Invloed milieuhinder op het plangebied

In de nabije omgeving van het plangebied, te weten aan de Korte Zeilkens 20, is een loonwerkbedrijf (grondverzet) gevestigd met een bedrijfsoppervlak > 500 m2. Hiervoor dient op basis van de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Aan deze richtafstand wordt, gezien de afstand van 107 meter, ruimschoots voldaan. Concluderend kan worden gesteld dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering is voor de ontwikkeling van de beoogde situatie.

5.7 Geurhinder

Ten behoeve van het aspect geur geldt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en artikel 3.117, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer als toetsingskader. Dit beleid dient primair als toetsingskader voor vergunningsaanvragen voor veehouderijen ten aanzien van geuraspecten, maar heeft ook consequenties voor planologische besluiten die voorzien in de realisatie van geurgevoelige objecten nabij veehouderijen. Die uitstraling van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt wel aangeduid met de term 'omgekeerde werking'. De reden voor die uitstraling is duidelijk: een geurnorm beoogd mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van de veehouderij te vestigen.

Daarnaast moet bij besluitvorming over (de herziening van) een bestemmingsplan worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Er zijn twee relevante partijen: de veehouderij en de toekomstige bewoner:
- de toekomstige bewoner heeft belang bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- de veehouderij heeft belang bij voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten.

5.7.1 Woon- en leefklimaat

Voor het beoordelen van de vraag of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is het nodig om de verwachte geurhinder te beschouwen. Dit betreft de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied bedraagt tussen de 3 – 7 ouE/m³. Met de genoemde geurnorm wordt voldaan aan de streefwaarden zoals deze zijn opgenomen in de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Deurne 2015, waarin de toetswaarde voor het buitengebied op maximaal 20 ouE/m³ ligt. Hierdoor kan gesproken worden van een goed woon- en leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0022.jpg"

Figuur: Uitsnede plangebied uit kaart achtergrondbelasting gemeente Deurne

5.7.2 Belang van veehouderij

Tussen het plangebied en de omliggende veehouderijen zijn vanuit het oosten, zuiden en westen reeds woonbestemmingen gelegen die dichter bij betreffende (intensieve) veehouderijen (of intensieve veehouderijbestemmingen) liggen. Op onderstaande afbeelding is dit te zien:

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202202-C001_0023.jpg"

Figuur: (intensieve) veehouderijen in omgeving plangebied

Hierdoor is de woningsplitsing nooit de meest belemmerende factor voor deze veehouderijen en worden ze dus ook niet in hun belangen geschaad.

5.8 Endotoxinen

Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Endotoxine zijn ontstekingsbevorderende celwandresten van bepaalde bacteriën. De luchtwegen van mensen zijn daar zeer gevoelig voor. Het is een algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht dat endotoxine blootstelling negatieve gezondheidseffecten heeft op mensen. Vooral vleeskuikenbedrijven kennen een uitstoot van endotoxine die hoog is in vergelijking met andere veehouderijen.
Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico's kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen.
Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken.

In de gemeente Deurne worden ruimtelijke aanvragen getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de beoogde ontwikkeling bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxinen moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen in verband met hun endotoxine-uitstoot. Ondanks dat de ligging van de woning binnen het plangebied gelijk blijft waardoor de situatie niet verandert, is gekeken naar de veehouderij aan de Koeweideweg 16 waarvoor endotoxine-normen gelden.

Locatie   PM10 (kg/jaar)   berekende afstand (m)   Feitelijke afstand (m)  
Koeweideweg 16   7004   506   725  

Figuur: Endotoxine afstandstabel

Uit deze figuur blijkt dat wordt voldaan aan de minimale afstand welke geldt op basis van het Endotoxine Toetsingskader 1.0. Hierdoor vormt het aspect endotoxine geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.9 Kabels, leidingen en straalpaden

5.9.1 Inleiding

Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de plankaart en in de planvoorschriften geregeld. Leidingen met ongevaarlijke stoffen zoals hoofdwatertransportleidingen, afvalwatertransport-/rioolpersleidingen zijn in beginsel niet opgenomen in het bestemmingsplan, tenzij door de leidingbeheerder de noodzaak voor opname is aangetoond. Een vereiste voor opname in het bestemmingsplan is dat de opgave van de ligging van de leidingen op digitale wijze dient te geschieden. Dit in verband met het bepalen van de exacte ligging.

5.9.2 Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels

Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu.

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen leiding- of hoogspanningkabeltracés welke belemmerend zijn voor het project.

5.9.3 Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied

Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m boven NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is.

Nu de functiewijziging geheel inpandig zal plaatsvinden, vormt onderhavige bestemmingsherziening geen belemmering voor de radar voor het luchtvaartverkeer.

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf

Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten.

Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Voor ruimtelijke plannen is de website www.dewatertoets.nl ontwikkeld. Als het plan beperkt is in omvang en voldoet aan het voorkeursbeleid van het waterschap, dan komt het in aanmerking voor de korte procedure en wordt een positief wateradvies afgegeven.

De ontwikkeling dient te voldoen aan het principe van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' (HNO). Dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld, dienen maatregelen te worden genomen om afstromend hemelwater te verwerken. Algemeen dient te worden gestreefd naar het volgen van de trits 'hergebruiken-vasthoudenbergen-afvoeren'. Verder dient versnelde waterafvoer op het oppervlaktewatersysteem te worden voorkomen.

Realisatie van onderhavig plan leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Immers, het verhard oppervlak zal door onderhavig initiatief gelijk blijven. In de bestaande en nieuwe situatie is er sprake van een woonbestemming met een verhard oppervlakte ter plaatse van de te splitsen langgevelboerderij, bijbehorend bouwwerk en erfverharding.

De keur van het waterschap heeft een handleiding opgesteld (Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen) waarmee kan worden bepaald welke waterberging er gerealiseerd moet worden bij ruimtelijke plannen. Omdat de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m² (feitelijk zelfs nihil) is, geldt vanuit de Algemene Regel geen verplichting tot de aanleg van een compensatie. Er is geen vergunning vereist.

De gemeente heeft in haar Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) regels gesteld voor watercompensatie bij bouwplannen. Het GRP gaat uit van compensatie voor de volledige verharding bij her- en nieuwbouw. In casu is er geen sprake van her- of nieuwbouw, maar van splitsing van bestaande bouw, waardoor compensatie niet noodzakelijk is.

Huishoudelijk afvalwater zal door middel van het aanwezige rioolstelsel worden afgevoerd.

Nu de toename van het verhard oppervlak nihil is, danwel duidelijk onder de grenswaarde van 500 m² blijft, zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het voorgenomen initiatief. Het hemelwater zal afgekoppeld worden en op eigen terrein opgevangen worden zodat het kan infiltreren in de bodem. Dit betekent een positieve invloed op de waterhuishouding.

Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving

7.1 Algemeen

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen:

  • plantoelichting
  • planregels;
  • verbeelding.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012:

  • Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012;
  • PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012;
  • Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

7.2 Planmethodiek

Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.

Verder is aansluiting gezocht bij de systematiek van de 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied', waarvan de relevante bepalingen zijn verwerkt.

7.3 Verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.

Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden. De digitale verbeelding is altijd bepalend.

7.4 Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.

De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik.

In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd.

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

De bestemming 'Wonen' is de hoofdbestemming binnen het plangebied en maakt de splitsing van de bestaande langgevelboerderij planologisch-juridisch mogelijk. Het beleid voor deze bestemming is gericht op het bieden van passende bouw- en gebruiksmogelijkheden ter realisering van de gewenste functie binnen de kaders van de locatie en omgeving. De maximale maatvoeringen zijn in de regels opgenomen. In de regels is verankerd dat bij splitsing van de hoofdmassa in twee wooneenheden recht gedaan moet worden aan behoud van cultuurhistorische waarden van de hoofdbebouwing binnen het plangebied, aan de bescherming van flora en fauna zoals bepaald in de Wet natuurbescherming en dat voorzien dient te worden in de aanplant van erfbeplanting.

In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels.

In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid, kostenverhaal en planschade

De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefneemster. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de te ontwikkelen gronden eigendom van initiatiefneemster. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden.

Het planschadeverhaal wordt geregeld in een tussen de gemeente Deurne en de initiatiefneemster af te sluiten overeenkomst. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Deurne komt maar voor rekening van de initiatiefneemster.

Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Procedure

Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld.

Conform artikel 3.1.1. Bro wordt de provincie Noord-Brabant in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.

Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen:

  • 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden;
  • 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten;
  • 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt;
  • 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht;
  • 5. de gemeenteraad dient binnen 12 weken, na de ter inzage termijn beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door Gedeputeerde Staten (GS) een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling. Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan GS.

Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend gemaakt.

Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.

9.2 Vooroverleg

In het kader van het wettelijk overleg heeft onder meer overleg plaatsgevonden met de provincie en het waterschap.

9.3 Omgevingsdialoog

Initiatiefneemster heeft omwonenden geïnformeerd over de plannen. Er zijn geen bezwaren geuit. Het verslag van de omgevingsdialoog is ter hand gesteld van het bevoegd gezag.

9.4 Zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan

Het ontwerp-besluit tot herziening van het bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken, tot en met 11 augustus 2022, voor een ieder ter inzage gelegen.

Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend, en wel door de provincie Noord-Brabant, ondat zij van mening is dat het ontwerp-bestemmingsplan niet in overeenstemming met artikel 3.69 van de IOV. Een splitsing van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is alleen mogelijk als deze is gericht op het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarde. In dat geval moet het behoud van deze waarden ook planologisch juridisch zijn geborgd in het plan. Dit betekent dat op de verbeelding een aanduiding moet worden opgenomen die duidelijk maakt dat sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Daarnaast moeten in de planregels dan voorwaarden zijn opgenomen die verwijzen naar deze aanduiding en borgen dat deze waarden ook niet kunnen worden aangetast.

Deze opmerkingen op het ontwerp-bestemmingsplan zijn in de vastgestelde versie geheel verwerkt.