direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Vuurlinie 14 en 16, Neerkant
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0762.BP202012-C001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Aanleiding voor het opstellen van het voorliggend bestemmingsplan is het voornemen van initiatiefnemer om op de locatie Vuurlinie 14 en 16 te Neerkant om te schakelen naar een volwaardig recreatief bedrijf.

Het voornemen bestaat uit de definitieve beëindiging van de bestaande varkenshouderij en het doorontwikkelen van de bestaande recreatieve nevenactiviteiten tot hoofdactiviteit. Vanwege de ligging in de natuurrijke omgeving, nabij natuurgebieden 't Molentje en 't Zinkske, is de initiatiefnemer in 2017 gestart met het verhuren van één van de agrarische opstallen als groespaccommodatie onder de naam 'Peelheide'. Inmiddels is de groepsaccommodatie volop in verhuur en bestaat de wens om de recreatieve activiteiten uit te breiden.

De initiatiefnemer beschikt op de planlocatie over een agrarische veehouderijlocatie voor het houden van varkens, met een milieutoestemming voor onder andere 5.429 biggen. Het plan heeft tot doel om de varkenshouderij te beëindigen, de overtollige agrarische bedrijfsgebouwen te slopen en de locatie te herinrichten ten behoeve van de recreatieve functie. Na de herontwikkeling bestaan de activiteiten uit de verhuur van twee groepsaccommodaties voor het verblijf van in totaal 60 personen en de dagrecreatieve verhuur van (elektrische) fietsen en elektrische scooters.

Het plan leidt, vanwege de definitieve beëindiging van de varkenshouderij, tot een aanzienlijke milieuwinst voor de omgeving. De beëindiging wordt gerealiseerd door deelname aan de Saneringsregeling varkenshouderij (Srv). Eén van de voorwaarden voor de Srv is de planologische herbestemming van de locatie, zodat hervestiging van een veehouderij in de toekomst niet meer mogelijk is. Dit bestemmingsplan voorziet in deze voorwaarde.

De gemeente Deurne ziet aanknopingspunten in het ruimtelijk beleid om de locatie te herbestemmen van agrarische veehouderijlocatie naar een volwaardig recreatief bedrijf voor groepsaccommodaties en dagrecreatief verhuur van fietsen en elektrische scooters. Het college van B&W heeft per brief aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het plan door middel van een bestemmingsplanherziening.

1.2 Plangebied

De planlocatie ligt ten zuidoosten van Neerkant in het buitengebied van de gemeente Deurne. Het plangebied is kadastraal bekend als Deurne, sectie U, nummer 349. Binnen het plangebied liggen de adressen Vuurlinie 14 en Vuurlinie 16. Het plangebied heeft een oppervlak van 10.927 m2 (1,1 ha).

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0001.png"

Globale ligging van het plangebied

1.3 Aanpak

De voorgenomen locatieontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met een herziening van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan 'Vuurlinie 14 en 16, Neerkant' volgt de systematiek van de gemeente Deurne door aan te sluiten bij het geldend bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied'. Deze toelichting vormt de onderbouwing van het initiatief.

1.4 Geldend bestemmingsplan

De planologische situatie is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied' (eerste vaststelling, 19 december 2017; meest recente vaststelling, 7 juli 2020).

In dit bestemmingsplan is de locatie bestemd als 'Agrarisch met waarden'. De locatie is grotendeels voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'.

Ter bescherming van archeologische waarden is voor een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Binnen deze dubbelbestemming gelden bepalingen voor bodemverstorende werken en werkzaamheden om te voorkomen dat deze leiden tot verstoring van archeologisch materiaal in de bodem.

Ter bescherming van de nabijgelegen natte natuurparel is de dubbelbestemming 'Waarde - Attenttiegebied NNB' opgenomen. Binnen deze dubbelbestemming gelden bepalingen voor werken en werkzaamheden, om te voorkomen dat directe of indirecte gevolgen daarvan de waterhuishoudkundige situatie binnen het Natuurnetwerk aantasten.

Verder gelden voor het gehele plangebied de gebiedsaanduidingen 'wetgevingzone - omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)' en 'wetgevingzone – groenblauwe mantel'.

De bestaande groepsaccommodatie als niet-agrarische nevenactiviteit is niet vastgelegd in het geldend bestemmingsplan, maar is eerder mogelijk gemaakt door middel van een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0002.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan buitengebied' met ligging planlocatie

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 het plangebied beschreven. Het planvoornemen is omschreven in Hoofdstuk 3. In Hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen getoetst aan de beleidskaders van de verschillende overheidslagen. De relevante milieu- en omgevingsaspecten worden behandeld in Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 vormt de juridische toelichting. In Hoofdstuk 7 worden de economische uitvoerbaarheid behandeld. Tot slot wordt overleg en inspraak behandeld in Hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 2 Plangebied

2.1 Ontstaansgeschiedenis

Regio de Peel ligt in de provincies Noord-Brabant en Limburg en beslaat zowel het veengebied als het omliggende zandlandschap. De Peel bestaat uit een kern waar vroeger een meer dan 100.000 hectare groot veenmoeras lag, dat nog tot in de 19e eeuw vrijwel niet werd gebruikt voor bewoning of landbouw. Hieromheen ligt een ring van dorpen op hogere zandgronden, die historisch gezien een nauwe relatie met het veen hadden. Neerkant is ontstaan op een smalle dekzandrug in het veenlandschap. Op deze zandrug zijn onder andere ook de gehuchten Heitrak, Schans en Moostdijk ontstaan. Het gebied is tegenwoordig overwegend agrarisch van karakter, maar er liggen ook enkele grotere plaatsen in de Peelrand: Deurne, Weert, Venray, Uden en Gemert. Het huidige landschap is het resultaat van een proces van agrarisch gebruik, turfwinning en naoorlogse ruilverkavelingen.

De Peel staat tegenwoordig bekend als gebied met veel intensieve veehouderijen. De visueel-ruimtelijke verschillen tussen de oude bouwlanden en het grasland verdween na de Tweede Wereldoorlog. De bossen hebben voor de recreatie betekenis. Restanten van het veengebied die niet zijn vergraven, worden momenteel beheerd als Natura 2000- gebied, waaronder Nationaal Park de Groote Peel en de Deurnsche & Mariapeel.

De planlocatie ligt nabij de Peel-Raamstelling; de verdedigingslinie van Grave naar Weert, die in 1939 werd aangelegd dwars door de Peel. Bij de aanleg van de stelling werd gebruik gemaakt van de natuurlijke bescherming van drassige hoogveenmoerassen. Rondom de verdedigingslinie werd in de Tweede Wereldoorlog gevochten. De naam Vuurlinie herinnert aan het oorlogsverleden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0003.png"

Topografische kaart van de omgeving van de planlocatie omstreeks 1920 (bron: topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0004.png"

Topografische kaart van de omgeving van de planlocatie omstreeks 1970 (bron: topotijdreis.nl)

2.2 Ruimtelijke structuur

De planlocatie ligt op ongeveer 750 meter ten westen van natuurgebied 't Zinkske, dat onderdeel is van Natura2000-gebied 'Deurnsche Peel & Mariapeel'. Dit natuurgebied vormt een waardevol gebied op de grens tussen Noord-Brabant en Limburg en behelst bijzondere natuurtypen die maar op een paar plekken in Nederland voorkomen. De gronden rondom 't Zinkske bestaan uit veenontginningen waarin het slagenlandschap nog goed zichtbaar is. Onder andere het gebied 't Molentje maakt deel uit van deze veenontginningen. 't Molentje ligt tussen de planlocatie en 't Zinkske en is als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gedeeltelijk grotendeels bestemd als 'Natuur'.

De planlocatie Vuurlinie 14 en 16 ligt in de overgangszone tussen het natuurgebied en het overwegend agrarische landschap met (intensieve) veehouderijen. De gronden ten oosten van de Vuurlinie maken deel uit van het NNB. Ten westen van de Vuurlinie liggen meerdere intensieve veehouderijen, waaronder de intensieve veehouderij 'Varkenshouderij Sonnemans' op de planlocatie.

Het plangebied is geörienteerd op de Vuurlinie en wordt aan de west- en zuidzijde begrensd door een watergang van het Waterschap Aa en Maas. Aan de noord- en zuidzijde liggen gronden van een wildkwekerij met onder andere fazanten en eenden. Tussen de veehouderijen liggen een aantal verspreide burgerwoningen, waaronder direct grenzend aan het plangebied de woning Vuurlinie 12.

2.3 Huidige situatie

Op planlocatie Vuurlinie 14 en 16 exploiteert de initiatiefnemer momenteel een intensieve varkenshouderij. Als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf wordt sinds 2017 de groepsaccommodatie 'Peelheide' verhuurd.

2.3.1 Varkenshouderij

De bestaande varkenshouderij bestaat uit zes stallen voor in totaal 5.429 biggen. Hiervan zijn 4.900 biggen gehuisvest onder een gecombineerd luchtwassysteem. De overige 529 dieren zijn traditioneel gehuisvest. Een gedeelte van de gebouwen is bedekt met asbestdaken. De stallen die niet voorzien zijn van een luchtwassysteem, voldoen niet aan de vernieuwde emissieëisen van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (aangepaste emissieeisen op stalniveau per 1 januari 2024).

Ten behoeve van opslag (gedeeltelijk statische opslag) bij het agrarisch bedrijf is in 2010 een vergunning verleend voor een agrarisch bedrijfsgebouw. De bouw van dit bedrijfsgebouw is reeds gestart, maar ligt momenteel stil in afwachting van de voorgestelde bestemmingsplanprocedure en de voorgenomen bedrijfsbeëindiging.

2.3.2 Recreatieve nevenactiviteit

In 2017 is een vergunning verleend voor het exploiteren van een groepsaccommodatie op het adres Vuurlinie 16 (kenmerk HZ-2017-0082). Deze groepsaccommodatie wordt verhuurd aan onder andere families en vriendengroepen, die voor een weekend, week of midweek kunnen recreëren in en om de natuurgebieden in het buitengebied van Deurne. De accommodatie betreft een voormalige stal, die vóór 2017 gedurende enige tijd als tijdelijke tweede woning bij de veehouderij heeft gefungeerd. De groepsaccommodatie is in eerste instantie opgericht in het voorste gedeelte van de voormalige stal. Inmiddels is ook het achterste gedeelte van de stal bij de groepsaccommodatie betrokken. Voor deze inpandige uitbreiding is tevens een vergunning verleend. Het terrein rondom de accommodatie is ingericht als terras en speelweide.

Inmiddels is de groepsaccommodatie al enkele jaren volop in verhuur. Met de groepsaccommodatie als nevenactiviteit is een start gemaakt met de recreatieve activiteiten.

2.3.3 Overzicht

Concreet bestaat de locatie uit een agrarisch bouwvlak van 9.521 m² voor een intensieve veehouderij (varkenshouderij) met daarop aanwezig:

  • Agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van de varkenshouderij, bestaande uit:
    • 1. Circa 2.340 m2 stallen met gecombineerde luchtwassystemen;
    • 2. Circa 590 m2 stallen, die niet voldoen aan de vernieuwde emissieëisen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;
    • 3. een agrarisch bedrijfsgebouw in aanbouw van 1.200 m2, waarvan de bouw is stilgelegd;
    • 4. bijbehorende verhardingen en mestsilo's;
  • een groepsaccommodatie van 450 m2 voor 26 personen;
  • een bedrijfswoning met twee bestaande bijgebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0005.png"

Luchtfoto van het plangebied in de huidige situatie

Hoofdstuk 3 Planvoornemen

3.1 Ontwikkeling toeristisch-recreatieve activiteiten

Initiatiefnemer is voornemens om de varkenshouderij definitief te beëindigen en de bestaande recreatieve activiteiten verder te ontplooien. Daarbij zullen alle overtollige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt en zal de locatie heringericht worden ten behoeve van een recreatieve functie als hoofdactiviteit. De toeristisch-recreatieve ontwikkeling bestaat onder andere uit de realisatie van een tweede groepsaccommodatie voor verblijfsrecreatie en het verhuren van (elektrische) fietsen en elektrische scooters als dagrecreatieve functie.

Met een herbestemming naar een recreatieve functie wordt hervestiging van een intensieve veehouderij onmogelijk gemaakt en wordt milieuwinst gerealiseerd voor de directe omwonenden en de nabijgelegen Natura2000-gebieden.

3.1.1 Verblijfsrecreatieve verhuur van groepsaccommodaties

De wens bestaat om een nieuwe groepsaccommodatie van 750 m2 op te richten voor 34 personen. Samen met de bestaande groepsaccommodatie voor 26 personen bestaat de heringerichte locatie uit een verblijfslocatie met 60 slaapplaatsen.

Eén van de belangrijkste uitgangspunten voor de inrichting van de locatie is het creëren van twee afzonderlijk verhuurbare groepsaccommodaties met van elkaar afgezonderde buitenruimtes, die ook aan één grote groep verhuurd kunnen worden, wanneer daar behoefte aan is. De twee groepsaccommodaties kunnen tezamen worden verhuurd aan één groep of separaat aan twee groepen. De nieuwe groepsaccommodatie wordt voorzien van een grote gemeenschappelijke ruimte en een grote keuken, die geschikt is voor groepen van 60 personen. Daardoor kan de groep verblijven in één gemeeschappelijke ruimte, wanneer zij beide accommodaties huren. Wanneer de locatie wordt verhuurd aan twee groepen, kunnen de groepen afgescheiden van elkaar verblijven op de locatie. Daardoor is de locatie geschikt voor de verhuur aan twee groepen van maximaal 26 en 34 personen of één groep van maximaal 60 personen.

De nieuwe accommodatie bestaat uit een gezamenlijke woonkamer, keuken en lounge op de begane grond. Op de eerste verdieping wordt een spellenruimte ingericht. Om een verdiepingsvloer toe te kunnen passen wordt een gebouw opgericht met een dakhelling van 30 tot 40 graden, een goothoogte van 3,5 m en een nokhoogte van 9,0 m.

Opslag van materialen: Voor de groepsaccommodatie worden materialen opgeslagen in een opslaggebouw op eigen terrein. Het gaat daarbij om onder andere om (tuin)stoelen, parasols, bedden, een waswagen en groepsspellen voor de verblijfsrecreatieve functie. Voor deze opslag is circa 150 m² opslagruimte beoogd.

3.1.2 Dagreactieve verhuur van fietsen

De locatie Vuurlinie 14-16 is een goede uitvalsbasis voor het ondernemen van dagrecreatieve fiets- en scootertochten in en om De Peel. Naast de verhuur van de groepsaccommodaties voor recreatief verblijf, is de initiatiefnemer daarom van plan fietsen, elektrische fietsen en elektrische scooters te verhuren aan dagrecreanten en aan huurders van de groepsaccommodatie. De fietsen worden verhuurd voor recreatieve dagtochten in de omgeving. Het fietsroutenetwerk ligt op korte afstand en is dus gemakkelijk te bereiken (zie ook paragraaf 5.9.1).

Ontvangstgebouw met ondergeschikte horecafunctie: Aan de straatzijde langs de Vuurlinie wordt een gebouw van circa 200 m2 opgericht, dat zal functioneren als centraal ontvangstgebouw voor de dagrecreatieve bezoekers. Het entreegebouw wordt opgericht in de vorm van een paviljoen, zodat de recreatieve locatie vanaf de Vuurlinie een gastvrije uitstraling heeft. De groepen met fietsers verzamelen zich in het ontvangstgebouw en worden gastvrij ontvangen met koffie, vlaai en streekproducten. Bij het paviljoen wordt een kleinschalige terrasvoorziening gerealiseerd, zodat de gasten bij goed weer buiten kunnen worden ontvangen. Het paviljoen functioneert voornamelijk als vertrek-, aankomst- en rustpunt voor fietstochten in de omgeving.

Opslag en onderhoud van materieel: De fietsen zullen worden opgeslagen en onderhouden in een opslaggebouw op eigen terrein. Deze inpandige fietsenstalling voor fietsen, elektrische fietsen en elektrische scooters krijgt een oppervlakte van circa 350 m2. Daarnaast wordt in hetzelfde gebouw een werkplaats van circa 100 m2 ingericht voor het onderhoud aan het materieel (o.a. fietsreparaties).

3.1.3 Gebouw voor opslag en onderhoud van materiaal en materieel

Naast de groepsaccommodatie en het ontvangstgebouw wordt een nieuw gebouw opgericht voor opslag en onderhoud van materiaal en materieel. Dit gebouw dient voor de opslag en onderhoud van materieel en materieel ten behoeve van de verblijfs- en dagrecreatieve functie, zoals beschreven in de voorgaande paragrafen (3.1.1 en 3.1.2). Daarnaast wordt een gedeelte van het gebouw gebruikt voor de opslag van materiaal en materieel voor het terreinonderhoud. Het gaat daarbij onder andere om een hogedrukreiniger, bosmaaier, grasmaaier, tuingereedschap, bloter, verticulator, veegmachine en transportbak. Voor de opslag van dit materieel is een ruimte van circa 150 m2 beoogd. Tezamen met de opslag- en onderhoudsruimten ten behoeve van de verblijfs- en dagrecreatie ontstaat één gebouw van 750 m2.

Op de planlocatie zijn reeds bouwmaterialen aanwezig voor het bouwen van het gebouw. Deze materialen (o.a. spanten) waren voorzien voor de bouw van een agrarische loods. De bouw van deze loods is stopgezet in afwachting van het voorliggend bestemmingsplan en wordt niet meer voortgezet na het beëindigen van de agrarische functie. Het gebouw wordt duurzaam opgericht door gebruik te maken van deze materialen. Bij hergebruik van de huidige spanten ontstaat een gebouw met een goothoogte van 3,0 m en een nokhoogte van 8,0 m.

3.1.4 Totaalontwikkeling

Concreet bestaat de locatie in de nieuwe situatie uit de ontwikkeling van een recreatieve locatie, bestaande uit:

  • verblijfsrecreatieve verhuur van twee groepsaccommodaties voor het verblijf van in totaal 60 personen, bestaande uit:
    • 1. de bestaande groepsaccommodatie van circa 450 m2 voor 26 personen;
    • 2. een nieuwe groepsaccommodatie van circa 750 m² voor 34 personen;
  • dagrecreatieve verhuur van fietsen, elektrische fietsen en elektrische scooters, als vertrekpunt voor fietstochten in de omgeving, vanuit een ontvangstgebouw van circa 200 m² met kleinschalige terrasvoorziening, in de vorm van een paviljoen met ondergeschikte horecafunctie;
  • De opslag van en het onderhoud aan materiaal en materieel in een gebouw van circa 750 m2 met daarbinnen:
    • 1. opslag van materialen ten behoeve van de verblijfsrecreatieve functie (ca. 150 m2);
    • 2. opslag van materieel ten behoeve van de dagrecreatieve functie (fietsenstalling van ca. 350 m2);
    • 3. ruimte voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden (o.a. fietsreparaties, ca. 100 m2);
    • 4. opslag van materiaal en materieel voor het beheer en onderhoud van de planlocatie en omliggende percelen (ca. 150 m2);
  • Bedrijfswoning Vuurlinie 14 met bijbehorende bijgebouwen;
  • Landschappelijke inrichting van de gehele locatie.

3.2 Landschappelijke inrichting

De omschakeling van een agrarische bedrijfslocatie naar een (verblijfs)recreatieve locatie wordt voorzien van een landschappelijke inpassing en moet daarnaast voldoen aan de provinciale en gemeentelijke beleidskaders voor ruimtelijke kwaliteit.

De ontwikkeling van een locatie in het buitengebied dient uiteindelijk te leiden tot een verbeterde ruimtelijke kwaliteit. Maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zijn divers en kunnen zowel gericht zijn op een afname van het bebouwingsoppervlak, landschappelijke en natuurlijke maatregelen ter inpassing, vergroening, versterking van natuurlijke netwerken en/of slopen van bebouwing.

De eerste paragraaf gaat in op de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. De kwaliteitsverbetering wordt hiervoor eerst berekend op basis van de investeringsregeling 'Nota Kostenverhaal 2018' van de gemeente Deurne. In de tweede paragraaf wordt weergegeven hoe deze bijdrage wordt gerealiseerd.

3.2.1 Berekening kwaliteitsbijdrage

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de principes van zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap verwoord. Op basis van artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening geldt specifiek voor een plan dat een ruimtelijke ontwikkeling in Landelijk gebied mogelijk maakt, dat deze ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. De toelichting of onderbouwing bij dat plan dient daaromtrent een verantwoording te bevatten.

De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de Nota Kostenverhaal 2018 van de gemeente Deurne. Op basis van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap (zie paragraaf 4.3.4) wordt de voorliggende ontwikkeling ingeschaald als categorie-3-ontwikkeling, waarbij op basis van normbedragen ten minste 20% van de bestemmingswinst geïnvesteerd moet worden in landschapsverbetering.

Op basis van de Nota Kostenverhaal kan kwantitatief de minimale omvang worden bepaald van de investering die gedaan moet worden ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap. In de Nota Kostenverhaal 2018 is daarvoor de methodiek gekozen, waarbij gewerkt wordt met gestandaardiseerde normbedragen (forfaitaire bedragen) per ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij wort de ontwikkeling omgerekend naar euro's. Eerst wordt de waardestijging van de planologische wijziging bepaald. Vervolgens wordt op basis van een percentage de minimale investering in euro's in de kwaliteit van het landschap bepaald. Dit percentage bedraagt, op grond van de provinciale Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap, ten minste 20% van de waardestijging. Onderstaande tabel geeft de berekening van de minimale kwaliteitsverbetering voor de herbestemming van de Vuurlinie 14-16 naar 'Recreatie' weer:

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0006.png" Berekening kwaliteitsbijdrage 

Bovenstaande berekening is gebaseerd op de totale oppervlakte van het plangebied van 10.927 m². Momenteel is het grootste gedeelte daarvan voorzien van een agrarisch bouwvlak. Binnen het agrarisch bouwvlak is 700 m2 toegekend aan de bedrijfswoning. Op basis van het bovenstaande bedraagt de bestemmingswaarde in de huidige situatie € 198.860,-.

In de nieuwe situatie is sprake van een recreatieve bestemming van 9.238 m2. De overige gronden met een oppervlak van 1.689 m2 worden bestemd als 'Groen'. Binnen het recreatief bouwvlak is, net als in de huidige situatie, 700 m2 toegekend aan de bedrijfswoning en ingedeeld onder 'Recreatie bebouwd'. Daarnaast is bekeken hoeveel bebouwing mogelijk wordt gemaakt in de regels van het bestemmingsplan. Het gaat om twee groepsaccommodaties met een oppervlakte van 1.200 m2 (450 m2 + 750 m2), een opslaggebouw van 750 m2 en een entreegebouw van 200 m2. Naast de bedrijfswoning is sprake van 2.150 m2 aan recreatieve bedrijfsbebouwing. Daarom is in de nieuwe situatie gerekend met 2.850 m2 'Recreatie bebouwd'. Op basis van het bovenstaande bedraagt de bestemmingswaarde in de toekomstige situatie € 195.539,-.

Het verschil tussen de toekomstige bestemmingswaarde en de huidige bestemmingswaarde geeft de waardestijging als gevolg van de herziening van het bestemmingsplan. Op basis van de bovenstaande berekening wordt geconcludeerd dat sprake is van een (fictieve) waardedaling van de locatie € 3.321,-. Daarom is op basis van de gemeentelijke Nota Kostenverhaal voor de voorliggende bestemmingswijziging geen kwaliteitsverbetering noodzakelijk. Het is niet noodzakelijk om op eigen terrein te investeren en/of een bijdrage te leveren aan het gemeentelijk kwaliteitsfonds. Wel wordt op eigen terrein aanvullend geïnvesteerd in het landschap (zie volgende paragraaf).

3.2.2 Landschapsplan

Het voorliggend plan bestaat uit de herbestemming van een agrarische locatie naar recreatie. Daarnaast worden de randen van het plangebied bestemd als groen. De kwaliteitsbijdrage vindt plaats door middel van de voorgestelde beplanting, zoals opgenomen in het bijgevoegde landschapsplan.

Het plan voorziet in een landschappelijke inpassing en tegelijkertijd in een duurzaam hergebruik van de locatie. De locatie wordt, naast de bestaande landschappelijke inpassing, flink geïnvesteerd in het landschap. Het landschapsplan (zie navolgende afbeelding) is als Bijlage 1 toegevoegd aan de toelichting.

De maatregelen die noodzakelijk zijn voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing (zorgplicht) zijn juridisch geborgd in dit bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting (artikel 4.4.3 van de regels). Deze maatregelen zijn weergegeven in Bijlage 1 bij de regels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0007.png"

Uitsnede van het landschapsplan (zie Bijlage 1)

De landschapsinvestering die met het uitvoeren van het landschapsplan wordt gerealiseerd staat gelijk aan een waarde van € 6.464,23. In de tabel die is opgenomen in het beplantingsplan is de waardering van de landschappelijke maatregelen weergegeven, waarbij normen zijn gebruikt volgens het provinciaal stimuleringskader (StiKa, versie 2016). Dit bedrag wordt aanvullend geïnvesteerd en is niet noodzakelijk vanuit een vereiste kwaliteitsverbetering. Het is eveneens niet nodig om een bijdrage te leveren aan het gemeentelijk kwaliteitsfonds.

Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht voor een goede inpassing in het landschap.

3.3 Afwijking vigerend bestemmingsplan

Ter plekke van de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf inclusief bedrijfswoning. Recreatieve activiteiten zijn alleen mogelijk in de vorm van nevenactiviteiten. De geldende bestemming maakt het niet mogelijk om de locatie te gebruiken voor toeristisch-recreatief gebruik als hoofdactiviteit.

Om het agrarisch bedrijf definitief planologisch te beëindigen en de voorgenomen (verblijfs)recreatie mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

Hoofdstuk 4 Beleidskaders

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en vervangt tevens enkele ruimtelijke doelen en uitspraken uit andere documenten. In de SVIR schetst het Rijk haar ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrend, bereikbaar en veilig worden.

Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.

Deze ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een nationaal belang heeft aangewezen. De SVIR heeft daarom geen consequenties voor voorliggend plan.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen met het oog op een goede ruimtelijke ordening.
Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit betreft onder meer het Nationale Natuurnetwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Deze ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het Rijk een ander nationaal belang heeft aangewezen. Het Barro heeft daarom geen consequenties voor voorliggend plan.

4.1.3 Bro: motivering duurzame verstedelijking

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de ‘motivering duurzame verstedelijking’ (voormalige ladder) opgenomen. Dit stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken.

Per 1 juli 2017 zijn een aantal wijzigingen op de eerdere ladder van kracht geworden. Op basis van deze gewijzigde tekst geldt in het geval dat het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dat de toelichting een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte tevens een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Het planvoornemen leidt tot de beëindiging van een intensieve veehouderij en een forse afname van het bebouwd oppervlak in het buitengebied. Het voorliggend bestemmingsplan leidt tot een afname van bebouwing met 2.430 m2. Een bestaande bedrijfslocatie wordt hergebruikt voor een nieuwe ontwikkeling. Daarmee is geen sprake van stedelijke ontwikkeling. Een nadere toets aan de motivering duurzame verstedelijking is niet nodig.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Noord-Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.

De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's en een provinciale omgevingsverordening. In delen van Brabant is sprake van een toenemende leegstand (met name agrarisch vastgoed) en bevolkingskrimp. Dat leidt tot economische en sociaal-culturele schade. In die delen van het landelijk gebied is speciale aandacht nodig voor een steeds verder toenemende leegstand doordat boeren stoppen, de leegkomende gebouwen verpauperen of een bron voor criminaliteit zijn. De sociale cohesie komt in het gedrang.

Het voornemen voorziet in het wegbestemmen van een agrarisch bedrijf dat niet meer als zodanig wordt gebruikt en het mogelijk maken van hergebruik van de locatie als recreatieve locatie. Met het bestemmen van de Vuurlinie 14 en 16 tot recreatieve locatie wordt een nieuwe economische drager toegevoegd aan het buitengebied van Deurne. Het voornemen past daarmee binnen de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014

Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerde Staten de Structuurvisie RO 2010 - partiële herziening 2014 vastgesteld, die op 19 maart 2014 in werking is getreden. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid weer tot 2025.

In de structuurvisie is het landelijk gebied opgedeeld in vier ruimtelijke structuren. Dit zijn:

  • de groenblauwe structuur
  • het landelijk gebied
  • de stedelijke structuur
  • de infrastructuur

De zonering is bepaald voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de diverse functies in het buitengebied zoals landbouw, natuur en recreatie, voor zover deze het provinciaal belang aangaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0008.png" Uitsnede structurenkaart met ligging planlocatie rood omlijnd

De planlocatie ligt binnen de groenblauwe structuur en maakt onderdeel uit van de zogenaamde 'groenblauwe mantel'. De provincie kiest hier voor functieontwikkeling gecombineerd met de ontwikkeling van een robuust raamwerk met landschappelijke kwaliteit, bestaande uit (bestaande) natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Deze structuur is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering. De structuur bestaat voornamelijk uit bos- en natuurgebieden, beken en andere waterlopen. Binnen de groenblauwe structuur liggen ook gebieden met een andere functie (zoals een agrarisch of recreatieve), met name wanneer deze gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties.

Ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel dienen qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor het gebied te passen en dienen rekening te houden met omliggende (natuur)waarden. Bovendien heeft de structuurvisie voor deze ontwikkelingen een zorgplicht opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit.

De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk vanuit economische en sociaal–culturele belangen. De provincie wil de samenhang daartussen verbeteren en de mogelijkheden voor gebruik en beleving van deze gebieden verbeteren. Dit biedt ook kansen om het toeristisch-recreatieve product in Noord-Brabant te versterken. In de groenblauwe mantel biedt de provincie ruimte aan de groeiende vraag naar 'diensten' die het landelijke gebied aan de samenleving kan bieden. Recreatieve ontwikkelingen, met name op bestaande locaties (bijvoorbeeld vrijkomende agrarische bedrijfslocaties) zijn mogelijk, zeker als daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van natuur, water en landschap.

Het voornemen tot de herontwikkeling van de Vuurlinie 14 en 16 betreft een toeristisch-recreatieve ontwikkeling op een bestaande (vrijkomende) agrarische locatie. Bovendien leidt het voornemen tot een versterking van natuur en landschap, de verbetering van de toegankelijkheid van het omliggende landschap en een stimulans van de beleving en het gebruik van het landelijk gebied door een breder publiek.

Gebiedspaspoort: Een ander onderdeel van de Structuurvisie zijn de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Deze gebiedspaspoorten bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en laten zien hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De planlocatie ligt binnen het gebiedspaspoort 'Peelkern'.

Niet alle opgestelde ambities voor de Peelkern zijn relevant voor het plangebied. Onderstaand een selectie van ambities die relevant zijn:

  • 1. De ontwikkeling van De Peel benaderen als een samenhangende gebiedsopgave waarin de mogelijkheden voor intensieve vormen van landbouw, natuur, landschap, leefbaarheid en water worden verbeterd en waarbij de milieudruk afneemt. Dit kan onder andere worden verwezenlijkt door:
    • a. robuuste erfbeplanting bij zowel bestaande erven, uitbreiding van bebouwing als nieuwvestiging;
    • b. de cultuurhistorische waarde van de Peelontginning te gebruiken bij het vormgeven van nieuwe ontwikkelingen;
    • c. verbetering van recreatieve ontsluiting, gekoppeld aan behoud van zandwegen;
  • 2. De cultuurhistorische waarden van de Peelkern in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de Peel-Raamstelling en de cultuurhistorische landschappen “Griendtsveen-Helenaveen” en “Landgoederen bij Gemert” (Grote Slink-Bunthorst, Stippelberg, Cleefs Wit-De Sijp, Princepeel).
  • 3. Het versterken van de ecologische waarden van het landschap door te sturen op de ontwikkeling van hooilanden en vochtige graslanden en op het behouden of ontwikkelen van kenmerken van het landschap, waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van open akker- en graslandgebied (bijv. de wulp, gele kwikstaart, ganzen en zwanen), het halfopen landschap met bomenlanen (das, korenbloem), sloot-, greppelkanten en perceelranden (blauwborst, heikikker) en sloten en vaarten goede indicatoren zijn.

Daarnaast draagt het voornemen bij aan de recreatieve ontsluiting van het gebied, mede door de verhuur van fietsen en elektrische scooters. De samenhang tussen landbouw, natuur en landschap worden vergroot en de milieudruk op het landschap neemt met de realisatie van het voornemen af. In het opgestelde landschapsplan (zie Bijlage 1 Landschapsplan) is de landschappelijke inrichting weergegeven, waarmee het voornemen bijdraagt aan de landschappelijke kwaliteit en ecologische waarden van het gebied. Het voornemen draagt daarmee bij aan de gebiedsambities voor de Peelkern.

Gelet op het bovenstaande past het voornemen binnen de groenblauwe structuur en draagt het bij aan de ambities voor het landschap, die door de provincie zijn opgesteld in het gebiedspaspoort 'Peelkern'. Daarmee past het voornemen binnen de Provinciale Structuurvisie Ruiimtelijke Ordening.

4.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 25 oktober 2019 heeft Provinciale Staten de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. In deze planologische verordening zijn regels opgenomen voor verschillende ruimtelijke en planologische onderwerpen, waar de gemeenten rekening mee moeten houden bij het opstellen van bestemmingsplannen. De voor de ontwikkeling relevante onderwerpen, die worden geregeld zijn:

  • Ontwikkelingsmogelijkheden van land- en tuinbouw;
  • Bescherming van de landschappelijke en natuurwaarden;
  • Bescherming van cultuurhistorische en aardkundige waarden;
  • Waterbeleid;
  • Nieuwe economische dragers in het buitengebied;
  • Zorgplicht en ruimtelijke kwaliteitsverbetering.

De Interim Omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed elders. De nadruk op omgevingskwaliteit komt ook tot uitdrukking bij de kwalitatieve benadering voor hergebruik van leegstaand vastgoed in het landelijk gebied en duurzame verstedelijking.

De Interim omgevingsverordening wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de Interim omgevingsverordening aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse omgevingsvisie en worden meer mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de omgevingsverordening in plaats van middelvoorschriften doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een 'ja, mits - benadering'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0009.png"

Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met ligging planlocatie

De locatie ligt onder andere in het werkingsgebied 'Landelijk gebied' als onderdeel van de groenblauwe mantel.

Landelijk gebied (groenblauwe mantel): De locatie maakt onderdeel uit van het landelijk gebied en de groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'.

Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies.

Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarisch functie in het Landelijk gebied: 

Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
    • 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

In het landelijk gebied van de gemeente Deurne is plaats voor onder andere land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme. De gemeente Deurne geeft in haar Structuurvisie Deurne 2030 tevens aan dat een gemengd gebruik van het landelijk gebied hier gewenst is (zie paragraaf 4.3.1). De recreatieve functie past als zodanig bij het multifunctioneel gebruik van het buitengebied van de gemeente Deurne. De locatie dient bovendien als recreatieve ontsluiting van de Deursche Peel en past in het landschap van de kleinschalige zandontginningen.

    • 1. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

De herontwikkeling tot toeristisch-recreatieve locatie draagt bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van het landelijk gebied en vormt geen belemmering voor agrarische ontwikkelingen in de omgeving. Er wordt gebruik gemaakt van de (voormalige) agrarische locatie Vuurlinie 14-16. De ontwikkeling draagt bij aan de problematiek rondom leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing. Hetvestiging van een intensieve veehouderij wordt planologisch onmogelijk gemaakt, waarmee de milieubelasting op de omgeving aanzienlijk verminderd. Door de aard van de toekomstige bedrijfsactiviteiten past het bedrijf in de omgeving.

    • 1. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bebouwing van de bestaande veehouderij Vuurlinie 14 gesloopt, waardoor leegstand op de locatie wordt voorkomen. Het bebouwd oppervlak neemt met de voorliggende ontwikkeling af. De huidige oppervlakte bedrijfsbebouwing bedraagt circa 4.550 m2  (bestaand en/of vergund), exclusief bedrijfswoning. Bovendien worden de bestaande mestsilo's ook verwijderd. De toekomstige oppervlakte bedrijfsbebouwing bedraagt circa 2.150 m2 (zie paragraaf 3.1.4). Dat betekent een afname aan bebouwing van circa 2.400 m2. Daarnaast vindt landschappelijke inpassing plaats en wordt een gedeelte van het perceel bestemd als 'Groen'.

  • b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;

Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; er is sprake van één recreatief bedrijf.

  • a. overtollige bebouwing wordt gesloopt;

De bedrijfsgebouwen bij de varkenshouderij worden gesloopt. Er is geen sprake van overtollige bebouwing.

  • b. de vestiging heeft geen betrekking op:
    • 1. een kantoor met baliefunctie;
    • 2. lawaaisport;
    • 3. mestbewerking.

Er is geen sprake van een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking.

Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

  • a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

De recreatieve voorzieningen passen in het landschap van de kleinschalige zandontginningen. De recreatieve voorzieningen hebben een beperkte publieksaantrekkende werking, die past bij het buitengebied. De toegestane activiteiten zijn vastgelegd in Artikel 4 Recreatie van de regels van dit bestemmingsplan.

  • b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

In artikel 4.4 van de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen welke specifieke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan'.

  • c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

Er is geen sprake van buitenopslag; opslag en stalling vindt plaats in het bedrijfsgebouw ter plaatse van de aanduiding 'opslag'.

  • d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Het voorliggend bestemmingsplan wordt opgesteld, zodat het toeristisch-recreatief bedrijf zich kan ontwikkelen richting een duurzame exploitatie naar de toekomst op de planlocatie. Het bestemmingsplan voorziet in de toekomstige wensen van initiatiefnemer. De maximaal toegestane omvang, zoals opgenomen in artikel 4.2 Bouwregels van de regels van dit bestemmingsplan, is toereikend voor het toekomstperspectief gedurende de planperiode.

Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

  • a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;

Er is geen sprake van bedrijvigheid, die qua aard thuishoort op een bedrijventerrein. Verblijfsrecreatieve activiteiten zijn passend in het buitengebied.

  • b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;

Er is geen sprake van detailhandel.

  • c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Er is sprake van een vrije-tijdsvoorziening, waarbij sprake is van maximaal toegestane bebouwing van 2.150 m2 ten behoeve van de recreatieve functie. Daarmee wordt voldaan aan het maximum oppervlakte bebouwing van 1 hectare.

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen past binnen artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap: Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant de 'zorgplicht' opgenomen. Dit betekent dat ieder plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Daarnaast is in de Interim Omgevingsverordening het beleidsvoornemen opgenomen met betrekking tot 'kwaliteitsverbetering van het landschap'. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. In paragraaf 3.2 is toegelicht dat geen tegenprestatie noodzakelijk is. Wel moet worden voldaan aan de zorgplicht voor landschappelijke inpassing. De landschapsverbeterende maatregelen zijn opgenomen in Bijlage 1 bij de toelichting.

Conclusie: De locatie is niet gelegen in de ecologische hoofdstructuur, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone danwel een aardkundig of cultuurhistorisch waardevol vlak. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de gestelde randvoorwaarden voor herbestemming van de locatie naar recreatie binnen de groenblauwe mantel en de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen past binnen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie Deurne 2030

De gemeenteraad van de gemeente Deurne heeft op 13 maart 2018 de Structuurvisie Deurne 2030 vastgesteld. Hierin is aangegeven welke grote maatschappelijke opgaven de komende jaren voor Deurne van belang zijn. In de structuurvisie is aangegeven dat thema's als het landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie allen aanknopingspunten bieden voor nieuwe initiatieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0010.png"

Uitsnede Structuurvisie Deurne 2030 met ligging planlocatie

In de Structuurvisie Deurne 2030 is de planlocatie aangewezen als een gebied met een gemengde plattelandseconomie. De gemeente geeft aan in dit gebied ruimte te bieden aan niet-agrarische functies, waaronder wonen en recreatie. De gemeente stimuleert investeringen in kwaliteitsverbetering, verbreding en versterking van het toeristisch recreatieve aanbod en het benutten en versterken van de kwaliteiten en uitstraling van Deurne wat betreft natuur, landschap, cultuurhistorie.

De gemeente streeft naar het versterken van de aantrekkingskracht van Deurne, met het groen en landelijke karakter als een belangrijke toeristische kwaliteit. De vestiging van een toeristische trekker die zorgt voor spin-off is hierbij een streven. In de structuurvisie wordt onderkend dat Deurne onlosmakelijk is verbonden met de Peel. Het peellandschap en diverse monumenten lenen zich uitstekend voor vrijetijdsbesteding en natuurbeleving, zeker nabij het Natuurnetwerk Brabant.

De ontwikkeling van een verblijfsaccommodatie met toeristisch-recreatieve activiteiten, waaronder de verhuur van fietsen, past binnen deze visie en kan een onderdeel vormen van de recreatieve ontsluiting van het gebied. Het verzoek past dan ook binnen het streven van de gemeente Deurne zoals omschreven in de Structuurvisie Deurne 2030.

4.3.2 Transitie buitengebied Deurne 'Ruimte voor kansen'

De gemeenteraad van de gemeente Deurne heeft op 17 december 2019 het transitieprogramma voor het buitengebied vastgesteld. Vanuit het transitieprogramma buitengebied Deurne 'Ruimte voor kansen' zijn bouwstenen uitgewerkt. De bouwstenen beogen een stimulering van omschakeling en sloop van voormalige agrarische bebouwing, met als doel een verbetering van de kwaliteit van het landschap. De bouwstenen voorzien niet in deze specifieke ontwikkeling aan de Vuurlinie 14 en 16, maar het initiatief past wel binnen de bredere gedachte van de transitie van het buitengebied.

Het aantal agrarische bedrijven gaat steeds verder omlaag. Weliswaar zullen de blijvers groter worden, maar per saldo zal de sector krimpen. De werkgelegenheid in de veehouderijsector zal in de loop der tijd meer krimpen, omdat de blijvers efficiencyslagen maken met behulp van technologie. Daardoor zijn minder mensen nodig voor hetzelfde werk. Het buitengebied heeft echter economische dragers nodig voor werkgelegenheid en leefbaarheid. Door nieuwe perspectieven te creëren ontstaat een nieuwe dynamiek in het buitengebied.

Op dit perceel wordt maatwerk geleverd waardoor een kwaliteitsslag gemaakt kan worden. Het agrarisch bedrijf wordt beëindigd, alle agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt en de het perceel wordt landschappelijk ingepast. De recreatieve functie past goed bij de ligging in het gemengd agrarisch gebied, zeker gezien het feit dat de locatie direct tegenover het Natuurnetwerk Brabant en op korte afstand van Natura2000-gebied ligt. Daarmee past het initiatief binnen de gewenste transitie van het buitengebied.

4.3.3 Groenstructuurplan en groene parels

Groenstructuurplan: De gemeente Deurne heeft op 16 december 2009 het groenstructuurplan vastgesteld. Het groenstructuurplan geeft een integrale- en langetermijnvisie op hoofdlijnen aan voor de looptijd van 10 tot 20 jaar. Het groenstructuurplan is uitgesplitst in een groenstructuurplan voor de kernen en een groenstructuurplan voor het buitengebied.

In het groenstructuurplan is aangegeven dat de laanstructuren bepalend zijn voor het landschapsbeeld in het buitengebied. Deze bomenlanen moeten daarom behouden worden en zullen waar nodig moeten worden versterkt. Het casco van laanstructuren biedt voor dit gebied een redelijke landschappelijke inpassing van de agrarische bedrijfslocaties en activiteiten, maar de aanwezigheid van erfbeplanting is, naast deze laanstructuren, een vereiste. Verder zijn belangrijke waterelementen aangegeven in het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0011.png"

Uitsnede kaart groenstructuurplan met planlocatie omlijnd

De bomenlaan langs de Vuurlinie is aangemerkt als waardevolle bomenlaan. De bomenlaan blijft met het planvoornemen behouden. Direct westen van de planlocatie bevindt zich de Heitrakse Loop; een gekanaliseerde beek, die uitmondt in de Astense Aa. De gronden aan de overzijde van de Vuurlinie maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant en zijn in het groenstructuurplan ook aangewezen als natuurgebied. Verder wordt de locatie landschappelijk ingepast, zie ook paragraaf 3.2 Landschappelijke inrichting en Bijlage 1 Landschapsplan.

Groene parels: Naast het groenstructuurplan is er specifiek beleid opgesteld voor groene waardevolle elementen, de zogenaamde 'groene parels'. Deze groene parels zijn op een kaart vastgelegd en mogen niet gekapt worden sinds vaststelling van de gewijzigde Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Kappen is pas mogelijk als een omgevingsvergunning is verleend.

Binnen de planlocatie liggen geen groene parels. De laanbeplanting langs de Vuurlinie wordt wel als waardevol beschouwd. Deze laanbeplanting ligt buiten het plangebied en blijft met het planvoornemen behouden.

Conclusie: Voorliggend plan heeft geen gevolgen voor de gemeentelijke groenstructuur. De bestaande laanbeplantingen worden met dit initiatief niet aangetast.

4.3.4 Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap

De gemeente vereist conform de gestelde voorwaarden uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, dat elke ruimtelijke ontwikkeling die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap.

Functieverandering van een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie wordt beschouwd als een zogenoemde 'categorie 3 ontwikkeling'. Dit betreft ontwikkelingen met een aanzienlijke ruimtelijke impact, die als maatwerk beoordeeld dienen te worden. Voor dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen wordt bovenop de basisinspanning (zijnde algemene kwaliteitseisen in het kader van de algemene zorgplicht alsmede een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan) een extra ruimtelijke kwaliteitstoevoeging vereist, de basisinpassing-plus.

Er kan op meerdere wijze geïnvesteerd worden in extra ruimtelijke kwaliteitstoevoeging. Dit kan onder meer door een extra robuuste landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken en/of de aanleg c.q. herstel van natuur- en landschapselementen (zoals akkerranden, poelen, hakhoutwallen, etc.) alsmede sloop van overtollige bebouwing ter versterking van de landschapsstructuur.

De gemeente heeft als uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen dat maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in ieder geval ook op de planlocatie zelf of op direct aangrenzende gronden dient plaats te vinden.

De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient in samenhang met de bestaande situatie en rekening houdend met de ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de omgeving, landschappelijk verantwoord ingepast te worden met erfbeplanting. Landschappelijke inpassing vindt plaats op of direct aansluitend aan het bouwvlak c.q. bestemmingsvlak.

Op basis van het Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap ligt de planlocatie in het landschap van kleinschalige zandontginningen (zie navolgende kaart).

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0012.png"

Uitsnede kaart Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap met ligging planlocatie

Op basis van het Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap ligt de planlocatie in het landschap van de kleinschalige zandontginningen. Door verschillende soorten landschapselementen en kleinschalige boscomplexen is er een gevarieerd kleinschalig landschap ontstaan. Het landschap van de kleinschalige zandontginning wordt eveneens gekenmerkt door diverse landschapselementen. De verkaveling in dit type vertoont een onregelmatig en gevarieerd beeld waarbij landbouwgronden, houtwallen en bosjes elkaar afwisselen.

De bebouwing is op logische wijze (rooilijn) en veelal verspreid langs de weg gesitueerd. De bouwblokken zijn vaak onregelmatig gevormd en voegen zich naar de situatie, waarbij wordt ingespeeld op bestaande landschapselementen in de directe omgeving. Een overheersende nokrichting is niet aan de orde. Erfgrenzen worden ingeplant met een houtsingel of bomenrij. Bij de landschappelijke inpassing erfbeplanting wordt gebruik gemaakt van streekeigen soorten, zoals Berk, Eik, Es, Linde, Els en Meidoorn.

Voor het bepalen van de hoogte van de vereiste extra kwaliteitstoevoeging voor categorie 3 ontwikkelingen heeft de gemeente Deurne in haar Nota Kostenverhaal 2018, onderdeel van de Structuurvisie Deurne 2030, gekozen voor het aanhouden van forfaitaire bedragen.

Voor onderhavige ontwikkeling is als invulling van de verplichte kwaliteitsverbetering van het landschap een landschapsplan opgesteld, zie ook paragraaf 3.2 Landschappelijke inrichting en Bijlage 1. Het gemeentelijk beleidskader heeft als uitgangspunt gediend voor de ruimtelijke kwaliteitsverbetering en het opgestelde landschapsplan. Met de realisatie van dit plan wordt voldaan aan de gemeentelijke uitgangspunten. De totale investering in ruimtelijke kwaliteit voldoet aan het gemeentelijk beleidskader Kwaliteitsverbetering landschap. De landschappelijke maatregelen zijn juridisch geborgd in dit bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting.

4.3.5 Toeristisch-recreatief beleid Deurne

De gemeente Deurne heeft als ambitie om de potenties op toeristisch-recreatief gebied te verzilveren, zowel voor de grootschalige als voor de kleinschalige initiatieven, en de toeristisch-recreatieve sector als geheel te versterken. De gemeente wil ondernemers stimuleren, ondersteunen en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Ontwikkeling van nieuwe concepten, investeringen in kwaliteitsverbetering, verbreding en versterking van het bestaande lokale toeristisch-recreatieve aanbod staan hierbij centraal.

Bij kleinschalige toeristisch-recreatieve initiatieven hanteert de gemeente de volgende criteria:

  • 1. de aard van het initiatief moet passen bij de functionele karakteristiek van de omgeving;

De locatie maakt deel uit van het gemengde plattelandseconomie, waarbinnen de gemeente Deurne in principe overal ruimte biedt voor toeristische en recreatieve activiteiten (zie ook paragraaf 4.3.1).

  • 2. de aard en inrichting van het initiatief moet aansluiten bij de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving;

Het initiatief sluit aan bij de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied en is tevens landschappelijk en stedenbouwkundig ingericht naar de aard van het gebied, zie daarvoor ook paragraaf 3.2, 4.3.3 en 4.3.4.

  • 3. het initiatief mag niet leiden tot verkeers- of parkeeroverlast in de omgeving;

Het initiatief zal niet leiden tot verkeers- en/of parkeeroverlast. Er wordt voorzien in nieuwe parkeervoorzieningen. Zie hiervoor ook paragraaf 5.9 Mobiliteit.

  • 4. bij de inrichting van de locatie moet duurzaamheid herkenbaar centraal staan;

De nieuwe inrichting zal voldoen aan de meest recente duurzaamheidseisen op het gebied van bouwen. Bij het realiseren van het landschapsplan en het beëindigen van de veehouderij wordt ecologische winst behaald.

  • 5. de nieuwe activiteiten mogen niet belemmerend werken voor reeds bestaande activiteiten in de omgeving.

De herontwikkeling tot recreatieve locatie leidt niet tot een belemmering voor omliggende bedrijven. Zie daarvoor ook paragraaf 5.1 Bedrijven en milieuzonering.

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen aansluit bij de ambities van de gemeente Deurne.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Bedrijven en milieuzonering

Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Hiervoor worden de afstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' als maatgevend beschouwd'.

Het plan voorziet in de planologische functiewijziging van het agrarisch bedrijf naar een recreatievoorziening. Na de voorgenomen herziening van het bestemmingsplan zijn andere bedrijfsactviteiten toegestaan. De nieuwe recreatieve activiteiten leiden onder andere tot het verblijf van personen binnen de inrichting. In deze paragraaf zijn de functies en activiteiten in de omgeving beoordeeld, om aan te tonen dat de omliggende functies niet worden gehinderd en geen hinder wordt ondervonden vanuit de omgeving.

5.1.1 Hindergevoelige functies binnen het plangebied

Het planvoornemen voorziet in de oprichting van een nieuwe groepsaccommodatie en het bestemmen van de bestaande groepsaccommodatie. De bedrijfswoning blijft met de voorgenomen herziening van het bestemmingsplan een bedrijfswoning. De hindergevoeligheid van deze woning wijzigt niet. Er wordt één nieuwe hindergevoelige functie opgericht in de vorm van een nieuwe groepsaccommodatie. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen zijn de functies in de omgeving beoordeeld. In de omgeving zijn de volgende hinderveroorzakende functies aanwezig:

Locatie   Functie   Richtafstand   Afstand tot plangebied   Afstand tot nieuwe groepsaccommodatie  
Vuurlinie 10   Wildkwekerij   200 m   38 m   56 m  
Scheper Jannebaan 9   Wildkwekerij   200 m   10 m   60 m  
Vuurlinie 18   Varkenshouderij   200 m   122 m   170 m  
Vuurlinie 8   Rundveehouderij   100 m   112 m   145 m  
Bergweg 6   Gemengd bedrijf (akkerbouw i.c.m. o.a. rundvee, schapen, varkens, legkippen)   30 m / 200 m   150 m   170 m  
Bergweg 2b   Tuinbouwbedrijf   30 m   115 m   120 m  

Tabel met afstand tot omliggende functies

De planlocatie ligt binnen de richtafstand voor geur van de veehouderijen Vuurlinie 10, Scheper Jannebaan 9, Vuurlinie 18 en Bergweg 6. Daarom is een geuronderzoek uitgevoerd. Het aspect geur is nader beschouwd in paragraaf 5.5 Geur. Uit het geuronderzoek blijkt dat het aspect geur geen belemmering vormt. De nieuwe groepsaccommodatie ligt niet binnen de richtafstanden voor geluid, stof en gevaar. Bovendien zijn groepsaccommodaties geen geluidgevoelige objecten.

5.1.2 Hinderveroorzakende activiteiten binnen het plangebied

Met de ontwikkeling van de locatie tot een (verblijfs)recreatieve bedrijfslocatie, wordt een hinderveroorzakende functie toegevoegd aan de omgeving. Het bestaande agrarisch bedrijf wordt beëindigd, waardoor de belasting op de omgeving afneemt. Het toeristisch-recreatief bedrijf met groepsaccommodatie kan op basis van de VNG-publicatie worden ingedeeld onder SBI-2008 categorie 5510 'Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra'. Voor deze bedrijfscategorie geldt milieucategorie 1 met bijbehorende richtafstand van 10 meter. Binnen 10 meter van de recreatieve bestemming liggen geen gevoelige functies, met uitzondering van de woonbestemming Vuurlinie 12. Aan de zijde van de Vuurlinie 12 liggen de bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen en nieuwe opslagfunctie. Binnen 10 meter afstand van de burgerwoning Vuurlinie 12 is geen sprake van hinderveroorzakende activiteiten.

5.1.3 Conclusie

Het plan leidt niet tot beperkingen voor omliggende functies. Ook vormen omliggende functies geen belemmering voor het plan. Gelet op vorenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Met het planvoornemen wordt een nieuwe groepsaccommodatie toegevoegd aan de locatie. Recreatieve verblijfsobjecten worden aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Het aantal personen dat verblijft binnen het plangebied neemt toe. Aangezien het bestemmingsplan het oprichten van een nieuw beperkt kwetsbaar object mogelijk maakt, dient te worden getoetst aan de geldende toetsingskaders (Bevi, Bevt en Bevb). Om de risicobronnen te inventariseren is de risicokaart beschouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0013.png"

Uitsnede risicokaart met ligging planlocatie (bron: risicokaart.nl)

Risicovolle inrichtingen (Bevi): Uit de risicokaart blijkt dat op de naburige locatie een risicobron aanwezig is. De veehouderij Vuurlinie 10 is aangewezen als risicovolle inrichting. De veehouderij Scheper Jannebaan 9 en het perceel met wildnetten aan de overzijde van de Vuurlinie maken op de risicokaart onderdeel uit van dezelfde inrichting. De locatie is aangeduid omdat twee bovengrondse propaantanks aanwezig zijn. De propaanopslag beslaat maximaal 13 m3. Daarbij hoort een veiligheidsafstand van 15 meter. De planlocatie ligt op meer dan 15 meter van de dichtstbijzijnde propaantank. Er is geen sprake van een Bevi-inrichting.

Transport gevaarlijke stoffen (Bevt) en leidingen (Bevb): Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A67. Het invloedsgebied bedraagt 4 kilometer in verband met het transport van toxische gassen op dit traject. Conform artikel 7 en 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient in te worden gegaan op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid en dient advies te worden ingewonnen bij de Veiligheidsregio. Gelet op de ruime afstand tot de snelweg (circa 2,2 kilometer) kan worden voldaan met het standaardadvies van de Veiligheidsregio.

Op 11 mei 2017 heeft de Veiligheidsregio voor ontwikkelingen op grote afstand (200 m tot 4 km) van risicobronnen en voor kleine ontwikkelingen een standaard advies opgesteld. Samengevat luit dit advies:

  • Breng afsluitbare mechanise ventilatie aan in de woningen;

Nieuwe bouwwerken (waaronder de nieuwe groepsaccommodatie) moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Als de verblijfsgebouwen worden voorzien van mechanische ventilatie, dient deze conform artikel 3.31 van het Bouwbesluit uitgezet kunnen worden.

  • Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe;

Het betreft een bestaand perceel, waarvan alleen de functie wijzigt. Aan de bereikbaarheid of bluswatervoorziening vinden geen aanpassingen plaats.

  • Pas risicocommunicatie toe.

De gemeente Deurne sluit zich aan bij de landelijke risicocommunicatie.

Verder ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van wegen, spoor en/of buisleidingen.

Conclusie: Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.3 Bodem

Indien er sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden onderzocht of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik.

Het plan voorziet in een planologische functieverandering van een agrarische bedrijfslocatie naar een recreatiebestemming. Om inzicht te krijgen in milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse is een verkennend bodemonderzoek inclusief historisch vooronderzoek en asbestanalyse uitgevoerd conform NEN-5740, NEN-5725 en NEN-5707 (rapportnr. 220-NVu14-16-vo-voa-v2, d.d. 17 november 2020). Het onderzoek is uitgevoerd op 15 april 2020 en 11 mei 2020. De rapportage van het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting.

5.3.1 Verkennend bodem- en asbestonderzoek

Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" worden aangenomen, gezien het feit dat geen locatiespecifieke verontreinigingen zijn geconstateerd. De hypothese “diffuus belaste locatie met heterogeen verdeelde verontreinigingen op schaal van de monsterneming” kan worden verworpen gezien het feit dat bij de meeste dakhelften geen asbest in de bodem is aangetroffen. Alleen bij M2 (stal 3) is een matige verhoging met asbest in de toplaag aangetroffen. Ook onder de puinverharding achter stal 3 is geen asbest aangetroffen boven de 100 mg/kg ds.

De verontreinigingen met zware metalen in de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. De lichte verhogingen met minerale olie in het grondwater is een geringe overschrijding van de streefwaarde en hiervoor is geen nader onderzoek noodzakelijk. De verhoging met PCB’s in een gedeelte van de bovengrond zijn mogelijk gerelateerd aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de locatie. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk.

In verband met het onderzoek asbest in de bodem zijn per zijde van een dak een aantal gaten van 30x30 cm gemaakt tot 0,2 m-mv. Van de gaten zijn in totaal 7 mengmonsters samengesteld en deze zijn geanalyseerd op asbest. Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de concentratie asbest in mengmonster M2 hoger is dan de toetsingswaarde voor nader onderzoek van 50 mg/kg ds. Voor deze dakhelft is daarom een nader onderzoek noodzakelijk. Verder wordt in M2 in de fractie kleiner dan 500 micrometer losse asbestvezels aangetroffen.

Op 11 mei 2020 zijn bij M2 op 1,5 meter afstand van het gebouw (stal 2) nieuwe gaten gemaakt tot 0,5 m-mv. Hiervan zijn monsters samengesteld (M10 en M11) en deze zijn geanalyseerd op asbest. Ook is de ondergrond bemonsterd en ook dit (meng)monster is geanalyseerd op asbest. In alle monsters wordt geen asbest aangetroffen.

In tweede instantie zijn van de monsters M2, M3, M4 en M6 met behulp van SEM de losse vezels bepaald en hieruit blijkt dat er geen sprake is van losse vezels in de bovenlaag in de drupzones.

Een strook van ongeveer 1 meter bij stal 2 dient als asbesthoudend te worden gesaneerd. Hiervoor is een BUS-melding noodzakelijk bij het bevoegd gezag.

Geconcludeerd wordt dat er belemmeringen zijn geconstateerd m.b.t. asbest in de bodem in verband met de bestemmingswijziging naar wonen / recreatie. Er is een aanvullend onderzoek uitgevoerd bij M2 en hierbij is geconstateerd dat de asbest in de bovenlaag beperkt blijft in een strook van 1 meter langs stal 2. Deze kan worden gesaneerd door middel van een bodemsanering ter plaatse.

5.3.2 Conclusie in relatie tot het bestemmingsplan

Voor herbestemming naar een woonfunctie is het op basis van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) noodzakelijk om de genoemde verontreinigingen te saneren. De initiatiefnemer houdt in de uitvoering van het plan rekening met de noodzaak tot het uitvoeren van deze bodemsanering.

Wanneer een zorgvuldige sanering van asbest langs stal 2 wordt uitgevoerd, zijn geen belemmeringen meer aanwezig voor de voorliggende herziening van het bestemmingsplan van agrarisch naar recreatie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan.

In het kader van het bestemmingsplan is het van belang dat sprake is van een financiële uitvoerbaarheid. De financiële lasten voor het saneren van de aangetroffen verontreiniging moeten opwegen tegen de opbrengsten van het plan. Initiatiefnemer houdt rekening met de bijkomende kosten van de noodzakelijke sanering en heeft de kosten meegewogen in de totale kostenexploitatie van de recreatieve locatie. Daarmee kan worden gesteld dat sprake is van een uitvoerbaar planvoornemen (zie ook Hoofdstuk 7 Economische haalbaarheid).

Gelet op de schaal van de bodemverontreiniging en de financiële lasten die kunnen worden gedragen door initiatiefnemer, kan worden gesteld dat sprake is van een uitvoerbaar planvoornemen. Initiatiefnemer zal bij de gemeente een Plan van Aanpak voorleggen voor de uit te voeren sanering. Het bevoegd gezag zal na de uitvoering van de sanering het evaluatieverslag controleren, waarna de locatie kan worden goedgekeurd voor de toekomstige functie. Bij graafwerkzaamheden in (al dan niet) verontreinigde grond en wanneer deze grond wordt ontgraven en/of afgevoerd, zijn de Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Afvoer en hergebruik van grond dient afgestemd te worden met het bevoegd gezag.

Na uitvoering van de genoemde saneringen vormt het aspect bodem geen verdere belemmering voor het uitvoeren van het plan en het toekennen van een recreatieve functie.

5.4 Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde 'geluidgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting.

Recreatieve verblijfsobjecten zijn geen geluidgevoelige objecten. Het plan voorziet daarom niet in het toevoegen van een geluidgevoelig object. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

Binnen het plangebied is sprake recreatieve activiteiten. In paragraaf 5.1 Bedrijven en milieuzonering is geconcludeerd dat er binnen de richtafstand voor geluid geen geluidgevoelige objecten liggen. Een nadere akoestische beschouwing kan daarom achterwege blijven.

Het aspect geluidhinder vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. De gemeente Deurne beschikt over een eigen geurbeleid en verordening.

Om de geursituatie in kaart te brengen is voor de locatie Vuurlinie 14 en 16 een geurberekening uitgevoerd en een memo opgesteld, waarin de geursituatie wordt beoordeeld. De memo is bijgevoegd als Bijlage 3 bij de toelichting. Uit deze memo kan worden geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het voorliggend plan.

5.6 Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

Bijdrage van de ontwikkeling aan de luchtkwaliteit: Indien een project aangeduid kan worden als Niet in betekenende mate (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. De voorgenomen planontwikkeling betreft het planologisch vastleggen de bestaande groepsaccommodatie en het mogelijk maken van de oprichting van een nieuwe accommodatie. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hanteert de NIBM-tool om te bepalen of een project al dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hiertoe zijn de vervoersbewegingen ingevoerd, zoals onderbouwd in paragraaf 5.9.2 Autoverkeer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0014.png"

Uit de NIBM-tool kan worden geconcludeerd dat het plan in het kader van luchtkwaliteit kan worden aangemerkt als Niet In Betekenende Mate (NIBM).

Bovendien kan worden gesteld dat de luchtkwaliteit ter plekke sterk verbetert. Op de locatie Vuurlinie 14 is in de huidige situatie sprake van een varkenshouderij, met een vergunning voor het houden van onder andere 5.429 gespeende biggen (beschikkingsdatum 1 december 2017). De fijnstofemissie bedraagt 117 kg per jaar. Het definitief beëindigen van de varkenshouderij leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat voor omliggende (burger)woningen.

Woon- en leefklimaat in relatie tot omliggende veehouderijen: Naast de bijdrage van het initiatief aan de luchtkwaliteit, dient te worden beschouwd of ter plekke van de planlocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de omliggende veehouderijen. In die context is een onderzoek uitgevoerd naar fijnstof en endotoxinen in relatie tot omliggende veehouderijen. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 4 bij de toelichting. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een belemmering voor naastgelegen agrarische bedrijven. Daarnaast wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de op te richten groepsaccommodatie geen sprake is van gezondheidsrisico' s ten gevolge van endotoxinen. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving.

Uit het bovenstaande kan worden gesteld dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het

5.7 Gezondheid in relatie tot veehouderijen

In de afgelopen jaren is er in Nederland groot onderzoek uitgevoerd onder de naam Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO). Onderzocht is of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren.

  • Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben.
  • Het VGO-onderzoek laat een verband zien tussen longfunctieveranderingen en het wonen in de buurt van veehouderijen. Het meest waarschijnlijk is dat deze longfunctieveranderingen samenhangen met de blootstelling aan stof en micro-organismen (endotoxine) direct rond de veehouderijbedrijven.
  • Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben.
  • Rondom pluimveehouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties.

Het Kabinet heeft in haar reactie op de VGO onderzoeken (2016 en 2017) aangegeven met maatregelen te komen zodat de uitstoot van fijnstof van pluimveebedrijven in de komende 10 jaar gehalveerd wordt. Daarnaast zet het Kabinet in op een maatschappelijk innovatieprogramma voor duurzame veehouderij. Omdat er ook nog steeds kennishiaten zijn, vraagt het Kabinet nader onderzoek naar de vraag hoe de uitstoot en verspreiding van endotoxinen gemeten of berekend kan worden met het oog op toekomstige beoordelingsinstrumentarium en normstelling. Aan de Gezondheidsraad zal een adviesvraag voorgelegd worden over de aanpak van ammoniak in relatie tot de vorming van secundair fijnstof.

Geur en gezondheid:  De belangrijkste en meest voorkomende gezondheidseffecten van geur zijn hinder en verstoring van activiteiten en gedrag. Stress gerelateerde gezondheidseffecten kunnen ook optreden. Er worden geen nieuwe geur veroorzakende objecten toegevoegd. De geursituatie is beschouwd in paragraaf 5.5 Geur. Daaruit blijkt dat voor de nieuwe geurgevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geur.

Voorlopig toetsingskader endotoxinen: Om bij lopende procedures, zoals bij vergunningaanvragen van veehouderijen of ruimtelijke procedures zoals het bestemmingsplan, rekening te kunnen houden met de blootstelling van omwonenden aan endotoxinen door veehouderijen, is in november 2016 door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (namens de provincie Noord-Brabant, omgevingsdiensten in Noord-Brabant, de GGD en enkele Brabantse gemeenten) de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 gepubliceerd. In deze notitie is, op basis van de advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling, een eerste indicatieve versie van een toetsingskader uitgewerkt. De rechtbank Oost-Brabant heeft geconcludeerd dat de grenswaarde voor de uitstoot voldoende is onderbouwd en dat de gemeenten gebruik mogen maken van de notitie bij de beoordeling van de gezondheidsrisico's voor omwonenden. Een en ander is te herleiden uit de gerechtelijke uitspraken van 12 april 2019 (nrs. ECLI:NL:RBOBR:2019:1973 en ECLI:NL:RBOBR:2019:1974).

In het kader van fijnstof en endotoxinen is een onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.6 Luchtkwaliteit en Bijlage 4). De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat voor omliggende (burger)woningen. Daarnaast wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de op te richten groepsaccommodatie geen sprake is van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen.

Conclusie: Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

5.8 Natuur

Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen beschermde gebieden en beschermde soorten. Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, zijn hieronder de beschermde gebieden en beschermde soorten beschouwd.

5.8.1 Beschermde gebieden

Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Als een (bouw)project significant negatieve effecten veroorzaakt op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura2000-gebied als gevolg van stikstofemissie of andere effecten is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming). Vanwege de nabije ligging van het Natura2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (waarvan 't Zinkske onderdeel uitmaakt) is een effect op het gebied niet zonder meer uit te sluiten en is een nader onderzoek gedaan.

Op dit moment is sprake van een in bedrijf zijnde varkenshouderij, die wordt beëindigd door deel te nemen aan de Saneringsregeling varkenshouderij (Srv). Het beëindigen van de varkenshouderij leidt tot een afname van de milieubelasting op omliggende (bedrijfs)woningen en het nabijgelegen Natura2000 gebied. Voor de nieuwe ontwikkeling is beoordeeld of sprake is van effecten op omliggende Natura2000-gebieden. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 6 bij de toelichting.

Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het voornemen niet leidt tot een overschrijding van de drempelwaarde van 0,00 mol/ha op stikstofgevoelige habitats. Het planvoornemen leidt daarmee niet tot een significante toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden op basis van het onderzoek met zekerheid worden uitgesloten. Daarmee kan tevens met zekerheid worden gesteld dat het bestemmingsplan 'Vuurlinie 14 en 16, Neerkant' niet leidt tot negatieve gevolgen voor omliggende Natura2000-gebieden.

De voorgenomen plannen leiden eveneens niet tot significant negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het Natuurnetwerk Brabant.

5.8.2 Beschermde soorten

Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, is door Staro B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapportnr. 20-0213, juli 2020). Hieronder zijn de conclusies van dit rapport weergegeven. Het rapport is tevens bijgevoegd als Bijlage 5 bij deze toelichting.

In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die beschermd zijn onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. De voorgenomen plannen hebben geen overtreding van de Wet natuurbescherming op het gebied van soortbescherming tot gevolg. Een samenvatting van de conclusies is weergegeven in de navolgende tabel.

Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming: In het plangebied zijn struiken en bomen aanwezig waarin nesten van vogels aanwezig kunnen zijn. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen en struiken geen nesten of horsten waargenomen. Bomen en struiken dienen (indien nodig) te worden gesnoeid en gekapt buiten het broedseizoen (half maart t/m juli) van vogels en wanneer geen broedgeval aanwezig is.

Het plangebied is geschikt voor vogels als foerageergebied. Tijdens de werkzaamheden is een deel van het plangebied minder geschikt als foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende geschikt alternatief foerageergebied aanwezig. Na de herinrichting is het plangebied mogelijk meer geschikt als foerageergebied voor vogels.

De stallen zijn ongeschikt als nestgelegenheid voor vogels, doordat alle kieren en andere openingen dicht zijn gemaakt. Huismus, gierzwaluw en uilensoorten kunnen in de stallen niet nestelen. Mogelijk zijn in het woonhuis nesten van huismus aanwezig. Tijdens de werkzaamheden is een deel van het plangebied minder geschikt als leefgebied, echter blijft in de tuin bij het woonhuis en de tuin bij de groepsaccommodatie voldoende dekking en foerageergebied aanwezig. Na de herinrichting is het plangebied meer geschikt als foerageergebied voor huismussen.

Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming: Vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied. Tijdens de werkzaamheden is een deel van het plangebied minder geschikt als foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende geschikt alternatief foerageergebied aanwezig. De laanbomen langs Vuurlinie kunnen worden gebruikt als vliegroute. De werkzaamheden hebben hierop geen effect. In de te slopen stallen in het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig.

Soorten van paragraaf 3.3. van de Wet natuurbescherming: Bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als land- en overwinteringshabitat. Algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel kunnen verblijfplaatsen hebben in het plangebied. Om het verwonden van deze amfibieën en grondgebonden zoogdieren te voorkomen, kan bij het verwijderen van de vegetatie en opgeslagen materialen, en bij de graafwerkzaamheden in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0015.png"

Tabel: Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten

Advies en aanbevelingen: Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits bomen en struiken worden gesnoeid en gekapt buiten het broedseizoen van vogels en wanneer geen broedgeval aanwezig is. Daarnaast is het aan te raden in één richting te werken bij graafwerkzaamheden en bij het verwijderen van beplanting en opgeslagen materialen, om aanwezige dieren een kans te geven om te vluchten.

5.8.3 Conclusie

Het plan zal niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits rekening wordt gehouden met bovenstaande aanbevelingen. Met inachtneming van de door de ecoloog opgestelde conclusies en aanbevelingen, kan worden gesteld dat sprake is van een uitvoerbaar planvoornemen.

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.

5.9 Mobiliteit

5.9.1 Fietsverkeer

Het voornemen van de initiatiefnemer bestaat onder andere uit de dagrecreatieve verhuur van fietsen en elektrische scooters. Vanuit de planlocatie aan de Vuurlinie kunnen tochten worden gemaakt richting de Deurnsche Peel en de Groote Peel. Op de onderstaande afbeelding is het fietsroutenetwerk in de omgeving weergegeven. De dorpen Helenaveen, Neerkant en Meijel zijn belangrijke kruispunten in dit netwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0016.png"

Ligging van de planlocatie in het landelijk fietsroutenetwerk

Wanneer fietsers vanaf de locatie Vuurlinie 16 1 km in noordelijke richting rijden (circa 3 minuten fietsen), komen ze op de Sint Vincentiusstraat, die onderdeel uitmaakt van het fietsroutenetwerk. In zuidelijke richting is het circa 7 minuten fietsen naar fietsknooppunt 9 (2,4 km) en 7 minuten naar knooppunt 95 (2,2 km).

De goede ontsluiting en ligging in het netwerk van fietsknooppunten, maakt de locatie geschikt voor de verhuur van fietsen. Er zijn ruime gelegenheden in de omgeving voor het maken van dagrecreatieve tochten. De verhuur van de fietsen en elektrische scooters draagt bij aan de recreatieve ontsluiting van de Peel.

5.9.2 Autoverkeer

Vanwege de ligging in het buitengebied, zullen bezoekers van de recreatieve voorzieningen met name met de auto komen. In deze paragraaf is een inschatting gemaakt van de verkeersaantrekkende werking. In paragraaf 5.9.3 is de parkeerbehoefte bij het bedrijf onderbouwd. Er bestaan geen CROW-normen voor de verkeersgeneratie bij groepsaccommodaties. De verkeersgeneratie is benaderd met behulp van de parkeerbehoefte.

De groepsaccommodaties worden verhuurd voor een weekend, week of midweek. In het laagseizoen is geen sprake van een volledige bezetting. Naast de gebruikelijke vertrek- en aankomstbewegingen, zullen bezoekers gedurende een verblijf op de groepsaccommodatie een bezoek brengen aan voorzieningen en bezienswaardigheden in de omgeving van Neerkant. Er wordt uitgegaan dat elke parkeerplaats gemiddeld over het jaar dagelijks één maal wordt bezet. Daarmee bedraagt het aantal verkeersbewegingen 1 * 30 * 2 = 60 verkeersbewegingen per etmaal.

De bestaande ontsluiting van de bedrijfswoning blijft onveranderd. Het parkeerterrein bij de groepsaccommodaties wordt ontsloten met één ontsluiting op de Vuurlinie. De erfontsluitingsweg Vuurlinie is toereikend om het verkeer te kunnen ontsluiten. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling. Gezien de bedrijfsbeëindiging van de varkenshouderij neemt het landbouwverkeer en zwaar en middelzwaar verkeer af. Er is sprake van een positief effect op de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling.

Het aspect verkeer leidt niet tot een belemmering voor het plan.

5.9.3 Parkeren

Binnen het plangebied dient sprake te zijn van een sluitende parkeerbalans voor het autoverkeer. De gemeente hanteert een parkeerbeleid conform de 'Regelingen parkeernormen Deurne 2019'. In het gemeentelijk parkeerbeleid zijn geen normen opgenomen voor groepsaccommodaties.

Gezien de aard van de verblijfsvoorziening, kan als algemeen uitgangspunt worden gehanteerd, dat het aannemelijk is dat gasten voor de groepsaccommodatie veelal gezamenlijk per auto van en naar de groepsaccommodatie 'Peelheide' reizen. Om deze reden is uitgegaan van een gemiddelde bezettingsgraad per auto van 3 personen. Dit vertaalt zich naar een parkeernorm van 0,33 parkeerplaatsen per bed. Het bestemmingsplan maakt de exploitatie van twee groepsaccommodaties mogelijk, waar gezamenlijk maximaal 60 personen kunnen verblijven. De parkeerbehoefte voor deze groepsaccommodaties bedraagt daarom 60 bedden * 0,33 pp/bed = 20 parkeerplaatsen. Daarnaast is voor de dagrecreatieve verhuur van fietsen behoefte aan 10 parkeerplaatsen voor bezoekers.

In totaal bestaat de parkeervoorziening die wordt aangelegd uit minimaal 30 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voorzien in de totale parkeerhoefte van de ontwikkeling. Daarmee vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het initiatief.

5.10 Leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het plan.

5.11 Archeologie

Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.

Gemeenten zijn met de inwerkingtreding van de Wamz in grote mate verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. Daartoe heeft de gemeente Deurne gemeentelijk archeologiebeleid ontwikkeld (vastgesteld door de raad op 1 juli 2008), met een bijbehorende archeologische beleidskaart. Dit beleid is vertaald en opgenomen in het geldend bestemmingsplan.

Op de archeologische beleidsadvieskaart is het grootste deel van de planlocatie aangegeven als gebied met de categorie 5 (lage archeologische verwachting). Het uiterste oostelijke deel van het plangebied is aangegeven als gebied met de categorie 3 (hoge archeologische verwachting). Verder is het plangebied gelegen binnen de 'wetgevingzone - omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)'. Hiervoor geldt het omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden niet zoals dat in verband met verwachtingswaarde archeologie is opgenomen. Dit betreft een bufferzone van 50 meter rondom bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008), waarbinnen gronden zijn vrijgesteld van nader archeologisch onderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0017.png"

Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart

Het voornemen heeft betrekking op de sloop van bebouwing en het oprichten van een nieuwe groepsaccommodatie. Het plangebied is momenteel geheel aangewezen als agrarisch bouwvlak en is grotendeels voorzien van verharding en bedrijfsbebouwing. In het verleden hebben daarom al veel verstoringen opgenomen. Op basis van het gemeentelijk beleid is voor het gehele plangebied de aanduiding 'wetgevingzone - omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)' opgenomen. Daarom geldt geen omgevingsvergunningplicht en is geen onderzoek nodig. De bestaande archeologische regeling is overgenomen. Op de verbeelding zijn daarom de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en de 'wetgevingzone - omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)' opgenomen.

Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het voorliggend planvoornemen.

5.12 Cultuurhistorie

In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. De provincie heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangeduid. Deze gebieden zijn aangewezen op de kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed'. Het plangebied is niet aangeduid als een cultuurhistorisch waardevol gebied in de Interim omgevingsverordening. Het terrein direct tegenover de planlocatie is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0018.png"

Uitsnede Interim omgevingsverordening kaart 3: cultuurhistorisch waardevol gebied met ligging plangebied

Deze cultuurhistorisch waardevolle vlakken verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden. Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten.

De cultuurhistorische elementen en objecten, die zijn terug te vinden op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn:

  • Regio Peelkern
  • Griendtsveen en Helenaveen

Regio Peelkern: De Peelkern is het centrale gedeelte van het dekzandplateau van de Peelhorst. De Peelhorst tekent zich als een verhoging van enkele meters in het landschap. De slenken aan weerszijden van de horst liggen lager. Op sommige plekken zijn de breuken als duidelijke 'traptreden' zichtbaar in het landschap. Het voormalige uitgestrekte hoogveenmoerasgebied werkte als een grote spons voor het neerslagwater.

Op enkele gebieden na is het veengebied geheel afgegraven. De vervening vond plaats vanuit de Helenavaart en het Kanaal van Deurne. De afgeveende gronden werden geschikt gemaakt voor landbouw of bosbouw. Ook nieuwe doorgaande wegen werden als ontginningsbasis gebruikt voor ontginningen.

Het voorliggend plan is gericht op de beleving van natuur en de cultuurhistorische waarden van het gebied door bezoekers van de groepsaccommodaties. Het plan draagt daarmee bij aan de recreatieve ontsluiting van de Peel en leidt niet tot aantasting van deze waarden. De Vuurlinie als onderdeel van de ontsluiting van de veenontginningen blijft gehandhaafd.

Griendtsveen en Helenaveen: Voor het gebied rondom Griendtsveen en Helenaveen wordt gestreefd naar behoud en beter beleefbaar maken van sporen van vervening, zoals kanalen en boerenkuilen en het behoud en beter beleefbaar maken van monumentaal ontginningslandschap met grote lijnen, zoals kanalen en lanen. Daarnaast wordt gestreefd naar het vergroten van de cultuurhistorische waardering door vergroting van de beleving. Het voorliggend initiatief richt zich op de recreatieve ontsluiting van het gebied door verblijfsrecreatie aan te bieden.

Overige cultuurhistorische belangen: Het buitengebied van Deurne heeft een overwegend agrarisch karakter. De agrarische uitstraling wordt bepaald door karakteristieke langgevelboerderijen, akkercomplexen, bomenlanen en andere landschapselementen. De locatie wordt landschappelijk ingepast in het agrarisch landschap. De langgevelboerderij blijft als bedrijfswoning bij het recreatief bedrijf behouden. Het planvoornemen leidt niet tot aantasting van de agrarische uitstraling van het Deurnese buitengebied.

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het voorliggend plan.

5.13 Waterhuishouding

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan.

5.13.1 Beschrijving van het watersysteem

Ten zuiden en westen van het plangebied ligt een primaire watergang met beschermingszone van 5 meter. De watergang ontvangt water uit de Astense Aa, die ten zuiden van de Scheper Jannebaan ligt. De watergang stroomt in noordelijke richting en wordt gestuwd ter hoogte van de Molentjesdreef. Het peil ligt tussen 30,65 m en 31,53 m +N.A.P. Aan de zuidkant, nabij de bedrijfsbebouwing van de Scheper Jannebaan 9, ligt de watergang gedeeltelijk in een duiker.

Ter plekke van de Vuurlinie 14 en 16 is sprake van grondwatertrap VI. De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt tussen de 40 en 80 cm onder het maaiveld. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt dieper dan 120 cm onder het maaiveld. Het maaiveld binnen het plangebied ligt tussen de 32,2 m + N.A.P. in het zuiden en 32,6 m +N.A.P. in het noorden. Aan de overzijde van de Vuurlinie in het natuurgebied 't Molentje ligt het maaiveld 1,5 tot 2 meter lager. Binnen het plangebied wordt de bodem geclassificeerd als Hn21 (veldpodzolgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand).

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0019.png"

Uitsnede legger oppervlaktewateren Waterschap Aa en Maas met ligging planlocatie

5.13.2 Beleid

Nationaal Waterplan 2016-2021: Op 14 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van de het Nationaal Waterplan uit 2009. Het beleid is niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.

Waterbeheerplan 2016-2021: Op 22 december 2015 heeft het Waterschap Aa en Maas het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2016-2021 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt:

  • veilig en bewoonbaar beheergebied;
  • voldoende water en robuust watersysteem;
  • schoon water;
  • gezond en natuurlijk water.

Het plangebied ligt in de zone die in het Waterbeheerplan 2016-2021 is aangemerkt als 'Natte natuurparel beschermingsgebied'. Dit gebied dient ter bescherming van de naastgelegen Natura2000-gebieden om verdroging tegen te gaan. Deze bescherming is opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en het bestemmingsplan als zogenaamd 'Attentiegebied'. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. De cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden mogen niet leiden tot een significant negatief effect op het te beschermen doel. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel. Dit houdt in dat in geen enkel geval grondwaterdaling op de rand van de natte natuurparel wordt toegestaan. Voor de attentiegebieden geldt dat nieuwe drainage niet kan worden toegestaan, tenzij aangetoond wordt dat de activiteit geen negatief hydrologisch effect op de natte natuurparel heeft.

GGOR-Inrichtingsvisie Deurnsche Peel: Ten behoeve van de vernatting van de beschermde Natura2000-gebieden heeft het Waterschap Aa en Maas de GGOR-Inrichtingsvisie Deurnsche Peel opgesteld (d.d. 21 februari 2011). De GGOR-Inrichtingsvisie (Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime) is gebaseerd op het Landinrichtingsplan Herinrichting Deurnsche Peel-Mariapeel uit 2005 en is opgesteld om de grondwaterstanden binnen het Natura2000-gebied te beheren. De visie heeft als doel het vernatten van de bestaande deels vergraste en verboste natuurkerngebieden met restanten van hoogveen. In het kader van deze visie is een verhoging van de grondwaterstand in het omliggende landbouwgebied wenselijk, met name in de zomer. De verhoging van de zomergrondwaterstand is in de landbouwgebieden aan de Brabantse kant van het natuurgebied slechts plaatselijk mogelijk. Doel is uiteindelijk het instellen van hogere zomergrondwaterstanden in het attentiegebied ter voorkoming van verdroging van natuur.

De Vuurlinie vormt de westelijke grens van het Landinrichtingsgebied uit de GGOR inrichtingsvisie (2011). De planlocatie maakt geen deel uit van dit gebied.

Keur Waterschap Aa en Maas: Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de nieuwe Keur vastgesteld, die op 1 maart 2015 inwerking is getreden. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur.

Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Gemeente: Met de invoering van de Waterwet is de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening verbeterd. De ruimtelijke aspecten van rijks- en regionale waterplannen worden aangemerkt als structuurvisie in de zin van de Wro. Met AMvB's of provinciale verordeningen wordt geborgd dat deze structuurvisies doorwerken in de ruimtelijke ordeningen. In bestemmingsplannen wordt rekening gehouden met deze structuurvisies door de ruimtelijke inpassing van de maatregelen die de waterbeheerder treft.

De gemeente hanteert het Gemeentelijk Rioleringsplan Deurne 2019-2023 (GRP). De gemeente stimuleert initiatieven van particulieren, bedrijven en instellingen voor duurzame omgang met water. De gemeente geeft daarnaast voorlichting over het bewuster omgaan met (hemel)water. Indien de uitbreiding van het verhard oppervlak groter is dan 10 m² dient ook bij verbouw en uitbreiding een waterbergingsvoorziening van 60 mm over de toename van het verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein, mits technisch haalbaar. Er is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Door het wegbestemmen van het agrarisch bouwvlak neemt de mogelijkheid om oppervlakteverharding aan te brengen af.

De planlocatie ligt buiten het stedelijk gebied. De gemeentelijke taak beperkt zich hier tot de zorg voor het inzamelen van huishoudelijk afvalwater. De gemeente heeft besloten al het huishoudelijk afvalwater in het buitengebied in te zamelen en heeft daarvoor in het buitengebied drukriolering aangelegd.

Voor zover de lozing van bedrijfsafvalwater op de vuilwaterriolering algemeen wordt toegestaan en de lozing geen risico vormt voor het functioneren van de riolering, wordt een beperkte lozing van bedrijfsafvalwater op de riolering toegestaan. Alternatieven voor riolering voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater, worden niet gelijkwaardig geacht.

5.13.3 Plan in relatie tot het watersysteem

Het plan voorziet in een planologische functiewijziging, waarin het agrarisch gebruik van het plangebied wordt beëindigd en een recreatieve bestemming wordt toegekend. Er worden geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden toegekend, aangezien nagenoeg het volledige plangebied momenteel bestaat uit een agrarisch bouwvlak. Een gedeelte van het perceel wordt bestemd als 'Groen', waardoor de mogelijkheden voor het aanbrengen van nieuwe verhardingen afneemt.

Grondwater: De planlocatie ligt in het attentiegebied rondom de Deurnsche Peel en heeft in het geldend bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied' de dubbelbestemming 'Waarde – Attentiegebied NNB'. Deze dubbelbestemming heeft als doel negatieve hydrologische effecten van eventuele toekomstige ingrepen te voorkomen. Over het algemeen worden in de directe omgeving van het hydrologisch beschermd gebied 'Deurnsche Peel' gestreefd naar vernatting van het gebied. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gemotiveerd dat geen verdroging plaatsvindt. Voor diverse bodemingrepen wordt daarom een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden vereist.

De volgende werken en werkzaamheden zijn omgevingsvergunningplichtig:

  • het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 cm onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds aanwezige drainage;
  • het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2 anders dan een bouwwerk.

Er is geen sprake van een omgevingsvergunningplicht ter plekke van een bouwvlak. De planlocatie is in de huidige situatie bijna geheel onderdeel van een agrarisch bouwvlak. Er geldt voor deze gronden momenteel geen omgevingsvergunningplicht. Bij de werkzaamheden die worden verricht in het kader van de voorliggende ontwikkeling is geen omgevingsvergunning noodzakelijk en is bovendien geen sprake van een negatief effect op de grondwaterhuishouding. In het voorliggend bestemmingsplan worden de gronden met bestemming 'Recreatie' uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht.

Oppervlaktewater: De beschermingszone van de A-watergang ligt binnen het plangebied aan de west- en zuidzijde van de locatie. Er wordt geen bebouwing opgericht binnen de beschermingszone van de primaire watergang. Er is bestaande beplanting aanwezig binnen de beschermingszone van de watergang. Deze beplanting is aangeplant met een watervergunning uit 1973 (verleend op 14 mei 1973 door het Waterschap De Aa; aanbrengen van beplanting langs de leidingvakken 27, 68 en 174 in de ruilverkaveling Astensche Aa binnen 4 m uit de insteek van de watergang (3469 NW)). Alle nieuwe bomen die zijn opgenomen in het landschapsplan (zie Bijlage 1 bij de toelichting) liggen buiten de beschermingszone van de A-watergang. Dit is inzichtelijk gemaakt op de navolgende afbeelding.

Er worden ook geen andere obstakels opgericht binnen de beschermingszone. De bestaande varkensstal staat momenteel gedeeltelijk binnen de beschermingszone van de watergang, maar deze stal wordt afgebroken in het kader van de voorgenomen bedrijfsbeëindiging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP202012-C001_0020.png"

Landschapsplan in relatie tot de A-watergang en beschermingszone

Hemelwater: Er is geen sprake van een toename aan verhard oppervlak. Het voornemen heeft geen waterbergingsopgave. Het hemelwater dat valt binnen het plangebied wordt geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar het oppervlaktewater. Verontreiniging van het hemelwater afkomstig van daken, dien te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen (waaronder lood, koper en zink). Vervuiling van het grondwater is niet aan de orde.

Vuilwater: Het afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en via de bestaande rioolpersleiding afgevoerd.

5.13.4 Digitale watertoets en conclusie

Voor onderhavig plan is de watertoets uitgevoerd. De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen.

De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). De rapportage is als Bijlage 7 opgenomen bij de toelichting. Uit de ligging van het plangebied nabij de primaire watergang en de ligging in het attentiegebied, dient het waterschap betrokken te worden bij de planvorming. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt toegezonden aan het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbelang is voldoende geborgd.

Realisatie van het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 Wet milieubeheer (Wm). Naast de Wet milieubeheer is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Op 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd.

Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. reeds aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht.

Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Om te bepalen of er bij deze activiteiten uit onderdeel D sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen dient hiervoor per geval een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.

De belangrijkste wijziging is onder andere: het meer in overeenstemming brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Hierbij hebben onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter gekregen. Met deze wijziging is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit m.e.r. behorende C- en D lijst zijn opgenomen, áltijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Hierbij dient te worden bepaald of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D- lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.- regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:

  • de kenmerken van het project;
  • de plaats van het project;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

De activiteit die mogelijk wordt gemaakt, valt onder onderdeel D.10 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel D.10 betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van (c) vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

  • 250.000 bezoekers of meer per jaar;
  • een oppervlakte van 25 ha of meer;
  • 100 ligplaatsen of meer (jachthavens) of
  • een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

In het kader van de voorbereiding is geconstateerd dat het plan niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt. In Hoofdstuk 3 van deze toelichting zijn de kenmerken van het project beschreven. Daaruit is gebleken dat de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. niet wordt overschreden. Bovendien is met de voorliggende ontwikkeling sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij en neemt het bebouwd oppervlak aanzienlijk af. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verder zijn in de voorgaande paragrafen van Hoofdstuk 5 de verschillende milieuaspecten behandeld. Een m.e.r.-beoordeling voor dit project is daarom niet noodzakelijk.

Op basis van Hoofdstuk 5 en de bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat het milieubelang en de effecten van het voornemen in voldoende mate zijn afgewogen en dat geen nadelige effecten zijn te verwachten. Er is geen nadere beoordeling noodzakelijk. Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor het voornemen.

Hoofdstuk 6 Juridische regeling

6.1 Algemeen

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien.

De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie.

Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht.

6.1.1 Vergelijkbare bestemmingsplannen

SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. De toelichting maakt immers - strikt juridisch gezien - geen deel uit van het bestemmingsplan.

De verbeelding van het bestemmingsplan bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.

6.1.2 Bestemmingen

Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken.

Dit bestemmingsplan bevat ook dubbelbestemmingen. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen.

Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor.

6.1.3 Verbeelding

De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het buitengebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter. Deze gegevens zijn een hulpmiddel voor het bepalen van bestemmingsvlakken en bouwvlakken.

6.2 Opbouw regels

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt:

Een bestemmingsartikel (Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of
  • van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure.

De planregels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied'.

6.3 Bestemmingen

Recreatie

De hoofdfunctie is in de nieuwe situatie recreatie. Daarom hebben alle gebouwen en omliggende gronden de bestemming 'Recreatie'. Om de verschillende gebouwen en voorzieningen een plek te geven en de gewenste activiteiten te begrenzen, zijn binnen de recreatieve bestemming de volgende functieaanduidingen opgenomen:

  • specifieke vorm van recreatie - entreegebouw
  • specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie
  • specifieke vorm van recreatie - opslag
  • parkeerterrein

Groen

Om de landschappelijke inpassing een passende bestemming te geven is de bestemming 'Groen' opgenomen.

6.4 Algemene aanduidingsregels

De gebiedsaanduidingen met de bijbehorende regeling zijn gebaseerd op het geldende bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied'

6.5 Algemene afwijkingsregels

De algemene afwijkingsregels zijn gebaseerd op het geldende bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied'.

Hoofdstuk 7 Economische haalbaarheid

De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt betreft een particulier initiatief waarbij alle kosten voor rekening komen van de initiatiefnemer. Daarnaast houdt de initiatiefnemer rekening met de financiële lasten voor het saneren van asbest in de strook grond langs één van de stallen (zie ook paragraaf 5.3 Bodem). De beëindiging van de varkenshouderij wordt gefinancierd met behulp van de Saneringsregeling varkenshouderij (Srv). Voor de gemeente zijn aan de ontwikkeling van dit plan geen kosten verbonden.

De gemeente Deurne heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin wordt vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten betreffende eventuele planschade bij de initiatiefnemer ligt. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.

Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke kas.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Omgevingsdialoog

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie met de omgeving. In het kader van de haalbaarheid heeft initiatiefnemer de omwonenden geïnformeerd over de plannen. Het concept-bestemmingsplan is tijdens een bijeenkomst toelicht door de initiatiefnemer. Hiervan is een verslag toegevoegd als Bijlage 8 bij de toelichting.

8.2 Vooroverleg

In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen, en met de besturen van de provincie en het Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn.

In het kader van het vooroverleg is het plan toegezonden aan het waterschap en de provincie.

Waterschap Aa en Maas: Het waterschap heeft op 15 december 2020 een vooroverlegreactie toegezonden. Het waterschap geeft aan dat de waterparagraaf niet volledig is voor wat betreft de effecten van het plan op het oppervlaktewater (A-watergang) en de bijbehorende beschermingszone. De waterparagraaf is hierop aangevuld en het landschapsplan is aangepast, zodanig dat de beschermingszone wordt gerespecteerd. In een afbeelding is inzichtelijk gemaakt hoe het landschapsplan zich verhoudt tot de legger van het waterschap.

Provincie Noord-Brabant: De provincie heeft op 14 januari 2021 een vooroverlegreactie toegezonden. De provincie geeft aan dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen.

8.3 Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan ligt op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen.