| Plan: | TAM-omgevingsplan Gymzaal Dijkstraten |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0753.TAMOPgymzDijkstr-VG01 |
De gemeente Best is voornemens om nabij de rotonde waar de Koppelboor aansluit op de Ringweg een gymzaal te bouwen. Ter plaatse van het projectgebied zijn in de huidige situatie 2 vrijstaande woningen en een rij tijdelijke woningen aanwezig. Deze zullen worden gesloopt. De gymzaal wordt gerealiseerd voor de nabijgelegen scholen. Het projectgebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Dijkstraten', dat deel uitmaakt van het (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan gemeente Best. Op basis van het bestemmingsplan geldt ter plaatse van het projectgebied de functie 'Woongebied - 4'. Binnen de functie 'Woongebied - 4' is het niet toegestaan om een gymzaal te bouwen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient er te worden afgeweken van het huidig juridisch-planologisch kader.
De gemeente Best beschikt op moment van schrijven niet over een basis voor het nieuwe deel Omgevingsplan. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken via de Tijdelijke Algemene Maatregel (TAM) Omgevingsplan via IMRO. TAM-IMRO biedt gemeentes de mogelijkheid om een nieuw deel van het Omgevingsplan via de oude technische publicatiewijze in procedure te brengen. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het nieuw juridisch-planologisch kader voor het projectgebied.
Het projectgebied is gelegen in het noordwesten van Best, zie figuur 1.1. Het gebied ligt nabij de rotonde waar de Koppelboor aansluit op de Ringweg. Het projectgebied omvat het gebied weergegeven op figuur 1.2.
Figuur 1.1: begrenzing projectgebied (bron: kadastralekaart.com)
Figuur 1.2: Begrenzing projectgebied (bron: kadastralekaart.com)
Op 1 januari 2024 is het tijdelijk Omgevingsplan gemeente Best in werking getreden. In het tijdelijke deel zijn naast de bruidsschat de volgende bestemmingsplannen van toepassing:
Bestemmingsplan 'Dijkstraten'
Op basis van het bestemmingsplan 'Dijkstraten' heeft het projectgebied de functie 'Woongebied - 4' met gebiedsaanduiding 'gezamenlijke woongebieden'. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om een gymzaal te realiseren. Het voorgenomen initiatief is daarmee in strijd met de huidige functie. Daarnaast is in het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' aanwezig. Deze dubbelbestemming is later overschreven door het vastgestelde paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen en archeologie'. Het aspect archeologie wordt in paragraaf 4.10 nader toegelicht. Tot slot geldt de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - weg' en de gebiedsaanduiding 'Geluidsgevoelige functie uitgesloten. Naast geluidgevoelige functies zijn met het oog op de "handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Best" ook luchtgevoelige bestemmingen uitgesloten in een deel van het projectgebied. Het aspect geluid wordt in paragraaf 4.2 nader toegelicht.
Figuur 1.3 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Dijkstraten', met het projectgebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen en archeologie'
Het paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen en archeologie' voorziet in een gemeente dekkende regeling voor parkeren door te voorzien in uniforme bepalingen die dynamisch verwijzen naar beleidsregels voor parkeernormen. Hiermee kan de gemeente bij nieuwbouwprojecten of wijzigingen van het gebruik eisen blijven stellen aan het aantal parkeerplaatsen en plannen toetsen aan de parkeernormen die zijn opgenomen in actuele parkeerbeleid.
Naast de parkeernormen wordt in dit paraplubestemmingplan ook het archeologisch beleid vastgesteld. Het projectgebied is gelegen binnen de 'Waarde - Archeologie 3'. Deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezig archeologische waarden. Het aspect archeologie wordt in paragraaf 4.9 nader toegelicht.
Paraplubestemmingsplan 'Wonen en kamerverhuur'
Het paraplubestemmingsplan 'wonen en kamerverhuur' voorziet in een gemeente dekkende uniforme regeling en actualisatie van de regels over wonen en kamerverhuur. In voorliggend projectvoornemen worden geen woonfuncties mogelijk gemaakt.
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die met dit TAM-omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie, de strijdigheden met het omgevingsplan en een beschrijving van de ontwikkeling die met dit TAM-omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. De juridische planopzet geeft de juridische planopzet weer. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid zijn beschreven in hoofdstuk 6.
Het projectgebied ligt in de bestaande wijk Dijkstraten, in het noordwesten van Best. Deze wijk wordt begrensd door de Ringweg in het noordwesten, de Oirschotseweg in het zuiden en de spoorlijn door Best in het oosten. De wijk Dijkstraten is een relatief nieuwe woonwijk die sinds 2020 gefaseerd is gebouwd.
Het projectgebied bevindt zich in het westen van de wijk. Ter plaatse van het projectgebied zijn 2 vrijstaande woningen en een rij van 30 tijdelijke woningen. Deze zullen worden gesloopt. Direct ten westen van het projectgebied is de Ringweg aanwezig. Aan de overzijde van de ringweg zijn verschillende bedrijven aanwezig. Rondom het projectgebied zijn voornamelijk woningen aanwezig. Ten zuidwesten bevindt zich een agrarisch perceel.
Figuur 2.1: Huidige situatie (bron: Google maps)
De huidige bebouwing, weergegeven op figuur 2.1, en de 2 vrijstaande woningen aan de zijde van de ringweg worden gesloopt. Daarvoor in de plaats wordt aan de Mallejan een gymzaal gerealiseerd, zie figuur 2.2. De gymzaal wordt gesitueerd aan de noordzijde en heeft een hoogte van maximaal 11 meter en krijgt een oppervlak van circa 616 m2. De bijbehorende kleedruimtes en bergingen worden aan de zuidzijde gesitueerd en krijgen een hoogte van 5,5 meter. Deze kleedruimtes en bergingen hebben een oppervlak van circa 271 m2. De gymzaal wordt in gebruik genomen door de nabijgelegen school aan de Maatstok 1 (kindcentrum Platijn) en de school aan Den Dries 17 (Op 't Erf), daarnaast wordt gebruik door derden toegestaan. Om het woon- en leefklimaat van omwonenden te beschermen zijn aanvullende regels gesteld aan het gebruik door derden.
Het terrein rondom de gymzaal krijgt een groenfunctie. Tussen de woningen aan de oostkant wordt een groenstrook van circa 7 meter gerealiseerd. Aan de noordkant wordt een groenstrook van circa 5 meter gerealiseerd. Aan de zuidkant wordt circa 24,7 meter groen gerealiseerd.
De Veldweg wordt door middel van een nieuw aan te leggen fietsstraat aangesloten op de Koppelboor. In de zuidoost hoek van het projectgebied aan de Mallejan worden 4 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Het aspect verkeer en parkeren wordt in de volgende paragraaf nader toegelicht.
Figuur 2.2: Toekomstige situatie (bron: Gemeente Best)
De ontwikkeling heeft mogelijk gevolgen voor het aantal verkeersbewegingen op de omliggende wegen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect hiervan is.
Daarnaast dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Het project mag geen onaanvaardbare gevolgen hebben.
Het initiatief betreft de realisatie van een gymzaal ten behoeve van de nabijgelegen school aan de Maatstok 1 (kindcentrum Platijn) en de school aan Den Dries 17 (Op 't Erf). Deze gymzaal wordt voornamelijk in gebruik worden genomen door deze school. De kinderen zullen te voet van en naar deze gymzaal gaan. Omdat de woningen verdwijnen zal er sprake zijn van een afname van verkeer ten opzichte van de huidige situatie.
Voor de volledigheid is de te verwachte verkeersbewegingen per weekdag in beeld gebracht. Voorliggend project maakt een gymzaal van circa 616 m2 mogelijk. De locatie van de gymzaal is gelegen in de stedelijke zone 'rest bebouwde kom' in een 'matig stedelijk gebied'. Om de verkeersgeneratie te bepalen worden de kencijfers van de CROW-publicatie 744 gehanteerd. Hieruit blijkt dat er 13 verkeersbewegingen per 100 m2 gymzaal ontstaan. Dit komt neer op een verkeersgeneratie van (13 x 6,16 =) 80,1 verkeersbewegingen. Het omliggende wegennet kan de zeer beperkte toename van verkeer aan. Er zijn geen problemen te verwachten voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op deze wegen. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit voor het afwikkelen van het extra verkeer.
Met de aanpassing van de Veldweg zal het autoverkeer te gast worden. Daarbij wordt de ontsluiting van de Veldweg met de Koppelboor verbeterd. In de huidige situatie ligt de Veldweg zeer dicht op de naastgelegen rotonde, waardoor verkeerskundig gezien een onveilige situatie ontstaat. De nieuwe positionering van de Veldweg wordt ontsloten door middel van een nieuwe kruising verder van de rotonde vandaan in oostelijke richting. Hierdoor ontstaat een nieuwe kruising tussen de Koppelboor, Veldweg en Duivenbroek. De verkeerssituatie wordt verbeterd door de aanpassing van de Veldweg.
Het initiatief betreft de realisatie van een gymzaal ten behoeve van de nabijgelegen school aan de Maatstok 1 (kindcentrum Platijn) en de school aan Den Dries 17 (Op 't Erf). .
De gemeente Best toetst nieuwe initiatieven aan de 'Nota parkeernormen 2022' van de gemeente Best. De nota is een beleidsdocument waarin de gemeente Best per gebied en per functie de parkeernormen vastgelegd. Voorliggend project maakt een gymzaal van circa 616 m2 mogelijk. Het projectgebied ligt in de zone 'rest bebouwde kom' in een 'matig stedelijk' gebied. De gemeente Best gaat uit van de onderkant van de bandbreedte.
De gymzaal wordt voornamelijk gebruikt door de leerlingen van de omliggende scholen, hierdoor is er geen parkeerbehoefte. Hooguit zal een beheerder naar de gymzaal komen per auto. Hiervoor worden 4 extra parkeerplaatsen aangelegd.
Op basis van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen 2022 van de gemeente Best blijkt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aan de Mallejan 2 te Best, waarbij 30 tijdelijke woningen en 2 vrijstaande woningen worden gesloopt en een gymzaal wordt gerealiseerd, sprake is van een toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte. Binnen het plan worden vier parkeerplaatsen gerealiseerd, terwijl tevens vier parkeerplaatsen komen te vervallen, waardoor de aanvullende parkeerbehoefte in de openbare ruimte dient te worden opgevangen.
Om het gebruik van derden toe te staan is een parkeerdrukmeting uitgevoerd binnen een loopafstand van 150 meter van het plangebied. Deze meting is als Bijlage 1 opgenomen. De parkeerdrukmetingen zijn uitgevoerd op drie maatgevende momenten, te weten een werkdagavond, werkdagnacht en zaterdagavond, conform de aanwezigheidspercentages uit de gemeentelijke parkeernota. Uit de uitgevoerde tellingen blijkt dat de hoogste bezettingsgraad is gemeten tijdens de werkdagnacht, waarbij een bezettingsgraad van 80,8% is vastgesteld.
Indien de extra parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt meegenomen, blijft de bezettingsgraad op de drie maatgevende momenten onder de maximaal toelaatbare grens van 85%, zoals gesteld in het gemeentelijk parkeerbeleid. Daarmee is vastgesteld dat binnen het onderzoeksgebied voldoende restcapaciteit aanwezig is om de extra parkeerbehoefte op te vangen.
Geconcludeerd wordt dat de openbare ruimte voldoende parkeercapaciteit biedt om de parkeerbehoefte als gevolg van de realisatie van de gymzaal op te vangen. Het aspect parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Mallejan 2 te Best.
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de omgevingsplanactiviteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen, laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets
In de NOVI zijn geen specifieke voorwaarden opgenomen voor het projectgebied. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkeling aan de provincies en gemeenten overlaten. De realisatie van de gymzaal binnen een bestaande woonwijk ligt in lijn met de Nationale omgevingsvisie.
De rijksinstructieregels gelden voor verschillende onderwerpen. Hiervoor geeft het Bkl instructieregels. De hoofdonderwerpen zijn hieronder opgesomd:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.
Toets
Er zijn binnen het projectgebied geen instructieregels van toepassing die belemmerend zijn voor de gymzaal.
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen.
Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de huidige wetgeving zijn en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf.
Toets
Het projectgebied ligt niet binnen een beperkingen gebied.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.
Toets
Kwalitatieve behoefte
De gemeente Best groeit door de aanleg van nieuwe woonwijken, zoals de wijk Dijkstraten. Hierdoor komen er meer kinderen in Best en meer scholen. Binnen de gemeente Best is er daarom behoefte aan een extra gymzaal voor de omliggende basisscholen. In het Sport- en beweegakkoord Best wordt aangegeven dat er behoefte is aan beweging van jongs af aan en voor elke doelgroep. De gymzaal wordt gebruikt door de omliggende scholen. Op dit moment is er voor deze scholen geen nabijgelegen gymzaal aanwezig. Om deze reden draagt de realisatie van de gymzaal bij aan gezonde en duurzame leefomgeving op het gebied van sport. De ontwikkeling ligt daarmee in lijn met het Sport- en beweegakkoord Best. De gymzaal maakt onderdeel uit van de nieuwe woonwijk Dijkstraten in stedelijk gebied en voorziet in een maatschappelijke behoefte.
Omgevingsvisie is vastgesteld door provinciale staten Noord-Brabant in december 2018. De omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema's zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid.
Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant zijn 'zuinig ruimtegebruik' met daaraan gekoppeld de 'concentratie van verstedelijking'. De accenten moeten hierbij liggen op 'inbreiding' en 'herstructurering'. Daarbij stuurt de provincie aan op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in 'concentratiegebieden' en 'overig stedelijk gebied'. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen.
Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken:
Toets
Het project betreft de realisatie van een gymzaal binnen het 'stedelijk gebied'. Het projectvoornemen past binnen de omgevingsvisie provincie Noord-Brabant.
Net als het Rijk kunnen ook Provinciale Staten bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is een basisregeling geformuleerd voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in Stedelijk gebied worden benut. Hiermee wordt invulling gegeven aan het basisprincipe 'Zorgvuldig ruimtegebruik'.
Bij stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals bedoeld in artikel 5.129g van het Bkl, en er dient een relatie te worden gelegd met de afspraken die in het regionaal overleg zijn gemaakt.
Toets
De kern Best is aangewezen als 'Stedelijk gebied' zie figuur 3.1 en 3.2. Het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik staat hierbij centraal en is uitgangspunt voor elke stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen het 'Stedelijk gebied' en dat de ruimte binnen het 'Stedelijk gebied' zo goed als mogelijk wordt benut. Artikel 5.55 van de omgevingsverordening stelt regels over de ontwikkeling van stedelijke functies binnen stedelijk gebied. In paragraaf 3.1.4 van voorliggende motivering is dit nader toegelicht.
Het projectgebied ligt niet binnen beschermde natuurgebieden. In paragraaf 4.8 wordt ingegaan op het aspect natuur.
De voorgenomen ontwikkeling van een gymzaal past binnen het provinciale beleid.
Figuur 3.1: Uitsnede kaart 5: Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 3.2: Uitsnede kaart instructieregels gemeenten voor natuur en stiltegebied TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'.
Het projectgebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode 2022-2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. Deze doelstellingen en ambities zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water.
Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Water- en Milieuplan van Noord-Brabant, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving van het Waterschap De Dommel, het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 Bladel, het Nationaal Waterplan, WB21, het Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Algemeen punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Hierdoor legt water een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden.
In de waterschapsverordening is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande opper vlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is, worden vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist.
De omgevingsplanactiviteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het Waterschap. Door de beoogde herontwikkeling wijzigt het verhard oppervlak. Op grond van het waterschapsbeleid is het vereist om voldoende waterberging te realiseren. Dit wordt in paragraaf 4.9 nader uitgewerkt.
Op 31 januari 2022 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie Best' vastgesteld. In mei 2023 is deze herzien. De omgevingsvisie is een beleidsinstrument voor de gemeente, voortkomend uit de Omgevingswet. In de omgevingsvisie zijn drie integrale kernopgaven geformuleerd:
In de omgevingsvisie worden 10 ruimtelijke keuzes onderscheiden:
Figuur 3.3: Visiekaart gemeente Best, Projectgebied blauw omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Toets
De beoogde ontwikkeling binnen het projectgebied, waarbij een gymzaal wordt gerealiseerd, ligt in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Best. Het toevoegen van de gymzaal draagt bij aan een gezonde, duurzame en vitale wijk.
Op 1 januari 2022 is de "Nota Parkeernormen 2022" in werking getreden. Deze nota heeft als doel om de parkeernormen beter toepasbaar en flexibeler te maken voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die de komende jaren in Best gaan plaatsvinden. De beleidsregels voor parkeernormen dienen een hoger doel, namelijk bijdragen aan een goed bereikbaar dorp waar het prettig wonen, werken en verblijven is.
Essentieel zijn daarbij de volgende uitgangspunten:
Van belang is dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, zonder dat dit lokaal resulteert in een structureel overschot aan parkeren. Voor nieuwe initiatieven geldt dat de parkeervraag in principe binnen de ontwikkeling opgelost dient te worden.
Toets
Het thema parkeren behorend bij deze ontwikkeling is nader uitgewerkt in paragraaf 2.3.
De gemeente Best pakt haar maatschappelijke verantwoordelijkheid op het gebied van duurzaamheid door een ambitieus doel te stellen: een energieneutraal en afvalloos Best in 2030. Samen met de Metropoolregio Eindhoven streeft Best ernaar om als eerste regio in Nederland energieneutraal te zijn. Dit betekent onder meer dat alle benodigde energie – na energiebesparing – wordt opgewekt uit duurzame, ook wel hernieuwbare bronnen. Daarmee wordt het gebruik van fossiele brandstoffen (aardgas, aardolie, kolen) teruggedrongen. Verder bepaalt de materiaalkeuze in de bouw de mogelijkheid tot circulariteit.
Toets
Het college van de gemeente Best heeft als uitgangspunt vastgesteld dat het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed Nul-Op-De-Meter vastgoed wordt gerealiseerd. Zo wordt gestreeft naar het gasloos uitvoeren van de gymzaal en wordt voldaan aan voorwaarden voor een duurzame waterhuishouding. Daarmee wordt bijgedragen aan het beperken van hittestress en wordt een klimaatadaptieve omgeving gecreëerd. Tevens wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van milieuvriendelijke en duurzame bouwmaterialen.
In het omgevingsplan worden de functie en het gebruik van de gronden en de maatvoering van de bebouwing geregeld. Het omgevingsplan vormt de juridische basis voor de ontwikkeling van de Gymzaal Dijkstraten. De architectonische verscheidenheid wordt gewaarborgd door middel van de welstandsnota en beeldkwaliteitplannen (in dit geval de Dorpscode).
Voor de ontwikkeling van Dijkstraten is een Dorpscode opgesteld. De Dorpscode is een geschikt instrument om de uitstraling, sfeer en wijze van de inrichting van het (on)bebouwde vast te leggen. Het is een integraal document om de ruimtelijke verschijningsvorm en kwaliteit in de looptijd van het project en in de jaren daarna te waarborgen. De Dorpscode doet uitspraken over de architectonische verschijningsvorm van gebouwen, de inrichting van de openbare ruimte en stedenbouwkundige opzet van het plan. Dit beeldkwaliteitsplan is dus een aanvulling op het bestemmingsplan, waarin uitsluitend stedenbouwkundige randvoorwaarden vastgelegd kunnen worden.
Toekomstige bouwplannen dienen zowel aan het bestemmingsplan als aan de Dorpscode te worden getoetst. De Dorpscode voor de ontwikkeling van Dijkstraten zal als onderdeel van de welstandsnota worden vastgesteld en is hiermee formeel toetsingskader.
Toets
De realisatie van een gymzaal aan de Veldweg in het gebied ''Dijkstraten' ligt in lijn met de dorpscode Dijkstraten.
Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Ook biedt deze zonering duidelijkheid waar bij de projectie van nieuwe milieugevoelige activiteiten rekening mee moet worden gehouden. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.
Het ruimtelijk spoor ging onder de Wet ruimtelijke ordening uit van vaste richtafstanden op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (uit 2009). Die richtafstanden gelden vanaf een bepaalde activiteit tot rustig woongebied en gemengd gebied. Hierbij wordt rustig woongebied meer beschermd dan gemengd gebied.
De nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering uit 2024 werkt niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een lijst van activiteiten met afstanden per activiteit. In plaats daarvan wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zónder een lijst van activiteiten.
Gymzaal
Een gymzaal is een milieubelastende activiteit. Hiervoor is echter geen richtafstand opgenomen in de VNG-uitgave. De gymzaal ligt op een afstand van circa 15 meter van de omliggende woningen.Er is sprake van een gemengd gebied, omdat hier al de rondweg ligt en in de omgeving bedrijven aanwezig zijn. Daarnaast wordt de gymzaal uitsluitend overdag gebruikt. Dit gebruik is zeer beperkt en er zal sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat.
Een gymzaal is een milieubelastende activiteit en geen geluidgevoelige ruimte. De invloed van bedrijven op het gebruik als gymzaal is niet relevant. Desaltniettemin staat voor de volledigheid hieronder de milieubelastende activiteiten in de omgeving genoemd.
Omliggende bedrijven
Aan de overzijde van de Ringweg zijn verschillende milieubelastende activiteiten aanwezig. Deze bedrijven hebben de functie 'Bedrijf'. Binnen deze functie zijn de bedrijven onder milieucategorie 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en/of risicovolle inrichtingen toegestaan. De richtafstand van de hoogst toegestane milieucategorie binnen deze functie is 30 meter. Het projectgebied ligt op minimaal 90 meter afstand van de verschillende bedrijven aan de overzijde van de Ringweg. Geconcludeerd wordt dat in de directe omgeving van de projectgebied zich geen plaatsgebonden activiteiten bevinden die een beperking zijn op de beoogde ontwikkeling.
Ten westen van het plangebied ligt aan de Zessprong 20 een aannemersbedrijf. Dit bedrijf valt in de milieucategorie 3.1 en hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt op minimaal 90 meter afstand van het annemersbedrijf. Geconcludeerd wordt dat in de directe omgeving van het proejctgebied zich geen plaatsgebonden activiteiten bevinden die een beperking zijn op de beoogde ontwikkeling.
Binnen de functie 'Bedrijf' is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het toestaan van bedrijven in milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt op minimaal 90 meter afstand van de verschillende bedrijven aan de overzijde van de Ringweg. Geconcludeerd wordt dat in de directe omgeving van het projectgebied zich geen plaatsgebonden activiteiten bevinden die een beperking zijn op de beoogde ontwikkeling.
Industrielawaai
Op 8 april 2026 heeft Sweco onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Dit onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen. Het doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van de geluidbelasting van de gymzaal op de omgeving. De toelaatbaarheid van een activiteit op een locatie die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw is geregeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl. Hierin zijn standaardwaarde en grenswaarde opgenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat in de dag- en avondperiode wordt voldaan aan de (grens)waarden uit het omgevingsplan en het Bkl voor het langtijdgemiddel beoordelingsniveau, mits de volgende gevelvoorzieiningen worden gerealiseerd:
Met de voorgeschreven gevelmaatregelen voor het gebouw worden er geen belemmeringen voorzien en wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende gebouwen gegarandeerd. Deze voorgeschreven maatregelen, of hieraan gelijkwaardige maatregelen, zijn als voorwaardelijk verplichting opgenomen in de bijbehorende regels.
Uit paragraaf 2.3.1 blijkt dat er een zeer beperkte toename van 80,1 verkeersbewegingen per etmaal ontstaat door de realisatie van het project. Vanwege de zeer beperkte verkeerstoename zal er geen toename aan verkeerslawaai ontstaan door het projectvoornemen.
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.
Wettelijk kader
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm.
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gaan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gymzaal
Het initiatief betreft de realisatie van een gymzaal ten behoeve van de nabijgelegen school aan de Maatstok 1 (kindcentrum Platijn) en de school aan Den Dries 17 (Op 't Erf). Dit zijn geen geluidgevoelige verblijfsruimten of gebouwen als bedoeld in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. De gymzaal is geen nevengebruiksfunctie binnen een gebouw met een onderwijsfunctie. Om deze reden is de gymzaal geen geluidgevoelig gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.21 Bkl. Onderzoek naar geluidbelasting op de te realiseren gymzaal is niet nodig.
woningen Mallejan
In het bestemmingsplan 'Dijkstraten' is een 'specifieke bouwaanduiding - 8' opgenomen. Deze bouwaanduiding is opgenomen, omdat deze te realiseren bebouwing zou dienen als een geluidwal voor de al gerealiseerde woningen aan de Mallejan. In de bijbehorende stukken (bijlage bij de toelichting p. 1456) van bestemmingsplan Dijkstraten blijkt dat een Besluit hogere waarde is genomen.
In het akoestische rapport (behorende bij het hogere waarde besluit HOWA-11-00165) zijn op de woningen met toetspunten W54-W59-W60 geen overschrijdingen ten opzichte van de voorkeursgrenswaarde berekend. Er is daarbij geen rekening gehouden met de betreffende bouwaanduiding. Wel is er rekening gehouden met enkele andere woningen (beoordelingspunten W55-W56) in dat plan, die een afschermende werking hebben. De specifieke bouwaanduiding is abusievelijk opgenomen. Uit de kaart van Icinity (obv RVMK/BBMA 2035) blijkt dat de woningen aan Mallejan ook zonder afschermend gebouw zullen voldoen aan de standaardwaarde.
Stemgeluid
Voor stemgeluid bestaan geen wettelijke normen. De gymzaal zal kinderen van de nabijgelegen scholen aan de Maatstok 1 (kindcentrum Platijn) en de school aan Den Dries 17 (Op 't Erf) aantrekken. Deze kinderen zullen per klas de gymzaal gaan gebruiken. Met de realisatie van de speeltoestellen in het groen ontstaat geen onredelijke hinder op geluidgevoelige objecten/woningen in de omgeving. Om het woon- en leefklimaat van omwonenden te beschermen zijn aanvullende regels omtrent openingstijden, geluid en te openen delen gesteld aan het gebruik van de gymzaal.
Installaties
Bij de keuze van de soort/type installaties zal rekening worden gehouden met de geldende geluidsnormen. Deze installaties zullen niet leiden tot overschrijding van de normen. Die normen gelden echter niet voor bepaalde geluiden, zoals stemgeluid en piekgeluiden van aankomende en vertrekkende bezoekers. Daarom kunnen die geluiden enkel in de planfase beschouwd worden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Industrielawaai
Op 8 april 2026 heeft Sweco onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Dit onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen. Het doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van de geluidbelasting van de gymzaal op de omgeving. De toelaatbaarheid van een activiteit op een locatie die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw is geregeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl. Hierin zijn standaardwaarde en grenswaarde opgenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat in de dag- en avondperiode wordt voldaan aan de (grens)waarden uit het omgevingsplan en het Bkl voor het langtijdgemiddel beoordelingsniveau, mits de volgende gevelvoorzieiningen worden gerealiseerd:
Met de voorgeschreven gevelmaatregelen voor het gebouw worden er geen belemmeringen voorzien en wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende gebouwen gegarandeerd. Deze voorgeschreven maatregelen, of hieraan gelijkwaardige maatregelen, zijn als voorwaardelijk verplichting opgenomen in de bijbehorende regels.
Het aspect geluid vormt geen belemmering.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect kwaliteit van de buitenlucht instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de kwaliteit van de buitenlucht als de toename van de concentratie NO2 en/of PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de kwaliteit van de buitenlucht altijd worden beoordeeld:
In artikel 5.54 van het Bkl is opgenomen dat bij een project waarin maximaal 1.500 woningen worden toegevoegd, de genoemde maximale waarde van 1,2 µg/m3 niet zal worden overschreden. Aangezien binnen het projectgebied slechts 1 gymzaal wordt toegevoegd, wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde eisen.
In de beleidsregel: 'handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Best' is geregeld dat binnen 300 meter van de snelweg en 50 meter van een drukke gemeentelijke/provinciale weg geen nieuwe 'lucht'gevoelige objecten kunnen worden ontwikkeld. De nieuwe gymzaal ligt op meer dan 50 meter afstand van de Ringweg. Hiermee wordt voldaan aan de beleidsregel om buiten 50 meter van een drukke gemeentelijke/provinciale weg 'lucht'gevoelige objecten te realiseren.
Het aspect kwaliteit van de buitenlucht vormt geen belemmering.
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening.
Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval moeten worden beschermd. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
De Verordening geurhinder en veehouderij maakt onderdeel van het omgevingsplan. Aanvullend hier op heeft de gemeente de Beleidsregel geurgevoelig gebouw Best 2024 vastgesteld. Onder geurgevoelig gebouw wordt in de gemeente Best verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het omgevingsplan, of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, daarbij inbegrepen gebouwen die op basis van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gebouwd mogen worden.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
De te realiseren gymzaal is geen geurgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.91 van het Bkl.Daarbij is de afstand van het projectgebied tot de meest nabijgelegen veehouderij is 830 meter (Broekstraat 13). Verder liggen op zo'n 900 meter een aantal veehouderijen (Aarleseweg). De richtafstand voor deze bedrijven bedraagt 100 meter volgens het Bkl. Omdat het projectgebied buiten deze richtafstand ligt en het object geen geurgevoelig object is, levert het project geen belemmeringen voor de veehouderijen op en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd. Onderzoek is daarom niet nodig.
Voor het bepalen van het woon- en leefklimaat is de achtergrondgeurbelasting van belang. Figuur 4.1 hieronder geeft de achtergrondbelasting weer. De achtergrondbelastingkaart van Best toont voor het projectgebied Dijkstraten (rood omlijnd) een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving.
Figuur 4.1; Uitsnede kaart achtergrond geurbelasting, projectgebied rood omcirkeld (bron: Omgevingsdienst Zuidoost Brabant)
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Eerder uitgevoerde onderzoeken
Er is door Geofox-lexmond op 11 juli 2007 een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 3) en op 25 mei 2010 een aanvullend en nader bodemonderzoek (Bijlage 4) uitgevoerd. Daarnaast is door Lankelma ingenieursbureau een grondonderzoek uitgevoerd op 9 mei 2017 aan de veldweg 14 t/m 18 te Best (Bijlage 5). Uit deze onderzoeken kan het volgende worden geconcludeerd:
Verkennend bodemonderzoek, 11 juli 2007:
Aanvullend en nader bodemonderzoek, 25 mei 2010:
Grondonderzoek, 9 mei 2017:
Zintuiglijk zijn in de vrijkomende grond, behoudens sporen baksteen in de boringen B3, B4 en B5, geen aanwijzingen aangetroffen die zouden kunnen duiden op een verontreiniging. In de grond zijn, behoudens een lichte verhoging aan minerale olie in grondmengmonster MM1 en cadmium in grondmengmonster MM2, geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetoond. Het totaal aan resultaten is dusdanig dat dit geen belemmering behoeft te vormen voor eventuele geplande ontwikkelingen.
Toekomstige ontwikkeling
Op het plangebied is in het verleden meerdere keren volledig verkennend bodem- en asbest in grond onderzoek uitgevoerd (2007/2010). Dit betreft de Veldweg 14 t/m 18. Daarnaast is in 2017 de nieuwbouwlocatie van de tijdelijke woningen volledig onderzocht. Na 2017 is de functie en gebruik van de grond ongewijzigd gebleven. Op basis van deze onderzoeken kan voldoende een uitspraak gedaan worden over de aanwezige bodemkwaliteit. Het uitvoeren van een nieuw onderzoek is niet nodig. Destijds zijn geen sterke verontreinigingen boven de interventiewaarde aangetroffen. Hiermee is de bodem geschikt voor het beoogde gebruik.
De aspecten bodem en grondwater vormen geen belemmering.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl.
Er is door Sweco een onderzoek uitgevoerd naar het aspect omgevingsveiligheid. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als Bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat het projectgebied is gelegen nabij de spoorlijn Amsterdam - Venlo en twee hogedruk aardgastransportleidingen.
Hogedruk aardgastransportleidingen
Binnen een straal van circa 11 meter van het projectgebied liggen twee hogedruk aardgastransportleidingen. Het betreft leidingen DPO_280 en DPO_BLG_019. Het noordwestelijke deel van het projectgebied ligt binnen het brandaandachtsgebied van de betreffende leidingen. Echter ligt de geplande gymzaal niet in het brandaandachtsgebied, waardoor verdere belemmeringen niet van toepassing zijn. Binnen 5 meter afstand vanaf de hogedruk aardgasleiding worden geen gebouwen gerealiseerd, daarbij wordt rekening gehouden met de toekomstige werkzaamheden voor de realisatie van de gymzaal.
Spoorlijn Amsterdam - Venlo
Op 528 meter in oostelijke richting van het projectgebied ligt spoorlijn Amsterdam - Venlo. Voor spoor- en waterwegen geldt volgens het Bkl een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Het projectgebied ligt niet binnen het brand- en explosieaandachtsgebied. Het projectgebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied. De zelfredzaamheid van gebruikers van de gymzaal wordt als goed beoordeeld, omdat de gebruikers basisschoolleerlingen zijn die altijd onder begeleiding zijn. In het geval van een calamiteit ter plaatse van de spoorlijn is het projectgebied voor de hulpdiensten bereikbaar via de Ringweg.
Met inachtneming van de in deze paragraaf genoemde punten vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.
De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beperkt tot de bescherming van trilling gevoelige gebouwen en trilling gevoelige ruimten tegen trillingen in het frequentie interval van 1 tot 80 Hertz (Hz), ten gevolge van (milieubelastende) 'activiteiten anders dan wonen'. Ondanks de ruime benaming zijn veel activiteiten uitgezonderd. Uitgezonderd van het wettelijk kader zijn:
De gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. De afstand van het projectgebied tot het spoor is 528 meter. Gezien de afstand van het projectgebied tot het spoor is hinder voor personen en gebouwen door trillingen uit te sluiten.
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000 gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Door ID Verde is een ecologische quickscan uitgevoerd. In de ecologisch quickscan is uitgegaan van de realisatie van een gymzaal en woningbouw. Dit is een verouderd projectvoornemen. Het aangepaste projectvoornemen leidt niet tot een wijziging van de conclusie in het onderzoek. De rapportage van deze quickscan is opgenomen als Bijlage 7. De belangrijkste bevindingen zijn hierna opgenomen.
Gebiedsbescherming
Het Natura 2000-gebied 'Kampina & Oisterwijkse Vennen', gelegen op circa 7,5 km van het projectgebied, is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositiebijdrage vanwege de bouw- en gebruiksfase berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het project relevante Natura 2000-gebieden. De voor stikstofdepositie mogelijk relevante bronnen ten gevolge van gebruik in de toekomstige situatie betreffen de verkeersbewegingen van bezoekers. Gedurende zullen de aanlegfase emissies plaatsvinden door mobiele werktuigen en bouwverkeer. Uit de uitgevoerde berekeningen, zie Bijlage 8, blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. De gemeente heeft vanuit hun beleid 'Best duurzaam' het uitgangspunt om elk maatschappelijk vastgoed gasloos uit te voeren (Nul-Op-De-Meter, NOM). Een berekening van de gebruiksfase is daarom niet nodig.
Op circa 1,5 km van het projectgebied bevindt zich het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gelet op de afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen nadelige effecten verwacht op het NNN.
Soortenbescherming
Op basis van de ecologische quickscan kan het volgende worden geconcludeerd:
De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van vaatplanten, vogels met jaarrond beschermd nest categorie 5, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelde diersoorten. Nader onderzoek naar deze soortgroepen is niet nodig. Met in achtneming van de maatregelen genoemd in bijlage 3, kunnen de werkzaamheden in overeenstemming met de Omgevingswet plaatsvinden.
Voor de soortgroepen vleermuizen en vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) valt niet uit te sluiten dat de ingreep leidt tot opheffing van verblijfplaatsen en nestlocaties (artikel 11.37 en 11.46 Bal). Daarom dient voor gebouw bewonende vleermuizen en vogels met jaarrond beschermd nest namelijk huismus en gierzwaluw aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen wat voor functie het projectgebied heeft voor bovenstaande soorten.
Vervolgonderzoek
Op 16 oktober 2025 heeft Sweco een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd voor de soortgroepen vleermuizen en vogels met jaarrond beschermd nest, namelijk huismus en gierzwaluw. Dit onderzoek is als Bijlage 9 opgenomen bij dit plan. De belangrijkste bevindingen zijn hierna opgenomen.
Uit het aanvullend onderzoek kan worden geconcludeerd dat de bebouwing in gebruik is als zomerverblijfplaats en als paarverblijfplaats door de gewone dwergvleermuis.
Als gevolg van de voorgenomen sloop is overtreding van artikel 11.46, lid 1 (Bal) van de Omgevingswet niet te voorkomen. De aangetroffen verblijfplaatsen kunnen in milde winters tevens de functie van een winterverblijfplaats hebben. Maatregelen dienen genomen te worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van de verblijfplaatsen te garanderen.
Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een activiteitenplan en middels een vergunningsaanvraag ter goedkeuring worden gelegd bij de provincie Noord-Brabant.
Verder dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene broedvogels te worden uitgevoerd, en dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht
Significant negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen op basis van de uitgevoerde berekeningen worden uitgesloten. een vergunningplicht Natura 2000 activiteit zijn niet aan de orde.
Nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuizen en de huismus & gierzwaluw zullen uitwijzen of er een vergunningplicht aan de orde is.
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.
Er is door Sweco een onderzoek uitgevoerd naar het aspect water. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als Bijlage 10. Dit is een verouderd projectvoornemen. Het aangepaste projectvoornemen leidt niet tot een wijziging van de conclusie in het onderzoek.Uit het onderzoek blijkt dat er in de huidige situatie circa 2.180 m2 verhard oppervlak aanwezig is. Na realisatie van het projectvoornemen zal het verhard oppervlak afnemen met 440 m2.
Het beleid van waterschap de Dommel en de gemeente Best is dat er sprake is van nieuwe bebouwing en dat er wel compenserende berging benodigd is. Oftewel er moet voor het toekomstig verhard oppervlak ca. 1.740 m2, 70 mm worden gecompenseerd binnen het plangebied. In de regels is hiertoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De wateropgave wordt opgelost door middel van een wadi. Deze zal worden gerealiseerd aan de overkant van de Veldweg (buiten het plangebied). Dit stuk grond is in eigendom van de gemeente Best.
Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt.
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving.
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het voorzien in voldoende waterberging. In de functie groen is opgenomen dat parkeren alleen is toegelaten in de vorm van een halfverharding. Hiermee is het wateraspect voldoende geborgd.
De aspecten water en watersystemen vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.
In artikel 1.2 Omgevingswet staat aangegeven dat de wet gaat over cultureel erfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan, is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Dit betekent ook dat voor cultureel erfgoed geldt dat activiteiten geen nadelige gevolgen mogen hebben hiervoor op grond van artikel 1.7 Ow. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Cultuurhistorie
Binnen het projectgebied komen geen monumenten voor. Ook is het projectgebied geen onderdeel van een stads- of dorpsgezicht, cultuurlandschappen of ander cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op bestaande structuren.
Archeologie
Binnen het bestemmingsplan 'Parkeernormen en archeologie', vastgesteld op 6 februari 2017, heeft het projectgebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Binnen de bestemming mogen uitsluiten bouwwerken worden opgericht met een oppervlakte van maximaal 250 m2. Aangezien het projectgebied groter is dan 250 m2 wordt archeologisch onderzoek vereist.
Door Sweco is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als Bijlage 11 opgenomen. Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
In 2010 heeft er in en rond het plangebied Mallejan een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het huidige projectgebied bevond zich in zone B, waar een vervolgonderzoek is aanbevolen in de vorm van een archeologische begeleiding bij de sloop van bestaande bebouwing en een proefsleuvenonderzoek op de locaties die niet bebouwd zijn. Het huidige bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het projectgebied zouden kunnen bevinden. Op basis van een middelhoge en hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het projectgebied aanwezig zijn. Daarom wordt het eerder gegeven advies overgenomen.
Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het projectgebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Het proefsleuvenonderzoek zal op een later moment woren uitgevoerd. In voorliggend TAM-omgevingsplan wordt het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie' opgenomen.
De aspecten cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw vormen geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit. Het proefsleuvenonderzoek moet uitwijzen of er archeologische resten binnen het projectgebied aanwezig zijn.
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd.
Met de toevoeging van een gymzaal wordt de kwaliteit van de leefomgeving verbeterd in de vorm van sport. De aspecten geluid, geur, kwaliteit van de buitenlucht en bodem zijn in voorgaande paragrafen gemotiveerd. Daarnaast wordt met de realisatie van de gymzaal de kwaliteit van de leefomgeving niet nadelig beïnvloed.
Veehouderijen
Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.
Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Voor de beoordeling kan de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0" worden gebruikt. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen reikt.
Er bevinden zich geen intensieve veehouderijen binnen een straal van 600 meter vanaf het projectgebied.
Geitenhouderijen
In een straal van 2 km rondom geitenhouderijen bestaat een verhoogde kans op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet worden beoordeeld of er een effect is op de gezondheid. Er bevinden zich geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 km vanaf het projectgebied.
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.
Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Het bevoegd gezag neemt een besluit over het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Hiervoor dient de aanvraag in ieder geval gepaard te gaan van een beschrijving van:
Het bouwen van een gymzaal kan gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit in kolom 3 (zonder voorwaarden). In beginsel betekent dit dat er een mer-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Uit voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit, gezien de aard en omvang van het voorgenomen project.
De fysieke kenmerken en locatie van het project staan beschreven in hoofdstuk 2, de mogelijke milieueffecten van het project in hoofdstuk 4. De quickscan natuurwetgeving bevat een uitgebreid toelichting op de afstand tot en het effect op de resultaten van dit natuurwaarden onderzoek.
Uit voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit omdat het projectgebied in bestaand stedelijk gebied ligt en het gaat om 1 gymzaal van 616 m2. Buiten dat staat vast dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.
Inleiding
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch mogelijk maken van de ontwikkeling Dijkstraten te Best. Met beoogd planvoornemen wordt een gymzaal gerealiseerd. Er wordt een gymzaal gerealiseerd. Het TAM-omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Best (hoofdstuk 22e). Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Best.
Het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22e gymzaal Dijkstraten' bestaat uit de volgende onderdelen:
a. De motivering
In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
b. De regels
De regels worden opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Best. De regels bevatten onder andere de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan.
c. De (digitale) verbeelding
Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde functies. Deze worden in paragraaf 5.2 nader toegelicht. Daarnaast zijn diverse werkingsgebieden opgenomen, gekoppeld aan specifieke regels.
d. De opzet van het plan
Het omgevingsplan bevat regels die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels.
Op de verbeelding zijn gebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functies met bijbehorende regels kort toegelicht.
Groen
Een gedeelte van het projectgebied krijgt de functie 'Groen'. Deze gronden zijn aangewezen voor plantsoenen, parken, groenstroken en andere groenvoorzieningen, bermen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen met daarbij behorende geluidwerende voorzieningen, voet- en fietspaden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Maatschappelijk
Een gedeelte van het plangebied krijgt de functie 'Maatschappelijk'. Deze gronden zijn aangewezen voor maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een gymzaal, wegen, paden en parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden mag slechts binnen het bouwvlak worden gebouwd
Verkeer
Ter plaatse van de aanpassing van de Veldweg aan de westkant krijgen de gronden de functie 'Verkeer'. Deze gronden zijn aangewezen voor voorzieningen voor wegen, fiets- en voetpaden, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen met de daarbij behorende voorzieningen zoals; parkeerplaatsen, groen en beplanting, bermen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie.
Waarde - Archeologie
Aan het plangebied is de functie 'Waarde - Archeologie' toegekend. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwwerken op deze gronden dient een archeologisch onderzoek te worden overgelegd als de bodemingrepen een groter oppervlakte hebben dan 250 m2.
Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen.
Algemene regels
In de algemene regels is een aantal bepalingen opgenomen die gelden binnen het gehele plangebied van dit TAM-omgevingsplan. Dit betreft onder andere de voorwaardelijke verplichting om voldoende waterberging aan te leggen.
De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Dit kostenverhaal geldt voor kostenverhaal plichtige activiteiten, waaronder bouwactiviteiten. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald.
Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal.
Voorliggend project is een initiatief vanuit de gemeente Best. De gemeente Best is eigenaar van de gronden binnen het plangebied, waardoor er geen kosten op derden verhaald hoeven te worden. Het TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van een gymzaal ten behoeve van de scholen Dijkstraten en Aarlesche Erven. De gemeenteraad heeft op 10 november 2025 ingestemd met de Programmabegroting 2026 en de Meerjarenraming 2027-2029. Hierin is opgenomen dat voor het beschikbaar stellen van de benodigde financiële middelen een afzonderlijk raadsbesluit vereist is. Dit besluit is op 9 februari 2026 genomen.
De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.
In het kader van participatie zijn alle omwonenden in kennis gesteld van het voornemen om op het aangrenzende perceel een gymzaal te bouwen. De omwonenden zijn uitgenodigd voor een participatie bijeenkomst op 9 december 2025. Tijdens de bijeenkomst was er veel aandacht voor het plan. De meeste waren blij met het plan, maar er waren ook enkele aanwezigen die zich zorgen maakten en kritisch tegenover het plan stonden.
Tijdens de gesprekken kwam naar voren dat de aanwezigen vooraf al goed op de hoogte waren van het plan en dat het in de wijk Dijsktraten leeft, maar dat niet iedereen dezelfde visie heeft. Dit komt ook terug in de wensen en aandachtspunten. Deze punten zijn samengevoegd in het verslag van de inloopbijeenkomst, welke als Bijlage 12 is opgenomen.