direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bedrijventerrein Souburg - herontwikkeling Veerhavenweg, vergroting bouwvlak, archeologie
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Planbeschrijving en afweging

1.1 Aanleiding en doel wijzigingsplan

Deze toelichting heeft betrekking op de toepassing van 3 wijzigingsbevoegdheden voor het bedrijventerrein Souburg. Aanleiding voor deze wijzigingsplannen is de wijziging van de wegenstructuur ter plaatse en de wens om een herontwikkeling van de oude wegtracés tot bedrijventerrein planologisch-juridisch mogelijk te maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0001.jpg" Figuur 1.1 Globale ligging wijzigingsplannen in de gemeente Vlissingen

In 2020 zijn de ligging van de Veerhavenweg, Westerhavenweg, Oosterhavenweg, Poortersweg, Poorterspad en Buitenhavenpad gewijzigd. Met een nieuwe ontsluitingsweg vanaf de Sloeweg/Rijksweg A58, de Havendorpweg, en de aanleg van een rotonde op het bedrijventerrein Souburg waarop gewijzigde infrastructuur op aansluit, zijn een nieuwe entree van de stad aan deze zijde tot stand gekomen en een ontsluitingsweg naar het nieuwe bedrijventerrein Souburg II.

Het oude tracé van de Veerhavenweg is buiten gebruik gesteld en geheel gesaneerd. Ook de Ankerweg, het doodlopende weggetje evenwijdig aan de eerhavenweg, is grotendeels opgeruimd. Alleen het eerste gedeelte (circa 100 meter) is nog aanwezig en omgedoopt in de Louis Pasteurweg. Deze weg is opgeknapt en verlengd en omgebogen in de richting van het oude tracé.

Door het gebied, in oostwestelijke richting is een fietspad aangelegd. Hiervoor is onder de nieuwe Havendorpweg een tunnel aangelegd. Dit nieuwe fietspad is doorgetrokken naar het Buitenhavenpad dat evenwijdig aan de spoorlijn ligt.

In figuur 1.2 is de situatie van oktober 2019 weergegeven en in figuur 1.3 de actuele situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Foto nieuwe inrichting met blauw gemarkeerd het voormalige tracé Veerhavenweg (Gemeente Vlissingen, oktober 2019)

afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0003.jpg"

Figuur 1.3 Actuele situatie (Foto: ruimtelijkeplannen.nl)

Nu de gronden van het voormalige tracé zijn gesaneerd, kunnen zij worden toegevoegd aan het bedrijventerrein Souburg en kunnen hier bedrijfspercelen worden ontwikkeld. Het gaat daarbij om

1,43 hectare aan bedrijventerrein. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient het geldende bestemmingplan 'Bedrijventerrein Souburg' te worden aangepast. In het bestemmingsplan zijn hiervoor wijzigingsbevoegdheden opgenomen, die nu worden toegepast. In paragraaf 2.1 wordt ingegaan op de geldende regeling voor dit gebied. Voor de duidelijkheid en een transparante besluitvorming is ervoor gekozen beide bevoegdheden te regelen in één wijzigingsplan.

1.2 Eisen waaraan een wijzigingsplan moet voldoen

Een wijzigingsplan moet voldoen aan de wijzigingsvoorwaarden die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. De toetsing aan de wijzigingsvoorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 2. Daarnaast is in artikel 3.1.6 juncto en 1.1.1. sub 3 en van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) geregeld dat een wijzigingsplan vergezeld moet gaan van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

  • a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;
  • b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • c. de uitkomsten van het overleg met het Waterschap Scheldestromen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening
  • d. de uitkomsten van het onderzoek naar relevante feiten en de af te wegen belangen;
  • e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;
  • f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

Deze aspecten worden toegelicht in hoofdstukken 3 en 4 van deze plantoelichting.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Verder moet de toelichting bij een bestemmingsplan (i.c. wijzigingsplan) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De toetsing staat bekend als het doorlopen van de "Ladder voor duurzame verstedelijking". Deze ladder is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik.

  • Onder een stedelijke ontwikkeling wordt in het Bro onder andere verstaan een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein. De ontwikkeling van het voormalige tracé van de Veerhavenweg tot bedrijventerrein voldoet aan deze definitie zodat de behoefte moet worden onderbouwd. Omdat de ontwikkeling tot bedrijventerrein direct samenhangt met de verplaatsing van de stadsentree c.q. ontsluitingsweg vanaf de Sloeweg/Rijksweg A58 binnen het bestaande bedrijventerrein Souburg, is er geen sprake van extra oppervlakte aan bedrijventerrein. De ontwikkeling geschiedt programmatisch 'neutraal'. Er wordt namelijk circa 2,3 hectare aan potentieel bedrijventerrein onttrokken. Een nadere onderbouwing van de behoefte is dan ook niet nodig.
  • Voor bestaand stedelijk gebied wordt in het Bro de volgende definitie gehanteerd: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit deze beschrijving blijkt dat het nieuwe bedrijventerrein valt binnen bestaand stedelijk gebied.

1.3 Afweging en conclusie

1.3.1 Toetsing aan wijzigingsregels

De planontwikkeling is in hoofdstuk 2 getoetst aan het geldende bestemmingsplan en de daarin opgenomen wijzigingsvoorwaarden. Geconcludeerd is dat aan de wijzigingsvoorwaarden wordt voldaan.

1.3.2 Toetsing aan planologische en overige aspecten

Voorliggende ontwikkeling is in hoofdstuk 3 getoetst aan actueel planologisch beleid en sectorale aspecten, zoals bodem en water. Er gelden geen beleidsmatige, milieuhygiënische en andere belemmeringen voor de locatie. Wel zal per bouwvlak onderzoek moeten worden gedaan mogelijk achtergebleven blindgangers uit de 2de Wereldoorlog. Als deze worden gevonden moeten deze worden verwijderd. Dit vormt echter geen belemmering om het wijzigingsplan vast te stellen.

1.3.3 Conclusie

De uitgevoerde toetsen (zie hoofdstukken 2 en 3) tonen aan dat er geen planologische belemmeringen zijn voor het voorgenomen project. Geconcludeerd wordt dat de wijzigingsbevoegdheden kunnen worden toegepast.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsplan en wijzigingsvoorwaarden

2.1 Geldende regeling

2.1.1 Bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Souburg'

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Souburg' dat op 30 mei 2013 door de gemeenteraad van Vlissingen is vastgesteld. In figuur 2.1 is een uitsnede van de verbeelding van dat bestemmingsplan weergegeven. Het voormalige tracé van de Veerhavenweg heeft daarin de bestemming Verkeer. De direct aangrenzende gronden aan de zuidzijde hebben de bestemming Bedrijventerrein. Binnen deze bestemming is het bouwvlak op 3 meter uit de bestemmingsgrens gelegd. In deze smalle strook mogen geen (bedrijfs)gebouwen worden gebouwd en dat is in de nieuwe situatie wel gewenst.

Daarnaast geldt voor dit deel van het (toekomstige) bedrijventerrein de dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Binnen de bestemming Bedrijventerrein is een milieuzonering opgenomen. Algemeen toelaatbaar zijn bedrijven uit ten hoogste categorie 3.2. van de in het bestemmingsplan gehanteerde Staat van Bedrijfsactiviteiten (hierna SvB). Met de functieaanduidingen 'bedrijf tot en met categorie 4.1' en 'bedrijf tot en met categorie 4.2' zijn bedrijven met een zwaardere milieu-uitstraling toegestaan.

In de regels van de bestemming Verkeer (artikel 6, lid 6.4.1) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het college van burgemeester en wethouders de bestemming kunnen wijzigen in de bestemming Bedrijventerrein. Daarnaast is er in artikel 17, lid 17.1.2 van de regels een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het college het bouwvlak kan vergroten. Om de wijzigingsbevoegdheden te kunnen toepassen, zal ten minste aan de wijzigingsvoorwaarden in de betreffende artikelen moeten worden voldaan (zie paragraaf 2.2).

 afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0004.jpg"

Figuur 2.1 Uitsnede bestemmingsplan Bedrijventerrein Souburg (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

2.1.2 Paraplubestemmingsplan Parkeernormering

Naar aanleiding van het Parkeerbeleidsplan Vlissingen 2017-2022 en het vervallen van de stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeerverplichting bij ruimtelijke ontwikkelingen) heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen op 20 maart 2018 de 'Nota parkeernormering Vlissingen 2018-2022' vastgesteld om de parkeerverplichting bij ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen bepalen. Dit is vervolgens juridisch verankerd in het op 5 juli 2018 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormering'.

2.2 Toetsing aan wijzigingsvoorwaarden bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Souburg'

De wijzigingsvoorwaarden zijn vastgelegd in artikel 6 lid 6.4.1, artikel 17 lid 17.1.2 en in artikel 17 lid 17.1.3 van de regels. Hierna zijn de betreffende regels geciteerd en is eraan getoetst.

6.4.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen in 'Bedrijventerrein', mits de wijziging niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de aangrenzende percelen.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De afstand tussen het nieuwe bedrijventerrein tot de dichtstbij gelegen woning Edisonweg 53d bedraagt ten minste 75 meter. In verband hiermee is ervoor gekozen om aan de westzijde het gebied dat wordt begrensd door het Buitenhavenpad, Poorterspad, Louis Pasteurweg en Oude Veerhavenweg te bestemmen voor bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.2 van de SvB. Voor het overige wordt de milieuzonering op het bestaande bedrijventerrein op het nieuwe terrein doorgezet. Concreet betekent dit dat voor het grootste gedeelte bedrijven uit ten hoogste categorie 4.1. van de SvB kunnen worden toegelaten. Voor bedrijven uit deze milieucategorie geldt een aan te houden richtafstand tot milieugevoelige objecten zoals woningen van 200 meter in een omgevingstype 'rustige woonwijk' en '100 meter in een 'gemengd gebied'. Gezien de vele belangrijke wegen rond het gebied, de nabijheid van de spoorlijn en de ligging tussen het bestaande bedrijventerrein Souburg en het bedrijventerrein Edisonpark, is sprake van een omgevingstype 'gemengd gebied'. Slechts voor een heel klein gedeelte kunnen bedrijven uit ten hoogste categorie 4.2. van de SvB worden toegelaten. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.

Voor het overige zijn evenmin belemmeringen vanwege de beoogde ontwikkeling te verwachten. Andere bestemmingen worden niet aangetast of verstoord.

17.1.2 Vergroting bouwvlakken

Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak.

Ook aan deze voorwaarde wordt voldaan. Het totale bedrijventerrein heeft een oppervlakte van circa 15 hectare (bruto) en de strook die nu wordt toegevoegd aan het bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 1.200 meter (3 meter breed x 400 meter lang). De toename is daarmee minder dan 1%.

17.1.3 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming

Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk verwijderen van het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Waarde - Archeologie’, met inachtneming van de volgende regels:

  • 1. uit archeologisch onderzoek is gebleken, dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • 2. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht, dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;
  • 3. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen het bevoegd gezag advies in bij de archeologisch deskundige.

Uit informatie van de Algemene HoogteKaart Nederland (www.ahn.nl) blijkt dat het plangebied circa 2 meter is opgehoogd. Door de archeologisch deskundige, de Walcherse Archeologische Dienst, is daarom aangegeven dat voor het plangebied de in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Souburg opgenomen vrijstellingsmaat van 40 cm voor bouwen en andere werkzaamheden kan worden verruimd naar 2 meter. In praktische zin wordt de archeologische bestemming daardoor in verticale zin verwijderd met 1,6 meter.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan planologische en overige aspecten

3.1 Toetsing aan beleid

Behalve dat moet worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden uit het geldende bestemmingsplan kunnen ook andere eisen of voorwaarden van belang zijn, bijvoorbeeld als er na de vaststelling van het bestemmingsplan nieuw planologisch beleid of nieuwe wet- of regelgeving is vastgesteld. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld. In dit hoofdstuk wordt hierop ingegaan.

Een nagenoeg volledig overzicht van de beleidsplannen en regelgeving dat voor het plangebied van toepassing is, is te vinden op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Daaruit blijkt dat na de vaststelling van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Souburg' in 2013 de volgende plannen zijn vastgesteld:

  • Paraplubestemmingsplan parkeernormering, vastgesteld 5 juli 2018;
  • de eerste tot en met de 7de wijziging van de Verordening Ruimte Provincie Zeeland.

Geen van deze plannen zijn voor de beoordeling van het wijzigingsplan van belang.

Voor zover sectorale wetgeving relevant is voor het nemen van de ruimtelijk besluiten (de wijzigingsbevoegdheden), is hieraan getoetst in paragraaf 3.2.

3.2 Toetsing aan sectorale aspecten

In de toelichting op het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Souburg' (hierna: basisplan) zijn veel sectorale aspecten al beoordeeld. De toetsing in voorliggende plantoelichting kan dan ook beperkt blijven tot die aspecten die voor het omzetten van de verkeersbestemming in de bestemming bedrijventerrein van belang zijn.

3.2.1 Verkeersaspecten

Toetsingskader 

Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en dat er in de gebruiksfase voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.

Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie worden berekend op basis van kencijfers uit publicaties van het kennisplatform CROW. Tegenwoordig is dat publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen, maart 2020). Hiervan kan worden afgeweken, maar dan zal dit goed moeten worden gemotiveerd of onderbouwd.

Voor het parkeren heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen met de vaststelling van de 'parkeernormering Vlissingen 2018-2022' (hierna: Nota parkeernormering) op 20 maart 2018 afgeweken van de destijds beschikbare CROW publicatie '317 - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (oktober 2012; de voorganger van publicatie 381).

In de Nota parkeernormering is een lijst met parkeernormen voor de gemeente Vlissingen opgesteld. Hierbij is rekening gehouden met de verschillen die tussen stedelijke zones bestaan. De gemeente Vlissingen kiest binnen de kaders van het parkeerbeleidsplan ervoor om met 'gemiddelde parkeernormen' te werken (vanuit de bandbreedte die vanuit de kencijfers van het CROW gesteld worden). Het is deze gemiddelde parkeernorm die als 'vaste norm' toegepast wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen. De Nota parkeernormering is vervolgens juridisch verankerd in het op 5 juli 2018 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormering' (zie paragraaf 2.1.2).

Het uitgangspunt is dat een bouwplan op eigen terrein aan de parkeerplaatsverplichting kan voldoen, overeenkomstig de in bijlage 2 van het paraplubestemmingsplan opgenomen parkeernormen. Wanneer aantoonbaar blijkt dat dit niet mogelijk is, kan hiervan op vier manieren volgordelijk worden afgeweken:

  • Parkeren opvangen door benutting bestaande parkeerruimte;
  • aanleg parkeerplaatsen in de openbare ruimte;
  • afkopen parkeervraag door financiële bijdrage in het mobiliteitsfonds;
  • Toepassen afwijkingsbevoegdheid college van B&W.

Toetsing verkeersaspecten

Verkeersontsluiting gemotoriseerd verkeer

Het plangebied ligt langs de nieuwe entree van de stad aan deze zijde en daarmee zowel vanuit Vlissingen als van buiten Vlissingen goed bereikbaar. In paragraaf 1.1 is de actuele verkeerssituatie beschreven. Ten noorden van het aangelegde fietspad dat oostwest loopt, is de wegenstructuur nog niet definitief bepaald. Voor de ontsluiting van het noordelijk gedeelte zal de Louis Pasteurweg worden doorgetrokken. De weg wordt doorlopend. Het verkeer zal moeten keren via een keerlus of over een bedrijfsperceel. Dat is afhankelijk van de definitieve verkavelingsopzet. Een indicatieve verkavelingsopzet is opgenomen in figuur 3.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0005.jpg"

Figuur 3.1 Indicatieve verkavelingsopzet westelijk gedeelte bedrijventerrein Souburg (tekening: Arcadis (2016))

Verkeersgeneratie

Wijzigingen in het verkeersnetwerk, ruimtelijke ontwikkelingen en sociaal economische veranderingen kunnen leiden tot verschuiving van verkeer en in een toe- of afname van verkeersintensiteiten. De gemeente Vlissingen beschikt over een verkeersmodel waarmee berekeningen kunnen worden gemaakt van de toekomstige verkeersintensiteiten op wegvakniveau. In dit model is nog geen rekening gehouden met de bedrijfsmatige ontwikkeling van het plangebied.

In de toelichting op het geldende bestemmingsplan bedrijventerrein Souburg is vermeld dat de branches waaraan het bedrijventerrein ruimte wil bieden auto’s, bouwnijverheid, distributie en groothandel zijn. Op basis de hiervoor vermelde CROW publicatie 381 en de voor het plangebied van toepassing zijnde gebiedskenmerken (rest bebouwde kom, matig stedelijk gemiddeld) geldt een kencijfer van 4,8 mvt /etmaal per 100 m2 bvo. Dit is inclusief vrachtverkeer en bezoekers (aandeel 5%) Uitgaande van 1,43 hectare komt dit neer op een totale verkeersgeneratie van circa 685 mvt/etmaal. Dit aantal komt via de Louis Pasteurweg op de Oude Veerhavenweg. Op deze weg rijden naar verwachting circa 9.500 mvt/etmaal (gebaseerd op verkeerstellingen augustus 2020 tussen Hertzweg en Marconiweg).

De Oude Veerhavenweg is een gebiedsontsluitingsweg met 2 rijstroken en een maximum snelheid van 50 km/uur. De capaciteit van een dergelijke weg hangt sterk af van de inrichting (vooral aansluitingen en kruispunten). Grofweg kan een capaciteit van 12.000-15.000 mvt/etmaal worden aangehouden. Op trajecten met weinig aansluitingen ligt capaciteit een stuk hoger 20.000-25.000 mvt/etmaal. Geconcludeerd wordt dat het extra verkeer op deze route als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot problemen. De weg heeft voldoende capaciteit om dit extra verkeer te verwerken.


Verkeersontsluiting langzaam verkeer

Zoals al in paragraaf 1.1 is gemeld, is door het gebied, in oostwestelijke richting, een fietspad aangelegd. Hiermee is het plangebied goed met de fiets te bereiken.

Verkeersontsluiting openbaar/collectief vervoer

De gemeente Vlissingen hanteert een straal van 600 meter als invloedsgebied voor bushaltes (GVVP Vlissingen 2012-2020). De meest nabij gelegen bushalte (Oude Veerhavenweg ligt op een afstand van circa 700 meter. Dit is net meer dan de gewenste afstand. Bezien wordt of het plangebied voldoende bereikbaar is met openbaar vervoer.

Conclusie

Het (plan)gebied wordt goed ontsloten en is goed bereikbaar voor autoverkeer, langzaam verkeer en overig bestemmingsverkeer.

De ontwikkeling van het plangebied heeft een beperkte invloed op de verkeersintensiteiten van de wegen rondom het gebied. Er worden geen knelpunten verwacht voor de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte, die voortkomt uit de planontwikkeling, zullen de bedrijven op eigen terrein oplossen.

3.2.2 Cultuurhistorie

Toetsingskader 

In het Bro is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Toetsing en conclusie

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Daaruit blijkt dat binnen het plangebieden en de directe omgeving daarvan geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig zijn waarmee rekening moet worden gehouden.

3.2.3 Archeologie

Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie. Aan deze dubbelbestemming zijn regels verbonden die de archeologische waarden in het plangebied beschermen. Zo is een omgevingsvergunning vereist voor het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm beneden het maaiveld of het ophogen van gronden met meer dan 2 meter. Een dergelijke vergunning is niet nodig indien de werken of werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen van ten hoogste 500 m². Voor het saneren van de weg is alleen het asfalt weggehaald. Het zandcunet eronder is blijven liggen. Er was dus geen archeologisch onderzoek nodig.

Een dergelijk onderzoek is dan ook nog niet voor dit gebied uitgevoerd. Uit informatie van de Algemene HoogteKaart Nederland (www.ahn.nl) blijkt dat het plangebied circa 2 meter is opgehoogd. Door de Walcherse Archeologische Dienst (hierna: WAD) is daarom aangegeven dat voor het plangebied de in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Souburg opgenomen vrijstellingsmaat van 40 cm voor bouwen en andere werkzaamheden kan worden verruimd naar 2 meter. Het advies van de WAD is opgenomen in bijlage 1.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0006.jpg"

Figuur 3.1. Fragment van de Algemene HoogteKaart Nederland waaruit blijkt dat het voormalige tracé is opgehoogd.

3.2.4 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Toetsing en conclusie

Delen van het voormalige tracé zijn in het kader van het basisplan onderzocht. Het gaat onder onderzoeksgebieden 2, 3, 4 en 7. Uit het onderzoek, dat is opgenomen in bijlage 2, blijkt dat in geen van de geanalyseerde grond(meng)monsters de interventiewaarden van de geanalyseerde parameters worden overschreden. Voor alle onderzoekslocaties is ten hoogste veiligheidsklasse “Basisklasse” of geen veiligheidsklasse van toepassing. Er is geen reden voor nader bodemonderzoek. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het voormalige tracé tot bedrijventerrein.

3.2.5 Watertoets

Toetsingskader

Voor ruimtelijke plannen en besluiten dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. In dat kader dient in een vroeg stadium overleg te worden gevoerd met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het Waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg.

Toetsing

Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan is eerder al een watertoets uitgevoerd waarin ook het plangebied van het wijzigingsplan is meegenomen. Uit deze toets, die is opgenomen in bijlage 3, blijkt dat er bij het bouwrijp maken van bedrijventerrein Souburg II voldoende waterberging is aangelegd voor de eindsituatie waarbij ook het plangebied van dit wijzigingsplan geheel is ontwikkeld . Daarbij is uitgegaan van 100 % verharding van de bedrijfspercelen, zodat de waterberging "worst-case" is benaderd. De eis van voldoende waterberging is ook in de regels van het basisplan vastgelegd.

Verder is al vermeld dat er geen sprake is van een uitbreiding van het bedrijventerrein, maar van een onderlinge verplaatsing van bedrijventerrein en infrastructuur. In verband met aanleg van de nieuwe ontsluitingsstructuur zijn secundaire waterlopen in het gebied verplaatst.

In 2018 heeft de gemeente een watervergunning aangevraagd voor het aanleggen van waterberging en het graven/verleggen van watergangen ten behoeve van de aanleg van bedrijventerrein Souburg II met bijbehorende technische voorzieningen. De vergunning is op 17 oktober 2018 verleend door het Waterschap Scheldestromen en is eveneens opgenomen in bijlage 3.

Conclusie

Uit toetsing aan de criteria van het waterschap blijkt dat het plangebied ligt in een aandachtsgebied voor de waterhuishouding en dat er op het gebied van water een hoog inspanningsniveau geldt voor een stedelijke ontwikkeling. Bij het bouwrijp maken van bedrijventerrein Souburg II is voldoende waterberging is aangelegd voor de eindsituatie waarbij ook het plangebied van dit wijzigingsplan geheel is ontwikkeld. Er is nog geen concrete invulling van het gebied beschikbaar maar duidelijk is dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de waterhuishouding ter plaatse.

3.2.6 Ecologie

Toetsingskader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en beschermde natuurgebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt.

Toetsing en conclusie

In de referentiesituatie was de Veerhavenweg in gebruik als ontsluitingsweg. Uit een Quickscan die in augustus 2020 is uitgevoerd voor het bouwrijp maken van percelen en het bouwen van bedrijfspanden (zie bijlage 4) blijkt dat geen effecten op de gunstige staat van instandhouding zijn te verwachten op aanwezige diersoorten en dat beschermde vaatplanten niet voorkomen.

Nu de verharding is weggehaald, kunnen ter plaatse (pionier)soorten zich vestigen (met name rugstreeppadden en broedvogels. Dit kan onder andere worden voorkomen door paddenschermen, regelmatig kort maaien, open water (poelen) op het terrein en steile taluds in zandhopen te voorkomen.

De bescherming van dier- en plantensoorten staat de uitvoering van het wijzigingsplan niet in de weg, mits tijdens sloop-en bouwwerkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.

Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied, effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Datzelfde geldt voor effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding en op beschermde soorten.

De voorgenomen bestemmingswijziging zorgt niet voor een toename van het verkeer in de gebruiksfase omdat de ontwikkeling tot bedrijventerrein programmatisch 'neutraal' is (zie paragraaf 1.2 onder het kopje Ladder voor duurzame verstedelijking'). Er is daarmee geen sprake van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Voor de aanleg- of bouwfase geldt dat op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking is getreden. Hierin is geregeld dat de aanlegfase wat betreft stikstofdepositie helemaal buiten beschouwing kan blijven.

Aanbevelingen in Quickscan

Uit recente projecten is gebleken dat het behoud van biodiversiteit op bedrijventerreinen een gunstige combinatie is. Veel diersoorten voelen zich hier thuis en kunnen met enkele simpele maatregelen een geschikt leefgebied vinden. Deze maatregelen zijn niet alleen gunstig voor diersoorten, maar leveren ook een bijdrage een gezonde werkomgeving en aan klimaatadaptatie. Voor de betreffende locatie zijn diverse maatregelen mogelijk die de bedrijfsvoering niet in de weg staan. Voor zover uitvoerbaar zal hiermee rekening worden gehouden.

3.2.7 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.

Toetsing

Omdat de ontwikkeling van het terrein programmatisch neutraal is, draagt het plan "niet in betekenende mate" bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uitgaande van de achtergrondconcentraties binnen de gemeente Vlissingen voldoet de luchtkwaliteit ook na realisatie van het planvoornemen aan de normen van de Wlk.

Conclusie

De Wlk staat de realisering van het project niet in de weg.

3.2.8 Niet-gesprongen explosieven

In het kader van de voorbereidingen voor het basisplan is in opdracht van de gemeente Vlissingen een bureauonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de bodem. Daaruit blijkt dat het westelijk deel van het plangebied (waaronder het plangebied van voorliggende wijzigingsplan) wordt aangeduid als risicogebied.

In verband hiermee is in november 2020 een aanvullend vooronderzoek uitgevoerd en een algemene risicoanalyse opgesteld. In dit onderzoek, opgenomen in bijlage 5, wordt bevestigd dat het plangebied verdacht is op het voorkomen van (brisant)bommen. Het gaat om blindgangers die diep (10- 15,5m-mv.) in de bodem kunnen zijn ingedrongen. Trillingen vormen geen aantoonbaar risico.

afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0007.jpg"

Figuur 3.2. Fragment kaart onderzoeksgebied Niet-gesprongen explosieven

Geadviseerd is om voorafgaande aan bodemroerende werkzaamheden in dit verdacht gebied in dieper dan het maaiveld uit de 2de Wereldoorlog achtergebleven blindgangers op te sporen en te verwijderen. Per bouwvlak zal onderzoek moeten worden gedaan naar indringingsdiepten. Dit zal moeten gebeuren op basis van dieptesonderingen en in afstemming met een deskundige. Omdat in de grondexploitatie ruimte is voor deze werkzaamheden, is het aspect niet-gesprongen conventionele explosieven geen belemmering om het wijzigingsplan vast te stellen.

3.2.9 Toetsing aan mer-wetgeving

Toetsingskader

Voor bepaalde activiteiten, gevallen, plannen en besluiten moet een milieueffectrapport worden opgesteld of moet worden beoordeeld of er een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dit is vastgelegd in de Wet milieubeheer. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) zijn hiervoor drempelwaarden opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten en gevallen benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarvoor geldt een directe m.e.r.-plicht.

Besluiten die activiteiten uit onderdeel D mogelijk maken die voldoen aan de drempelwaarden geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor plannen geldt een directe Plan-m.e.r.-plicht.

De drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst zijn echter indicatief . Ook voor activiteiten onder deze drempelwaarde moet het bevoegd gezag (in dit geval het college van burgemeester en wethouders) aan de hand van een vormvrije mer-beoordeling nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Op basis van deze beoordeling (of 'vergewisplicht') kan worden geconcludeerd of een m.e.r.-procedure toch noodzakelijk is.

Toetsing

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein zijn geen activiteiten die worden genoemd onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van een directe m.e.r.-plicht.

De activiteiten worden wel genoemd in kolom 1 van categorie 11.3 van onderdeel D van de bijlage (zie tabel hierna).

afbeelding "i_NL.IMRO.0718.WPBS01-VG01_0008.jpg"

Het wijzigingsplan is een plan als genoemd in kolom 4. Dat betekent dat in geval de drempelwaarde wordt overschreden een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Dit is echter bij lange na niet het geval . De oppervlakte van het nieuwe terrein bedraagt circa 3,5 hectare. Dat betekent dat alleen een vormvrije mer-beoordeling moet worden uitgevoerd. Hiervoor moet een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Uit deze notitie die is opgenomen in bijlage 6. Daaruit blijkt dat belangrijke negatieve milieueffecten niet zijn te verwachten.

In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen ontwikkelingen of nieuwe plannen in voorbereiding. Met het aspect cumulatie behoeft dan ook geen rekening te worden gehouden.

Conclusie

Het plan is niet projectmer of mer-beoordelingsplichtig. Uit de vormvrije mer-beoordeling die is uitgevoerd blijkt dat geen m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 2 november 2021 hierover een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen.

3.3 Financiële aspecten

3.3.1 Kostenverhaal

Regelgeving

In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan (i.c. een wijzigingsplan) en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Bro). Doel hiervan is om bij de ontwikkeling van bouwlocaties een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Als er te verhalen kosten zijn, dan legt de gemeente dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is niet vereist indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom).

Toetsing

Op dit moment is het plangebied in eigendom bij de gemeente. De kosten die de gemeente maakt voor de ontwikkeling van het terrein, worden verdisconteerd in de grondprijs.

Conclusie

Een exploitatieplan is niet vereist omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

3.3.2 Financiële uitvoerbaarheid

Regelgeving

In artikel 3.1.6. van het Bro is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan (i.c. een wijzigingsplan) inzicht moet worden gegeven in de uitvoerbaarheid. Hieronder wordt mede de financiële uitvoerbaarheid verstaan.

Toetsing

In de door de raad vastgestelde grondexploitatie voor het Bedrijventerrein Souburg II is de financiële uitvoerbaarheid aangetoond. Gelet op het vertrouwelijke karakter worden de financiële gegevens niet in deze paragraaf opgenomen.

Conclusie

De financiële uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is voldoende verzekerd.

Hoofdstuk 4 Toelichting op de juridische plannen

Wijzigingsplan en het geldende bestemmingsplan

Dit plan wijzigt het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Souburg' zoals dat op 30 mei 2013 door de gemeenteraad van Vlissingen is vastgesteld. De wijziging vindt plaats op basis van de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in artikel 6, lid 6.4.1., artikel 17, lid 17.1.2 en artikel 17.1.3 van dat bestemmingsplan. Op basis van die bepalingen zijn de bestemming Verkeer gewijzigd in de bestemming Bedrijventerrein, is het bouwvlak in de bestemming Bedrijventerrein vergroot en wordt de archeologische dubbelbestemming voor de bovenste 2 meter praktisch ingetrokken.

Wat wordt er geregeld in deze wijzigingsplannen?

Omdat er sprake is van wijzigingsbevoegdheden is het opstellen van een complete set regels niet noodzakelijk en volstaat een verwijzing naar de regels van het basisplan. De regels van de bestemmingen 'Bedrijventerrein', 'Verkeer' en 'Waarde - Archeologie' uit het basisplan zijn daarmee van toepassing, met dien verstande dat de vrijstellingsdiepte waarbinnen voor bouw-, grond en sloopwerkzaamheden geen archeologisch onderzoek hoeft te worden uitgevoerd, is verruimd van 40 cm naar 2 meter. Daarnaast is de milieuzonering op het bestaande bedrijventerrein voorgezet door het opnemen van de aanduidingen 'bedrijf tot en met categorie 4.1' en 'bedrijf tot en met categorie 4.2' op de verbeelding. Aan de westzijde van het gebied is een maximale milieucategorie 3.2 aangehouden. Daarbij is een in het gebied herkenbare begrenzing aangehouden begrensd door het Buitenhavenpad, het Poorterspad, de Louis Pasteurweg en de Oude Veerhavenweg. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar paragraaf 2.2.

Standaardregels

Volgens paragraaf 3.2. van het Bro dienen standaardregels in bestemmingsplannen te worden opgenomen. In artikel 1.1.1 sub 3 van dat besluit is bepaald dat onder een bestemmingsplan ook een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6. eerste lid onder a of b van de Wet ruimtelijke ordening wordt verstaan. Om deze reden zijn ook een Anti - dubbeltelregel en Overgangsrecht opgenomen.

Hoofdstuk 5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1 Vooroverleg met instanties en inspraak

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het wijzigingsplan in het geding zijn.

Ook is het wijzigingsplan op grond van de gemeentelijke inspraakverordening gepubliceerd en 6 weken (vanaf 5 augustus 2021 tot en met 15 september 2021) ter inzage gelegd en kon een iedereen over het voorontwerpwijzigingsplan een inspraakreactie indienen bij het Vlissingse college van burgemeester en wethouders. Er zijn 2 overlegreacties en 1 inspraakreactie ingediend. De antwoordnota inspraak- en vooroverleginstanties is opgenomen in bijlage 7. Naar aanleiding van het overleg zijn de aanhef van artikel 3 en de voorliggende toelichting aangepast. Ook de inspraakreactie heeft geleid tot aanpassing van deze toelichting.

5.2 Zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan worden voor een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegd. Eventuele zienswijzen worden samengevat en beantwoord.